[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-almere-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":64},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},79,"Almere","nl","almere",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-11T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122425","Burgerlijk Wetboek","art. 7:625 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123317","art. 7:675",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123222","art. 7:678 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"123223","art. 7:677",[36,47,56],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":46},"1190","ECLI:NL:RBMNE:2026:3529","ecli-nl-rbmne-2026-3529","","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12096989 \\ ME VERZ 26-19 D\u002F1403\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekende parij],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekende parij] ,\n\ngemachtigde: mr. W.F. Wienen,\n\ntegen\n\n [verwerende partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verwerende partij] ,\n\ngemachtigde: mr. A. Hashem Jawaheri.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt [verzoekende parij] , als werknemer, (onder meer) om vernietiging van de opzegging van de zorgovereenkomst, die zij met [verwerende partij] gesloten heeft. Partijen twisten over de vraag of hun rechtsverhouding moet worden gekwalificerd als een arbeidsovereenkomst, of dat de zorgovereenkomst een overeenkomst van opdracht behelst. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst en wijst het verzoek van [verzoekende parij] toe, omdat het ontslag niet (rechts)geldig is.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, met producties 1 t\u002Fm 6 en de aanvullende productie 7\n\n- het verweerschrift, met twee producties\n\n- de mondelinge behandeling van 23 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekende parij] .\n\n1.2.. Na de mondelinge behandeling is [verzoekende parij] in de gelegenheid gesteld om de zorgovereenkomst nog in het geding te brengen en de inhoud hiervan toe te lichten. [verwerende partij] is hierna in de gelegenheid gesteld hier op te reageren.1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoekende parij] is vanaf 21 oktober 2021 werkzaamheden gaan verrichten voor [verwerende partij] . Partijen hebben hiervoor een zorgovereenkomst gesloten. De functie van [verzoekende parij] is persoonlijk individueel begeleider. [verzoekende parij] ontving een bruto maandloon van € 2.829,00 voor 25 uur per week.\n\n2.2.. \n\n [verzoekende parij] heeft zich in december 2025 ziek gemeld. [verzoekende parij] heeft (in een, volgens haar, op 7 december 2025 verzonden bericht) het volgende geschreven aan [verwerende partij] :\n\n“[…]\n\n Ik zit momenteel met kniepijn.\n\nVandaag had een afspraak bij de dokter en na het onderzoek zei hij dat ik ongeveer één week tot tien dagen rust moet nemen, minder moet lopen en dat ik foto’s en fysiotherapie moet doen; dat hij heeft hij voor me voorgeschreven.\n\nIk wilde je hiervan op de hoogte brengen.\n\nGraag wil ik dat je deze periode van één tot tien dagen voor me regelt, zodat ik, als God het wil, beter word en daarna weer volledig aan het werk kan.\n\n[…]”\n\n2.3.. \n\nOp 12 december 2025 ontving [verzoekende parij] een brief van het Zorgkantoor, waarin haar het volgende wordt meegedeeld:\n\n“ [verwerende partij] heeft uw zorgovereenkomst met ingangsdatum 1 januari 2024 eerder beëindigd.\n\nUw zorgovereenkomst is eerder geëindigd\n\nDe nieuwe einddatum van de zorgovereenkomst is 1 december 2025.\n\nDe zorgovereenkomst is beëindigd in overeenstemming met de zorgverlener. Neem voor meer informatie contact op met de budgethouder.\n\n[…]”\n\n2.4.. \n [verwerende partij] is op [2026] overleden.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekende parij] verzoekt de kantonrechter primairhet ontslag, althans de opzegging van de zorgovereenkomst, te vernietigen en [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.658,00 (bruto) aan achterstallig loon over de maanden december 2025 en januari 2016 en verder een bedrag van € 2.829,00 (bruto) per maand, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Tevens verzoekt [verzoekende parij] om [verwerende partij] te veroordelen om deugdelijke bruto-netto loonspecificaties te verstrekken en om [verzoekende parij] te laten oproepen voor een afspraak bij de bedrijfsarts, dit op straffe van een dwangsom.Subsidiairverzoekt [verzoekende parij] de veroordeling van [verwerende partij] tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding voor de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst en de transitievergoeding enmeer subsidiairslechts de transitievergoeding, in alle gevallen met een veroordeling van [verwerende partij] in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. Volgens [verzoekende parij] is zij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst en is de opzegging niet rechtsgeldig. [verzoekende parij] voert het volgende aan. Hoewel partijen een zorgovereenkomst van opdracht hebben getekend, is [verzoekende parij] feitelijk werkzaam geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. De overeenkomst voldoet aan de eisen van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [verzoekende parij] verrichtte werkzaamheden, zij ontving loon en er bestond een gezagsverhouding tussen [verzoekende parij] en [verwerende partij] . [verzoekende parij] verrichte persoonlijk en structureel werkzaamheden voor [verwerende partij] , bestaande uit het toedienen van medicatie, verzorgen van maaltijden en begeleiding buitenshuis en naar ziekenhuisafspraken. Vervanging door een ander was niet aan de orde. Zij ontving een vast loon per uur, ontving maandelijks loonstroken en er werd loonheffing ingehouden. [verwerende partij] gaf instructies over de uitvoering van de werkzaamheden en bepaalde in belangrijke mate