[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-recusal-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":32,"total":16,"page":25,"limit":61},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},154,"recusal-nl","Recusal","NL","2026-07-08T17:00:27.680Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-05-20T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123580","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 142",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123581","art. 39 lid 5",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122995","art. 16",[33,44,53],{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":38,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":40,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":42,"updatedAt":43},"1329","ECLI:NL:RBAMS:2026:6780","ecli-nl-rbams-2026-6780","","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBeslissing van 25 juni 2026 op het op 9 juni 2026 gedane en onder zaaknummer\n\nC\u002F13\u002F789487 HA\u002FRK 26\u002F225 ingeschreven verzoek van:\n\n [verzoeker],wonende te [woonplaats],\n\nverzoeker, gemachtigde mr. B.G.E. Korterink,\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van mr. L. van Berkum, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.1. 1. De procedure\n\nDe wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:\n\nde brief van verzoeker van 11 juni 2026, met bijlagen, waarin hij de rechter wraakt;\n\nde schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek;\n\nde aantekeningen van de griffier van de zitting van 18 mei 2026 in de zaak waarin verzoeker als eiser optreed tegen [naam] (gedaagde, hierna [naam]) met zaaknummer 11963158 \u002F CV EXPL 25-15764.\n\nDe rechter berust niet in de wraking.\n\n2. De feiten\n\nVerzoeker is als zzp’er werkzaam geweest voor [naam]. Op grond van de stelling dat verzoeker drie facturen niet betaald heeft gekregen, heeft hij tegen [naam] een procedure aanhangig gemaakt. In die procedure treedt mr. B.G.E. Korterink op als gemachtigde voor verzoeker.\n\nIn december 2025 heeft in deze zaak een eerste zitting plaatsgevonden. [naam] is toen niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. Voordat een verstekvonnis is gewezen, heeft [naam] het verstek gezuiverd.\n\nOp 18 mei 2026 heeft een tweede zitting plaatsgevonden. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn op die zitting niet verschenen. [naam] is wel verschenen. De zaak is inhoudelijk behandeld – mede aan de hand van door verzoeker ingediende stukken – en vonnis is bepaald op 19 juni 2026. Vanwege het wrakingsverzoek is op die dag geen vonnis gewezen.3. Het verzoek en de gronden daarvan\n\nHet wrakingsverzoek is – samengevat weergegeven – gebaseerd op de volgende gronden. De rechter heeft toegestaan dat [naam] het verstek zuivert, zonder dat hij bewijs heeft overgelegd dat hij niet op de aanvankelijke zitting kon verschijnen. Toen verzoeker, om veiligheidsredenen, niet verscheen op de tweede zitting, heeft de rechter, in plaats van de zaak aan te houden, de zaak afgedaan op de stukken, ten nadele van verzoeker. [naam] heeft verzoeker geïntimideerd (daarom durfde verzoeker niet op de tweede zitting te komen) en de rechter heeft daar niets tegen ondernomen. [naam] heeft op de tweede zitting (blijkens de zittingsaantekeningen van de griffier) verklaard dat hij altijd alle facturen betaalt en de rechter vraagt hier niet op door. De rechter is voornemens de vordering van verzoeker te verrekenen met kosten die [naam] zou hebben gemaakt. Het patroon is duidelijk: wat van [naam] komt, wordt geaccepteerd en wat van verzoeker komt wordt weggestreept. Hierdoor heeft de rechter de schijn van partijdigheid gewekt. De rechter moet daarom worden vervangen door een andere rechter.4. 4. De reactie van de rechter\n\nDe rechter heeft als volgt schriftelijk gereageerd: Hierbij reageer ik op het wrakingsverzoek van [verzoeker] (hierna genoemd eiser).Het verloop van de procedure was als volgt.\n\nEiser, die met een gemachtigde procedeert, heeft gedaagde (een klusbedrijf) bij dagvaarding van 5 november 2025 in rechte betrokken in verband met onbetaald gelaten facturen mbt door eiser voor gedaagde verrichte werkzaamheden.\n\nAanvankelijk is gedaagde niet verschenen, maar hij heeft het verstek gezuiverd met een e-mail van 3 december 2025 waarin de vordering wordt betwist en hij een beroep op verrekening doet met betrekking tot verschillende ten behoeve van eiser gemaakte kosten die eiser niet (meer) wil betalen.\n\nVervolgens is er op 29 januari 2026 een zogenaamd instructievonnis op naam van mr. Sissing gewezen waarin een mondelinge behandeling is bepaald.\n\nDeze mondelinge behandeling is bepaald op 18 mei 2026 bij mr. Van Berkum (door de planners ingevolge de nieuwe planningsregels).\n\nOp 12 mei 2026 heeft de gemachtigde van eiser bericht dat eiser heeft aangegeven niet op de comparitie van partijen aanwezig te kunnen zijn, maar dat hij wel graag zijn standpunt nav van het verweer van gedaagde naar voren wil brengen. Vervolgens is in circa 4 bladzijden ingegaan op het verweer van gedaagde en handhaaft eiser zijn vorderingen.