[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-energy-infrastructure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":46},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},53,"energy-infrastructure-nl","Energy Infrastructure","NL","2026-07-08T16:54:05.442Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2023-07-21T00:00:00.000Z","2024-01-02T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121877","Algemene wet bestuursrecht","art. 4:84",1,[27,38],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"345","ECLI:NL:RBAMS:2024:179","ecli-nl-rbams-2024-179","","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F3232\n uitspraak van de meervoudige kamer van 2 januari 2024 in de zaak tussen\n de besloten vennootschap Fastned B.V. ( Fastned ) , uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. I.A. Siskina),\n\nen\n\nde minister van Infrastructuur en Waterstaat, (de minister) , verweerder\n\n(gemachtigden: mr. L.J. Hamstra en mr. K.E. Haan).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel:\n\nde besloten vennootschap EG Retail B.V. (EG )uit Breda\n\n(gemachtigde: mr. V.J. Leijh).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Fastned tegen de aan haar verleende vergunningop verzorgingsplaats [naam 2] .\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Fastned , de gemachtigden van de minister en de gemachtigde van EG Retail .\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Fastned heeft op 20 december 2011 een aanvraag gedaan voor het realiseren van een basisvoorziening energielaadpunt met acht laadplekken voor elektrisch snelladen op verzorgingsplaats [naam 2] langs Rijksweg 6 (A6) in de gemeente Noordoostpolder. Fastned heeft de aanvraag aangevuld op 20 april 2022, 26 juli 2022 en 7 oktober 2022.\n\n2. Op verzorgingsplaats [naam 2] is al een vergunde en gerealiseerde basisvoorziening energieoplaadpunt van Mister Green Fast Charging Network B.V. (Fast Charging Network) aanwezig in de vorm van één laadpaal met twee laadplekken op de algemene parkeervoorziening aan de rechterzijde van de verzorgingsplaats. Daarnaast is op de verzorgingsplaats het benzinestation van EG gevestigd, dat geëxploiteerd wordt door Esso . Het benzinestation heeft vier tankzuilen met acht opstelplaatsen, waar in totaal acht voertuigen tegelijkertijd kunnen tanken.\n\n3. De minister heeft de vergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ontwerpbeschikking heeft van 23 december 2022 tot 3 februari 2023 ter inzage\n\ngelegen. EG heeft tegen de ontwerpvergunning een zienswijze ingediend.\n\n4. Met het bestreden besluit van 25 april 2023 heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend. Ten opzichte van de ontwerpvergunning heeft de minister een wijziging aangebracht. In plaats van een looptijd van vijftien jaar is aan de vergunning een looptijd van iets meer dan zeven jaar verbonden. Het verkorten van de looptijd houdt verband met de Tijdelijke beleidsregel, welke op 23 december 2022 is gepubliceerd.In deze Tijdelijke beleidsregel heeft de minister aanvullende regels gesteld over de geldigheidsduur van Wbr-vergunningen en heeft hij een vergunningenstop opgenomen. Op grond van de Tijdelijke beleidsregel moet de minister bij de vergunningverlening aan Fastned rekening houden met de looptijd van de vergunning van Fast Charging Network voor een basisvoorziening. Deze vergunning loopt op 22 juli 2030 af. Om die reden heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend tot 22 juli 2030.\n\n5. Het beroep van Fastned tegen het bestreden besluit richt zich uitsluitend tegen de looptijd van de vergunning.\n\nJuridisch kader\n\n6. Artikel 3, eerste lid, van de Wbr bepaalt, voor zover hier relevant, dat een vergunning slechts kan worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken. Een aanvraag tot wijziging van een Wbr-vergunning moet, kort gezegd, worden beoordeeld op veiligheid en doelmatigheid.\n\n7. Het toetsingskader voor aanvragen om een vergunning voor het aanbieden van voorzieningen op een verzorgingsplaats langs rijkswegen, als bedoeld in artikel 3 van de Wbr, is het beleid, zoals neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (de Kennisgeving). De Kennisgeving is in 2004 vastgesteld en in 2011, 2013, 2017, 2021 en 2022 gewijzigd. Daarnaast is in aanvulling op de Kennisgeving op 23 december 2022 de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd in de Staatscourant.\n\n8. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt een vergunning slechts verleend of gewijzigd met een geldigheidsduur die in ieder geval is beperkt (a) tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van een voor inwerkingtreding van deze beleidsregel verleende vergunning voor een basisvoorziening energielaadpunt op de betreffende verzorgingsplaats, of (b) als voor de betreffende verzorgingsplaats geen vergunning als bedoeld in onderdeel a, is verleend, tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van de voor inwerkingtreding van deze beleidsregel gesloten huurovereenkomst van een locatie voor een motorbrandstoffenverkooppunt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen op deze verzorgingsplaats. De Tijdelijke beleidsregel beoogt de implementatie van de beleidsvisie van de minister tot herordening van de inrichting van verzorgingsplaatsen te faciliteren. Volgens de beleidsvisie is het eindbeeld in 2050 een verzorgingsplaats die voorziet in de (energie)behoeften van een zero-emissie wagenpark door middel van één laadlocatie per verzorgingsplaats. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat concurrentie plaatsvindt tussen de verzorgingsplaatsen en niet óp de verzorgingsplaatsen.\n\n9. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt geen vergunning verleend, indien toepassing van het eerste lid zou leiden tot een geldigheidsduur van minder dan vijf jaar.\n\n10. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel treedt de beleidsregel in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, dus op 24 december 2022.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in dit beroep of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de Wbr-vergunning met een geldigheidsduur tot 22 juli 2030 aan Fastned te verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van Fastned .\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.\n\n13. De rechtbank heeft in een soortgelijke zaak over verzorgingsplaats Haarrijn een uitspraak gedaan op 21 juli 2023.Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat de Tijdelijke beleidsregel op zichzelf niet kennelijk onredelijk en ook niet in strijd met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie is. De hiervoor relevante overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd. In zoverre is de Tijdelijke beleidsregel niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Voor zover Fastned deze grond herhaalt, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 21 juli 2023.\n\nMoest de minister afwijken van het beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb?\n\n14. Fastned stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de minister in dit geval van het beleid had moeten afwijken op grond van artikel 4:84 van de Awb. Fastned wijst ten eerste op de overschrijding van de wettelijke beslistermijn. Als de minister deze termijn wel in acht zou hebben genomen, dan zou de vergunning aan Fastned zijn verleend vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke beleidsregel. Fastned zou in dat geval een vergunning met een looptijd van vijftien jaar hebben gekregen. Fastned heeft op verzorgingsplaats [naam 2] al veel investeringen gedaan met het oog op een langere looptijd van de vergunning. De minister neemt het voorgaande ten onrechte niet mee in de belangenafweging, hetgeen volgens Fastned onzorgvuldig en onevenwichtig is.\n\n15. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat de wettelijke beslistermijn is overschreden op zichzelf geen omstandigheid is die ertoe leidt dat het geldende beleid buiten toepassing behoort te blijven. Voor zover Fastned wijst op de belangenafweging stelt de rechtbank vast dat in de toelichting van artikel 3 en 4 van de Tijdelijke beleidsregel is gemotiveerd waarom de looptijd van vergunningen wordt bekort. De rechtbank stelt verder vast dat de looptijd van de vergunning rekening houdt met het belang van het met het toekomstig beleid te dienen doel, zoals neergelegd in de beleidsvisie, alsook het belang van Fastned door de vergunning niet verder te bekorten dan zeven jaar. Fastned heeft daarnaast de gestelde financiële investeringen op [naam 2] niet met concrete stukken onderbouwd en ook niet aannemelijk gemaakt dat binnen de looptijd van de vergunning de gestelde investeringen niet kunnen worden terugverdiend. In zoverre is geen sprake van onzorgvuldigheid of onevenwichtige besluitvorming.