[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-almelo-disability-rights-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":39,"limit":40},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},69,"Almelo","nl","almelo",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},46,"disability-rights-nl","Disability Rights","NL","2026-07-08T16:53:53.126Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},2,{"min":18,"max":18},"2026-06-29T00:00:00.000Z",[],[21,32],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1491","ECLI:NL:RBOVE:2026:3814","ecli-nl-rbove-2026-3814","","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Almelo\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 25\u002F3563\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , (hierna: [eiseres] )\n\ngemachtigde: mr. K. Wevers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (college),\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\nSamenvatting\n\nIn deze uitspraak beoordeeld de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen het besluit van het college om aan haar een persoonsgebonden budget van € 910,90 toe te kennen voor de aanschaf van een handbewogen rolstoel. [eiseres] is het daar niet mee een en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. [eiseres] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n1. [eiseres] heeft op 21 november 2021 een melding bij het college gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Daarin heeft zij gevraagd om een nieuwe handbewogen rolstoel. Met het besluit van 13 juni 2022 heeft het college de aanvraag afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 8 maart 2023 is het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.\n\n1.1.. Vervolgens heeft [eiseres] beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft dat beroep gelijktijdig met drie andere beroepszaken over de Wmo behandeld op een zitting van 16 november 2023. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst, omdat onderzoek noodzakelijk was.\n\n1.2.. Destijds liep er ook een aanvraagprocedure voor een elektrische rolstoel. Met de beslissing op bezwaar van 13 maart 2024 is aan [eiseres] een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor een aangepaste elektrische rolstoel.\n\n1.3.. Op 16 april 2024 heeft JPH Consult adviezen uitgebracht. De daaropvolgende zitting heeft op 29 april 2025 plaatsgevonden. Met de uitspraakvan 19 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 8 maart 2023 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank de het college opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.\n\n1.4.. Met het bestreden besluit van 5 november 2025 heeft het college een nieuw besluit genomen. Het bezwaar is gegrond verklaard en voor aanschaf van een handbewogen rolstoel is een éénmalig pgb toegekend van € 910,90. Dit bedrag is gebaseerd op de aanschafprijs van een Excel G-lightweight rolstoel met comfort beensteunen en een stuurstoffleshouder.\n\n1.5.. \n [eiseres] heeft beroep ingesteld en op 26 januari 2026 aanvullende gronden ingediend.\n\n1.6.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.7.. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het college. Ook zorgverlener [zorgverlener] was aanwezig.\n\nStandpunten van [eiseres]\n\n2. Volgens [eiseres] is het besluit onzorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd. Ondanks de uitspraak van de rechtbank is geen zelfstandig en specifiek advies ingewonnen naar de specifieke eisen die vanwege haar gezondheidssituatie nodig zijn bij een handbewogen rolstoel. In plaats daarvan heeft college zelf op basis van het advies en verhelderingsvragen aan JPH Consult en aan haarzelf, een programma van eisen opgesteld, dat is gebaseerd op eigen aannames en overwegingen. Vervolgens is op basis daarvan ten onrechte gekozen voor een rolstoel met een minimale uitvoering. Ook heeft het college niet inzichtelijk gemaakt hoe deze rolstoel veilig en adequaat kan worden gebruikt.\n\n2.1.. Ook stelt [eiseres] dat het besluit innerlijk tegenstrijdig is. Het college erkent aan de ene kant de ernst van haar beperkingen en de noodzaak van ondersteuning bij transfers en verplaatsingen, maar concludeert desondanks dat kan worden volstaan met een standaard handbewogen rolstoel zonder wezenlijke aanpassingen. Terwijl het vanwege haar gezondheidsklachten van belang is dat de rugleuning gekanteld kan worden en dat de rolstoel voorzien is van een goede hoofdondersteuning.