[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-almelo-inheritance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":41,"total":16,"page":25,"limit":68},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},69,"Almelo","nl","almelo",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},48,"inheritance-law-nl","Inheritance Law","NL","2026-07-08T16:53:53.156Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123108","Burgerlijk Wetboek","art. 4:206 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123198","art. 4:160",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123199","art. 4:178 lid 2",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"123200","art. 4:164",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"123201","art. 4:161",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"124118","art. 4:192 lid 3",[42,53,61],{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":46,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":47,"summary":46,"language":7,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1667","ECLI:NL:RBOVE:2026:3803","ecli-nl-rbove-2026-3803","","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer : 12259672 \\ EJ VERZ 26-101\n\nBeschikking van de kantonrechter van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nmr. [verzoekster], kandidaat-notaris, kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,\n\nverzoekster,\n\nzelfstandig procederende\n\ntegen\n\n1. [verweerder 1] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nverweerder sub 1,\n\n2. [verweerder 2]wonende te [woonplaats 2] ,\n\nverweerder sub 2,\n\n3. [verweerder 3] ,wonende te [woonplaats 3] ,\n\nverweerder sub 3,\n\n4. [verweerder 4], wonende te [woonplaats 4] ,\n\nverweerder sub 4,\n\n5. [verweerder 5], wonende te [woonplaats 5] ,\n\nverweerster sub 5,\n\n6. [verweerder 6], wonende te [woonplaats 6] ,\n\nverweerster sub 6,\n\nhierna ook wel samen te noemen: verweerders.\n\nVerzoekster heeft het verzoek gedaan in haar hoedanigheid van belanghebbende in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster], overleden op [overlijdensdatum] 2025, laatst wonende te [woonplaats 7] .\n\n1. De procedure1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van het op 1 juni 2026 ter griffie ingekomen verzoekschrift ingevolge artikel 4:192 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) inzake de nalatenschap van mevrouw [erflaatster], overleden op [overlijdensdatum] 2025, laatst wonende te [woonplaats 7] , hierna te noemen erflaatster.\n\n2. De feiten2.1. Erflaatster heeft blijkens het uittreksel uit het Centraal Testamentenregister geen testament gemaakt.\n\n2.2. Bij brieven van 9 maart 2026 en 20 april 2026 heeft verzoekster de erfgenamen verzocht om een keuze te maken omtrent de nalatenschap.\n\n3. Het verzoek en de beoordeling3.1. Verzoekster verzoekt de kantonrechter om een termijn te stellen aan de erfgenamen om een keuze te maken inzake de nalatenschap van erflaatster. Verzoekster verzoekt de kantonrechter de proceskosten ten laste van de nalatenschap te brengen van de nalatenschap.\n\n3.2. \n\nIn het verzoekschrift staat vermeld dat de erfgenamen niet hebben gereageerd op de brieven van 9 maart 2026 en 20 april 2026 en zij, ondanks de brieven van 9 maart 2026 en 20 april 2026 van verzoekster) nog geen keuze hebben gemaakt of zij de nalatenschap van erflaatster verwerpen of (zuiver dan wel beneficiair) aanvaarden.\n\nVerzoekster merkt op dat de nalatenschap van erflaatster moet worden afgewikkeld en dat zij als notaris belast is met deze taak.\n\n3.3. Het verzoek strekt ertoe om elk van de verweerders voornoemd als wettelijk erfgenamen van [erflaatster] voornoemd een termijn te stellen waarbinnen zij zich moeten uitlaten omtrent het verwerpen dan wel zuiver of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden van de nalatenschap.\n\n3.4. De kantonrechter overweegt dat verzoekster een belang heeft bij afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Als notaris is zij belast met de afwikkeling van de nalatenschap. Erflaatster is overleden op [overlijdensdatum] 2025. Geen van de verweerders heeft kennelijk een keuze uitgebracht.