de inhoud van het werk. Zij handelde niet als zelfstandig ondernemer. Op 7 december 2025 heeft [verzoekende parij] (in Farsi) een Whatsapp-bericht gestuurd aan [verwerende partij] waarin zij zich ziek meldde. [verwerende partij] heeft naar aanleiding van de ziekmelding geen bedrijfsarts ingeschakeld. Op 12 december 2025 ontving [verzoekende parij] tot haar verbazing bericht dat de zorgovereenkomst was beëindigd. [verzoekende parij] heeft echter nimmer ingestemd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en zij was bovendien ziek. [verzoekende parij] heeft zich primairop het standpunt gesteld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden vernietigd. Zij heeft sinds december 2025 geen loon meer ontvangen en verzoekt om betaling van het achterstallige salaris.Subsidiairenmeer subsidiairheeft [verzoekende parij] verzocht om de betaling van diverse vergoedingen, waaronder in ieder geval de transitievergoeding.\n\n3.3.. \n [verwerende partij] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verwerende partij] voert – samengevat – aan dat [verzoekende parij] zelf heeft aangegeven dat zij wilde stoppen met de werkzaamheden. Medio november 2025 is [verzoekende parij] voor een periode naar Iran vertrokken. [verzoekende parij] had ondertussen alle contacten met [verwerende partij] verbroken. De verwachting was dat zij na drie weken zou terugkeren, maar zij liet niets van zich horen. Bij toeval ontdekte een bekende van de familie de avond van 7 december 2025 dat er licht brandde bij [verzoekende parij] thuis. Daarop volgde eerst de Whatsapp met de ziekmelding van [verzoekende parij] en op 10 december 2025 had de zoon van [verwerende partij] een langdurig telefoongesprek met [verzoekende parij] , waarin zij te kennen gaf niet meer voor [verwerende partij] te willen werken. Dit is zo ook doorgegeven aan het Zorgkantoor. De zorgovereenkomst moet in ieder geval geacht te zijn geëindigd op het moment van overlijden van [verwerende partij] . [verwerende partij] heeft verder betwist dat [verzoekende parij] werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. Er was geen sprake van een gezagsverhouding en [verzoekende parij] heeft zich gedragen alsof zij zelfstandige was. Zij hoefde de werkzaamheden niet persoonlijk te verrichten, kon ook iemand anders sturen en zij bepaalde zelf wanneer zij met vakantie ging. [verwerende partij] heeft al met al geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [verzoekende parij] .\n\n4. De beoordeling\n\nOverlijden [verwerende partij]\n\n4.1.. De kantonrechter merkt allereerst op dat het overlijden van [verwerende partij] geen gevolgen heeft voor de onderhavige procedure. Op grond van artikel 225 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), is het overlijden van [verwerende partij] een grond voor de erfgenamen van [verwerende partij] om schorsing van de procedure te verzoeken. Zij hebben hiertoe echter geen actie ondernomen, zodat de procedure op naam van de oorspronkelijke partij is voortgezet.\n\nKwalificatie van de zorgovereenkomst\n\n4.2.. Na het overleggen van de zorgovereenkomst heeft [verzoekende parij] nader toegelicht waarom zij meent dat zij haar werkzaamheden heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst, hoewel de zorgovereenkomst zelf spreekt van een overeenkomst van opdracht. [verzoekende parij] heeft gesteld dat zij structureel werkzaamheden voor [verwerende partij] heeft verricht, voor langere tijd, waarvoor zijn een vast loon ontving, vermeerderd met 8% vakantiegeld en dat er loonheffing op haar loon werd ingehouden. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn dit kenmerken van een loonbetaling, die horen bij een arbeidsovereenkomst en verder blijkt uit de overgelegde loonstroken dat er tevens de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet (ZVW) werd ingehouden. [verzoekende parij] ontving ook loon tijdens haar vakantie. Dat [verzoekende parij] niet als zelfstandige heeft gefactureerd voor haar werkzaamheden (niet haar eigen tarieven vast kon stellen), draagt verder bij aan het oordeel dat [verzoekende parij] loon heeft ontvangen, in de zin van artikel 7:610 BW. Het ontvangen uurloon van € 23,00 is ook redelijk te achten, onder de gegeven omstandigheden. [verwerende partij] heeft erop gewezen dat [verzoekende parij] een aan haar gelieerde onderneming in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven heeft gehad, maar de kantonrechter acht dat niet van doorslaggevende betekenis. [verzoekende parij] heeft gesteld dat die onderneming niet meer actief is en uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister blijkt ook dat (de hoofdvestiging van) deze onderneming is uitgeschreven. Er is ook niet gebleken dat [verzoekende parij] op enigerlei wijze persoonlijk ondernemersrisico’s droeg. Verder moet ook worden aangenomen dat er sprake was van een gezagsverhouding. Hoewel gebleken is dat er veelal werd gecommuniceerd met de kinderen van [verwerende partij] , en niet met hemzelf, stonden alle werkzaamheden van [verzoekende parij] in het teken van de verzorging van [verwerende partij] , zoals het verzorgen van maaltijden, het toezien op de medicatie en het begeleiden naar ziekenhuisbezoeken. [verwerende partij] heeft hierover wel opgemerkt dat het [verzoekende parij] vrijstond om elders opdrachten te accepteren, maar [verzoekende parij] heeft betwist dat zij werkzaamheden bij of voor anderen heeft verricht – of dat het haar vrijstond dit te doen – en dit is de kantonrechter ook nergens uit gebleken.\n\n4.3.. De kantonrechter komt daarmee tot het oordeel dat de zorgovereenkomst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, in de zin van het bepaalde in de artikelen 7:610 BW en verder. Voor de verdere beoordeling zal daarom worden uitgegaan van het bestaan van een arbeidsovereenkomst.\n\nDe opzegging van de arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig\n\n4.4.. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen.\n\n4.5.. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst opzeggen, indien er sprake is van een dringende reden, zoals is bepaald in de artikelen 7:677 lid 1 en 7:678 BW, maar gesteld noch gebleken is dat zich een dringende reden heeft voorgedaan om de arbeidsovereenkomst (onverwijld) op te zeggen. [verzoekende parij] heeft ook ontkend dat zij heeft ingestemd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat zij verbaasd was om op 12 december 2025 bericht van het Zorgkantoor te ontvangen dat [verwerende partij] (de budgethouder) de zorgovereenkomst (voortijdig) had beëindigd. [verwerende partij] heeft aangevoerd dat uit verklaringen van [verzoekende parij] aan de kinderen van [verwerende partij] en een bekende is opgemaakt dat [verzoekende parij] haar werkzaamheden voor [verwerende partij] wilde beëindigen. Dit is eveneens door [verzoekende parij] betwist en voor de kantonrechter zijn er geen redenen om aan te nemen dat er sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden, zoals [verwerende partij] lijkt te suggereren. Dit laatste lijkt wel te volgen uit de van de zijde van [verwerende partij] overgelegde verklaringen van zijn kinderen en een bekende, maar uit niets is de kantonrechter gebleken van een – op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst – gerichte verklaring van [verzoekende parij] . Van de werkgever wordt onder dergelijke omstandigheden verwacht dat deze zich ervan vergewist dat de wens van de werknemer op ondubbelzinnige wijze is gericht op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [verwerende partij] heeft dat echter nagelaten. [verwerende partij] had, naar aanleiding van de ziekmelding van [verzoekende parij] , hiervan melding moeten maken bij de SVB, die de in dat geval noodzakelijke procedure in gang had kunnen zetten, maar in plaats daarvan is doorgegeven dat de zorgovereenkomst (op verzoek van [verzoekende parij] ) werd beëindigd.\n\n4.6.. \n [verzoekende parij] heeft het voorgaande gemotiveerd betwist, door te verwijzen naar een (weliswaar ongedateerde) brief aan [verwerende partij] en een bericht (volgens [verzoekende parij] verzonden op 7 december 2025), waarin zij [verwerende partij] te kennen geeft dat zij zich heeft ziek gemeld, maar dat [verwerende partij] ten onrechte melding heeft gemaakt van een beëindiging van de zorgovereenkomst aan het Zorgkantoor. Ten tijde van de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van [verwerende partij] en de aanwezige tolk bevestigd dat de Nederlandse weergave van het hiervoor genoemde bericht een juiste weergave van het in Farsi opgestelde bericht is. Het is dan niet goed in te zien, hoe [verwerende partij] hieruit een wens van [verzoekende parij] heeft afgeleid, die gericht was op een beëindiging van de zorg-\u002Farbeidsovereenkomst.\n\n4.7.. Bij dit alles geldt dat ook het opzegverbod tijdens ziekte in de weg staat aan een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst. [verzoekende parij] heeft zich op 7, dan wel 10, december 2025 ziek gemeld, terwijl [verwerende partij] niets heeft gedaan met deze ziekmelding. [verwerende partij] lijkt de ziekmelding zelfs in twijfel te hebben getrokken, maar het had op de weg van [verwerende partij] gelegen om een bedrijfsarts in te schakelen, of de arbeidsongeschiktheid van [verzoekende parij] te melden bij de SVB, in dit geval. [verzoekende parij] heeft dan ook terecht een beroep gedaan op het opzegverbod dat geldt tijdens ziekte, op grond van artikel 7:670 BW.\n\n4.8.. Op grond van het bepaalde in artikel 7:675 BW eindigt de arbeidsovereenkomst bovendien niet automatisch door het overlijden van de werkgever, anders dan door (de erfgenamen van) [verwerende partij] is betoogd. [verzoekende parij] moet daarom geacht worden in dienst te zijn gebleven bij de erfgenamen van [verwerende partij] .\n\n4.9.. Het primaireverzoek van [verzoekende parij] tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Nu door partijen verschillende data worden genoemd waarop diverse berichten zijn verstuurd en gesprekken zijn gevoerd, zal de kantonrechter uitgaan van een opzegging per 12 december 2025, in lijn met de mededeling van het Zorgkantoor.\n\n4.10.. De subsidiaireenmeer subsidiaireverzoeken hoeven niet verder te worden besproken, nu [verzoekende parij] niet heeft verklaard dat zij berust in het ontslag.\n\n4.11.. \n [verzoekende parij] heeft recht op loon, omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoekende parij] tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen, maar zal worden gematigd tot drie maanden, op grond van het bepaalde in artikel 7:680a BW. Een volledige toewijzing van het loon, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, zoals door [verzoekende parij] is verzocht, leidt naar het oordeel van de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen. [verzoekende parij] heeft vanaf december 2025 feitelijk geen werkzaamheden meer verricht en zou in ieder geval vanaf [2026] , de datum van overlijden van [verwerende partij] , de bedongen werkzaamheden ook niet meer hoeven te verrichten. In de zorgovereenkomst zelf is bepaald dat de zorgverlener, bij een onmiddellijke beëindiging wegens het overlijden van de budgethouder, een uitkering ontvangt ter hoogte van het gemiddelde maandloon over de laatste drie volle kalendermaanden waarin gewerkt is. Onder de gegeven omstandigheden is de betaling van drie maanden loon naar het oordeel van de kantonrechter dan ook een billijke uitkomst.\n\n4.12.. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [verwerende partij] te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 20%. Het verzoek tot het verstrekken van loonspecificaties (op straffe van een dwangsom) zal worden afgewezen, aangezien de loonbetalingen niet door [verwerende partij] werden verzorgd, maar door de SVB. Het verzoek om (alsnog) een bedrijfsarts in te schakelen zal tevens worden afgewezen, omdat [verzoekende parij] hier, naar het oordeel van de kantonrechter geen belang (meer) bij heeft.