\n\n2.2.. Verder stelt [eiseres] dat ten onrechte is gemotiveerd dat weinig eisen aan de rolstoel gesteld hoeven worden, omdat het om incidenteel gebruik gaat voor snelle en eenvoudige verplaatsingen binnenshuis. Dat is namelijk niet zo, omdat zij de handbewogen rolstoel elke dag gebruikt en het ook gaat om verplaatsingen buitenshuis naar bijvoorbeeld de tandarts of het ziekenhuis. Dit zijn locaties waar zij met haar elektrische rolstoel niet altijd naar binnen kan, omdat de elektrische rolstoel daarvoor te breed is.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte een éénmalig pgb heeft toegekend van € 910,90 voor een handbewogen rolstoel. De rechtbank licht dit als volgt toe.\n\n3.1.. Deze beroepsprocedure bouwt voort op de uitspraak van 19 maart 2025. Voor de van belang zijnde feiten en het wettelijk kader verwijst de rechtbank dan ook naar die uitspraak. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat:\n\n“ Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit, met de verwijzing naar de elektrische rolstoel en de overweging dat een tweede rolstoel niet bijdraagt aan een vergroting van de zelfredzaamheid, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.\n\nJPH Consult heeft in de adviezen expliciet vermeld dat de handbewogen rolstoel voor eiseres noodzakelijk is bij verplaatsingen binnenshuis en buitenshuis. Het college heeft niet uitgelegd waarom de adviezen van JPH Consult niet worden gevolgd. Voor zover het college er bij de besluitvorming vanuit is gegaan dat de handbewogen rolstoel als reserverolstoel voor de elektrische rolstoel is bedoeld, volgt de rechtbank dat niet. Al in de Wmo-melding is aangegeven dat de handbewogen rolstoel (ook) bedoeld is voor alle plaatsen waar een elektrische rolstoel niet naar binnen kan. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en het beroep is gegrond. De rechtbank draagt het college op opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij is ook van belang of het mogelijk is om de rolstoel geschikt te maken voor eiseres.”\n\n3.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Er heeft geen (fysiek) onderzoek bij [eiseres] plaatsgevonden naar de speciek aan een handbewogen rolstoel voor haar te stellen eisen, gelet op haar beperkingen waaraan de rolstoel noodzakelijkerwijze dient te voldoen.\n\nDit, terwijl in de uitspraak is geoordeeld dat het van belang is dat de rolstoel geschikt is te maken voor [eiseres] . In plaats daarvan is het besluit gebaseerd op een advies van 16 april 2024 van JPH Consult dat via een videocall tot stand is gekomen en hoofdzakelijk gaat over de beperkingen die [eiseres] ondervindt in het gebruik van de huidige woning en het gebruik van een rolstoel binnenshuis. Daardoor is het gebruik buitenshuis niet bij die beoordeling betrokken, terwijl dat wel nadrukkelijk was bepaald in de uitspraak. Dat het college na het advies verhelderingsvragen aan JPH Consult en [eiseres] heeft gestuurd, maak dit oordeel niet anders. Het college heeft niet de deskundigheid om zelf op basis van eigen interpretatie van die antwoorden te beoordelen welke handbewogen rolstoel passend is en welke aanpassingen wel of niet nodig zijn. Tijdens de zitting heeft [eiseres] daarover navolgbaar toegelicht dat bijvoorbeeld een ergotherapeut die benodigde kennis wel heeft. Bovendien had [eiseres] in de antwoorden op de verhelderingsvragen het belang van een onderzoek benoemd, evenals het feit dat zij de handbewogen rolstoel ook dagelijks buitenshuis nodig heeft en aan welke eisen wat haar betreft de rolstoel zou moeten voldoen. Anders dan het college lijkt te stellen is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] voldoende heeft aangetoond dat het wel mogelijk is om een rolstoel te vinden die voldoet aan de specifieke vereisten.\n\nDe door haar na summier onderzoek gevonden rolstoel heeft weliswaar een motor, maar mogelijk is deze te verwijderen. Dit heeft [eiseres] niet nader onderzocht, omdat het vinden van een geschikte rolstoel primair op de weg van het college lag. De rechtbank kan [eiseres] hierin volgen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit van 5 november 2025 vernietigen.3.3.. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien. Ook zal de rechtbank het college niet weer opnieuw opdragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De reden daarvoor is dat tijdens de zitting duidelijk is geworden dat [eiseres] per 1 juli 2026 gaat verhuizen naar een andere gemeente. Dit heeft tot gevolg dat het college vanaf dan niet langer verantwoordelijk is voor het verstrekken van een handbewogen rolstoel. De rechtbank gaat er wel vanuit dat het college met medeweten van [eiseres] zorgdraagt voor een warme overdracht van de benodigde informatie naar de nieuwe verantwoordelijke gemeente.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is gegrond, omdat het college onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan en onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat [eiseres] gelijk krijgt.\n\n4.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan [eiseres] vergoeden en krijgt [eiseres] ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand van haar gemachtigde krijgt [eiseres] een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;\n\n- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 53,- aan [eiseres] vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBOVE:2025:3159","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3814","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:23.621Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"1504","ECLI:NL:RBOVE:2026:3815","ecli-nl-rbove-2026-3815","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Almelo\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 24\u002F3872\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , (hierna: [eiseres] )\n\ngemachtigde: mr. D. Aygur,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over een afwijzing van een aanvraag voor een Wajong-uitkering. [eiseres] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat [eiseres] op haar achttiende verjaardag (nog) arbeidsvermogen had. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n1. [eiseres] is geboren op [geboortedatum] 2005 en is dus op [geboortedatum] 2023 achttien jaar geworden. Op 26 juli 2023 heeft zij een Wajong-uitkering aangevraagd. De aanvraag en medische informatie is beoordeeld door een verzekeringsarts en ook een arbeidsdeskundige heeft de aanvraag beoordeeld. Met het besluit van 20 november 2023 is de aanvraag afgewezen. Tegen dat besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van [eiseres] is het UWV bij dat besluit gebleven.\n\n1.1.. \n\n [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 9 december 2024 aanvullende gronden ingediend. Het UWV heeft daarop gereageerd met een rapport van\n\n16 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B).\n\n1.2.. Op 17 februari 2025 heeft [eiseres] aanvullende beroepsgronden ingediend met informatie van 22 oktober 2018 en 23 oktober 2023 van de internist\u002Fhematoloog dr. J.J.A. Auwerda (hierna: Auwerda). Ook is een rapport van arts Van Diemen, een verwijsbrief naar specialistische GGZ, een intakeverslag en een bericht van de kinderarts overgelegd.1.3.. Het UWV heeft hierop gereageerd met een rapport van 28 maart 2025 van de verzekeringsarts B&B.\n\n1.4.. \n\nOp 21 mei 2026 zijn aanvullende gronden ingediend met informatie van\n\n15 januari 2026 van GZ-psycholoog en regiebehandelaar dr. [medewerker GGZ] (hierna: [medewerker GGZ]), werkzaam bij Boncara GGZ.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV. Ook mevrouw [naam] was aanwezig.\n\nStandpunt UWV\n\n2. Volgens het UWV heeft [eiseres] geen recht op een Wajong-uitkering, omdat zij op haar achttiende verjaardag (datum in geding) wel arbeidsvermogen heeft. Hiervoor baseert het UWV zich op de rapporten van de verzekeringsarts B&B en de arbeidsdeskundige B&B. Daarin is geconcludeerd dat [eiseres] ondanks haar gezondheidsklachten en beperkingen wel vier uur per dag en een uur aaneengesloten kan werken. Ook kan zijn de taak \"Invoeren van gegevens” doen en beschikt zij wel over basale werknemersvaardigheden.\n\nStandpunten [eiseres]\n\n3. [eiseres] stelt dat zij vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een vitamine B12-tekort geen arbeidsvermogen heeft. De beperkingen die zij hierdoor ondervindt maken dat zij niet in staat is om te werken en dit in de toekomst ook niet zal kunnen. Haar mentale klachten zijn al lang aanwezig en verschillende behandelingen hebben niet geleid tot het gewenste resultaat. In 2019 is zij in behandeling geweest bij een psycholoog en recentelijk is zij weer doorverwezen. Daarnaast is zij al jaren in behandeling bij Auwerda vanwege een vitamine B12-tekort. De verzekeringsarts heeft ten onrechte geconcludeerd dat zij niet gediagnosticeerd is met pernicieuze anemie. Zij is weldegelijk gediagnosticeerd met een vitamine B12-tekort.