[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-asylum-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":173},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},123,"asylum-procedure-nl","Asylum Procedure","NL","2026-07-08T16:57:28.077Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},18,{"min":18,"max":19},"2024-07-23T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121924","Handvest van de grondrechten van de Europese Unie","",1,[27,36,44,51,59,66,73,80,89,97,105,113,121,130,138,147,156,165],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":35},"912","ECLI:NL:RBDHA:2026:18538","ecli-nl-rbdha-2026-18538","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.19327 (beroep) en NL26.19328 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, met de Nigeriaanse nationaliteit,\n\neiser en verzoeker, hierna: eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak eisers verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De minister heeft eisers aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.\n\n1.3.. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep samen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.\n\n1.4.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de gronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Ten tijde van eisers aanvraag stonden die in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.\n\n4.1.. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in België. De minister heeft daarom op 14 december 2025 de autoriteiten van België verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De autoriteiten van België hebben dit verzoek op 16 december 2025 aanvaard. De verantwoordelijkheid van België voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.\n\nMag de minister ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister in zijn geval ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdelingvan 23 juli 2025. Hieruit volgt dat de minister ten aanzien van België bij niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Niet-kwetsbare alleenstaande mannen krijgen namelijk geen plek in de opvang.\n\n6. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat hij wel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op 5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische variant van het COa) namelijk een brief gestuurd waaruit volgt dat er extra opvangplekken zijn gerealiseerd en dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten weer opvang krijgen, dan wel in de reguliere opvang dan wel in een tijdelijke opvangplaats tot er plek is in de reguliere opvang.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. In de brief van Fedasil van 5 februari 2026 (hierna: de Fedasilbrief) staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Binnen dit totaal gaat het om 600 structurele opvangplaatsen en 1.400 bufferplaatsen die flexibel kunnen worden naargelang de opvangnoden. Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.\n\nIn de reguliere federale opvang verbleven op 23 januari 2026 in totaal 9.742 alleenstaande mannen. Fedasil beschikt niet over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen in België, aangezien dit geen federale bevoegdheid is.\n\nAlleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde ‘wachtlijst’ staan, die in de praktijk een ‘doorstroomlijst’ is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Het aantal personen op deze lijst is op 1 jaar tijd bijna gehalveerd en zakte op 2 juni 2025 voor het eerst onder de 2.000. Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend die zich structureel verderzet.\n\nAangezien het aantal personen op deze ‘doorstroomlijst’ reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken.”\n\n7.1.. Uit de Fedasilbrief maakt de rechtbank op dat 200 van de 2.000 extra opvangplaatsen in ieder geval gereserveerd zijn voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Dat betekent dat er maximaal 1.800 opvangplekken overblijven, die aan niet-kwetsbare alleenstaande mannen maar ook aan ‘andere doelgroepen’ kunnen worden toegewezen. Op 27 januari 2026 stonden er 1.535 personen op de ‘doorstroomlijst’ voor deze opvangplekken, zodat er op dat moment nog 265 plekken beschikbaar waren voor alle doelgroepen. Het aantal mensen op deze lijst daalt structureel. De rechtbank maakt verder uit de Fedasilbrief op dat Fedasil niet beschikt over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen en daarmee dus geen inzicht heeft in het aantal mensen dat daar verblijft in afwachting van een plek in de reguliere federale opvang.\n\n7.2.. De rechtbank is van oordeel dat de Fedasielbrief nog onvoldoende zekerheid geeft over de asielopvangcapaciteit van België. De rechtbank kan uit de brief niet opmaken of de asielzoekers die in heel België in de nood- en daklozenopvang zitten vanuit die tijdelijke opvang direct geplaatst kunnen worden in de reguliere federale opvang, of dat ook zij eerst via de ‘doorstroomlijst’ een plek toegewezen moeten krijgen in de extra gerealiseerde humanitaire opvangplaatsen. De brief geeft daarnaast ook geen inzicht in het aantal asielzoekers dat in heel België in de nood- en daklozenopvang zit. Hierdoor blijft er naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheid bestaan over het aantal beschikbare plekken voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 ook al tot de conclusie kwam dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, waardoor het ook onduidelijk was hoeveel van dit soort mannen daar verbleven.De Fedasilbrief heeft deze onduidelijkheid niet weggenomen. Het bestreden besluit is om die reden gebrekkig gemotiveerd.\n\n7.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat het onzeker is wanneer meer duidelijkheid over de opvangcapaciteit van België valt te verwachten.\n\n8.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n8.2.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL26.19327:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 27 maart 2026;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL26.19328:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van €2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\nVerordening (EU) 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3305.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Onder 5.3.3 en 5.3.4.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18538","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:54.235Z",{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":40,"fullText":41,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":43},"908","ECLI:NL:RBDHA:2026:18489","ecli-nl-rbdha-2026-18489","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.60316 (beroep) en NL25.60317 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiseres] , geboren op [geboortedag] 1958, van Syrische nationaliteit,\n\neiseres en verzoekster, hierna: eiseres (gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hieronder legt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Labban als tolk in de taal Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.\n\n2.3.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nAchtergrond en asielrelaas\n\n3. Eiseres heeft in juni 2023 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Zij heeft de uitkomst van die procedure niet afgewacht en is in november 2023 naar de Verenigde Staten gegaan, waar een zoon van haar woont. De zoon van eiseres had namelijk een Permanent Resident Card(ook wel ‘Green Card’) voor haar geregeld. In 2024 is eiseres teruggegaan naar Syrië omdat ze ruzie had met de echtgenote van haar zoon in de Verenigde Staten. In november 2025 heeft ze opnieuw asiel aangevraagd in Nederland. Eiseres legt aan haar huidige asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is helemaal alleen in Syrië. Ook voelt zij zich daar niet veilig als christen. Er zijn twee incidenten geweest waarbij haar kruisketting van haar nek is getrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres kan namelijk op grond van haar Green Card terugkeren naar de Verenigde Staten, dat voor haar als veilig derde land geldt. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Dat eiseres haar Green Card niet langer in haar bezit heeft, maakt niet dat zij niet kan terugkeren naar de Verenigde Staten. Uit de website van de Amerikaanse overheid volgt namelijk dat het mogelijk is een tijdelijk reisdocument aan te vragen in geval van verlies of diefstal van de Green Card. Eiseres kan dit ook doen. Niet is gebleken waarom dit voor haar niet mogelijk zou zijn.\n\nGronden\n\n5. Eiseres voert aan dat de minister haar aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiseres in de Verenigde Staten als vluchteling is erkend of daar anderszins bescherming geniet.\n\nDaarnaast voert eiseres aan dat haar Green Card niet meer geldig is. Een Green Card kan ingetrokken worden als iemand lang buiten de Verenigde Staten verblijft of naar een ander land gaat met de bedoeling daar permanent te verblijven. Dat is hier duidelijk het geval, aangezien eiseres lang buiten de Verenigde Staten heeft verbleven en hier in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend.\n\nJuridisch kader\n\n6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard worden als de vreemdeling die die aanvraag heeft ingediend erkend is als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.\n\nIs voldaan aan de voorwaarden van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000?\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn besluit, waarmee hij de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard, onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar heeft niet onderbouwd dat is voldaan aan de voorwaarden van dat artikel. De minister heeft namelijk niet onderbouwd dat eiseres in de Verenigde Staten de vluchtelingenstatus heeft of anderszins voldoende bescherming geniet daar.\n\n7.1.. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister in dit kader toegelicht dat de minister ervan is uitgegaan dat eiseres de vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten omdat zij een Green Card heeft gekregen en dat het aan eiseres is om deze aanname te ontkrachten. De rechtbank gaat hier echter niet in mee. Het is aan de minister om door hem genomen besluiten te onderbouwen. De minister kan in dit geval niet volstaan met een aanname en de bewijslast voor de ontkrachting daarvan vervolgens bij eiseres leggen.\n\n7.2.. De rechtbank ziet ook onvoldoende onderbouwing voor de aanname van de minister. Dat eiseres een Green Card heeft, wil nog niet zeggen dat zij ook een vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten. Eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat zij niet weet op welke grond de Green Card aan haar is toegekend. Haar zoon had de Green Card namelijk voor haar geregeld en eiseres zelf spreekt geen Engels, waardoor zij hierover ook geen informatie tot zich heeft kunnen nemen. De rechtbank ziet in het dossier verder ook geen andere aanwijzingen die de aanname van de minister, dat eiseres een asielstatus heeft in de Verenigde Staten, kunnen staven. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.\n\n7.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de minister opnieuw onderzoek moet doen naar de asielaanvraag van eiseres en de bestuurlijke lus zich niet leent voor een dergelijke situatie waarin nog onderzoek gedaan moet worden.\n\n9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n10. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding meer voor de door eiseres gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af.\n\n11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.\n\n De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL25.60316:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 2 december 2025;\n\ndraagt de minister op binnen na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL25.60317:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18489","2026-07-13T00:28:54.083Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":40,"fullText":48,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":50},"1728","ECLI:NL:RBDHA:2026:18483","ecli-nl-rbdha-2026-18483","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.19222\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, van Colombiaanse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. M. Berkelmans).\n\n Inleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 april 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van vier weken.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, [persoon] , de zus van eiser, R.A. Caicedo Larrea als tolk in de taal Spaans en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende relaas aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat zijn moeder in 1978 ontheemd is geraakt door de gewapende groepering ELN. Dit wilde ze op een legale manier kenbaar maken door aanmoediging van haar eerste echtgenoot. Deze echtgenoot is in 1993 vermoord. Eiser heeft verklaard dat hij in 2009 is verkracht door iemand die het huis van zijn moeder binnenviel. Dit was volgens eiser een waarschuwingsboodschap voor zijn moeder. In 2009 is eiser door een onbekend persoon aangevallen met een mes. In 2014 is een klasgenoot in eisers zicht aangevallen met een mes toen eiser de school uitliep. De klasgenoot zei dat de dader eiser zocht. Ook is eisers broer in 2017 aangevallen door de ex-echtgenoot van zijn nicht, die volgens eiser banden heeft met de groepen ELN en\u002Fof FARC. Eisers broer gaf aan dat de dader op zoek was naar eiser. Ergens tussen 2018 en 2020 nam eiser deel aan een nationale staking. Hierbij heeft iemand zich voorgesteld als lid van ELN en heeft eiser bedreigd. Eiser is hierop bij zijn tante gaan wonen. Eiser is vervolgens in 2022 vertrokken uit Colombia met het idee om te gaan studeren in Spanje. Eisers moeder heeft zich intussen geregistreerd bij de Unidad para las Victimás om erkend te worden als ontheemde en als Afro-Colombiaanse. Volgens eiser verergerden de problemen hierdoor. Het huis van de moeder van eiser is aangevallen in 2023 door een crimineel, omdat het zicht van het huis hem niet aanstond. Eisers moeder zegt dat deze aanval ook verband houdt met haar eerdere problemen. Eiser is via zijn moeder bedreigd met mogelijke rekrutering door ELN. Eiser is zelf nooit benaderd, maar vreest dat dit bij terugkeer kan gebeuren. Verder heeft eiser discriminatie ondervonden in Colombia vanwege zijn Afro-Colombiaanse etniciteit en omdat mensen denken dat eiser homoseksueel is.\n\nBesluitvorming\n\n5. Volgens de minister bestaat het asielrelaas uit de volgende asielmotieven:\n\n 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Problemen met ELN vanwege de ontheemding van eisers moeder in 1978;\n\n3. Discriminatie wegens Afro-Colombiaanse afkomst;\n\n4. Discriminatie wegens toegedichte seksuele gerichtheid.\n\n5.1.. De minister heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. Volgens de minister leidt dit echter niet tot een gegronde vrees voor vervolging. De discriminatie die eiser vanwege zijn Afro-Colombiaanse afkomst en toegedichte seksuele gerichtheid heeft ervaren is niet zo ernstig dat dit wordt gezien als vervolging zoals bedoeld in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Niet is gebleken dat eiser bij terugkeer onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied in Colombia kan functioneren.\n\n5.2.. Volgens de minister loopt eiser bij terugkeer ook geen reëel risico op ernstige schade. De minister neemt voor Colombia een relatief lagere mate van willekeurig geweld aan. Eiser heeft echter geen individuele omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat in zijn geval sprake is van een dergelijk risico. Verder mag van eiser worden verwacht dat hij voor zijn problemen met ELN de bescherming inroept van de autoriteiten. De minister neemt aan dat het voor een Colombiaanse vreemdeling in het algemeen mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties te verkrijgen.Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet mogelijk is, nu hij zelf geen aangifte heeft gedaan van de incidenten die hem persoonlijk zijn overkomen.\n\nIs bescherming door de Colombiaanse autoriteiten mogelijk?\n\n6. De rechtbank merkt vooraf op dat tussen partijen onduidelijkheid leek te bestaan over de vraag of de minister de problemen van eiser zwaarwegend genoeg acht. Eiser is hier in zijn beroepsgronden mede op ingegaan. De rechtbank stelt echter vast dat de minister in het voornemen heeft geconcludeerd dat eiser zijn vrees aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft ter zitting bevestigd dat de zwaarwegendheid van de door eiser gestelde problemen wordt aangenomen. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser voor bescherming tegen deze problemen een beroep kan doen op de Colombiaanse autoriteiten.\n\nStandpunt eiser\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat bescherming niet mogelijk is door de Colombiaanse autoriteiten. Eiser wijst op het Algemeen Ambtsbericht Colombia van juni 2024 waaruit volgt dat aangiftes niet worden opgevolgd door onderbezetting bij de Fiscalia en de politie en dat de mate van straffeloosheid hoog blijft door een ineffectief strafrechtsysteem en corruptie.Ook benoemt het ambtsbericht dat de Nationale Beschermingseenheid (UNP) kampt met een structureel tekort aan middelen en hoofdzakelijk hooggeplaatste politici beschermt. Voor gewone burgers duren de procedures maanden of jaren en beperkt de bescherming zich tot een ineffectief kogelvrij vest of een paniekknop.Daarbij stelt eiser dat de mogelijkheden tot bescherming bezien moeten worden in het licht van zijn geloofwaardig geachte problemen en wijst hij op het feit dat ELN tot de vijf machtigste illegale gewapende organisaties in Colombia behoort.\n\nStandpunt minister\n\n8. De minister stelt dat de Colombiaanse overheid in het algemeen bescherming kan bieden tegen vervolging of ernstige schade. Uit het meest recente ambtsbericht blijkt immers dat men zich bij bedreigingen kan wenden tot de Colombiaanse autoriteiten voor aangifte en bescherming.Dit wordt volgens de minister ondersteund door overgelegde aangiften van de familieleden van eiser en het oppakken van een verdachte na de inbraak bij de moeder van eiser in 2023. Bovendien blijkt uit recente landeninformatie van het EUAAdat met name de eenheid GAULAoptreedt in afpersingszaken. GAULA is te bereiken via een gratis telefoonlijn en wordt algemeen erkend vanwege zijn effectiviteit. Daarmee staat de weg om aangifte te doen volgens de minister open voor eiser, en kan dit volgens landeninformatie daadwerkelijk tot resultaat leiden.\n\nJuridisch kader\n\n9. Op grond van artikel 7 van de Kwalicatierichtlijndient bescherming tegen vervolging of ernstige schade doeltreffend en van niet-tijdelijke aard te zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren van bescherming redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.\n\n9.1.. Uit jurisprudentievan de Afdelingvolgt dat bij de vraag of iemand de bescherming van de autoriteiten kan inroepen, eerst wordt onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij wordt informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrokken. Eerst nadat die vraag bevestigend is beantwoord kan de vraag aan de orde komen of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming van de autoriteiten leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen doeltreffende bescherming bieden tegen vervolging of ernstige schade. De minister heeft er op gewezen dat uit het ambtsbericht blijkt dat het doen van aangifte mogelijk is in Colombia, maar heeft onvoldoende gemotiveerd dat aangiften in zijn algemeen ook worden opgevolgd door de autoriteiten. De rechtbank volgt de minister niet in zijn verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 februari 2026. In die zaak was sprake van een vrees voor afpersing en overwoog de rechtbank dat de vreemdeling zich voor bescherming tot GAULA kon wenden. Nu eiser in onderhavige zaak niet vreest voor afpersing, valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom ook hij een beroep zou kunnen doen op de bescherming van GAULA. Ter zitting heeft de minister zich voorts op het standpunt gesteld dat in het ambtsbericht is vermeld dat geen exacte cijfers beschikbaar zijn over het aantal aangiften dat door de autoriteiten wordt opgevolgd, omdat de politie deze gegevens niet openbaar maakt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de bewijslast op de minister rust om aannemelijk te maken dat in het algemeen doeltreffende bescherming beschikbaar is. Met de enkele verwijzing naar GAULA, dat is gericht op afpersingszaken, en naar het ontbreken van openbare gegevens over de opvolging van aangiften, heeft de minister niet aan zijn bewijslast voldaan.\n\n10.1.. De rechtbank overweegt dat de informatie uit het ambtsbericht juist erop wijst dat opvolging van aangiften in Colombia minimaal is. De rechtbank leest net als eiser in het ambtsbericht, dat zowel openbare als vertrouwelijke bronnen spreken over de hoge mate van straffeloosheid voor wat betreft de opvolging van aangiftes.Veel aangiftes leiden volgens het ambtsbericht niet tot een zaak.Ook benoemt het ambtsbericht dat qua wetgeving, mechanismen en intenties van de overheid Colombia over een functionerend wettelijk kader lijkt te beschikken, maar dat het systeem in de praktijk nog veel te wensen over laat.Het ambtsbericht vermeldt dat de klachten en zorgen van personen die een hoog risico liepen op geweld ook in stedelijk gebied niet altijd tijdig behandeld werden om hen effectief te beschermen.Eén van de voornaamste redenen voor het feit dat aangiftes niet opgevolgd worden, is de onderbezetting van de Fiscalía en de Nationale Politie, een tekort aan gekwalificeerd personeel en het feit dat toegang tot het juridisch systeem in afgelegen gebieden beperkt is.De vraag om bescherming, onder andere vanwege het grote aantal aanvragen en het beperkte budget, is volgens het ambtsbericht groter dan wat de Colombiaanse overheid kan bieden aan bescherming.\n\n10.2.. Het voorgaande betekent dat de minister nader dient te onderzoeken en te motiveren aan de hand van recente beschikbare landeninformatie of in Colombia in het algemeen bescherming wordt geboden, inhoudende dat de Colombiaanse autoriteiten redelijke maatregelen treffen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade.\n\n11. Indien de minister in het nieuw te nemen besluit opnieuw het standpunt inneemt dat de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen doeltreffende bescherming bieden, dient hij deugdelijk te motiveren waarom eiser in zijn specifieke situatie bescherming kan verkrijgen tegen de problemen met ELN. De rechtbank acht het aannemelijk dat dit voor eiser gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos zal zijn. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat eiser sinds 2009 problemen ondervindt met ELN. Eiser heeft erop gewezen dat ELN volgens een inlichtingenrapport van het Colombiaanse veiligheidsapparaat van april 2023 de grootste en machtigste illegale gewapende organisatie was met ongeveer 6.000 personen in de gelederen.De rechtbank is ambtshalve bekend met de 'Country policy and Information Note: Armed Groups and Criminal Gangs’ update 19 maart 2026, van de UK Home Office, waarin staat opgenomen:“The state is willing but not able to provide protection against the most powerful of the armed groups, such as the AGC and the ELN. This is because of poor implementation of security policies, low presence of security forces in rural areas where most armed group\u002Fgang abuses occur, and corruption.”Het standpunt van de minister dat uit de aangiften van de familieleden en het oppakken van een verdachte na de inbreuk bij de moeder van eiser in 2023 zou blijken dat bescherming wel mogelijk is, houdt gelet op de landeninformatie geen stand. Uit het nader gehoor blijkt bovendien niet eenduidig dat eiser en zijn familie doeltreffende bescherming zijn geboden. Eiser verklaart in het nader gehoor over de inbraak bij zijn moeder:“Uiteindelijk zijn ze naar de rechtbank gegaan en daar moeten de dader en het slachtoffer voorkomen. Normaal gesproken moet er een soort overeenkomst gesloten worden, maar het loopt nooit zo goed af. Uiteindelijk heeft mijn moeder als gevolg hiervan moeten verhuizen.”Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn moeder nog altijd ondergedoken leeft. Daarbij verklaart eiser in het nader gehoor op de vraag of de daders van de aanval of zijn broer in 2017 waarvan ook aangifte is gedaan, ook zijn vervolgd of bevestigd, dat dit niet het geval is.\n\n11.1.. De mogelijkheden tot bescherming vanwege eisers problemen met ELN dienen daarbij in samenhang te worden bezien met het profiel van eiser. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat eiser Afro-Colombiaans is en als homoseksueel wordt gezien. Eiser heeft in de aanvullende gronden op gewezen dat deze factoren hem extra kwetsbaar maken en in samenhang bezien moeten worden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de volgende (ambtshalve bekende) relevante landeninformatie:\n\nAlgemeen Ambtsbericht Colombia, juni 2024:\n\n“De Colombiaanse politie was in de verslagperiode betrokken bij discriminatie en geweld tegen LHBTIQ+-personen. Een vertrouwelijke bron zei dat de politie de transgemeenschap structureel discrimineerde; met name transvrouwen die in de seksindustrie werkten.”\n\n“Het dient vermeld te worden dat er een grote mate van straffeloosheid bestaat als het om strafbare feiten gaat tegen de LHBTIQ+-gemeenschap – met name tegen transpersonen.”\n\nImmigration and Refugee Board of Canada (Author): Colombia: Situation of Afro-Colombians, 10 augustus 2023:\n\n“5. State Protection\n\nAccording to a crime index report by the Global Initiative Against Transnational Organized Crime (GI-TOC), an \"independent civil-society organization\" based in Geneva that provides strategies to address organized crime (GI-TOC n.d.), and published with funding from the US government, corruption is \"endemic in all state branches and levels of government,\" with political figures \"often\" making \"alliances with criminal actors\" to \"win elections, later returning favours by embezzling state funds to such actors\" (GI-TOC [2021], 4). The Consultant stated that there is a \"lack of political will\" to implement measures to protect Afro-Colombians (2020-04-13). The Assistant Professor of Black studies indicated that government efforts to protect Afro-Colombians are \"disorganized\" (Assistant Professor 2020-04-10).”\n\nFreedom House, Freedom in the World 2025: Colombia, 10 april 2025:\n\n“Areas with concentrated Afro-Colombian populations continue to suffer vastly disproportionate levels of abuse by guerrillas, security forces, and criminal groups, as well as higher poverty and lack of public services. UN officials have reported that impunity is nearly absolute for killers of Afro-Colombian and Indigenous ex-combatants and social leaders.”\n\nUK Home Office, Country Policy and Information Note Colombia: Actors of Protection, update 19 maart 2026:\n\n“2.1.1 In general, the state is willing and able to provide protection. However, the effectiveness of this protection will be dependent on the profile of the person, the area in which a person is located, and if they have a well-founded fear of a dominant armed group or criminal gang\n\n2.1.2. Members of the Afro-Colombian and LGBTI community may face discrimination by state security forces. However, recent available information does not support a conclusion that, in general, these groups face a real risk of treatment that amounts to persecution within the meaning of the Refugee Convention, and\u002For that they are unable to obtain effective protection.\n\n2.1.9. Afro-Colombian persons have historically faced obstacles accessing justice, often due to racial discrimination. A number of sources highlight that this group often face police harassment, disproportionate levels of abuse by security forces and that impunity is ‘near absolute’ for actors responsible for killing Afro-Colombians. However, sources are not explicit about the scale and extent of issues faced by Afro-Colombian\n\nLGBTI persons can face obstacles in gaining access to justice and can face issues with the police due to their sexual orientation and gender identity. In 2022, Colombia Diversa’s recorded 107 victims of ‘police violence’ motivated by prejudice against the victim’s sexual orientation and gender identity. The most common issues reported were threats, verbal abuse and ‘irregular police procedures’.”\n\n11.2.. Uit de door de rechtbank aangehaalde landeninformatie blijkt dat Afro-Colombianen en leden van de LHBTI-gemeenschap te maken hebben met discriminatie door de overheid en obstakels ondervinden bij de toegang tot het rechtssysteem. De rechtbank ziet niet in waarom dit anders zou zijn voor personen aan wie LHBTI-schap wordt toegedicht. Op grond van deze omstandigheden in samenhang bezien met eerdergenoemde informatie dat de Colombiaanse autoriteiten in de praktijk onvoldoende bescherming kunnen bieden tegen de ELN, acht de rechtbank het aannemelijk dat het voor eiser gevaarlijk, dan wel bij voorbaat zinloos, is om de bescherming van de autoriteiten in te roepen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De minister heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij in acht neemt met wat in deze uitspraak is bepaald. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht oor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868 ,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Ejercito de Liberacion Nacional.\n\n Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Paragraaf C7\u002F10.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Pagina 53-55 van het ambtsbericht.\n\n Pagina 59-60 van het ambtsbericht.\n\n De minister wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26833, r.o. 5.2.\n\n European Union Agency for Asylum, Country of origin information report Colombia, 16 december 2025.\n\nGrupos de Acción Unificada por la Libertad Personal.\n\n De minister verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7259, r.o. 5.6.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Zie de uitspraak van 5 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9606.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 55.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 55.\n\n Pagina 57.\n\n Pagina 54.\n\n Pagina 56.\n\n Pagina 20 van het Algemeen Ambtsbericht Colombia, juni 2024.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 18.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 17.\n\n Pagina 73.\n\n Pagina 74.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18483","2026-07-13T00:29:36.080Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":56,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":34,"updatedAt":58},"1370","ECLI:NL:RBDHA:2026:18203","ecli-nl-rbdha-2026-18203","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.1914 (beroep) en NL26.1915 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiseres], geboren op [geboortedag] 1993 en van Colombiaanse nationaliteit, eiseres\u002Fverzoekster\n\n(gemachtigde: mr. V. Senczuk),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank\u002Fde voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is dus gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft op 16 september 2023 haar land van herkomst, Colombia, verlaten en is op 17 september 2023 aangekomen in Spanje. Vanuit Spanje is zij op 19 december 2023 in Nederland aangekomen. Eiseres heeft vervolgens op 1 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.\n\n2.2.. Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Met dit besluit heeft de minister aan eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd, waarin staat dat zij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Zij heeft ook een inreisverbod opgelegd gekregen voor de duur van twee jaar.\n\n2.3.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nAsielrelaas\n\n3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. In 2019 is zij in Colombia bedreigd, vanwege de werkzaamheden van haar nicht. Vervolgens is eiseres verhuisd naar Cucuta. Daar heeft zij vier jaar gewoond. In mei\u002Fjuni 2023 is zij weer bedreigd. De personen die haar bedreigden zeiden te horen bij de El Tren de Aragua gang. Vervolgens heeft zij het land verlaten. In Nederland is zij begonnen met de transitie naar vrouw. Daardoor verwacht zij vanwege haar transidentiteit problemen te ervaren bij terugkeer naar Colombia.\n\nAsielmotieven\n\n4.1.. De minister onderscheidt de volgende asielmotieven:\n\nNationaliteit, identiteit en herkomst.\n\nDreigementen in 2019.\n\nDreigementen in 2023.\n\nTransidentiteit.\n\n4.2.. De minister acht de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De minister acht de dreigementen uit 2023 niet geloofwaardig. De minister acht de dreigementen uit 2019 wel geloofwaardig, maar deze leiden niet tot bescherming. De minister acht de transidentiteit van eiseres ook geloofwaardig, maar dit leidt ook niet tot bescherming.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Eiseres voert daartoe het volgende aan.\n\nReferentiekader\n\n5.1.. Eiseres voert aan dat de minister is uitgegaan van het verkeerde referentiekader. De minister is namelijk uitgegaan van ‘vrouw’ in plaats van ‘transvrouw’. De minister heeft dit ook erkend in het primaire besluit, maar heeft vervolgens niks veranderd aan zijn oordeel. Volgens eiseres is dat onzorgvuldig.