\n\nOp 13 mei 2026 zijn door de gemachtigde van eiser per e-mail diverse stukken (voornamelijk correspondentie met gedaagde) ingestuurd.\n\nVlak vóór aanvang van de mondelinge behandeling op 18 mei 2026 deelde de bode mee dat niemand zich namens eisende partij had gemeld. Hierop heeft de griffier telefonisch contact met de gemachtigde van eiser opgenomen en gevraagd of hij voornemens was naar de mondelinge behandeling te komen, aangezien die bijna zou beginnen en in het bericht van 12 mei 2026 alleen was aangekondigd dat eiser niet op de mondelinge behandeling aanwezig zou zijn. De gemachtigde lichtte toe dat eiser niet ter zitting wilde verschijnen in verband met dreigementen van gedaagde partij - die zouden blijken uit de stukken die op 13 mei 2026 waren toegestuurd - en dat ook hij om die reden niet ter zitting zou verschijnen. De griffier heeft toen gevraagd of het wat betreft het (nadere) standpunt van eiser de zaak afgedaan moest worden op de stukken, hetgeen de gemachtigde bevestigde. Hierop heeft de griffier gezegd dat de mondelinge behandeling dan gewoon doorgang zou hebben. Vervolgens is de zaak uitgeroepen en heeft gedaagde het verweer toegelicht, vragen beantwoord en stukken overgelegd. Daarna is een datum voor vonnis bepaald.\n\nNaar aanleiding van een verzoek van de gemachtigde van eiser om het pv van de zitting, zijn de griffiersaantekeningen op 5 en 8 juni 2026 per e-mail aan partijen verzonden.\n\nVervolgens is op 11 juni 2026 het wrakingsverzoek ingediend.\n\nBuiten dat het wrakingsverzoek niet onverwijld is ingediend en daarom niet ontvankelijk is, berust ik niet in de wraking omdat ik niet partijdig ben of de objectieve schijn daartoe heb gewekt. Zowel de beslissing om het verstek te zuiveren als de beslissing om de mondelinge behandeling te houden zonder aanwezigheid van eiser en zijn gemachtigde, zijn procesbeslissingen. Daarbij geldt dat ik uit het telefoongesprek met de gemachtigde van eiser op de dag van de mondelinge behandeling niet heb begrepen dat eiser aanhouding van de mondelinge behandeling wilde, maar juist dat hij afzag van aanwezigheid op de mondelinge behandeling en voortzetting wenste op basis van zijn schriftelijke stukken. Ik ging er daarbij vanuit dat in ieder geval de gemachtigde zich op dat moment realiseerde dat eiser niet meer in de gelegenheid werd gesteld om op de mondelinge toelichting van gedaagde te reageren en dat daarna meteen vonnis zou volgen.\n\nUit de zittingsaantekeningen van de griffier kan verder niet afgeleid worden dat ik partijdig ben of de objectieve schijn daartoe heb gewekt. Het geeft enkel weer wat ter zitting is besproken met gedaagde en tot welk voorlopig oordeel ik daardoor op de zitting kwam.5. 5. De gronden van de beslissing\n\n5.1. Op grond van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.5.2. Allereerst merkt de wrakingskamer het volgende op. Verzoeker is er kennelijk niet van op de hoogte gesteld dat de rechter de behandeling van de zaak heeft overgenomen van mr. A. Sissing, eveneens kantonrechter in deze rechtbank. Het wrakingsverzoek is immers gericht tegen mr. Sissing. De wrakingskamer zal het verzoek desalniettemin opvatten als een verzoek dat zich richt tegen mr. Van Berkum. Zij is immers de rechter die de zaak thans in behandeling heeft.\n\n5.3. Indien een gedaagde partij niet op de zitting verschijnt, kan hij, voordat het verstekvonnis is gewezen, het verstek zuiveren (zie artikel 142 Rv). Dit heeft tot gevolg dat een nieuwe zitting wordt bepaald waarop hij alsnog kan verschijnen. Hiervoor is niet vereist dat gedaagde gegronde redenen opvoert waarom hij niet op de aanvankelijke zitting is verschenen, en die redenen moet aantonen. Het is een recht van gedaagde om verstek te zuiveren en dit recht kan hem niet worden ontnomen. Hierin kan dan ook geen grond zijn gelegen om een rechter te wraken.\n\n5.4. Alle overige door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden betreffen (proces)beslissingen van de rechter. Het gaat dan met name om de beslissing de zaak inhoudelijk te behandelen (en niet aan te houden), ondanks dat volgens verzoeker sprake was van intimidatie van de kant van [naam]. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Dat [naam] op de zitting, in de visie van verzoeker, onwaarheden heeft verteld en ten onrechte kosten wil verrekenen met de facturen van verzoeker, kan evenmin een grond voor wraking opleveren. Uit de zittingsaantekeningen kan op dit punt niet worden afgeleid dat sprake is van concrete feiten of omstandigheden waaruit (de objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker zou kunnen blijken.\n\n5.5. Het verzoek tot wraking is dus kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\nwijst het verzoek tot wraking af;\n\nbepaalt dat de procedure met zaaknummer 11963158 \u002F CV EXPL 25-15764 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.\n\nAldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2026.\n\nTegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6780","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:16.235Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":42,"updatedAt":52},"642","ECLI:NL:RBAMS:2026:6857","ecli-nl-rbams-2026-6857","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nWrakingskamer\n\nBeslissing van 22 juni 2026 op het onder rekestnummer C\u002F13\u002F789883 HA RK 26\u002F239 ingeschreven verzoek tot verschoning ingediend door:\n\nmr. B. van Galen, rechter bij de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.