\n\n3.1.. Ook stelt [eiseres] dat het rapport van 23 oktober 2023 van Auwerda niet bij de beoordeling is betrokken. Verder stelt [eiseres] dat de verzekeringsarts ten onrechte op basis van een spreekuur heeft geconcludeerd dat zij wel arbeidsvermogen heeft, omdat dit een momentopname is. Tenslotte voert [eiseres] aan dat vanwege haar beperkingen sprake was van veel schooluitval. Uit het rapport van 26 juni 2023 van arts Van Diemen blijkt ook dat zij als gevolg van een combinatie van ernstige lichamelijke en psychische beperkingen niet in staat is om een studie te volgen. Zij heeft drie jaar niet naar school gekund.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de aanvraag voor een Wajong-uitkering terecht heeft afgewezen. De rechtbank licht dit als volgt toe.\n\n4.1.. Om in aanmerking te komen voor een Wajonguitkering moet eerst vast komen te staan dat iemand op zijn of haar achttiende verjaardag geen arbeidsvermogen heeft.Ook moet het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam zijn. Van het ontbreken van arbeidsvermogen is sprake als iemand:\n\na. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie; of\n\nb. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt; of\n\nc. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of\n\nd. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.\n\nDeze criteria worden beoordeeld door een verzekeringsarts. De criteria onder a. en b. worden ook beoordeeld door een arbeidsdeskundige.\n\nDat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam moet zijn, betekent dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.Hiervan is sprake als iemand geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en als herstel is uitgesloten.\n\nVerzekeringsgeneeskundige beoordeling\n\n4.2.. \n\nHet spreekuur bij de verzekeringsarts vond plaats op 5 oktober 2023 en er is aanvullende informatie opgevraagd en verkregen van Auwerda. In het rapport van\n\n1 november 2023 heeft de verzekeringsarts overwogen dat [eiseres] sinds de tienerjaren kampt met zowel mentale en lichamelijke problematiek. Binnen haar gezin en familie werd zij vanaf jonge leeftijd geconfronteerd met ziektes en overlijdens. Haar vader en broertjes kampen ook met een vitamine B12-tekort. Deze gebeurtenissen en situaties hebben destijds een flinke emotionele impact gehad. Bovendien kampt [eiseres] sinds de tienerjaren zelf met lichamelijke problematiek. Met veel ondersteuning heeft ze in 2022 nog haar VMBO-diploma kunnen halen. Zij heeft weinig energie, waardoor ze fysieke activiteiten niet goed kan volhouden. Hierdoor is ze veel thuis. Ook qua concentratie en geheugen merkt ze problemen en ze slaapt erg slecht. Op betere momenten probeert ze huishoudelijke taken te verrichten.\n\n4.3.. De verzekeringsarts concludeert dat het gaat om een complexe situatie waarbij het huidige functioneren van [eiseres] niet alleen bepaald wordt door medische factoren, maar ook door gebeurtenissen in het gezin in het verleden en actuele sociale omstandigheden. Volgens de verzekeringsarts zijn op basis van het spreekuur en het functioneren in het dagelijks leven minder (medische) beperkingen te objectiveren dan [eiseres] aangeeft. Bepaalde cognitieve functies (geheugen, woordvinding) zullen misschien niet optimaal zijn. Het energieniveau zal bij [eiseres] ook zeker minder zijn dan bij leeftijdsgenoten en er is psychisch een hoog spanningsniveau en een emotionele kwetsbaarheid. Volgens de verzekeringsarts is [eiseres] in het dagelijks leven wel in staat om gericht activiteiten te ondernemen en heeft zij ook arbeidsvermogen.\n\n4.4.. \n\nVolgens de verzekeringsarts is geen sprake van geobjectiveerde stoornissen van de aandachtsfunctie en er is ook geen sprake van ernstige emotionele instabiliteit en\u002Fof oncontroleerbare gedragingen. Zelfs met een (licht) verminderde geheugenfunctie zal [eiseres] in staat zijn om in werk dat cognitief niet al te veeleisend is een uur aaneengesloten te werken. Het is voorstelbaar dat de energiehuishouding van [eiseres] niet optimaal is, maar er zijn geen concrete feiten waaruit blijkt dat het energieniveau dermate laag is dat [eiseres] niet vier uur per dag belastbaar zou zijn. Verspreid over de dag kan ze activiteiten verrichten en tijdens het spreekuur was de lichamelijke toestand niet buitensporig slecht.