\n\n5.2.. \n\nDe rechtbank volgt eiseres hierin niet. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat het noemen van ‘vrouw’ in plaats van ‘transvrouw’ een kennelijke verschrijving is. De rechtbank volgt dit. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat de minister er steeds vanuit is gegaan dat eiseres een transvrouw is en dus van het juiste referentiekader.\n\nBedreigingen in 2023\n\n6.1.. Eiseres voert aan dat de bedreigingen in 2023 wel geloofwaardig moeten worden geacht. Zij heeft deze namelijk aannemelijk gemaakt met haar zienswijze en relaas. Zij heeft wel moeite gedaan om bescherming te krijgen van de autoriteiten in Colombia. Zij wijst er verder op dat er in Colombia veel samenwerkingen zijn tussen de politie en de groeperingen, zodat zij dacht dat zij voor haar veiligheid niet anders kon dan het land verlaten.\n\n6.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister de bedreigingen in 2023 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft daarbij terecht betrokken dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een link is tussen de bedreigingen in 2019 en de bedreigingen uit 2023. Eiseres heeft na de bedreigingen in 2019 nog vier jaar zonder problemen in Cucuta gewoond. Ook heeft zij zelf verklaard dat het slechts een vermoeden is dat er een link is tussen de bedreigingen. De minister heeft verder terecht betrokken dat eiseres, nadat zij is aangekomen in Nederland, nog ruim twee maanden heeft gewacht met het indienen van haar asielaanvraag. Indien zij vanwege bedreigingen in 2023 bescherming nodig had, dan had van haar verwacht mogen worden dat zij onmiddellijk naar de autoriteiten zou stappen wanneer zij daar de kans voor kreeg.\n\nTransidentiteit\n\n7.1.. Eiseres voert aan dat de minister niet op de juiste wijze heeft beoordeeld of zij vanwege haar huidige uiterlijk en geïndividualiseerde omstandigheden terug kan keren naar haar land van herkomst, zonder dat sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Eiseres kan haar omstandigheden niet individualiseren, vanwege haar gewijzigde verschijningsvorm na vertrek uit haar land van herkomst. De situatie van eiseres is vergelijkbaar met de situatie van een réfugié sur place. Voor zover de minister heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 juni 2024, voert eiseres aan dat deze niet ziet op huidige actuele situatie in Colombia. Eiseres onderbouwt met krantenartikelen dat alleen al in de eerste vier maanden van 2025 in Colombia 25 LHBTIQ+-personen zijn vermoord, waaronder 15 transpersonen.\n\n7.2.. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in haar geval individualiseerbare omstandigheden zijn, waarop gebaseerd kan worden dat er voor haar een gegronde vrees voor vervolging bestaat, of dat zij een reëel risico loopt op behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM, wanneer zij moet terugkeren naar het land van herkomst. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, specifiek in rechtsoverweging 11, volgt volgens de minister dat eiseres dit wel had moeten doen en dat enkel de transidentiteit onvoldoende is om te stellen dat zij een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt.\n\n7.3.. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 juni 2024 in rechtsoverweging 11 het volgende bepaald:\n\n‘De Afdeling leidt uit de landeninformatie af dat in Colombia, ondanks het progressieve wettelijke kader, de lhbti-gemeenschap, en in het bijzonder trans vrouwen, het doelwit zijn van geweld en discriminatie. Dit is niet alleen afkomstig van burgers, maar ook van overheidsfunctionarissen. In de praktijk zijn er obstakels om een beroep te doen op beschermingsmechanismen. Het institutionele kader en de werkelijkheid lopen dan ook uiteen. Dat neemt niet weg dat de situatie voor trans vrouwen in Colombia niet zodanig is dat zij systematisch worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade vanwege hun genderidentiteit en dat van hen, ondanks de moeilijke situatie waarin zij zich bevinden, verwacht mag worden dat zij een beroep doen op bestaande beschermingsmechanismen bij voorkomende problemen.’\n\n7.4.. Voorts heeft de minister op 10 februari 2025 zijn landenbeleid ten aanzien van Colombia aangepast.Met deze aanpassing heeft de minister aangenomen dat het voor transpersonen niet mogelijk is om bescherming te krijgen van de Colombiaanse autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties.\n\n7.5.. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat zij moet worden aangemerkt als een réfugié sur place. Toen zij nog in haar land van herkomst verbleef, was zij nog niet gestart met haar transitie. De vrees voor vervolging wegens haar transidentiteit is ontstaan toen zij in Nederland in transitie is gegaan.Persoonlijke incidenten of ervaringen in Colombia heeft zij niet. Zij beschikt ook niet over andere informatie over de situatie van transvrouwen. Dat betekent dat zij anders dan door verwijzing naar algemene landeninformatie en beleid niet in staat is om haar vrees voor vervolging als transvrouw te individualiseren. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat nu uit objectieve landeninformatie volgt dat transvrouwen een hoog risico lopen op geweld en discriminatie en zij volgens de beleidswijzing van de minister van na de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling, geen beschermingsmogelijkheden hebben bij voorkomend geweld, de minister een te vergaande individualisering van het risico van eiseres verlangt dan in deze gegeven omstandigheden is aangewezen. De minister had naar het oordeel van de rechtbank ook de afwezigheid van beschermingsmogelijkheden voor eiseres kenbaar in zijn besluit moeten betrekken. Door dat niet te doen heeft de minister zijn besluit onvoldoende gemotiveerd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8.1.. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.\n\n8.2.. Nu de rechtbank heeft beslist op het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.\n\n8.3.. \n\nOmdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.1914:\n\nverklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.1915:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter, in beide zaken:\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2331.\n\n Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 2025\u002F5 en zie paragraaf C7\u002F10.4.2 en paragraaf C7\u002F10.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Zie ook het Handboek UNHCR, paragraaf 94, 95 en 96 over het begrip réfugié sur place.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18203","2026-07-13T00:29:18.361Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":63,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":34,"updatedAt":65},"1348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18167","ecli-nl-rbdha-2026-18167","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.27585 (beroep) en NL26.27586 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. S. de Schutter),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen. Het beroep is dus ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiser heeft op 16 december 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.\n\n2.2.. Met het besluit van 15 mei 2026 heeft de minister deze aanvraag niet in behandeling genomen.\n\n2.3.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nBesluitvorming\n\n3.1.. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij ten onrechte geen gehoor heeft gehad naar aanleiding van zijn asielaanvraag. De minister stelt dat eiser wel is uitgenodigd voor een gehoor. Op 11 februari 2026 is hij gekoppeld aan een advocaat. Maar vanaf dat moment heeft hij niet met de mogelijkheid van correcties en aanvullingen via zijn advocaat kenbaar gemaakt dat hij geen uitnodiging voor een gehoor heeft ontvangen. Hij is vervolgens wederom uitgenodigd voor een gehoor, maar ook na het rapport ‘niet verschijnen voor gehoor’ heeft eiser ondanks een uitnodiging daartoe geen correcties en aanvullingen ingediend en de reden van het niet verschijnen niet laten weten.\n\n3.2.. De minister ziet geen reden om eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Dat hij een negatieve ervaring heeft gehad in Duitsland, is op zichzelf niet genoeg. Eiser heeft zijn bijzondere situatie niet kenbaar gemaakt en niet met medische documenten aannemelijk gemaakt dat hij in Nederland behandeling krijgt voor zijn paniekaanvallen.\n\nBeroepsgronden\n\nGehoor\n\n4.1.. Eiser voert aan dat hij ten onrechte geen gehoor heeft gehad. Hij heeft de uitnodiging daartoe nooit ontvangen. Eiser verblijft op de [locatie] en keek elke dag of hij post had, maar hij heeft nooit een brief voor het gehoor ontvangen. Daarom heeft zijn gemachtigde gevraagd om nog een keer een uitnodiging te sturen en die te plaatsen in het asielportaal, maar dat is nooit gebeurd. Eiser voert verder aan dat hij geen correcties en aanvullingen kon indienen, omdat hij geen gehoor heeft gehad. Hij heeft wel een zienswijze ingebracht, waarin hij heeft aangegeven dat hij gehoord wenste te worden.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De uitnodigingen voor de gehoren zijn geüpload in het dossier. Deze zijn gericht aan het adres waar eiser verblijft. Eiser heeft niet betwist dat dit het adres is waar hij verblijft. Ook de uitnodiging om correcties en aanvullingen op te sturen is geüpload in het dossier. De minister heeft op de zitting laten weten dat de brieven niet retour gekomen zijn. Dat is volgens de minister een bevestiging dat ze op het adres van eiser zijn aangekomen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande voldoende duidelijk dat de minister eiser op de juiste wijze heeft uitgenodigd voor de gehoren. De enkele stelling van eiser dat hij de uitnodigingen niet heeft ontvangen, is onvoldoende om te oordelen dat deze hem niet hebben bereikt.\n\n4.3.. De rechtbank overweegt verder dat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht dat hij gehoord wilde worden, maar hij heeft daarin niet geconcretiseerd wat hij zou willen toelichten op een gehoor. Eiser heeft dat ook niet geconcretiseerd in zijn beroepsgronden. De zitting bij de rechtbank was voor eiser ook een mogelijkheid om zijn standpunten nader toe te lichten, maar eiser is niet naar de zitting gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom gezegd worden dat eiser niet in zijn belangen is geschaad door het niet houden van een gehoor. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat de minister hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze heeft betrokken in de beoordeling. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om eiser opnieuw uit te nodigen voor een gehoor.\n\nArtikel 17 van de Dublinverordening5.1.. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Bij eiser is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat hij vreest voor indirect refoulement naar Duitsland. Hij heeft paniekaanvallen en eerdere negatieve ervaringen in Duitsland, omdat hij daar geen behandeling heeft gekregen voor zijn paniekaanvallen. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom zijn bijzondere omstandigheden geen aanleiding geven tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.\n\n5.2.. De rechtbank stelt voorop dat binnen de Europese Unie het uitgangspunt geldt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat zij hun internationale verplichtingen naleven. Dit wordt het interstatelijke vertrouwensbeginsel genoemd. De minister mag bij Duitsland in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel.En daarmee dus dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRMen artikel 4 van het Handvest.De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de Duitse autoriteiten met het accepteren van het claimverzoek de garantie hebben gegeven om de opvolgende asielaanvraag van eiser met inachtneming van de EU-regelgeving te behandelen.\n\n5.3.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 17 van de Dublinverordening volgt dat een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. De minister heeft in beleid opgenomen hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2\u002F5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich trekt indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft hierin een ruime beoordelingsmarge en de rechtbank dient de beslissing van de minister op dit punt terughoudend te toetsen.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland leidt tot onevenredige hardheid. Hij heeft slechts gesteld dat hij in Duitsland geen behandeling kreeg voor zijn paniekaanvallen. Hij heeft echter op geen enkele wijze toegelicht of met medische stukken onderbouwd dat hij last heeft van paniekaanvallen, dan wel dat hij in Duitsland geen behandeling kreeg of kan krijgen voor zijn paniekaanvallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook terecht geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en hij aan Duitsland mag worden overgedragen. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin bestaat er aanleiding om de proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27585:\n\n- verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27586:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588, en 8 oktober 2025 ECLI:NL:RVS:2025:4770.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18167","2026-07-13T00:29:17.149Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":70,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":34,"updatedAt":72},"1351","ECLI:NL:RBDHA:2026:18163","ecli-nl-rbdha-2026-18163","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.9465 (beroep)\n\n NL26.9466 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1992, van Algerijnse nationaliteit, eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. N. Birrou),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. Eiser heeft op 3 februari 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 februari 2026 kennelijk ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is zonder bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond\n\n4. Eiser heeft eerder op 8 augustus 2024 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door verweerder met het besluit van 12 september 2024 buiten behandeling gesteld omdat uit informatie van het COAis gebleken dat eiser op 23 augustus 2024 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Bij dit besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn uitgevaardigd. Eiser heeft vervolgens op 22 mei 2025 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door verweerder met het besluit van 17 juni 2025 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser op 3 februari 2026 zijn huidige asielaanvraag ingediend. Bij deze aanvraag is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.Tegen deze vrijheidsontnemende maatregel heeft eiser beroep ingesteld, waar op 3 juni 2026 door deze rechtbank en zittingsplaats uitspraak is gedaan.\n\n4.1.. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat de maatregel van bewaring van eiser op 28 mei 2026 is opgeheven. Eiser heeft zich daarna niet gemeld bij het COA voor opvang, waarna er een MOB-melding is gemaakt. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting verklaard dat hij na deze datum nog contact heeft gehad met eiser.\n\nAsielrelaas\n\n5. Eiser heeft het volgende aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft een relatie gehad met de vrouw van zijn oom. Met de vrouw van zijn oom heeft eiser vervolgens een kind gekregen. Als gevolg hiervan heeft zijn oom hem bedreigd.\n\nBestreden besluit\n\n6. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nde problemen met zijn oom als gevolg van een relatie met zijn vrouw.\n\n6.1.. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Dat eiser bedreigd wordt door zijn oom als gevolg van een relatie met diens vrouw is ongeloofwaardig. Eiser heeft namelijk geen oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven, zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.\n\nProcesbelang\n\n7. Gezien het feit dat de gemachtigde van eiser op de zitting heeft verklaard dat hij nog contact heeft gehad met eiser na diens MOB-melding, stelt de rechtbank vast dat eiser nog procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep.\n\nKennelijke ongegrondheid\n\n8. Eiser stelt dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgedaan. Het enkele feit dat de aanvraag opvolgend is rechtvaardigt geen automatische kwalificatie als kennelijk ongegrond wanneer nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd. De nieuwe elementen zijn hier juist de kern van het geschil. Dat de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgedaan omdat eiser de aanvraag kort voor de geplande uitzetting is ingediend is ook geen goede grond.\n\n8.1.. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid en onder f, van de Vw en artikel 30b, eerste lid en onder g van de Vw. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser bij de huidige asielaanvraag slechts omstandigheden heeft aangevoerd die reeds bestonden ten tijde van zijn eerdere asielprocedure. Daarnaast heeft eiser zijn aanvraag één dag voor zijn uitzetting ingediend, waardoor verweerder terecht heeft overwogen dat hij zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nProblemen met oom\n\n9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop de bedreigingen van zijn oom zouden zijn begonnen. Eiser heeft namelijk eerst over het voorval verklaard dat zijn oom hem begon te bedreigen nadat de vrouw van zijn oom in de zevende maand van haar zwangerschap tijdens een ruzie heeft verklaard dat het kind van eiser was en niet van zijn oom. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de bedreigingen opnieuw begonnen en explicieter werden nadat een DNA-test uitwees dat zijn oom niet de biologische vader was. Volgens eiser werpt verweerder ook ten onrechte aan hem tegen dat hij in de eerdere procedure niet over het kind en de relatie met de vrouw van zijn oom heeft verklaard. Het gaat hier om een seksuele relatie met de echtgenote van een oom binnen een conservatieve familie- en eercultuur, waardoor het niet onaannemelijk is dat schaamte en angst voor verdere escalatie ertoe hebben geleid dat eiser aanvankelijk niet volledig over de gebeurtenis heeft verklaard. Tot slot heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven met documenten. Het is eiser echter door zijn vrijheidsontnemende maatregel niet gelukt om de documenten te verkrijgen.\n\n9.1.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de problemen van eiser met zijn oom ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft namelijk wisselend en tegenstrijdig verklaard over de bedreigingen van zijn oom. Tijdens een eerdere procedure heeft eiser verklaard dat hij bij terugkeer naar Algerije niet te vrezen heeft voor zijn oom omdat hij op leeftijd is en niet in staat is om geweld te gebruiken. Dit strookt niet met de verklaringen van eiser in de huidige procedure waarin hij stelt dat hij vreest vermoord te worden door zijn oom. Dat eiser verklaart eerder bang te zijn geweest om het asielmotief naar voren te brengen is geen verschoonbare reden voor deze wisselende verklaringen. Daarnaast heeft eiser in een eerdere procedure verklaard dat hij geen kinderen heeft, terwijl het kind waar het in deze procedure om gaat al in 2020 is geboren. Ook heeft eiser geen documenten overgelegd die zijn asielmotief onderbouwen. Zo heeft eiser bijvoorbeeld geen geboorteakte van het kind overgelegd en evenmin foto’s waarin de vrouw van zijn oom zegt dat het kind van eiser is. Ook zijn er geen foto’s overgelegd van de aanval in Frankrijk en de Facebookberichten met de bedreigingen van zijn oom. Eiser heeft in de zienswijze aangegeven in het bezit te zijn van deze documenten, maar heeft deze nooit overgelegd. Daarnaast heeft eiser niet de kans genomen om op zitting zijn asielaanvraag toe te lichten en om eventuele vragen van de rechtbank te beantwoorden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.\n\n11. Nu op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.\n\n12. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.9465:\n\n- verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.9466:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de\n\nAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze\n\npartij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend\n\nbinnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de\n\nindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n ECLI:NL:RBLIM:2026:5420.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18163","2026-07-13T00:29:17.303Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":77,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":34,"updatedAt":79},"1361","ECLI:NL:RBDHA:2026:18171","ecli-nl-rbdha-2026-18171","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.6176 (beroep)\n\nNL26.6177 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1977, van Colombiaanse nationaliteit, eiser\u002Fverzoeker, hierna te noemen: eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Loth),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 2 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot het voorkomen van zijn uitzetting totdat op het beroep is beslist.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, D.P. Navarette als tolk in de Spaanse taal, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\nHet asielrelaas\n\n1. Eiser heeft op 19 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft hieraan het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd. Hij heeft verklaard dat hij in maart of april 2021 is aangesproken door twee personen die verbonden waren aan een criminele bende (Oficina de Cobro). Zij vroegen hem om hen informatie over mensen in de wijk te verschaffen en hen te helpen met illegale zaken, zoals het distribueren van drugs. Toen eiser dit weigerde, hebben de twee personen eiser met de dood bedreigd. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan en is bij zijn zus ondergedoken. In november of december 2021 is eiser met zijn neefje naar een ijssalon gegaan, toen hij de twee mannen opnieuw zag. Een van hen had een wapen bij zich. Eiser heeft zich vervolgens verstopt in de ijssalon en is ondergedoken. In februari 2022 heeft hij Colombia verlaten. Bij terugkeer naar Colombia vreest hij te worden vermoord.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen met leden van de Oficina.\n\nDe minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De minister acht de problemen van eiser met de leden van de Oficina daarentegen niet geloofwaardig. De minister meent namelijk dat de verklaringen van eiser hierover zijn gebaseerd op aannames en vermoedens. Daarnaast werpt de minister tegen dat eiser de mannen die hem bedreigden niet concreter kan beschrijven. Ook heeft eiser volgens de minister tegenstrijdig verklaard over de werkwijze van de leden van de Oficina. Verder stelt de minister dat het tegenstrijdig is dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij ondergedoken zat en anderzijds dat hij in het openbaar te vinden was en bleef werken. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment gezocht wordt. Tot slot werpt de minister tegen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven.\n\n2.1.. Omdat de minister de problemen van eiser met de leden van de Oficina niet geloofwaardig geacht, heeft de minister enkel beoordeeld of het feit dat eiser uit Colombia komt maakt dat hij als vluchteling moet worden aangemerkt of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Colombia. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister meent daarom dat eiser niet voor een asielvergunning in aanmerking komt. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen omdat hij meent dat eiser zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verwijderenen omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dit mogelijk was.\n\nHeeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vrees van eiser voor de leden van de Oficina gebaseerd is op aannames en vermoedens?\n\n3. Eiser voert aan dat de minister er ten onrechte aan voorbijgaat dat hij een duidelijk beeld heeft geschetst van de grondslag van zijn vrees voor de bende. De minister kan deze door eiser geschetste vrees niet terzijde schuiven met de stelling dat slechts sprake zou zijn van aannames aan de zijde van eiser.\n\n3.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser over zijn vrees voor de leden van de Oficina zijn gebaseerd op aannames en vermoedens. De minister heeft hierbij onder meer terecht betrokken dat eiser naar eigen zeggen al tientallen jaren in de bouw werkzaam was en de Oficina al zo’n dertig jaar in zijn wijk actief is. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij in 2021 opeens het doelwit van deze organisatie is geworden. Eiser heeft verklaard dat de bendeleden hem persoonlijk hebben bedreigd, maar kan niet concreet verklaren wat zij tegen hem hebben gezegd. Eiser heeft verder niet inzichtelijk gemaakt dat de bendeleden het specifiek op hem gemunt hadden toen hij hen bij de ijssalon zag. Eiser heeft hen immers enkel van afstand gezien. De bendeleden hebben niet hun wapen op hem gericht, hem benaderd of iets tegen hem geroepen. Eiser heeft verklaard dat er niemand anders was op wie zij het gemunt konden hebben omdat niemand anders wegrende of zich verstopte. De minister werpt terecht tegen dat dit een aanname is, aangezien eiser niet kan weten of zij ook problemen met andere mensen hadden of enkel bij toeval in de buurt van de ijssalon waren.\n\nMocht de minister aan eiser tegenwerpen dat hij niet nauwkeuriger heeft kunnen verklaren over de ontmoetingen met zijn belagers?\n\n4. Eiser stelt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet nauwkeuriger heeft kunnen verklaren over de ontmoetingen met zijn belagers. De eisen die de minister lijkt te stellen aan het concreet kunnen beschrijven van de daders zijn niet realistisch en laten onvoldoende beoordelingsruimte voor de omstandigheden van het geval.\n\n4.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister gedetailleerdere verklaringen van eiser mocht verwachten ten aanzien van zijn belagers. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hem niet is gevraagd een fysieke beschrijving van de belagers te geven, maar alleen van de kleding die zij droegen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt echter dat de gehoormedewerker aan eiser heeft gevraagd hoe deze twee personen eruit zagen. Eiser heeft hierop enkel geantwoord dat alle zwarte mensen op elkaar lijken. Op de vervolgvraag of eiser hun postuur kan omschrijven en wat zij aan hadden, heeft eiser geantwoord dat hij het niet weet en dat een van hen ongeveer even lang als hij was en de ander iets kleiner. De minister werpt terecht tegen dat niet valt in te zien waarom eiser deze mannen niet concreter kan beschrijven, aangezien hij heeft verklaard dat hij hen in totaal vier keer heeft gezien. Bovendien heeft eiser hen bij het laatste contactmoment bij de ijssalon op afstand herkend. Ook daarom kon van eiser worden verwacht dat hij een nadere beschrijving van de daders kan geven.\n\nHeeft de minister ten onrechte de aan eiser tegengeworpen inconsistenties niet tijdens het nader gehoor aan eiser voorgehouden?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de in het voornemen tegengeworpen inconsistenties niet tijdens het nader gehoor aan hem zijn voorgehouden. Daarmee is sprake van een gebrek in het horen en is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.\n\n5.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser tijdens het nader gehoor voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om over zijn asielrelaas te verklaren en te reageren op de in de besluitvorming tegengeworpen inconsistenties. Eiser heeft op de zitting naar voren gebracht dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd over de reden waarom de bendeleden niet de ijssalon zijn binnengetreden toen zij eiser zagen. De gehoormedewerker heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende in de gelegenheid gesteld hierover te verklaren. De medewerker heeft eiser na zijn verklaring dat hij zich in de ijssalon had verstopt voorgelegd dat zij naar binnen hadden kunnen komen om hem te vinden. Eiser heeft hierop geantwoord dat zij dit niet doen als er mensen zijn en dat zij zich niet in menigtes begeven. De gehoormedewerker heeft vervolgens gevraagd waarom eiser denkt dat zij hem wilden vermoorden, nu hij heeft verklaard dat zij zich niet begeven in menigtes en geen moorden uitvoeren als er mensen bij zijn. Eiser heeft hierop verklaard dat zij wel degelijk moorden uitvoeren op plekken zoals een discotheek, restaurant en bars en dat daar ook menigtes bij zijn, maar dat het best risicovol is om ergens naar binnen te gaan als zij gezien worden. Eiser heeft deze verklaringen in de correcties en aanvullingen niet gewijzigd of aangevuld. De minister heeft gelet op deze verklaringen terecht geconcludeerd dat eiser hiermee tegenstrijdig over de werkwijze van de bendeleden heeft verklaard. Eiser heeft verder niet geconcretiseerd over welke andere inconsistenties de minister onvoldoende heeft doorgevraagd. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.\n\nHeeft de minister de aangifte van eiser en de algemene informatie over het bendegeweld in Cali ten onrechte niet in de beoordeling betrokken?\n\n6. Eiser voert aan dat de minister de door hem overgelegde aangifte ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, evenals het evidente bendegeweld in Cali zoals beschreven in het algemeen ambtsbericht.\n\n6.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet kenbaar op het door eiser overgelegde Spaanstalige formulier van de politie is ingegaan. De minister heeft echter op de zitting alsnog voldoende gemotiveerd dat dit document niet maakt dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig wordt geacht. De rechtbank maakt uit hetgeen met partijen op zitting is besproken op dat dit document geen aangifte betreft, maar een formulier met verschillende aanbevelingen die de politie aan eiser heeft gegeven om zichzelf en zijn familieleden te beschermen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat – mede omdat geen vertaalde versie van het document is overgelegd – de precieze aard en inhoud van dit document onduidelijk is. Uit het document kan niet worden afgeleid dat dit is verstrekt naar aanleiding van zijn aangifte tegen de bedreigingen. Voor zover dit al zou worden aangenomen, bevestigt dit formulier niet dat deze bedreigingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Bovendien betreft het document een kopie, die niet op echtheid kan worden onderzocht. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat dit document er niet toe leidt dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig moet worden geacht.\n\n6.2.. Ten aanzien van de landeninformatie over het bendegeweld in Cali overweegt de rechtbank dat het gegeven dat er bendegeweld voorkomt nog niet direct betekent dat de problemen van eiser geloofwaardig moeten worden geacht. Het is in eerste instantie aan eiser om zijn asielaanvraag te staven en om aannemelijk te maken dat hij in zijn individuele geval problemen heeft ervaren wegens een criminele bende. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat eiser hier niet in is geslaagd.\n\nHeeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend?\n\n7. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser heeft namelijk vanaf juli in 2023 in Nederland verbleven en heeft pas asiel aangevraagd nadat hij op 19 januari 2026 is staande gehouden. Eiser heeft verklaard dat hij niet eerder asiel heeft aangevraagd omdat hij niet wist hoe de asielprocedure werkte, landgenoten hem hadden verteld dat hij meteen asiel had moeten vragen en hij bang was teruggestuurd te worden naar Colombia. De minister heeft deze verklaringen terecht niet als verschoonbare redenen voor de late indiening van de asielaanvraag aangemerkt. Voor zover eiser niet duidelijk was hoe de asielprocedure werkte, lag het op de weg van eiser om hierover informatie in te winnen bij de relevante autoriteiten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n9. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak met nummer NL25.6176:\n\n- verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL25.6177:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de\n\nuitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n De minister spreekt in de besluitvorming van OFICNAS, maar gelet op de landeninformatie over Colombia zal de rechtbank de spelling ‘Oficina’ aanhouden.\n\n Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18171","2026-07-13T00:29:17.813Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":34,"updatedAt":88},"1712","ECLI:NL:RBDHA:2026:14790","ecli-nl-rbdha-2026-14790","2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\n Zittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.28827\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiseres],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989, van Turkse nationaliteit, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,de minister,\n\n(gemachtigde: mr. H. van Halteren).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag voor bepaalde tijd.\n\n1.1. Eiseres heeft op 27 juni 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 juni 2025 haar aanvraag afgewezen, maar aan eiseres een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vwverleend.