\n\n1. De procedure\n\nBij de afdeling strafrecht van de Rechtbank te Amsterdam is een zaak aanhangig met parketnummer 13\u002F405281-24 die is toegewezen aan de rechter.\n\n2. Het verzoek\n\nAan het verzoek is ten grondslag gelegd dat het de rechter bij de voorbereiding van de behandeling is gebleken dat de verdachte in deze zaak ([naam], bijgestaan door mr. D.R. Backers) onderdeel uitmaakt van haar persoonlijke\u002Fzakelijke kennissenkring.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van het bepaalde in artikel 518 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of er sprake is van de in artikel 512 Sv genoemde feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit voormelde bepaling valt af te leiden dat de behandeling van een verschoningsverzoek, anders dan de behandeling van een wrakingsverzoek, niet ter terechtzitting behoeft plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.\n\n3.2.. Verschoning is een middel ter verzekering van (het vertrouwen in) de rechterlijke onpartijdigheid.\n\n3.3.. De rechtbank oordeelt dat de geobjectiveerde vrees kan ontstaan dat de rechter de zaak niet onpartijdig kan behandelen nu de verdachte een supermarkt heeft waar hij dagelijks werkt, die is gevestigd in de directe woonomgeving van de rechter en in de nabijheid van de school van haar kinderen. De rechter bezoekt die supermarkt meerdere keren per week, ook met haar kinderen. Hierdoor bestaat een terugkerende zakelijke en maatschappelijke relatie tussen de rechter en de supermarkt. Gelet daarop wordt het verzoek toegewezen.\n\nDe rechtbank:\n\n wijst het verzoek tot verschoning toe en bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 13\u002F405281-24 wordt voortgezet voor een andere rechter;\n\n beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 518, tweede lid Sv wordt toegezonden aan:\n\n de raadsman van verdachte;\n\n de rechter; en\n\n de officier van justitie.\n\n Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mr. P.B. Martens en mr. W.M. de Vries, leden, op 22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6857","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.731Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":57,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":42,"updatedAt":60},"1033","ECLI:NL:GHAMS:2026:1353","ecli-nl-ghams-2026-1353","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nzaaknummer : 200.367.287\n\nzaaknummer hoofdzaak : 200.218.242\u002F01 OK en 200.218.242\u002F02 OK\n\nBeslissing van de wrakingskamer van 20 mei 2026\n\nop het wrakingsverzoek ingediend door\n\nde vennootschap naar het recht van Luxemburg\n\nConservatrix Groep S.a.r.l.,\n\ngevestigd te Luxemburg,\n\nhierna: CG,\n\nbijgestaan mr. W.A. Westenbroek en mr. H.M.W. Hompesch,\n\nadvocaten te Amsterdam,\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De hoofdzaak betreft een verzoekschriftprocedure op grond van artikel 3:159ab Wet Financieel Toezicht (oud), waarin CG bij verzoekschrift, ingediend op 26 juni 2017, een verzoek heeft gedaan tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling in verband met de verkoop van de door CG gehouden aandelen in Nederlandsche Algemeene Maatschappij van Levensverzekering ‘Conservatrix’ N.V. (hierna: Conservatrix) voor € 1,-,\n\n1.2.. CG heeft bij op 9 april 2026 ingekomen schriftelijk stuk (hierna: het klaagschrift) vergezeld van 20 bijlagen en een inventarislijst de wraking verzocht van de raadsheren mr. A.W.H. Vink en mr. J.M. de Jongh (hierna gezamenlijk: de raadsheren), leden van de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam (hierna: de OK).\n\n1.3.. De raadsheren hebben op 20 april 2026 ieder schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.\n\n1.4.. Het wrakingsverzoek is op 29 april 2026 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting waren aanwezig dhr. [naam 3] namens CG, bijgestaan door mr. W.A. Westenbroek en mr. H.M.W. Hompesch, en de raadsheren. Belangstellenden van de wederpartij in de hoofdzaak waren aanwezig.\n\n1.5.. Mr. Westenbroek heeft aan de hand van spreekaantekeningen - met daaraan gehecht een nog niet overgelegde productie - het woord gevoerd. Ook de raadsheren hebben het woord gevoerd.\n\n2. Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover\n\n2.1.. De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het klaagschrift en de toelichting in de spreekaantekeningen. Samengevat legt CG aan haar verzoek ten aanzien van mr. De Jongh ten grondslag:\n\n1. dat hij zich op sociale media (LinkedIn) suggestief heeft uitgelaten over een zaak waarin CG is betrokken en waarover hij eerder zelf heeft geoordeeld en ook nog dient te oordelen. Dat heeft hij gedaan daags voor een afwijzende beslissing van een combinatie van de OK waarin hij zitting heeft, op een verzoek van CG in verband met een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026 in een procedure tussen CG en De Nederlandsche Bank (hierna: DNB), waarin is vastgesteld dat DNB bedrog heeft gepleegd, welke beschikking naar de mening van CG van belang is in deze zaak;\n\n2) dat CG op 2 april 2026 is gebleken dat mr. De Jongh een broer heeft die partner is van het advocatenkantoor A&O Shearman LLP (hierna A&O), het kantoor dat de Staat bijstaat in de hoofdzaak en ook DNB bijstond in de hiervoor al genoemde rechtbankprocedure in 2017.