\n\n16. Volgens Fastned is het niet noodzakelijk om de looptijd voor verzorgingsplaats\n\n [naam 2] te bekorten. Een vergunning voor deze locatie met een looptijd van vijftien jaar staat namelijk de algemene implementatie van de nieuwe beleidsvisie niet in de weg. Daarvoor is immers nog geen planning opgesteld, er is nog geen verdelingsmethode gekozen en er is nog niet begonnen met de inrichtingsplannen per verzorgingsplaats. Fastned stelt verder dat zij op deze locatie bovendien al voldoet aan de voorwaarden van het toekomstig beleid op de punten van exclusiviteit en het gebiedscriterium. De minister heeft toegelicht dat het beleid is gericht op het zo snel mogelijk invoeren van een nieuwe verdelingssystematiek. Daarbij leiden uitzonderingen ertoe dat de nieuwe verdelingssystematiek wordt ondergraven. Een langere looptijd voor deze verzorgingsplaats betekent bovendien ook dat andere partijen niet kunnen toetreden tot de markt. Verder heeft de minister toegelicht dat het toekomstig beleid nog in ontwikkeling is en daarom niet op voorhand vaststaat dat Fastned daaraan voldoet. Met deze toelichting heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom het bekorten van de looptijd in dit geval ook noodzakelijk is.\n\n17. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de minister artikel 4:84 van de Awb had moeten toepassen.\n\nArtikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet\n\n18. Fastned voert verder aan dat de vergunning in strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet is verleend voor de duur van zeven jaar. Zij wijst ter ondersteuning daarvan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 juli 2021.\n\n19. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet. Uit de genoemde uitspraak volgt weliswaar dat de minister er rekening mee moet houden dat aan vergunninghouders voldoende tijd wordt geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en de investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunning redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven, maar deze termijn hoeft niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder te worden bepaald. Wel kan volgens de uitspraak per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, worden vastgesteld binnen welke termijn de hiervoor bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. In de Tijdelijke beleidsregel heeft de minister dit gedaan door een zogenoemde ‘kap’ te zetten op vijf jaar en in de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel heeft hij deze kap gemotiveerd. De rechtbank heeft de kap in bovengenoemde uitspraak van 21 juli 2023 niet onredelijk gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. De rechtbank overweegt aanvullend dat het Fastned vrijstaat om minder laadpunten te realiseren om tijdig de investeringen terug te verdienen. Voor zover Fastned stelt dat zij haar investeringen niet zou kunnen terugverdienen, ook niet met minder laadpunten, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt.\n\nBeleidswijziging en lopende aanvraag\n\n20. Fastned stelt dat het toepassen van de Tijdelijke beleidsregel in strijd is met de systematiek van de verdeling van schaarse vergunningen. Fastned beroept zich opnieuw op een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012.Daarnaast wijst Fastned op een uitspraak van de Afdeling van 7 september 2016.Fastned betoogt dat uit deze uitspraken volgt dat de uitspraak van 21 juli 2023 van deze rechtbank onjuist is.\n\n21. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 juli 2023 geoordeeld dat de vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012 niet opgaat omdat, anders dan in die uitspraak, de beleidswijziging in dit geval niet direct ziet op de methode aan de hand waarvan wordt bepaald aan wie de vergunningen worden verleend, maar slechts op de duur van de vergunning. De rechtbank ziet in hetgeen Fastned aanvullend heeft gesteld geen aanleiding om terug te komen van dit oordeel. De rechtbank is van oordeel dat Fastned ook niet aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze zij aan de uitspraak van 7 september 2016 steun kan ontlenen voor de stelling dat in haar voordeel van het beleid moet worden afgeweken.\n\n22. Volgens Fastned is het toepassen van de verkorte looptijd in haar geval ook in strijd met de rechtszekerheid. Als sprake is van rechtmatig gevoerd beleid dat wordt gewijzigd, dan moet die wijziging wel tijdig bekend worden gemaakt en mag niet zonder meer een kortere looptijd worden toegepast op lopende aanvragen. Fastned verwijst, evenals in andere beroepen, naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 3 september 2019en stelt dat de rechtbank die uitspraak ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.