\n\n1.2. Eiseres is het daar niet mee eens en stelt dat zij in aanmerking komt voor een zelfstandige asielvergunning. Eiseres heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de beroepsgronden die zij heeft aangevoerd.\n\n2.1. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n3. Eiseres legt het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag. Eiseres verklaart dat haar man werkzaam was bij de politie en in 2019 is opgepakt op verdenking van lidmaatschap van de Gülenbeweging in Turkije. Haar echtgenoot was in eerste instantie vrijgesproken, maar deze uitspraak is in 2023 vernietigd en zijn zaak wordt momenteel opnieuw onderzocht. Eiseres verklaart in Turkije [functie] in het onderwijs te zijn geweest. Vanwege de activiteiten van haar echtgenoot heeft zij zes keer van baan moeten wisselen tussen 2019 en 2023. Eiseres stelt sociaal te zijn buitengesloten door haar collega’s omdat zij zelf ook als lid van de Gülenbeweging wordt gezien. Eiseres heeft ook contacten gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft. Bij terugkeer vreest eiseres voor de Turkse autoriteiten.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Volgens de minister bestaat het asielrelaas van eiseres uit de volgende relevante elementen:\n\nhaar identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nhaar problemen door (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\nDe minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiseres geen gegronde vrees voor vervolging. Het is niet gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. De minister acht geloofwaardig dat zij op haar werk en in sociale kringen problemen heeft ervaren, maar zij heeft volgens de minister niet te vrezen voor aanhouding of vervolging bij terugkeer naar Turkije. Eiseres verklaart namelijk zelf geen problemen te hebben ervaren met de Turkse autoriteiten. Verder blijkt uit een document dat eiseres heeft overgelegd dat haar naam wordt genoemd in het strafproces van haar echtgenoot. Ook blijkt uit dit document dat er geen gegevens over eiseres gevonden zijn. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres daarom afgewezen.\n\n4.1. De minister heeft vanwege de ambtshalve verlening van de afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vw aan eiseres geen voornemen voorafgaand aan het bestreden besluit uitgebracht.\n\nDe beoordeling van de rechtbank\n\n5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij met haar verklaringen zelfstandige asielmotieven naar voren heeft gebracht waaruit moet worden afgeleid dat zij persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging. Eiseres stelt dat zij als echtgenote van een Gülenist wél in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Het enkele feit dat haar naam wordt genoemd in het onderzoek van haar echtgenoot is daar een indicatie voor. Verder vreest eiseres voor spionnen in asielzoekerscentra in Nederland. Het ligt dan ook in de lijn der verwachtingen dat de negatieve belangstelling ten aanzien van eiseres bij terugkeer naar Turkije herleeft of toeneemt. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de minister met het nieuwe beleid een aanzienlijk zwaardere bewijslast oplegt. Eiseres verwijst in dat verband naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats, van 15 augustus 2024en deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024. Uit landeninformatie blijkt dat de vervolging van Gülenisten in Turkije nog steeds extreem willekeurig is. Dat geldt ook voor familieleden van Gülenisten. De minister had op 1 december 2023 dan ook niet kunnen besluiten tot wijziging van het beleid ten aanzien van (vermeende) Gülenisten.\n\n6. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de Afdelingin haar uitspraken van 25 maart 2026 heeft geoordeeld dat de minister tot de beleidswijziging heeft kunnen komen. Daarvoor vindt de Afdeling steun in de landeninformatie over Turkije waaruit blijkt dat de vervolging van Gülenisten in Turkije minder ernstig is geworden na de couppoging van 2016. Op basis van het nieuwe beleid blijft er ook voor eiseres een individualiseringsvereiste gelden. Volgens de minister staat eiseres niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten. Uit de beroepsgronden is dat ook niet gebleken. De bronnen die eiseres aanhaalt onderbouwen de individuele vrees van eiseres niet. Zij zijn ouder dan het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025. Volgens de minister is niet gebleken dat zij een familielid van een hooggeplaatst Gülenist is. Zij heeft weliswaar vaak van baan moeten wisselen, maar is steeds aan nieuw werk gekomen, ook toen de problemen van haar man al aanwezig waren. Dit laat zien dat het niet aannemelijk is dat eiseres in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat eiseres vanwege de strafrechtelijke vervolging van haar man zes keer is overgeplaatst en dat haar collega’s om diezelfde reden geen contact met haar wilden. Eiseres mocht binnen de uitoefening van haar functie als [functie] ook geen overleggen met het Turkse ministerie bijwonen. Verder staat niet ter discussie dat de echtgenoot van eiseres politieman is, er (weer) een strafrechtelijk onderzoek naar hem loopt en dat de naam van eiseres in dit strafrechtelijk onderzoek eerder is genoemd. Ook wordt geloofwaardig geacht dat eiseres in Turkije contact heeft gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft.\n\n7.1. Wat partijen verdeeld houdt, is of eiseres risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Turkije.\n\nWijziging van het beleid ten aanzien van (vermeende) Gülenisten in Turkije\n\n8. De rechtbank ziet aanleiding zich eerst te buigen over de vraag of de minister over had kunnen gaan tot de beleidswijziging op 1 december 2023. Door deze wijziging geldt niet langer dat bij het ontbreken van geringe indicaties de risico’s bij terugkeer worden beoordeeld in het licht van de “diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten”.\n\n8.1. De minister heeft er ter zitting op gewezen dat de beleidswijziging zijn oorzaak vindt in het feit dat de situatie in Turkije voor (vermeende) Gülenisten weliswaar nog steeds niet gunstig is, maar wel minder slecht dan voorheen. De minister wijst daarbij op de volgende drie aspecten. Er is een getalsmatige daling in het aantal strafrechtelijke vervolgingen van (vermeende) Gülenisten, de vervolging van (vermeende) Gülenisten is minder willekeurig dan voorheen en de rechterlijke macht kijkt strenger naar de strafrechtelijke bewijsvoering in Gülen-zaken. Ter nadere onderbouwing van de rechtmatigheid van de beleidswijziging verwijst de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026.\n\n8.2. De rechtbank ziet zich aldus meer specifiek voor de vraag gesteld of de minister deugdelijk heeft onderbouwd dat er sprake is van een verbetering in de positie van (vermeende) Gülenisten in Turkije. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank verlaat zich daarbij op de navolgende algemene landeninformatie. De rechtbank zal de drie door de minister aangedragen aspecten eerst afzonderlijk bespreken, steeds gevolgd door een tussenconclusie, en eindigen met het oordeel dat uit de landeninformatie niet volgt dat de situatie ten aanzien van (vermeende) Gülenisten beter is geworden.I. De getalsmatige daling in het aantal vervolgingen van (vermeende) Gülenisten\n\nDe intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken\n\n9. Uit de Algemene ambtsberichten Turkije van 2023 en 2025 (hierna: ambtsbericht 2023 en ambtsbericht 2025) volgt dat de intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken onverminderd groot blijft. In het ambtsbericht 2025 staat geschreven:\n\n“De Turkse autoriteiten maakten gelijk duidelijk dat hun strijd tegen de Gülenbeweging onverdroten zou doorgaan. Op 21 oktober 2024 deelde Hakan Fidan, de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, mee dat de Turkse regering niet zou verslappen in de bestrijding van de Gülenbeweging. Op dezelfde dag riep het Turkse ministerie van Defensie de volgelingen van Gülen op om zich over te geven aan de Turkse overheid. Begin november 2024 woonde president Erdoğan een topbijeenkomst bij van de Organisatie van Turkse Staten in de Kirgizische hoofdstad Bisjkek. Daar zei hij: ‘Onze strijd tegen alle vormen van terrorisme, in het bijzonder tegen FETÖ, zal ononderbroken doorgaan’.”\n\n9.1.. Uit een rapport van de Finse immigratiedienst volgt dat de Turkse minister van Defensie op 13 december 2023 een persbericht heeft doen uitgaan waarin werd aangegeven dat sinds de mislukte coup 23.971 mensen die betrokken waren bij de Gülenbeweging uit de militaire dienst zijn ontslagen. Daarin staat ook “the fight against FETÖ continues until there is not a single person affiliated with the movement among the personnel of the armed forces”\n\n9.2.. Tijdens een bijeenkomst op 15 juli 2025 ter herdenking van de militaire coup in 2016 refereerde president Erdoğan aan de Gülenbeweging als een virus dat nog niet weg is: “We defeated traitors during the 2013 probes and on July 15, but we have not yet completely removed the FETÖ virus from the body.”\n\nDe aanpak van (vermeende) Gülenisten in de praktijk\n\n10. Volgens cijfers uit juli 2023 van het Turkse Ministerie van Justitie zijn sinds de coup in 2016 bij elkaar 122.632 mensen veroordeeld voor vermeende banden met de Gülenbeweging, waarvan er op dat moment nog 12.108 in de gevangenis zaten. Tegen 67.893 mensen liep in juli 2023 nog een strafrechtelijk onderzoek inzake vermeende banden met de Gülenbeweging.Volgens cijfers van de Turkse overheid zijn in de periode 2016-2018 als gevolg van banden met de Gülenbeweging 125.678 overheidsdienaren ontslagen.\n\n10.1.. De UK Home Office schrijft dat er kritiek is op de door de Turkse overheid aangedragen cijfers. Zo geven geraadpleegde experts aan dat uit andere cijfers van de Turkse overheid blijkt dat in de periode 2016 – 2020 meer dan 265.000 mensen zijn veroordeeld voor lidmaatschap van een terroristische organisatie.De Finse immigratiedienst schrijft dat twee door hen geraadpleegde bronnen het aantal strafrechtelijke onderzoeken naar vermeende Gülenisten sinds 2016 op 2.000.000 schatten.Volgens een geraadpleegde expert zouden er bij elkaar voorts 400.000 overheidsdienaren zijn ontslagen sinds de militaire coup.\n\n10.2.. Uit de ambtsberichten 2023 en 2025 volgt dat (vermeende) Gülenisten nog steeds regelmatig op grotere of kleine schaal door de Turkse autoriteiten worden gearresteerd. Ter illustratie wordt onder andere gewezen op een door de Turkse overheid vrijgegeven overzicht van gerichte (landelijke) acties in de verslagperiode 10 januari tot 23 oktober 2023, waarbij in totaal 1.824 personen zijn aangehouden.\n\n10.3.. \n\nHuman Rights Watch schrijft in haar jaarverslag over 2024:\n\n“Thousands of people face detention, investigations and unfair trials on terrorism charges for alleged links with the movement led by deceased US-based cleric Fethullah Gülen (…). Many have faced arbitrary imprisonment with no effective remedy after mass removal from civil service jobs and the judiciary.”\n\n10.4.. In een bericht van het Turkse Ministerie van Justitie van 12 juli 2024 verklaart de minister dat er op dat moment tegen 61.769 mensen een strafrechtelijk onderzoek vanwege FETÖloopt en dat bij 23.052 mensen het proces net is begonnen.\n\n10.5.. In een rapport van 21 januari 2025 schrijft hoogleraar Vande Lanotte dat in Turkije jaarlijks nog steeds enkele duizenden Gülenisten worden vervolgd.\n\n10.6.. Uit het ambtsbericht 2025 volgt dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd ook is gaan richten op “burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun familieleden”. Deze personen worden door de Turkse overheid verdacht van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Ook hoogleraar Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’. Vande Lanotte beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.\n\n10.7.. Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructuringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülenbeweging.Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten.Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülenbeweging. Onder deze personen zitten “family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle’.”\n\n10.8.. Op basis van het onderzoek van de Finse Immigratiedienst kunnen daarnaast nog twee andere categorieën mensen in de negatieve belangstelling van de Turkse politie en justitie komen te staan. Dit betreft enerzijds het gebruik van publieke telefooncellen en treft met name militairen (de zogenoemde ‘payphone-investigations’). Volgens een geraadpleegde expert kunnen deze onderzoeken nog heel lang duren omdat er zo’n 90.000 openbare telefooncellen in Turkije zijn. Anderzijds lopen ook personen die na de coup van 2016 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt een risico op vervolging. Het gaat dan bijvoorbeeld om jongeren die op een Gülenschool hebben gezeten en van wie hun ouders banden met de Gülenbeweging wordt verweten.\n\n10.9.. Uit de landeninformatie volgt voorts dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse Immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Dit nieuwe onderzoek kan dan eveneens hun vrouwen en kinderen betreffen.Ook Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.\n\n10.10.. De UK Home Office schrijft dat de Turkse overheid actief probeert om vermeende Gülenisten uit het buitenland overgedragen te krijgen. Uit een vertrouwelijk document van de Turkse geheime dienst volgt dat Turkije aan 112 landen heeft gevraagd om de uitlevering van 1.271 Gülenleden en dat op de peildatum 13 juli 2023, 126 van hen ook daadwerkelijk aan Turkije waren overgedragen.\n\n10.11.. De Turkse overheid laat zich in haar vervolging van (vermeende) Gülenisten, tot slot, niet corrigeren door de rechterlijke macht. Zo legde de overheid een belangrijke uitspraak van het EHRMvan 26 september 2023 naast zich neer.Ook legt de overheid zich niet neer bij hen onwelgevallige uitspraken van Turkse rechters. Een terugplaatsingsbesluit van de Raad van State ten aanzien van 450 ontslagen rechters en aanklagers werd door president Erdoğan onaanvaardbaar genoemd. Naar aanleiding van deze uitspraak stelde de Raad van Rechters en Aanklagers een nieuw onderzoek in bij 387 rechters en aanklagers.\n\nDe getalsmatige daling van het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen\n\n11. Uit de Ambtsberichten van 2023 en 2025 volgt dat er sprake is van een getalsmatige daling in de aantallen strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen en gedwongen ontslagen van (vermeende) Gülenisten ten opzichte van de periode 2020. Ook de rapporten van UK Home Office en de Finse Immigratiedienst spreken van een getalsmatige daling.\n\n11.1.. Deze daling wordt door twee vertrouwelijke bronnen toegeschreven aan het feit “dat de meerderheid van (vermeende) Gülenisten inmiddels strafrechtelijk was vervolgd dan wel uitgeweken naar het buitenland”. Volgens een delegatie van de Europese Unie die Turkije heeft bezocht, is de daling het gevolg van het feit dat de meest zichtbare Gülenisten in de Turkse samenleving al waren ontslagen dan wel strafrechtelijk onderzocht en vervolgd.\n\n11.2.. UK Home Office geeft als reden voor de getalsmatige daling dat de meeste arrestaties en detenties al hebben plaatsgevonden tijdens de noodtoestand van juli 2016 tot juli 2018.De Finse immigratiedienst tekent, tot slot, op dat door hen gesproken experts de daling toeschrijven aan “an unprecedented number of people having already been arrested”, en wat betreft de gedwongen ontslagen dat “almost all the civil servants associated with the movement were dismissed under the decree laws”.\n\n11.3.. In het Ambtsbericht van 2023 wordt een vertrouwelijke bron aangehaald die een andere reden geeft voor de daling. Deze bron schrijft de daling toe aan het feit “dat de Turkse regering haar negatieve aandacht had verlegd van de Gülenbeweging naar de Koerdische beweging en de lhbtiq+ gemeenschap”.\n\n11.4.. De rechtbank stelt vast dat in de ambtsberichten van 2023 en 2025 geen met de daling corresponderende stijging van het aantal vervolgde Koerdische- en\u002Fof LHBTI+-mensen in Turkije is waar te nemen.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de getalsmatige daling van het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen.\n\n12. Gelet op de onverminderd grote negatieve aandacht en vastberadenheid van de Turkse overheid jegens de Gülenbeweging en de nog steeds overweldigende cijfers over het aantal strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen op grond van (vermeend) Gülenisme, is de rechtbank van oordeel dat de na de noodtoestand ingezette getalsmatige daling is toe te schrijven aan het getalsmatige gegeven dat inmiddels veel (vermeende) Gülenisten al zijn vervolgd dan wel Turkije zijn ontvlucht. Dit wordt niet alleen door diverse bronnen en experts aangegeven, maar is ook de conclusie van gerenommeerde entiteiten als voornoemde delegatie van de Europese Unie en UK Home Office. De rechtbank gaat dus niet mee in de mogelijkheid dat de daling het gevolg is van het verleggen van de aandacht naar andere groeperingen. Er is slechts één bron die dit naar voren brengt en uit het ambtsbericht 2023 en 2025 blijkt dat daar geen cijfermatige onderbouwing voor is gegeven. Sterker nog, uit alle hierboven aangehaalde landeninformatie blijkt dat de negatieve aandacht jegens (vermeende) Gülenisten in de loop van de tijd juist is verbreed naar nieuwe groepen, zoals mensen die (vermeende) Gülenisten in gevangenschap en\u002Fof hun familieleden (financieel) ondersteunen, het zogenoemde verboden ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging, en kinderen van Gülenisten die ten tijde van de coup nog geen 18 jaar oud waren.\n\nII. Minder willekeur in de vervolging van (vermeende) Gülenisten\n\n13. Het ambtsbericht 2025 vermeldt dat vervolgde Gülenisten uit alle geledingen van de maatschappij komen en dat mensen nog steeds relatief makkelijk kunnen worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\n13.1.. De Finse Immigratiedienst schrijft dat aan de hand van de volgende criteria iemand gelinkt kan worden aan de Gülenbeweging:\n\nhas used or downloaded the ByLock messaging application\n\nhas deposited money or possessed a bank or credit card in Bank Asya or used one of its payment terminals\n\nhas been denounced anonymously or his or her name appears in secret witness statements\n\nhas attended the Gülen movement’s religious gatherings (sohbets)\n\nhas served in an executive role or as a member in an association that has been either closed or dissolved during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement\n\nhas served in an executive role or as a member in a trade union that has been either closed or dissolved during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement\n\nhas been a shareholder, manager or employee in companies and other legal persons, including schools, universities, hospitals, media outlets, publishing houses that have been closed down or seized under the State of Emergency for their alleged ties with the Gülen movement\n\nhas subscribed to newspapers or magazines dissolved or seized during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement\n\nhas been in possession of copies of the above-mentioned newspapers or magazines or books, CDs or DVDS issued by publishing houses closed, dissolved or seized because of their alleged connections to the Gülen movement\n\nhas studied in schools or universities or resided in dormitories closed during the State of Emergency for their alleged connections to the Gülen movement or sent his or her children to these educational institutions\n\nhas travelled abroad\n\nhas followed certain accounts on social media or shared articles critical of the AKP government\n\nhas donated to relief organisations associated with the Gülen movement\n\nhas resided in hotels associated with the Gülen movement\n\nhas been found to be in possession of a one-dollar (USD) banknote\n\nhas cancelled their subscription to the digital TV platform DIGITURK after its decision to end the broadcasting of seven television channels allegedly connected to the Gülen movement\n\nhas participated in protests reacting to the Turkish government’s takeover of (Gülen movement linked) the newspaper Zaman and Samanyolu TV or made press statements protesting the government’s actions\n\nhas expressed support for the opposition parties or criticised the Turkish government for human rights violations\n\nhas been associated with the so-called “restructuring” of the Gülen movement’s structures or, in general, with assisting those associated with the movement financially or otherwise\n\nhas made consecutive calls from payphones connected to the activities of the Gülen movement’s members\n\nhas a family member who has downloaded the ByLock messaging application\n\nhas been mentioned in a ByLock correspondence without their knowing and without using the software themselves\n\nhas participated in the Gülen movement’s religious conversations and programs\n\nhas authored books published by the Gülen movement’s publishing houses and\u002For about Fethullah Gülen\n\nhas been mentioned in an intelligence report\n\nhas been in contact with people influential in the Gülen movement\n\nhas participated in a demonstration or written an article critical of the Turkish government\n\n13.2.. UK Home Office benoemt daarnaast nog de volgende criteria:\n\nPolice or secret service reports\n\nInformation received from work colleagues or from neighbours\n\nRapid promotion in the public service or military\n\n13.3.. Volgens Human Rights Watch is de vervolging van (vermeende) Gülenisten “extreem willekeurig en onvoorspelbaar” en is er geen duidelijkheid over de criteria die daarbij door de Turkse autoriteiten worden gehanteerd. Human Rights Watch vermoedt dat deze willekeur het gevolg is van niveauverschillen bij de politie en veiligheidsdiensten op lokaal niveau. In sommige districten zijn de autoriteiten eenvoudigweg goed in staat iedereen op te pakken en in andere niet.Een voor het ambtsbericht 2025 gesproken vertrouwelijke bron bevestigt de willekeur in vervolging.\n\n13.4.. Ook door de Finse Immigratiedienst gesproken bronnen benoemen de willekeur bij vervolging van vermeende Gülenisten. Zo spreekt een van de experts van een “all-pervasive sense of randomness with regard to how even a person without any ties to the movement can be subjected to investigation\".Dit laatste wordt door een andere expert beaamd: “For example, just being a friend of a convicted person can be seen as a sign of affiliation with the movement and in these cases, simply meeting a friend can be dangerous.”Weer een andere expert benoemt de normale achtergrond (ordinary background) van de mensen die door de Turkse autoriteiten zijn vervolgd voor Gülenisme. Volgens deze expert was bijna niemand van de veroordeelden op een eerder moment met justitie in aanraking gekomen.\n\n13.5.. Ondanks voorgaande willekeur zijn volgens de Finse immigratiedienst ook specifieke categorieën van (vermeende) Gülenisten aan te duiden die in de negatieve belangstelling staan van de overheid. Het gaat daarbij om:\n\noverheidsdienaren en leden van de veiligheidsdiensten;\n\nindividuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme;\n\noperaties tegen “herstructureren” van de Gülenbeweging;\n\nindividuen die betrokken zijn bij het zogenaamde “payphone investigation”;\n\nindividuen die na de coup van 2016 de leeftijd van strafrechtelijke verantwoordelijkheid hebben bereikt;\n\nmensenrechtenactivisten, mensen die het (juridisch) hebben opgenomen voor Gülenisten en critici van de Turkse overheid;\n\nzakenlieden.\n\n13.6.. Het ambtsbericht 2025 spreekt ook over een specifieke groep die in de negatieve aandacht staat. Het gaat daarbij om (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat, zoals cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbare aanklagers.Zo zijn bij de operaties die tussen 10 januari en 23 oktober 2024 plaatsvonden, in de meeste gevallen militairen, politieagenten en medewerkers van justitie opgepakt.\n\n13.7.. De Finse immigratiedienst schrijft verder dat strafrechtelijke vervolging van familieleden van (vermeende) Gülenisten nog steeds willekeurig is. Partners, kinderen, broers en zussen lopen daarbij het meeste risico.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de vraag of er sprake is van minder willekeur in de vervolging van (vermeende) Gülenisten\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat nog steeds iedereen die in verband wordt gebracht met de Gülenbeweging door de Turkse autoriteiten het risico loopt op een willekeurige verdenking en strafrechtelijke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme. De mate van willekeur manifesteert zich niet alleen bij de vraag wie de autoriteiten in het vizier hebben, maar lijkt ook verband te houden met de vraag of de lokale autoriteiten organisatorisch voldoende in staat zijn om een verdenking om te zetten in concrete vervolgingsacties. Daarnaast volgt uit de landeninformatie dat een aantal categorieën mensen in een gerichte en bijzondere negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staan. Die bijzondere aandacht kan bovengenoemde willekeur evenwel niet wegnemen. Sterker nog, de Turkse overheid laat in woord en gebaar juist zien dat het hen serieus is om iedereen die in hun ogen betrokken is bij de Gülenbeweging aan te pakken.\n\nIII. Meer bescherming door de rechterlijke autoriteiten\n\n15. De Europese Commissie schrijft in 2022 dat er serieuze zorgen zijn over de “continued deterioration of the independence of the judiciary” en dat de Turkse overheid deze zorgen niet beantwoordt.Ook schrijft de Europese Commissie dat “The serious backsliding observed since 2016 continued during the reporting period. Concerns remained, in particular the systemic lack of independence of the judiciary and undue pressure on judges and prosecutors. Particular concerns relating to the judiciary’s adherence to international and European standards increased, in particular in relation to the refusal to implement rulings by the European Court of Human Rights.”\n\n15.1.. Freedom House schrijft dat “Judicial independence has been severely compromised, as thousands of judges and prosecutors have been replaced with government loyalists since 2016 (…). The Constitutional Court has shown some independence since 2019 but is not free form political influence and often delivers rulings in line with AKP interests”\n\n15.2.. De United States State Department schrijft in haar rapport van 2022 dat “Observers noted prosecutors and courts often failed to establish sufficient evidence to sustain indictments and convictions in cases related to supporting terrorism, highlighting concerns regarding respect for due process and adherence to credible evidentiary thresholds. In numerous cases, authorities used secret evidence or witnesses to which defense attorneys and the accused had no accesss or ability to cross-examine and challenge in court, particularly in cases related to national security.”\n\n15.3.. Human Rights Watch schrijft in haar jaarrapport uit 2024 dat president Erdoğan en zijn AKP “exert strong control over the media, courts and most state institutions, regularly sidelining or punishing perceived government critics. Political divisions and power struggle within Türkiye top courts and increasing reports of corruption within the state and judiciary have further undermined human rights and the rule of law.”\n\n15.4.. Op 26 september 2023 oordeelde het EHRM dat de veroordeling van docent Yukŝel Yalçinkaya in strijd was met artikel 6, eerste lid (recht op een eerlijk proces), artikel 7 (het legaliteitsbeginsel) en artikel 11 (vrijheid van vereniging) van het EVRM.In september 2024 werd Yalçinkaya voor dezelfde feiten door een Turkse rechtbank wederom veroordeeld. Volgens Human Rights Watch met terzijde schuiving van het oordeel van het EHRM.\n\n15.5.. In het ambtsbericht 2023 wordt melding gemaakt van het feit dat er door het Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie strenger wordt toegezien op het gebruik van strafrechtelijk bewijs in zaken tegen Gülenisten.Zo heeft het Hof van Cassatie in 2021 geoordeeld dat het gebruik van ByLock alleen kan worden tegengeworpen als bewezen is dat de betrokkene de app daadwerkelijk heeft gebruikt, en niet iemand anders. Het Constitutioneel Hof heeft op 13 februari 2020 bepaald dat het hebben gehad van een rekening bij Bank Asya niet kan niet worden aangemerkt als een activiteit ten behoeve van de Gülenbeweging, tenzij er een instructie vanuit de beweging aan ten grondslag ligt. Verder oordeelde het Hof van Cassatie in januari 2022 dat alledaagse transacties via Bank Asya niet kunnen worden beschouwd als activiteiten ten behoeve van de Gülenbeweging.\n\n15.6.. Verder staat in het ambtsbericht 2025 beschreven dat voormelde eisen aan de bewijsvoering door lagere rechters niet altijd worden gevolgd.\n\n15.7.. Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat strafrechtelijke vervolgingen op basis van het gebruik van ByLock en\u002Fof Asya Bank inmiddels bijna allemaal zijn afgerond.\n\n15.8.. Verscheidene door de Finse immigratiedienst gesproken bronnen geven aan dat geheime getuigenverklaringen een belangrijk bewijsmiddel zijn in aanklachten tegen Gülenisten.Deze verklaringen kunnen afkomstig zijn van mensen die zelf verdacht werden van Gülenisme en, in ruil voor vrijlating of strafvermindering dan wel anderszins onder druk, besloten anderen te noemen (dit zijn zogenaamde “spijtoptanten”). Geheime getuigenverklaringen kunnen ook afkomstig zijn van politieagenten zelf.Volgens een delegatie van de Europese Unie die Turkije heeft bezocht worden geheime getuigenverklaringen in zaken tegen gewone burgers nog steeds gebruikt.\n\n15.9.. De Finse Immigratiedienst schrijft ook dat volgens Human Rights Watch en een door hen geraadpleegde advocaat, de Turkse rechtspraak niet eenduidig omgaat met Gülen-zaken. Bij nagenoeg hetzelfde bewijsmateriaal wordt in de ene zaak wel en de andere geen veroordeling uitgesproken.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de vraag of de rechterlijke autoriteiten meer bescherming biedt.\n\n16. Uit de landeninformatie volgt dat de rechterlijke macht meegaat in strafrechtelijke vervolgingen van (vermeende) Gülenisten. Tegen het politiek vervolgen van (vermeende) Gülenisten an sich wordt dan ook geen rechtsbescherming geboden. Ook heeft de rechterlijke macht het uitgangspunt van gedwongen ontslagen op grond van (vermeend) Gülenisme in stand gelaten.\n\n16.1.. Weliswaar volgt uit het ambtsbericht 2023 dat het Hof van Cassatie en het Constitutioneel Hof strengere eisen stellen aan het strafrechtelijk bewijs ten aanzien van het gebruik van ByLock of Asya Bank, maar uit de landeninformatie blijkt ook dat deze eisen niet altijd door lagere rechters worden gevolgd. Bovendien tast deze aanscherping de vervolging op basis van (vermeend) Gülenisme niet aan en blijven er vele andere bewijsmiddelen over (zie onder 13.1.), waaronder de geheime getuigenverklaringen. De ‘verbetering’ in rechterlijke bescherming, althans zo begrijpt de rechtbank de minister, ziet de rechtbank dan ook niet als een werkelijke verbetering en beschermt in de kern ook niet tegen politieke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme an sich.\n\nIs de situatie ten aanzien van (vermeende) Gülenisten in Turkije minder slecht geworden?\n\n17. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de negatieve aandacht van de Turkse overheid voor (vermeende) Gülenisten nog onverminderd groot is en dat deze zich in de loop van de jaren heeft uitgebreid naar nieuwe categorieën die op de radar zijn komen te staan van de Turkse autoriteiten. De getalsmatige daling in het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen is het gevolg van het feit dat veel (vermeende) Gülenisten al zijn vervolgd dan wel Turkije zijn ontvlucht. De vervolging is nog steeds willekeurig, waarbij een aantal groepen extra kans lopen op negatieve aandacht. De rechterlijke macht biedt tegen politieke vervolgingen wegens Gülenisme an sich geen bescherming. De extra waarborgen ten aanzien van het strafrechtelijk bewijs inzake Bylock en Bank Asya zijn bovendien marginaal. Hierbij valt overigens niet uit te sluiten dat het grootste deel van de dossiers waarin ByLock en Bank Asya als initieel bewijsmiddel figureren, inmiddels is afgehandeld.\n\n17.1.. Anders dan de minister komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van een minder slecht beeld voor Gülenisten dan voorheen. Dat de negatieve aandacht een aantal categorieën mensen extra treft – in zoverre is het beeld minder diffuus geworden – maakt het voorgaande niet anders. Deze mensen lopen extra gevaar, alle andere mensen gaan nog steeds gebukt onder dezelfde willekeur.\n\n17.2.. De wijziging van het beleid mist dan ook een deugdelijke motivering. Nu het bestreden besluit op die wijziging is gebaseerd, mist ook het besluit een deugdelijke motivering. Dit klemt temeer nu de minister onder het oude beleid asielaanvragen van (vermeende) Gülenisten in de regel inwilligde, ook bij het ontbreken van geringe indicaties.Het beroep is dan ook gegrond.\n\nDe op eiseres toegesneden motivering in het bestreden besluit\n\n18. De rechtbank is zich bewust van de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 waar ten aanzien van de wijziging van het beleid tot een ander oordeel wordt gekomen.De rechtbank houdt er dan ook rekening mee dat de minister tegen deze uitspraak in hoger beroep zal willen gaan.