\n\n4.13.. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat de grondslag daarvan niet, althans onvoldoende is onderbouwd.\n\n4.14.. De proceskosten komen voor rekening van [verwerende partij] , omdat [verwerende partij] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekende parij] worden begroot op € 1.391,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 12 december 2025;\n\n5.2.. veroordeelt [verwerende partij] tot betaling aan [verzoekende parij] van € 8.487,00 (bruto) aan loon over de maanden december 2025 tot en met de maand februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20% en te vermeerderen met de wettelijke rente over een de maandelijkse loonbetalingen, vanaf het moment van opeisbaarheid, tot aan de dag van de gehele betaling;\n\n5.3.. veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten van € 1.391,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verwerende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3529","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:08.987Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":45,"updatedAt":55},"723","ECLI:NL:RBMNE:2026:3738","ecli-nl-rbmne-2026-3738","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12129131 \\ ME VERZ 26-36\n\nBeschikking van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\ngemachtigde: mr. M.J.M. Groen, advocaat in Almere,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap onder firma\n\nV.O.F. [verweerster sub 3] ,\n\ntevens handelend onder de naam [handelsnaam] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nvertegenwoordigd door de verwerende partijen onder 2 en 3,\n\n2. [verweerder sub 2] ,\n\nvennoot van de verwerende partij onder 1,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nprocederend in persoon, 3. DEBORA [verweerster sub 3] ,\n\nvennoot van de verwerende partij onder 1,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nprocederend in persoon, 4. [verweerster sub 4] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\ngemachtigde: mr. J. Bos, advocaat te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna afzonderlijk [verzoekster] , de vof, [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en [verweerster sub 4] genoemd worden. De vof, [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en [verweerster sub 4] zullen hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) de [verweerster] genoemd worden.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:\n\n- het verzoekschrift van [verzoekster] met 19 producties;\n\n- het verweerschrift van [verweerster sub 4] met 7 producties;\n\n- de aanvullende producties 20 tot en met 26 van [verzoekster] .\n\n1.2. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. [verzoekster] is verschenen, in aanwezigheid van haar echtgenoot, en bijgestaan door\n\nmr. Groen. Verder zijn [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en mr. Bos verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is met partijen. Mr. Groen en [verweerster sub 3] hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Mr. Bos heeft nog twee aanvullende producties overgelegd.\n\n1.3. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Waar gaat deze zaak over?\n\n2.1. \n [verzoekster] is op 19 januari 2024 als oproepkracht in dienst getreden bij de vof als [functie] voor zeven maanden. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Bakkersbedrijf van toepassing verklaard. De arbeidsovereenkomst is verschillende keren verlengd. In discussie is of er in de loop van de tijd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Verder is in geschil of [verzoekster] nog recht heeft op achterstallig salaris. [verweerster sub 4] stelt dat zij de rechtsopvolgster is van de vof.\n\n3. Wat beslist de kantonrechter?\n\n3.1. De kantonrechter volgt het standpunt van de [verweerster] en oordeelt dat de arbeidsovereenkomst per 19 januari 2026 van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk tot betaling aan [verzoekster] van achterstallig salaris, de wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Ook wordt zij hoofdelijk veroordeeld om specificaties aan [verzoekster] te verstrekken en om de proceskosten te betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\n [verweerster sub 4]\n\n3.2. \n [verzoekster] heeft de arbeidsovereenkomst gesloten met de vof. [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] zijn als vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verbintenissen van de vennootschap. Door de [verweerster] wordt gesteld dat er in de tweede helft van 2025 een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden en dat de vof haar onderneming heeft overgedragen aan [verweerster sub 4] . Omdat aan die stelling weinig handen en voeten is gegeven kan de juistheid ervan niet worden vastgesteld. De kantonrechter zal [verweerster sub 4] echter wel als werkgeefster meenemen in haar beoordeling, gelet op haar verzoek daartoe, voor het geval inderdaad sprake is geweest van een overgang van onderneming en zal daarom, zoals hierna zal volgen, worden veroordeeld in de verzoeken die toewijsbaar zijn. Op grond van artikel 7:663, tweede volzin, Burgerlijk Wetboek (BW) is de vof overigens nog gedurende een jaar na de eventuele overgang naast [verweerster sub 4] hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór de eventuele overgang.\n\nDe arbeidsovereenkomst is per 19 januari 2026 is geëindigd\n\n3.3. In artikel 7:668a lid 1 BW is een ketenregeling opgenomen die van toepassing is op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Die houdt onder andere in dat wanneer tussen dezelfde partijen meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd, met tussenpozen van ten hoogste zes maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.