\n\nAan haar verzoek ten aanzien van mr. Vink legt CG – samengevat - ten grondslag dat, nu er gegronde vrees bestaat om te twijfelen aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. De Jongh , dit ook raakt aan de onpartijdigheid en objectiviteit van de voorzitter, nu deze ten aanzien van de betrokken wrakingsgronden reeds standpunten heeft ingenomen in reacties in zijn hoedanigheid als voorzitter ten aanzien van de bezwaren tegen mr. De Jongh . Hierbij moet mede in aanmerking worden genomen dat de afwijzende beslissing van de OK op het verzoek van CG, is genomen onder het voorzitterschap van mr. Vink nadat mr. De Jongh zijn bericht op LinkedIn plaatste en de voorzitter dat bericht dus kennelijk evenmin ontoelaatbaar acht, gelet op de reacties namens mr. Vink en mr. De Jongh van 2 april 2026. CG neemt verder aan dat binnen de OK al langer bekend was dat de broer van mr. De Jongh als partner was verbonden aan A&O en dat hierover onder voorzitterschap van mr. Vink binnen de combinatie zoals te doen gebruikelijk overleg is gepleegd zonder dat dit tot een wijziging van de combinatie heeft geleid. De enkele reële mogelijkheid dat hierdoor beslissingen van de OK als rechtsprekend orgaan in het verleden (mogelijk onbedoeld en onbewust) mede zouden kunnen zijn beïnvloed door mogelijke (onbedoelde en onbewuste) vooringenomenheid van mr. De Jongh , rechtvaardigt ook de objectieve vrees van partijdigheid ten aanzien van de voorzitter.\n\n2.2.. \n\nDe raadsheren hebben in hun schriftelijke reacties meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten.\n\nSamengevat voert mr. De Jongh het volgende aan naar aanleiding van de wrakingsgronden:\n\n- Doordat de rechterlijke controle op de uitspraken van de OK doorgaans beperkt is, zijn andere vormen van feedback essentieel voor het goed functioneren van de OK. De OK gaat daarom actief op zoek naar terugkoppeling uit de rechtspraktijk. De reactie van mr. De Jongh op een LinkedIn-bericht over CG moet tegen die achtergrond worden bezien: de rechtbank had het herroepingsverzoek weliswaar niet-ontvankelijk verklaard maar een stevig oordeel gegeven over de handelwijze van DNB. De OK had eerder een herroepingsbeschikking gegeven die onder de streep op hetzelfde neerkwam maar op inhoud verschilde. Mr. De Jongh heeft de rechtspraktijk hierop willen wijzen en uitgenodigd tot inhoudelijke kritiek op rechtbank én OK. Dat CG hierin een subtekst leest die rechtstreeks ingaat tegen zijn bedoeling en tegen zijn bewoordingen – “oordeel zelf” – kan niet afdoen aan zijn objectieve onpartijdigheid. Mr. De Jong nam niet deel aan het publieke debat, hij nodigde slechts uit tot debat;\n\n- De betrokkenheid van mr. De Jongh bij CG is tot nu toe beperkt gebleven tot de beschikkingen van 20 december 2024 en 4 juni 2025. Bij de herroepingszaak had hij geen betrokkenheid. Hij was evenmin betrokken bij de e-mail van 18 februari 2026, waarin mr. Vink in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OK afwijzend besliste op een verzoek van CG om een nadere standpuntwisseling toe te staan naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank van 5 februari 2026;\n\n- Op 2 april 2026 heeft de secretaris van de OK op verzoek van mr. De Jongh partijen erover geïnformeerd dat zijn broer partner is bij A&O. Daarin wordt toegelicht waarom mr. De Jongh meent de zaak met de vereiste subjectieve en objectieve onpartijdigheid te kunnen behandelen. De specialismen van mr. De Jongh en zijn broer overlappen niet. De broer van mr. De Jongh is gespecialiseerd in projectfinanciering. Er is geen enkel raakvlak met CG en mr. De Jongh heeft geen aanleiding te veronderstellen dat zijn broer daar op enige wijze bij betrokken is (geweest). Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 bericht mr. De Jongh partijen voorafgaand aan iedere zitting waarin A&O optreedt dat zijn broer partner is bij dit kantoor. Pas met de klachtbrief van CG van 13 maart 2026 raakte mr. De Jongh ermee bekend dat hij weer zou moeten oordelen in de zaak CG. In afwachting van de reactie van de president van het hof en van mr. Vink heeft hij zich opnieuw de vraag gesteld of hij zichzelf in staat achtte de zaak met de vereiste subjectieve en objectieve onpartijdigheid te beoordelen. De uitkomst van zijn overwegingen is op 2 april 2026 met partijen gedeeld.