\n\n23. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 heeft overwogen gaat de vergelijking met de uitspraak van het CBb over subsidies niet op. De hiervoor relevante overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd. De rechtbank ziet in hetgeen Fastned aanvullend heeft gesteld geen aanleiding om anders te oordelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n24. De minister heeft aan Fastned in redelijkheid een Wbr-vergunning kunnen verlenen met een looptijd tot 22 juli 2030.\n\n25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Fastned geen gelijk krijgt. Fastned krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).\n\n Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 december 2022, tot vaststelling van een tijdelijke beleidsregel inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen, Stcrt, 23 december 2022, nr. 32554.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2023:4789.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1588\n\n ECLI:NL:RVS:2012:BW7592.\n\n ECLI:NL:RVS:2016:2423.\n\n ECLI:NL:CBB:2019:378.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:179","2024-01-16T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:25.381Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"337","ECLI:NL:RBAMS:2023:4789","ecli-nl-rbams-2023-4789","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F1181\n uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2023 in de zaak tussen\n de besloten vennootschap Fastned B.V. (Fastned), uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. I.A. Siskina),\n\nen\n\nde minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. M.R. Botman en mr. A.D. Röell).\n\nTevens neemt aan de zaak deel: de besloten vennootschap Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V. (Shell), uit Rotterdam, belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. T.J.J. Slegers).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Fastned tegen de aan haar verleende vergunningop verzorgingsplaats Haarrijn.\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Shell heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\nOok Shell heeft beroep ingesteld tegen deze Wbr-vergunning. Het beroep van Shell is geregistreerd onder zaaknummer AMS 23\u002F2506.\n\nDe rechtbank heeft beide beroepen op 14 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Fastned, vergezeld door mr. C.S. Schekkerman, de gemachtigden van de minister, bijgestaan door mr. M.D. van Gils, mr. K.E. Masmeijer-Haan en vergezeld door [naam 1] , [naam 2] en de gemachtigde van Shell, vergezeld door [naam 3] , mr. M.J.G. Goossens en mr. L. Yuen.\n\nDe rechtbank heeft de zaak AMS 23\u002F2506 op de zitting geschorst, omdat de minister heeft aangekondigd een gewijzigd besluit te nemen voor wat betreft het aspect verkeersveiligheid.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\nFastned heeft op 23 december 2011 een Wbr-vergunning aangevraagd voor het realiseren van een energielaadpunt als basisvoorziening op verzorgingsplaats Haarrijn naast de rijksweg A2 in de gemeente Stichtse Vecht. Op 19 april 2021 heeft Fastned deze aanvraag aangevuld.\n\nOp verzorgingsplaats Haarrijn is al een vergunde en gerealiseerde basisvoorziening van Mister Green Fast Charging Network B.V. (Fast Charging Network) aanwezig en een vergunde en gerealiseerde aanvullende voorziening van Shell voor elektrisch snelladen. Ook heeft Fastned een vergunning voor een (nog niet gerealiseerde) aanvullende voorziening voor elektrisch snelladen. Deze is voorzien naast de basisvoorziening van Fast Charging Network.\n\n3. De minister heeft de vergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ontwerpvergunning voor een energielaadpunt met zestien laadplekken heeft van 16 juni 2022 tot en met 27 juli 2022 ter inzage gelegen. Shell heeft tegen de ontwerpvergunning een zienswijze ingediend.\n\n4. Met het bestreden besluit van 14 februari 2023 heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend. Ten opzichte van de ontwerpvergunning heeft de minister een wijziging aangebracht. In plaats van een looptijd van 15 jaar is aan de vergunning een looptijd van 5,5 jaar verbonden. Op 23 december 2022 heeft de minister namelijk de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd. In deze Tijdelijke beleidsregel heeft de minister aanvullende regels gesteld over de geldigheidsduur van Wbr-vergunningen en heeft hij een vergunningenstop opgenomen. Op grond van de Tijdelijke beleidsregel moet de minister bij de vergunningverlening aan Fastned rekening houden met de looptijd van de aan Fast Charging Network verleende vergunning voor een basisvoorziening. Deze vergunning loopt op 24 september 2028 af. Om die reden is de vergunning aan Fastned door de minister ook tot 24 september 2028 verleend.