[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amersfoort-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":50,"limit":51},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},84,"Amersfoort","nl","amersfoort",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2025-01-29T00:00:00.000Z","2026-06-17T00:00:00.000Z",[],[22,33,42],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1663","ECLI:NL:RBMNE:2026:3745","ecli-nl-rbmne-2026-3745","","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Amersfoort\n\nZaaknummer: 11992947 \\ AC EXPL 25-2708\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres],\n\ngevestigd te [gemeente] in Frankrijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2],\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]\n\nprocederend in persoon,\n\ngedaagde partijen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 13 november 2025 met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4, - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.\n\n1.2. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn eigenaar van een woning gelegen in een villawijk aangeduid als [...] dat ligt in [gemeente] in Frankrijk. [eiseres] is een vereniging die het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen die behoren tot de villawijk verzorgt. Hiervoor betalen de woningeigenaren een jaarlijkse ledenbijdrage. [eiseres] vordert betaling van twee facturen met een totaalbedrag van € 2.928,37 over de periode 1 januari tot en met 31 december 2024 en over de periode 1 januari tot en met 31 december 2025. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten de facturen verschuldigd te zijn, omdat zij volgens hen geen lid zijn van [eiseres] . Daarnaast stellen zij dat [eiseres] niet bevoegd is facturen te sturen en betwisten zij dat [eiseres] het beheer voert over het [...] .\n\nDe kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe.\n\n3. De beoordeling\n\nDe Nederlandse rechter is bevoegd\n\n3.1. Omdat [eiseres] een rechtspersoon is naar buitenlands recht en haar vordering een internationaal karakter heeft, moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.\n\n3.2. Op grond van artikel 3 lid 1 sub a EEX-Vo (Verordening (EG) 44\u002F2001) is de Nederlandse rechter bevoegd om over deze zaak te oordelen, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun woonplaats in Nederland hebben.\n\nHet Nederlands recht is van toepassing\n\n3.3. \n\nPartijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De kantonrechter\n\nbegrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat\n\npartijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.\n\n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de ledenbijdragen betalen\n\n3.4. \n [eiseres] vordert een totaalbedrag van € 2.928,37 aan ledenbijdragen. Zij stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als lid van [eiseres] verplicht is de jaarlijkse ledenbijdrage te voldoen. Over de periode 1 januari tot en met 31 december 2024 was de bijdrage € 1.446,38 en over de periode 1 januari tot en met 31 december 2025 was de bijdrage € 1.481,99 .\n\n3.5. Uit de persoonlijke koopakte van [eiseres] (productie 3 bij dagvaarding) volgt dat alle woningeigenaren van de percelen uit [.] van rechtswege lid zijn van [eiseres] . Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] sinds 2006 woningeigenaren zijn van een woning in [.] . Zij zijn daarmee in beginsel van rechtswege lid van [eiseres] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren echter aan alleen lid te zijn van de vereniging [..] [.] . Dit verweer hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook al gevoerd in een eerdere procedure bij de Rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:176) toen [eiseres] de ledenbijdrage over de periode 1 januari tot en met 31 december 2023 vorderde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De kanonrechter heeft toen in rechtsoverweging 3.4. overwogen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen stukken hebben overgelegd waaruit volgt dat [..] [.] een andere vereniging is dan [eiseres] . Dat hebben zij in deze procedure ook niet gedaan. Dat leidt tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] lid zijn van [eiseres] .\n\n3.6. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen daarnaast dat het bestuur (de heer [A] en de heer [B] ) van [eiseres] niet bevoegd is facturen te sturen, omdat [eiseres] geen gecertificeerde beheerder is. De kantonrechter volgt dit niet. Naar Nederlands recht hoeft [eiseres] geen VvE-certificaat te hebben om ledenbijdragen te kunnen innen. Dit verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gaat dan ook niet op.\n\n3.7. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verder aan dat hun woning is gelegen in het publieke domein van de gemeente en zij buiten hun woning verder niets in privé dan wel in gemeenschap hebben aangekocht. Uit de brief van de burgemeester van [gemeente] (productie 1 bij dagvaarding) volgt echter dat [...] geen deel uitmaakt van de openbare ruimte, maar privéterrein is van [eiseres] . Het beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen, met uitzondering van de individuele woningen, valt dan ook onder [eiseres] . Dit is ook bepaald in artikel 1 en 2 van de statuten. Hiervoor moet [eiseres] kosten maken, die de leden van [eiseres] volgens artikel 15 en 16 van de statuten naar rato gezamenlijk dragen. Ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen dus in deze kosten moeten bijdragen. De vordering van [eiseres] zal dan ook worden toegewezen.\n\nDe wettelijke rente\n\n3.8. \n [eiseres] vordert wettelijke renteover het bedrag van € 2.928,37 vanaf 1 januari 2024. Vanaf dat moment waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] echter nog niet in verzuim met de volledige betaling. Zij zijn pas in verzuim met de betaling van de eerste factuur op 31 januari 2024, omdat toen de vervaltermijn van die factuur is verstreken. Met de betaling van de tweede factuur zijn zij in verzuim per 31 januari 2025. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe buitengerechtelijke incassokosten\n\n3.9. \n [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.\n\nDe vordering van de toekomstige jaarlijkse facturen wordt afgewezen\n\n3.10. De vordering van de toekomstige, jaarlijkse facturen is niet toewijsbaar, omdat nog niet duidelijk is hoe hoog de ledenbijdrage in aankomende jaren gaat zijn.\n\nDe proceskosten\n\n3.11. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n122,98\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.269,48\n\nHoofdelijkheid\n\n3.12. De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.928,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:\n\n- het bedrag van € 1.446,38, met ingang van 31 januari 2024, - het bedrag van € 1.481,99, met ingang van 31 januari 2025, telkens tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.269,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n69134\n\n Zoals bedoeld in artikel 6:119 BW.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3745","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:32.301Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1958","ECLI:NL:RBMNE:2026:3771","ecli-nl-rbmne-2026-3771","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nkantonrechter\n\nlocatie Amersfoort\n\nzaaknummer: 12028160 AC EXPL 25-2930\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\ninzake\n\n1. [eiser sub 1] ,\n\n2. [eiseres sub 2],\n\nbeiden wonende te [plaats 1] ,\n\nverder ook samen te noemen [eiser sub 1] c.s. (aangeduid in mannelijk enkelvoud),\n\neisende partij in conventie in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,\n\ngemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,\n\ntegen:\n\nde besloten vennootschap\n\nDexia Nederland B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: Dexia\n\ngedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,\n\neisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,\n\ngemachtigde: USG Legal Professionals.1. Kern van de zaak1.1. \n [eiser sub 1] c.s. heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [eiser sub 1] c.s. leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser sub 1] c.s. betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [eiser sub 1] c.s. het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser sub 1] c.s. verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser sub 1] c.s. geleden schade helemaal moet vergoeden.1.2. Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser sub 1] c.s. geleden schade helemaal moet vergoeden.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 17 december 2025;\n\nde conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;\n\nde conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;\n\nde conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;\n\nde conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.\n\n2.2. De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren\n\n2.3. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.\n 3 De feiten\n\n3.1. \n [eiser sub 1] c.s. heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:\n\nNr.\n\nContractnr.\n\nDatum\n\nNaam overeenkomst\n\nI.\n\n [contractnummer]\n\n21-05-2001\n\nProfit Effect\n\n3.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:\n\nNr.\n\nDatum eindafrekening\n\nResultaat\n\nBetaald\n\nI.\n\n12-07-2005\n\n- € 3.063,97\n\nJa\n\n3.3. Volgens opgave van Dexia heeft [eiser sub 1] c.s. op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 2.014,42 aan maandtermijnen en een bedrag van € 3.063,97 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser sub 1] c.s. € 339,80 aan dividenden ontvangen en € 73,38 aan fiscaal voordeel genoten. Op 4 februari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 2.722,51 aan [eiser sub 1] c.s. uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente. Op 15 januari 2025 heeft Dexia € 2.300,26, inclusief rente, als ‘onverplichte uitbetaling’ aan [eiser sub 1] c.s. betaald.