\n\n3.4. \n\nVaststaat dat de eerste arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en de vof zeven maanden duurde, van 19 januari 2024 tot 19 augustus 2024. Daarna is deze schriftelijk verlengd met zeven maanden tot 19 maart 2025. Over de gang van zaken daarna zijn partijen het oneens. Volgens [verzoekster] is de arbeidsovereenkomst na\n\n19 maart 2025 stilzwijgend verlengd en zijn partijen in mei 2025 schriftelijk een verlenging tot 19 januari 2026 overeengekomen. Gelet op de ketenbepaling van 7:668a lid 1 BW is met die laatste verlenging een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan, aldus [verzoekster] . Volgens de [verweerster] is de arbeidsovereenkomst na 19 maart 2025 met tien maanden schriftelijk verlengd tot 19 januari 2026 en is de arbeidsovereenkomst per laatstgenoemde datum van rechtswege geëindigd.\n\n3.5. Beide partijen verwijzen naar hetzelfde schriftelijk en door beide partijen ondertekende stuk waarin staat dat de arbeidsovereenkomst is verlengd en eindigt op 18 januari 2026 om 00.00 uur (productie 4 bij het verzoekschrift). Het stuk is niet gedateerd. De [verweerster] heeft gewezen op een printscreen waaruit volgens haar volgt dat [verweerster sub 3] het ondertekende stuk op 25 februari 2025 heeft geüpload in haar administratiesysteem. [verzoekster] betoogt dat uit de printscreen niet blijkt welk stuk er is geüpload en dat het eenvoudig is om de uploaddatum aan te passen. De kantonrechter heeft evenwel geen reden om te twijfelen aan de stelling van de vof dat de printscreen betrekking heeft op de betreffende verlenging. De [verweerster] heeft uiteengezet dat bewust is gekozen voor een verlenging van tien maanden na de eerdere twee arbeidsovereenkomsten van steeds zeven maanden, zodat zij zou uitkomen op een totale arbeidsduur van twee jaar. Dat de verlenging is overeengekomen voordat de arbeidsovereenkomst per 19 maart 2025 eindigde, past verder bij de omstandigheden dat de eerdere verlenging ook tijdig is overeengekomen (namelijk al op 24 juli 2024) en dat tijdig (bij brief van 10 december 2025) is aangezegd dat de arbeidsovereenkomst op 18 januari 2026 zou eindigen. Voor het standpunt van [verzoekster] dat de verlenging in mei 2025 is overeengekomen en het (impliciete) standpunt dat de aangehaalde uploaddatum is geantidateerd zijn geen aanwijzingen. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de arbeidsovereenkomst vanaf 19 maart 2025 is verlengd tot 19 januari 2026 en per laatstgenoemde datum van rechtswege is geëindigd.\n\n3.6. Het voorgaande maakt dat de door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht dat het dienstverband nog doorloopt en dat deze voor onbepaalde tijd heeft te gelden wordt afgewezen. Datzelfde geldt voor het verzoek om de opzegging\u002Faanzegging per 19 januari 2026 te vernietigen of nietig te verklaren.\n\n [verzoekster] heeft nog recht op achterstallig salaris\n\n3.7. Volgens [verzoekster] heeft de [verweerster] structureel minder uren uitbetaald dan waarvoor zij ingeroosterd stond of waarvoor zij ingeroosterd had moeten worden. Volgens de [verweerster] zijn inmiddels, na een in maart 2026 verrichte nabetaling van € 635,64 bruto, alle gewerkte uren betaald.\n\n3.8. \n [verzoekster] stelt dat de [verweerster] over de periode tot 13 juli 2025 – de datum waarop [verzoekster] is uitgevallen wegens ziekte – structureel minder uren heeft uitbetaald dan waarvoor zij ingeroosterd stond. De [verweerster] voert aan dat [verzoekster] geen rekening heeft gehouden met correcties die op de roosters zijn doorgevoerd. De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van de [verweerster] had gelegen om de gecorrigeerde roosters te overleggen. Dit heeft zij niet gedaan. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling van twee voorbeelden (met betrekking tot 18 juli 2024 en 23 juli 2024) gebleken dat de werktijden van [verzoekster] op verzoek van de vof zijn gecorrigeerd (verruimd), maar dat de vof die correcties niet in haar administratie heeft doorgevoerd. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde weerlegging door de [verweerster] gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de door [verzoekster] gestelde roosteruren.\n\n3.9. Bij het gevorderde salaris over de periode vanaf 13 juli 2025 speelt het volgende een rol. Vaststaat dat er sprake is van een oproepovereenkomst als bedoeld in artikel 7:628a lid 9 BW. Uit artikel 7:628a lid 5 BW volgt dat de werkgever, indien sprake is van een oproepovereenkomst die twaalf maanden heeft geduurd steeds binnen een maand nadien, schriftelijk of elektronisch een aanbod moet doen voor een vaste arbeidsomvang. Deze vaste uren omvang is ten minste gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid in die voorafgaande periode van 12 maanden. Gedurende de periode waarin de werkgever deze verplichting niet is nagekomen (dus geen aanbod heeft gedaan voor een vaste uren omvang) heeft de werknemer op grond van artikel 7:628a lid 8 BW recht op loon overeenkomstig de gemiddelde omvang van de arbeid in de voorafgaande periode van 12 maanden.\n\n3.10. De [verweerster] heeft aan [verzoekster] geen aanbod voor een vaste arbeidsomvang gedaan. [verzoekster] maakt vanaf 13 juli 2025 aanspraak op het loon over het aantal uren dat volgens [verzoekster] aan haar had moeten worden aangeboden conform artikel 7:628a lid 5 BW. Volgens de [verweerster] klopt de door [verzoekster] gestelde gemiddelde omvang van 107 uren per vier weken over de periode van 19 januari 2024 tot 19 januari 2025 niet. Onder verwijzing naar de vorige rechtsoverweging oordeelt de kantonrechter dat de [verweerster] haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde weerlegging door de [verweerster] gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de door [verzoekster] gestelde gemiddelde omvang van 107 uren per vier weken over de periode van 19 januari 2024 tot 19 januari 2025.