\n\n3.5. Overwogen wordt dat, gezien hetgeen door verzoekster naar voren is gebracht, er voldoende grond is om verweerders een termijn te stellen waarbinnen zij zich dienen uit te laten over aanvaarding en de wijze van aanvaarding dan wel verwerping van de nalatenschap.\n\n3.6. Van feiten of omstandigheden die zich tegen inwilliging van het verzoek verzetten, is niet gebleken. De kantonrechter acht het redelijk de termijn te stellen op acht weken, ingaande op de dag nadat verzoekster deze beschikking aan verweerders heeft doen betekenen en de beschikking onder vermelding van de gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister.\n\n3.7. De kantonrechter wijst erop dat indien verweerders deze termijn van acht weken laten verlopen zonder inmiddels een keuze te hebben gedaan, zij geacht worden de nalatenschap zuiver te aanvaarden (artikel 4:192 lid 3 BW)\n\nKosten\n\n3.8. Volgens vaste jurisprudentie is het uitgangspunt dat de kosten wegens handelingen die objectief noodzakelijk zijn bij de afwikkeling van een nalatenschap en die verricht worden ten behoeve van een algemeen belang, en dus niet ten behoeve van het individuele belang van een erfgenaam, als kosten in de zin van artikel 4:7 lid 1 aanhef en onder sub c BW kunnen worden aangemerkt.\n\n3.9. De kantonrechter oordeelt dat de kosten van deze procedure kunnen worden aangemerkt als kosten die noodzakelijk zijn voor de afwikkeling van de nalatenschap en zal daarom het verzoek om de proceskosten ten laste te brengen van de nalatenschap toewijzen als hierna te formuleren.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:4.1. stelt [verweerder 1] , [verweerder 2] , [verweerder 3] , [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] een termijn van acht weken voor het maken van een keuze ter zake het wel of niet aanvaarden van de nalatenschap en in geval van aanvaarding de manier waarop die aanvaarding plaatsvindt, welke termijn ingaat op de dag nadat verzoekster deze beschikking aan elk van de verweerders voornoemd heeft doen betekenen en de beschikking onder vermelding van de gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister;\n\n4.2. bepaalt dat de kosten van de onderhavige procedure ten laste van de nalatenschap van erflaatster mogen worden gebracht;\n\n4.3. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A. Smedes, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n(JHd(O)","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3803","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:32.487Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":46,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":57,"summary":46,"language":7,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"1088","ECLI:NL:RBOVE:2026:3766","ecli-nl-rbove-2026-3766","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F347481 \u002F HA RK 26-54\n\nBeschikking van 22 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [partij A.1] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nverzoekster sub 1, verweerster sub 1 in het tegenverzoek, hierna ook wel te noemen: [partij A.1] ,\n\nadvocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters, te Deventer,2. 2. [partij A.2] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nverzoeker sub 2, verweerder sub 1 in het tegenverzoek, hierna ook wel te noemen: [partij A.2] ,\n\nadvocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters, te Deventer,\n\ntegen\n\n [partij B],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\nhierna ook wel te noemen: [partij B] ,\n\nverweerder, verzoeker in het tegenverzoek,\n\nadvocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers, te Zwolle,\n\nbelanghebbende:\n\n [belanghebbende],\n\nwonende te [woonplaats 4] ,\n\nhierna ook wel te noemen: [belanghebbende] , belanghebbende,\n\nvanwege de gelijkluidende familienaam worden partijen ook wel aangeduid met hun voornaam (roepnaam).