[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-parking-permits-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},102,"parking-permits-nl","Parking Permits","NL","2026-07-08T16:56:40.750Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2023-04-19T00:00:00.000Z","2026-04-16T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"781","ECLI:NL:GHAMS:2026:1782","ecli-nl-ghams-2026-1782","","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F1409\n\n16 april 2026\n\nuitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X], wonende te [Z], belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van 10 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24\u002F7665 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats], de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard.\n\n1.2.. In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft belanghebbende een hogerberoepschrift ingediend en de heffingsambtenaar een verweerschrift.\n\n1.3.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Met een scanauto is geconstateerd dat de auto van belanghebbende op 26 september 2024 om 13:14 uur stond geparkeerd langs de [straat] in [plaats], terwijl de op die plaats en op dat moment verschuldigde parkeerbelasting ter zake van dat parkeren niet was voldaan. Daarom heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, welke aanslag hij bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.\n\n2.2.. Op de [straat] gelden stopverboden. Parkeren is nochtans (in elk geval) toegestaan in diverse verharde parkeervakken, al dan niet gelegen op een parkeerterrein, en op een strook langs de rijbaan bij de golfbaan. Op die laatste strook, waarvan de bovenlaag uit zand met wat grind, split of schelpen bestaat, stond de auto van belanghebbende geparkeerd.\n\n2.3.. In de stukken van het geding bevinden zich diverse foto’s van de [straat] en de directe omgeving, met daarop zichtbaar allerlei bebording over betaald parkeren en diverse parkeermeters. Onmiddellijk aan de strook waar de auto van belanghebbende geparkeerd stond, staat geen betaaldparkerenbord of een parkeermeter, maar wel enige meters verderop bij het direct naastgelegen, verharde parkeerterrein. Aan het begin van de [straat] hing in september 2024 verder een geel bord waarop met zwarte letters was vermeld:\n\n“Let op! Per 1 juli 2023\n\nverkeerssituatie gewijzigd\n\nVanaf 1 juli enkel\n\nbetaald-\u002Fvergunning\n\nparkeren”\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nIn geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\n4.1.. De rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij heeft overwogen dat zoveel borden over betaald parkeren en parkeermeters staan in de omgeving van de plek waar de auto van belanghebbende stond geparkeerd, dat duidelijk is dat (ook) daar betaald parkeren geldt, net als in de rest van [plaats], en dat de modderigheid van de bewuste parkeerplek daaraan niet afdoet.\n\n4.2.. In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de door hem naar voren gebrachte argumenten. Die argumenten komen erop neer dat voor de strook langs de rijbaan waar zijn auto stond geparkeerd het betaald parkeren niet duidelijk kenbaar is gemaakt. De situatie ter plaatse wijst volgens belanghebbende zelfs erop dat op die strook het betaald parkeren juist niet geldt. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing mede naar de “(verkeers)psychologische begrippen perceptie, schema’s en inattentional blindness”.\n\n4.3.. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat, door de aanwezigheid van vele borden en parkeermeters, te zien op de foto’s in de stukken, voldoende kenbaar is dat ten tijde van het parkeren op de gehele [straat] betaald parkeren gold, zoals in de Verordening Parkeerbelastingen 2024 van Gemeente [plaats] is bepaald. Belanghebbende is langs die borden en meters gereden naar de plek waar hij zijn auto heeft geparkeerd en kon, nog steeds gezien de foto’s in de stukken, bij het uitstappen in zijn directe nabijheid een parkeermeter zien. De bewuste parkeerplek was bovendien duidelijk openbaar terrein, behorende bij de weg, terwijl nergens een uitzondering op het alom in de omgeving (i.e.de plaats [plaats]) geldende betaald parkeren kenbaar is gemaakt. Het ontbreken van bestrating met belijning op de bewuste strook, het ontbreken van een bord of parkeermeter specifiek bij die strook, en de ligging naast een golfclub, wijzen in redelijkheid evenmin op een dergelijke uitzondering.