\n\n5. Het beroep van Fastned tegen het bestreden besluit richt zich uitsluitend tegen de looptijd van de vergunning.\n\nJuridisch kader\n\n6. Artikel 3, eerste lid, van de Wbr bepaalt, voor zover hier relevant, dat een vergunning slechts kan worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken. Een aanvraag tot wijziging van een Wbr-vergunning moet, kort gezegd, worden beoordeeld op veiligheid en doelmatigheid.\n\n7. Het toetsingskader voor aanvragen om een vergunning voor het aanbieden van voorzieningen op een verzorgingsplaats langs rijkswegen, als bedoeld in artikel 3 van de Wbr, is het beleid, zoals neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (de Kennisgeving). De Kennisgeving is in 2004 vastgesteld en in 2011, 2013, 2017, 2021 en 2022 gewijzigd. Daarnaast is in aanvulling op de Kennisgeving op 23 december 2022 de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd in de Staatscourant.\n\n8. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt een vergunning slechts verleend of gewijzigd met een geldigheidsduur die in ieder geval is beperkt (a) tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van een voor inwerkingtreding van deze beleidsregel verleende vergunning voor een basisvoorziening energielaadpunt op de betreffende verzorgingsplaats, of (b) als voor de betreffende verzorgingsplaats geen vergunning als bedoeld in onderdeel a, is verleend, tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van de voor inwerkingtreding van deze beleidsregel gesloten huurovereenkomst van een locatie voor een motorbrandstoffenverkooppunt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen op deze verzorgingsplaats.\n\n9. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt geen vergunning verleend, indien toepassing van het eerste lid zou leiden tot een geldigheidsduur van minder dan vijf jaar.\n\n10. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel treedt de beleidsregel in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en dus op 24 december 2022.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in dit beroep of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de Wbr-vergunning met een geldigheidsduur tot 24 september 2028 aan Fastned te verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van Fastned.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nIs de Tijdelijke beleidsregel een beleidsregel?\n\n13. Alvorens de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden, geeft zij eerst een oordeel over het karakter van de Tijdelijke beleidsregel. Shell stelt zich namelijk op het standpunt dat de Tijdelijke beleidsregel geen beleidsregel is, maar een concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen zelfstandig rechtsmiddelen (hadden) kunnen worden aangewend en daarom in deze procedure niet meer ter discussie kan worden gesteld.\n\n14. Een beleidsregel wordt in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedefinieerd als een 'bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan’.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat de Tijdelijke beleidsregel een beleidsregel is. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de Tijdelijke beleidsregel algemene regels geeft die van toepassing zijn bij de beoordeling van iedere aanvraag om een vergunning voor het realiseren en behouden van elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen. De Tijdelijke beleidsregel bevat een uitleg van de toepassing van de bevoegdheden van de minister neergelegd in artikel 2 en artikel 3 van de Wbr en geeft regels voor de afweging van belangen door de minister bij het gebruik van die bevoegdheden. Het gaat dus niet om een besluit dat een algemeen verbindend voorschrift nader naar tijd, plaats, of ruimte bepaalt, zonder in een zelfstandige normstelling te voorzien. Van een concretiserend besluit van algemene strekking is daarom geen sprake.\n\nMoet de Tijdelijke beleidsregel buiten toepassing worden gelaten?