\n\n18.1.. De rechtbank hecht er daarom aan voorts nog het navolgende te overwegen nu ook de individuele beslissing gebaseerd op het nieuwe beleid gebreken kent.\n\n18.2.. De rechtbank herhaalt daarom kort hetgeen eiseres aan haar individuele asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Uit het door de minister geloofwaardig geachte asielrelaas komt naar voren dat eiseres de echtgenote is van een politieagent, die bij decreet is ontslagen in verband met banden met de Gülenbeweging. Ook is de echtgenoot (wederom) onderwerp van strafrechtelijk onderzoek in verband met de verdenking van banden met de Gülenbeweging. Als gevolg van het ontslag van de echtgenoot is eiseres door haar werkgever, [werkgever] , zes keer overgeplaatst. Er is ook strafrechtelijk onderzoek gedaan naar eiseres. Eiseres heeft contacten gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft.\n\n18.3.. Eiseres vreest voor negatieve aandacht van de overheid bij terugkeer naar Turkije. Zij is bang te worden beschuldigd van herstructurering.Ook is eiseres bang als echtgenote van een Gülenist en lid van de Gülenbeweging te worden gezien. Zij vreest bij terugkeer een strafrechtelijke vervolging. Dat zij niet eerder strafrechtelijk is vervolgd, maakt dit niet anders aldus eiseres.\n\n19. De minister dient het asielrelaas en de vrees van eiseres af te zetten tegen wat algemeen bekend is over de situatie van (vermeende) Gülenisten zoals hierboven is weergegeven onder 9. – 11.4, 13. – 13.7 en 15. – 15.9. Dat heeft de minister onvoldoende kenbaar gedaan. De minister had het asielrelaas en de vrees voorts ook in het licht van zijn eigen beleid dienen te beoordelen, te weten dat (vermeende) Gülenisten vanaf 1 juli 2024 zijn aangewezen als risicoprofiel. Uit het bestreden besluit volgt onvoldoende dat de minister dit toetsingskader heeft gevolgd.\n\n20. De rechtbank merkt voorts op dat de minister nader dient te onderzoeken wat het risico bij terugkeer is nu eiseres de echtgenote is van een politieagent die ontslagen is in verband met- en thans weer strafrechtelijk onderzocht wordt voor banden met de Gülenbeweging.\n\n20.1.. Dat volgens de minister, zoals in het verweerschrift onder verwijzing naar het ambtsbericht 2025 is geschreven, niet is gebleken dat de echtgenoot een hooggeplaatste Gülenist is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing dat eiseres als echtgenote geen risico zal lopen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, meer specifiek r.o. 5.1 en 5.2. Hieruit volgt, kort gezegd, dat onduidelijk is wat onder ‘hooggeplaatste’ Gülenisten moet worden verstaan en dat niet is uitgesloten dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen.\n\n20.2.. De rechtbank voegt daaraan toe dat ook UK Home Office geen onderscheid maakt tussen familieleden van hooggeplaatste of niet-hooggeplaatste Gülenisten. Volgens dit rapport is het enkel zijn van familielid van een Gülenist voldoende als risicofactor voor vervolging.De Finse immigratiedienst schrijft voorts dat juist echtgenotes en kinderen doelwit zijn. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft verder aan dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om verschillende familieleden van een Gülenist op willekeurige wijze te vervolgen. Een uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over de erkenning van het concept “connection (iltisak) to a terrorist organisation” heeft deze willekeur volgens deze expert in de hand gewerkt nu het niet duidelijk is wat deze term inhoudt.\n\n20.3.. Dat eiseres niet eerder problemen heeft ervaren met de autoriteiten, zoals in het bestreden besluit en het verweerschrift wordt gesteld, kan zonder nadere motivering evenmin worden gevolgd. Weliswaar heeft eiseres dit tijdens het nader gehoor zo verteld maar gelet op de context van het nader gehoor is het daarbij gegaan om de strafrechtelijke vervolging door de overheid. Als overheidsdienaar heeft eiseres wel degelijk negatieve gevolgen ondervonden. Zij is zes keer overgeplaatst in de periode 2019-2023. Anders dan het bestreden besluit stelt, is er vanuit de overheid jegens eiseres dus wel sprake van toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\n20.4.. Voor zover de minister overigens geen negatieve aandacht in dit verband heeft aangenomen omdat eiseres niet is ontslagen, merkt de rechtbank op dat dit niet nader is onderbouwd. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft aan dat “Family members of people convicted due to their alleged association with the Gülen movement have been discriminated against. Relatives working in the public sector might have lost out on a promotion (…).”. Hieruit volgt dus niet dat enkel bij ontslag sprake is van negatieve aandacht.\n\n21. De rechtbank merkt, tot slot, op dat het bestreden besluit van eiseres niet vooraf is gegaan door een voornemen. Daarmee is het onderzoek in de zaak van eiseres onvoldoende zorgvuldig verlopen.\n\n22. Het beroep is ook om bovenstaande redenen gegrond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginselen het motiveringsbeginsel. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Het is eerst aan de minister om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van het voorgaande. De minister krijgt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n24. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:13599.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:17345.\n\n WBV 2024\u002F23, Stcrt. 2023, nr. 30427.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1607.\n\n AAB Turkije 2025, p. 46.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 1.\n\n Turkish Minute, 16 juli 2025 Erdoğan calls Gülen movement a 'virus Turkey has not yet removed' - Turkish Minute.\n\n UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Idem.\n\n Idem.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’ juni 2024, p. 6.\n\n Idem, p. 9.\n\n AAB Turkije 2023, p. 44 en AAB Turkije 2025, p. 46.\n\n AAB Turkije 2025, p. 47\u002F48.\n\n Human Rights Watch, Türkiye Events of 2024.\n\n Synoniem voor Gülenbweging.\n\n Bijlage bij het AAB Turkije 2025, p. 29.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n AAB Turkije 2025, p. 49.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet on-line kunnen vinden.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 14.\n\n Idem.\n\n Idem, p. 15.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 16, 17 en 18.\n\n Idem, p. 11 en 12.\n\n Idem, p. 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Europese Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n AAB Turkije 2025, p. 51. Zie verder onder r.o. 15.4.\n\n Idem.\n\n AAB Turkije 2023, p. 44.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 7.\n\n UK Home Office, Country policy and information note: Turkey - Gülenists, Octobre 2023, p. 8 en 19.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8 en 9.\n\n AAB Turkije 2023, p. 44.\n\n AAB Turkije 2025, p. 49.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 22-24.\n\n UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8.\n\n AAB Turkije 2025, p. 50.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8.\n\n Idem.\n\n Idem.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n AAB Turkije 2025, p. 49.\n\n Idem.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 41 en 42.\n\n Europese Commissie, Turkey 2022 Report, p. 5.\n\n Idem, p. 5 en 6.\n\n Freedom House, ‘Freedom in the World 2023’, sectie F1.\n\n USDD ‘2022 Country Reports on Human Rights: Turkey’, sectie 1E en UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Idem.\n\n EHRM, nr. 15669\u002F20, ECLI:CE:EHCR:2023:0926JUD001566920.\n\n Human Rights Watch, ‘Türkiye, Events of 2024’.\n\n AAB Turkije 2023, p. 45.\n\n AAB 2025, p. 51.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 25 en 26.\n\n Idem p. 27.\n\n Idem p. 26- 28.\n\n Idem p. 29.\n\n Idem p. 27.\n\n Idem p. 45 en 46.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 5.6.\n\n ECLI:N:RVS:2026:1607, r.o. 7.7.\n\n Idem.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1743.\n\n Rapport UK Home Office, okt. 2023 p. 8.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 41.\n\n Idem p. 42.\n\n Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 3:46 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14790","2026-06-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.293Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":96},"824","ECLI:NL:RBDHA:2026:18578","ecli-nl-rbdha-2026-18578","2026-05-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.9718 (beroep)\n\nNL26.9719 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989, van Egyptische nationaliteit, eiser\u002Fverzoeker, hierna te noemen: eiser\n\n(gemachtigde: mr. D. van Elp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft verklaard dat hij Egypte heeft verlaten voor een betere toekomst voor zichzelf en zijn kinderen. Bij terugkeer vreest eiser voor bendes die hij zou kunnen tegenkomen tijdens zijn werkzaamheden als archeologisch inspecteur.\n\nBesluitvorming\n\n5. De minister heeft het volgende asielmotief onderscheiden:\n\n 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.\n\n5.1.. De minister acht eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat eiser uit Egypte komt is echter niet genoeg voor een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij door de sociaaleconomische omstandigheden bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade. Niet is gebleken van een ‘minimum level of severity’. Eiser heeft daarnaast zijn vrees voor bendes niet aannemelijk gemaakt, nu hij heeft verklaard dat hij nooit eerder dergelijke bendes is tegengekomen tijdens zijn werkzaamheden. Ook werpt de minister in dit verband tegen dat eiser heeft verklaard dat hij niet van plan was om een asielaanvraag in te dienen.\n\n5.2.. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser de aanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen, en omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.\n\nStandpunt eiser\n\n6. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de minister ten onrechte zijn vrees voor problemen met bendes niet als asielmotief heeft aangemerkt. Dit is onzorgvuldig omdat de beoordeling in het kader van het Vluchtelingenverdragen artikel 3 van het EVRMeen ander gezicht krijgt, wanneer die vrees geloofwaardig wordt geacht.\n\n6.1.. Daarnaast voert eiser aan, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 september 2025, dat de beoordeling onder artikel 3 van het EVRM niet toereikend is. De minister heeft in het bestreden besluit de aangevoerde omstandigheden van eiser onvoldoende beoordeeld en onvoldoende onderzoek gedaan naar deze omstandigheden. In het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat het leven van zijn kinderen met de dood wordt bedreigd vanwege armoede. In het nader gehoor heeft hij verklaard dat zijn kinderen niet naar de arts en naar school kunnen. Hij heeft verklaard dat het heel moeilijk is om een andere baan te krijgen. Hij wil zijn gezin redden van de armoede. In het nader gehoor is niet verder ingegaan op de vraag of zijn kinderen basisvoorzieningen hebben. Eiser wijst op verschillende nieuwsberichten waaruit volgt dat de economische situatie in Egypte al jaren problematisch is en armoede een blijvend probleem is.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat de vrees voor problemen met bendes in het voornemen niet als asielmotief is beoordeeld, niet betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is. In het bestreden besluit heeft de minister erkend dat hij de vrees van eiser voor problemen met bendes formeel als asielmotief had moeten aanmerken, maar is de vrees wel meegenomen bij de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade.\n\nTijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat, zelfs als de vrees voor bendes geloofwaardig zou worden geacht, deze niet voldoet aan de vereiste zwaarwegendheid welke in het besluit onder artikel 3 van het EVRM is getoetst. De rechtbank acht de toetsing van het asielrelaas op deze wijze niet onjuist. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.1.. Ten aanzien van de sociaaleconomische situatie in Egypte, overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van het EHRMvolgt dat, om binnen de reikwijdte van de bescherming van artikel 3 van het EVRM te vallen, de gevreesde behandeling een ‘minimum level of severity’moet bereiken. Uit het arrest Sufi en Elmivolgt dat als erbarmelijke humanitaire omstandigheden uitsluitend of zelfs hoofdzakelijk te wijten zijn aan armoede er slechts sprake zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verder volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een land waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in het land waar hij thans verblijft, onvoldoende is om te oordelen dat artikel 3 van het EVRM in dat geval zal worden geschonden. Artikel 3 van het EVRM verplicht in zijn algemeenheid de lidstaten ook niet te waarborgen dat eenieder binnen de jurisdictie van een lidstaat onderdak heeft of financiële ondersteuning ontvangt waarmee een bepaalde levensstandaard kan worden gewaarborgd.\n\n7.2.. Met de enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij en zijn gezin bij terugkeer niet kunnen rondkomen, zij geen toegang tot de gezondheidszorg hebben en eisers kinderen niet naar school kunnen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in een situatie zal belanden die het vereiste ‘minimum level of severity’ bereikt. De door eiser overgelegde artikelen bieden daarvoor evenmin steun, nu niet inzichtelijk is gemaakt hoe deze betrekking hebben op zijn persoonlijke situatie. Zo verwijst eiser naar een nieuwsartikel van Al Jazeera, waarin wordt beschreven dat er de afgelopen jaren investeringen in Egypte zijn gedaan, maar dat het platteland daarbij achterblijft, het leven daar duurder is geworden en van boeren niet kan worden verwacht dat zij naar de stad trekken. Eiser heeft echter niet gesteld dat hij boer is of dat deze omstandigheden op hem van toepassing zijn. Uit het artikel van Human Rights Watch volgt weliswaar dat het recht op onderwijs onder druk staat door beperkte begrotingsmiddelen en dat de kwaliteit van het onderwijs tekortschiet, maar daaruit blijkt niet dat onderwijs voor eisers kinderen ontoegankelijk of onbetaalbaar is. Uit het artikel volgt dat onderwijs tussen de 5 en 10 dollar per jaar kost en soms voor lage inkomens wordt kwijtgescholden. Ten slotte blijkt uit het rapport van UNICEF dat in 2022 circa 21 procent van de Egyptische bevolking in multidimensionale armoede leefde, waarbij dit percentage hoger ligt op het platteland dan in stedelijke gebieden. Eiser heeft echter niet onderbouwd waarom hij tot deze groep zou behoren. Gelet hierop biedt het betoog van eiser geen concrete aanknopingspunten voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarmee ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n9. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL26.9718:\n\n- verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL26.9719:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Artikel 30b, eerste lid en onder f en h, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:16847.\n\n Aljazeera, “Egypt’s economy stabilises, but poverty challenges persist”, 5 december 2025\n\n\u003Chttps:\u002F\u002Fwww.aljazeera.com\u002Feconomy\u002F2025\u002F12\u002F5\u002Fegypts-economy-stabilises-but-poverty-challenges-persist#:~:text=Investments%20boost%20Egypt's%20economy%2C%20but,Add%20Al%20J> ;\n\nHuman Rights Watch, “Egypt: Declining Funding Undermines Education”, 22 september 2024\n\n\u003Chttps:\u002F\u002Fwww.hrw.org\u002Fnews\u002F2025\u002F01\u002F27\u002Fegypt-declining-funding-undermines-education#:~:text=The%20World%20Bank%20estimates%20that,and%20providing%20eveni>;\n\nUnicef, “Multidimensional poverty in Egypt: an in-depth analysis”, December 2024,\n\n\u003Chttps:\u002F\u002Fwww.unicef.org\u002Fegypt\u002Freports\u002Fmultidimensional-poverty-egypt-depth-analysis>.\n\n Europese Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n Zie onder meer het arrest Sufi en Elmi van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n Vergelijk de beslissing van het EHRM van 2 april 2013, Mohammed Hussein tegen Nederland en Italië, ECLI:CE:ECHR:2013:0402DEC002772510.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18578","2026-07-13T00:28:49.868Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":101,"fullText":102,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":104},"789","ECLI:NL:RBDHA:2026:18571","ecli-nl-rbdha-2026-18571","2026-03-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.46913 (beroep)\n\n NL25.46914 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiser]¸\n\ngeboren op [geboortedag] 1977, van Marokkaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. L. Ludwig).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 19 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn verschenen en vertegenwoordigd door voornoemd gemachtigden.\n\nNa afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nOverwegingen\n\nAsielrelaas\n\n1. Eiser verblijft sinds 1999 illegaal in Nederland. Hij heeft op 13 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en daar het volgende relaas aan ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij problemen heeft gekregen met zijn oom na het overlijden van zijn vader in 2012, toen eiser erachter kwam dat zijn oom alle bezittingen van eisers vader op zijn naam heeft gezet en er voor eiser geen erfenis meer was. Eisers oom heeft gedreigd dat wanneer eiser terugkeert naar Marokko hij wordt vastgezet.\n\nBesluitvorming\n\n2. Volgens de minister bestaat het relaas uit de volgende asielmotieven:\n\n 1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n 2. eisers problemen met zijn oom.\n\n2.1.. De minister acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft verklaard dat zijn paspoort in 1999 is kwijtgeraakt omdat zijn broer het heeft weggegooid, maar heeft nagelaten aangifte te doen of een nieuw paspoort aan te vragen. Ook heeft eiser bij zijn ex-vrouw in Nederland een identiteitskaart en geboorteakte liggen, maar heeft geen geldige verklaring gegeven waarom hij geen moeite heeft gedaan om deze documenten op te halen. De minister werpt hierbij aan eiser tegen dat eiser pas dertien jaar na de problemen met zijn oom asiel heeft aangevraagd. De minister acht eisers problemen met zijn oom niet geloofwaardig. Eiser heeft na het overlijden van zijn vader drie keer contact gehad met zijn oom, maar uit dit contact is niet gebleken dat eisers oom hem op dit moment nog zoekt. Dat eisers oom hem zou laten arresteren is enkel gebaseerd op verklaringen van derden. Ook ziet de minister niet in waarom, nu de oom de volledige erfenis heeft gekregen. De oom van eiser had gelet op zijn connecties er voor kunnen zorgen dat eiser officieel gesignaleerd zou zijn bij de Marokkaanse autoriteiten, maar is dit niet het geval. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt hoe zijn oom op de hoogte zal raken van eisers terugkeer.\n\n2.2.. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.\n\nStandpunt eiser\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser loopt bij terugkeer een risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM\u002F artikel 4 van het Handvest. Hij kan in Marokko geen bescherming krijgen tegen zijn oom. Marokko is een land van klassenjustitie, dat geen bescherming biedt aan eiser als arme man zonder connecties. Voort stelt eiser dat zijn identiteit ten onrechte niet geloofwaardig is geacht. Van het verlies van zijn paspoort in 1999 heeft hij geen aangifte gedaan omdat hij zich illegaal in Nederland bevond en bevreesd was voor uitzetting. Ook durft hij de andere identificerende documenten niet bij zijn ex-vrouw op te halen, nu zij hem heeft gedreigd meteen te zullen aangeven indien hij weer bij haar aanklopt. Het besluit is daarmee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.\n\n3.1.. In strijd met het bepaalde in artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 8 van het EVRM niet noopt tot het verlenen van een reguliere vergunning. Eiser bevindt zich ruim 25 jaar in Nederland. Hij heeft in dit land altijd gewerkt, zonder ooit een beroep te doen op de sociale voorzieningen. Hij heeft geen banden met Marokko, uitzetting zou voor hem een leven in armoede betekenen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij zijn identiteit niet met identificerende documenten heeft onderbouwd. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond een herhaling is van wat eiser al in de zienswijze heeft aangevoerd en waar de minister in zijn besluitvorming reeds gemotiveerd op is ingegaan. De minister heeft terecht tegengeworpen dat eiser hiermee geen verschonende verklaring heeft gegeven voor waarom hij geen identificerende documenten heeft overgelegd. De verklaring van eiser dat hij in 1999 vanwege zijn illegaliteit vreesde voor uitzetting en daarom geen nieuw paspoort heeft aangevraagd, is daartoe onvoldoende. Eiser was namelijk ook in het bezit van andere identificerende documenten, maar de rechtbank ziet met de minister niet in waarom en met welke reden zijn ex-vrouw, eiser zou willen aangeven. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Voorts overweegt de rechtbank dat eiser zijn beroepsgrond, dat hij bij terugkeer naar Marokko een risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, ook niet slaagt. De problemen met eiser zijn oom zijn namelijk niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft daar geen beroepsgronden tegen aangevoerd.\n\n6. De rechtbank overweegt voorts dat de minister in dit geval niet gehouden was om ambtshalve te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. In de artikelen 3.6a, eerste lid, 3.6b en 3.6ba, eerste lid, van het Vb 2000staan de gevallen waarin de minister bij een afgewezen asielaanvraag ambtshalve beoordeelt of eiser een verblijfsrecht ontleent aan reguliere verblijfsgronden. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM niet ambtshalve kan worden verleend als de asielaanvraag niet binnen zes maanden na inreis in Nederland is ingediend. Dit staat in artikel 3.6a, derde lid, van het Vb 2000. Hier dient eiser een aparte aanvraag voor in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.\n\n8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n9. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18571","2026-07-13T00:28:48.094Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":109,"fullText":110,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":34,"updatedAt":112},"1426","ECLI:NL:RBDHA:2026:17922","ecli-nl-rbdha-2026-17922","2026-02-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.44017\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2005, van Syrische nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. K. Ross),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie verweerder\n\n(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 11 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 23 juni 2025 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.\n\nOp 11 september 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Op dezelfde datum heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening ertoe strekkende dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. Op 22 januari 2026is het verzoek door de voorzieningenrechter toegewezen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Driessen-Yousef in de taal Arabisch (Syrisch-Libanees). De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\nAchtergrond\n\n1. Eiser heeft in maart 2014 Syrië verlaten en is naar Turkije gereisd. Eiser heeft Turkije op 20 juli 2024 verlaten en is toen naar Bulgarije gereisd. Daarna is eiser naar Duitsland gereisd. Eiser is op 23 juni 2025 Nederland ingereisd.\n\nBesluitvorming\n\n2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Verweerder heeft dit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 6 augustus 2024 in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 30 juli 2025 de autoriteiten van Bulgarije verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, Dublinverordening. Op 4 augustus 2025 zijn de Bulgaarse autoriteiten van hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid onder c, Dublinverordening.\n\nAanmeldgehoor\n\n3. Eiser voert aan dat het aanmeldgehoor niet zorgvuldig is geweest en hij daardoor in zijn belangen is geschaad. Ten onrechte is er niet doorgevraagd naar eisers bezwaren. Zo is de hoormedewerker helemaal niet ingegaan op het feit dat eiser eerder al een keer is uitgezet naar Bulgarije door Roemenië, nadat hij vanuit Bulgarije was vertrokken.\n\n3.1.. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van onzorgvuldigheid doordat verweerder onvoldoende zou hebben doorgevraagd tijdens het aanmeldgehoor. De rechtbank is het met verweerder eens dat eiser namelijk voldoende gelegenheid heeft gehad tijdens het gehoor, de correcties en aanvullingen en de zienswijze, om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Bulgarije kenbaar te maken. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat eiser niet in zijn belangen is geschaad.\n\nStandaardvoornemen\n\n4. Verder voert eiser aan dat ten onrechte een standaardvoornemen is uitgebracht. Verweerder heeft nagelaten om concreet te vermelden welke specifieke verklaringen en omstandigheden in zijn beoordeling zijn meegenomen.\n\n4.1.. De rechtbank overweegt over het standaardvoornemen als volgt. Uit de uitspraak van de Afdelingvan 23 november 2023volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen gestandaardiseerde overwegingen bevat, betekent niet dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. De rechtbank overweegt dat in het voornemen voldoende duidelijk is uiteengezet dat, en op grond waarvan, Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Aangezien het bestreden besluit uitgebreider is gemotiveerd dan het voornemen en in het bestreden besluit is ingegaan op de door eiser in het aanmeldgehoor aangevoerde omstandigheden, bestaat er geen grond voor het oordeel dat er sprake is van onzorgvuldigheid.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n5. Eiser betoogt verder dat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hiervoor heeft eiser verwezen naar het rapport Matteo van 29 januari 2025, een artikel van Pro Asylum van 19 maart 2025, het AIDA-rapport van maart 2025, en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van\n\n11 augustus 2025. Eiser wijst er op dat de Afdeling zich nog niet heeft uitgelaten over pagina 86 van het AIDA-rapport waaruit volgt dat de toestand van de opvangfaciliteiten sinds 2015 ieder jaar slecht wordt, dat ieder jaar weer delen van de opvang als onbruikbaar worden aangemerkt, dat de opvangcapaciteit afneemt en dat er niet voldoende financiële middelen zijn voor verbetering hiervan. Volgens eiser is klagen bij de autoriteiten in Bulgarije niet mogelijk. Eiser stelt dat verweerder in strijd met de samenwerkingsverplichting aan eiser tegenwerpt dat hij niet heeft onderbouwd dat hij van Roemenië aan Bulgarije is overgedragen. Verweerder heeft toegang tot deze informatie en had dan ook nader onderzoek kunnen doen.\n\n5.1.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 juni 2024met betrekking tot de AIDA-rapporten over 2022 en 2023, voor zover die voor Dublinclaimanten van belang zijn, geoordeeld dat uit die rapporten niet blijkt dat verweerder ten aanzien van Bulgarije niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarbij heeft de Afdeling de zorgen over de pushbackpraktijken, de toegang tot en de situatie in de opvangcentra, de omstandigheden in detentiecentra en de toegang tot rechtsbijstand betrokken. Eiser heeft niet met recente informatie onderbouwd dat de beoordeling zoals in voornoemde uitspraak niet meer juist is. De verwijzing naar het AIDA-rapport van 27 maart 2025 (update 2024) leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 26 mei 2025, 6 oktober 2025, 17 november 2025en 16 januari 2026waarin het AIDA-rapport (update 2024) is betrokken. De Afdeling heeft in deze uitspraken bevestigd dat uit het AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024) geen wezenlijk ander beeld blijkt van de opvangsituatie in Bulgarije voor Dublinterugkeerders, dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten (update 2023 en update 2022). Met de verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2024) heeft eiser dus niet aannemelijk gemaakt dat in Bulgarije sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure, waardoor niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daar komt bij dat Bulgarije het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en hierbij garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eiser in Bulgarije wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag ligt het op zijn weg om hierover bij de Bulgaarse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Bulgaarse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.\n\nBijzondere kwetsbaarheid\n\n6. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij dient te worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar. Hij heeft last van psychische problematiek. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een stuk overgelegd van Kleur GGZ van 29 januari 2026 en een uitdraai van zijn patiëntendossier. Hieruit volgt dat sprake is van depressie en suïcidaliteit. Bij eiser is de diagnose posttraumatische stressstoornis vastgesteld. Hij krijgt momenteel medicatie, Quetiapine 12,5 mg. De benodigde behandeling psychotherapie is voor eiser niet beschikbaar in Bulgarije. Dit blijkt volgens eiser uit het AIDA-rapport maart 2025, pagina’s 60 en 108. Ook volgt uit informatie van de European Medicines Agency van 14 oktober 2025 dat er een tekort is aan het medicijn Quetiapine in Bulgarije.\n\n6.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat bij eiser sprake is van een zodanig bijzondere kwetsbaarheid dat verweerder ondanks het bestaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel toch voorafgaand aan de overdracht individuele garanties moet vragen aan Bulgarije. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken blijkt dat de medische klachten niet gelinkt zijn aan eisers overdracht aan Bulgarije, maar aan zijn verleden in Turkije en Syrië. Het is verder uit de aangehaalde informatie niet gebleken dat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het uitgangspunt kan worden uitgegaan, dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en dat die ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat uit de informatie van de European Medicines Agency blijkt dat het tekort niet geldt voor de dosering die eiser nodig heeft. Daarnaast heeft verweerder verwezen naar zijn werkwijze, in overeenstemming met artikel 32 van de Dublinverordening, waarmee hij met toestemming van eiser medische informatie aan de Bulgaarse autoriteiten kan verzenden over de bijzondere behoeften van eiser.\n\nArtikel 17 van de Dublinverordening\n\n7. Eiser doet voorts een beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening en stelt dat overdracht aan Bulgarije door verweerder getuigt van onevenredige hardheid. Eiser heeft in dit verband verwezen naar voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 26 november 2024, waarin sprake is van een vergelijkbaar geval waarbij toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft verklaard dat zijn voeten verwond en bloedend waren en dat hij maagklachten had in Bulgarije. Eiser heeft twaalf dagen in een gesloten opvang gezeten, waar hij soms geen eten kreeg en geen medische zorg kreeg. Zijn voeten raakten ontstoken en er kwamen wormen uit. Ook heeft eiser verklaard dat hij al een keer eerder is uitgezet naar Bulgarije door Roemenië en toen een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar opgelegd heeft gekregen. Ook heeft eiser verklaard dat hij problemen heeft met zijn reisagenten in Sofia.\n\n7.1.. Uitgaande van de terughoudende toetsing is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat in dit geval geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Bulgarije vanwege onevenredige hardheid. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij dusdanig getraumatiseerd is door hetgeen dat hem in Bulgarije is overkomen dat van hem redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij naar Bulgarije terugkeert. Verweerder heeft in de persoonlijke ervaringen van eiser dan ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\n Zaaknummer: NL25.44018.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:4348.\n\n Asylum Information Database.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:15059.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2647.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2387.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:4765.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5536.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:253.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:19620.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17922","2026-07-13T00:29:20.568Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":117,"fullText":118,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":34,"updatedAt":120},"1397","ECLI:NL:RBDHA:2026:17914","ecli-nl-rbdha-2026-17914","2026-01-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.44018\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2005, van Syrische nationaliteit, verzoeker,\n\n(gemachtigde: mr. K. Ross)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n1.1.. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist.\n\n1.2.. \n\nDe minister heeft op 11 december 2025 de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening met voorrang te behandelen, omdat de overdrachtstermijn op\n\n4 februari 2026, terwijl de behandeling van het beroep staat gepland op 3 februari 2026.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.\n\n2.1.. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening.Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoeker dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoeker niet kan worden behandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker om zijn beroep in Nederland te mogen afwachten groter is dan het belang van de minister om verzoeker op korte termijn te kunnen overdragen aan Bulgarije. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Bulgarije voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.\n\n- veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten van € 907,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van\n\nmr. I.I. Mooij, griffier.\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep op verzet open.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verordening (EU) 604\u002F2013.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17914","2026-07-13T00:29:19.574Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":125,"fullText":126,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":128,"parsedAt":34,"updatedAt":129},"961","ECLI:NL:RBDHA:2025:27281","ecli-nl-rbdha-2025-27281","2025-11-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.15358\n\nV-nummer: [v-nummer]uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1995, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. Bij besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025, gelijktijdig maar niet gevoegd met het beroep van eisers partner, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon 1] (de partner van eiser), E. Taskin als tolk in de Turkse taal, en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag. Eiser is sinds zijn jeugd actief voor [partij 1]door middel van activiteiten en protesten. Tijdens zijn studie moest hij vanwege conflicten tussen linkse en rechtse studenten van universiteit wisselen, waarbij hij ook vanwege zijn Koerdische achtergrond werd bedreigd. Daarnaast kreeg hij problemen met de politie vanwege zijn deelname aan demonstraties. Na zijn studie is eiser gaan werken als stedelijk planner voor een bedrijf dat onder de orde van Stedelijke Planning viel. De burgemeester was in die tijd vervangen door een curator en eiser merkte dat in een rapport berekeningen van bevolkingsaantallen niet klopten en dat zakenmensen steekpenningen konden betalen om winst te halen. Eiser heeft deze onregelmatigheden gemeld aan de orde. Eiser is hierdoor door ene [persoon 2] , een afdelingshoofd bij de gemeente, met de dood bedreigd. Eiser denkt dat [persoon 3] , het hoofd van de orde van Stedelijke Planning, eisers naam heeft genoemd bij [persoon 2] . Eisers werkgever en de vader van eiser, tevens ambtenaar, zijn ook bedreigd vanwege het feit dat eiser onregelmatigheden kenbaar heeft gemaakt. Eiser heeft daarop het land verlaten. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser dat de curator nog achter hem aanzit.\n\nDocumenten\n\n5. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag de volgende documenten ten grondslag gelegd:\n\nUittreksel uit het woonregister;\n\nUittreksel uit het bevolkingsregister;\n\nEen antecedentenverklaring;\n\nBewijs van afronding lyceum;\n\nBewijs van afstuderen aan de universiteit;\n\nDocument over arbeidsverleden;\n\nDocument over lidmaatschap HDP 2023\u002F2;\n\nBewijsstuk wisselen van universiteit;\n\nAlgemeen nieuwsbericht over bedreiging aan linkse studenten;\n\nNieuwsbericht over aanval op studenten;\n\nOverzicht van de inschrijving bij de Orde van de Stedelijke Planning;\n\nBewijsstuk waaruit blijkt dat het eerste stedelijk plan is ingediend;\n\nEerste en laatste pagina van het stedelijk plan;\n\nBewijsstuk over een persconferentie;\n\nStuk over aanstelling leidinggevende functie bij ander bedrijf;\n\nArtikel over een persconferentie;\n\nBrief van een vriend van eiser;\n\nNieuwsbericht over de ongeldigverklaring van het oude plan door de rechtbank;\n\nDocument over het nieuwe rapport van het stedelijk plan;\n\nBrief van vader van eiser;\n\nScreenshot van een whatsappgesprek met een collega;\n\nStuk over persvoorlichting over onrechtmatigheden verricht door curator;\n\nBericht van DEMNED van 20 februari 2025.\n\n5.1.. In beroep heeft eiser nog een verklaring overgelegd waarin hij de gang van zaken rond het planologisch rapport toelicht en een artikel van het Haarlems Dagblad met de titel ‘Protest tegen komst omstreden Turkse sjeik naar Badhoevedorp: slaande ruzie binnen machtige moslimgemeenschap om ‘verdwenen miljoenen” van 6 oktober 2025.\n\nHet bestreden besluit\n\n6. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nLidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] ;\n\nProblemen door werkzaamheden;\n\nProblemen wegens Koerdische afkomst;\n\nDe militaire dienstplicht.\n\n6.1.. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, evenals de problemen vanwege zijn Koerdische afkomst en de militaire dienstplicht geloofwaardig. Het lidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] acht de minister deels geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser onvoldoende documenten gegeven en heeft hij daar geen goede verklaring voor. Eiser heeft alleen een document overgelegd over zijn lidmaatschap bij [partij 1] in de periode 2023\u002F2. Eiser heeft niet met documenten onderbouwd dat hij sinds 2020 lid was van de partij en hij heeft evenmin documenten overgelegd van zijn lidmaatschap van [bedrijf] in de periode januari 2023 tot eind mei 2023. De verklaringen van eiser zijn daarmee tegenstrijdig met het document dat hij heeft overgelegd. Verder vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister komt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat eiser aanwezig is geweest bij evenementen van [partij 1] en dat eiser in de periode 2023\u002F2 lid was van [partij 1] . De problemen door de werkzaamheden als stedelijk planner acht de minister niet geloofwaardig, omdat eiser met zijn verklaringen of documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij betrokken was bij het stedelijk plan. Volgens de minister bestaan eisers verklaringen geheel uit aannames en vermoedens. Aan de door eiser overgelegde verklaringen kent de minister beperkte waarde toe, omdat deze subjectief zijn. De overige stukken onderbouwen enkel zijn functie bij de werkgever. De minister acht ook relevant dat eiser na de bedreiging niet opnieuw is bedreigd, Turkije legaal heeft verlaten en er geen strafrechtelijke procedure tegen hem loopt.\n\n6.2.. De geloofwaardig bevonden asielmotieven acht de minister onvoldoende zwaarwegend om over te gaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Eiser valt als lid van [partij 1] onder het risicoprofiel volgens paragraaf C7 34.3.2 van de Vc, maar heeft volgens de minister niet voldaan aan het individualiseringsvereiste. Eiser heeft daarnaast zijn vrees voor de Turkse dienstplicht niet aannemelijk gemaakt, omdat uit eisers verklaringen niet blijkt dat eiser voldoet aan één van de drie voorwaarden genoemd in paragraaf C2 3.2.7 van de Vc. De discriminatie die eiser heeft ervaren als Koerd is niet dusdanig van aard om aan te merken als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdragof artikel 3 van het EVRM.\n\nTen aanzien van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. Eiser voert allereerst aan dat WI 2024\u002F6in strijd is met het Unierecht en het EVRM, en daarom ten onrechte door de minister is toegepast. Het vereiste van objectieve en authentieke documenten is niet noodzakelijk om het asielrelaas voldoende te onderbouwen. Er vindt volgens de nieuwe werkinstructie dan geen volledige en inhoudelijke beoordeling plaats, wat strookt met het absolute verbod op refoulement. Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 6 maart 2025en de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over de werkwijze van WI 2024\u002F6. Eiser heeft verzocht de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat tussen partijen geen discussie bestaat over het Unierechtelijk kader, zoals dat door eiser naar voren is gebracht. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat WI 2024\u002F6 op zichzelf in deze procedure niet ter toetsing voorligt. Ter beoordeling staat of de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser, en de daarbij gebruikte bewijsmaatstaf, in strijd is met het (Unie)recht. Hierbij kan de door de minister gehanteerde wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid wel relevant zijn. De rechtbank overweegt dat, gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, en maakt deze overweging de hare. Dit betekent echter niet dat de toepassing van WI 2024\u002F6 in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het voordeel van de twijfeldoor de minister in zijn algemeenheid op een andere of onjuiste wijze wordt toegepast. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTen aanzien van het lidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] vóór 2023\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard omdat zijn verklaringen dat hij lid is geweest van [partij 1] en daarna van [bedrijf] in strijd zouden zijn met het bewijs uit E-Devletdat hij in juni 2023 lid was van [partij 1] . Eiser heeft verklaard dat in E-Devlet alleen het huidige, laatste, lidmaatschap van een politieke partij wordt vermeld. Het lag in dit geval op de weg van de minister om aan te tonen dat eiser meer stukken uit E-Devlet kan halen.\n\n8.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser een document heeft overgelegd van zijn lidmaatschap bij [partij 1] in de periode 2023\u002F2, alsmede een verklaring van DEMNEDwaarin staat dat eiser een activist is die heeft deelgenomen aan politieke activiteiten binnen [partij 1] in Turkije. De rechtbank stelt voorop dat de minister, gelet op het verhandelde ter zitting, eiser niet langer tegenwerpt dat zijn verklaringen over zijn lidmaatschap bij [partij 1] vanaf 2020 en zijn lidmaatschap bij [bedrijf] tegenstrijdig zijn met het document dat eiser heeft overgelegd met betrekking tot zijn lidmaatschap van [partij 1] . Ook wordt niet langer door de minister betwist dat eerdere lidmaatschappen niet zichtbaar zijn in E-Devlet. De minister blijft echter bij zijn standpunt dat eiser onvoldoende documenten over zijn eerdere lidmaatschap bij [partij 1] en zijn lidmaatschap bij [bedrijf] heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft. De rechtbank volgt dat standpunt niet en licht dat als volgt toe.\n\n8.2.. \n\nEiser heeft op de zitting toegelicht dat uit veiligheidsoverwegingen binnen [partij 1] informatie-uitwisseling op het partijkantoor plaatsvindt, en er geen bewijzen zoals e-mails en brieven worden gestuurd. Eiser heeft daarbij in het nader gehoor verklaard dat hij bij [partij 1] op de achtergrond probeerde te blijven en niet teveel in beeld wilde komen.Daarnaast heeft eiser er in de zienswijze al op gewezen dat uit landeninformatie blijkt dat een lidmaatschapskaart van [partij 1] pas verkregen kan worden als iemand politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheden heeft binnen de partij, wat bij eiser niet het geval was.\n\nGelet op de uitgebreide verklaringen van eiser over zijn betrokkenheid bij [partij 1] sinds de middelbare school, het feit dat de minister niet betwist dat eiser sindsdien deelneemt aan evenementen van [partij 1] , en nu de stelling van de minister dat eiser over meer bewijsstukken zou beschikken slechts op een vermoeden berust, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vóór 2023\u002F2 lid was van [partij 1] . De beroepsgrond slaagt.\n\nTen aanzien van de problemen vanwege eisers werkzaamheden als stedelijk planner\n\n9. Eiser stelt zich verder op het standpunt de minister ten onrechte heeft gesteld dat hij zijn werk als stadsplanner en de problemen vanwege zijn werk niet heeft onderbouwd. Zijn werk en opleiding tot stadsplanner heeft eiser met vele documenten onderbouwd. De problemen heeft eiser vervolgens met zijn persoonlijk relaas en zijn waarnemingen, met name van bedreigingen aan zijn eigen adres en aan het adres van zijn vader, onderbouwd. Het besluit miskent dat vermoedens en aannames voldoende (kunnen) zijn om gegronde vrees voor vervolging aannemelijk te maken. Gegronde vermoedens en aannames leveren immers een gegronde vrees voor vervolging op. Ten onrechte stelt de minister dat er meer van eiser verwacht mag worden, zonder dat daar in het nader gehoor naar is gevraagd. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser een stuk ingediend waarin hij de gang van zaken rond het planologisch rapport uiteenzet. Daarin is ook verwezen naar de Turkse overheidssite van planning, waar op de stedelijke plannen de naam van eiser naar voren komt.\n\n9.1.. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, zoals deze tijdens de zitting naar voren zijn gekomen. Anders dan is opgenomen in het bestreden besluit, heeft de minister ter zitting erkend dat eiser betrokken was bij het nieuwe stedelijke plan. Daarmee staat enkel nog ter discussie of eiser naar aanleiding van die betrokkenheid problemen heeft ondervonden. De minister acht het ongeloofwaardig dat eiser is bedreigd en dat zijn vader en zijn werkgever eveneens bedreigingen hebben ontvangen. Eiser heeft volgens de minister onvoldoende stukken overgelegd om deze bedreigingen te onderbouwen.\n\n9.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen van eiser enkel berusten op aannames en vermoedens. Eiser heeft bij zijn aanvraag en in beroep namelijk vele documenten overgelegd. Onder deze documenten bevinden zich gedetailleerde verklaringen van bijvoorbeeld de vader van eiser en een whatsappgesprek met een collega. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de inhoud van deze stukken is beoordeeld, noch welke waarde hieraan in de besluitvorming is toegekend. Dat deze stukken niet afkomstig zijn uit een objectieve bron, zoals de minister stelt, betekent niet dat hieraan geen enkele waarde kan worden toegedicht. De enkele opmerking dat de stukken “subjectief” zouden zijn, doet verder geen recht aan de aard en inhoud daarvan. De minister miskent hiermee namelijk dat de overgelegde stukken eigen waarnemingen en ervaringen van derden bevatten, en niet enkel een weergave vormen van hetgeen eiser zelf heeft verklaard. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser uitgebreid, gedetailleerd en coherent heeft verklaard en de overgelegde stukken, allemaal in onderlinge samenhang, in lijn zijn met eisers verklaringen. Zo komt bijvoorbeeld het overlegde screenshot van het whatsappgesprek dat eiser is bedreigd wat datum betreft overeen met de door eiser genoemde vergadering bij de gemeente waarbij eiser is bedreigd. Ook heeft eiser een aantal krantenartikelen overgelegd waaruit volgt dat er een rechtszaak is geweest tussen de orde van Stedelijke Planning en de curator, en dat er persconferenties zijn geweest van de Orde van Turkse Architecten en Engineers, waar ook de orde van Stedelijke Planning onder valt, en [partij 1] waarin wordt gesproken van bedreigingen vanuit de curator. Omdat de minister niet langer betwist dat eiser betrokken is geweest bij zowel het oude als nieuwe stedelijke plan, kan niet worden volgehouden dat eisers relaas enkel op vermoedens of aannames berust.\n\n9.3.. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister een ondeugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. De minister heeft de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde bewijsstukken onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. Bovendien heeft de minister de relevante landeninformatieonvoldoende kenbaar betrokken bij zijn beoordeling. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Uit de overwegingen 8.1, 8.2 en 9.3 volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. C.A.R. Bleijendaal, en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer: NL25.15376.\n\n [partij 1] , veelal omschreven als een Pro-Koerdische politieke partij, inmiddels bekend als [partij 2] .\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:139.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.\n\n Zoals neergelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Het elektronische portaal van de Turkse overheid.\n\n Raad van Gemeenschappen uit Koerdistan.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 21.\n\n IRB - Immigration and Refugee Board of Canada: Turkey: Requirements and procedures to become a member of the [partij 1] ( [partij 1] , [partij 1] ); membership cards, attestation letters and donation receipts, including content, appearance, and authorized issuing authority; instances of membership attestation letters or membership cards that are not issued; sample (2019–November 2021) [ [nummer] ].\n\n Zie voor de positie van [partij 1] -leden het Algemeen Ambtsbericht Turkije (februari 2025), pagina 58 e.v.\n\n Artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27281","2026-02-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.669Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":125,"fullText":134,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":135,"sourceTimestamp":136,"parsedAt":34,"updatedAt":137},"986","ECLI:NL:RBDHA:2025:28023","ecli-nl-rbdha-2025-28023","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.15376\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1996, van Turkse nationaliteit, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 20 maart 2024 een beroep wegens het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag ingesteld. Bij uitspraak van 13 september 2024heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard. De minister is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.\n\n1.2.. Bij besluit van 19 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd. De Afdelingheeft bij uitspraak van 10 april 2025, het van rechtswege ontstane beroep tegen het bestreden besluit op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awbterugverwezen naar deze rechtbank en zittingsplaats.\n\n1.3.. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit tevens afzonderlijk beroep ingesteld.De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025, gelijktijdig maar niet gevoegd met het beroep van eiseres haar partner, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [persoon] (de partner van eiseres), E. Taskin als tolk in de Turkse taal, en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWat er aan deze procedure voorafging\n\n4. Eiseres heeft op 31 januari 2019 samen met haar zus een aanvraag voor een mvvingediend voor verblijf bij haar moeder in Nederland. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit beroep ingesteld. Met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 maart 2022is de afwijzing in rechte vast komen te staan.\n\n4.1.. Eiseres is vervolgens op 8 augustus 2023 Nederland ingereisd en heeft op 3 september 2023 een asielaanvraag ingediend.\n\nAsielrelaas\n\n5. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag. Eiseres heeft de Turkse nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiseres is in 2015 lid geworden van [vereniging] , een vereniging gelieerd aan HDP. De vereniging is in 2016 per decreet gesloten. Eiseres is daarna doorgegaan met haar HDP-activiteiten, waaronder verkiezingsactiviteiten in 2018. Datzelfde jaar is bij eiseres een huisinval gedaan, werd eiseres in de gaten gehouden en is de politie langs geweest bij de universiteit van eiseres. Eiseres was bang om opgepakt te worden, dus heeft zij haar huis toen verlaten. In september 2021 moest eiseres lang wachten op de teruggave van haar identiteitskaart bij een controlepost. Eiseres is daarom weer naar een ander adres is gegaan. Na de aardbeving op 6 februari 2023 bevond eiseres zich in een café waar agenten in burgerkleding haar onder dwang meenamen en zeiden dat eiseres een getuigenverklaring moest ondertekenen. Zij wilden eiseres als informant gebruiken. Doordat eiseres vertelde dat ze hier nog even over moest nadenken, kon zij weggaan. Ook verwacht eiseres bij terugkeer problemen te ondervinden omdat zij in Nederland heeft deelgenomen aan demonstraties en omdat haar broer vorig jaar tijdens Nowruz als muzikant op het podium is verschenen en dit gepubliceerd is op YouTube en op Medya TV.\n\n5.1.. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag de volgende documenten ten grondslag gelegd:\n\n1. Nationale identiteitskaart van Turkije;\n\n2. Uitdraai lidmaatschap [vereniging] ;\n\n3. Kopie brief OM onderzoek naar de vereniging;\n\n4. Verklaring HDP betrokkenheid van 2015 tot 2018;\n\n5. Verklaring DEMNED;\n\n6. Brief Turkse advocaat;\n\n7. Document mensenrechtenorganisatie;\n\n8. Document Human Rights Foundation of Turkey;\n\n9. Verklaring moeder en broer.\n\nHet bestreden besluit\n\n6. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Verrichte activiteiten in 2015 en 2018 voor de vereniging en HDP;\n\n3. Problemen naar aanleiding van verrichte activiteiten;\n\n4. Activiteiten in Nederland.\n\n6.1.. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, evenals de activiteiten van eiseres tussen 2015 en 2018 voor de vereniging en HDP en de activiteiten van eiseres in Nederland. De problemen naar aanleiding van de verrichte activiteiten voor HDP acht de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo is het voor de minister onduidelijk waarom eiseres onder verhoogde aandacht zou staan bij de Turkse autoriteiten. Ook acht de minister relevant dat eiseres geruime tijd, namelijk van 2018 tot 2021, zonder problemen in Turkije heeft kunnen leven. Verder heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over of zij op haar eigen adres heeft verbleven of bij vrienden. Van 2021 tot de aardbeving in 2023 heeft eiseres geen problemen ondervonden. Het is bevreemdend dat de agenten zich na de aardbeving op eiseres zouden focussen. De minister acht het ongerijmd dat de agenten een onderzoek zouden opstarten, terwijl eiseres ervan overtuigd was dat er al een onderzoek naar haar liep. De minister gelooft niet dat eiseres werd vrijgelaten op basis van haar belofte om na te denken over het voorstel. De minister betrekt ook bij zijn beoordeling dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, maar zich pas twintig dagen na inreis heeft gemeld bij de autoriteiten, en hier geen verschoonbare verklaring voor heeft.\n\n6.2.. De geloofwaardig bevonden motieven acht de minister onvoldoende zwaarwegend om over te gaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Eiseres heeft een politieke overtuiging, maar de minister acht niet aannemelijk dat eiseres in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat of komt te staan. Zij had namelijk geen bijzondere rol binnen HDP. Verder is eiseres in 2018 gestopt met haar activiteiten. Niet valt daarom in te zien waarom zij bij terugkeer de activiteiten weer zou willen oppakken. Ook betrekt de minister dat eiseres op legale wijze Turkije is uitgereisd. Ten aanzien van haar activiteiten in Nederland heeft eiseres verklaard dat zij bij terugkeer naar Turkije geen problemen verwacht. Omdat eiseres niet weet op welk YouTube-kanaal haar broer is verschenen, wordt niet ingezien dat de Turkse autoriteiten ervan op de hoogte zouden zijn dat het de broer van eiseres is die als muzikant optrad.\n\nTen aanzien van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. Eiseres voert aan dat WI 2024\u002F6in strijd is met het Unierecht. Deze nieuwe werkinstructie maakt van een geloofwaardigheidsbeoordeling in feite een harde bewijsplicht, terwijl een dergelijk zware maatstaf juist niet passend is in het asielrecht. De toepassing van het voordeel van de twijfel is in de WI namelijk zo ingevuld, dat hier alleen sprake van kan zijn op het moment dat de vreemdeling geen objectieve bewijsstukken overlegt, maar wel voldoet aan alle vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Uit artikel 4, derde lid, van de Kwalificatierichtlijnen artikel 10, derde lid en onder b, van de Procedurerichtlijnvolgt echter dat de minister onderzoek moet doen naar alle relevante informatie in het land van herkomst en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker. Pas als er dan nog twijfel is, is doortoetsing aan artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn aan de orde. Bovendien gaat het bij artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn niet alleen om samenwerken bij het verzamelen van de elementen – het gehoor – maar ook het beoordelen van de geloofwaardigheid van deze elementen en verklaringen. Subsidiair verzoekt eiseres om aanhouding van de zaak in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat tussen partijen geen discussie bestaat over het Unierechtelijk kader, zoals dat door eiseres naar voren is gebracht. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat WI 2024\u002F6 op zichzelf in deze procedure niet ter toetsing voorligt. Ter beoordeling staat of de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres, en de daarbij gebruikte bewijsmaatstaf, in strijd is met het (Unie)recht. Hierbij kan de door de minister gehanteerde wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid wel relevant zijn. De rechtbank overweegt dat, gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, en maakt deze overweging de hare. Dit betekent echter niet dat de toepassing van WI 2024\u002F6 in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het (Unie)recht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het voordeel van de twijfeldoor de minister in zijn algemeenheid op een andere of onjuiste wijze wordt toegepast. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTen aanzien van de problemen naar aanleiding van de verrichte activiteiten voor HDP en de vereniging\n\n8. Eiseres voert aan dat afgaande op de geloofwaardig geachte feiten, de daarmee samenhangende consistente verklaringen én de samenhang met de landeninformatie, de problemen met de autoriteiten geloofwaardig moeten worden gevonden. Aan eiseres moet het voordeel van de twijfel worden gegeven als de verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd zijn met beschikbare informatie. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2025.\n\n8.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet zorgvuldig heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde problemen van eiseres met de Turkse autoriteiten niet geloofwaardig acht en waarom hij eiseres niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven. De rechtbank licht dat als volgt toe.\n\n8.2. Eiseres heeft verklaard dat zij bestuurslid was van een vereniging waarvan haar moeder één van de oprichters was. Deze vereniging bood steun aan personen die waren gevlucht uit het noordelijk deel van Koerdistan. In 2016 is deze vereniging bij decreet door de Turkse autoriteiten gesloten. De moeder en de broer van eiseres waren op dat moment in Nederland en hebben hier asiel gevraagd en gekregen, mede vanwege een lopend onderzoek naar de vereniging. Ondanks deze gebeurtenissen heeft eiseres haar politieke activiteiten voortgezet en zich binnen HDP actief ingezet, onder meer door deelname aan verkiezingsactiviteiten tijdens de algemene verkiezingen van 2018. Ook heeft eiseres verklaard dat er rond die tijd een noodtoestand was uitgeroepen rond verkiezingen waardoor de autoriteiten meer vrijheden hadden bij het optreden tegen vermeende oppositieleden. Gezien deze verklaringen volgt de rechtbank de minister niet in zijn standpunt dat eiseres vaag heeft verklaard over waarom zij in de negatieve aandacht van de autoriteiten is komen te staan. Verder is de motivering van de minister dat hij gelet op haar marginale rol en activiteiten binnen HDP niet inziet waarom de politie bij eiseres een huisinval zou doen, onvoldoende. De rechtbank wijst in dat verband op de politieke context en de activiteiten van eiseres, zowel binnen HDP als in de hoedanigheid van bestuurslid van een vereniging die door de overheid is gesloten, en op de openbare landeninformatie waaruit blijkt dat ook familieleden van personen die actief zijn binnen HDP risico lopen op vervolging door de autoriteiten.Het relaas van eiseres spoort hiermee. De minister heeft dit onvoldoende in zijn besluit betrokken. Dat eiseres volgens de minister vaag heeft verklaard over dat de politie bij haar op de universiteit is langsgekomen, volgt de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ook niet. De rechtbank is het verder met eiseres eens dat het voor haar onmogelijk is om aannemelijk te maken wat het precieze motief van de politie is geweest voor haar handelen. In dit verband heeft eiseres terecht gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 juni 2020, waarinis geoordeeld dat ook wanneer niet duidelijk is waarom iemand bij het politiebureau dient te verschijnen, niet op voorhand is uitgesloten dat die oproep verband houdt met persoonlijk gerichte negatieve aandacht van de autoriteiten. Ook het standpunt van de minister dat het door eiseres gestelde dat een politieagent haar na de huisinval heeft gevolgd slechts op een niet nader onderbouwd vermoeden berust, kan de rechtbank niet volgen. Eiseres heeft immers gedetailleerd verklaard over wat zij heeft waargenomen en verklaard dat zij één van de betrokken agenten herkende van de eerdere huisinval, nadat zij hem meerdere keren had gezien.\n\n8.3.. Ten aanzien van de problemen van eiseres in de periode tussen 2018 en 2023 overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in de periode na 2018 ondergedoken heeft gezeten en dat zij pas weer in contact is gekomen met de autoriteiten toen zij, bij het ophalen van het diploma van haar broer, lang moest wachten op haar identiteitskaart bij een controlepost. Eiseres heeft verklaard dat deze controle niet het gevolg was van een gerichte zoektocht naar haar, maar dat haar naam bij die gelegenheid opnieuw bij de autoriteiten naar voren kwam. Gelet op haar eerdere betrokkenheid bij HDP en de vereniging, is het goed mogelijk dat haar naam nog steeds in de systemen van de Turkse autoriteiten stond. Bovendien heeft eiseres verklaard dat zij sinds 2018 zat ondergedoken en bij verschillende vrienden en kennissen verbleef, en weinig buiten kwam vanwege de coronapandemie. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard met haar verklaringen tijdens de mvv-procedure in 2019 en de verklaringen van eiseres haar moeder destijds in haar asielprocedure dat eiseres in die periode in het ouderlijk huis verbleef. De rechtbank overweegt dat eiseres in de mvv-procedure haar ouderlijk adres heeft opgegeven, maar in haar eigen asielprocedure van meet af aan heeft verklaard dat zij daar niet verbleef, maar bij vrienden en kennissen. Dit werd haar pas in het voornemen tegengeworpen, waarop eiseres in de zienswijze een nadere uitleg heeft gegeven. Eiseres heeft haar moeder niet veel verteld over haar problemen in Turkije omdat zij haar niet wilde belasten. Hiermee heeft eiseres de tegenstrijdigheid naar het oordeel van de rechtbank weggenomen.\n\n8.4.. De rechtbank is ook van oordeel dat de minister niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het bevreemdend is dat eiseres in 2023 na de aardbeving op de radar van de autoriteiten stond. De minister heeft allereerst hetgeen hiervoor onder 8.3 is overwogen over het onderduiken van eiseres ten onrechte niet betrokken. Daarom is het standpunt van de minister dat sprake is van jaren van probleemloos verblijf en dat het vreemd is dat eiseres bij de identiteitscontrole in 2023 weer werd geconfronteerd met de autoriteiten niet deugdelijk gemotiveerd. Ook hier betrof het bovendien geen gerichte zoekactie, maar bevond eiseres zich na de aardbeving in een café waar zich ontheemden bevonden en de autoriteiten een identiteitscontrole uitvoerden. Dat eiseres ongerijmd zou hebben verklaard dat de agenten een onderzoek naar haar zouden kunnen starten, omdat eiseres er eerder van overtuigd was dat er al een onderzoek liep, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hiervoor een afdoende verklaring heeft gegeven in het nader gehoor, namelijk dat zij – afgaande op de informatie van haar advocaat – ervan overtuigd was dat er eerder een vertrouwelijk geheim onderzoek naar haar liep, maar dat de agenten nu dreigden met een actief strafrechtelijk onderzoek.\n\n8.5.. Bovendien acht de rechtbank het standpunt van de minister dat het bevreemdend is dat de politie eiseres na een lange zoektocht – zonder voorwaarden – heeft laten vertrekken onvoldoende gemotiveerd. De minister gelooft niet dat als de autoriteiten daadwerkelijk naar eiseres op zoek zouden zijn, de politie haar zou hebben vrijgelaten enkel op basis van een belofte om na te denken over hun voorstel. De rechtbank overweegt dat in het algemeen ambtsbericht 2025 staat dat in het bijzonder leden van de jongerenafdeling van HDP onder druk werden gezet door de Turkse autoriteiten om als ajan (‘informant’) te gaan fungeren. Dit strookt met de verklaring van eiseres, dat zij gedwongen is meegenomen en door middel van dreigingen in de auto druk op haar werd uitgeoefend om informant te worden. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting volstaan met de enkele opmerking dat deze situatie niet zo in het ambtsbericht staat. Dat is onvoldoende. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres een afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij zonder voorwaarden is vrijgelaten. Zo heeft eiseres verklaard dat zij door de autoriteiten niet als een getuige werd gezien, maar de autoriteiten haar als informant wilden hebben. Een getuige heeft informatie en wordt (mogelijk) met meer geweld gehoord om achter die informatie te komen, terwijl dat bij informanten niet aan de orde is, omdat de autoriteiten die nog nodig hebben om informatie voor hen te verkrijgen, aldus eiseres. De rechtbank merkt ook op dat eiseres heeft verklaard dat de politie haar in de auto een foto liet zien van een persverklaring (in 2015) waar eiseres bij was. Dit is in lijn met het algemeen ambtsbericht, waarin enkele omstandigheden worden genoemd die leidden tot verhoogde overheidsaandacht, waaronder het bijwonen van persverklaringen.De minister heeft deze aspecten onvoldoende bij zijn besluit betrokken.\n\n8.6.. Tot slot overweegt de rechtbank dat de minister, in strijd met zijn eigen beleid, niet inhoudelijk is ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van eiseres bij de beoordeling of eiseres een goede reden had voor het niet onmiddellijk indienen van haar asielaanvraag na aankomst in Nederland. Eiseres heeft hierover aangevoerd dat zij een lange reis achter de rug had, haar familie zeven jaar niet had gezien, chronisch ziek is en last heeft van depressieve en angstklachten, en verkouden was geworden. De minister is ten onrechte niet ingegaan op deze omstandigheden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister dient zich bij zijn beoordeling van de zwaarwegendheid ook rekenschap te geven van de politieke activiteiten van de familie van eiseres en de informatie uit het algemeen ambtsbericht van februari 2025, in het bijzonder de wijze waarop door de Turkse autoriteiten de sociale media worden gemonitord. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. C.A.R. Bleijendaal en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer NL24.12220.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1622.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zaaknummer NL25.15376. Eiseres heeft zekerheidshalve nogmaals beroep ingesteld onder dit zaaknummer, maar het betreft dus dezelfde zaak als het rechtswege ontstane beroep, zie voetnoot 1.\n\n Zaaknummer NL25.15358.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Zaaknummer: NL21.4269.\n\n Hierna: de vereniging.\n\n Halklarin Demokratik Partisi.\n\n Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:136.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.\n\n Zoals neergelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:7264.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025, pagina 65.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2020:5725.\n\n Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 3 december 2003, 200306257\u002F1.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, pagina 63.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, pagina 64.\n\n WI 2024\u002F6.\n\n Artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28023","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.581Z",{"id":139,"ecli":140,"slug":141,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":142,"fullText":143,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":145,"parsedAt":34,"updatedAt":146},"484","ECLI:NL:RBDHA:2025:19889","ecli-nl-rbdha-2025-19889","2025-07-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers t.a.v. [eiser] : NL25.20663 (beroep)\n\n NL25.20664 (voorlopige voorziening)\n\nZaaknummers t.a.v. [eiseres] : NL25.20665 (beroep)\n\n NL25.20666 (voorlopige voorziening)\n\n [V-Nummers]\n [eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1994, eiser\u002Fverzoeker, hierna: eiser,\n\n [eiseres] ,geboren op [geboortedatum 2] 2002, eiseres\u002Fverzoekster, hierna: eiseres\n\nbeiden van Comorese nationaliteit,\n\nhierna samen te noemen: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. V. Senczuk),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en hun verzoeken om een voorlopige voorziening.\n\n2. Bij besluiten van 28 april 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4. De rechtbank heeft de zaken op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M.J.M. Moure als tolk in de taal Frans en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. De rechtbank beoordeelt het kennelijk ongegrond verklaren van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen gegrond zijn en vernietigt de bestreden besluiten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTen aanzien van eiser\n\nHet asielrelaas van eiser\n\n7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Comoren verlaten omdat hij problemen heeft gekregen nadat hij seks voor geld heeft gehad met een andere man. Hij is in elkaar geslagen door mensen op straat en hij is door de rechter veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Eiser vreest bij terugkeer de dood, omdat het in de Comoren niet is toegestaan om als man met mannen seksuele handelingen te verrichten.\n\nHet bestreden besluit van eiser\n\n8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nAfvalligheid;\n\nProblemen vanwege eisers toegedichte homoseksuele gerichtheid.\n\n9. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De afvalligheid en de problemen vanwege toegedichte homoseksuele gerichtheid vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft hierover namelijk op verschillende punten kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen afgelegd.\n\nTen aanzien van eiseres\n\nHet asielrelaas van eiseres\n\n10. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Volgens eiseres heeft haar verloofde, eiser, dingen gedaan die streng verboden zijn in de Comoren, omdat hij een seksuele relatie had met een man. Eiser is hierdoor opgepakt, heeft een gevangenisstraf gekregen en is ontsnapt uit de gevangenis in de Comoren. Omdat eiser nu wordt gezocht en eiseres zijn verloofde is, heeft eiseres samen met eiser de Comoren verlaten en vreest eiseres voor de autoriteiten in de Comoren. Daarnaast heeft eiseres problemen met haar familie. Zij zijn het niet eens met de verloving met eiser. Bij terugkeer vreest eiseres dat zij wordt gedood door haar vader.\n\nHet bestreden besluit van eiseres\n\n11. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege eiser als verloofde.\n\n12. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De problemen vanwege eiser als verloofde vindt verweerder niet geloofwaardig. De verklaringen van eiseres worden namelijk beoordeeld als kennelijk vals en duidelijk onwaarschijnlijk en tegenstrijdig.\n\nDe beroepsgronden van eisers\n\n13. Eisers voeren aan dat verweerder hun asielaanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eisers zijn telkens ten onrechte gehoord in de Franse taal, terwijl zij die taal slechts beperkt spreken; hun moedertaal is Comorees. Het horen terwijl er een taalbarrière is, is onzorgvuldig. Ook worden vermeende tegenstrijdigheden in hun verklaringen ten onrechte aan hen verweten, omdat deze door de taalproblemen kunnen zijn ontstaan. Dit geldt ook voor de discrepanties in de verklaringen over de strafbare feiten in het arrestatiebevel van eiser. Eisers moeten daarom opnieuw worden gehoord in hun moedertaal. Daarbij komt dat verweerder ook niet heeft onderzocht of er andere mogelijkheden zijn om eisers te horen, bijvoorbeeld door een tolk in de Comorese taal uit Frankrijk in te schakelen.\n\n14. Eiser merkt op dat afvalligheid geen asielmotief van hem is.\n\n15. Eiseres betoogt dat verweerder haar verklaringen over doodsbedreigingen en vervolging onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van artikel 3 van het EVRM.\n\n16. Tot slot voeren eisers aan dat hun asielaanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrondzijn afgewezen, omdat zij verweerder hebben misleid met een vals visum. Het gebruik van een vals visum betekent niet dat hun hele asielrelaas ongeloofwaardig is.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nKon verweerder eisers horen in de Franse taal?\n\n17. De vreemdeling wordt gehoord in een taal waaraan de vreemdeling de voorkeur geeft, tenzij er een andere taal kan worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren.Het beleid van verweerderhoudt als uitgangspunt aan dat de vreemdeling wordt gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan. Daaronder vallen onder andere de officiële talen van het land van herkomst.\n\n18. Eisers zijn gehoord met gebruikmaking van een registertolk Frans. Uit openbare bronnen blijkt dat Frans een officiële taal is van de Comoren.Eisers mochten daarom in beginsel in het Frans worden gehoord, indien geen tolk in het Comorees beschikbaar was. Verweerder heeft onweersproken toegelicht dat er geen Comorese tolk beschikbaar is. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdelingen het Frans onvoldoende machtig zijn.\n\n19. De rechtbank constateert dat de informatie over het taalgebruik en taalbegrip van de verschillende bevolkingsgroepen op de Comoren niet eenduidig is.Wel staat vast dat eiser tot zijn veertiende of vijftiende jaar onderwijs in het Frans heeft gevolgden dat eiseres na de middelbare school nog drie jaar universitaire opleiding heeft gehad in de Franse en Comorese taal. Deze omstandigheden geven aanleiding om aan te nemen dat zij enige Franse taalvaardigheid hebben. De vraag is echter of die taalvaardigheid voldoende was om helder en volledig hun asielrelaas naar voren te kunnen brengen.\n\n20. Om te beoordelen of hun Franse taalvaardigheid voldoende was, geven de rapporten van de gehoren inzicht. Uit die rapporten komt een wisselend beeldnaar voren over de Franse taalvaardigheid van eisers. Daardoor is niet zonder meer duidelijk of eisers de Franse taal voldoende machtig waren om in die taal te worden gehoord. Verweerder betoogt dat dat wel zo is, maar de rechtbank ziet aanleiding om dat te betwijfelen. Enerzijds verklaarden eisers dat zij de tolk goed konden verstaan, anderzijds gaven zij aan de tolk niet altijd goed te begrijpen. Eisers verklaarden herhaaldelijkdat zij slechts “een beetje” Frans verstaan en begrijpen. Daarnaast verklaarde eiser: “Ik heb ook aangegeven dat ik veel te vertellen heb maar dat Frans moeilijk is”en verklaarde eiseres: “Het is een beetje moeilijk voor mij om alles goed uit te leggen omdat ik niet zo goed Frans spreek”. De (oud-)gemachtigde van eisers heeft voorafgaand aan het nader gehoor expliciet verzocht om een tolk in de Comorese taal, omdat eisers de Franse taal onvoldoende machtig zijn.Desgevraagd heeft de gemachtigde van eisers op de zitting nog toegelicht dat de communicatie met eisers niet vanzelf ging. Voor eiser wordt zijn beperkte Franse taalbegrip bovendien bevestigd in een medisch advies van 18 april 2025, waarin is opgemerkt dat eiser de Franse taal niet goed kan begrijpen.\n\n21. De rechtbank ziet, anders dan verweerder, dat de Franse taalvaardigheid van eisers tot communicatieproblemen leidde tijdens de gehoren. Zo moest de tolk een paar keer de verklaringen van eiser samenvatten tijdens het nader gehoor, wat wijst op moeizame communicatie. Daarnaast is een opmerking van de rapporteur illustratief dat de rapporteur het over “ik en mijn” heeft, maar eiser “we en ons” noemde. Eiser gaf aan dat hij bij het zoeken naar woorden soms de verkeerde woorden gebruikte en dat de tolk hem dan hielp, door bijvoorbeeld te vragen: “bedoel je dit?”. Dit ondersteunt de stelling van eiser dat hij de Franse taal onvoldoende beheerst.\n\n22. Ook bij eiseres verliep de communicatie merkbaar stroef. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt dat zij de tolk regelmatig vroeg om vragen te herhalen of te verduidelijken en dat de tolk haar soms niet goed begreep. De rapporteur noteerde onder andere:\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en verduidelijkt hem.\n\nOpmerking rapporteur: mevrouw vraagt aan de tolk de vraag te herhalen.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk begrijpt mevrouw niet, ze vraagt mevrouw om\n\nhet te herhalen.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk legt de vraag uit aan mevrouw en noemt\n\nvoorbeelden.\n\nDeze opmerkingen bevestigen dat de communicatie tussen eiseres en de tolk moeizaam verliep.\n\n23. Verweerder betoogt dat er voldoende waarborgen waren die maakten dat eisers hun asielrelaas naar voren konden brengen met behulp van een tolk in de Franse taal. Volgens verweerder is op verschillende momenten gevraagd of het goed gaat en hebben eisers, kort gezegd, verschillende keren de kans kregen om taalproblemen te melden. Ook heeft de gemachtigde van eisers geen belangrijke correcties en aanvullingen gedaan na het nader gehoor.\n\n24. De rechtbank is echter van oordeel dat deze waarborgen niet toereikend zijn gebleken. Bij signalen van eisers dat zij de Franse taal “een beetje” begrijpen en verstaan, werd onvoldoende doorgevraagd tijdens het nader gehoor van eisers. Onvoldoende is onderzocht wat eisers precies moeilijk vonden. Ook heeft verweerder niet onderzocht hoe eisers beter ondersteund hadden kunnen worden, bijvoorbeeld door het inschakelen van een (digitale) tolk in de Comorese taal, een buitenlandse tolk in de Comorese taal of het toepassen van een dubbele tolkconstructie (van Comorees naar Engels of Frans, en van daaruit naar het Nederlands).De enkele stelling van verweerder dat er in Nederland geen Comorese tolk beschikbaar is, ontslaat hem niet van de plicht om andere mogelijkheden te onderzoeken. Dat heeft verweerder ten onrechte nagelaten.\n\n25. De rechtbank merkt bovendien op dat ook op de zitting duidelijk werd dat eisers het Frans onvoldoende beheersen. Dit bevestigt het beeld dat tijdens de gehoren geen sprake was van volwaardige communicatie in een taal waarin eisers zich helder konden uitdrukken.\n\n26. Gezien de communicatieproblemen tijdens de gehoren, de verklaringen van eisers over hun beperkte Franse taalvaardigheid, de observaties van de rapporteur, het medisch advies van eiser en het gebrek aan voldoende doorvragen of ondersteuning, ziet de rechtbank voldoende concrete aanwijzingen dat eisers de Franse taal onvoldoende beheersen en zich daarin niet helder kunnen uitdrukken. De rechtbank kan dan ook niet uitsluiten dat de door verweerder aangevoerde tegenstrijdigheden zijn ontstaan doordat eisers zijn gehoord in een taal die zij onvoldoende beheersen.\n\n27. De rechtbank concludeert dat verweerder eisers niet kon horen in de Franse taal. Aangezien de afwijzende bestreden besluiten zijn gebaseerd op de verklaringen zoals die zijn afgelegd tijdens de gehoren in de Franse taal, zijn deze besluiten onzorgvuldig tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt.\n\n28. De rechtbank draagt verweerder op om eisers opnieuw te horen, ditmaal in hun moedertaal (de Comorese taal), zodat zij in staat worden gesteld hun asielrelaas helder toe te lichten. Gelet daarop zal de rechtbank niet ingaan op de overige beroepsgronden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n29. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten worden dan ook vernietigd. Verweerder wordt opgedragen om eisers te horen in hun moedertaal – de Comorese taal, rekening houdend met alternatieve tolkmogelijkheden zoals genoemd in overweging 24 van deze uitspraak als in Nederland geen tolk in de Comorese taal beschikbaar is. Het is vervolgens aan verweerder om opnieuw te beoordelen of al dan niet van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers kan worden uitgegaan en op basis van die nieuwe beoordeling, nieuwe besluiten te nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zestien weken.\n\n30. Omdat de rechtbank op de beroepen heeft beslist, bestaat geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken daartoe worden daarom afgewezen.\n\n31. De rechtbank stelt vast dat de zaken van eiser met de zaaknummers NL25.20663 en NL25.20664 en de zaken van eiseres met de zaaknummers NL25.20665 en NL25.20666 op dezelfde zitting zijn behandeld, dat daarin dezelfde gemachtigde rechtsbijstand heeft verleend, dat deze in beide zaken nagenoeg gelijkluidende beroepsgronden heeft aangevoerd en dat in beide zaken gemeenschappelijke rechtsvragen aan de orde zijn. Daarom is sprake van samenhangende zaken die voor de berekening van de proceskostenveroordeling worden beschouwd als één zaak. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het indienen van de verzoekschriften en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank in de zaken geregistreerd onder zaaknummers NL25.20663 en NL25.20665:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de bestreden besluiten;\n\n- draagt verweerder op om eisers opnieuw te horen in de Comorese taal, en binnen zestien weken nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen van eisers, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter in de zaken geregistreerd onder zaaknummers NL25.20664 en NL25.20666:\n\n- wijst de verzoeken af.\n\nDe rechtbank en de voorzieningenrechter, in alle zaken:\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.721,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier.\n\nBijlage\n\nSchema [eiser]\n\nAanmeldgehoor Dublin van\n\n10 april 2025\n\nPagina 2\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa, een beetje.\n\nAls de tolk langzaam praat, is dat beter voor u?\n\nJa, dat gaat beter.\n\nGeeft u het alstublieft aan als u een vraag niet begrijpt, dan stel ik de vraag in\n\nandere bewoordingen.\n\nJa, dat zal ik doen.\n\nPagina 8\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa, sommige vragen waren was lastig, andere niet, omdat ik wel Frans spreek maar niet heel veel. Uiteindelijk hebben we elkaar begrepen.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee.\n\nAanmeldgehoor van\n\n14 april 2025\n\nPagina 2\n\nDe beveiliger vertelde dat u vroeg of uw partner ook mee mocht. Ik heb later vandaag een gesprek met uw partner.\n\nOké. Ik spreek een beetje Frans.\n\nWelke taal spreekt u het beste?\n\nComoor. Maar jullie hebben niemand die Comoor spreekt.\n\nSpreekt u ook nog andere talen?\n\nNee.\n\nIs naast Comoor de Franse taal wat u het beste spreekt?\n\nJa.\n\nKunt u zich goed uitdrukken in het Frans?\n\nEen beetje, niet helemaal goed.\n\nKunt u dit gesprek verder wel voeren in het Frans?\n\nJa.\n\nAls u een vraag niet begrijpt, geef het vooral aan.\n\nOké.\n\nPagina 3\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa. Een beetje, beetje.\n\nAls u de tolk niet goed begrijpt of verstaat, geeft u dat dan aan?\n\nOké.\n\nDan zal ik deze voor u uitprinten. Kunt u Frans lezen?\n\nJa.\n\n(…)\n\nIk heb de heer [eiser] medegedeeld dat het belangrijk is dat hij de waarheid spreekt en volledig dient te antwoorden op de vragen die ik stel. Ik heb de heer [eiser] uitgelegd dat, als blijkt dat hij niet de waarheid heeft gesproken of belangrijke informatie heeft achtergehouden, zijn aanvraag om die reden afgewezen kan worden.\n\nMijn zorg is dat ik niet volledig antwoord kan geven, omdat ik slecht Frans spreek.\n\nAls u een vraag niet goed kunt beantwoorden omdat u dit niet kunt vertellen in het Frans, wilt u dit dan aangeven?\n\nOké.\n\nPagina 5\n\nBegrijp ik het goed dat u deze talen niet spreekt?\n\nKlopt. Ik spreek alleen Comoor en een beetje Frans.\n\nKunt u nu lezen en schrijven in uw eigen taal?\n\nIk kan wel lezen. Schrijven is lastig. Het onderwijs was niet in het Comorees, maar in het Frans.\n\nPagina 11\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee. Het was goed, heel goed.\n\nNader gehoor van\n\n22 april 2025\n\nPagina 2\n\nZoals u merkt is er vandaag een tolk Frans aanwezig. Er is helaas geen tolk in de taal Comorees beschikbaar voor de IND, ik heb dit voordat we begonnen nogmaals nagevraagd.\n\nDe tolk die vandaag aanwezig is heeft eerder voor u getolkt tijdens het aanmeldgehoor van 14 april 2025. Ik las in de vorige verslagen dat het toen lukte om in het Frans te communiceren.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk vertaalt rustig en duidelijk door goed te articuleren en langzaam te praten.\n\nKunt u de tolk goed begrijpen en goed verstaan?\n\nJa.\n\nAls u de tolk niet goed begrijpt of verstaat op enig moment, geeft u dat dan aan?\n\nJa.\n\nPagina 4\n\nWaar bent u precies zenuwachtig over?\n\nOmdat ik veel wil vertellen, maar ik kan niet makkelijk praten.\n\nPagina 7\n\nOpmerking rapporteur: de tolk vat samen en verifieert in het Frans met\n\nbetrokkene of hij het verhaal goed heeft begrepen alvorens de tolk het\n\nvertaalt.\n\nPagina 8\n\nOpmerking rapporteur: de tolk vat samen en verifieert in het Frans met betrokkene of hij het verhaal goed heeft begrepen alvorens de tolk het vertaalt.\n\nPagina 10\n\nHebt u ooit persoonlijke problemen ondervonden vanwege uw seksuele\n\ngerichtheid en\u002Fof genderidentiteit?\n\nOpmerking rapporteur: ik leg de vraag uit.\n\nPagina 11\n\nKunt u de tolk nog steeds goed begrijpen en goed verstaan?\n\nEen beetje.\n\nHoe gaat het met uw Frans?\n\nHet is niet makkelijk omdat ik niet normaal kan praten.\n\nIk vind dat u best veel en duidelijk hebt kunnen vertellen in het Frans vanmorgen. Uw verhaal was goed te volgen.\n\nOké.\n\nPagina 15\n\nWat vindt u ervan dat zij wel in de Islam gelooft?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk verduidelijkt de vraag.\n\nPagina 16\n\nIk wil u iets voorhouden. Ik heb vanmorgen gelezen wat u bij de KMAR hebt\n\nverklaard. U verklaarde toen dat u niet terug kon naar de Comoren omdat u\n\nKatholiek bent.\n\nDe politie heeft mij niet goed begrepen, misschien heeft de tolk mijn mening\n\nniet goed begrepen. Toen de politie mij vroeg kond e tolk mij niet goed\n\nverstaan. Toen vroeg de politie asiel en toen zei de tolk dat die mij ergens\n\nnaartoe stuurde voor asiel. Naar de IND.\n\n(…)\n\nDit lijkt mij een duidelijk verhaal, waar zat de miscommunicatie hier volgens\n\nu?\n\nIk denk dat de tolk niet goed de vraag had begrepen, ik had verteld dat\n\nmoslims het mij wel en dat de katholieken het mij niet hebben aangedaan. Ik\n\nheb niet gezegd dat ik katholiek was. Misschien heeft hij dat niet goed\n\nbegrepen.\n\n(…)\n\nKunt u de tolk nog steeds goed begrijpen en verstaan?\n\nEen beetje.\n\nPagina 19\n\nHoe onderhield u contact met Hassan?\n\nOpmerking rapporteur: ik hoor meneer de tolk voorbeelden van communicatiemiddelen opnoemen.\n\nPagina 20\n\nHeeft u op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of over de tolk?\n\nNee.\n\nHeeft u de tolk goed begrepen en goed kunnen verstaan?\n\nJa. Een beetje.\n\n(…)\n\nIs er iets waar u zelf op wil terugkomen of waar u nog over hebt nagedacht?\n\nNee.\n\nPagina’s 26 en 27\n\nKunt u de tolk nog steeds goed begrijpen en verstaan?\n\nJa, een beetje.\n\nBlijft u het vooral aangeven als u een vraag niet goed verstaat of begrijpt, dan zal ik de vraag uitleggen of anders stellen. Goed?\n\nJa.\n\nPagina 29\n\nDat begrijp ik, maar als ik een verhaal over mezelf vertel dat heb ik het over\n\n‘ik en mijn’ maar u noemde ‘we en ons’.\n\nDat is een fout die ik misschien heb gemaakt. Ik was alleen. We waren niet\n\nsamen. Het gebeurt ook als ik in een ander woord of verkeerde woorden zeg\n\nen andere dingen bedoel. Het is alsof ik zoek, dan geeft de tolk woorden aan\n\nvan bedoel je dit? En dan zeg ik dat bedoel ik. Ik heb ook aangegeven dat ik\n\nveel te vertellen heb maar dat Frans moeilijk is.\n\nPagina 33\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa, een beetje.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee.\n\nSchema [eiseres]\n\nAanmeldgehoor van\n\n14 april 2025\n\nPagina 2\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa. Een beetje.\n\nWelke taal spreekt u het beste?\n\nComoor.\n\nSpreekt u goed genoeg Frans om dit gesprek te voeren in het Frans?\n\nJa.\n\nPagina 9\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee.\n\nNader gehoor van\n\n22 april 2025\n\nPagina 2\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nIk begrijp het wel een beetje.\n\nBegrijpt u het goed genoeg om vandaag dit gehoor te doen?\n\nIk begrijp wel wat u zegt.\n\nPagina 3\n\nIk heb mevrouw [eiseres] uitgelegd dat mijn vragen wellicht kritisch kunnen\n\noverkomen, maar dat ze bedoeld zijn om het relaas te verduidelijken.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt dit voor mevrouw.\n\nPagina 5\n\nBent u in het bezit van documenten –anders dan al aangegeven tijdens het\n\naanmeldgehoor - die uw verklaringen over uw identiteit, nationaliteit,\n\nreisverhaal en\u002Fof asielrelaas onderbouwen?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag\n\n(…)\n\nU krijgt nu de gelegenheid in uw eigen woorden te vertellen wat de directe\n\nredenen zijn waarom u uw land van herkomst hebt verlaten. Ik wil u daarbij\n\nvragen om zoveel mogelijk in chronologische volgorde te vertellen en waar u\n\nkunt namen, plaatsen en data te noemen.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt dit stukje.\n\nPagina 8\n\nVoor wie vreest u?\n\nOpmerking rapporteur: Mevrouw begrijpt de vraag niet, de tolk herhaalt de vraag.\n\nHoe hebt u uw verloofde leren kennen?\n\nIk moet zeggen dat mijn Frans niet zo goed, is. Ik ga proberen uit te leggen.\n\nPagina 9\n\nHoe ging uw relatie hierna verder?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en stelt hem net iets anders.\n\nIk begrijp het niet.\n\nBegrijpt u niet wat ik bedoel met de vraag?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\n(…)\n\nHoe ging de verloving? Wat gebeurt er dan?\n\nOpmerking rapporteur: Mevrouw vraagt aan de tolk om de vraag te herhalen.\n\nPagina 10\n\nIk hoor u een aantal keer aan de tolk vragen om de vraag te herhalen. Wat vindt u lastig? Het Frans of de vraag?\n\nHet is een beetje moeilijk omdat ik het Frans niet zo goed begrijp.\n\nIk zag dat u tot aan de universiteit naar school bent gegaan en dat u daar in het Frans onderwijs hebt gehad. Hoe komt het dat u het toch lastig vindt?\n\nComorees en Frans wordt tegelijk gesproken maar als ik op school ben en de les wordt in het Frans gegeven en als ik het niet begrijp gaat de docent gelijk in Comorees praten. Dat is de reden dat ik het wel begrijp maar het is niet dat ik alles begrijp. Als ik iets niet begrijp wordt het automatisch in het Comorees gesproken.\n\nHebt u tot nu toe de vragen begrepen?\n\nJa een beetje een beetje.\n\nPagina 11\n\nWat vindt u leuk aan uw verloofde?\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 13\n\nKunt u tot nu toe de tolk nog goed verstaan en begrijpen?\n\nJa een beetje.\n\nU verklaart in hele zinnen en u lijkt niet naar woorden te hoeven zoeken want de zinnen komen vloeiend en aan een stuk door. Kan ik daaruit opmaken dat het u lukt om in het Frans te verklaren?\n\nIk begrijp een beetje.\n\nIs er iets geweest waarvan u denkt, ‘dat heb ik toch niet helemaal goed begrepen’?\n\nNee, het gaat goed.\n\nPagina 14\n\nU hebt nu ook problemen hierdoor, u kunt niet meer terug naar de Comoren. U\n\nbent nu ook in Nederland en vraagt vanwege de problemen van uw verloofde\n\nasiel aan. Wilt u niet meer weten hierover?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag.\n\nPagina 16\n\nU zei eerder dat uw verloofde u belde en zei dat hij in het ziekenhuis was, nu\n\nzegt u dat hij belde en zei dat hij bij een woning was verstopt. Hoe komt het\n\ndat dit verschilt?\n\nIk heb gezegd dat mijn verloofde in het ziekenhuis was omdat zijn pols kapot\n\nwas, hij moest zich laten helpen. Mijn verloofde heeft mij gebeld en we zijn\n\nlater naar Tanzania gegaan om zijn arm te laten verzorgen. We zijn\n\nteruggekomen naar de Comoren en toen bleek dat de politie nog steeds naar\n\nhem op zoek was en ze hebben hem opgepakt.\n\nToen werd hij opgepakt door de politie en in de gevangenis gestopt. Hij is\n\nontsnapt van de gevangenis en hij was ergens in een huis verstopt. Hij heeft\n\nmij gebeld om te vertellen dat hij was ontsnapt.\n\nIk heb zelf problemen met mijn familie en mijn verloofde heeft zijn eigen\n\nproblemen met de autoriteiten en zo. Het is een beetje moeilijk voor mij om\n\nalles goed uit te leggen omdat ik niet zo goed Frans spreek.\n\nPagina 17\n\nHeb ik goed begrepen dat toen u terugkeerde uw verloofde weer werd opgepakt?\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 18\n\nUw verloofde werd gearresteerd, wat gebeurde er toen met hem?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag.\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 20\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nEen beetje.\n\nWas er een vraag\u002Fvragen die u niet goed hebt begrepen?\n\nEen beetje.\n\nAls u niets noemt ga ik ervanuit dat tot nu toe alles duidelijk was, klopt dat?\n\nIk begrijp een beetje omdat ik begrijp meer, maar mijn Frans is niet zo goed,\n\nik kan niet zeggen dat ik alles goed begrepen heb.\n\nAls u vanavond iets bedenkt wat u toch niet begrepen hebt mag u daar morgen\n\naltijd nog op terugkomen.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nIk was tevreden.\n\nPagina 21\n\nVandaag is dezelfde tolk weer aanwezig. Kunt u haar nog goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa.\n\nAls een vraag onduidelijk is of als u moeite hebt met een vraag, wilt u dat dan aangeven?\n\nOké.\n\n(…)\n\nWilt u nog op iets terugkomen wat we gisteren hebben besproken?\n\nNee.\n\n(…)\n\nEerst nog over toen u vanuit Tanzania terugkeerde naar de Comoren. Waar ging u toen naartoe?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag op verzoek van mevrouw.\n\nPagina 23\n\nUiteindelijk kwam uw verloofde wel naar u en uw vriendin in [plaats 1] . Hoe lang\n\nna de ontsnapping was dat?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag. De tolk telt hierbij op haar\n\nvingers als voorbeeld hoeveel dagen na de ontsnapping.\n\nPagina 24\n\nHoe bent u uit de Comoren vertrokken?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag.\n\nPagina 25\n\nWat vond uw familie voor die dag van de verloving?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en verduidelijkt hem.\n\nPagina 27\n\nKunt u de tolk nog goed verstaan en begrijpen?\n\nEen beetje.\n\nEen beetje? Ik krijg het idee dat het best goed gaat, u verstaat de meeste vragen.\n\nEen beetje.\n\nGeeft u het aan als u het niet verstaat?\n\nJa.\n\nWas er voor de pauze iets wat u niet goed hebt verstaan?\n\nOpmerking rapporteur: Mevrouw is even stil. De tolk herhaalt de vraag.\n\nIk had het een beetje begrepen.\n\nWat vond u lastig aan deze vraag?\n\nOpmerking rapporteur: mevrouw is stil en lijkt na te denken.\n\nIk heb gezegd dat de politie mijn verloofde had gepakt. U heeft gevraagd waar heeft de politie de verloofde gebracht. Ik begreep de vraag niet.\n\nIk ga even kijken welke vraag u bedoelt.\n\nOpmerking rapporteur: ik zoek in het gehoor naar de vraag die mevrouw\n\nmogelijk bedoelt.\n\nWe zijn terug van Tanzania en mijn verloofde gaat naar het dorpje en ik blijf in\n\nde hoofdstad en de politie is gekomen er is een vraag, ik begrijp de vraag niet.\n\nBedoelt u de vraag waar u en verloofde heen gingen toen u terugkwam uit\n\nTanzania?\n\nIk heb gezegd dat we kwamen van Tanzania, mijn verloofde is naar het dorpje\n\ngegaan ik was moe en bleef in de stad. De volgende vraag was. Waar heeft de\n\npolitie je verloofde gebracht.\n\nWilt u hier meer duidelijkheid over? Of wilt u hier iets aan toevoegen?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nIk wilde weten wat er met uw verloofde gebeurde toen de politie hem had\n\nopgepakt. Is hij ergens naartoe meegenomen? Of gebeurde er iets anders?\n\nDat was niet de vraag, de vraag was, waar heeft de politie je verloofde\n\nopgepakt.\n\nHet was een vraag van vandaag?\n\nJa vandaag.\n\nIk heb u niet gevraagd waar de politie uw verloofde heeft opgepakt zie ik. Ik heb wel gevraagd waar uw verloofde naartoe ging toen hij was ontsnapt.\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 28\n\nOpmerking rapporteur: de tolk oppert dat het misschien de vraag was:\n\nwaarom is je vriend naar het dorpje gegaan terwijl hij wist dat de politie achter\n\nhem aanzat? Ze vraagt of ze dit aan mevrouw mag vragen. Ik geef aan dat het\n\ngoed is. Mevrouw geeft aan dat dat de vraag is die ze bedoelt.\n\n(…)\n\nIn het aanmeldgehoor hebt u verklaard dat u toen u terugkeerde vanuit\n\nTanzania naar de Comoren in [plaats 1] en in [plaats 2] verbleef. Dat klinkt alsof u er\n\nlanger of vaker hebt verbleven. Waarom hebt u dat zo verklaard?\n\nDe persoon heeft verkeerd vertaald.\n\n(…)\n\nU zei voor de pauze, dat de autoriteiten u zagen toen u de discussie had met\n\nuw vader en dat zij toen dachten als u er bent uw verloofde er ook zou zijn.\n\nHoe weet u dat ze dit dachten?\n\nOpmerking rapporteur: mevrouw vraagt aan de tolk de vraag te herhalen.\n\nPagina 29\n\nWelke autoriteiten vroeg aan u waar uw verloofde was?\n\nDe autoriteiten van het dorp.\n\nWat moet ik me daarbij voorstellen? Is het de politie, gemeenteambtenaar, iemand anders?\n\nDe mensen van het dorpje, de persoon van het dorp. De persoon die daar\n\nwonen.\n\nBedoelt u dan gewoon burgers?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nU zei dat iemand van de autoriteiten van het dorp aan u vroegen waar uw verloofde was. Wat voor iemand is dat? Welke functie heeft diegene van welke autoriteit?\n\nIk begrijp het niet.\n\n(…)\n\nBent u persoonlijk benaderd door de autoriteiten van de Comoren, bijvoorbeeld de politie, vanwege wat uw verloofde had gedaan?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nIs iemand van de politie van de Comoren bij u langsgekomen?