\n\n1. De procedure\n\n1.1. Op 30 april 2026 is bij de rechtbank ingekomen het verzoekschrift van [partij A.1] en [partij A.2] om een vereffenaar te benoemen op grond van artikel 4:203 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), met producties, en tevens het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n1.2. \n [partij B] heeft op 8 juni 2026 een verweerschrift en een zelfstandig (tegen)verzoek ingediend.\n\n1.3. De mondelinge behandeling is gehouden op 11 juni 2026. [partij A.1] en [partij A.2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. [partij A.2] heeft de mondelinge behandeling via een online verbinding bijgewoond. [partij B] is verschenen bij zijn gemachtigde. [belanghebbende] is verschenen.\n\n1.4. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Op [overlijdensdatum] is overleden [erflaatster] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1927 (hierna: erflaatster). De laatste woonplaats van erflaatster was [woonplaats 5] .\n\n2.2. Partijen zijn kinderen en erfgenamen van erflaatster.\n\n2.3. In het testament van 5 juni 2020 heeft erflaatster beschikt over haar nalatenschap. Zij heeft [partij B] tot executeur van haar nalatenschap benoemd.\n\n2.4. \n [partij B] heeft op 18 juni 2025 de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard.\n\n2.5. Bij beschikking van 25 juli 2025 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, zaaknummer 11705239 EJ VERZ 25-83, is [partij B] ontslagen als executeur en is mr. P.F. Schepel benoemd tot vervangende executeur.\n\n3. Het verzoek en het verweer met zelfstandig (tegen)verzoek\n\nHet verzoek van [partij A.1] en [partij A.2]\n\n3.1. \n [partij A.1] en [partij A.2] verzoeken de rechtbank op grond van artikel 4:203 lid 1 onder a Burgerlijk Wetboek (BW) bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, mr. P.F. Schepel , werkzaam bij JPR Advocaten te Deventer, te benoemen tot vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster.\n\n3.2. Daarnaast verzoeken zij bij wijze van voorlopige voorziening mr. P.F. Schepel te benoemen tot voorlopige vereffenaar.\n\n3.3. Aan het verzoek hebben [partij A.1] en [partij A.2] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Zij merken op dat door Schepel als executeur geen ruimschoots verklaring als bedoeld in artikel 202 lid 1 onder a BW kan worden afgegeven. Daarom moet de nalatenschap vereffend worden overeenkomstig de wet. Dit leidt er toe dat de taak van de executeur eindigt op grond van artikel 149 lid 1 onder d BW.\n\n3.4. \n\n [partij A.1] en [partij A.2] merken op dat Schepel diverse werkzaamheden heeft verricht zoals het verzamelen van informatie, bijvoorbeeld bij banken, het voeren van gesprekken met de vereffenaar van [bedrijf] B.V., en het beoordelen van de rechtsverhouding tussen de nalatenschap en [partij B] . Zij erkennen dat Schepel helaas twee schulden van de nalatenschap aanvankelijk over het hoofd heeft gezien en Schepel daardoor pas laat tot de conclusie kwam dat er geen ruimschoots verklaring kon worden afgegeven.\n\nOndanks het voorgaande heeft het de voorkeur van [partij A.1] en [partij A.2] dat Schepel wordt benoemd tot vereffenaar. Schepel is volledig ingevoerd in de zaak. Het benoemen van een andere vereffenaar zal veel extra tijd en kosten met zich mee brengen. Ook is Schepel advocaat en heeft het benoemen van een advocaat de voorkeur boven het benoemen van een notaris. Het is immers niet uitgesloten dat in de toekomst procedures gevoerd moeten worden. [partij A.1] en [partij A.2] wijzen er daarbij op dat de zaak al vele jaren loopt en er al veel procedures zijn gevoerd. Ook is Schepel gespecialiseerd in het erfrecht.\n\n3.5. \n [partij A.1] en [partij A.2] wijzen er op dat Schepel nog diverse werkzaamheden dient uit te voeren maar hij niet alle werkzaamheden kan uitvoeren wegens het eindigen van zijn taak als executeur. In het bijzonder dient de woning van erflaatster aan de [adres] [geboorteplaats] , te worden verkocht en geleverd.\n\n3.6. Daarom wordt verzocht om Schepel te benoemen tot (voorlopig) vereffenaar.\n\n3.7. Over de gevraagde voorlopige voorziening merken [partij A.1] en [partij A.2] op dat dit in iedere verzoekschriftenprocedure kan worden gevraagd. De voorlopige voorziening is nodig om binnen korte tijd over te kunnen gaan tot verkoop en levering van de woning van erflaatster aan de [adres] [geboorteplaats] .