\n\nVolgens de verzekeringsarts zijn er geen overtuigende medische feiten waaruit blijkt dat [eiseres] per definitie niet in staat zou zijn om eenvoudige instructies van een werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren. Eventueel kunnen als geheugensteun nog hulpmiddelen ingezet worden, en kan er op een werkplek begeleiding ingezet worden. Het is voorstelbaar dat er soms slechte dagen zijn waarop [eiseres] moeite heeft om tot activiteiten te komen, maar dat is onvoldoende reden om te stellen dat zij per definitie geen afspraken met werkgevers kan nakomen.\n\n4.5.. \n\nIn het rapport van 26 september 2024 concludeert de verzekeringsarts B&B dat er geen aanleiding is om de beoordeling van de verzekeringsarts te wijzigen. Het spreekuur vond plaats op 12 september 2024 en er is informatie verkregen van de huisarts. Volgens de verzekeringsarts B&B is er een discrepantie tussen de medisch objectieve gegevens en het geclaimde onvermogen. Zowel de lichamelijke aandoening als de psychische klachten van betrokkene kunnen een ontbreken van arbeidsvermogen niet verklaren. Op psychisch gebied heeft [eiseres] veel meegemaakt. [eiseres] geeft nog steeds veel klachten en belemmeringen aan. Zelfstandig worden en meer afstand nemen van het gezin zou een positief effect kunnen hebben op de klachten. Bij [eiseres] is echter geen sprake van een psychiatrisch ziektebeeld op basis waarvan zij geen arbeidsvermogen zou hebben.\n\nVerder concludeert de verzekeringsarts B&B dat bij [eiseres] sprake is van allerlei fysieke klachten die jaren geleden geduid zijn als het gevolg van een vitamine B12-tekort. Op basis van de beschikbare informatie is niet duidelijk op basis waarvan het tekort is ontstaan. Uit de informatie blijkt ook niet dat er bij [eiseres] sprake is van een pernicieuze anemie. Bij een adequate suppletie mag een verbetering van de neurologische symptomen verwacht worden binnen zes maanden en de internist geeft een duidelijk effect aan. Het is niet duidelijk in hoeverre de ernst van de ervaren klachten nog past bij een inmiddels gesuppleerd vitamine B12 tekort en het hebben van milde neurologische symptomen leidt niet tot het ontbreken van arbeidsvermogen.\n\n4.6.. \n\nIn de rapporten van 16 januari 2025 motiveert de verzekeringsarts B&B verder dat de beroepsgronden geen aanleiding geven om tot een andere conclusie te komen. Hiertoe overweegt de verzekeringsarts B&B dat de diagnose PTSS niet naar voren komt uit de gegevens van de curatieve sector. Uit deze informatie blijkt dat gesproken is over traumatische ervaringen omtrent de impact van de gezondheidssituatie van de vader van [eiseres] en haar broertjes. In de informatie van 3 september 2014 van de psycholoog Spijker komt de EMDR-behandeling naar voren maar wordt de diagnose PTSS niet genoemd. Deze diagnose komt ook niet voor in de informatie van 15 mei 2020 van psycholoog Homrighausen. Daaruit blijkt wel dat de behandeling goed is afgerond. Verder motiveert de verzekeringsarts B&B dat uit de medische informatie niet volgt dat bij [eiseres] sprake is van een pernicieuze anemie, maar wel van een symptomatisch vitamine B12-tekort. De oorzaak van dat tekort is niet duidelijk. Door de ziekte van haar vader en alertheid daarop binnen het gezin is [eiseres] op tijd gestart met suppletie. De aard en de ernst van een deel van de klachten en belemmeringen zoals [eiseres] die aangeeft kunnen echter niet vanuit het doorgemaakt vitamine B-12 tekort verklaard worden. Ook wordt in de beschikbare medische informatie geen bloedarmoede of neurologische afwijkingen beschreven. Het\n\nfeit dat [eiseres] al behandelingen heeft gevolgd wil niet zeggen dat zij niet meer van behandelingen kan profiteren. [eiseres] heeft namelijk eerder ook van behandeling kunnen profiteren. Daarnaast zal er nog sprake zijn van groei richting volwassenheid en zelfstandigheid en kan begeleiding plaatsvinden. Afstand kunnen nemen van een belastende thuissituatie kan bijdragen aan het versterken van de mentale weerbaarheid. Dit kan volgens de verzekeringsarts B&B ook een positief effect hebben op de ervaren lichamelijke klachten.