\n\n16. Fastned voert aan dat toepassing van de Tijdelijke beleidsregel in strijd is met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie van de minister, het verzekeren van het veilig en doelmatig gebruik van de verzorgingsplaatsen en met het faciliteren van de energietransitie. Verder pakt de toepassing van de Tijdelijke beleidsregel onnodig onevenredig uit voor Fastned, gelet op de met het bestreden besluit te dienen doelen. De minister had daarom moeten afzien van toepassing van de Tijdelijke beleidsregel op grond van artikel 3:4 van de Awb.\n\n17. Uit de rechtspraakvolgt dat als de (on)evenredigheid van een besluit in geschil is en dat besluit (mede) berust op een beleidsregel, de bestuursrechter al dan niet uitdrukkelijk ook de evenredigheid van de beleidsregel toetst. Als de beleidsregel zelf niet onrechtmatig is, toetst de bestuursrechter het besluit aan de norm van artikel 4:84 van de Awb. Daarbij gelden dezelfde maatstaven als bij de toetsing van het besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Ook de al in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden kunnen ‘bijzondere omstandigheden’ zijn.\n\n18. Uit de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel en de aanvullende toelichting van de minister in het verweerschrift en op de zitting, volgt dat de minister streeft naar een emissieloos wagenpark in 2050. Onderdeel hiervan is de herordening van het aanbod van laadpunten op verzorgingsplaatsen. Gezien de omvang van de opgave en het belang van een efficiënte ruimtelijke inrichting van verzorgingsplaatsen is een duidelijkere (regie)rol van de overheid nodig. Omdat veel vergunningen voor basisvoorzieningen energielaadpunten in 2028 aflopen - en dus opnieuw kunnen worden verdeeld - is dit een belangrijk moment voor de inwerkingtreding van nieuw beleid op verzorgingsplaatsen. Uitgangspunt van de herordening is de ontwikkeling van concurrentie tussen verzorgingsplaatsen in plaats van de huidige (juridische) strijd om laadvoorzieningen op verzorgingsplaatsen. Om dit te bereiken zal per verzorgingsplaats één kavel snelladen komen. De uitgifte van dat kavel snelladen zal aan één onderneming per verzorgingsplaats worden gegeven. Daarnaast zal een gebiedscriterium worden geïntroduceerd, wat inhoudt dat dezelfde onderneming niet gelijktijdig op twee achtereenvolgende verzorgingsplaatsen kavels snelladen kan exploiteren. De beperking van de looptijd in de Tijdelijke beleidsregel is volgens de minister in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de wegen waar de verzorgingsplaatsen toe behoren. Het nieuwe beleid beoogt immers (onder meer) de beschikbaarheid van voorzieningen voor snelladen te verzekeren. De vraag daarnaar zal in de loop van de energietransitie aanzienlijk toenemen. Juist door de beschikbaarheid van deze voorzieningen dienen de verzorgingsplaatsen het veilig en doelmatig gebruik van het hoofdwegennet. Er is voor gekozen om de Tijdelijke beleidsregel direct in te laten gaan, zodat wordt voorkomen dat er ineens nog een groot aantal aanvragen voor laadvoorzieningen worden ingediend. Onderkend is dat het tijdelijk beperken van de looptijd van vergunningen nadelige gevolgen heeft voor initiatiefnemers, omdat deze daarmee worden beperkt in de tijd waarbinnen investeringen in de laadinfrastructuur terugverdiend kunnen worden. Een minder beperkende mogelijkheid, zoals een langere looptijd, is echter geen geschikt alternatief omdat daarmee de verwezenlijking van het kabinetsvoornemen en het behalen van zwaarwegende publieke doelen alsnog vertraagd wordt. Deze nadelige gevolgen wegen volgens de minister niet op tegen het belang van een spoedige invoering van de nieuwe uitgiftesystematiek. Met deze toelichting acht de rechtbank, alles overziend, de Tijdelijke beleidsregel niet kennelijk onredelijk en ook niet in strijd met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie.\n\nMoest de minister in dit geval afwijken van het beleid op grond van artikel 4:84 Awb?\n\n19. Volgens Fastned dient zij met het realiseren van haar laadpalen juist het doel van de minister, namelijk voldoende beschikbaarheid van voorzieningen voor snelladen en is het toepassen van de verkorte looptijd uit de beleidsregel daarom niet geschikt om het doel te bereiken. De minister had daarom moeten afzien van toepassing van de Tijdelijke beleidsregel op grond van artikel 4:84 van de Awb. De minister stelt zich daarentegen op het standpunt dat niet moet worden gekeken naar realisatie van energielaadpunten op korte termijn, maar naar oplossingen voor de langere termijn. Het uitgangspunt is dat er per verzorgingsplaats één kavel energieladen komt, met één aanbieder en dat het gebiedscriterium wordt ingevoerd. Het verkorten van de looptijd van nieuwe vergunningen is volgens de minister geschikt om het doel, namelijk het op lange termijn kunnen verzekeren van beschikbaarheid van voorzieningen snelladen, te bereiken. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het verkorten van de looptijd een geschikt middel is om dit doel te bereiken.\n\n20. Volgens Fastned is het verkorten van de looptijd in haar geval ook niet noodzakelijk. Er is namelijk slechts één ander soortgelijk geval, op verzorgingsplaats De Abt. Daarvoor was ook al een ontwerpvergunning ter inzage gelegd, maar is de looptijd in de definitieve vergunning verkort. Verder is het verkorten van de looptijd volgens Fastned niet noodzakelijk, omdat Fastned op verzorgingsplaats Haarrijn een vergunning heeft voor een aanvullende voorziening snelladen met een looptijd tot 2036. De minister stelt zich op het standpunt dat iedere verzorgingsplaats van belang is waarbij zo snel mogelijk uitgifte volgens de nieuwe verdelingssystematiek kan plaatsvinden. Ook staat de aan Fastned verleende vergunning voor een aanvullende voorziening snelladen niet in de weg aan het overgaan op de nieuwe verdelingssystematiek. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister en oordeelt dat het verkorten van de looptijd in het geval van Fastned eveneens voldoet aan de eis van noodzakelijkheid.\n\n21. Fastned voert verder aan dat het beperken van de looptijd niet evenwichtig is. Volgens Fastned is de beslistermijn door de minister al lang overschreden en heeft zij op verzorgingsplaats Haarrijn al veel investeringen gedaan. Dat de wettelijke beslistermijn is overschreden acht de rechtbank geen relevante factor en is overigens grotendeels gelegen in de omstandigheid dat Fastned de aanvraag uit 2011 niet eerder heeft aangevuld. Daarbij heeft Fastned de gestelde financiële investeringen op Haarrijn niet met stukken onderbouwd en overigens niet aannemelijk gemaakt dat binnen de looptijd van de vergunning de gestelde investeringen niet kunnen worden terugverdiend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Fastned een vergunning heeft gekregen voor 16 energielaadpunten maar niet gehouden is alle 16 energielaadpunten te realiseren. Bovendien is het de eigen keuze van Fastned als onderneming geweest om voorafgaand aan de onherroepelijkheid van de Wbr-vergunning investeringen te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is toepassing van de verkorte looptijd ook niet onevenwichtig.\n\n22. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Er was daarom geen reden voor de minister om toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Awb.\n\nArtikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet\n\n23. Fastned voert verder aan dat de vergunning in strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet is verleend voor de duur van 5,5 jaar. Zij wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juli 2021.\n\n24. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet. Uit de door Fastned genoemde uitspraak volgt weliswaar dat de minister er rekening mee moet houden dat aan vergunninghouders voldoende tijd wordt geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en de investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunning redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven, maar deze termijn hoeft niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder te worden bepaald. Wel kan volgens de uitspraak per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, worden vastgesteld binnen welke termijn de hiervoor bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. In de Tijdelijke beleidsregel heeft de minister dit gedaan door een zogenoemde ‘kap’ te zetten op vijf jaar en in de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel heeft hij deze kap gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nEx tunc of ex nunc\n\n25. Fastned voert nog aan dat de minister het recht had moeten toepassen zoals dat gold ten tijde van de laatste dag waarop de aanvraag was ingediend. HHet toepassen van de Tijdelijke beleidsregel is namelijk in strijd met de systematiek van de verdeling van schaarse vergunningen. Fastned beroept zich op een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012.Volgens Fastned volgt uit deze uitspraak dat als de beoordeling van aanvragen om schaarse vergunningen via een zogenoemd tendersysteem verloopt, als uitgangspunt geldt dat het beleid dient te worden toegepast zoals dat gold op de laatste dag waarop de aanvragen konden worden ingediend. Een bestuursorgaan mag het beleid dan niet hangende de besluitvormingsprocedure ten nadele van een of meer aanvragers wijzigen.