\n\nOpmerking rapporteur: De tolk begrijpt mevrouw niet, ze vraagt mevrouw om het te herhalen.\n\nPagina 30\n\nUw verloofde heeft verklaard dat u contact hebt gezocht met een kennis van\n\nde universiteit die u heeft geholpen om het visum te krijgen. Hoe komt het dat\n\nu hier zelfs niets over hebt verklaard?\n\nIk begrijp het niet.\n\nHebt u zelf iemand die u kent van de universiteit gevraagd om u te helpen met\n\nhet visum?\n\nDe vriend van mijn verloofde is van de universiteit en hij heeft een cybercafé\n\ndat heb ik verteld.\n\nHoe kan het dan dat uw verloofde heeft gezegd dat ú de persoon kent van de\n\nuniversiteit?\n\nIk begrijp het niet.\n\nWat begrijpt u niet aan deze vraag?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nPagina 31\n\nHoe heet de persoon die u heeft geholpen?\n\nIk begrijp het niet.\n\n(…)\n\nKunt u tot nu toe de tolk nog verstaan en begrijpen?\n\nJa.\n\nHeb ik goed begrepen dat voordat u naar Tanzania ging, uw verloofde door de\n\nautoriteiten is opgepakt en mishandeld aan zijn arm?\n\nIk snap het niet.\n\n(…)\n\nWat mij nog niet duidelijk is, is wat u bedoelt met autoriteiten van het dorp.\n\nWaarom zijn die anders dan de autoriteiten van de Comoren of de politie?\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 32\n\nIs uw verloofde mishandeld door mensen uit het dorp die mensen oppakken en\n\nnaar de politie brengen?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag. Ze vraagt wie heeft de\n\nverloofde mishandeld.\n\nHet zijn de mensen die ze autoriteiten van het dorpje noemen.\n\nZijn die mensen die de autoriteiten van het dorp zijn, speciale mensen uit het\n\ndorp? Of kan iedereen het zijn?\n\nIk begrijp het niet.\n\nZijn er in uw dorp mensen aangewezen als autoriteit?\n\nZijn gewone mensen, dat zijn geen speciale mensen. Zijn gewoon normale\n\nmensen.\n\nAls het gewoon mensen zijn uit het dorp. Waarom noemt u ze dan autoriteit?\n\nIk weet niet hoe ik het moet zeggen, het zijn gewone mensen, maar ik zei\n\nautoriteit. Maar ik weet niet hoe ik ze moet noemen.\n\nPagina 35\n\nZijn er bijzondere individuele omstandigheden in Nederland waardoor u in\n\naanmerking dient te komen voor verblijf in Nederland?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk legt de vraag uit aan mevrouw en noemt\n\nvoorbeelden.\n\nPagina 36\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nEen beetje.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en legt hem uit.\n\nJa.\n\nWat wilt u opmerken?\n\nNee.\n\nuitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 38, eerste lid, van de Vw 2000.\n\n Paragraaf C1\u002F2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Zie openbare informatiebron: Constitution de l'Union des Comores | Refworld (https:\u002F\u002Fwww.refworld.org\u002Flegal\u002Flegislation\u002Fnatlegbod\u002F2001\u002Fen\u002F75023), geraadpleegd op 26 juni 2025. Refworld is een wereldwijde wetgeving- en beleidsdatabase die wordt beheerd door de UNHCR.\n\n ECLI:NL:RVS:2002:AE7653.\n\n Zie openbare informatiebron: Talen op de Comoren - Wikipedia (https:\u002F\u002Ffr.wikipedia.org\u002Fwiki\u002FLangues_aux_Comores), geraadpleegd op 26 juni 2025.\n\n Aanmeldgehoor, p. 6 en 7.\n\n Aanmeldgehoor, p. 6 en zittingsaantekeningen.\n\n De rechtbank heeft in de bijlage bij deze uitspraak schema’s opgenomen, waarin dit wisselende beeld is terug te zien bij eisers. De rechtbank merkt op dat deze schema’s geen volledigheid pretenderen, maar slechts een selectie betreffen van de verklaringen van eisers.\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor Dublin, p. 8, Aanmeldgehoor, p. 11, Nader gehoor, p. 2.\n\nTen aanzien van eiseres: Aanmeldgehoor, p. 9, Nader gehoor, p. 2, 13, 20, 21 en 31.\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor Dublin, p. 2, Aanmeldgehoor, p. 2, 3, Nader gehoor, p. 7, 8, 10, 11, 15, 16, 19, 27, 29 en 33.\n\nTen aanzien van eiseres: Aanmeldgehoor, p. 2, Nader gehoor, p. 2, 5, 7, 9, 10, 11, 13, 17, 18, 20, 21, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 35 en 36.\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor Dublin, p. 2, Aanmeldgehoor, p. 2, Nader gehoor, p. 11.\n\nTen aanzien van eiseres: Aanmeldgehoor, p. 2 en Nader gehoor, p. 2.\n\nTen aanzien van eisers: op de zitting, zie zittingsaantekeningen.\n\n Nader gehoor van eiser, p. 29.\n\n Nader gehoor van eiseres, p. 16.\n\n Correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor van eisers, gedateerd 18 april 2025.\n\n Nader gehoor, p. 7 en 8.\n\n Nader gehoor, p. 29.\n\n Nader gehoor, p. 25.\n\n Nader gehoor, p. 28.\n\n Nader gehoor, p. 8, 29.\n\n Nader gehoor, p. 35.\n\n Zoals eerder door deze rechtbank en zittingsplaats overwogen (ECLI:NL:RBAMS:2025:3832, r.o. 6.1).\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor, p. 3, Nader gehoor, p. 11, 16, 20, 26 en 27. Ten aanzien van eiseres: Nader gehoor, p. 10, 20 en 36.\n\n De bestreden besluiten zijn in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n In groene tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiser de Franse taal voldoende machtig lijkt te zijn. In rode tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiser de Franse taal onvoldoende machtig lijkt te zijn.\n\n In groene tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiseres de Franse taal voldoende machtig lijkt te zijn. In rode tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiseres de Franse taal onvoldoende machtig lijkt te zijn.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19889","2025-10-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.797Z",{"id":148,"ecli":149,"slug":150,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":151,"fullText":152,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":154,"parsedAt":34,"updatedAt":155},"555","ECLI:NL:RBDHA:2025:18457","ecli-nl-rbdha-2025-18457","2025-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL23.29118 [V-Nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen\n\n [eiseres] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995, van Ethiopische nationaliteit, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.N. Ali),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. De minister heeft zich voor de zitting afgemeld.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiseres heeft het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres heeft verklaard vanwege haar afkomst uit Tigray problemen te ondervinden met de Ethiopische autoriteiten. Zij heeft verklaard dat soldaten haar ouderlijk huis binnen zijn gekomen en alle waardevolle bezittingen hebben meegenomen. De soldaten zijn meerdere keren teruggekomen en hebben ook de elektronicawinkel van de vader van eiseres geplunderd. Omdat soldaten huiszoekingen hielden naar jonge mannen, zijn twee broers van eiseres gevlucht. Bij een huiszoeking is de vader van eiseres meegenomen. Eiseres is zelf vanwege haar etniciteit ook opgepakt en gevangen gehouden. Zij heeft verklaard anderhalve maand in een gevangenis te hebben verbleven waar zij geen bezoek mocht ontvangen, alleen brood te eten kreeg, in het donker op een cel verbleef en haar sanitaire behoeften in dezelfde kamer moest doen.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiseres bestaat uit de volgende elementen:\n\n- haar identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n- haar problemen met de Ethiopische autoriteiten vanwege haar etnische afkomst uit Tigray.\n\n5.1. Beide elementen heeft de minister geloofwaardig geacht. Volgens de minister is echter niet aannemelijk dat eiseres als gevolg van deze problemen een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdragheeft of dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom heeft de minister de asielaanvraag van eiseres afgewezen.\n\n5.2. Volgens de minister loopt eiseres geen persoonlijk risico bij terugkeer naar Ethiopië vanwege haar etniciteit. De vrees van eiseres om bij terugkeer naar Ethiopië gevangengezet, verkracht of vermoord te worden wordt door de minister niet gevolgd, omdat deze vrees niet is gebaseerd op onderbouwde aannames. Ook beschouwt de minister Tigreeërs niet langer als risicogroep aangezien de toestand in Ethiopië voor Tigreeërs is gestabiliseerd. Daarnaast werpt de minister tegen dat er een aanzienlijk tijdsverloop was tussen de gebeurtenissen en het daadwerkelijke vertrek van eiseres uit Ethiopië.\n\nHeeft eiseres bij terugkeer te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade?\n\n6. Eiseres voert aan dat de veiligheidssituatie in Tigray na de ondertekening van het vredesakkoord in 2022 niet is verbeterd. Eiseres verwijst in de gronden van beroep onder andere naar het algemeen ambtsbericht over Ethiopië van november 2022, een rapport van de UN Human Rights Council, een mondeling statement van Amnesty International van\n\n21 maart 2023en verschillende nieuwsartikelen.Door de algehele veiligheidssituatie in Ethiopië stelt eiseres te vrezen voor willekeurige verkrachting, marteling en de dood. Daarom stelt de minister zich volgens eiseres ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij geen risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië.\n\n7. Volgens de minister is na de ondertekening van het vredesakkoord in 2022 de veiligheidssituatie in Tigray wel verbeterd. De Amhaarse troepen zijn wel aanwezig gebleven in West-Tigray, maar de Eritrese troepen hebben zich voor het grootste deel uit Tigray teruggetrokken. De Eritrese troepen zijn wel aanwezig gebleven in het grensgebied tussen Ethiopië en Eritrea. Dit blijkt volgens de minister uit het algemene ambtsbericht over Ethiopië van januari 2024en uit het rapport van de UK Home Office.De minister stelt zich op het standpunt dat de algehele veiligheidssituatie in Mek’ele, de stad waar eiseres uit afkomstig is, is verbeterd. Mek’ele ligt volgens de minister in het midden van Tigray en niet in het grensgebied met Eritrea. Ook blijkt volgens de minister uit het ambtsbericht van 2024 en een Deens rapport dat de negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten in het algemeen van Tigreeërs naar andere groeperingen zoals de Oromo en Amhara zijn verschoven.Daarom is de minister van mening dat voor eiseres geen risico op ernstige schade bestaat bij terugkeer naar Ethiopië.\n\n8. Anders dan de minister is de rechtbank van oordeel dat de algemene landeninformatie over Tigray geen eenduidig beeld geeft van de veiligheidssituatie in Tigray en meer specifiek in Mek’ele. De rechtbank licht dit hierna toe.\n\n9. De minister heeft ter onderbouwing van het standpunt dat die situatie is verbeterd in het verweerschrift gewezen op de volgende informatie:\n\nEen Deens rapport (EUAA, Country of Origin Information Report, Ethiopia, Security situation in Amhara, Oromia and Tigray regions and return, oktober 2024, pagina’s 14 en 15:\n\n“Experts from the International Commission of Human Rights have identified ‘…grave and systematic violations of international law and crimes‘, which had been committed in Tigray, Amhara, Afar and Oromia. During 2023, the expert group has documented 594 incidences of human rights violations and abuses. Compared to 2022, this represents an increase of 55.9 %; state actors estimated to be responsible for 70 % of these documented incidences (ENDF, federal police, regional police and special forces combined). These incidences affected 8 253 individuals and included killings of 1 351 persons; most of the killings occurred in Amhara (740) followed by Oromia (366). (…) OHCHR states that the human rights situation in Tigray has improved ‘significantly’ and the level of human rights abuses and violence has been reduced after the signing of the cessation of Hostilities Agreement (CoHA) on 2 November 2022, however, serious challenges remain because of limited demobilisation and reintegration of combatants. There are reports of several cases of abductions and enforced disappearances committed by the Eritrean troops in Central Tigray zone after the CoHA as well as several extrajudicial killings of civilians by Amhara troops in Western Tigray Zone. The CoHA in Tigray did install hope for a durable peace but the government then failed to live up to promises of ‘transitional justice and territorial integrity’. In spite of this, in terms of conflicts and violent clashes, the worst affected regions are now Amhara and Oromia, these two regions had the highest number of documented killings in 2023.”\n\nEen rapport van de UK Home Office, Country Policy and Information Note, Ethiopia: Tigrayans and the Tigrayan People’s Liberation Front, version 1.0, December 2024:\n\n“3.1.1 Tigrayans in areas under the control of the Tigrayan Interim Regional Administration (TIRA) in Tigray and in Addis Ababa are unlikely to face treatment from state actors because of their ethnicity that amounts to persecution or serious harm. However, factors such as a person’s gender, age, social and educational background, whether they are a long-term resident of Addis Ababa, their ID documentation and support network, are likely to affect the risk they face. The onus is on the person to demonstrate otherwise.”\n\n“3.2.1 Since November 2022 there has been a significant improvement in the security situation in Tigray. Armed Conflict & Location Event Data Project (ACLED) indicative data shows a 92% fall in organised violence events (battles, explosive\u002Fremote violence, and violence against civilians) from 1,002 between November 2020 and 4 November 2022 to 78\n\nbetween 5 November 2022 and 16 August 2024. ACLED also documented a 98% fall in fatalities resulting from political violence events from 5,168 to 105 between the same periods. Attacks on civilians also fell. ACLED recorded a 76% fall in civilian targeting events [where civilians are the main or only target] from 178 between 4 November 2020 and 4 November 2022 to 78 between 4 November 2022 and 16 August 2024. ACLED also recorded a 98% fall in fatalities from civilian targeting from 3,077 to 55 between the same periods (see Political violence and Fatalities from violent attacks).”\n\n“3.2.2 Living conditions in TIRA-controlled areas of Tigray have improved since the end of the conflict, although these remain difficult for many. Humanitarian access to assist people has also improved although it remains insufficient to meet all needs. (…)”\n\n“3.2.3 The end of conflict allowed over 900,000 internally displaced people (IDPs) to return to Tigray (see IDPs returns) however there are still between 600,000 and over a million IDPs as of mid-2024. These are mainly people from the disputed territories where ongoing tensions and violence mean it is not safe to return (see Numbers of internally displaced persons (IDPs).”\n\n“3.2.4 The human rights situation has also improved in TIRA-controlled areas, with a decline in violations including extra-judicial killings and sexual and genderbased violence. The country evidence does not indicate that there is targeting of specific groups by the TIRA or other state or non-state agents. However, criminality has increased and is widespread, includes trafficking, illegal mining and kidnapping (mostly of women and children). The TIRA lacks capacity to manage crime effectively (see Human rights situation\n\nsince CoHA and Criminality).”\n\nDe minister wijst verder op de volgende passage uit hetzelfde rapport van de UK Home Office rapport (p. 9) ter toelichting dat de ‘disputed areas’, dat wil zeggen gebieden die niet onder controle van de TIRA staan, de volgende zijn:\n\n“3.1.11 Although the EDF and Amhara forces withdrew from major towns they have remained in some areas in Western, North Western, Central, Eastern, Southern zones of Tigray. At the time of writing, around 20% of Tigray remains contested. These ‘disputed’ territories include: the entire Western zone (known to the Amhara as Welkait), including Welkait, Tsegede, and Humera woredas, under the control of Amhara regional militias (Fano).”\n\nVolgens de minister ligt Mek’ele niet in deze disputed areas. Mek’ele ligt in het gebied dat onder controle is van de TIRA. De rechtbank volgt de minister hierin.\n\n10.1. De rechtbank constateert dat de hierboven vermelde informatie op zichzelf al niet eenduidig is over de veiligheidssituatie in Tigray en meer specifiek Mek’ele nu in paragraaf 3.2.4 van het rapport van de UK Home Office enerzijds staat dat de mensenrechtensituatie verbeterd is in de gebieden onder controle van de TIRA, met een daling van het aantal moorden en seksueel geweld, maar anderzijds ook staat dat criminaliteit is gestegen en wijdverbreid is, waaronder ontvoeringen van vrouwen en kinderen. De TIRA heeft niet genoeg capaciteit om dergelijke criminaliteit effectief aan te pakken.\n\n10.2. Daar komt bij dat het laatste ambtsbericht over Ethiopië uit januari 2024 - naast de informatie waar verweerder naar verwijst - ook vermeldt dat het seksueel geweld en de mensenrechtenschendingen ook na de staakt-het-vurenovereenkomst onverminderd doorgingen:\n\n“Ook na het ondertekenen van de staakt-het-vurenovereenkomst in november 2022 bleven Eritrese troepen aanwezig in Tigray en mensenrechtenschendingen begaan. Volgens de Internationale Commissie van Mensenrechtenexperts voor Ethiopië vonden deze schendingen soms op kleine afstand van de Ethiopische strijdkrachten plaats, zonder dat deze ingrepen.160 De Eritrese troepen maakten zich schuldig aan plunderingen, ontvoeringen,162 arbitraire arrestaties en detentie van jonge mannen, beschietingen van hulpverleners in Oost-Tigray, moorden en seksueel geweld, waaronder groepsverkrachtingen en transactionele verkrachtingen (zie ook paragraaf 1.3.2.1).”\n\n10.3. Dat de veiligheidssituatie in Tigray en meer specifiek in Mek’ele is verbeterd, komt evenmin eenduidig naar voren in het Deense rapport waar de minister in het verweerschrift naar verwijst. Naast de passages waar de minister naar verwijst, vermeldt dit rapport namelijk ook nog het volgende:\n\n“The ceasefire agreement between the TPLF and the Ethiopian federal authorities has been upheld by the signatories. However, the Eritrean and Amhara forces have yet to withdraw their troops from Tigray, and there have been reports of pockets of violent clashes in Tigray since November 2022. Both Eritrea and Amhara have historically laid claim to parts of Tigray, and there is evidence of serious security incidents between Amhara and Tigray forces and EDF and Tigray forces.”\n\n“Furthermore, there have been different instances of looting and mass detentions by Eritrean forces, particularly noted in the looting of shops and vehicles towards the end of November 2022. Adding to the violence are sexual assaults, which have continued unabated despite the peace agreements. Reports from February 2023 indicate ongoing sexual violence, with survivors having to flee significant distances to avoid Eritrean roadblocks and seek medical assistance.”\n\n“As stated above, sexual and gender based violence has remained pervasive in Tigray even after the signing of the CoHA. The ICHREE documented numerous instances of rape and sexual violence by both EDF and Amhara forces after November 2022. Amnesty International highlighted severe cases of sexual violence, including gang rapes and sexual slavery committed by Eritrean forces. One medical center in Eastern Tigray reported 76 new cases of sexual and gender based violence within a single week in June 2023. Additionally, the Organization for Justice and Accountability in the Horn of Africa found that out of 305 medical records reviewed, 128 incidents of sexual and gender based violence occurred after November 2022, primarily in areas with EDF presence, indicating that the pattern of sexual violence in Tigray had not abated.”\n\n10.4. Het diffuse beeld over de actuele veiligheidssituatie in Tigray volgt ook uit het bericht van VluchtelingenWerk Nederland van 6 maart 2025 waar eiseres in de gronden van beroep en op zitting naar heeft verwezen:\n\n“Volgens een artikel van de Deutsche Welle (Bijlage 4 , 1 november 2024) is het geweld en lijden nog niet over voor velen in Tigray. Volgens een docent van de Universiteit van Me’kele is het vredesakkoord niet volledig geïmplementeerd, maar “eerder een mislukking” omdat het de gebieden van Tigray niet heeft hersteld. Hij zegt dat de inwoners of ontheemden van West-Tigray, Gulomekeda en Irob hierdoor niet terug naar huis keren. Er zijn wel enkele terugkeerders in het zuidelijke deel van Tigray, maar zij worden niet beschermd.\n\nDe Deense Immigratiedienst (Bijlage 7 , oktober 2024) meldt dat er sinds november 2022 meldingen zijn van sporadische gevechten tussen Amhara- en Tigray-troepen in de zuidelijke, westelijke en noordwestelijke zones van Tigray - twee zones die Amhara als hun grondgebied beschouwt. Seksueel en gendergerelateerd geweld is in Tigray alomtegenwoordig gebleven, zelfs na de ondertekening van de vredesovereenkomst.”\n\n11. Het standpunt van de minister dat eiseres bij terugkeer naar Tigray geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade vindt niet eenduidig steun in de hierboven vermelde landeninformatie. Enerzijds vermeldt de landeninformatie dat de mensenrechtensituatie in Tigray is verbeterd, maar anderzijds dat ook na de vredesovereenkomst seksueel geweld in Tigray veelvuldig voorkomt. Het is dat soort geweld dat eiseres met name vreest en in het licht van de landeninformatie kan zonder nadere motivering niet worden geoordeeld dat die vrees ongegrond is. Eiseres heeft in het verleden ook al vervolging en ernstige schade ondervonden. Zij heeft immers – door de minister geloofwaardig geacht - verklaard dat zij is opgepakt en onder mensonterende omstandigheden gevangen heeft gezeten vanwege haar afkomst. Ook heeft zij – door de minister geloofwaardig bevonden – verklaard dat de winkel van haar vader is geplunderd en haar vader is meegenomen bij een huiszoeking door soldaten. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiseres onder meer verklaard dat zij niet weet of haar vader nog in leven is. Het landgebonden beleid van de minister over Ethiopiëvermeldt bovendien dat het niet mogelijk is bescherming te krijgen van de autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties wanneer vrouwen slachtoffer dreigen te worden van seksueel geweld. Dat is alleen anders voor vrouwen die voor het moment van vertrek hun normale woon- of verblijfplaats in Addis Abeba hadden, behalve wanneer uit individuele omstandigheden blijkt dat de actor van vervolging de overheid zelf is. Eiseres verbleef voor vertrek weliswaar in Addis Abeba, maar zij heeft over dit verblijf aldaar geloofwaardig verklaard dat zij op een avond vanuit het huis van haar vriendin waar zij verbleef is meegenomen door de politie omdat zij uit Tigray afkomstig is. De nacht heeft zij vervolgens doorgebracht in een kleine container. Vervolgens werd zij naar een gevangenis of politiebureau gebracht in Shola en werd zij gedetineerd in een soort kelder waar heel veel vrouwen zaten. Het was daar heel donker en alles was vies en smerig. Het was een plek waar alle Tigrinja sprekende vrouwen bij elkaar werden gezet. Een keer per dag mocht eiseres haar behoefte doen. Zij kreeg twee stukjes brood per dag. Zij kreeg geen maandverband als zij ongesteld was en werd dagelijks uitgescholden. ‘’Jullie worden hier verkracht’’ is wat ze zeiden. Omdat de mensen die gevangen zaten niet op tijd de behoefte mochten doen, deden ze het op de plek waar ze zaten. Ze zagen ook geen zonlicht en waren uitgedroogd en uitgehongerd.Eiseres is dus in Addis Abeba vervolgd door de overheid zelf en behoort daardoor tot de hierboven genoemde uitzondering in het landgebonden beleid over Ethiopië. Dit betekent dat er niet van uit kan worden gegaan dat het voor haar mogelijk is bescherming te krijgen van de autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties wanneer zij slachtoffer dreigt te worden van seksueel geweld.\n\n12. De rechtbank komt tot de slotconclusie dat in het licht van de landeninformatie en artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijnhet standpunt van de minister dat niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar Ethiopië gegronde vrees voor vervolging heeft wegens haar Tigrese afkomst en dat niet aannemelijk is dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade niet berust op zorgvuldig onderzoek. Bovendien is dat standpunt niet deugdelijk gemotiveerd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\n14.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n14.2. \n\nOmdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.\n\n De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 17 augustus 2023;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Pagina’s 11 en 46-48.\n\n International Commission of Human Rights Experts on Ethiopia van 14 september 2023, pagina 9-11 en 22.\n\n ‘’Member States must ensure justice and accountability for grave human rights violations in Ethiopia’’.\n\n Een artikel van The New Humanitarian van 31 januari 2023 over de staakt-het-vurenovereenkomst en The Financial Times van 15 januari 2023.\n\n Pagina 24.\n\n UK Home Office, Country Policy and Information Note, Ethiopia: Tigrayans and the Tigrayan People’s Liberation Front, version 1.0, december 2024, pagina 7-10.\n\n Ethiopia, Security situation in Amhara, Oromia and Tigray regions and return, Center for Dokumentation og Indsats mid Ekstremisme, oktober 2024, pagina 14-15 en 81-82.\n\n Algemeen ambtsbericht Ethiopië, januari 2024, pagina 24 en 26.\n\n Pagina 33-34.\n\n Pagina 35.\n\n Pagina 35.\n\n Ethiopië – Situatie in Tigray na vredesakkoord.\n\n Pagina 3.\n\n Landgebonden beleid Ethiopië, C7 14.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).\n\n Pagina 10 en 11 van het nader gehoor.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn luidt: het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18457","2025-10-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.498Z",{"id":157,"ecli":158,"slug":159,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":160,"fullText":161,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":162,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":34,"updatedAt":164},"359","ECLI:NL:RBDHA:2024:23281","ecli-nl-rbdha-2024-23281","2024-10-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL24.24861 (beroep)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , van Soedanese nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Terpstra),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).\n\nDeze uitspraak is gerectificeerd, omdat de rechtbank een onjuiste proceskostenveroordeling heeft opgenomen in de originele uitspraak. De originele uitspraak is gedaan op8 oktober 2024. De rechtbank heeft de originele uitspraak in deze gerectificeerde uitspraak aangevuld met de juiste overwegingen over de proceskostenveroordeling.Hieronder geeft de rechtbank de originele uitspraak weer met aanpassingen in cursief, vetgedrukt lettertype.\n\nProcesverloop\n\nMet het bestreden besluit van 14 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat hij niet wordt overgedragen aan Frankrijk tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraakvan deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juli 2024 toegewezen.\n\nVerweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Lotfi als tolk in de taal Arabisch-Soedanees, [de persoon 1] namens Stichting Nidos, [de persoon 2] namens het COaen de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze regelgeving staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een verzoek om internationale bescherming (een asielaanvraag) niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n4. Eiser heeft op 17 december 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Uit Eurodacis gebleken dat eiser op 15 november 2023 is aangehouden in Italië en dat hij op 29 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Frankrijk. Verweerder heeft daarom op 11 februari 2024 de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Op 19 februari 2024 zijn de autoriteiten van Frankrijk hiermee akkoord gegaan.\n\n5. De rechtbank gaat verder uit van het volgende. Bij zijn aanvraag heeft eiser als geboortedatum [geboortedatum 1] 2007 opgegeven. Daarvan uitgaande was eiser ten tijde van zijn asielaanvraag zestien jaar, en dus minderjarig. Eiser is geschouwd door de AVIMen door verweerder. De AVIM heeft geconcludeerd tot evidente minderjarigheid. Verweerder heeft geconcludeerd tot twijfel over de minderjarigheid van eiser. Die twijfel is ingegeven doordat uit Eurodac en ook uit eisers eigen verklaringen volgt dat hij in Italië [geboortedatum 2] 2004 als geboortedatum heeft opgegeven, en dat hij in Frankrijk [geboortedatum 3] 2003 als geboortedatum heeft opgegeven. Verweerder heeft de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum 2] 2004 aangehouden en eiser dus aangemerkt als meerderjarig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMocht verweerder de leeftijdsregistratie uit Italië overnemen?\n\n6. Eiser stelt zich ten eerste op het standpunt dat verweerder niet van de leeftijdsregistratie in Italië mocht uitgaan. Hiertoe voert eiser aan dat hij bij zijn eerste gehoor met de AVIM en ook tijdens het aanmeldgehoor met verweerder direct heeft gezegd dat hij in Italië en Frankrijk bewust onjuiste geboortedata heeft opgegeven, om de autoriteiten daar te laten denken dat hij meerderjarig was. Dit heeft eiser gedaan om te voorkomen dat hij daar als minderjarige vastgehouden zou worden en in een opvang zou worden geplaatst. Verweerder heeft deze verklaringen ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Bovendien is niet inzichtelijk geworden welk onderzoek de Italiaanse en Franse autoriteiten, los van eisers eigen onjuiste verklaringen, aan hun leeftijdsvaststelling ten grondslag hebben gelegd.\n\n6.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij wel mocht uitgaan van de in Italië opgegeven geboortedatum. Verweer wijst in dit kader op vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaruit volgt dat hij bij twijfel over de opgegeven minderjarigheid in beginsel uit mag gaan van de leeftijdsregistratie in andere lidstaten.Uit de verklaringen van eiser volgen ook geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder hier in zijn geval niet vanuit zou mogen gaan.\n\n6.2.. Uit Werkinstructie 2023\u002F6 volgt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum. Een vreemdeling heeft op grond van de werkinstructie echter de mogelijkheid om door middel van adequate en onderbouwde verklaringen aannemelijk te maken dat de in de andere lidstaat geregistreerde leeftijd niet de juiste is. Ook kan hij kan op grond van, bij voorkeur identificerende maar in voorkomende gevallen ook indicatieve documenten, alsnog aannemelijk maken dat de geregistreerde leeftijd onjuist is.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit specifieke geval niet zonder meer heeft mogen aansluiten bij de geregistreerde geboortedatum in Italië. Er zijn namelijk genoeg aanwijzingen dat deze geboortedatum niet de juiste is. Ten eerste hebben de Italiaanse autoriteiten over eisers registratie in Italië aan verweerder het volgende gestuurd: “Following your request concerning the above named person, this is to inform you, that: (…) He did not submit any documents. No age testing.” De rechtbank leidt hieruit af dat eisers leeftijdsregistratie in Italië enkel tot stand is gekomen op basis van zijn eigen verklaringen. In dit kader acht de rechtbank ook van belang dat eiser zelf direct bij zijn aanmelding bij de AVIM alsook in het aanmeldgehoor bij verweerder heeft toegelicht dat hij bewust een onjuiste, meerderjarige leeftijd heeft opgegeven in Italië en Frankrijk. Ten tweede heeft de AVIM eiser als evident minderjarig heeft geschouwd. Ten slotte heeft eiser ook een foto van een geboorteakte heeft ingebracht, waarop hij staat vermeld als minderjarig. Verweerder merkt weliswaar terecht op dat deze foto niet op echtheid onderzocht kan worden, maar dat betekent niet zonder meer dat hieraan geen enkele bewijswaarde kan worden gehecht. Ook met indicatieve documenten kan een vreemdeling immers aannemelijk maken dat de in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum niet juist is.Gelet op deze omstandigheden, in onderling verband bezien, mocht verweerder niet zonder meer uitgaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Het bestreden besluit is op dit punt gebrekkig gemotiveerd en daarom in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n6.4.. Verder komt in dit kader naar het oordeel van de rechtbank ook waarde toe aan de verklaring van [de persoon 1] die eiser in beroep heeft overgelegd. In haar verklaring schrijft zij dat zij eiser sinds [datum] 2024 als jeugdbeschermer begeleidt en vanuit die rol regelmatig contact met hem heeft. Zij schrijft over eiser dat hij hulp nodig heeft bij zowel dagelijkse taken als bij emotionele gebeurtenissen en dat hij gedrag vertoont dat passend is voor een puber in zowel het contact met zijn begeleiders als zijn medebewoners. Zij kwalificeert zijn gedrag als passend bij de opgegeven minderjarige leeftijd van eiser en benadrukt dat voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling van belang is dat hij op een minderjarigenlocatie kan verblijven.’ De rechtbank begrijpt dat verweerder deze verklaring niet heeft kunnen betrekken bij het bestreden besluit, nu deze pas in beroep is overgelegd. Gelet op de ex nunc-toetsingdie in het asielrecht geldt voor zowel de feitelijke als de juridische gronden, acht de rechtbank deze verklaring echter wel relevant.\n\n6.5.. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nHeeft verweerder eisers aanmeldgehoor en leeftijdsschouw zorgvuldig uitgevoerd?