\n\n3.4. De gemachtigde van [eiser sub 1] c.s., Leaseproces, heeft bij brief van 13 maart 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en\u002Fof misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.\n\n4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident\n\n4.1. \n [eiser sub 1] c.s. vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n- in de hoofdzaak:\n\n voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 1] c.s. en\u002Fof toerekenbaar is tekort geschoten,\n\n voor recht zal verklaren dat [eiser sub 1] c.s. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,\n\n Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser sub 1] c.s. van al datgene dat [eiser sub 1] c.s. aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,\n\n Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser sub 1] c.s., met rente,\n\n Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.\n\n4.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering met een voorwaardelijk verzoek dat als onvoorwaardelijk verzoek wordt aangemerkt, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n- in het incident:\n\n [eiser sub 1] c.s. zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser sub 1] c.s. in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,\n\n- in de hoofdzaak:\n\n voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [eiser sub 1] c.s. verschuldigd is,\n\n [eiser sub 1] c.s. zal veroordelen in de proceskosten, met rente.\n\n4.3. \n\nOp de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.\n\n5 De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en het verzoek in het incidentalgemeen5.1 Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser sub 1] c.s..\n\n5.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.5.3. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:\n\ner is sprake van huurkoop;\n\ner is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en\u002Fof misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;\n\nDexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;\n\n [eiser sub 1] c.s. heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;\n\ner is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.\n\nverjaring5.4. Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser sub 1] c.s. inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring.Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.\n\ntussenpersoon5.5. \n [eiser sub 1] c.s. heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [onderneming] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.5.6. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s. heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s., anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser sub 1] c.s. als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser sub 1] c.s. gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser sub 1] c.s. in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.5.7. \n [eiser sub 1] c.s. stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:\n\n [eiser sub 1] c.s. werd telefonisch benaderd door een adviseur van [onderneming] , te weten de heer\n\n [A] (hierna te noemen: adviseur). De adviseur stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eiser sub 1] c.s. door te nemen. [eiser sub 1] c.s. heeft hiermee ingestemd. Tijdens het eerste huisbezoek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser sub 1] c.s. Zo is met de adviseur gesproken over het spaargeld, het koophuis en de bestaande hypotheek van [eiser sub 1] c.s. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser sub 1] c.s. om een financiële reserve op te bouwen waaruit onder andere het opknappen van zijn huis kon worden betaald. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [eiser sub 1] c.s. om meerdere financiële producten en investeringen af te sluiten, waaronder investeringen in een resort in Costa Rica en in een teakplantage in Costa Rica. Daarnaast adviseerde de adviseur [eiser sub 1] c.s. om een Profit Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 4.320,-. [eiser sub 1] c.s. diende voor deze financiële producten de overwaarde op zijn woning op te nemen middels een hypothecaire lening en deze aan te wenden voor de vooruitbetaling van de Profit Effect overeenkomst, en de betalingen voor de andere financiële producten. Volgens de adviseur\n\nzou [eiser sub 1] c.s. op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser sub 1] c.s. een financiële reserve kon opbouwen om zijn huis op te knappen op termijn.\n\nDe adviseur heeft [eiser sub 1] c.s. niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eiser sub 1] c.s. op deze risico’s gewezen was had hij de Profit Effect overeenkomst nooit afgesloten. [eiser sub 1] c.s. had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser sub 1] c.s. het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de verhoging van de hypotheek en de Profit Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.