[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-road-traffic-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":103},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},65,"road-traffic-nl","Road Traffic","NL","2026-07-08T16:54:19.226Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},9,{"min":18,"max":19},"2024-12-23T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122822","Burgerlijk Wetboek","art. 7:952",1,[27,37,46,53,60,68,77,86,95],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"766","ECLI:NL:GHAMS:2026:1861","ecli-nl-ghams-2026-1861","","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000030-25\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-296136-23 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:\n\nhet hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverwegingen;\n\nde kwalificatie van het onder 1 primair bewezenverklaarde verbeterd leest, in die zin dat sprake is van ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaarlichamelijk letsel wordt toegebracht.’\n\nAanvullende bewijsoverwegingen\n\nDe raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel omdat (enkel) sprake is van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof dient de vraag te beantwoorden of het door de verdachte bij de aangever [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) veroorzaakte letsel naar normaal spraakgebruik als ‘zwaar lichamelijk letsel’ (in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) kan worden aangeduid. Bij de beantwoording van die vraag kunnen verschillende factoren worden betrokken, zoals de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Ook van belang kan zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en\u002Fof fysieke beperkingen.\n\nUit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat [slachtoffer] bij het ongeval een hoofdtrauma (hersenschudding) en verschillende wonden en kneuzingen, waaronder een kneuzing van de enkel, heeft opgelopen. [slachtoffer] heeft zich mede als gevolg van aanhoudende klachten (constante hoofdpijn, duizeligheid, verstoorde oogmotoriek, slapeloosheid) na het ongeval onder behandeling moeten stellen van een neuroloog, een fysiotherapeut, een sportarts, een chiropractor en een ergotherapeut. Daarnaast heeft hij EMDR therapie gevolgd in verband met mentale klachten ten gevolge van het ongeval (zie onder meer de hierna te noemen stukken van het UWV, p. 3 van de medische rapportage). In december 2023 werd vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamd postcommotioneel syndroom.\n\nIn hoger beroep zijn nadere stukken omtrent de medische situatie van [slachtoffer] ingebracht (e-mail met bijlagen van [slachtoffer] aan ressortsparket, van 6 maart 2026). Uit die stukken blijkt onder meer het volgende.\n\nIn 2024 zat [slachtoffer] in de ziektewet en was zijn studie ‘on hold’ gezet ten gevolge van zijn klachten (Eindverslag ergotherapie 10 maart 2025). Een specialistenbericht neurologie van\n\n6 februari 2024 vermeldt dat [slachtoffer] kampt met ‘aanhoudende forse postcommotionele klachten’. Ruim anderhalf jaar later waren de klachten nog altijd niet volledig verdwenen. Zo blijkt uit een brief van Chiropractie Harderwijk van 2 september 2025 dat (destijds) maximale cognitieve belasting nog een lichte moeite met procesverwerking opleverde. Bijna twee jaar na het ongeval ondervond [slachtoffer] nog steeds pijn aan zijn linkerenkel (anamnesekaart fysiotherapeut [persoon] , indicatiedatum\n\n21 januari 2025). Ook ruim tweeëneenhalf jaar na dato werd het slachtoffer in zijn dagelijks en werkende leven nog altijd belemmerd door de gevolgen van de aanrijding, zo blijkt uit een diagnose die is gesteld door een verzekeringsarts van het UWV in een medische rapportage van 20 oktober 2025 die luidt: Postcommotioneel syndroom bij status na trauma aan het hoofd, persisterende enkelklachten links. Deze verzekeringsarts heeft op grond van een uitgebreide medische beschouwing, vastgesteld dat bij [slachtoffer] sprake was van stoornis in de energie huishouding, waardoor [slachtoffer] als beperkt belastbaar moet worden aangemerkt. Bij beslissing van 3 november 2025 oordeelde het UWV dat het slachtoffer nog altijd recht had op een Ziektewet-uitkering.\n\nGelet op voornoemde feiten en omstandigheden oordeelt het hof, anders dan de verdediging, dat het door de verdachte bij [slachtoffer] veroorzaakte letsel zodanig ernstig is dat dit moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin.\n\nDe raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het verkeersgedrag van de verdachte heeft gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Volgens de raadsman zou de bewezenverklaring beperkt moeten blijven tot het feit dat de verdachte zich onachtzaam heeft gedragen door een impulsieve, onhandige stuurbeweging te maken, maar niet meer dan dat.\n\nWat dit standpunt betreft, verwijst het hof naar de overwegingen in het vonnis van de rechtbank hierover. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat – samengevat – het in het donker, zonder geldig rijbewijs, rijden onder invloed en daarbij plotsklaps naar links afslaan zonder zich er van te vergewissen of er sprake is van enig kruisend (fiets)verkeer, terwijl verdachte plaatselijk goed bekend was en dus moest weten dat hij een fietspad zou kruisen, zonder meer gekwalificeerd moet worden als onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam.\n\nOplegging van straffen\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.\n\nDe raadsman heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om rekening te houden met de persoonlijke situatie van de verdachte rondom het ongeval, zijn huidige persoonlijke situatie, de mate van schuld aan het ongeval en de gevolgen die een vrijheidsbenemende straf en\u002Fof een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de verdachte voor gevolgen zouden hebben.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich, door zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag, schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersmisdrijf ten gevolge waarvan het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte is in de nacht van het ongeval in zijn auto gaan rijden nadat hij zodanig veel alcohol had gedronken dat hij niet tot het behoorlijk besturen van zijn auto in staat kon worden geacht. Dat de verdachte ervoor heeft gekozen om toch te gaan rijden is des te meer verwijtbaar, omdat het rijbewijs van de verdachte slechts zes dagen eerder was ingevorderd wegens het rijden na het (eveneens) drinken van te veel alcohol. De verdachte had zijn rijbewijs op 16 april 2023 nog niet terug. Door zo veel te drinken en zich daarna in het verkeer te begeven, heeft de verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de kans op een ongeval zeer vergroot. Tijdens een onverantwoorde stuurmanoeuvre naar links is de verdachte de macht over het stuur verloren en heeft hij het slachtoffer aangereden die op dat moment met zijn fiets rechtdoor op het fietspad reed. Nu, meer dan drie jaar na dato, is gebleken dat het ongeval heeft geleid tot zeer ernstig letsel, waarbij op dit moment volledig herstel bepaald nog niet in zicht is. Het leven van het slachtoffer is door het ongeluk drastisch in negatieve zin veranderd, zoals het slachtoffer op de terechtzitting in hoger beroep op indringende wijze heeft toegelicht. Het hof neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat de verdachte, nadat duidelijk was geworden dat hij het slachtoffer had aangereden, niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en zich niet om hem heeft bekommerd. De verdachte heeft eerst meermalen geprobeerd om weg te rijden en omdat dat niet lukte is de verdachte van de plek van het ongeval weggerend. Het is aan een oplettende getuige te danken dat de politie de verdachte alsnog heeft kunnen aanhouden. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van grove miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en van minachting voor het door hem aangereden slachtoffer. Het hof rekent dit alles de verdachte zeer zwaar aan.\n\nTen nadele van de verdachte weegt het hof mee dat uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol op 10 april 2023.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld en zwaar lichamelijk letsel terwijl sprake is van alcoholgebruik boven de 570 µg\u002Fl een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren genoemd. Het hof ziet noch in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, noch in het gegeven dat de rechtbank een lagere straf heeft opgelegd, aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken en zal dit daarom volgen. Het hof is zich ervan bewust dat het moeten ondergaan van een vrijheidsstraf voor de verdachte ingrijpend zal zijn en dat de verdachte hierdoor mogelijk zijn woning en baan zal kwijtraken. De (mogelijke) gevolgen van deze straf en van een lange rijontzegging zijn door de verdediging nadrukkelijk voor het voetlicht gebracht waarbij er is aangevoerd dat de verdachte (inmiddels) hulp heeft gezocht voor zijn alcoholgebruik en zijn leven, in positieve zin, heeft omgegooid. Een andersoortige of lagere straf doet naar het oordeel van het hof echter onvoldoende recht aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de gevolgen voor het slachtoffer. Ook is het hof van oordeel dat vanuit het oogpunt van norminprenting en generale preventie een duidelijk signaal moet worden afgegeven.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van7 (zeven) maanden.\n\nOntzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, en 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van3 (drie) jaren.\n\nBepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. E.J. Hofstee en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1861","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:47.118Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"1797","ECLI:NL:GHAMS:2026:1780","ecli-nl-ghams-2026-1780","2026-06-26T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer eerste aanleg : 96-009012-25\n\nparketnummer hoger beroep : 23-002686-25\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 26 juni 2026 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2025 in de zaak tegen de verdachte:\n\nnaam: [naam 1]\n\nvoornamen: [naam 2]\n\ngeboren: op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]\n\nadres: [adres].Kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nGepleegd op 6 januari 2025 te Amsterdam.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door20 (twintig) dagen hechtenis.