\n\nMr. Vink heeft in zijn reactie vermeld:\n\n- dat hij door middel van de e-mail van de secretaris van de OK van 2 april 2026, waarin is meegedeeld dat hetgeen in de klachtbrief van 13 maart 2026 uiteengezet is geen aanleiding geeft tot het nemen van enige nadere procedurele beslissing, niet een standpunt heeft ingenomen over een wrakingsgrond maar een feitelijke mededeling heeft gedaan aan CG over de aan de klachtbrief te verbinden procedurele gevolgen;\n\n- dat de mededeling in de e-mail van 18 februari 2026, waarin aan CG is bericht dat de OK geen aanleiding ziet partijen gelegenheid te geven zich nader uit te laten, een volstrekt normale procedurele beslissing is, die als zodanig geen grond voor wraking kan opleveren;\n\n- dat het bericht van mr. De Jongh op LinkedIn volstrekt neutraal is geformuleerd en ter zake dienend is en dat dit niet een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat hij (of mr. De Jongh ) jegens een van partijen in deze zaak vooringenomen zou zijn;\n\n- dat het feit dat mr. Vink ervan op de hoogte is dat een broer van mr. De Jongh werkzaam is bij A&O, niet betekent dat mr. Vink jegens een van partijen in de hoofdzaak een vooringenomenheid zou koesteren dan wel dat de kennelijk bij CG dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.\n\n3. De beoordeling\n\nJuridisch kader\n\n3.1.. Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren van de OK.\n\n3.2.. \n\nEen rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer\n\nvooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat\n\neen rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke\n\nonpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke\n\nomstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing\n\nopleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn\n\nvan partijdigheid.\n\nAanvullende wrakingsgronden\n\n3.3.. \n\nTijdens de mondelinge behandeling heeft CG nog de volgende gronden aan het verzoek toegevoegd.\n\nTen aanzien van mr. Vink :\n\n- dat hij in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OK alleen en zelfstandig heeft beslist op het verzoek van 9 februari 2026, terwijl hij ten aanzien van dat verzoek niet meer onbevangen was omdat hij als voorzitter een combinatie had geleid die de beschikking van 31 juli 2025 had gewezen. Dit staat haaks op Aanbeveling 16 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de Rechtspraak 2014. Het verzoek had daarom minst genomen door de meervoudige kamer moeten worden behandeld, zoals ook volgt uit artikel 16 Rv;\n\n- dat de e-mail van 9 maart 2026, waarin is medegedeeld dat de ongewijzigde samenstelling van de OK bij de beslissing van 18 februari 2026 betrokken was geweest, in dat opzicht misleidend is.\n\nTen aanzien van mr. De Jongh :\n\n- dat de hiervoor bedoelde omstandigheden ook de gestelde vrees voor vooringenomenheid van mr. De Jongh raken, omdat de beslissing van mr. Vink formeel een beslissing van de combinatie is waarvan mr. De Jong deel uitmaakt.\n\n3.4.. \n\nDe wrakingskamer stelt voorop dat het hier om nieuw aangevoerde omstandigheden gaat, die niet (onmiskenbaar) deel uitmaken van de in het wrakingsverzoek van 9 april 2026 aangevoerde wrakingsgronden. Om die reden kunnen deze omstandigheden niet bij de beoordeling van het wrakingsverzoek worden betrokken. Artikel 37, derde lid, Rv vereist immers dat alle wrakingsgronden tegelijk worden voorgedragen. Het doel van dit voorschrift is dat onnodige vertraging wordt voorkomen. Nieuwe omstandigheden worden alleen in de beoordeling betrokken als deze pas na indiening van het wrakingsverzoek bekend zijn geworden. Dat de beslissing op het verzoek van 9 februari 2026 (mede) is genomen door mr. Vink die ook bij de beschikking van 31 juli 2025 was betrokken, was CG reeds voor indiening van het wrakingsverzoek bekend.\n\nVoor zover CG stelt dat de beslissing niet (gemandateerd) door mr. Vink namens de combinatie van de OK die de zaak behandelt genomen had kunnen worden, geldt bovendien dat dit een processuele beslissing betreft die – behoudens buitengewone omstandigheden die niet zijn voorgedragen - geen grond voor wraking oplevert.\n\nBeoordeling in deze zaak\n\nMr. De Jongh3.5.. De eerste wrakingsgrond houdt - zoals hiervoor uiteengezet - in dat mr. De Jongh zich op sociale media (LinkedIn) suggestief heeft uitgelaten over een nog lopende zaak bij de OK, waarin CG is betrokken en waarover mr. De Jongh eerder zelf heeft geoordeeld en ook nog dient te oordelen, terwijl vlak daarna een combinatie van de OK waarin mr. De Jongh zitting heeft, afwijzend heeft beslist op het verzoek van CG om zich te mogen uitlaten over de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026, welke beschikking naar de mening van CG van belang is voor de beoordeling van de zaak.\n\n3.6.. Voor een goede beoordeling van deze wrakingsgrond is het nodig de context, waarbinnen de “gewraakte” mededeling door mr. De Jongh is gedaan, in ogenschouw te nemen. Daarbij zijn de volgende feiten van belang:\n\nOp verzoek van DNB heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 15 mei 2017 - kort gezegd - bepaald dat alle aandelen in Conservatrix worden overgedragen aan Trier tegen betaling van € 1,-. Het door CG ingestelde cassatieberoep tegen deze beschikking is door de Hoge Raad verworpen bij beschikking van 17 mei 2019.\n\nIn een daarop volgende procedure bij de OK (met zaaknummer 200.218.242\u002F01) op grond van artikel 3:159ab Wet Financieel Toezicht (oud) heeft CG de OK verzocht een aanvullende schadeloosstelling vast te stellen omdat volgens haar de waarde van de aandelen in Conservatrix op 15 mei 2017 aanzienlijk hoger was dan de door Trier betaalde prijs van € 1,- (hierna ook: de schadeloosstellingsprocedure).