\n\nHet verweer met zelfstandig tegenverzoek van [partij B]\n\n3.8. \n [partij B] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan.\n\n3.9. \n [partij B] merkt op dat Schepel meerdere steken heeft laten vallen in de uitvoering van zijn werkzaamheden als executeur en Schepel vooringenomen is met betrekking tot [partij B] . Schepel heeft de legaten aan de kleinkinderen over het hoofd gezien alsook de rente van 6% over de schuldig erkende bedragen. Daarnaast heeft Schepel te laat uitstel aangevraagd voor het doen van aangifte erfbelasting. De executeur heeft dit gedaan in januari 2026 terwijl dit in november 2025 had gemoeten.\n\n3.10. \n [partij B] heeft geen vertrouwen in Schepel als vereffenaar. [partij B] merkt verder op dat het merkwaardig is dat Schepel pas in maart 2026 verklaart dat hij geen ruimschoots verklaring kan afleggen. Het was al veel eerder bekend dat de nalatenschap negatief was. Ten slotte merkt [partij B] op dat Schepel van 13 juni tot en met 30 juli 2026 afwezig is en het niet in het belang is van de afwikkeling van de nalatenschap dat de werkzaamheden zo lang stil komen te liggen.\n\n3.11. \n [partij B] stelt in zijn (tegen)verzoek voor om mr. [notaris] , notaris te [vestigingsplaats] , als vereffenaar te benoemen die zich daartoe op 8 juni 2026 bereid heeft verklaard.\n\nHet standpunt van [belanghebbende]\n\n3.12. \n [belanghebbende] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij geen vertrouwen heeft in Schepel . Zij heeft lang moeten wachten op informatie van Schepel .\n\nHet verweer van [partij A.1] en [partij A.2] op het zelfstandig tegenverzoek van [partij B]\n\n3.13. \n [partij A.1] en [partij A.2] betwisten dat Schepel vooringenomen is. Vaststaat dat [partij B] is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding en hij deze aan de boedel zal moeten vergoeden. Schepel heeft een opdracht verstrekt aan een makelaar om de woning te verkopen. De woning moet echter nog wel worden opgeruimd voordat de woning kan worden verkocht. Schepel hoeft enkel de makelaar nog opdracht te geven om verder te gaan met de verkoop. Dit kan ook tijdens de vakantie van Schepel .\n\n3.14. Indien een andere vereffenaar wordt benoemd zal deze zich moeten inlezen en dit zal tijd kosten en meer kosten met zich meebrengen. Zij erkennen dat Schepel niet tijdig uitstel heeft gevraagd voor aangifte erfbelasting. Dit uitstel is later wel gevraagd en ook verleend en heeft verder geen gevolgen. Ondanks de gemaakte fouten hebben zij vertrouwen in Schepel . Hij heeft de nodige competenties en is ingevoerd in de zaak.\n\n3.15. \n [partij A.1] en [partij A.2] hebben bezwaar tegen benoeming van [notaris] als vereffenaar.\n\n3.16. De door partijen aangedragen gronden zullen hierna worden besproken.\n\n4. De beoordeling\n\nHet verzoek in de bodemzaak\n\n4.1. De in artikel 4:206 lid 1 BW genoemde personen, voor zover bekend, zijn gehoord althans behoorlijk opgeroepen.\n\n4.2. Ter beoordeling staat of een vereffenaar moet worden benoemd. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is, omdat de erfgenamen niet in staat zijn om gezamenlijk de nalatenschap van erflaatster correct af te wikkelen. Het onderlinge vertrouwen tussen partijen is ernstig geschaad. Dit blijkt reeds uit de diverse procedures die partijen tegen elkaar hebben gevoerd. Het verzoek tot benoeming van een vereffenaar zal daarom worden toegewezen. Ter beoordeling staat aldus wie als vereffenaar moet worden benoemd.\n\n4.3. Mr. P.F. Schepel heeft zich bereid verklaard om als vereffenaar van de nalatenschap op te treden. Schepel is ingevoerd in het dossier en bereid om een benoeming tot vereffenaar te aanvaarden. De rechtbank overweegt dat zij geen doorslaggevende bezwaren aanwezig acht tegen benoeming van Schepel tot vereffenaar. Dat Schepel aanvankelijk twee schulden over het hoofd heeft gezien, maakt nog niet dat aan de kwaliteit van zijn werkzaamheden moet worden getwijfeld. Schepel heeft erkend dat hij een en ander pas in een laat stadium heeft onderkend en dat dit een fout betrof.