\n\nGewezen door mr. L.F. Roseval, in bijzijn van mr. N.M. Simons, griffier.\n\n mr. L.F. Roseval\n\nDe verdachte en de advocaat-generaal hebben ter terechtzitting afstand gedaan van het recht beroep in cassatie in te stellen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1780","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:39.410Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":52},"1790","ECLI:NL:GHAMS:2026:1778","ecli-nl-ghams-2026-1778","afdeling strafrecht\n\nparketnummer eerste aanleg : 96-048696-23\n\nparketnummer hoger beroep : 23-002002-25\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 26 juni 2026 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 augustus 2025 in de zaak tegen de verdachte:\n\nnaam: [naam 1]\n\nvoornamen: [naam 2]\n\ngeboren: op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats]\n\nadres: [adres].Kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nGepleegd\n\nfeit 1: op 24 december 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer;\n\nfeit 2: op 24 december 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 107, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.\n\nVerklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nBepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nVeroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot een taakstrafvoor de duur van30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door15 (vijftien) dagen hechtenis.\n\nOntzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van9 (negen) maanden.\n\nBepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nGewezen door mr. L.F. Roseval, in bijzijn van mr. N.M. Simons, griffier.\n\n mr. L.F. Roseval","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1778","2026-07-13T00:29:39.047Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":57,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":59},"1775","ECLI:NL:GHAMS:2026:1776","ecli-nl-ghams-2026-1776","afdeling strafrecht\n\nparketnummer eerste aanleg : 96-279064-23\n\nparketnummer hoger beroep : 23-001166-25\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 26 juni 2026 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2025 in de zaak tegen de verdachte:\n\nnaam: [naam 1]\n\nvoornamen: [naam 2]\n\ngeboren: op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]\n\nadres: [adres].Kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nGepleegd op 29 december 2021 te [adres].\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van2 (twee) weken.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nGelast de teruggaveaan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- 1 STK Personenauto [kenteken], Grijs, merk: [merk], bouwjaar 2006).\n\nGewezen door mr. L.F. Roseval, in bijzijn van mr. N.M. Simons, griffier.\n\n mr. L.F. Roseval","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1776","2026-07-13T00:29:38.211Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":67},"1250","ECLI:NL:GHAMS:2026:1852","ecli-nl-ghams-2026-1852","2026-06-24T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001204-25\n\ndatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-303768-24 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n10 juni 2026.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 05 juni 2024 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een fiets), daarmee rijdende op de weg, de [plaats 1] en\u002Fof de [plaats 2] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers;\n\n- heeft hij, verdachte, gereden terwijl de beremming van het voertuig niet voldeed aan de wettelijk eisen (artikel 5.9.38 regeling voertuigen) en\u002Fof de beremming niet op de normale wijze mogelijk was, en\u002Fof\n\n- heeft hij, verdachte, onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie en\u002Fof de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft hij een langzaam rijdende dan wel stilstaande fiets niet (tijdig) gezien en\u002Fof heeft hij, verdachte, zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij, verdachte, in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en\u002Fof\n\n- heeft hij, verdachte, tegen een fietser aangereden en\u002Fof gebotst, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer] , is ontstaan en\u002Fof schade aan goederen is toegebracht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 5 juni 2024 te Amsterdam , als bestuurder van een voertuig (een fiets), daarmee rijdende op de weg, de [plaats 1] en\u002Fof de [plaats 2] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers:\n\n- heeft de verdachte gereden terwijl de beremming van het voertuig niet voldeed aan de wettelijke eisen (artikel 5.9.38 regeling voertuigen) en de beremming niet op de normale wijze mogelijk was, en\n\n- heeft de verdachte onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie en de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft hij een langzaam rijdende dan wel stilstaande fiets niet (tijdig) gezien en heeft de verdachte zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en\n\n- heeft de verdachte tegen een fietser aangereden en\u002Fof gebotst, waarbij letsel aan een persoon, te weten [slachtoffer] , is toegebracht.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 200,00 subsidiair vier dagen vervangende hechtenis.