\n\nArbeidskundige beoordeling\n\n4.7.. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 17 november 2023 geconcludeerd dat [eiseres] beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat [eiseres] in staat moet worden geacht om een taak uit te kunnen voeren in een arbeidsorganisatie. Als taak is het invoeren van gegevens geselecteerd. De beperkingen in het energieniveau hoeft in deze taak geen probleem op te leveren, omdat deze taak wordt verricht bij een bureau met een computer. Gezien het opleidingsniveau van [eiseres] is de taak ook passend. Zij kan lezen, kan in staat worden geacht om gegevens te vergelijken en kan met een computer overweg. Gezien haar niveau mag dus ook verwacht worden dat zij deze taak kan begrijpen en uitvoeren.\n\n4.8.. De arbeidsdeskundige B&B concludeert in het rapport van 30 september 2024 dat er geen aanleiding is om de beoordeling te wijzigen. Naar aanleiding van het in bezwaar aangevoerde heeft de arbeidsdeskundige B&B daarbij opgemerkt dat, indien nodig, op de werkplek begeleiding ingezet kan worden. De taak is geschikt, omdat het een energetisch lichte taak is die past bij het niveau van [eiseres] . [eiseres] heeft voldoende intelligentie en opleiding en geen problemen in het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies. [eiseres] heeft dit op school ook laten zien. Er zijn ook geen problemen in bijvoorbeeld het gedrag die maken dat [eiseres] afspraken niet na kan komen.\n\nBeoordeling van de beroepsgronden\n\n4.9.. De rechtbank is van oordeel dat in de rapporten inzichtelijk en navolgbaar is gemotiveerd dat [eiseres] op haar achttiende verjaardag arbeidsvermogen had. Zowel bij de primaire beoordeling als in bezwaar hebben de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen met [eiseres] gesproken. Daarnaast is de medische informatie waar in het beroepschrift en tijdens de zitting op is gewezen, bij de beoordeling betrokken. Anders dan [eiseres] stelt is de beoordeling dan ook niet gebaseerd op een momentopname van een spreekuur. Ook is het rapport van 23 oktober 2023 van Auwerda wel bij de beoordeling betrokken. Die informatie staat op bladzijde 4 van het rapport van de verzekeringsarts B&B van 26 september 2024. Daarnaast heeft de verzekeringsarts B&B in het aanvullende rapport van 28 maart 2025 ook navolgbaar gemotiveerd dat het rapport van arts Van Diemen, de verwijsbrief naar specialistische GGZ, een intakeverslag en een bericht van de kinderarts niet tot een andere conclusie leiden.\n\n4.10.. \n\nDe informatie van 15 januari 2026 van [medewerker GGZ] laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat deze informatie slecht één dag voor de zitting is overgelegd. Artikel 8:58, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Tijdens de zitting is gebleken dat deze informatie niet eerder is overgelegd, omdat de gemachtigde meer informatie wilde verzamelen en dit vervolgens gezamenlijk wilde overleggen. Dit maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Enerzijds omdat dit een eigen keuze is geweest anderzijds omdat deze keuze niet geheel navolgbaar is, omdat de informatie al in januari 2026 beschikbaar was en al ingediend had kunnen worden bij de eerder geplande zitting van 18 maart 2026 die op verzoek van de gemachtigde is uitgesteld. Ten overvloede merkt de rechtbank overigens op dat deze informatie ziet op een periode van na datum in geding; namelijk de periode van\n\n6 maart 2025 tot en met 15 januari 2026. Zoals tijdens de zitting ook met partijen is besproken, lijkt het erop dat [eiseres] gezondheidssituatie is verslechterd na haar achttiende verjaardag. Het UWV heeft daarover ter zitting gezegd dat zij binnen vijf jaar na haar achttiende verjaardag een wijziging van haar gezondheid kan doorgeven, zodat die wijziging beoordeeld kan worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt het griffierecht dan ook niet terug en geen vergoeding van proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.\n\n Artikel 1a:1, eerste lid, onder a van de Wajong.\n\n Artikel 1a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.\n\n Artikel 1a:1, vierde lid van de Wajong.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3815","2026-07-13T00:29:24.349Z",1,20]