\n\nBij beschikking van 24 augustus 2021 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure overwogen dat zij een deskundigenonderzoek zal gelasten ter beantwoording van de vraag naar de waarde van de aandelen in Conservatrix per 15 mei 2017. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundigen en de aan deze deskundigen te stellen vragen.\n\nBij beschikking van 20 december 2024 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure deskundigen benoemd en hen verzocht een plan van aanpak en een begroting op te stellen. Mr. De Jongh maakte deel uit van de combinatie die deze beschikking heeft gegeven.\n\nOp 14 mei 2025 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure aan (onder andere) CG een e-mailbericht van 12 mei 2025 doorgestuurd, waaruit volgde dat één van de deskundigen diende te worden vervangen en waarin een nieuwe deskundige werd voorgesteld.\n\nBij brief van 20 mei 2025 in de schadeloosstellingsprocedure heeft CG bezwaar gemaakt tegen benoeming van de nieuwe deskundige.\n\nDaarnaast heeft CG bij verzoekschrift van diezelfde datum de OK verzocht de beschikkingen van de OK van 24 augustus 2021 en 20 december 2024 te herroepen, althans terug te komen op een aantal bindende eindbeslissingen in die beschikkingen en het deskundigenonderzoek met directe ingang aan te houden. Tevens is verzocht de Staat te bevelen een aantal stukken aan CG over te leggen.\n\nCG heeft op 20 mei 2025 tevens bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift ingediend strekkende tot herroeping van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017 en daarbij overlegging van dezelfde stukken ex. artikel 195 Rv verzocht.\n\nBij beschikking van 4 juni 2025 (in de zaak met zaaknummer 200.218.242\u002F01) heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure de bezwaren tegen de deskundige afgewezen, het voorschot op de kosten van het onderzoek door deskundigen bepaald en bepaald dat de Staat en CG ieder voor de helft het voorschot zullen dragen. Het verzoek van CG om aanhouding heeft de OK afgewezen. Daartoe heeft de OK overwogen dat de procedure bij de OK in de kern alleen de vraag betreft of de Staat aan CG een aanvullende schadeloosstelling dient te betalen en dat de OK in het kader van deze procedure vooralsnog heeft uit te gaan van de juistheid van de beschikking van de rechtbank van 15 mei 2017. Mr. De Jongh maakte deel uit van de combinatie die deze beschikking heeft gegeven.\n\nBij beschikking van 31 juli 2025 (met zaaknummers 200.218.242\u002F01 en 200.218.242\u002F02) heeft de OK het verzoek tot herroeping van CG afgewezen. Daarbij heeft de OK (onder andere) overwogen dat niet aannemelijk is dat de rechtbank Amsterdam tot een andere beslissing zou zijn gekomen als daarbij was meegewogen dat de door Trier op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking van Conservatrix om tot een solvabiliteitsratio van 135% te komen (deels) bestond uit de met CBL gesloten Herverzekering. Ook de overige verzoeken van CG zijn afgewezen, waaronder verzoeken om terug te komen op (bindende eind)beslissingen in de beschikkingen van 24 augustus 2021, 20 december 2024 of 4 juni 2025.\n\nCG heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure begin september 2025 meegedeeld niet tot betaling van het voorschot over te gaan. Daarop heeft de OK bij e-mail van 8 september 2025 aan partijen meegedeeld dat zij over het verdere verloop (in de zaak met zaaknummer 200.218.242\u002F01) bij beschikking zal beslissen. De uitspraak is vervolgens een aantal malen aangehouden.\n\nBij beschikking van 5 februari 2026 heeft de rechtbank Amsterdam CG niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om herroeping. Daarbij heeft de rechtbank echter, buiten de dragende overwegingen die leiden tot niet-ontvankelijkverklaring, geoordeeld dat inderdaad sprake is van “bedrog in het geding gepleegd” als bedoeld in artikel 382 onder a Rv, kort gezegd omdat de herverzekering (naast kapitaalstorting) als onderdeel van het bereiken van de benodigde solvabiliteit door Conservatrix door DNB buiten de procedure is gehouden. Daardoor heeft geen volwaardig debat kunnen plaatsvinden over de vraag of minder vergaande maatregelen (alternatieven) mogelijk waren geweest om Conservatrix te ‘redden’. DNB heeft bij beroepschrift van 18 februari 2026 hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.\n\nDe beschikking van 5 februari 2026 heeft geleid tot Kamervragen.\n\nIn het Financieel Dagblad van 6 februari 2026 is een artikel opgenomen met de titel ‘DNB pleegde bedrog bij onteigening Conservatrix, oordeelt rechter’.\n\nOp of omstreeks 7 februari 2026 heeft prof. [naam 4] (hierna: [naam 4] ) op zijn LinkedIn pagina (onder andere) de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026 besproken onder de kop ´Evident onredelijk en bedrog’met als onderkop: ‘Het is niet de maand van de toezichthouders, wel die van onze rechtspraak’, met daaronder een verwijzing naar het artikel daarover in het Financieel Dagblad. Het bericht bevat onder meer de melding“Nog opvallender is het oordeel van de rechter […] dat DNB bedrog heeft gepleegd in de procedure rondom Conservatrix”.