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de kantonrechter opgelegd.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich, als bestuurder van een fiets (fatbike), schuldig gemaakt aan gevaarlijk verkeersgedrag. Hij heeft – doordat de remmen van zijn fatbikeniet naar behoren werkten – niet op tijd kunnen stoppen voor een stilstaande fietsster en is tegen haar aangereden\u002Fgebotst waardoor zij is gevallen en letsel heeft opgelopen. Zodoende heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.\n\nGelet op de ernst van het feit en straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd zou in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete – zoals door de kantonrechter is opgelegd – gerechtvaardigd zijn.\n\nIn strafmatigende zin houdt het hof er echter rekening mee dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep spijt heeft betuigd en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Daarbij is het hof ter terechtzitting in hoger beroep gebleken van de beperkte financiële mogelijkheden van de verdachte. Gelet op het voorgaande en met het oog op de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding aan de benadeelde partij, zal het hof ervoor kiezen om de geldboete in voorwaardelijke vorm aan de verdachte op te leggen.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.999,00, bestaande uit een bedrag van € 3.999,00 ter compensatie van materiële schade en een bedrag van € 20.000,00 als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van (in totaal) € 18.512,75.\n\nDe benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het bedrag van de vordering van (in totaal) € 23.999,00 is als volgt tot stand gekomen:\n\nMedische kosten: € 576,04\n\nToekomstige tandartskosten: € 788,27\n\nZiekenhuisdaggeldvergoeding: € 140,00\n\nReiskosten: € 348,27\n\nHuishoudelijke hulp: € 1.937,00\n\nVerlies van zelfwerkzaamheid: € 209,42\n\nImmateriële schade: € 20.000,00\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.\n\nDe raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voor wat betreft de immateriële schade op het standpunt gesteld dat het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 15.000,00 in de gegeven omstandigheden buitensporig en disproportioneel is en dat de hoogte van het bedrag niet in lijn is met wat Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Ten aanzien van de materiële schade heeft hij de toekomstige tandartskosten, reiskosten en kosten voor huishoudelijke hulp betwist.\n\nAd a. (medische kosten), ad c. (ziekenhuisdaggeldvergoeding) en ad f. verlies van zelfwerkzaamheid\n\nVast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in dit verband tot een bedrag van € 925,46 (€ 576,04 + € 140,00 + € 209,42) rechtstreeks materiële schade heeft geleden, in aanmerking genomen dat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij dienaangaande van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook voor toewijzing gereed.\n\nAd b. (toekomstige tandartskosten)\n\nUit het dossier blijkt dat bij de benadeelde partij – als gevolg van het ongeval – een kies is afgebroken. Het hof is daarom van oordeel dat deze schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Uit de bijlage achter het schadeopgaveformulier blijkt dat de kosten voor een kroon € 788,27 zijn. Daarmee heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de kosten het gevolg zijn van het handelen van de verdachte. Het hof wijst het gevorderde bedrag daarom toe.\n\nAd d. (reiskosten)\n\nVast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, voor zover het reiskosten betreffen voor bezoeken aan de tandarts en het ziekenhuis, materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 248,24. Voor de overige genoemde materiële schade is onduidelijk of er een causaal verband is tussen die schade en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting voor het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet in de vordering worden ontvangen en de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nAd e. (kosten huishoudelijke hulp)\n\nDe benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.937,00 gevorderd ter zake van huishoudelijke hulp. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij – die alleen woont – na het ongeval en de daaropvolgende heupoperatie niet in staat was om het huishouden te doen en dat moest uitbesteden, zodat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij op dat punt schade heeft geleden. Ter onderbouwing van deze schadepost is alleen de ‘Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp’ overgelegd. Met de raadsman is het hof van oordeel dat de kosten voor huishoudelijke hulp – mede gelet op de gegeven onderbouwing en de gemotiveerde betwisting – niet geheel toewijsbaar zijn. Het hof zal de kosten, conform het standpunt van de raadsman van de verdachte, begroten op € 1.066,00. Het overige deel wordt afgewezen.\n\nAd g. (immateriële schade)\n\nHet hof is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van objectief vastgesteld lichamelijk letsel in de zin van art. 