\n\n4.4. \n\nDe rechter overweegt dat de fout te betreuren is, maar hier staat tegenover dat uit het dossier blijkt dat Schepel de afwikkeling van de nalatenschap naar behoren heeft verricht.\n\nSchepel heeft diverse werkzaamheden uitgevoerd. Bijvoorbeeld om inzicht in de nalatenschap te verkrijgen. Hiervoor was het noodzakelijk om ook gesprekken te voeren met de vereffenaar van [bedrijf] B.V. Hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van verstrengeling of vooringenomenheid.\n\n4.5. Ook heeft Schepel onweersproken gesteld dat hij de gemachtigden van partijen steeds in de cc heeft meegenomen, hij alle erfgenamen heeft aangeschreven en hun daarbij in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren.\n\n4.6. Daarnaast is van belang dat het te laat vragen van uitstel voor het doen van aangifte erfbelasting niet heeft geleid tot nadelige financiële gevolgen. Ook het ontbreken van vertrouwen van [partij B] en [belanghebbende] leidt niet tot de conclusie dat Schepel niet voor benoeming tot vereffenaar in aanmerking komt. Schepel heeft verklaard dat bij zijn werkzaamheden van executeur behoort het beoordelen van de rechtsverhouding tussen de nalatenschap en [partij B] . De rechter kan Schepel hierin volgen. Voor het overige zijn geen zaken aan het licht komen die wantrouwen rechtvaardigen. Bijvoorbeeld is er geen aanleiding om aan te nemen dat er een verstrengeling is van de onderhavige vereffening met de vereffening van [bedrijf] B.V. Schepel heeft aangevoerd dat het, gezien de opstelling van [partij B] tot nu toe, niet valt uit te sluiten dat er in de toekomst (weer) geprocedeerd moet gaan worden. Het ligt daarom meer voor de hand om een advocaat tot vereffenaar te benoemen, dan een notaris. De rechtbank kan Schepel en [partij A.1] en [partij A.2] op dit punt volgen. Wanneer er een notaris tot vereffenaar wordt benoemd, zal in het geval er geprocedeerd moet gaan worden een advocaat ingeschakeld moeten worden. Dit brengt dan extra tijd en kosten met zich mee.\n\n4.7. \n\nDe rechter komt tot de afweging dat de voortgang van de afwikkeling van de nalatenschap niet gebaat is bij de benoeming van een nieuwe vereffenaar die zich immers moet inlezen in de uitgebreide materie. Evenmin ligt het voor de hand om een notaris tot vereffenaar te benoemen. De gemaakte fouten die Schepel heeft gemaakt, zijn niet van dien aard dat getwijfeld moet worden aan de kwaliteit van de werkzaamheden van Schepel als vereffenaar. Daarbij is van belang dat Schepel concreet heeft aangegeven welke stappen hij binnen korte termijn gaat zetten. Bijvoorbeeld ten aanzien van de verkoop van de woning van erflaatster.\n\nDat twee van de erfgenamen hebben verklaard dat zij geen vertrouwen hebben in Schepel leidt niet tot een ander oordeel. Dit gelet op de stappen die Schepel inmiddels heeft genomen, de stappen die hij concreet heeft aangekondigd en het feit dat de andere erfgenamen wel vertrouwen hebben in Schepel als te benoemen vereffenaar.\n\n4.8. De rechter zal daarom met ingang van de datum van deze beschikking mr. P.F. Schepel benoemen tot vereffenaar. De vereffenaar zal daarbij onder meer de bevoegdheid hebben over te gaan tot verkoop en levering van de woning van erflaatster aan de [adres] [geboorteplaats] .\n\n4.9. De rechtbank ziet aanleiding om deze beschikking op de voet van artikel 288 Rv uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nHet zelfstandig tegenverzoek in de bodemzaak\n\n4.10. \n\nNu het verzoek van [partij A.1] en [partij A.2] wordt toegewezen zal het tegenverzoek van [partij B] worden afgewezen.\n\nProceskosten in het verzoek en zelfstandig tegenverzoek in de bodemzaak\n\n4.11. Omdat partijen familie van elkaar zijn zullen de proceskosten tussen hen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nIn de voorlopige voorziening artikel 223 Rv\n\n4.12. Nu in de bodemzaak en voorlopige voorziening gelijktijdig uitspraak wordt gedaan behoeft de voorlopige voorziening geen nadere beoordeling meer.