\n\n3.11. Gelet op het voorgaande zal het door [verzoekster] gestelde verschuldigde loon van € 5.800,17 bruto over 2024 en 2025 worden toegewezen (het in het verzoekschrift genoemde bedrag van € 6.435,81 bruto minus de tijdens de mondelinge behandeling gedane vermindering van € 635,64 bruto vanwege de door [verzoekster] ontvangen nabetaling).\n\n3.12. \n [verzoekster] verzoekt verder de [verweerster] te veroordelen tot betaling van salaris van € 1.850,04 bruto per periode vanaf periode 1 van 2026 tot het einde van het dienstverband, onder aftrek van het al door haar ontvangen bedrag van € 974,71 netto ter zake van de eerste periode van 2026. Nu niet gesteld of gebleken is dat [verzoekster] over de periode van 1 januari 2026 tot 19 januari 2026 recht heeft op meer salaris dan het bedrag dat al is betaald, wordt dit verzoek afgewezen.\n\nDe [verweerster] moet een wettelijke verhoging en wettelijke rente betalen\n\n3.13. Op grond van artikel 7:625 lid 1 BW heeft [verzoekster] recht op de wettelijke verhoging van maximaal 50% vanwege het niet tijdig betalen van het loon. De kantonrechter ziet aanleiding om deze vergoeding in het onderhavige geval te matigen tot 10%. [verzoekster] is pas in november 2025 over de onjuistheden in de verloning begonnen en heeft op uitnodigingen om de uren te bespreken niet gereageerd.\n\n3.14. Bij de tenuitvoerlegging van dit vonnis moet rekening worden gehouden met het door de [verweerster] in maart 2026 betaalde bedrag van € 317,82 aan wettelijke verhoging.\n\n3.15. De verzochte wettelijke rente over het loon en over de wettelijke verhoging is toewijsbaar.\n\nDe [verweerster] moet een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten betalen\n\n3.16. \n [verzoekster] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Uit het dossier blijkt dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 696,79.\n\nDe [verweerster] moet specificaties aan [verzoekster] verstrekken\n\n3.17. De [verweerster] moet de door [verzoekster] verlangde specificaties verstrekken zoals hierna onder ‘De beslissing’ staat vermeld. De gevraagde dwangsom wordt niet toegewezen omdat de kantonrechter ervan uitgaat dat de [verweerster] die veroordeling vrijwillig zal nakomen.\n\nVerzoek aansluiting bedrijfspensioenfonds wordt afgewezen\n\n3.18. \n [verzoekster] verzoekt de [verweerster] hoofdelijk te veroordelen om zorg te dragen voor een bewijs van aansluiting van [verzoekster] bij het bedrijfstakpensioenfonds vanaf 19 januari 2026. Dit verzoek wordt afgewezen nu hiervoor is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst per die datum is geëindigd.\n\nDe [verweerster] moet de proceskosten betalen\n\n3.19. Hoewel een deel van de verzoeken wordt afgewezen is [verzoekster] wel terecht een procedure gestart. Gebleken is immers dat zij een (zij het kleinere dan gesteld) loonvordering op de [verweerster] heeft, die zonder gerechtelijke procedure niet werd betaald. De [verweerster] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [verzoekster] tegen bewijs van kwijting te betalen:\n\n€ 5.800,17 aan salaris over 2024 en 2025;\n\nde wettelijke verhoging over het bedrag onder a) met een maximum van 10%, minus het al betaalde bedrag aan wettelijke verhoging van € 317,82;\n\nde wettelijke rente over de bedragen onder a) en b) steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de volledige betaling;\n\n€ 696,79 aan buitengerechtelijke kosten;\n\n4.2. veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk in die zin dat indien de één aan deze veroordeling voldoet de ander is bevrijd, om aan [verzoekster] ter beschikking te stellen de loonstrook van periode 1 van 2024, de loonstrook van periode 1 van 2026 tot het einde van het dienstverband (19 januari 2026) alsmede een specificatie die samenhangt met de onder 4.1. genoemde bedragen;\n\n4.3. veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 1.102,00;\n\n4.4. verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n13702","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3738","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.907Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":60,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":45,"updatedAt":63},"1149","ECLI:NL:RBMNE:2026:3723","ecli-nl-rbmne-2026-3723","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12127784 \\ ME VERZ 26-34 BW 31650\n\nBeschikking van 11 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. B.N. Vlasman,\n\ntegen\n\n [verweerder] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigden: mrs. F.B. Mahabali en J.B.M. Swart.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:\n\n- het verzoekschrift van 12 maart 2026 met 8 producties,\n\n- het verweerschrift van 8 mei 2026 met 4 producties.\n\n1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Vlasman. Namens [verweerder] is mevrouw [A] (Operationeel Directeur Schoonmaak) verschenen, bijgestaan door mr. Mahabali en mr. Swart. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Beide gemachtigden hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.\n\n1.3. Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 16 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\n [verzoekster] is vanaf 20 augustus 2025 als schoonmaakster in dienst bij [verweerder] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [verweerder] zegt dat [verzoekster] slapend is aangetroffen op de locatie van de opdrachtgever [bedrijf] waar zij haar schoonmaakwerkzaamheden moest verrichten. [verweerder] heeft [verzoekster] daarom op staande voet ontslagen. [verzoekster] ontkent dat zij geslapen heeft tijdens werktijd bij [bedrijf] . In deze procedure vraagt [verzoekster] om toekenning van een transitievergoeding, billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.