\n\nOp of omstreeks 7 of 8 februari 2026 heeft mr. De Jongh onder deze post op LinkedIn het volgende geschreven: “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. Oordeel zelf:”.De daarop volgende link in het bericht verwijst naar de hiervoor genoemde beschikking van de OK van 31 juli 2025 (met zaaknummers 200.218.242\u002F01 en 200.218.242\u002F02).\n\nOp 9 februari 2026 heeft CG de beschikking van de rechtbank Amsterdam aan de OK toegezonden. Daarbij heeft CG verzocht zich in de schadeloosstellingsprocedure te mogen uitlaten over deze nieuwe ontwikkeling alvorens de OK (eind)uitspraak zou doen.\n\nDe secretaris van de OK heeft CG bij e-mail van 18 februari 2026 namens de OK meegedeeld dat de OK geen aanleiding zag om partijen in de bij de OK lopende procedure in de gelegenheid te stellen zich (bij akte of regiezitting) uit te laten over de voortzetting van de procedure.\n\nDe (eind)uitspraak in de schadeloosstellingsprocedure (in de zaak met zaaknummer 200.218.242\u002F01) is daarna wederom aangehouden, laatstelijk tot 14 mei 2026.\n\n3.7.. Wat betreft de uitlating van mr. De Jongh op LinkedIn, stelt de wrakingskamer voorop dat, zoals hiervoor onder 3.6 uiteengezet, de OK in haar beschikking van 31 juli 2025 heeft geoordeeld dat het herroepingsverzoek van CG om meerdere redenen geen kans van slagen heeft, terwijl de rechtbank Amsterdam ruim een half jaar later in haar beschikking van 5 februari 2026 heeft geoordeeld dat de beslissing van de rechtbank op het oorspronkelijke verzoek in 2017 berust op bedrog door DNB in het geding gepleegd en dat de door CG aangevoerde herroepingsgrond door de rechtbank dan ook in beginsel voor juist wordt gehouden. Van deze laatste beschikking heeft DNB hoger beroep ingesteld, aanhangig bij dit gerechtshof. Verder heeft deze laatste beschikking geleid tot (onder andere) Kamervragen, het genoemde artikel in het Financieel Dagblad en een korte bespreking van deze beschikking door [naam 4] op zijn LinkedIn pagina.\n\n3.8.. \n\nDe wrakingskamer stelt vast dat mr. De Jongh zich, met zijn post op de LinkedIn pagina van [naam 4] begin februari 2026, met de hiervoor aangehaalde uitlating “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. […]” met een link naar de beschikking van de OK van 31 juli 2025, heeft gemengd in het publieke debat over een zaak, waarin nog door een zittingscombinatie van de OK waarvan mr. De Jongh deel uitmaakt, (verder) beslist moet worden. Het betreft dan de schadeloosstellingsprocedure, waarin Conservatrix partij is.\n\nDe wrakingskamer constateert dat ten tijde van de uitlating de termijn voor het instellen van hoger beroep van de beschikking van de rechtbank van 5 februari 2026 nog liep en dat de beschikking van de OK van 31 juli 2025 nog bij de Hoge Raad voorligt.\n\nDe wrakingskamer stelt daarnaast vast dat de procedures die hebben geleid tot de uitspraken van (laatstelijk) 4 juni 2025 enerzijds en 31 juli 2025 anderzijds met elkaar verweven zijn. In de beschikking van 31 juli 2025 (die niet door een combinatie is gewezen, waarin mr. De Jongh zitting had) zijn beslissingen aan de orde die direct doorwerken in de schadeloosstellingsprocedure, in welke zaak als gezegd mr. De Jongh wel deel uitmaakt(e) van de combinatie. Bovendien betrof de (mede namens mr. De Jongh genomen) beslissing van de OK op 18 februari 2026 – dus daags na de post door mr. De Jongh op LinkedIn – de afwijzing van het verzoek van CG om het debat in de schadeloosstellingsprocedure te heropenen vanwege - kort gezegd - het in de uitspraak van de rechtbank van 5 februari 2026 geconstateerde bedrog.\n\n3.9.. \n\nCG wijst terecht erop dat deze gang van zaken niet in overeenstemming is met de NVvR-rechterscode 2026, waarin onder 2.3 (onder andere) wordt bepaald dat rechters zich niet in het openbaar uitlaten over hun eigen zaken of over zaken van collega’s. Uitzonderingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld in het kader van onderwijs of voorlichting, maar ook dan is de rechter zich bewust van de noodzaak terughoudend te zijn.\n\nTerughoudendheid in deze zin is (ook) vanuit wrakingsperspectief geboden, omdat een uitlating in het openbaar het gevaar in zich draagt dat zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.\n\n3.10.. \n\nMr. De Jongh voert aan dat hij met zijn opmerking: “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. Oordeel zelf”,slechts de rechtspraktijk heeft willen wijzen op het verschil tussen de uitspraken van de OK en de rechtbank en heeft uitgenodigd tot inhoudelijke kritiek op rechtbank én OK. Volgens mr. De Jongh nam hij dus niet deel aan het debat, maar nodigde hij slechts uit tot debat.\n\nCG heeft daarentegen het standpunt ingenomen dat de post een reactie vormde op het hierboven vermelde bericht van [naam 4] en het artikel in het FD. De suggestie is daarmee volgens CG gewekt dat mr. De Jongh met zijn post en de opmerking “Oordeel zelf” bedoelde tegengas te geven tegen de daarin besproken beschikking van de rechtbank.