[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-child-custody-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":59},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},52,"child-custody-nl","Child Custody","NL","2026-07-08T16:53:53.220Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122349","Burgerlijk Wetboek","art. 10:56",1,[27,37,45,52],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"665","ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","ecli-nl-rbams-2026-6627","","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F768717 \u002F FA RK 25-3298\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nBeschikking echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. S. Toughza uit Amsterdam,\n\nen\n\n [de man],\n\nhierna te noemen de man,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. J. Werner uit Amsterdam.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie [locatie 1] , hierna te noemen: de Raad.\n\nAls belanghebbende is aangemerkt:\n\nJeugdbescherming Regio Amsterdam,\n\ngevestigd te [locatie 2] ,\n\nhierna te noemen: JBRA.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 6 mei 2025;\n\nhet verweerschrift van de man, met daarin een zelfstandig verzoek, ontvangen op 18 september 2025;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 13 oktober 2025 met daaraan gehecht een brief van de Raad waaruit blijkt dat de Raad naar aanleiding van door Veilig Thuis gemelde zorgen een beschermingsonderzoek zal doen naar [minderjarige] ;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 29 mei 2026 met de mededeling dat een audio-opname via Zivver wordt nagestuurd;\n\neen brief van de man van 2 juni 2026 waarin zijn advocaat reageert op het door de vrouw ingediende audiobestand en het zelfstandige tegenverzoek wordt gewijzigd;\n\nhet F-9 formulier van de vrouw van 4 juni 2026 waarin zij de rechtbank verzoekt dat de gezinsvoogd graag een uitnodiging krijgt voor de mondelinge behandeling en\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 4 juni 2026 met daaraan gehecht een productie.\n\n1.2.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nPartijen en hun advocaten, mevrouw [persoon 1] van de Raad en mevrouw [persoon 2] , gezinsvoogd werkzaam voor JBRA en een collega.\n\nPartijen hebben over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is beschikking bepaald op heden.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] , België.\n\n2.2.. De vrouw heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit en de man heeft de Algerijnse nationaliteit.\n\n2.3.. Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [plaats 2] .\n\n2.4.. De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 16 september 2025 de vrouw bericht dat na aanleiding van een melding van Veilig Thuis [locatie 3] een beschermingsonderzoek zal worden verricht naar de situatie van [minderjarige] .\n\n2.5.. Op 2 februari 2026 heeft deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBRA met ingang van 2 februari 2026 tot 2 november 2026.\n\n3. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is\n\n3.1.. De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken en Nederlands recht is van toepassing.\n\nEchtscheiding\n\n3.2.. \n\nOp grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van het minderjarige kind van partijen. In dit geval ontbreekt een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan. Er is voldoende onderbouwd waarom partijen geen ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve onder toepassing van artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek tot echtscheiding inhoudelijk behandelen. De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.\n\nHoofdverblijfplaats\n\n3.3.. Beide partijen verzoeken de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen te bepalen.\n\n3.4.. De vrouw stelt dat zij altijd hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest.\n\n3.5.. De man stelt dat beide partijen gezamenlijk de zorg over [minderjarige] hebben gedragen, er was nooit één hoofdverzorger. De man betwijfelt of de vrouw wel geschikt is om (alleen) voor de zoon te zorgen. De vrouw blowt veel en er komen bij haar thuis voortdurend mensen over de vloer waarbij er ook wel sprake is van drugsgebruik, de man wil daarover verder niet in detail treden. Dit zorgt voor een onvoldoende stabiele en veilige thuissituatie. De man denkt dat het meest in het belang van [minderjarige] is als hij het hoofdverblijf bij de man zal krijgen, echter op dit moment kan er geen sprake zijn van het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem; de verhuurder staat niet toe dat [minderjarige] langer dan twee nachten elkaar bij de man verblijven. De man hoopt binnenkort een geschikte woning te krijgen waar [minderjarige] langer bij de man kan verblijven.\n\n3.6.. De rechtbank begrijpt het standpunt van de man aldus dat hij zijn verzoek op dit moment in feite niet langer handhaaft en dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek van de vrouw. Omdat [minderjarige] zijn feitelijke hoofdverblijf bij de vrouw heeft en de rechtbank het in zijn belang acht dat deze situatie ook juridisch wordt vastgelegd en de man daartegen niet langer verweer voert, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe. De Raad heeft het verzoek van de vrouw gesteund omdat [minderjarige] bij de vrouw woont.\n\nZorgregeling\n\n3.7.. Beide partijen hebben verzocht een zorgregeling vast te stellen.\n\n3.8.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] bij de man is elke dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt voor de Lidl bij [locatie 4] .\n\n3.9.. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld, waar [minderjarige] ook getuige van is geweest. De vrouw onderschrijft het belang van contact tussen de man en [minderjarige] en heeft dit ondanks het verleden van partijen ook nooit geweigerd, maar zij maakt zich wel zorgen en wil dat er voorzichtig wordt omgegaan met [minderjarige] . [minderjarige] ziet zijn vader nu elke dinsdag. Inmiddels verloopt de regeling steeds beter. [minderjarige] had in het begin veel moeite om naar zijn vader toe te gaan. De vrouw wil dat de regeling rustig wordt uitgebreid, in afstemming op [minderjarige] . Op dit moment vindt na overleg met de gezinsvoogd de overdracht plaats in het appartementencomplex waar de vrouw en [minderjarige] wonen. [minderjarige] loopt de trap af en de man vangt hem daar op. De vrouw heeft niet het idee dat de man werkelijk naar een co-ouderschap wil toewerken. Zij vermoedt dat de man denkt dat een co-ouderschap de kansen van de man op een verblijfsvergunning verhoogt. De vrouw vindt het fijn dat JBRA en Sipi, de betrokken hulpverleningsorganisatie, meekijken. Zij hoopt dat er ook de mogelijkheid zal zijn dat [minderjarige] met een psycholoog kan praten. [minderjarige] slaapt heel erg onrustig end dat baart de vrouw zorgen. De vrouw is niet tegen een uitbreiding op termijn met overnachtingen, maar vindt dat de uitbreiding in het tempo moet gaan van [minderjarige] . Omdat de vrouw doordeweeks werkt na kantoortijden en in het weekend moet er in de regeling ruimte zijn voor haar om [minderjarige] op haar vrije momenten te zien. Als de man in het weekend de zorg niet kan dragen dan moet er een manier gevonden worden om de vrije momenten te delen. De vrouw zou de dinsdag willen aanhouden en daarbij een regeling in het weekend.\n\n3.10.. De man heeft verzocht om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, van vrijdagmiddag tot zondagavond (na het eten) en waarbij de overdracht plaatsvindt op [locaties] .\n\n3.11.. Voor de man is het essentieel dat [minderjarige] en hij met grotere regelmaat en voor een langere tijd per keer omgang hebben. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij is blij en vrolijk bij de man. De man kan goed voor [minderjarige] zorgen en het gaat steeds beter. De man wil een uitbreiding ook stap voor stap doen in het belang van [minderjarige] . De man wil zijn rol als vader serieus oppakken. De man wil wel graag duidelijkheid over wat er op termijn mogelijk zal zijn. De man heeft werk dat zich in het weekend concentreert. Daarom moet er een compromis gevonden worden waarin beide partijen tijd met [minderjarige] kunnen doorbrengen op hun vrije momenten. Overdag kan de man de zorg dragen in het weekend, maar hij werkt in het weekend ’s avonds. De man betwist dat hij enkel een co-ouderschap op papier zou willen om een verblijfsvergunning te kunnen krijgen. Zijn diepste wens is om meer tijd door te brengen met [minderjarige] .