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij het ongeval is de heup van de benadeelde partij gebroken. Zij is vier dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest en is op 6 juni 2024 geopereerd om een totale heupprothese te kunnen plaatsen. De benadeelde partij heeft op dit moment nog dagelijks pijn aan haar heup en doordat een beenlengteverschil is ontstaan door plaatsing van de nieuwe heup zijn nieuwe klachten ontstaan aan de voet van de benadeelde partij, waardoor zij dagelijks pijn heeft met lopen. Daarnaast heeft zij bij het ongeval een gebroken kies opgelopen.\n\nDe begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Concreet heeft het hof acht geslagen op de Rotterdamse Schaal (RS) in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ (rechtspraak.nl).\n\nTen aanzien van het heupletsel neemt het hof als uitgangspunt RS paragraaf 5.5, sub a, categorie III met als uitgangspunt een immateriële schadevergoeding tussen € 27.000,00 en € 36.000,00. Gelet op het voorgaande zal het hof de vordering voor wat betreft de geleden immateriële schade geheel toewijzen (€ 20.000,00).\n\nHet hof gaat daarbij voorbij aan het standpunt van de raadsman die ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld dat, door de betrekkelijke ernst van de overtreding, het bedrag aan immateriële schade in aanzienlijke mate naar beneden moet worden bijgesteld. Het hof overweegt in dat kader dat de vordering van de benadeelde partij een civielrechtelijke aangelegenheid binnen het strafproces betreft en dat de betrekkelijke ernst van het feit bij het vaststellen van de hoogte van het toegekende bedrag aan schadevergoeding van ondergeschikt belang is indien sprake is van lichamelijk letsel.\n\nTotaal toegewezen bedrag\n\nDe verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van (in totaal)\n\n€ 23.027,97 gehouden. Echter is tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep gebleken dat de verdachte reeds € 700,00 aan de benadeelde partij heeft vergoed, zodat dit bedrag in mindering wordt gebracht op het hiervoor genoemde totaalbedrag, zodat uiteindelijk een totaalbedrag van € 22.327,97 overblijft. De verdachte is tot vergoeding van laatstgenoemd totaalbedrag gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door2 (twee) dagen hechtenis.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 22.327,97 (tweeëntwintigduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 2.327,97 (tweeduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 871,00 (achthonderdeenenzeventig euro) aan materiële schadeaf (kosten huishoudelijke hulp).\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 22.327,97 (tweeëntwintigduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit\n\n€ 2.327,97 (tweeduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 132 (honderdtweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 juni 2024 en voor de materiële schade op 12 mei 2025.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. M.J.A. Plaisier en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van\n\nmr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n24 juni 2026.\n\nmr. D. Greven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1852","2026-07-13T00:29:12.155Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":72,"fullText":73,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":35,"updatedAt":76},"1603","ECLI:NL:GHAMS:2026:1802","ecli-nl-ghams-2026-1802","2026-06-19T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001704-25\n\ndatum uitspraak: 5 juni 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-351353-24 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,\n\nadres: [adres 1].Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n22 mei 2026.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimairhij op of omstreeks 07 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [adres 2], zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers:\n\n heeft hij, verdachte, op voornoemde weg, bij het afslaan naar links, zich niet, in elk geval niet voldoende, vergewist dat de weg voor tegemoetkomend verkeer vrij was van verkeer en\u002Fof\n\n heeft hij, verdachte, een op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets, niet voor laten gaan, waardoor hij, verdachte, met voornoemde bestuurder van een motorfiets in aanrijding en\u002Fof botsing is gekomen, waardoor voornoemde bestuurder van een motorfiets ten val is gekomen,\n\nwaarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 7 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres 2], bij het afslaan naar links, teneinde teneinde een parkeergelegenheid, gelegen aan de [adres 2] in\u002Fop te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kantonrechter.\n\nVrijspraak van het primair ten laste gelegde\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat niet iedere overtreding van een verkeersregel het veroorzaken van hinder of gevaar op de weg als bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) oplevert. De wetgever heeft beoogd slechts evidente vormen van hinder of gevaar aan te pakken (Kamerstukken II1990\u002F91, 22030 en ECLI:NL:PHR:2015:2447, r.o. 4.6). De opvatting dat de bestuurder van een motorrijtuig die daarmee rijdt over een voorrangsweg, er – behoudens bijzondere gevallen – op mag vertrouwen dat het verkeer dat deze voorrangsweg kruist, voor hem of haar de doorgang vrij laat of (tijdig) vrij maakt, ook indien hij of zij met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid de betreffende kruising is genaderd dan wel is opgereden, is bovendien in haar algemeenheid onjuist (ECLI:NL:HR:2004:AO6452, r.o. 3.4).