\n\n7. Eiser voert verder aan dat de leeftijdsschouw tijdens het aanmeldgehoor door verweerder onzorgvuldig is geweest. Voorafgaand aan het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw heeft eiser namelijk geen enkele vorm van voorbereiding met of begeleiding door een wettelijk vertegenwoordiger gehad. Ook was er tijdens het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw zelf geen wettelijk vertegenwoordiger aanwezig. Eiser is ook niet zorgvuldig geïnformeerd over de wijze waarop zijn verklaringen meegewogen zouden worden bij de leeftijdsschouw. Volgens eiser is de leeftijdsschouw daarom in strijd met artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.Ook heeft verweerder zich bij het afnemen van de leeftijdsschouw niet laten leiden door de belangen van het kind als eerste overweging, zodat deze schouw ook in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn. Het op de leeftijdsschouw gebaseerde bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen.\n\n7.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de leeftijdsschouw tijdens het aanmeldgehoor wel zorgvuldig is geweest. Deze is namelijk conform werkinstructie 2023\u002F6 uitgevoerd. Het in deze werkinstructie neergelegde beleid verschilt niet wezenlijk van het beleid zoals neergelegd in de voorgaande werkinstructie 2018\u002F19. Dat beleid heeft de Afdeling bij uitspraak van 2 november 2022 niet onredelijk geacht.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt dat in de Nederlandse asielprocedure de rol van wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling vervuld wordt door een medewerker van Stichting Nidos, de voogdijorganisatie voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in Nederland (hierna: Nidos). De op zitting aanwezigen hebben zich uitgelaten over de wijze waarop verweerder Nidos op de hoogte stelt van de aanmelding en aanmeldgehoren van niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdelingen. Zij hebben daarover het volgende verklaard.\n\n7.2.1.. Niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdelingen worden door verweerder geregistreerd op de dag van hun aankomst (dag 1). Een dag later (dag 2) vragen zij asiel aan bij de AVIM en worden zij gehoord en geschouwd door de AVIM. Weer een dag later (dag 3) vindt een medische controle plaats bij de GZAen worden zij gehoord en geschouwd door verweerder.\n\n7.2.2.. De voogdij van Nidos over een minderjarige niet-begeleide vreemdeling vangt formeel pas aan nadat de kinderrechter in een verzoekschriftprocedure Nidos belast heeft met de (tijdelijke) voogdij. In de regel duurt dit een aantal weken. Nidos heeft met de Nederlandse overheid de werkafspraak dat de voogdij aanvangt op het moment dat Nidos contact heeft gehad met de niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdeling èn zij het verzoekschrift tot de voogdij heeft ingediend. Daarvóór heeft Nidos geen voogdij, niet in formele en ook niet in praktische zin. Het uitgangspunt is dat Nidos vanaf het moment dat de niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdeling geregistreerd wordt door verweerder (dag 1), vijf dagen de tijd heeft om de gestelde minderjarige vreemdeling te spreken, uit te zoeken of er wellicht meerderjarige familieleden in Nederland zijn die de voogdij op zich kunnen nemen, en een verzoekschrift tot voogdij in te dienen indien dit niet het geval is.\n\n7.2.3.. Verweerder legt elke dag (dag 2) een lijst over aan Nidos van alle aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen die de volgende dag (dag 3) plaats zullen gaan vinden. Nidos heeft verklaard dat het, door deze korte termijn die vaak minder dan één dag beslaat, voor haar medewerkers vrijwel onmogelijk is om de betreffende gestelde minderjarigen te spreken vóór het aanmeldgehoor door verweerder, laat staan hen op dit aanmeldgehoor voor te bereiden of het aanmeldgehoor zelf bij te wonen. Het feit dat de gestelde minderjarigen de eerste twee tot drie dagen in beslag worden genomen door hun afspraken bij de AVIM, de GZA en verweerder zelf, bemoeilijkt het tijdig inplannen van een gesprek met de minderjarigen en het verder uitzoeken van hun situatie.\n\n7.3.. De rechtbank overweegt dat tot 1 november 2020 voor minderjarige vreemdelingen gold dat zij na aankomst een kort eerste gehoor kregen. Daarna volgde een rustperiode van drie weken, waarna de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag volgde. In deze drie weken sprak Nidos met de niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdeling, regelde zij de voogdij en kon zij de (gestelde) minderjarige vreemdeling voorbereiden op zijn of haar procedure.Vanaf 1 november 2020 is een nieuwe werkwijze ingevoerd, waarbij de behandeling van minderjarige en meerderjarige vreemdelingen gelijk is getrokken. In deze nieuwe werkwijze is het eerste gehoor vervangen door het (uitgebreidere) aanmeldgehoor. Alle vreemdelingen – meerderjarigen èn minderjarigen – krijgen na aankomst in Nederland het aanmeldgehoor, gevolgd door een rustperiode van ten minste zes dagen, waarna de inhoudelijke behandeling van de asielprocedure volgt.Het aanmeldgehoor dient ertoe om in het kader van de Dublinprocedure snel vast te kunnen stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, maar ook om te bepalen of er risico’s spelen voor de nationale veiligheid en openbare orde. Anders dan bij het voormalige eerste gehoor,worden in dit aanmeldgehoor de asielmotieven kort uitgevraagd.Ook wordt tijdens het aanmeldgehoor bij de (gestelde) minderjarige vreemdeling de leeftijdsschouw uitgevoerd. Verder worden vragen gesteld over de identiteit, nationaliteit, etniciteit, religie, herkomst, reisroute, documenten, eventueel verblijf in derde landen en de personalia en verblijfplaats van familieleden.Na het aanmeldgehoor vindt het nader gehoor plaats, waarin de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zo volledig mogelijk de tot staving van zijn of haar aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren.Deze nieuwe werkwijze is geformaliseerd bij besluit van 28 mei 2021 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n7.4.. Nidos heeft zich tijdens de consultatiefase van deze wijziging kritisch uitgelaten over deze nieuwe werkwijze.Ook Vluchtelingenwerk Nederland, de UNHCR, de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken en de Kinderombudsman hebben in de consultatiefase opgemerkt dat de procedure onvoldoende rekening houdt met de kwetsbare positie van minderjarigen.In de onderhavige procedure heeft Nidos haar kritiek uit de consultatiefase herhaald. Nidos heeft daaraan toegevoegd dat in het uitgebreidere aanmeldgehoor veel meer vragen worden gesteld dan voorheen in het korte eerste gehoor, en dat de antwoorden die gestelde minderjarige vreemdelingen hierop geven meer dan voorheen betrokken worden bij het vaststellen van de leeftijd van de vreemdeling in kwestie. Hierdoor is het volgens Nidos extra kwalijk dat de huidige werkwijze van verweerder het haast onmogelijk maakt om de gestelde minderjarige vreemdelingen te spreken vóór dit uitgebreide aanmeldgehoor, hen hierop voor te bereiden en bij het gehoor aanwezig te zijn. Op de zitting hebben Nidos en de gemachtigde van eiser gepleit voor het opnieuw invoeren van het korte eerste gehoor en de drie weken rustperiode voor gestelde minderjarige vreemdelingen, zodat Nidos weer – net als voorheen het geval was – tijd heeft de (gestelde) minderjarige te spreken, de voogdij te regelen en de (gestelde) minderjarige vreemdeling voor te bereiden op zijn of haar procedure.\n\nArtikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn\n\n7.5.. De Procedurerichtlijn stelt normen voor de procedure rondom de toekenning en intrekking van internationale bescherming. In artikel 25 van de Procedurerichtlijn zijn enkele waarborgen opgenomen die lidstaten in dit kader in acht moeten nemen voor niet-begeleide minderjarigen. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn, staat dat lidstaten zo snel mogelijk maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat een niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een vertegenwoordiger zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, staan specifieke waarborgen geregeld voor het persoonlijk onderhoud van niet-begeleide minderjarigen. Volgens dit artikel moeten lidstaten er zorg voor dragen dat de aangewezen vertegenwoordiger uit lid 1, aanhef en onder a, in de gelegenheid wordt gesteld de niet-begeleide minderjarige te informeren over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het persoonlijke onderhoud en, indien nodig, over de wijze waarop hij zich op het persoonlijke onderhoud dient voor te bereiden. Ook moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een vertegenwoordiger en\u002Fof een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten, bij dat onderhoud aanwezig is en de gelegenheid heeft vragen te stellen en opmerkingen te maken.\n\n7.6.. Het persoonlijk onderhoud waarnaar verwezen wordt in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, is onder andere geregeld in de artikelen 14, 15, en 16 van de Procedurerichtlijn. Uit artikel 14, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, volgt dat een persoonlijk onderhoud gaat over de inhoud van het verzoek om internationale bescherming. Uit artikel 15, derde lid, aanhef, van de Procedurerichtlijn, volgt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in zodanige omstandigheden dat een verzoeker de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Op grond van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat, bij het afnemen van een persoonlijk onderhoud over de inhoud van een verzoek om internationale bescherming, de verzoeker voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van het verzoek noodzakelijke elementen aan te voeren.\n\n7.7.. De rechtbank overweegt dat het persoonlijk onderhoud, blijkens de hierboven genoemde artikelen uit de Procedurerichtlijn, het onderhoud is waarin een vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om zijn asielrelaas en -motieven te vertellen en toe te lichten. In de Nederlandse asielprocedure heeft het persoonlijk onderhoud een plek gekregen in de vorm van het nader gehoor. Zoals ook in overweging 7.3 uiteen is gezet, wordt de vreemdeling in dit nader gehoor immers pas inhoudelijk bevraagd over zijn asielmotieven. In het aanmeldgehoor komen de asielmotieven slechts zeer summier aan de orde. Aangezien artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, betrekking heeft op het persoonlijk onderhoud, is het niet van toepassing op het aanmeldgehoor en de tijdens dat aanmeldgehoor gehouden leeftijdsschouw. Eisers beroepsgrond, dat de wijze waarop zijn leeftijdsschouw heeft plaatsgevonden in strijd is met dit artikel, slaagt daarom niet.\n\nArtikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn\n\n7.8.. Op grond van artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, laten de lidstaten zich bij de uitvoering van de Procedurerichtlijn leiden door het belang van het kind als eerste overweging. Artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, is niet expliciet in Nederlandse wet- of regelgeving geïmplementeerd, maar is een richtlijnspecifieke evenknie van artikel 24 van het Handvesten artikel 3 van het IVRK. Uit overweging 33 van de Preambule van de Procedurerichtlijn volgt ook dat het belang van het kind bij de toepassing van deze richtlijn een eerste overweging van de lidstaten moet te zijn, overeenkomstig het Handvest en het IVRK.\n\n7.9.. Uit artikel 24, tweede lid, van het Handvest, volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Hetzelfde volgt uit artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Artikel 24 van het Handvest is gebaseerd op artikel 3 van het IVRK en moet overeenkomstig worden geïnterpreteerd.\n\n7.10.. Uit artikel 22, eerste lid, van het IVRK volgt voorts dat Staten die partij zijn bij dat verdrag passende maatregelen nemen om te waarborgen dat een kind, dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen of dat in overeenstemming met het toepasselijke internationale of nationale recht en de toepasselijke procedures als vluchteling wordt beschouwd, ongeacht of het al dan niet door zijn of haar ouders of door iemand anders wordt begeleid, passende bescherming en humanitaire bijstand krijgt bij het genot van de van toepassing zijnde rechten beschreven in dit Verdrag en in andere internationale akten inzake de rechten van de mens of humanitaire akten waarbij de bedoelde Staten partij zijn.\n\n7.11.. Artikel 22, eerste lid, van het IVRK, is verder uitgewerkt in General Comment 6.General Comment 6 dient als nadere uitleg bij het IVRK en gaat specifiek over de behandeling van niet-begeleide en gescheiden kinderen buiten hun land van herkomst. General Comment 6 heeft als doelstelling om “richtsnoeren te geven voor de bescherming, zorg en correcte behandeling van niet-begeleide en van hun familie gescheiden kinderen op basis van het gehele wettelijke kader dat wordt geboden door het Verdrag inzake de rechten van het kind”en “bundelt en consolideert de normen die onder meer door middel van de monitoringsinspanningen zijn ontwikkeld en geeft aldus de Staten duidelijke aanwijzingen over de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag met betrekking tot deze specifieke kwetsbare groep kinderen.”In General Comment 6 staat het volgende over artikel 22, eerste lid, van het IVRK (onderstreping door de rechtbank):\n\n“Procedurele waarborgen en ondersteunende maatregelen (art. 3(3))\n\n68. Passende maatregelen die op grond van artikel 22(1) van het Verdrag vereist zijn, dienen rekening te houden met de bijzondere kwetsbaarheid van niet-begeleide en gescheiden kinderen en met het nationale rechtskader en de nationale voorwaarden. Dergelijke maatregelen moeten worden geleid door de onderstaande overwegingen.\n\n69. Een asielzoekend kind dient te worden vertegenwoordigd door een volwassene die bekend is met de achtergrond van het kind en die bevoegd en in staat is om zijn of haar belangen te behartigen (…). Het niet-begeleide of gescheiden kind dient tevens in alle gevallen kosteloos toegang te krijgen tot een bevoegde wettelijke vertegenwoordiger, ook wanneer het verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus volgens de normale procedures voor volwassenen wordt behandeld.(…).\n\n72. De gesprekken dienen te worden gevoerd door vertegenwoordigers van de beslissingsinstantie voor de vluchtelingenstatus, die rekening houden met de bijzondere situatie van niet-begeleide kinderen om de beoordeling van de vluchtelingenstatus uit te voeren en inzicht te krijgen in de geschiedenis, de cultuur en de achtergrond van het kind. Het beoordelingsproces dient een onderzoek per geval te omvatten van de unieke combinatie van factoren behorend bij ieder kind, met inbegrip van de persoonlijke, gezins- en culturele achtergrond van het kind. De voogd en de wettelijke vertegenwoordiger dienen aanwezig te zijn bij alle gesprekken.”\n\n7.12.. Uit het voorgaande volgt dat de voogd en wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling aanwezig moeten zijn bij alle gesprekken die hij of zij met de beslissingsautoriteit voert. Dat betekent dat een begeleider van Nidos aanwezig had moeten zijn bij eisers aanmeldgehoor en de tijdens dat gehoor gehouden leeftijdsschouw. Niet in geschil is dat bij eisers aanmeldgehoor en leeftijdsschouw geen begeleider van Nidos aanwezig is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat de wijze waarop het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw hebben plaatsgevonden in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, artikel 24, tweede lid, van het Handvest, en artikel 3, eerste en derde lid, en artikel 22, eerste lid, van het IVRK. De voorbereiding van het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig geweest. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond van eiser slaagt.\n\n7.13.. De rechtbank overweegt verder dat de wijze waarop eisers aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden niet op zichzelf staat, maar een gevolg is van de werkwijze van verweerder – zoals uiteengezet onder 7.2.1 tot en met 7.2.3 – ten aanzien van het plannen van de aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen en het op de hoogte brengen hiervan van Nidos. Deze werkwijze maakt het nagenoeg onmogelijk voor Nidos om deze kwetsbare groep bij te staan en te vertegenwoordigen. De rechtbank stelt vast dat de werkwijze van verweerder heeft geleid tot een besluit dat niet in stand kan blijven. De rechtbank geeft verweerder daarom mee om met Nidos om tafel te gaan over nieuwe werkafspraken, zodat het wel mogelijk is voor Nidos om aanwezig te zijn bij de aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen.\n\n7.14.. De rechtbank volgt verweerder niet in haar stelling dat deze werkwijze is goedgekeurd door de Afdeling in de uitspraak van 2 november 2022. In deze uitspraak heeft de Afdeling zich namelijk alleen uitgelaten over de wijze waarop (de rechtsvoorganger van) verweerder in Dublinzaken inhoudelijk invulling geeft aan het onderzoek naar de leeftijd als er twijfel bestaat over de gestelde minderjarigheid van een vreemdeling en de vreemdeling in een of meerdere andere lidstaten zowel als minderjarige als meerderjarige staat geregistreerd. De Afdeling heeft zich in deze uitspraak niet, althans niet expliciet, uitgelaten over de wijze waarop verweerder de aanmeldgehoren van gestelde minderjarigen inplant en Nidos hiervan op de hoogte brengt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 6.3, 6.4 en 7.8 tot en met 7.12, in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, artikel 24, tweede lid, van het Handvest, en artikel 3, eerste en derde lid, en artikel 22, eerste lid, van het IVRK, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers leeftijdsregistratie te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.\n\n8.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.\n\n8.2.. \n\nOmdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.\n\nVerweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Bij uitspraak van 22 juli 2024 op de door eiser gevraagde voorlopige voorziening heeft de rechtbank reeds een punt toegekend voor het deelnemen aan de zitting.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het besluit van 14 juni 2024;\n\ndraagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n zaaknummer NL24.24862.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Verordening EU\u002F604\u002F2013.\n\n European Asylum Dactyloscopy Database.\n\n Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3147.\n\n Werkinstructie 2023\u002F6, paragraaf 2.4.2.\n\n Werkinstructie 2023\u002F6, paragraaf 2.4.2.\n\n Artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:3147.\n\n GezondheidsZorg Asielzoekers.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 3; Nota van Toelichting, Staatsblad 2021, 250, paragraaf 5.5, pagina 30.\n\n Artikel 3.109, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 2;\n\n Artikel 3.108d, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Artikel 3.108d, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250.\n\n Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250, pagina 30.\n\n Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 3 tot en met 4; Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250, pagina 29 en 30.\n\nHandvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\nVerdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind.\n\n Toelichting bij het Handvest, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C305\u002F25. Ingevolge artikel 6, eerste lid, derde alinea, en artikel 52, zevende lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, moet de Toelichting bij het Handvest voor de uitlegging van het Handvest in acht worden genomen.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6, pagina 7, eerste alinea.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6, pagina 7, vierde alinea.\n\n Zaaknummer NL24.24862.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23281","2025-03-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.995Z",{"id":166,"ecli":167,"slug":168,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":169,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":171,"parsedAt":34,"updatedAt":172},"491","ECLI:NL:RBDHA:2024:23056","ecli-nl-rbdha-2024-23056","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL23.10591\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1975, van Syrische nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).\n\nInleiding\n\n1. Eiser heeft op 7 april 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. Bij besluit van 3 augustus 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd.\n\n1.2.. Eiser heeft daarop aangegeven het beroep te handhaven.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was H. Aziz aanwezig als tolk in de Arabische taal.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet beroep tegen het niet tijdig beslissen\n\n2. Eiser heeft op 6 oktober 2022 asiel aangevraagd. Hij heeft verweerder op 23 maart 2023 in gebreke gesteld, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. Vervolgens is eiser meer dan twee weken later in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen.\n\n3. Verweerder heeft met een besluit van 3 augustus 2023 de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Verweerder heeft de vergunning verleend met ingang van 6 oktober 2022, geldig tot 6 oktober 2027.\n\n4. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awbheeft het beroep mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. De rechtbank constateert dat niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiser, omdat hij meent dat verweerder ten onrechte 6 oktober 2022 als ingangsdatum hanteert.\n\n5. Nu verweerder (alsnog) een besluit heeft genomen op de asielaanvraag, heeft eiser geen belang meer bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.\n\nHet beroep tegen het alsnog genomen besluit\n\n6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de datum van ondertekening van het M35-H formulier hanteert als ingangsdatum van de aan hem verleende verblijfsvergunning. Hij betoogt dat hij op 7 augustus 2022 in Ter Apel bij het uiten van zijn asielwens een loopbrief heeft gekregen met bevestiging dat is verzocht om asiel, datum en tijd van aankomst en het V-nummer. Deze loopbrief heeft te gelden als bewijs dat eiser een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Bij inwilliging van de aanvraag moet dan ook de datum van de loopbrief de ingangsdatum van zijn verblijfvergunning zijn. Verweerder hanteert ten onrechte als ingangsdatum de datum waarop eiser het M35-H formulier heeft ondertekend, te weten 6 oktober 2022. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst eiser naar artikel 44, tweede lid, van de Vw2000, de Definitierichtlijnen de Opvang- en Procedurerichtlijn. Ook verwijst hij naar verschillende arrestenvan het Hof van Justitie.\n\n7. Verweerder stelt dat niet moet worden uitgegaan van de datum van de loopbrief. Op dat moment was de aanvraag immers nog niet ingediend. Eisers beroep op het arrest Mengesteabkan niet slagen omdat het in dat arrest ging om de uitleg van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening.Verweerder meent dat artikel 6 van de Procedurerichtlijn en artikel 20 van de Dublinverordening van elkaar verschillen; het gaat om twee verschillende procedures die elk hun eigen eisen stellen en met name wat betreft de termijnen aan verschillende regelingen zijn onderworpen. Volgens verweerder is met het uiten van de asielwens en het daarop ontvangen van een loopbrief, nog geen sprake van een asielaanvraag in de zin van artikel 6, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn en artikel 28 van de Vw 2000. Door verweerder wordt er nadrukkelijk op gewezen dat er verschillen in bewoordingen zitten tussen artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening en artikel 6 van de Procedurerichtlijn. Verweerder acht ook van belang dat in artikel 6 van de Procedurerichtlijn verschillende fases worden beschreven tot de asielaanvraag daadwerkelijk is ingediend en dat die in lijn zijn met de nationale procedure.\n\n8. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest Mengesteab, overweging 103, heeft het Hof van Justitie overwogen dat artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek om internationale bescherming wordt geacht te zijn ingediend wanneer een door een overheidsinstantie opgesteld document dat geldt als bewijs dat een derdelander om internationale bescherming heeft verzocht, is ontvangen door de instantie die is belast met de uitvoering van de verplichtingen die uit genoemde verordening voortvloeien en in voorkomend geval ook wanneer alleen de belangrijkste inlichtingen in een dergelijk document, maar niet het document zelf of een afschrift daarvan, door die instantie zijn ontvangen.\n\n9. In haar uitspraak van 21 september 2023 heeft de Afdelinggeoordeeld dat een loopbrief kan worden beschouwd als een door een overheidsinstantie opgesteld document dat als bewijs geldt dat een vreemdeling om internationale bescherming heeft verzocht.Omdat een loopbrief wordt afgegeven bij de aanmeldbalie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), is de instantie die belast is met de uitvoering van de verplichtingen die uit de Dublinverordening voortvloeien, te weten de IND, hiermee langs die weg bekend. Dit betekent dat een vreemdeling ten tijde van de afgifte van een loopbrief geacht wordt een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening te hebben ingediend.\n\n10. Tussen partijen is niet in geschil dat het moment van de indiening van de asielaanvraag leidend is voor de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De zaak draait om de vraag wanneer de asielaanvraag moet worden geacht te zijn ingediend.\n\n11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn verzoek om internationale bescherming gedaan op 7 augustus 2022 en dat is, getuige de loopbrief die eiser ter bevestiging hiervan heeft ontvangen, diezelfde dag geregistreerd. Door de Afdeling is in de uitspraak van 21 september 2023 geoordeeld dat een loopbrief kan worden beschouwd als een door een overheidsinstantie opgesteld document dat als bewijs geldt dat een vreemdeling om internationale bescherming heeft verzocht als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening.\n\n12. Anders dan verweerder ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat dit voor een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 6 van de Procedurerichtlijn anders zou zijn. Daartoe overweegt de rechtbank dat in de Engelstalige versie van zowel artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening als artikel 6, derde en vierde lid, van de Procedurerichtlijn wordt gesproken over “lodge” als het gaat om de indiening van een verzoek om internationale bescherming. Ook wordt er zowel in artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening als artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn gesproken over een “report”. De rechtbank ziet geen reden om te concluderen dat aan het in artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn genoemde “report” een andere betekenis moet worden toegekend dan aan het “report” zoals omschreven in artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening, temeer daar de Dublinverordening en de Procedurerichtlijn regelingen zijn die beide deel uitmaken van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel.\n\n13. Anders dan de Nederlandse vertaling van artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn doet vermoeden, is niet vereist dat in het nationale recht is voorgeschrevendat het verzoek om internationale bescherming met een officieel rapport kan worden ingediend. Uit zowel de Engelse tekst van dit artikel als uit het arrest Mengesteab, overweging 101, volgt dat artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn verschilt van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening omdat in artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn enkel rekening kan worden gehouden met een door de autoriteiten opgesteld document als het nationale recht daarinvoorziet. Naar het oordeel van de rechtbank voorziet het nationale recht in deze mogelijkheid. Dat licht de rechtbank hierna toe.\n\n14. Uit de hierboven aangehaalde uitspraak van de Afdeling volgt dat een “report”, in dit geval de loopbrief, geldt als bewijs van het doen van een verzoek om internationale bescherming en dat de vreemdeling daarmee geacht wordt een verzoek om internationale bescherming te hebben ingediend. Zoals hierboven is overwogen, wordt een loopbrief afgegeven bij de aanmeldbalie van de IND. De IND is aldus bekend met het verzoek. De IND is de instantie die belast is met de beoordeling van asielaanvragen. De Awb bepaalt in artikel 1:3 dat een aanvraag wordt gedefinieerd als het verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Het nationale recht voorziet in de mogelijkheid een incomplete aanvraag in te dienen die op een later moment wordt aangevuld, in welk geval de datum van de incomplete aanvraag geldt als aanvraagdatum. De rechtbank ziet zich in dat oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2018.\n\n15. De rechtbank overweegt verder dat in artikel 6, tweede lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat een persoon die een asielverzoek heeft ingediend daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om het asielverzoek zo snel mogelijkin te dienen. In de zaak van eiser zit er twee maanden tussen het uiten van de asielwens en het ondertekenen van het M35-H formulier. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet zo snel als mogelijk. Dat er in de zomer van 2023 problemen waren in Ter Apel doet daar niet aan af. Die problemen zijn het gevolg van beslissingen genomen door verweerder en de rechtbank ziet niet in waarom dat voor rekening van eiser moet komen. Eiser heeft in dit kader op de zitting onbetwist gesteld dat een groep asielzoekers, die twee dagen na hem in Ter Apel zijn aangekomen, binnen twee dagen in de gelegenheid werden gesteld om het M35-H formulier in te vullen en hij pas twee maanden later aan de beurt was. Daaruit blijkt dat het in de praktijk en in de periode dat eiser zijn asielaanvraag had ingediend, het wel degelijk mogelijk was om asielzoekers zo snel mogelijk in de gelegenheid te stellen om het M35-H formulier in te vullen.\n\n16. De rechtbank is verder van oordeel dat – als verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt – het bijzonder onwenselijk en onredelijk is dat verweerder invloed heeft op de ingangsdatum van een verblijfsvergunning en op de startdatum van de beslistermijn. Verweerder bepaalt immers wanneer een asielzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om het M35-H formulier in te vullen en te ondertekenen. Daarnaast heeft verweerder geen inzicht gegeven welk belang wordt gediend met een werkwijze waarbij niet wordt uitgegaan van de datum van de loopbrief.\n\n17. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het verzoek om internationale bescherming dat eiser heeft geuit op 7 augustus 2022 moet worden aangemerkt als aanvraag die eiser heeft aangevuld op 6 oktober 2022 met de ondertekening van het M35-H formulier. Verweerder is bij de inwilliging van eisers asielaanvraag ten onrechte uitgegaan van 6 oktober 2022 als ingangsdatum van de verblijfsvergunning. Het beroep is gegrond. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking meer.\n\n18. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het betreft de ingangsdatum van de verleende vergunning. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb omdat slechts een uitkomst mogelijk is en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het alsnog genomen besluit. De rechtbank bepaalt dat de aan eiser verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als ingangsdatum 7 augustus 2022 heeft, de datum dat de asielwens van eiser is geregistreerd door verweerder en aan hem een loopbrief is afgegeven. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning loopt dus van 7 augustus 2022 tot 7 augustus 2027.\n\n19. Verder veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;\n\nverklaart het beroep, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit, gegrond;\n\nvernietigt het alsnog genomen besluit voor zover dat ziet op de ingangsdatum van de verblijfsvergunning;\n\nbepaalt dat de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van 7 augustus 2022, geldig tot 7 augustus 2027;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde gedeelte van het alsnog genomen besluit; en,\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten van eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.P.W. Kwakman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Algemene wet bestuursrecht\n\n Vreemdelingenwet\n\n Richtlijn (EU) 2004\u002F83.\n\n Richtlijn (EU) 2013\u002F33 en Richtlijn (EU) 2013\u002F32.\n\n Arrest van 26 juli 2017, ECLI:EU:C:2017:587, arrest van 12 april 2018, ECLI:EU:C:2018:248 en arrest van 1 augustus 2022, ECLI:EU:C:2022:618.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie\n\n ECLI:EU:C:2017:587.\n\n Verordening (EU) 604\u002F2013.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:3569.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:2098.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23056","2025-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.168Z",20]