\n\n3.12.. De gezinsvoogd heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat sinds de afgelopen maanden dat JBRA betrokken is de situatie is verbeterd. Er is veel gebeurd in het verleden. Beide ouders werken nu goed mee met de hulpverlening. Op dit moment is Sipi betrokken die helpt bij de omgang. JBRA vindt het belangrijk dat uitbreiding van de zorgregeling veilig gebeurt. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat er wordt uitgebreid door vaker kortere momenten te organiseren. Het zou fijn zijn voor [minderjarige] als er meer duidelijkheid komt.\n\n3.13.. De raadsmedewerker heeft op de mondeling behandeling het volgende naar voren gebracht. De overdracht zoals die nu plaats vindt van [minderjarige] van de ene naar de andere ouder is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is twee jaar en daarmee veel te jong om alleen de oversteek in het trappenhuis te moeten maken van moeder naar vader. Door de overdracht op deze manier te doen heeft [minderjarige] geen support van zijn ouders, geen toestemming om naar de andere ouder te gaan, en dat moet echt anders. Het is fijn dat Sipi helpt bij het organiseren van een goed veilige omgang. De vrouw moet vragen kunnen stellen over de omgang van [minderjarige] bij vader en vader andersom ook. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat beide ouders betrokken zijn, ook als [minderjarige] op dat moment niet bij hen is. Het is dus ook belangrijk dat informatie over het adres waar [minderjarige] met de man verblijft, kenbaar wordt gemaakt aan de vrouw. Ouders dienen zich te allen tijde af te vragen wat zij zelf kunnen doen om het voor [minderjarige] gemakkelijker te maken. Het is voor alle betrokkenen fijn om een stip op de horizon te hebben naar de toekomstige situatie waarin de zorgregeling verder is uitgebreid. Maar het voorstel van de man geeft te veel onrust. [minderjarige] is nog erg klein en de zorgregeling moet worden opgebouwd. Er zit nu teveel spanning op. De Raad wil meegeven dat er voorzichtig en langzaam naar uitbreiding met eerst een nachtje moet worden toegewerkt. Naar de vrouw toe geeft de Raad mee dat kinderen onrustiger gaan slapen als er spanningen zijn, maar dit ook past bij de leeftijd. [minderjarige] bevindt zich midden in de fase van het opbouwen van hechting met de man. Daar hoeft de vrouw zich nu geen zorgen over te maken. Het is belangrijk dat [minderjarige] terugkijkt op deze periode later en vindt dat zijn ouders dit best wel goed voor hem hebben geregeld. Omdat [minderjarige] nog heel klein is, is het extra belangrijk dat er goed naar [minderjarige] wordt gekeken. Als het een keer niet zo goed gaat, breng hem dan terug. Vader gaat steeds belangrijker worden. De Raad adviseert om in overleg met Sipi en JBRA op termijn uit te breiden naar contact op bijvoorbeeld maandag en van donderdag op vrijdag, dan is er iets meer ruimte tussen de contactmomenten. Toewerken naar twee nachtjes op termijn is een mogelijkheid. Maar het is afwachten hoe [minderjarige] daarop zal reageren. Kan hij met toestemming van beide ouders en onbelast toewerken aan een uitgebreidere zorgregeling? Het zal waarschijnlijk een stuk sneller gaan als de spanningen tussen partijen eindigen. Misschien kunnen partijen in overleg met hun advocaten kijken naar de werktijden van beide ouders en komen tot een plan.\n\n3.14.. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal de huidige zorgregeling vastleggen en daarbij bepalen dat deze regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA plaatsvindt, die zich terzake laat informeren en adviseren door Sipi. Deze zorgregeling wordt op termijn uitgebreid naar een regeling waarbij [minderjarige] ook bij zijn vader zal overnachten. Dat zal eerst een nacht per week zijn en, indien dit goed gaat en JBRA daartoe aanleiding ziet, naar twee nachten per week. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de voorgeschiedenis van partijen moet deze uitbreiding behoedzaam en in afstemming op [minderjarige] plaatsvinden. Met betrekking tot de overdracht van [minderjarige] tussen de ouders is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de huidige regeling, waarbij de twee-jarige [minderjarige] zelf het trappenhuis van de flat alleen naar boven en naar beneden moet lopen, niet in het belang van de minderjarige is. De overdracht dient bij de vrouw voor de deur plaats te vinden zodat [minderjarige] de toestemming voelt om naar de andere ouder te gaan. Van de ouders mag verwacht worden dat zij zich ervoor inspannen dat de overdracht voor [minderjarige] rustig en prettig verloopt. De man dient [minderjarige] bij de vrouw op te halen en weer terug te brengen.\n\nMitsdien wordt beslist als volgt.\n\n4. De beslissing\n\n4.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] (België);4.2.. stelt vast dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;4.3.. \n\nstelt vast dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man is:\n\n- iedere dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt,\n\nwelke regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA wordt uitgebreid met een nacht per week en in de verdere toekomst twee nachten per week, in afstemming op [minderjarige] ;\n\n4.4.. deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van de echtscheiding;\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.B. Sluijs, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. van den Berg, griffier op 3 juli 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.\n\n Echtscheiding: art. 3 Brussel II-ter en art. 10:56 BW. Ouderlijke verantwoordelijkheid: art. 7 Brussel II-ter en art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.987Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":41,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":35,"updatedAt":44},"1444","ECLI:NL:GHAMS:2026:1731","ecli-nl-ghams-2026-1731","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht en belastingrecht\n\nTeam III (familie- en jeugdrecht)\n\nzaaknummer: 200.361.124\u002F01\n\nzaaknummers rechtbank: C\u002F15\u002F332653 \u002F FA RK 22-4689 en C\u002F15\u002F338990 \u002F FA RK 23-1825\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak van\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in principaal hoger beroep,\n\nverweerster in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. A.E. Koster te Den Helder,\n\nen\n\n [de vader] ,\n\nwonende te [plaats B] ,\n\nverweerder in principaal hoger beroep,\n\nverzoeker in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. K.G.A.C. Scheper te Den Bosch.\n\nHet hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en\n\n- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .\n\nIn de procedure heeft een adviserende taak:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,\n\nhierna: de raad.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe zaak gaat in de kern over de vraag hoe bij de uitvoering van de zorgregeling het brengen en halen van [minderjarige 1] (7 jaar) en [minderjarige 2] (4 jaar) tussen de ouders moet worden verdeeld.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. De moeder is op 5 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).\n\n2.2. De vader heeft op 21 januari 2026 een verweerschrift met daarin ook een (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.3. De moeder heeft op 16 maart 2026 een verweerschrift op het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.4. Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 18 november 2025 met bijlagen, en\n\n- ( op verzoek van het hof) een bericht van de zijde van de moeder van 11 mei 2026 met bijlagen.\n\n2.5. \n\nNamens de vader is op 18 mei 2026 een bericht met bijlagen (producties 38 tot en met 41) overgelegd. De advocaat van de moeder heeft diezelfde dag verzocht om die stukken buiten beschouwing te laten.