\n\nDe kantonrechter kan nu nog niet beslissen en draagt [verweerder] op te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd bij [bedrijf] slapend is aangetroffen en dat dit niet (veel) eerder dan 5 januari 2026 bekend was bij [verweerder] .\n\n3. De beoordeling\n\n3.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. [verzoekster] berust in het ontslag en maakt aanspraak op een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding.\n\nHet toetsingskader3.2. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet de werkgever onverwijld hebben opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.\n\n3.3. De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet dus in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden.\n\nDe meegedeelde reden voor het ontslag op staande voet is onverwijld meegedeeld3.4. \n\nPer e-mail van 5 januari 2026 heeft [verweerder] [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief benoemt [verweerder] als dringende reden voor het ontslag op staande voet dat zij van haar opdrachtgever [bedrijf] heeft vernomen dat [verzoekster] tijdens werktijd slapend op de werklocatie is aangetroffen samen met een collega.\n\n [verzoekster] zegt dat [verweerder] hiermee niet heeft voldaan aan de mededelingseis, omdat i) in de e-mail niets wordt gezegd over de dag en het tijdstip waarop [verzoekster] slapend is aangetroffen, ii) er geen namen worden genoemd van de betrokken personen en iii) er ook niets wordt gezegd over de locatie waar [verzoekster] is aangetroffen.\n\n [verweerder] wijst er terecht op dat dit ook niet vereist is. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt namelijk dat de mededeling zodanig moet zijn dat de werknemer in staat is om zijn standpunt met betrekking tot het ontslag te bepalen.De ontslagreden (slapen tijdens werktijd op de werkvloer) biedt voldoende duidelijkheid aan [verzoekster] om zich tegen te verweren, omdat de verweten gedraging wordt genoemd. [verzoekster] heeft zich daar ook meteen tegen verweerd door het standpunt in te nemen dat zij niet geslapen heeft op de werkvloer. De reden van het ontslag op staande voet is meteen in de e-mail van 5 januari 2026 meegedeeld, zodat de mededeling ook onverwijld is gedaan.\n\n [verweerder] wordt toegelaten tot bewijslevering dat zij onverwijld tot ontslag is overgegaan3.5. Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven. De “onverwijldheidsklok” begint te tikken wanneer een vermoeden van een dringende reden ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Sprake moet zijn van een geïndividualiseerd en geconcretiseerd vermoeden, dat wil zeggen een redelijke mate van duidelijkheid over welke werknemer het betreft en de feitelijke grondslag die het bestaan van een dringende reden voor ontslag van die werknemer redelijkerwijs aannemelijk maakt. Vanaf dat moment heeft de partij die een opzegging wegens een dringende reden overweegt, enig respijt voordat daadwerkelijk tot ontslag kan worden overgegaan.3.6. \n\n [verzoekster] zegt dat [verweerder] niet onverwijld heeft opgezegd, omdat zij pas op 5 januari 2026 tot ontslag op staande voet is overgegaan, terwijl op 16 december 2025 al zou zijn geconstateerd dat [verzoekster] lag te slapen tijdens werktijd.\n\nHet is juist dat er veel tijd is verstreken tussen 16 december 2025 en de datum van het ontslag op staande voet. Het gaat er echter om wanneer degene die bevoegd is tot ontslag over te gaan bekend is geworden met de dringende reden, zoals hierboven is overwogen. [verweerder] zegt dat de manager bij [bedrijf] door de vakantieperiode pas op 5 januari 2026 de dringende reden heeft gemeld bij [verweerder] . De tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] is dus pas op 5 januari 2026 bekend geworden met de dringende reden. Volgens [verweerder] heeft zij onverwijld opgezegd door diezelfde dag [verzoekster] op staande voet te ontslaan.\n\n [verweerder] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij pas op 5 januari 2026 bekend is geworden met de dringende reden.\n\n [verzoekster] wijst er ook op dat [verweerder] al eerder bekend moet zijn geweest met de vermeende dringende reden, omdat haar collega met wie zij slapend op de werkvloer zou zijn aangetroffen, al is ontslagen in de periode van 20-24 december 2025. [verweerder] zegt dat dit niet klopt en dat ook die bewuste collega is ontslagen op 5 januari 2026 en niet al in december 2025. Ook die stelling heeft [verweerder] niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat [verzoekster] in de periode tussen 16 december 2025 en 5 januari 2026 nog meerdere diensten heeft gewerkt op de werkvloer van [bedrijf] .\n\nOp basis van bovenstaande kan nog niet worden beoordeeld of het klopt dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] pas op 5 januari 2026 bekend is geworden met de vermeende dringende reden.\n\n3.7. \n [verweerder] zal worden toegelaten tot het leveren van bewijs voor haar stelling dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] niet (veel) eerder dan op 5 januari 2026 bekend is geworden met de vermeende dringende reden. Als dat komt vast te staan, dan is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven. Als [verweerder] dit niet kan bewijzen, is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven en komen de door [verzoekster] gevorderde vergoedingen, in beginsel voor toewijzing in aanmerking, waarbij vervolgens de hoogte van de vergoedingen moet worden bepaald.\n\n [verweerder] wordt ook toegelaten tot bewijslevering van de dringende reden3.8. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever.\n\n3.9. \n\nVoor de beoordeling van de dringende reden is de in de ontslagbrief omschreven reden in beginsel maatgevend. Dit betekent dat [verweerder] moet bewijzen dat [verzoekster] op de werkvloer bij [bedrijf] tijdens werktijd, samen met een collega, slapend is aangetroffen. [verweerder] heeft de dringende reden in deze procedure verder geconcretiseerd en gezegd dat [verzoekster] op 16 december 2025 tussen 18:00 en 19:00 uur, samen met een collega, slapend in een slaapzak is aangetroffen in een vergaderwagonnetje in de kantine van [bedrijf] .