\n\nDe hypotheek is overgesloten en is via een lening bij de Postbank verhoogd. [eiser sub 1] c.s. heeft, conform het advies van de adviseur, een Profit Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 4.242.76,- afgesloten. De hypothecaire lening is aangewend voor de vooruitbetaling. Het overige deel van de opgenomen overwaarde is ingelegd in andere, door de adviseur geadviseerde financiële producten en investeringen.5.8. \n [eiser sub 1] c.s. heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: - een kopie van het aanvraagformulier Profit Effect op naam van [eiser sub 1] c.s., waarop een stempel is geplaatst met de tekst “[onderneming] [plaats 2](…)”en ATP-nummer [nummer] is ingevuld,\n\n- een kopie van de overeenkomst van 21 mei 2001 met contractnummer [contractnummer] , voorzien van de tekst: “Adviseur ATP [nummer] - [onderneming] ”, - de hypotheekakte van 14 mei 2001 productie C, waaruit blijkt dat een hypothecaire lening van € 195.125,49 bij de Postbank is afgesloten door [eiser sub 1] c.s.,\n\n- een kopie van een uittreksel van de KvK van [onderneming] met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Financieel adviesbureau’,\n\n- schermafbeeldingen van de website van [onderneming] waarop destijds onder andere te lezen was: “ We zorgen ervoor dat u snel een goed advies krijgt en dat u op korte termijn uw offerte of polis in huis hebt. We onderscheiden ons daarbij vooral in de persoonlijke aanpak. Die aanpak gaat bij ons veel verder dan een goed gesprek. We kijken nauwkeurig naar uw toekomst en uw financiële wensen en mogelijkheden.”\n\naanhoudingsverzoek5.9. Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie\u002Fredenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.5.10. \n\nHet verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.\n\n(nieuwe) argumenten Dexia5.11. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:\n\ndat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;\n\ndat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;\n\ndat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en\n\ndat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.5.12. \n\nDeze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser sub 1] c.s. onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat.Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser sub 1] c.s., tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser sub 1] c.s. geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser sub 1] c.s. dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser sub 1] c.s. in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser sub 1] c.s. en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser sub 1] c.s. en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.\n\nwetenschap Dexia5.13. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser sub 1] c.s.. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eiser sub 1] c.s. kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser sub 1] c.s. voor rekening van Dexia.\n\naansprakelijkheid Dexia5.14 Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser sub 1] c.s. de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eiser sub 1] c.s. onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser sub 1] c.s. omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft.Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.\n\nvorderingen van [eiser sub 1] c.s.5.15 De door [eiser sub 1] c.s. gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. heeft gehandeld door [eiser sub 1] c.s. als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s. niet alleen als klant aanbracht maar [eiser sub 1] c.s. tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.\n\n5.16. De als gevolg hiervan door [eiser sub 1] c.s. geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser sub 1] c.s. niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). Dit geldt ook voor de betaling die door Dexia is gedaan op 15 januari 2025. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).\n\n5.17. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.5.18. Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser sub 1] c.s. aangevoerde gronden geen nadere bespreking.\n\nhet incidentele verzoek van Dexia5.19. Dexia verzoekt dat [eiser sub 1] c.s. wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.\n\n5.20. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser sub 1] c.s. destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.\n\n5.21. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op € 87,00.\n\nvorderingen Dexia5.22. \n\nGelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.