\n\nHet hof stelt vast dat op 7 juni 2024 op [adres 2] in Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De verdachte was de bestuurder van een personenauto. Hij sloeg linksaf om een parkeergarage in te rijden, waarbij een hem tegemoetkomende motorrijder tegen zijn auto is gebotst. De motorrijder heeft als gevolg daarvan diverse botbreuken opgelopen. De verdachte heeft verklaard dat hij zich bewust was van de onoverzichtelijke verkeerssituatie, onder meer door de tussengelegen trambaan, en dat hij om die reden goed om zich heen heeft gekeken en zijn snelheid heeft aangepast. De verdachte heeft verder verklaard dat hij de motorrijder niet heeft zien aan komen rijden.\n\nDe vraag die het hof moet beantwoorden is of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg als bedoeld in artikel 5 WVW. In dat verband overweegt het hof dat uit door de verdediging ingebrachte rapportages blijkt dat de motorrijder kort voor de botsing zijn snelheid heeft verhoogd van 50 km\u002Fu naar 73 km\u002Fu. Een van de getuigen heeft verklaard dat hij het geluid van een accelererende motor hoorde en zag dat de motorfiets harder ging rijden. Op de camerabeelden is (aan de hand van de koplamp) te zien dat de motorfiets enkele seconden vóór de botsing omhoogkomt. Het hof stelt dan ook vast dat de motorrijder kort voor de botsing aanzienlijk harder reed dan ter plaatse toegestaan. De verdachte heeft als verkeersdeelnemer weliswaar de verantwoordelijkheid om rekening te houden met het verkeersgedrag van anderen, ook als dat gedrag een overtreding van de verkeersregels inhoudt, maar met een dermate grote overschrijding van de maximumsnelheid door de motorrijder had de verdachte naar het oordeel van het hof geen rekening kunnen en hoeven houden. Daar komt bij dat diezelfde verantwoordelijkheid ook voor de motorrijder heeft te gelden en dat hij, in tegenstelling tot de verdachte, zijn rijgedrag niet had aangepast op de voor hen beiden onoverzichtelijke verkeerssituatie met veel in- en uitrijdend en overstekend verkeer.\n\nHet hof is, alles afwegende en mede gelet op de hiervoor vooropgestelde uitgangspunten, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gesproken van evident gevaarlijk rijgedrag van de zijde van de verdachte, zodat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg als bedoeld in artikel 5 WVW. De verdachte moet daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.\n\nBewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte primair moet vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde en subsidiair moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld, omdat van het niet verlenen van voorrang als bedoeld artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) geen sprake is als de motorrijder zich aan de maximumsnelheid had gehouden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte geen voorrang heeft verleend aan de motorrijder, terwijl hij dat wel had moeten doen. De omstandigheid dat de motorrijder te hard heeft gereden maakt dat niet anders. Voor een beroep op afwezigheid van alle schuld is geen ruimte. Het subsidiair tenlastegelegde betreft een overtreding, waarbij schuld in de zin van verwijtbaarheid geen rol speelt. Alleen in het geval de verdachte in het geheel geen verwijt te maken zou zijn, zou sprake kunnen zijn van afwezigheid van alle schuld, maar dat is in deze zaak niet aan de orde.\n\nHet hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte artikel 18 RVV heeft overtreden.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nsubsidiairhij op 7 juni 2024 te Amsterdam, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres 2], bij het afslaan naar links teneinde een parkeergelegenheid, gelegen aan [adres 2], in te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan en schade aan goederen is toegebracht.\n\nHetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van het bepaalde bij artikel 18, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nDe raadsman heeft bij een bewezenverklaring verzocht de verdachte een geldboete op te leggen die hoger is dan € 250,00, zodat de verdachte eventueel cassatie kan instellen.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersovertreding begaan door linksaf te slaan en daarbij een tegemoetkomende motorrijder geen voorrang te verlenen. De motorrijder is op de auto van de verdachte gebotst en heeft als gevolg daarvan diverse botbreuken opgelopen en langere tijd moeten revalideren. Het ongeval heeft voor hem zowel fysiek als mentaal veel impact gehad, zoals ook blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van hetgeen de verdachte met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. De verdachte heeft zijn leven goed op de rit en van bijzonderheden is niet gebleken, anders dan dat hij sinds het ongeval extra oplettend is in het verkeer.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op artikelen 18 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nTen aanzien van het onder subsidiair bewezenverklaarde\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door3 (drie) dagen hechtenis.