\n\n4.4.. Het Hof heeft ook kennisgenomen van de verkeerspsychologische inzichten waarnaar belanghebbende heeft verwezen, maar die inzichten hebben niet tot een ander oordeel geleid. Indien belanghebbende inderdaad oprecht heeft gedwaald over het betaald parkeren, zoals hij stelt, ligt het veeleer in de rede dat die dwaling het gevolg is van een hem persoonlijk aangaande inattentional blindnessof onoplettendheid. Een perceptie en\u002Fof schematische indeling van de situatie ter plaatse in die zin dat het in de omgeving geldende en kenbaar gemaakte betaald parkeren specifiek op de bewuste strook niet zou gelden, en dat de parkeermeter enige meters verderop er slechts zou staan voor de met klinkers verharde en door belijning gemarkeerde parkeerplaatsen, is naar het oordeel van het Hof in elk geval niet objectief gerechtvaardigd. De situatie ter plaatse had belanghebbende minimaal aanleiding moeten geven het geldende parkeerregime nader te onderzoeken. De gestelde dwaling kan daarom niet afdoen aan de verschuldigdheid van de parkeerbelasting en de kosten van de naheffingsaanslag.\n\n4.5.. Ten slotte moge het zo zijn dat in diverse door belanghebbende aangehaalde uitspraken van andere rechters andere oordelen zijn geveld over de kenbaarheid van betaald parkeren dan wel van parkeerverboden, maar dat zijn casuïstische oordelen over andere plaatsen. Voor deze zaak zijn die uitspraken zonder betekenis.\n\n4.6.. De slotsom is daarom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.\n\n5. Kosten\n\nVoor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1782","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:47.749Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"511","ECLI:NL:RBAMS:2023:3008","ecli-nl-rbams-2023-3008","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: AMS 23\u002F1268 (voorlopige voorziening) en AMS 23\u002F914 (beroep)\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 19 april 2023 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [eiseres] , uit Amsterdam, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. J. de Vet),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam(het college)\n\n(gemachtigde: mr. D. de Vries).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres tegen het besluit waarmee haar bewonersvergunning om te parkeren op de openbare weg heeft ingetrokken. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n1.1.. Met het besluit van 17 mei 2022 heeft het college de bewonersvergunning voor het kenteken [kenteken] van eiseres ingetrokken per 1 mei 2023.\n\n1.2.. Met het bestreden besluit van 5 januari 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Op 24 april 2020 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een parkeervergunning voor bewoners. Zij heeft bij haar aanvraag aangegeven dat zij een eigen stallingsplaats heeft, maar angst heeft om daar te parkeren. Eiseres heeft ook een verklaring van haar huisarts overgelegd. Vervolgens is met een besluit van 24 juni 2020 een parkeervergunning aan eiseres verleend. Deze vergunning werd door het college steeds stilzwijgend met zes maanden verlengd.\n\n3. Het college heeft de parkeervergunning van eiseres ingetrokken, omdat uit een controle is gebleken dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een bewonersvergunning zoals neergelegd in de Parkeerverordening 2013 (Parkeerverordening). Op grond van de Parkeerverordening kan een bewonersvergunning worden verleend aan de bewoner van een adres die niet beschikt of kan beschikken over een stallingsplaats. Volgens de beschikbare informatie van het college kan eiseres gebruik maken van een eigen parkeergelegenheid. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij hiervan geen gebruik kan maken. Daarom is besloten om de parkeervergunning per 1 mei 2023 in te trekken. Volgens het college leidt de toepassing van de Parkeerverordening in het geval van eiseres niet tot bijzondere hardheid, zodat er geen aanleiding is om ten gunste van eiseres een uitzondering te maken op de regels.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5.1.. Eiseres heeft aangevoerd dat de vergunning in redelijkheid niet kon worden ingetrokken. Eiseres meent dat haar op grond van haar medische situatie een parkeervergunning is verleend en doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Op grond van de eerder aan haar verleende vergunning mag eiseres het vertrouwen ontlenen dat haar medische situatie voldoende grond is om aan haar met toepassing van de hardheidsclausule een parkeervergunning te verlenen.\n\n5.2.. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat eiseres erkent dat zij kan beschikken over een eigen stallingsplaats. Eiseres voldoet om die reden niet aan de in de Parkeerverordening neergelegde voorwaarden om in aanmerking te komen voor een parkeervergunning. Eiseres betoogt dat zij feitelijk geen gebruik kan maken van de bij haar woning horende parkeergarage omdat zij een grote angst heeft om alleen in een parkeergarage te verblijven. Eiseres heeft haar beroep op medische omstandigheden onderbouwd met een behandelplan van 10 maart 2023 van Psycholoog Nederland en een verklaring van haar huisarts, [naam] . De huisarts heeft verklaard dat eiseres is doorverwezen voor een vermoeden van een angst- en paniekstoornis en dat zij angstig is in parkeergarages. Uit het behandelplan blijkt dat een traject is opgestart om eiseres te helpen haar angsten te overwinnen. Deze stukken brengen de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Gelet op de schaarste aan parkeerruimte in de openbare ruimte, moet bij de beoordeling van de vraag of eiseres over een stallingsplaats beschikt of kan beschikken, uitgegaan worden van een ruime interpretatie. Bij deze beoordeling komt de omstandigheid dat er voor eiseres mogelijk medische belemmeringen zijn om in de parkeergarage te parkeren in beginsel voor haar risico. Het college was daarom – gelet op artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening – gehouden de verleende parkeervergunning in te trekken.