\n\nproceskosten5.23. Omdat [eiser sub 1] c.s. inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 144,47\n\n- griffierecht € 90,00\n\n- salaris gemachtigde € 576,00 2 x tarief € 288,00)\n\n- nakosten € 144,00\n\nTotaal € 954,47.\n\n5.24. De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het incident van Dexia\n\n6.1. wijst het verzoek af,\n\n6.2. veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser sub 1] c.s., tot op heden begroot op € 87,00,\n\nin conventie6.3. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. heeft gehandeld door [eiser sub 1] c.s. als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s. niet alleen als klant aanbracht maar [eiser sub 1] c.s. tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,\n\n6.4. verklaart voor recht dat [eiser sub 1] c.s. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,\n\n6.5. veroordeelt Dexia om aan [eiser sub 1] c.s. te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16,\n\n6.6. veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,\n\n6.7. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,\n\n6.8. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.9. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.10. wijst de vorderingen af,\n\n6.11. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. gevallen, tot op heden begroot op nihil.\n\nAldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nIn het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).\n\n zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.\n\n Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.\n\n Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.\n\n Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.\n\n Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3771","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:47.355Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":31,"updatedAt":49},"1656","ECLI:NL:RBMNE:2025:176","ecli-nl-rbmne-2025-176","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Amersfoort\n\nZaaknummer: 10626668 \\ AC EXPL 23-1675\n\nVonnis van 29 januari 2025\n\nin de zaak van\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres],\n\ngevestigd in [gemeente] , Frankrijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\n2. [gedaagde sub 2],\n\nbeiden wonend in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] ,\n\ngemachtigde: mr. E.R. Jonker.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het incidenteel vonnis van 8 november 2023 - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6\n\n- de brief namens [eiseres] van 17 november 2023 met aanvullende producties 1 tot en met 6 - de brief namens [gedaagde sub 1] van 26 november 2024 met aanvullende productie 7 - de mondelinge behandeling van 6 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Namens [eiseres] zijn op de zitting verschenen [A] , voorzitter, en [B] , penningmeester. [gedaagde sub 1] was aanwezig, bijgestaan door mr. Jonker, gemachtigde. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Waar gaat de zaak over?\n\n2.1.. In de gemeente [gemeente] in Frankrijk ligt een villawijk (quartier), aangeduid als ‘ [...] ’. [eiseres] is een vereniging met als doel onder meer het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen die deel uitmaken van [...] , met uitzondering van de privégedeeltes van de verschillende leden. De familie [gedaagde sub 1] is eigenaar van een woning die is gelegen in het quartier van [eiseres] (de woning).\n\n2.2.. \n\n [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] op 1 januari 2023 een factuur gestuurd voor het algemeen beheer van de woning voor de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 van € 1.354,96. Omdat [gedaagde sub 1] de factuur niet op tijd heeft betaald, heeft [eiseres] [gedaagde sub 1] daarna ook aanmaningskosten en rente in rekening gebracht, in totaal € 1.490,96. Op 28 april 2023 heeft [gedaagde sub 1] € 325,00 aan [eiseres] betaald. Het resterende bedrag van (€ 1.490,96 - € 325,00 =)\n\n€ 1.165,96, is door [gedaagde sub 1] niet betaald. [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde sub 1] tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten.\n\n2.3.. Naar aanleiding van de door [gedaagde sub 1] hiertegen opgeworpen incidenten heeft de kantonrechter op 8 november 2023 beslist dat de Nederlandse rechter bevoegd is, dat [eiseres] naar het voorlopig oordeel ontvankelijk is in haar vordering en dat [eiseres] [gedaagde sub 1] afschriften dient te verstrekken van de notulen en financiële jaarverslagen van de afgelopen drie boekjaren.\n\n2.4.. \n [gedaagde sub 1] voert als belangrijkste verweer dat [eiseres] niet-ontvankelijk is omdat zij niet bestaat. [gedaagde sub 1] is ook geen lid van [eiseres] maar lid van de vereniging ‘ [..] [.] ’ ( [.] ). Niet is gebleken dat [eiseres] rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd. [gedaagde sub 1] betwist verder de aard en omvang van de beheerskosten. [gedaagde sub 1] voert ook verweer tegen de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en tegen de hoogte van de gevorderde wettelijke rente.