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nIn het verzoek in de bodemzaak\n\n5.1. \n\nbenoemt mr. P.F. Schepel ,\n\nwerkzaam bij JPR advocaten te Deventer,\n\nkantoorhoudende te Mr. H.F. de Boerlaan 34 te 7417 DB Deventer,\n\ntot vereffenaar van de nalatenschap van:\n\n [erflaatster] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1927,\n\nmet als laatste woonplaats [geboorteplaats] ,\n\noverleden op [overlijdensdatum] ,\n\n5.2. draagt de griffier op de benoeming van deze vereffenaar onverwijld in het boedelregister in te schrijven,\n\n5.3. draagt de vereffenaar op de benoeming bekend te maken in de (digitale) Staatscourant,\n\n5.4. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nIn het zelfstandig tegenverzoek in de bodemzaak\n\n5.6. wijst het verzoek af,\n\n5.7. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3766","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.411Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":46,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":65,"summary":46,"language":7,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":51,"updatedAt":67},"1141","ECLI:NL:RBOVE:2026:3767","ecli-nl-rbove-2026-3767","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F346399 \u002F HA RK 26-41\n\nBeschikking van 22 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats 1],\n\nverzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mr. A.A.M. de Ruiter-Oude Ophuis, te Almelo,\n\ntegen\n\n1. [verweerder 1] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] , 2. [verweerder 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] , 3. [verweerder 3],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nverweerders, hierna ook wel te noemen: [verweerders] .\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift.\n\n1.2. \n\nDe mondelinge behandeling is gehouden op 20 mei 2026 door middel van een\n\nhybride zitting waarbij [verzoeker] via een online verbinding is verschenen, bijgestaan door zijn\n\ngemachtigde die fysiek is verschenen. Daarnaast zijn fysiek verschenen [verweerder 1] en [verweerder 2] .\n\n1.3. De beschikking (na een kort uitstel) is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Op [sterfdatum] is mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) te [woonplaats 2] overleden. [verweerders] zijn broers van erflaatster.\n\n2.2. Erflaatster heeft bij testament van 23 mei 2018 een geldbedrag van € 40.000,00 gelegateerd aan haar twee neven [verzoeker] en [naam] , zonen van [verweerder 1] . [verzoeker] en [naam] zijn inmiddels meerderjarig.\n\nIn het testament is onder “hoofdstuk 3. Geldlegaat” onder “1. Legaat” opgenomen:\n\n“Ik legateer, zonder bijberekening van rente en opeisbaar één jaar na mijn overlijden, een bedrag in geld ter grootte van veertigduizend euro (€ 40.000,00) aan [naam] en [verzoeker] , kinderen van mijn broer [verweerder 1] , ieder voor het deel als door de hierna\n\ngenoemde bewindvoerders te bepalen.\n\nDit legaat wordt hierna ook ‘het fonds genoemd.”\n\nEn onder “2. Fonds”:\n\n“Het fonds is bestemd om de hiervoor genoemde neven [naam] en [verzoeker] de gelegenheid\n\nte geven een studie te beginnen en te voorzien in de betaling van een deel van hun studiekosten.”\n\n2.3. Over dit legaat is testamentair bewind als bedoeld in artikel 4:153 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld.\n\nOnder “hoofdstuk 3. Geldlegaat” staat onder “3. Bewind” opgenomen:\n\n“Ik stel een bewind in over dat wat door mij aan ieder van de hiervoor onder 1. genoemde legatarissen is nagelaten of vermaakt. Het is een bewind in de zin van artikel 4:153 Burgerlijk Wetboek. Dit bewind stel ik in het belang van de rechthebbende.”\n\n2.4. Onder “3. Bewind” staat onder “b. Benoeming bewindvoerder”:\n\n“Ik benoem mijn broers [verweerder 2] , [verweerder 1] en [verweerder 3] , tot bewindvoerders.\n\nAls een van hen zijn benoeming niet aanvaardt of zijn hoedanigheid van bewindvoerder\n\neindigt, benoem ik in zijn plaats, mijn zus [zus] , tot (mede)bewindvoerder.”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1. Het verzoek van [verzoeker] strekt, kort samengevat, primair tot opheffing van het testamentair bewind en subsidiair tot ontslag van de bewindvoerders.