\n\nDe wrakingskamer overweegt dat mr. De Jongh een link heeft gepost naar een uitspraak van de OK, terwijl hij zelf deel uitmaakt van de OK. Ook al maakte mr. De Jongh zelf niet deel uit van de combinatie die deze uitspraak deed, is de wrakingskamer van oordeel dat met de uitnodiging van mr. De Jong , met name gelet op de sterke verwevenheid van deze uitspraak met de schadeloosstellingsprocedure waarbij hij wel betrokken is, objectief de schijn kan zijn gewekt dat hij die uitspraak onderschrijft. Daarbij acht de wrakingskamer van belang dat het bericht van [naam 4] aan de orde stelde dat toezichthouders in korte tijd twee keer (ernstig) op de vingers zijn getikt. De wijze waarop mr. De Jongh zijn bericht heeft geformuleerd, waarbij het gaat om het gebruik van de woorden “Oordeel zelf” na de opmerking dat de OK eerder een herroepingsverzoek “in Conservatrix” afwees, kan in deze context objectief gezien als tegenwicht worden opgevat en kan daarmee als niet neutraal worden geïnterpreteerd.\n\n3.11.. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden komt de wrakingskamer tot de vaststelling dat de vrees objectief gerechtvaardigd is dat mr. De Jongh ten aanzien van de hoofdzaak (de schadeloosstelingsprocedure) vooringenomen is. De wrakingskamer benadrukt dat hiermee niet is uitgesproken dat mr. De Jongh daadwerkelijk (subjectief) partijdig is, maar dat onder de beschreven omstandigheden voor de externe waarnemer objectief beschouwd de schijn van partijdigheid kan zijn gewekt. Het verzoek tot wraking zal daarom worden toegewezen.\n\n3.12.. De tweede wrakingsgrond betreffende mr. De Jongh met betrekking tot het feit dat zijn broer als partner bij het advocatenkantoor A&O werkzaam is, kan daarmee buiten bespreking blijven.\n\nMr. Vink\n\n3.13.. De wrakingsgrond ten aanzien van mr. Vink houdt in - zoals hiervoor onder 2.1 uiteengezet - dat, nu er gegronde vrees bestaat om te twijfelen aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. De Jongh , dit ook raakt aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. Vink . Mr. Vink heeft namelijk in zijn hoedanigheid van voorzitter van de combinatie omtrent de ten aanzien van mr. De Jongh naar voren gebrachte wrakingsgronden reeds standpunten ingenomen, zoals allereerst blijkt uit zijn reactie aan CG van 2 april 2026 op de klachtbrief van CG van 13 maart 2026 aan het gerechtsbestuur van het hof. Daarnaast blijkt zulks uit de e-mail van eveneens 2 april 2026, waarin namens mr. De Jongh wordt ingegaan op zijn bericht op LinkedIn en op het feit dat zijn broer als partner bij A&O werkzaam is. CG leidt uit deze berichten af dat mr. Vink het door mr. De Jongh op LinkedIn geplaatste bericht kennelijk evenmin ontoelaatbaar acht. Ook heeft het feit dat de broer van mr. De Jongh bij A&O werkzaam is, niet ertoe geleid dat mr. Vink tot een wijziging van de combinatie is overgegaan.\n\n3.14.. Om met dat laatste te beginnen: het is niet aan mr. Vink in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OK dan wel van de combinatie die over een zaak oordeelt, om te bepalen of leden van die combinatie zich wel of niet zouden moeten verschonen. Het is aan de individuele raadsheren zelf om te bepalen of zij vrij staan een zaak te behandelen en aldus deel uit te (blijven) maken van de combinatie die op de zaak zit.\n\n3.15.. Wat betreft de e-mail van 2 april 2026, waarin de secretaris van de OK ingaat op de uitlatingen van mr. De Jongh op LinkedIn, stelt de wrakingkamer voorop dat deze e-mail namens mr. De Jongh is geschreven. De bedoelde passage luidt: “ Mr. De Jongh meent overigens dat het feit dat hij op LinkedIn heeft verwezen naar een herroepingsbeschikking van de Ondernemingskamer evenmin afbreuk doet aan zijn rechterlijke onpartijdigheid. Dat bericht behelsde immers niet meer dan een neutrale verwijzing naar een uitspraak in een op zichzelf staande procedure waarbij hij niet betrokken was. Mr. De Jongh geeft regelmatig voorlichting over rechtspraak van de Ondernemingskamer, onder meer in vakpublicaties, cursussen, hoorcolleges, op congressen en op social media. Dat is hier niet anders.”Uit niets blijkt dat deze e-mail van de hand van mr. Vink is geweest dan wel dat daarin het standpunt van mr. Vink wordt weergegeven.\n\n3.16.. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat bedoelde e-mail geen zwaarwegende reden vormt om aan te nemen dat mr. Vink vooringenomenheid koestert ten aanzien van CG of haar standpunten in de hoofdzaak, laat staan van een objectief gerechtvaardigde vrees van CG voor vooringenomenheid van mr. Vink . Bijkomende feiten en omstandigheden die een dergelijke vrees wel kunnen rechtvaardigen, zijn niet gebleken. Dat mr. Vink in het kader van zijn verweer in de wrakingsprocedure heeft aangegeven dat hij geen moeite heeft met het LinkedIn bericht van mr. De Jongh is niet zo’n bijkomende omstandigheid.\n\n3.17.. Een en ander leidt tot de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe wrakingskamer:\n\n- wijst het verzoek tot wraking van mr. J.M. de Jongh toe;\n\n- wijst het verzoek tot wraking van mr. A.W.H. Vink af;\n\n- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt gezonden aan CG, de raadsheren en de Staat.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. A.R. Sturhoofd en mr. J.F. Aalders, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1353","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.338Z",20]