\n\n3. De beoordeling\n\nDe Nederlandse rechter is bevoegd3.1.. De kantonrechter stelt voorop dat in het incidenteel vonnis van 8 november 2023 (zie daarin punt 3.1) al uitdrukkelijk is geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat [gedaagde sub 1] woonplaats heeft in [plaats] . [gedaagde sub 1] heeft in de conclusie van antwoord opnieuw gesteld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. De rechter die in een tussenuitspraak één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist is hieraan in beginsel - uit een oogpunt van goede procesorde - in het verdere verloop van het geding gebonden. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] in de conclusie van antwoord geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd tegen het oordeel over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De kantonrechter heeft ook geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat de beslissing over de bevoegdheid in het incidenteel vonnis op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om op dit oordeel terug te komen. De Nederlandse kantonrechter is dus bevoegd om over de vordering van [eiseres] te oordelen.\n\nOp de zaak is het Nederlandse recht van toepassing3.2.. Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De kantonrechter begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.\n\n [eiseres] is ontvankelijk in haar vordering3.3.. \n\n [gedaagde sub 1] voert aan dat [eiseres] niet kan worden ontvangen in haar vordering omdat zij als rechtspersoon niet bestaat. In het incidenteel vonnis heeft de kantonrechter hierover al voorlopig geoordeeld dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering. Daarbij heeft de kantonrechter meegewogen dat [eiseres] niet ingeschreven hoeft te zijn in het handelsregister, haar statuten geregistreerd zijn bij de Prefet en gepubliceerd zijn in de Staatscourant. [gedaagde sub 1] heeft zijn stelling dat [eiseres] als rechtspersoon toch niet bestaat, niet onderbouwd. [gedaagde sub 1] voert ook aan dat [eiseres] niet rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd door de bevoegde beheerder. Naar Nederlands recht hoeft [eiseres] niet vertegenwoordigd te worden door een beheerder. Uit artikel 13 van de door [eiseres] overgelegde vertaling van haar statuten blijkt dat het bestuur bevoegd is de vereniging te vertegenwoordigen en deel te nemen aan procedures. Uit de door [eiseres] overgelegde notulen van de algemene ledenvergadering van\n\n1 april 2023 blijkt dat [A] als voorzitter en [B] deel uitmaken van het bestuur van [eiseres] . Ter zitting is gebleken dat zij nog steeds bestuurder zijn van [eiseres] . De kantonrechter ziet dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [A] en [B] onbevoegd zijn om de vordering van [eiseres] in rechte op te eisen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering.\n\n [gedaagde sub 1] moet de ledenbijdrage betalen3.4.. \n [gedaagde sub 1] voert als belangrijkste inhoudelijk verweer tegen de vordering dat zij op grond van de aankoop van de woning wel lid is van een vereniging, genaamd “ [..] [.] ”, maar geen lid is van [eiseres] . De kantonrechter volgt dit niet. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde sub 1] in 2006 eigenaar is geworden door koop van een perceel met daarop een woning en dat hij toen lid is geworden van een vereniging van eigenaren voor 52 woningen. [gedaagde sub 1] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vereniging “ [..] [.] ” een andere vereniging is dan [eiseres] . [B] heeft ter zitting toegelicht dat “ [..] [.] ” de oorspronkelijke naam was van [eiseres] . [B] heeft erop gewezen dat in de bijlage bij zijn koopovereenkomst uit 2006 in de wijk (uiteindelijk) 122 woningen werden beoogd, die op dat moment niet, of gedeeltelijk, klaar waren. Tijdens de ledenvergadering in 2007 is de naam van [eiseres] gewijzigd in ‘ [..] ’. Uit de in 2015 gewijzigde statuten van [eiseres] blijkt dat het aantal woningen aanzienlijk is uitgebreid. Niet is betwist door [gedaagde sub 1] dat hij daarna op de vergadering aanwezig is geweest en de jaarlijkse ledenbijdrage tot en met 2022 steeds heeft betaald. Inmiddels is fase 2 klaar en staan er 94 huizen in de wijk. De kantonrechter begrijpt hieruit dat in de loop der tijd de naam en de omvang van de vereniging door uitbreiding van de wijk is gewijzigd. Deze uitbreiding van de wijk was al voorzien bij de verkoop van de eerste percelen met woningen, onder andere aan [gedaagde sub 1] . Dat de uitbreiding was voorzien blijkt ook uit het feit dat de oorspronkelijke naam van de vereniging bestond uit de toevoeging ‘ [.] ’. De omstandigheid dat een vereniging van omvang verandert door het toetreden van nieuwe leden, brengt niet mee dat het lidmaatschap van [gedaagde sub 1] daardoor op enig moment stopt. Bovendien staat onvoldoende betwist vast dat nieuwe eigenaren van woningen in de wijk steeds lid worden van [eiseres] en dat de notaris hun gegevens daartoe na de aankoop ook doorgeeft aan [eiseres] en niet aan een andere vereniging. Als een woning uit de wijk wordt verkocht neemt de notaris contact op met [eiseres] om te controleren of er een betalingsachterstand is.