\n\nAlle overige verwijten die [verweerder] achteraf nog heeft toegevoegd (over disfunctioneren, het aanspreken daarop en de structurele klachten daarover) blijven buiten beschouwing, omdat die redenen niet aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd.\n\n3.10. \n\n [verzoekster] zegt dat het niet klopt dat zij tijdens werktijd heeft geslapen en dat zij gewoon haar werkzaamheden heeft verricht op 16 december 2025. [verzoekster] wijst er op dat [verweerder] zich alleen heeft gebaseerd op een verklaring van een manager van [bedrijf] die van een andere werknemer heeft gehoord dat hij tijdens een avondmeeting op kantoor [verzoekster] en haar collega slapend heeft aangetroffen.\n\nPas tijdens de zitting heeft [verweerder] voor het eerst de naam van die bewuste werknemer kenbaar gemaakt en heeft zij uitgelegd dat zij geen verklaring heeft gevraagd hierover van [bedrijf] , omdat zij haar als opdrachtgever hier niet mee wilde belasten en dat deze werknemer anoniem wilde blijven.\n\nAan de enkele verklaring die [verweerder] in deze procedure heeft overgelegd van de manager van [bedrijf] kan geen (doorslaggevende) waarde worden toegekend, omdat dit geen verklaring uit de eerste hand betreft van degene die dit heeft geconstateerd. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [verzoekster] slapend is aangetroffen tijdens werktijd. De kantonrechter kan dus ook nog niet beoordelen of sprake is geweest van een dringende reden.\n\n3.11. \n\nOmdat de stelplicht en de bewijslast van de aanwezigheid van een geldige dringende reden rusten op [verweerder] als werkgever en zij (getuigen)bewijs heeft aangeboden, zal [verweerder] worden toegelaten tot het leveren van bewijs. [verweerder] wordt opgedragen te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd op de werklocatie van [bedrijf] slapend is aangetroffen.\n\nAls [verweerder] niet slaagt in het opgedragen bewijs, dan zal dat tot de conclusie leiden dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. De opzegging is dan in strijd met artikel 7:671 BW en dat brengt met zich mee dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In dat geval heeft [verzoekster] in beginsel recht op de door haar gevorderde vergoedingen, waarvan de hoogte nog zal worden bepaald. Als [verweerder] slaagt in het opgedragen bewijs, moet worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.\n\n3.12. Indien [verweerder] het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, moet zij deze stukken afzonderlijk in het geding brengen. Indien [verweerder] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, moet zij dit vermelden en de verhinderdataop geven vanalle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.\n\n3.13. De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 30 minuten zal duren. Als [verweerder] verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.\n\nDat [verzoekster] niet is gehoord betekent niet dat geen sprake kan zijn van een dringende reden3.14. \n [verzoekster] wijst er ook nog op dat [verweerder] heeft nagelaten haar te horen. Hoewel de kantonrechter het met [verzoekster] eens is dat het niet zo zorgvuldig is dat [verweerder] alleen is afgegaan op de verklaring van [bedrijf] , brengt dat op zichzelf nog niet met zich mee dat daarom geen sprake zou kunnen zijn van een dringende reden en een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Dit handelen of nalaten van [verweerder] kan wel een relevante omstandigheid zijn als wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest en bij het bepalen van de hoogte van de vergoedingen.\n\n [verweerder] moet een correcte eindafrekening verstrekken en betalen3.15. \n [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoeken vermeerderd. Zij vraagt om het opmaken en uitbetalen van de eindafrekening van het dienstverband, onder verstrekking van een deugdelijke specificatie. [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de eindafrekening, waaronder het loon over januari 2026, nog niet is betaald. [verweerder] is daar wel toe verplicht, zodat dit verzoek zal worden toegewezen.\n\nAanhouden beslissing3.16. Ten aanzien van alle verzoeken van [verzoekster] geldt dat iedere beslissing, uit proceseconomisch oogpunt, wordt aangehouden in afwachting van de bewijslevering.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1. draagt [verweerder] op te bewijzen dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] niet (veel) eerder dan 5 januari 2026 bekend is geworden met het vermoeden van de dringende reden,\n\n4.2. draagt [verweerder] op te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd op de werklocatie van [bedrijf] slapend is aangetroffen,\n\n4.3. bepaalt dat, indien [verweerder] bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij uiterlijk op 9 juli 2026, bij nader verweerschrift,: - de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven; - moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) gemachtigden en de getuigen in de vier maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste twintig dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;4.4. bepaalt dat: - voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend; - indien geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is; - het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;4.5. bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;\n\n4.6. bepaalt dat, indien [verweerder] (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken vóór of uiterlijk op 9 juli 2026bij nader verweerschrift in het geding moet brengen;\n\n4.7. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\nHoge Raad, 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3723","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.817Z",20]