\n\nHet hof heeft daarop beslist en partijen op dezelfde dag geïnformeerd dat gelet op de omvang en het moment van indiening van de nadere stukken, de akte en de bijgevoegde stukken buiten beschouwing worden gelaten.\n\n2.6. Ter zitting heeft de advocaat van de vader het hof erop gewezen dat hij bij bericht van 19 mei 2026 (nieuwe) producties 38 t\u002Fm 40 heeft overgelegd. Alhoewel namens de moeder tegen het overleggen van deze producties geen bezwaar is gemaakt, heeft het hof bij de afsluiting van de zitting beslist dat de op 19 mei 2026 overgelegde producties 38 t\u002Fm 40 buiten beschouwing worden gelaten, mede omdat partijen ter zitting op een van de geschilpunten waar de producties betrekking op hadden, tot overeenstemming zijn gekomen.\n\n2.7. De zitting heeft op 20 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en\n\n- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.\n\nDe advocaten van de moeder en de vader hebben op de zitting pleitnotities voorgedragen en overgelegd.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn op 9 oktober 2017 te [gemeente] een geregistreerd partnerschap aangegaan, welk geregistreerd partnerschap op 8 september 2025 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de – in zoverre niet – bestreden beschikking van 7 augustus 2025.\n\n3.2. Uit dit geregistreerd partnerschap zijn geboren:\n\n- [minderjarige 1] , [in] 2019 te [plaats C] , Curaçao, en\n\n- [minderjarige 2] , [in] 2022 te [plaats C] , Curaçao (hierna gezamenlijk: de kinderen).\n\n3.3. De ouders hebben van rechtswege gezamenlijk gezag over de kinderen. De kinderen staan ingeschreven op het woonadres van de moeder en zij hebben hun hoofdverblijfplaats ook bij de moeder.\n\n3.4. Bij proces-verbaal van mondelinge uitspraak naar aanleiding van een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen van 10 februari 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat:\n\n- de kinderen worden toevertrouwd aan de moeder;\n\n- tussen de vader en de moeder een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) gaat gelden die door middel van een opbouw tot stand moet komen.\n\n3.5. Bij beschikking van de rechtbank van 16 oktober 2023 is, met wijziging van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 10 februari 2023, een nadere zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen -na een verdere opbouw- vanaf vrijdag 12 januari 2024 eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur (naast een wekelijkse doordeweekse dag vanuit school tot 17.00 uur) bij de vader (in [plaats D] ) zijn waarbij voor alle omgangsmomenten geldt dat de vader de kinderen ophaalt en weer terugbrengt naar de moeder (in [plaats A] ).\n\n3.6. Bij beschikking van de rechtbank van 9 augustus 2024 is, voor zover hier van belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 16 oktober 2023, een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij de vader en de kinderen in de even weekenden van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur omgang met elkaar hebben, waarbij de vader de kinderen uit school ophaalt en hen op zondag bij de moeder thuis terugbrengt, waarbij geldt dat de stiefvader van de moeder op zondag niet aanwezig is in of rondom de woning van de moeder.\n\n3.7. Partijen hebben ruim nadat zij feitelijk uit elkaar zijn gegaan in het kader van de beëindiging van hun geregistreerd partnerschap overleg gehad en op deelonderwerpen afspraken gemaakt welke in juni 2025 zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de aangehechte, door de ouders op 3 juni 2025 respectievelijk 17 juni 2025 ondertekende, vaststellingsovereenkomst deel uitmaakt van de beschikking, waarbij op de resterende geschilpunten als volgt is beslist:\n\n- artikel 1.10: de vader haalt de kinderen vrijdag op en de moeder haalt de kinderen op zondag op bij de vader;\n\n- artikel 1.10: de vader haalt [minderjarige 1] op vrijdag op uit school en [minderjarige 2] bij de moeder thuis.\n\n4.2. \n\nDe moeder verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:\n\nI. te bepalen dat de vader op de zondagen van de reguliere omgangsweekenden de kinderen om 16.00 uur bij de moeder (op haar woonadres) terug dient te brengen;\n\nII. subsidiair: voor het geval het hof bepaalt dat de moeder op die zondagen de kinderen bij de vader dient te halen, te bepalen dat de moeder de kinderen dan op die zondagen van de reguliere omgangsweekenden om 14.00 uur bij de vader ophaalt, dan wel laat ophalen;\n\nIII. te bepalen, dat zodra [minderjarige 2] ook naar school gaat, de vader op de bewuste vrijdagen van de reguliere omgangsweekenden, beide kinderen om 14.30 uur bij de moeder thuis ophaalt;\n\nalthans zodanige regelingen te treffen als het hof juist acht.\n\n4.3. \n\nDe vader verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. In (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep verzoekt de vader in aanvulling op de bestreden beschikking te bepalen dat:\n\nI. de kinderen na afloop van zijn zorgweekend om 16.00 uur door de moeder worden opgehaald bij hem, en\n\nII. vanaf het moment dat [minderjarige 2] naar school gaat, beide kinderen bij aanvang van zijn zorgweekend om 14.00 uur door hem worden opgehaald uit school.\n\nTer zitting in hoger beroep heeft de vader aanvullend verzocht om de raad op te dragen een onderzoek te doen naar de volgende vragen:\n\n- In hoeverre is sprake van gedrag of communicatie van de ouders dat het contact, de hechting of de relatie van de kinderen met de andere ouder belemmert of negatief beïnvloedt?\n\n- Welke invloed hebben de terugkerende conflicten en politie-incidenten tijdens overdrachtsmomenten op het veiligheidsgevoel, de emotionele ontwikkeling en de loyaliteitsbeleving van de kinderen?\n\n- In hoeverre zijn beide ouders in staat de kinderen emotionele toestemming te geven voor onbelemmerd contact met de andere ouder en het belang van de kinderen boven het onderlinge conflict te plaatsen?\n\n- Welke interventies, veiligheidsafspraken of vormen van hulpverlening zijn noodzakelijk om verdere escalaties, loyaliteitsproblematiek en mogelijke contactbreuk tussen de kinderen en een van de ouders te voorkomen?\n\n4.4. De moeder verzoekt in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep om de verzoeken van de vader af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nIn principaal en incidenteel hoger beroep\n\n5.1. Ter zitting in hoger beroep hebben de ouders overeenstemming bereikt over de ophaallocatie van de kinderen op vrijdagmiddag na school in de weekenden dat de vader voor hen zorgt. De ouders hebben, overeenkomstig het advies van de raad, afgesproken dat de vader de kinderen vanaf de eerstvolgende vrijdag na de zitting (22 mei 2026) op de vrijdagen dat hij de zorg voor de kinderen draagt, om 14.00 uur ophaalt uit school. Het hof is van oordeel dat het belang van de kinderen zich niet verzet tegen deze afspraak en zal, overeenkomstig het voorwaardelijk verzoek van de vader in incidenteel hoger beroep, beslissen.\n\n5.2. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing over de zorgregeling te nemen, zodat geen aanleiding bestaat hierover een raadsonderzoek te gelasten, zoals de vader heeft verzocht. Daarbij overweegt het hof dat het op dit moment (afgezien van de spanningen tussen de ouders die de kinderen meekrijgen) goed lijkt te gaan met de kinderen. Ook wijst het hof er op dat de vragen die de vader via een onderzoek door de raad aan de orde wil stellen buiten het bereik van de in deze zaak aan de orde zijnde verzoeken valt. Het hof zal de raad daarom niet verzoeken een raadsonderzoek uit te voeren.\n\n5.3. Het hof dient nog de overige verzoeken omtrent de zorgregeling te beoordelen. Het hof zal daartoe de grieven in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep, gelet op hun inhoud en onderlinge samenhang, hierna gezamenlijk bespreken.\n\nHet wettelijk kader5.4. De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten - voor zover in deze zaak van belang - een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.\n\n5.5. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij de kinderen in het weekend dat zij bij de vader verblijven op zondag op dient te halen bij hem. De moeder werkt in de zorg en kan slechts in beperkte mate invloed uitoefenen op haar werkrooster. Daar komt bij dat zij momenteel intern een opleiding volgt waarvoor het nodig is dat zij ook in de weekenden werkt. Dit alles maakt dat de moeder volgens haar geen uitvoering kan geven aan de beslissing van de rechtbank. De rechtbank heeft dit bij beschikking van 16 oktober 2023 ook vastgesteld in het kader van voorlopige voorzieningen en heeft toen bepaald dat de vader de kinderen vanaf 12 januari 2024 in zijn zorgweekend om 17.00 uur bij de moeder dient terug te brengen. Daarna heeft de rechtbank bij beschikking van 9 augustus 2024 nogmaals vastgesteld dat de vader de kinderen op die zondagen bij de moeder terug dient te brengen, zij het om 16.00 uur. De omstandigheden zijn nadien niet gewijzigd en de afwijking in de bestreden beschikking ten opzichte van de eerdere beschikkingen is niet behoorlijk gemotiveerd. Het tijdstip van terugbrengen is vervolgens niet meer uitgewerkt in de vaststellingsovereenkomst, omdat dat tijdstip en de reden voor dat tijdstip tussen de ouders vaststond. Het tijdstip komt ook niet terug in de bestreden beschikking, wat een omissie is. De moeder zou vanwege haar werk meermaals per maand derden moeten inschakelen om de kinderen op de zondagen bij de vader thuis op te halen. De moeder kan (alleen) haar ouders af en toe vragen om de kinderen op te halen, maar zij zijn op hogere leeftijd en kunnen niet verplicht worden om hier vast onderdeel van uit te maken. De vader werkt in de omgangsweekenden niet en is in staat om de kinderen te halen en terug te brengen naar de moeder. De vader moet verantwoordelijkheid nemen voor het feit dat hij in [plaats D] is gaan wonen, wetende dat deze grote afstand invloed zou hebben op de zorgregeling. Als de moeder de kinderen wel op zondag moet ophalen, dan wil zij dat de ophaaltijd met twee uur wordt vervroegd, zodat de kinderen thuis kunnen acclimatiseren en tot rust kunnen komen. Momenteel vallen de kinderen op de terugweg in slaap in de auto, waardoor zij ’s avonds ontregeld zijn en niet willen slapen. Het voorstel van de vader om de kinderen om 17.00 uur op te halen is niet in het belang van de kinderen, is onwenselijk en zal tot meer onrust leiden, aldus de moeder.\n\n5.6. De vader meent dat terecht is overwogen dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders de verantwoordelijkheid delen voor het vervoer en het halen en brengen van de kinderen. Met een dergelijke regeling wordt aan de kinderen door de ene ouder emotionele toestemming gegeven om naar de andere ouder te mogen gaan. De moeder heeft niet aangetoond dat haar werkrooster niet op zodanige wijze kan worden ingericht, dat zij de kinderen om de week op zondagmiddag om 16.00 uur bij de vader kan komen ophalen. Eerder bracht de vader de kinderen om 16.00 uur terug naar de moeder, waarop zij haar rooster kennelijk wel kon inrichten. Als dat haar niet lukt, dan is het aan haar om haar netwerk aan te spreken. De stellingen van de moeder rijmen niet met haar verzoek om te bepalen dat het zorgweekend van de vader om 14.00 uur eindigt als zij de kinderen bij hem moet komen ophalen. In dat geval wordt de ophaaltijd met twee uur vervroegd, zodat zij minder inzetbaar is. Als zij haar werkrooster hierop kan aanpassen, moet dat ook voor een latere ophaaltijd gelden. Daarnaast zou het zorgweekend van de vader dan twee uur eerder eindigen, terwijl zijn zorg voor de kinderen al beperkt is en een verdere inperking niet in het belang van de kinderen is. Bovendien zijn de kinderen en de moeder in de huidige regeling rond 17.40 uur weer thuis, zodat er voldoende tijd is om te acclimatiseren. De vader is bereid om met de moeder mee te denken en wat hem betreft kan zij de kinderen ook om 17.00 uur bij hem komen ophalen. In geen van de door de moeder genoemde beschikkingen is geoordeeld dat de kinderen op zondag om 16.00 uur bij haar terug moeten zijn, zodat zij kunnen acclimatiseren. De vader stelt verder dat hij de (reis)afstand verkleind heeft door terug te verhuizen van Curaçao naar Nederland en dat alternatieve woonruimte dichter bij de moeder en de kinderen niet beschikbaar was. Onlangs hebben er twee incidenten plaatsgevonden tijdens de overdrachtsmomenten (op 3 en 8 mei 2026), waarbij de politie ter plaatse is geweest.\n\nHet advies van de raad5.7. De raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven het lastig te vinden om een advies uit te brengen over het ophalen\u002Fterugbrengen van de kinderen op zondag. Eerder heeft de raad bij de zitting van de rechtbank daar in het algemeen vanuit opvoedkundig perspectief wel iets over gezegd, maar er zijn nu vooral specifieke redenen van praktische aard waarom de moeder de kinderen kennelijk op zondagmiddag niet kan ophalen bij de vader te [plaats D] . Als de moeder het wat betreft de inrichting van haar werktijden niet redt om de kinderen op te halen, dan kan mogelijk worden overwogen dat de vader de kinderen terugbrengt. De samenwerking tussen de ouders verloopt niet goed, waar de kinderen last van hebben en spanningen door ervaren. De ouders moeten dat veranderen en ervan doordrongen zijn dat de kinderen klem komen te zitten in een loyaliteitsconflict als zij in hun houding, gedrag en communicatie doorgaan zoals zij nu doen. Basale communicatie tussen de ouders is het minste wat van hen verwacht mag worden. Zij moeten samen aan de slag gaan om het ouderschap op een voor de kinderen veilige en voorspelbare wijze in te vullen. Het is daarbij ook belangrijk dat de kinderen toestemming voelen van de moeder om bij de vader te zijn. Dat de politie wordt gebeld en langskomt is heel ingrijpend voor de kinderen en draagt niet bij aan hun welzijn. De ouders hebben begeleiding nodig om te onderzoeken wat zij zelf kunnen doen om in het belang van de kinderen niet naar elkaar te escaleren. De raad vindt het belangrijk dat de ouders onafhankelijk van elkaar een traject volgen om te leren hoe zij met elkaar kunnen communiceren en overleggen over de kinderen. De raad kan zich voorstellen dat een Solo Parallel Ouderschap traject helpend kan zijn voor de ouders.\n\nDe beoordeling5.8. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Gedurende hun geregistreerd partnerschap hebben de ouders enkele jaren samengewoond op Curaçao. Nadat de ouders in juli 2022 (toen de moeder zwanger was van [minderjarige 2] ) uit elkaar zijn gegaan is de vader op Curaçao blijven wonen en is de moeder met de kinderen naar Nederland verhuisd. De moeder is toen met de kinderen in [gemeente] gaan wonen, waar de ouders hun woning hadden aangehouden. De vader is eind september 2023 van Curaçao naar Nederland verhuisd en bij zijn nieuwe partner in [plaats D] ingetrokken. Er liep na de terugkeer van de vader een zorgregeling, waarover de rechtbank in meerdere beschikkingen heeft beslist dat de vader de kinderen na een regulier omgangsweekend terug moest brengen naar de moeder.\n\n5.9. Het hof is van oordeel dat gelet op hetgeen de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd, voldoende vast is komen te staan dat het voor haar, in de weekenden dat de kinderen bij de vader zijn, vooralsnog niet mogelijk is om de kinderen op zondagmiddag bij hem in [plaats D] op te halen. Gebleken is dat de moeder een opleiding tot verpleegkundige volgt en dat zij in dat kader verplicht is twee weekenden per maand te werken. Het is juist op een eerder verzoek van de vader geweest dat de zorgweekenden zijn gewisseld, waardoor de vader momenteel de zorg voor de kinderen draagt in de weekenden dat de moeder werkt. Aannemelijk is geworden dat de moeder in een weekend in beperkte mate de keuze heeft om in bepaalde dienst te werken (van 07.00 uur tot 15.00 uur of van 10.00 uur tot 20.00 uur of vanaf 15.00 uur tot 22.00 uur). Alleen de dienst op zondag van 07.00 uur tot 15.00 uur biedt de moeder in theorie de mogelijkheid om de kinderen rond 17.00 uur bij de vader te [plaats D] op te halen. Dat vergt van de moeder dan dat zij na haar dienst van 07.00 tot 15.00 uur (bij gunstige verkeersomstandigheden) nog 3 a 4 uur in de auto moet reizen om de kinderen op te halen. Dit acht het hof niet verantwoord en niet in het belang van de kinderen. De moeder is daarom afhankelijk van derden als de kinderen opgehaald moeten worden bij de vader. Ter zitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat haar moeder de kinderen op dit moment op zondag ophaalt bij de vader, maar dat haar moeder heeft aangegeven dat dit een tijdelijke oplossing is en dat van haar niet gevraagd kan worden dat zij de kinderen altijd op de zondagen ophaalt bij de vader te [plaats D] . Het hof acht deze tijdelijke oplossing geen duurzame oplossing en het hof is van oordeel dat van de moeder niet verwacht kan worden dat zij telkens derden inschakelt om de kinderen op te laten halen bij de vader te [plaats D] . Daar komt bij dat niet gebleken is dat de vader de kinderen niet kan terugbrengen naar de moeder op zondag. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij op zondag om 16.00 uur terug gebracht worden bij de moeder, zodat zij voldoende tijd hebben om te acclimatiseren voordat zij naar bed gaan zodat zij uitgerust zijn als zij de volgende dag weer naar school moeten. Het hof zal het primaire verzoek van de moeder dan ook toewijzen en bepalen dat de vader de kinderen op de zondagen dat zij bij hem zijn om 16.00 uur bij de moeder (op haar woonadres te [plaats A] ) terug dient te brengen. Nu het primaire verzoek van de moeder wordt toegewezen, zal het hof het subsidiaire verzoek van de moeder en het voorwaardelijk verzoek van de vader (om te bepalen dat de kinderen na afloop van zijn zorgweekend om 16.00 uur door de moeder worden opgehaald bij hem) afwijzen.\n\n5.10. Ten overvloede overweegt het hof als volgt. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij naar verwachting in september 2027 klaar is met haar opleiding. Dan zal er een nieuwe situatie ontstaan, waarbij de moeder mogelijk flexibeler kan worden in het organiseren van haar werktijden en daarmee in het ophalen van de kinderen bij de vader. Het hof geeft partijen in overweging om dan te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de regeling over het brengen en halen aan te passen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt onderdeel 3.2. van de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende;\n\nbepaalt dat de vader de kinderen in zijn zorgweekend op vrijdag ophaalt uit school en op zondag om 16.00 uur terugbrengt bij de moeder (op haar woonadres);\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nbekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. F. Kleefmann en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1731","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:21.464Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":35,"updatedAt":51},"1988","ECLI:NL:GHAMS:2026:1732","ecli-nl-ghams-2026-1732","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht en belastingrecht\n\nTeam III (familie- en jeugdrecht)\n\nzaaknummer: 200.344.709\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F332362 \u002F FA RK 22-4558\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 de zaak van\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in het principaal hoger beroep,\n\nverweerster in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. C.C. Sneper te Amersfoort,\n\nen\n\n [de vader] ,\n\nwonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,\n\nverweerder in het principaal hoger beroep,\n\nverzoeker in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. M.H. Gillis te Hoorn.\n\nHet hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .\n\nIn de procedure heeft een adviserende taak:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem ,\n\nhierna: de raad.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe zaak gaat over [minderjarige 2] (14 jaar) en het contact met haar vader.\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de kinderen) een zorgregeling vastgesteld en het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.\n\nDe moeder was het daar niet mee eens en vond dat de zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door het hof moest worden aangepast en dat de hoofdverblijfplaats bij haar moest worden bepaald. Later in de procedure heeft de moeder het hof verzocht alleen de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 2] te beperken of een raadsonderzoek te gelasten.\n\nDe vader was het wel eens met de bestreden beschikking. Verder wil hij dat er een raadsonderzoek wordt ingesteld of een bijzondere curator voor [minderjarige 2] wordt benoemd.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 12 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van\n\n14 mei 2024 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).\n\n2.2. De vader heeft op 16 oktober 2024 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.3. De moeder heeft op 29 november 2024 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.4. Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:\n\n- een bericht van de zijde van vader van 13 november 2024 met bijlage,\n\n- een bericht van de zijde van vader van 22 november 2024 met bijlagen,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 4 december 2024 met bijlagen.\n\n2.5. De voorzitter heeft op 4 december 2024 met [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 1] heeft in een brief aan het hof laten weten wat zijn mening is. De voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling van 5 december 2024 de inhoud van het gesprek met [minderjarige 2] en de brief van [minderjarige 1] zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.\n\n2.6. Op 5 december 2024 heeft een zitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Het hof heeft op deze zitting besloten de zaak pro-forma aan te houden tot 2 maart 2025 om de uitkomsten van het hulpverleningstraject via Focus2BE af te wachten. Vervolgens is de zaak een aantal keer aangehouden om het verdere verloop van de hulpverlening gericht op het herstellen van het contact tussen [minderjarige 2] en de vader af te wachten. De partijen hebben zich op verschillende moment uitgelaten over het verloop van de hulpverlening, de onderlinge verhoudingen tussen de ouders en de gewenste verdere voortgang van de procedure.\n\n2.7. Na de zitting van 5 december 2025 zijn bij het hof de volgende nadere stukken binnengekomen:\n\n- een bericht van de vader van 26 februari 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 3 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 5 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 15 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 15 mei 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 15 mei 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 7 september 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 31 januari 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 22 maart 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 23 maart 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 24 maart 2026, met bijlagen.\n\n2.8. De mondelinge behandeling is voortgezet op 2 april 2026. Verschenen zijn:\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en\n\n- de raad vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren [in] 2009 te [plaats 2] en [minderjarige 2] , geboren op [in] 2012 te [gemeente] . De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 9 maart 2022 gescheiden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022. Het gezamenlijk gezag over de kinderen is na de echtscheiding in stand gebleven.\n\n3.2. Aan de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022 is een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan gehecht waarin - voor zover hier van belang - het volgende staat vermeld:\n\n- artikel 2.3 van het echtscheidingsconvenant: De ouders zijn overeengekomen dat beide kinderen ingeschreven zullen worden op het woonadres van de moeder, zodra zij een eigen woonadres heeft om zich in te schrijven. Tot zolang blijven de kinderen ingeschreven bij de vader.\n\n- artikel 4 van het ouderschapsplan: De ouders hebben overlegd over de wijze waarop zij na de scheiding de zorg willen verdelen. De ouder waar de kinderen verblijven is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg. De ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen. Er is geen zorgregeling in tijd en plaats. Moeder volgt rooster vader op zo'n manier dat de verdeling 50\u002F50 is per periode van 28 dagen. Dit wordt elke periode opnieuw bekeken vanwege onregelmatig werkrooster. Dit wordt opnieuw bekeken als de contractbasis waarop moeder werkt verandert. Een mogelijkheid is een contract van 50%. In dat geval zal het co-ouderschap om de week worden.