\n\n5.3.. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel, overweegt de voorzieningenrechter dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres er op basis van opeenvolgende, stilzwijgende, verlengingen niet op mocht vertrouwen dat zij ook in de toekomst steeds over de bewonersvergunning kon blijven beschikken. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vergunning destijds ten onrechte is verleend en heeft toegelicht dat, als aan eiseres met toepassing van de hardheidsclausule een bewonersvergunning was verleend, dit uit de motivering van het besluit van 24 juni 2020 zou blijken. De voorzieningenrechter is met het college eens dat uit het toekenningsbesluit niet kan worden opgemaakt dat het college de hardheidsclausule heeft toegepast. Daarbij strekt het vertrouwensbeginsel niet zo ver dat een bestuursorgaan gehouden is fouten in zijn besluitvorming te laten voortduren. Voor zover de brief van 24 juni 2020, waarbij de bewonersvergunning aan eiseres is verleend, al zou moeten worden aangemerkt als een concrete toezegging dat zij in aanmerking komt voor een bewonersvergunning en deze toezegging is gedaan door een bevoegd persoon, had deze toezegging slechts een beperkte geldigheidsduur, te weten voor de duur van vier maanden, zoals is vermeld in deze brief.Gelet op het voorgaande, volgt de voorzieningenrechter eiseres evenmin in haar betoog dat sprake is van strijd met de rechtszekerheid omdat het college terugkomt op haar eerdere beslissing tot toepassing van de hardheidsclausule.\n\n6. De voorzieningenrechter begrijpt verder uit het betoog van eiseres dat zij een beroep doet op de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 40 van de Parkeerverordening. Bij de toepassing van de hardheidsclausule komt het college beoordelings- en beleidsvrijheid toe. De voorzieningenrechter dient dit daarom terughoudend te toetsen. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen wordt toegepast. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college in dit verband aangevoerd dat het moet gaan om schrijnende gevallen, zoals bijvoorbeeld gevallen waarbij betrokkenen levensbedreigend ziek zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat van een dergelijk schrijnende situatie in het geval van eiseres geen sprake is.\n\n7. Op zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat het behandeltraject medio april 2023 zal aanvangen en dat eiseres naar verwachting 12 sessies met een psycholoog nodig heeft. De behandeling zal in totaal ongeveer drie maanden duren. Het college heeft hierop op zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlengen van de vergunning voor de duur van zes maanden, zodat eiseres dit traject kan doorlopen. Op het betoog van de gemachtigde van eiseres dat eiseres het traject in alle tijd en rust moet kunnen doorlopen, heeft het college verklaard ook bereid te zijn om de bewonersvergunning voor de duur van één jaar te verlengen, maar dat een langere termijn niet geboden zal worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiseres niet in het gelijk wordt gesteld. De voorzieningenrechter ziet echter gelet op de verklaring van het college zoals weergegeven in rechtsoverweging 7, wel aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat eiseres moet worden behandeld als ware zij in het bezit van de bewonersparkeervergunning.\n\n9. Omdat de voorzieningenrechter al heeft beslist op het beroep, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.\n\n10. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten, omdat niet is gebleken van een aan het college te wijten onrechtmatigheid.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nIn de zaak met procedurenummer AMS 23\u002F914:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college eiseres vanaf 1 mei 2023 tot 1 mei 2024 behandelt als ware zij in het bezit van een bewonersvergunning voor het kenteken [kenteken] .\n\nIn de zaak met procedurenummer AMS 23\u002F1268:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Pielaat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2023.\n\nde griffier is verhinderd deze uitspraak\n\nte ondertekenen\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2601.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2016,\n\nECLI:NL:RVS:2016:1960.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:3008","2023-05-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.102Z",1,20]