\n\n26. De rechtbank oordeelt dat de vergelijking met de door Fastned genoemde uitspraak niet opgaat. Anders dan in die uitspraak, ziet de beleidswijziging in dit geval niet direct op de methode aan de hand waarvan wordt bepaald aan wie de vergunningen worden verleend, maar slechts op de duur van de vergunning. Kortom, de duur van de vergunning heeft geen betrekking op de verdeelprocedure als zodanig. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.\n\n27. Volgens Fastned is het toepassen van de verkorte looptijd in haar geval ook in strijd met de rechtszekerheid. Als sprake is van rechtmatig gevoerd beleid dat wordt gewijzigd, dan moet die wijziging wel tijdig bekend worden gemaakt en mag niet zonder meer een kortere looptijd worden toegepast op lopende aanvragen. Fastned wijst op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 3 september 2019. Uit de rechtspraak volgt verder dat op het uitgangspunt dat het gewijzigde recht moet worden toegepast bij beslissingen op een vergunningsaanvraag een uitzondering bestaat, als ten tijde van het indienen van de aanvraag een rechtstreekse aanspraak bestond op het verkrijgen van de vergunning. Fastned wijst op een uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021.\n\n28. Als hoofdregel geldt dat het bestuursorgaan rekening moet houden met het recht zoals dit geldt ten tijde van het nemen van het besluit (op bezwaar). Dit geldt ook voor beleidsregels.In bijzondere gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank echter niet gebleken. Anders dan in de door Fastned genoemde uitspraak van de Afdeling is geen sprake van een gebonden beschikking of bijzonder peilmoment. Ook gaat de vergelijking met de uitspraak van het CBb over subsidies niet op. Anders dan in die uitspraak, zijn alle aanvragers hetzelfde beoordeeld en is de looptijd van de vergunning geen onderdeel van de selectieprocedure. Dat de uiteindelijke vergunning ten nadele afwijkt van de ontwerpvergunning is evenmin een bijzondere omstandigheid waardoor van de hoofdregel moet worden afgeweken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVertrouwensbeginsel\n\n29. Fastned voert tot slot aan dat de minister heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Fastned heeft sinds de verdelingsprocedure uit 2012 altijd vergunningen voor energielaadpunten als basisvoorziening gekregen met een looptijd van vijftien jaar. Daaraan mocht Fastned het vertrouwen ontlenen dat zij ook voor de verzorgingsplaats Haarrijn een vergunning met een looptijd van vijftien jaar zou krijgen.\n\n30. De rechtbank oordeelt dat van strijd met het vertrouwensbeginsel geen sprake is. Er zijn door de minister geen toezeggingen gedaan over de looptijd van deze vergunning. Fastned kon er redelijkerwijs ook niet van uitgaan dat het beleid in meer dan tien jaar tijd niet zou wijzigen. Voor zover Fastned erop heeft gewezen dat de aanvraag vooral lang heeft stilgelegen omdat er (aan haar zijde) onduidelijkheid was over toepassing van de Kennisgeving 2017, levert dat naar het oordeel van de rechtbank ook geen rechtens te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel op. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n31. De minister heeft aan Fastned in redelijkheid een Wbr-vergunning kunnen verlenen met een looptijd tot 24 september 2028.\n\n32. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Fastned geen gelijk krijgt. Fastned krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. J.F. Kuiken, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).\n\n Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 december 2022, tot vaststelling van een tijdelijke beleidsregel inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen, Stcrt, 23 december 2022, nr. 32554.\n\n Zie de Kamerbrief van 23 december 2022 met daarbij een beleidsvisie over de verzorgingsplaatsen van de toekomst, Kamerstukken II 2022\u002F23, 31 305, nr 376.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1588.\n\n ECLI:NL:RVS:2012:BW7592.\n\n ECLI:NL:CBB:2019:378.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2835.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:433.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:4789","2023-07-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.071Z",20]