\n\n3.3. Bij proces-verbaal van de rechtbank van 8 november 2022 zijn partijen in de onderhavige zaak verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Bij tussenbeschikking van de rechtbank van 25 november 2022 is de beslissing in de bodemzaak over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden in afwachting van bericht van de gemeente [gemeente] , de raad of partijen over het verloop en de uitkomsten van het hulpverleningstraject in het kader van het UHA.\n\n3.4. Uit het eindverslag van Altra, door de rechtbank ontvangen op 29 januari 2024, blijkt dat het hulpverleningstraject is gestagneerd en de doelen niet zijn behaald.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de even weken bij de moeder, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen. Verder is bepaald dat [minderjarige 2] bij wijze van opbouwregeling in de week dat [minderjarige 1] bij de vader verblijft tweemaal bij de vader verblijft van donderdagmiddag uit school tot en met zondag aan het eind van de middag en daarna net als [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.\n\n4.2. De moeder verzoekt in haar beroepschrift, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de zorgregeling voor beide kinderen te wijzigen, in die zin dat zij per datum beschikking eens in de twee weken een weekend van vrijdag tot zondag bij de vader verblijven alsmede dat de regeling van de vakanties blijft zoals overeengekomen, met uitzondering van de mei\u002Fkerstvakantie en de zomervakantie, waarvan zij de invulling vastgelegd wil zien door het hof. Tenslotte verzoekt de moeder dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar wordt vastgesteld.\n\n4.3. De vader verzoekt in zijn verweerschrift het beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader om de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals bepaald in de bestreden beschikking op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel tot een maximum van € 25.000,-. Verder verzoekt de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure van de vader, te weten € 3.440,56, alsmede tot betaling van de nakosten.\n\n4.4. De moeder verzoekt het hof om het incidentele hoger beroep van de vader in zijn geheel af te wijzen.\n\n4.5. De moeder heeft per brief van 2 februari 2026 het hof verzocht de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] te wijzigen en daarbij benadrukt dat [minderjarige 2] geen weekendregeling of vaste dag bij de vader meer wenst. Subsidiair verzoekt de moeder het hof een raadsonderzoek te gelasten.\n\n4.6. De vader verzoekt bij brief van 22 maart 2026 een bijzondere curator met een pedagogische en\u002Fof psychologische achtergrond te benoemen dan wel een raadsonderzoek te gelasten.\n\n4.7. \n\nOp de zitting op 2 april 2026 hebben de partijen, naar het hof begrijpt, het hof verzocht een tijdelijke zorgregeling vast te stellen en een bijzondere curator voor [minderjarige 2] te benoemen.\n\nVerder hebben partijen ter zitting hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] ingetrokken.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Omdat partijen hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] hebben ingetrokken, hoeft het hof hierop geen beslissing meer te nemen. De beoordeling van het hof gaat alleen nog over de verzoeken met betrekking tot [minderjarige 2] .\n\nHet wettelijk kader\n\n5.2. \n\nUit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:\n\n een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.\n\nDe standpunten\n\n5.3. De moeder vindt dat de zorgregeling moet worden afgestemd op de behoeften en wensen van [minderjarige 2] . Een co-ouderschapregeling is niet werkbaar. [minderjarige 2] wil geen weekendregeling met de vader meer en zelfs een vaste dag is haar te veel. Zij is wel bereid tot gestructureerd contact, maar de vader blijft hameren op een co-ouderschapsregeling. In de afgelopen periode heeft [minderjarige 2] contact gehad met de kindbehartiger om de situatie tussen haar en de vader te verbeteren. Er zijn verschillende gesprekken geweest, maar telkens loopt de communicatie tussen hen weer vast door de houding van de vader. Verder weigert de vader nog steeds met de moeder te communiceren. Volgens de moeder is de communicatie tussen de ouders niet verbeterd, terwijl een goede onderlinge communicatie noodzakelijk is voor de uitvoering van een zorgregeling. De moeder is van mening dat de zorgregeling moet worden beperkt in het belang van [minderjarige 2] . Een raadsonderzoek of de benoeming van een bijzondere curator kan nadere informatie opleveren die van belang is voor de beoordeling welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is.\n\n5.4. De vader wil dat onderzoek wordt gedaan naar de reden waarom [minderjarige 2] niet meer naar hem toe gaat. De zorgregeling wordt al een lange periode niet meer nageleefd en de vader ziet [minderjarige 2] weinig tot helemaal niet. Voor de vader is duidelijk dat [minderjarige 2] wel contact met hem wil, maar dat iets haar tegenhoudt. Zij stuurt hem berichten en neemt zelf contact op met de kindbehartiger. Hieruit blijkt dat zij zelf initiatief neemt om haar vader te zien. Volgens de vader worden er telkens stappen gemaakt in het contact tot er iets gebeurt waardoor het contact weer misloopt. De vader vermoedt dat de moeder hierin een rol speelt. Het doel van het onderzoek moet zijn dat wordt vastgesteld wat [minderjarige 2] tegenhoudt om weer volgens de co-ouderschapregeling bij hem te verblijven.\n\n5.5. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat zij wensen dat een bijzondere curator wordt benoemd en dat [minderjarige 2] tot die tijd één middag in de week naar de vader gaat. Als [minderjarige 2] dat wil, kan de tijdelijke regeling worden uitgebreid met een overnachting bij de vader. Het doel van de regeling is dat de vader en [minderjarige 2] samen tijd door kunnen brengen.\n\nHet advies van de raad\n\n5.6. De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende aangegeven. De ouders vinden het lastig om in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren en hierdoor worden de kinderen belast met verantwoordelijkheden die zij niet kunnen dragen. [minderjarige 2] ervaart druk door de strijd tussen de ouders en raakt door de verstoorde verhoudingen verder verwijderd van haar vader. Eerdere hulpverlening is vastgelopen en de raad adviseert de ouders om via het traject solo-parallel ouderschap afspraken te maken, zodat de kinderen minder worden belast met de spanningen tussen de ouders. De raad merkt hierbij op dat andere trajecten gericht op gezamenlijk ouderschap niet meer aan de orde zijn. In eerste instantie zou het advies van de raad geweest zijn om een zorgregeling vast te stellen. Een raadsonderzoek of het benoemen van een bijzondere curator zal in dit geval niet veel toevoegen. De stem van [minderjarige 2] is voldoende gehoord. Er is een kindbehartiger betrokken (geweest) die naar [minderjarige 2] heeft geluisterd en heeft ingezet op contactherstel. De verantwoordelijkheid voor het bepalen van de zorgregeling moet niet alleen bij [minderjarige 2] komen te liggen. Nadat partijen ter zitting gezamenlijk hebben aangegeven dat zij het van belang vinden dat er een bijzondere curator wordt benoemd, heeft de raad zijn advies gewijzigd en geadviseerd een bijzondere curator te benoemen zodat onderzocht kan worden welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het is van belang dat er een zorgregeling komt die aansluit bij de belastbaarheid van [minderjarige 2] . Tegelijkertijd benadrukt de raad dat [minderjarige 2] een vader heeft die betrokken wil zijn bij haar leven. Van de moeder wordt verwacht dat zij [minderjarige 2] aanspoort naar de vader te gaan, aldus de raad.\n\nDe beoordeling door het hof\n\n5.7. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Het is de ouders de afgelopen jaren niet gelukt om het gedeelde ouderschap samen vorm te geven. Er is sprake van wederzijds wantrouwen tussen de ouders. Het hof constateert dat de ouders gebeurtenissen en situaties op wezenlijke punten verschillend beleven en duiden. Dit komt onder meer naar voren in hun lezing van de communicatie over de vakanties, het contact tussen [minderjarige 2] en de vader en de redenen waarom [minderjarige 2] op dit moment niet overeenkomstig de zorgregeling bij de vader verblijft. Tijdens de eerste zitting in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat de vader het initiatief zou nemen voor een hulpverleningstraject bij Focus2Be om het contact met [minderjarige 2] te herstellen. Op dat moment ging [minderjarige 2] al een aantal maanden niet meer naar haar vader toe en hield zij het contact met hem af. Tijdens de tweede zitting in hoger beroep is gebleken dat het contact tussen [minderjarige 2] en de vader nog niet is hersteld. De kindbehartiger heeft in een e-mailbericht van 19 maart 2026 aangegeven dat zij op dat moment geen mogelijkheden zag het traject gericht op contactherstel tussen [minderjarige 2] en de vader voort te zetten. Ter zitting in hoger beroep zijn de ouders een tijdelijke zorgregeling overeengekomen, waaruit het hof opmaakt dat de ouders kennelijk mogelijkheden zien om een (tijdelijke) regeling overeen te komen waarin de vader en [minderjarige 2] contact met elkaar zullen hebben.\n\n5.8. De ouders hebben ter zitting aangegeven dat zij willen dat een bijzondere curator onderzoekt welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het hof zal geen bijzondere curator benoemen. Reden daarvoor is dat het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de zorgregeling. De stem van [minderjarige 2] is in deze procedure voldoende naar voren gekomen en een advies van een bijzondere curator zal, gelet op de al aanwezige informatie, naar verwachting niet leiden tot nieuwe inzichten. Het nogmaals benoemen van een derde die in gesprek gaat met [minderjarige 2] is niet het middel om de voortdurende conflicten tussen de ouders op te lossen. De verantwoordelijkheid voor de zorgregeling behoort bij de ouders en niet overwegend bij [minderjarige 2] te liggen. Met de raad is het hof van oordeel dat het aan de ouders is om de spanningen tussen hen te verminderen, bijvoorbeeld door middel van het volgen van het traject solo-parallelouderschap, zoals door de raad geadviseerd. Daarnaast geldt dat met een onderzoek door een bijzondere curator tijd gemoeid zal zijn en dit zal in deze al langlopende procedure weer een periode van onzekerheid betekenen, hetgeen het hof niet in het belang van [minderjarige 2] acht. Daarnaast overweegt het hof dat de kindbehartiger nog steeds bij [minderjarige 2] betrokken is als vertrouwenspersoon en hiermee is er voor [minderjarige 2] een onafhankelijk persoon met wie zij kan spreken over het contact met haar vader. In die context kan in overeenstemming met de behoeften van [minderjarige 2] ook tot uitbreiding van de door de ouders op de zitting overeengekomen tijdelijke regeling worden gekomen.\n\n5.9. Het hof zal, gelet op het voorgaande, een zorgregeling vaststellen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De komende periode dient gericht te zijn op het opbouwen van contact tussen [minderjarige 2] en de vader, waarbij de druk op haar zoveel mogelijk wordt beperkt. Het is in het belang van [minderjarige 2] dat zij op regelmatige basis contact heeft met haar vader. Zij heeft een vader die van haar houdt en deel wil uitmaken van haar leven. Omdat in de afgelopen periode het contact tussen de vader en [minderjarige 2] minimaal is geweest, is een co-ouderschapsregeling echter niet aan de orde. Het is positief dat de ouders ter zitting gezamenlijk tot een regeling zijn gekomen waarin [minderjarige 2] één middag in de week naar haar vader gaat en zij zelf mag bepalen of zij op den duur wil blijven slapen bij de vader. Het hof zal deze tijdelijke regeling als zorgregeling vaststellen. Met deze regeling kunnen [minderjarige 2] en de vader op regelmatige basis tijd met elkaar doorbrengen en wordt aangesloten bij haar behoeften. Hierbij geeft het hof de vader mee dat, hoe invoelbaar zijn wens om hervatting van de co-ouderschapsregeling ook is, het zijn contact met [minderjarige 2] ten goede zal komen als hij de situatie accepteert en luistert naar wat [minderjarige 2] van hem nodig heeft. Ten aanzien van de moeder merkt het hof op dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat de moeder het contact met de vader stimuleert en ondersteunt. Tot slot geeft het hof partijen mee dat als [minderjarige 2] vaker naar haar vader toe wil, zij daarvoor de ruimte moeten bieden.\n\n5.10. Gelet op bovenstaande ziet het hof, net zoals de raad, evenmin aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.\n\n5.11. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is het hof, net zoals de rechtbank, van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek, omdat de inschrijving van de kinderen op het adres van de moeder niet ter discussie staat. Het hof wijst het verzoek van de moeder af.\n\n5.12. Het hof ziet gelet op de familierechtelijke aard van de procedure geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek van de vader zal worden afgewezen en het hof zal de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, in principaal en incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de in de bestreden beschikking van 14 mei 2024 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem voor [minderjarige 2] vastgestelde zorgregeling en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nbepaalt de verdeling van de zorg -en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2] als volgt:\n\n [minderjarige 2] verblijft één middag in de week na school op een in onderling overleg tussen partijen en [minderjarige 2] te bepalen doordeweekse dag bij de vader, waarbij [minderjarige 2] als zij dat wil bij de vader kan blijven overnachten;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. M.T. Hoogland en mr. M. Braak, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1732","2026-07-13T00:29:48.590Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":56,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":35,"updatedAt":58},"2009","ECLI:NL:RBAMS:2026:6613","ecli-nl-rbams-2026-6613","beschikking\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F782767 \u002F FA RK 26-863\n\nBeschikking van 30 juni 2026 betreffende voorziening in het gezag op de voet van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nen\n\n [de stiefvader] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de stiefvader,\n\ngezamenlijk bijgestaan door advocaat mr. A.M.E. Derks te Woerden.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nwoon- of verblijfplaats onbekend,\n\nhierna te noemen de vader.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het gezamenlijk verzoek met bijlagen van de moeder en de stiefvader, ingekomen op 3 februari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026.\n\nVerschenen zijn: de moeder en de stiefvader, bijgestaan door hun advocaat, en de vader.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd.\n\n2.2.. Uit deze relatie zijn geboren:\n\n [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017,\n\n [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020,\n\nhierna soms ook te noemen de kinderen.\n\n2.3.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. De moeder is belast met de uitoefening van het gezag. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de moeder.\n\n2.4.. De moeder heeft, na de verbreking van de relatie met vader, in november 2021 een relatie gekregen met de stiefvader. Op 1 april 2022 is de stiefvader officieel bij de moeder en de kinderen ingetrokken.\n\n2.5.. Op 18 september 2024 zijn de moeder en de stiefvader met elkaar getrouwd. Uit dit huwelijk is geboren: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2024 in [geboorteplaats 1] . De moeder en de stiefvader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar.\n\n2.6.. Tussen de moeder en de vader is er geen contact meer. De laatste keer dat er contact was, was op 19 februari 2024 via Whatsapp. Vanaf 2023 is er geen omgang meer tussen de vader en de kinderen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoek strekt ertoe, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, om de moeder en de stiefvader gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te belasten op grond van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek, en te bepalen dat de griffier dit laat aantekenen in het gezagsregister.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n\nDe moeder en de stiefvader voeren aan dat zij aan de formele eisen voldoen om gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te worden belast. Zij dragen al langer dan een jaar de zorg voor de kinderen en de moeder is langer dan drie aaneengesloten jaren alleen met het gezag belast geweest. Er is sprake van een stabiele gezinssituatie waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al jaren deel van uitmaken. In 2024 is hun halfzusje, [minderjarige 3] , geboren. De moeder en de stiefvader zijn dagelijks belast met de verzorging en opvoeding van de kinderen en vinden het in het belang van de kinderen dat de juridische situatie voor wat het gezag betreft, aansluit bij deze feitelijke situatie. Er zijn geen feiten of omstandigheden die maken dat er vrees is dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. De vader is in 2023 uit het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verdwenen en sindsdien speelt hij geen enkele rol meer in de verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder heeft altijd geprobeerd het contact tussen de kinderen en de vader te behouden. De vader heeft in de afgelopen jaren geen stappen ondernomen om tot contactherstel met de kinderen te komen en heeft niet gereageerd op contactverzoeken van de moeder. De moeder is niet bekend met het woonadres van de vader en in het BRP blijkt hij te zijn uitgeschreven op zijn laatst bekende woonadres. De moeder en de stiefvader zullen het contact tussen de kinderen en de vader bevorderen indien blijkt dat de vader hier ruimte voor heeft in zijn leven en dit ook in het belang van de kinderen kan worden geacht. De kinderen zien stiefvader als een eigen ouder en noemen hem ook ‘papa’. De moeder neemt de gezagsbeslissingen over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al geruime tijd in gezamenlijk overleg met de stiefvader. De stiefvader behandelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op dezelfde wijze als [minderjarige 3] en draagt ook in financiële zin zorg voor hen. De moeder en de stiefvader vinden het ook van belang dat er qua juridische gezagssituatie geen onderscheid bestaat tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , ook met het oog als de moeder onverhoopt zou komen te overlijden.\n\nDesgevraagd geeft de moeder aan dat zij bereid is te kijken of het mogelijk is om de vader informatie te verstrekken over de kinderen, mits dit in het belang van de kinderen is en in overleg met de hulpverlening die zij momenteel krijgen. Ook ten aanzien van het opstarten van omgang\u002Fcontactherstel in de toekomst geeft de moeder aan dat dit alleen kan in overleg met de hulpverlening en uiterst zorgvuldig zal moeten gebeuren nu de kinderen niet opnieuw teleurgesteld moeten worden in hun vader.\n\n4.2.. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij het verzoek van de moeder en de stiefvader begrijpt en dat hij geen verweer zal voeren. De vader voert aan dat hij uit een lastige periode komt waarin hij zichzelf verloren had, zijn leven niet stabiel was en er sprake was van persoonlijke problematiek. Ook had hij geen eigen woonruimte. Hij heeft hulp gekregen om zijn leven weer op te bouwen en is inmiddels in wat rustiger vaarwater terecht gekomen. De vader geeft aan dat het laatste contact met de kinderen begin 2023 is geweest. De vader hoopt dat in de toekomst, als zijn situatie weer helemaal stabiel en rustig is, het contact tussen hem en de kinderen hersteld kan worden. Hij begrijpt dat dat zorgvuldig moet gebeuren en dat daarbij gekeken moet worden naar het belang van de kinderen.\n\n5. De beoordeling\n\nWijziging gezag\n\n5.1.. Het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:253t, eerste lid, van het BW kan de rechtbank, indien het gezag bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien:\n\na. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en\n\nb. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.\n\nHet derde lid van dit artikel bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.\n\n5.3.. De rechtbank stelt op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht vast dat de stiefvader samen met de moeder al ruim vier jaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgt en hen opvoedt. De stiefvader ziet [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als zijn kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noemen hun vader ‘oude papa’ en zien de stiefvader als hun vader. Aan het vereiste dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan en aan het vereiste dat de moeder en de stiefvader op de dag van het verzoek gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een jaar gezamenlijk voor hen hebben gezorgd, is dan ook voldaan. Ook is voldaan aan het vereiste van de driejaarstermijn van artikel 1:253t, tweede lid, onder b van het BW, gedurende welke termijn de moeder alleen met het gezag over de kinderen belast moet zijn geweest. De moeder oefent vanaf de geboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] namelijk alleen het ouderlijk gezag over hen uit.\n\n5.4.. Verder is de rechtbank niet gebleken van feiten en\u002Fof omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden worden verwaarloosd als bedoeld in artikel 1:253t, derde lid, van het BW. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al vanaf begin 2023 geen enkel contact meer met de vader. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij in de toekomst het contact met de kinderen wenst te herstellen als zijn situatie stabiel is en als de kinderen daar aan toe zijn. De vader begrijpt het verzoek van de moeder en de stiefvader en heeft het verzoek ook niet weersproken. De moeder en de stiefvader hebben aangegeven open te staan voor eventueel contactherstel\u002Finformatieverstrekking aan de vader in de toekomst, maar wensen dit in overleg te doen met de hulpverlening nu de kinderen kwetsbaar zijn en niet weer teleurgesteld moeten worden in hun vader. Verder blijkt dat de moeder, de stiefvader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun (half)zusje [minderjarige 3] een gezin vormen en dat het de bedoeling is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hen opgroeien, waarbij de moeder en de stiefvader de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen behartigen. De juridische situatie wordt door toewijzing van het verzoek ook in overeenstemming gebracht met de al jaren bestaande feitelijke situatie, waarbij de moeder beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen en in goed overleg met de stiefvader neemt.\n\n5.5.. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder en de stiefvader als niet weersproken en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toewijzen en hen gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n5.6.. De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.\n\nProceskosten\n\n5.7.. Gelet op de aard van het geschil zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren.\n\n5.8.. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. bepaalt dat [de stiefvader] , geboren op [geboortedag 4] 1988 te [geboorteplaats 3] , gezamenlijk met de moeder met de uitoefening van het gezag wordt belast over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017;\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020,\n\nvoor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;\n\n6.2.. draagt de griffier op van deze beschikking een aantekening te maken in het gezagsregister;\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door de rechter mr. D.G. Bertsch, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker, griffier, op 30 juni 2026.\n\nVoor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 \u002F Postbus 1312, 1000 BH). Het beroep moet worden ingesteld: - door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6613","2026-07-13T00:29:49.737Z",20]