\n\n3.5.. \n\n [gedaagde sub 1] voert verder aan dat de bijdrage niet is verschuldigd omdat deze niet volgt uit de statuten van [eiseres] . De ledenbijdrage is volgens [gedaagde sub 1] ook te hoog omdat daarin kosten zijn verwerkt voor zaken waarvan hij geen of onvoldoende nut ervaart. De bijdrage ziet volgens [gedaagde sub 1] niet op redelijke kosten en beheerkosten. De kantonrechter volgt deze stelling niet. In de factuur wordt verwezen naar de algemene vergadering van 2 april 2022. Uit de notulen van deze vergadering blijkt dat de ledenbijdrage na een stemming van de leden is vastgesteld. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] de ledenbijdrage moet betalen. Indien [gedaagde sub 1] het niet eens was met dit besluit had het op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen om zich hierover in de ledenvergadering uit te laten en zonodig tegen de voorgestelde ledenbijdrage te stemmen. [gedaagde sub 1] heeft hiervan kennelijk geen gebruik gemaakt. De kantonrechter kan bij de beoordeling van de vordering tot betaling van de factuur niet meer betrekken of het besluit van [eiseres] tot vaststelling van de ledenbijdrage juist is omdat daarvoor een afzonderlijke procedure geldt, als bedoeld in artikel 5:130 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat uit de artikelen 15 en 16 van de statuten, waaruit volgt dat de eigenaren gezamenlijk alle kosten zullen dragen met betrekking tot de totstandkoming en het onderhoud van de gemeenschappelijke voorzieningen en dat de lasten worden verdeeld naar rato van de bebouwde oppervlakte, niet blijkt dat de ledenbijdrage geen betrekking heeft op beheerskosten. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde sub 1] de ledenbijdrage voor 2023 moet betalen. De vordering van [eiseres] bedraagt\n\n(€ 1.490,96, bestaande uit de factuur, aanmaningskosten en rente verminderd met het door [gedaagde sub 1] al betaalde bedrag van € 325,00, =) € 1.165,96.\n\n [gedaagde sub 1] moet ook wettelijke rente betalen3.6.. Nu [gedaagde sub 1] de factuur niet tijdig en volledig heeft betaald, is hij in verzuim. Hij moet daarom ook de wettelijke rente over het openstaande bedrag betalen.\n\n3.7.. \n [gedaagde sub 1] stelt dat [eiseres] een vergoeding van de wettelijke rente van 12,7% vordert waarvoor de grondslag niet duidelijk is. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] in de brief aan [gedaagde sub 1] van 22 maart 2023 over een periode van 2,7 maanden € 36,00 aan rente heeft berekend op basis van 1% per kalendermaand. Voor de hoogte van de rente heeft [eiseres] verwezen naar artikel 16 van haar statuten. De hoogte van de op 22 maart 2023 in rekening gebrachte rente is naar het oordeel van de kantonrechter daarmee voldoende duidelijk. Uitgaande van 1% rente per kalendermaand gaat de kantonrechter er vanuit dat de rente van € 36,00 ziet op de periode van 1 januari 2023 tot 1 april 2023. De wettelijke rente over het openstaande bedrag van € 1.165,96 is daarom toewijsbaar met ingang van 1 april 2023 tot de datum van volledige betaling.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten3.8.. \n [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is op of na 1 juli 2012 ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat de familie [gedaagde sub 1] consument is (natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (artikel 6:96 leden 5 en 6 BW). [eiseres] heeft aan [gedaagde sub 1] aanmaningen verstuurd die niet voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaningen is namelijk niet zowel het bedrag vermeld dat als vergoeding voor de incassokosten in rekening zal worden gebracht als de juiste betalingstermijn van veertien dagen die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde sub 1] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW (Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.\n\nProceskosten3.9.. \n [gedaagde sub 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n130,57\n\n- griffierecht\n\n€\n\n322,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n408,00\n\n(2 punten × € 204,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n102,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n962,57\n\n3.10.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.165,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van\n\n1 april 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 962,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.\n\n40160","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:176","2025-01-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.925Z",1,20]