\n\n3.2. Daarnaast vordert [verzoeker] in zijn primaire verzoek om verweerders te veroordelen om binnen twee weken na afgifte van de beschikking conform artikel 4:160 BW een boedelbeschrijving op te maken over de periode van [sterfdatum] tot heden, en overeenkomstig 4:161 BW rekening en verantwoording af te leggen aan verzoeker over de periode van [sterfdatum] tot het moment dat het bewind wordt opgeheven, onder overlegging van de volledige administratie en alle bankafschriften. En tevens te bepalen dat het onder bewind gestelde vermogen aan verzoeker wordt uitgekeerd.\n\n3.3. Aan zijn verzoek legt [verzoeker] , kort samengevat, ten grondslag dat hij inmiddels meerderjarig is, zelfstandig woont en een universitaire studie volgt, en er geen reëel risico is dat hij het geld aan andere doelen dan aan zijn studie zal besteden. [verzoeker] is goed in staat om zelfstandig en op verantwoorde wijze over het gelegateerde bedrag te beschikken. Er is nu hij meerderjarig is geen behoefte meer begeleiding of bescherming, aldus [verzoeker] . Hij wil vrij over het gelegateerde bedrag kunnen beschikken.\n\n3.4. \n [verzoeker] merkt verder op dat verweerders hebben nagelaten inzage te verschaffen en rekening en verantwoording af te leggen. Hij vindt dat de relatie met zijn vader wordt belast door het ingestelde bewind.\n\n3.5. Verweerders menen dat een uitkering ineens van het gehele bedrag niet in het belang is van [verzoeker] . Denkbaar is dan volgens verweerders dat het geld (deels) aan andere doeleinden wordt besteed. Zij benadrukken dat het de wens van erflaatster was dat het legaat wordt aangewend voor studiedoeleinden. Dat [verzoeker] inmiddels meerderjarig is, is nog geen reden om het bewind op te heffen. Dit volgt ook niet uit de tekst van de notariële akte (testament van 23 mei 2018), aldus verweerders.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid\n\n4.1. Op grond van artikel 4:178 lid 2 BW is de rechtbank bevoegd te beslissen op het primaire verzoek tot opheffing van een testamentair bewind. Op grond van artikel 4:164 BW is de kantonrechter bevoegd om te beslissen op het subsidiaire verzoek tot ontslag van een bewindvoerder.\n\n4.2. Het verzoek is ingediend bij de rechtbank. Ter zitting hebben partijen verklaard dat zij in deze procedure graag een eindbeslissing willen. Zij hebben ingestemd met het voorstel van de rechter dat hij in deze procedure het primaire verzoek behandelt als rechter van de rechtbank en dat hij, als hij daaraan toekomt, over het subsidiaire verzoek beslist als kantonrechter.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.3. De rechtbank zal het testamentaire bewind niet opheffen. Er is weliswaar geen reden eraan te twijfelen dat [verzoeker] goed in staat is zelf op een verstandige manier met het geld om te gaan, maar hier staat de wens van erflaatster tegenover. In het testament staat duidelijk de wens van erflaatster beschreven, te weten dat het legaat wordt aangewend voor studiedoeleinden voor haar beide neven [verzoeker] en [naam] . Zij had kunnen bepalen dat in bepaalde omstandigheden het volledige bedrag uitgekeerd zou moeten worden of dat dan (bijvoorbeeld bij het bereiken van de meerderjarigheid) het bewind zou eindigen, maar dat heeft zij niet gedaan. Bovendien heeft zij niet bepaald dat beide broers [verzoeker] en [naam] uiteindelijk ieder de helft van het legaat van € 40.000 moeten krijgen, maar de verdeling van het geld overgelaten aan de bewindvoerders. Daaruit blijkt dat zij de besteding van het geld aan het door haar gekozen doel belangrijker vond dan de gelijke verdeling van het geld tussen [verzoeker] en [naam] . De wil van erflaatster maakt het dus scherp gesteld mogelijk dat de ene broer het volledige bedrag ontvangt, omdat hij een studie begint en studiekosten maakt, terwijl de andere broer, die nooit studiekosten maakt, niets krijgt. Zo bezien strekt het bewind er dan mede toe dat onenigheid tussen [verzoeker] en [naam] over de verdeling van het legaat wordt voorkomen, omdat niet zijzelf, maar de bewindvoerders over de verdeling beslissen.\n\n4.4. Al met al moet hier de duidelijke wil van erflaatster prevaleren boven de invoelbare wens van [verzoeker] . De rechtbank wijst daarom het verzoek tot opheffing van het bewind af.\n\n4.5. De rechtbank zal ook het verzoek van [verzoeker] zoals hiervoor onder 3.2. vermeld afwijzen. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat bewindvoerders geen informatie zullen verstrekken en\u002Fof rekening en verantwoording zullen afleggen, als bedoeld in artikel 4:160 BW (beschrijving) en artikel 4:161 BW (rekening en verantwoording). Zij hebben inmiddels een overzicht verstrekt aan de gemachtigde van [verzoeker] en ook hebben zij tijdens de mondelinge behandeling een toelichting gegeven over de bedragen die op de bank staan, de bedragen die zijn overgemaakt, de bankrekeningen en de wijze van overmaken. Ook heeft [verzoeker] de bedragen op het overzicht niet betwist.\n\n4.6. De kantonrechter ziet wel reden om het subsidiaire verzoek deels toe te wijzen door [verweerder 1] te ontslaan als bewindvoerder.\n\n4.7. \n\nHet subsidiaire verzoek tot ontslag van de bewindvoerders heeft [verzoeker] in de eerste plaats gebaseerd op gebrek aan transparantie over de financiële stand van zaken en aan het ontbreken van adequate rekening en verantwoording. Maar tijdens de mondelinge behandeling hebben de bewindvoerders meer inzicht in de stand van zaken verschaft en hebben zij gezegd te begrijpen dat [verzoeker] en [naam] behoefte hebben aan een heldere en gestructureerde periodieke rekening en verantwoording.\n\nOok de kantonrechter begrijpt deze behoefte. Hij roept de bewindvoerders daarom op daaraan tegemoet te komen en hij vertrouwt erop dat zij dat zullen doen. Dat zo zijnde is er geen reden om de bewindvoerders te ontslaan vanwege in ernstige mate tekortschieten in de nakoming van hun verplichtingen.\n\n4.8. \n\nOok voor bewindvoerder [verweerder 1] geldt dat hij zijn taak als bewindvoerder naar eer en geweten uitvoert overeenkomstig de wens van zijn overleden zus. Maar zijn rol is anders omdat hij naast bewindvoerder ook de vader van [verzoeker] en [naam] is. Deze dubbelrol leidt tot spanningen. Zo heeft [verzoeker] bij verzoekschrift gesuggereerd dat [verweerder 1] het legaat gebruikt om zijn financiële verplichtingen als vader te ontlopen. Deze suggestie heeft [verweerder 1] tijdens de zitting met kracht van argumenten ontzenuwd, maar dat het zo gegaan is, illustreert dat de rollen van [verzoeker] als legataris en van [verweerder 1] als bewindvoerder schade opleveren in hun verhouding als zoon en vader. De kantonrechter acht het voor beiden beter dat een einde wordt gemaakt aan het risico van rolonduidelijkheid en rolvermenging. Dan hoeft [verzoeker] niet langer te denken dat zijn vader een middel heeft om zijn financiële verantwoordelijkheid te ontlopen en hoeft [verweerder 1] geen uitlatingen meer te doen die [verzoeker] op kan vatten als blijken van gebrek aan vertrouwen in zijn zelfstandigheid. Beiden kunnen zich dan ongehinderd door ballast wijden aan de rollen van vader en zoon.\n\nDe kantonrechter acht een en ander een gewichtige reden die tot ontslag van [verweerder 1] als bewindvoerder moet leiden.\n\n4.9. Nu de hoedanigheid van [verweerder 1] als bewindvoerder met het ontslag eindigt, wordt op grond van het testament in zijn plaats [zus] , zus van [verweerders] en tante van [verzoeker] en [naam] , tot medebewindvoerder benoemd. De kantonrechter hoeft haar dus niet in die hoedanigheid te benoemen.\n\nProceskosten\n\n4.10. Gelet op de uitkomst van de zaak en de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke verhouding tot elkaar staan, bestaat aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\n5.1. De rechtbank wijst het primaire verzoek om het testamentair bewind op te heffen af.\n\n5.2. De kantonrechter ontslaat [verweerder 1] als bewindvoerder.\n\n5.3. De rechtbank en de kantonrechter compenseren de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt en wijzen af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten, (kanton)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3767","2026-07-13T00:29:06.256Z",20]