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n5 juni 2026.\n\nMr. P.H.M. Kuster is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\nproces-verbaal uitspraak\n\n_______________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001704-25\n\nProces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 5 juni 2026.\n\nTegenwoordig zijn:\n\nmr. H.A. van Eijk, raadsheer,\n\nC. Tomopawiro, griffier.\n\nHet openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.\n\nDe raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.\n\nDe verdachte is wel \u002F nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nRaadsman is wel \u002F nietaanwezig.\n\n(zo ja:) naam raadsman\u002Fraadsvrouw en plaats:\n\nDe raadsheer spreekt het arrest uit.\n\nDe raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1802","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.167Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":81,"fullText":82,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":35,"updatedAt":85},"930","ECLI:NL:GHAMS:2026:1058","ecli-nl-ghams-2026-1058","2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.350.925\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Noord-Holland : C\u002F15\u002F351442\u002F HA ZA 24-209\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ngevestigd te [plaats 2] , België,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. D.E. Thiescheffer te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nwonend in [plaats 1] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.\n\nPartijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [geïntimeerde] heeft een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De huurauto is WAM-verzekerd bij [appellant] . [appellant] heeft de schade van het slachtoffer vergoed. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het gedrag van [geïntimeerde] dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens [appellant] kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald, verhalen op [geïntimeerde] . De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van [appellant] afgewezen. Centraal staat de vraag hoe het criterium ‘roekeloosheid’ in de zin van artikel 7:952 BW moet worden ingevuld. Het hof komt tot de conclusie dat de schade niet is veroorzaakt door roekeloosheid van [geïntimeerde] en bekrachtigt het bestreden vonnis.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n [appellant] is bij dagvaarding van 15 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 16 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als oorspronkelijk eiseres, gedaagde in het verzet en [geïntimeerde] als oorspronkelijk gedaagde, eiser in het verzet.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met één productie;\n\n- memorie van antwoord.\n\nOp 12 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht. De advocaat van [appellant] heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. Het hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Op 10 september 2019 omstreeks 02.18 uur heeft bij de kruising Stadhouderskade en Leidseplein te Amsterdam een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een fietser en een personenauto die werd bestuurd door [geïntimeerde] . De fietser heeft daarbij ernstig letsel opgelopen.\n\n3.3.. De auto waarin [geïntimeerde] reed, had hij kort voor het ongeval gehuurd van de eigenaar, [bedrijf 1] . De auto was door [bedrijf 1] in het kader van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (hierna: WAM) verzekerd bij [appellant] . De PM 16 polisvoorwaarden (de Algemene Voorwaarden bij de [appellant] Auto- en Motorverzekering, hierna: de polisvoorwaarden) maken onderdeel uit van de tussen [bedrijf 1] en [appellant] gesloten verzekeringsovereenkomst.\n\n3.4.. In opdracht van [appellant] heeft [bedrijf 2] een toedrachtonderzoek uitgevoerd. Daarnaast heeft de politie Amsterdam uitgebreid onderzoek gedaan naar (de toedracht van) het ongeval. Vastgesteld is dat [geïntimeerde] aan het accelereren was toen hij het kruispunt naderde. Hij reed door rood licht en heeft pas geremd toen hij de fietser raakte. Bij het ongeval reed [geïntimeerde] met een snelheid van tussen de 61 en 68 kilometer per uur, terwijl maximaal 50 kilometer per uur was toegestaan.\n\n3.5.. \n [geïntimeerde] is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld wegens overtreding van art. 6 Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank heeft geoordeeld dat het aan de schuld van [geïntimeerde] is te wijten dat het ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank kwalificeert het verkeersgedrag van [geïntimeerde] als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam (Rb. Amsterdam, 23 juni 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:3176).\n\n3.6.. In artikel 7 van de polisvoorwaarden is bepaald dat [appellant] schade die met opzet is veroorzaakt of het gevolg is van roekeloosheid niet betaalt. Het artikel luidt als volgt:\n\nWanneer betalen we niet?\n\nIn de voorwaarden bij uw verzekering staat wanneer we wel en niet betalen. Daarnaast betalen we nooit in de volgende situaties:\n\n(…)\n\nSchade door opzet of door roekeloosheid\n\nWe betalen niet als u de schade met opzet heeft veroorzaakt of roekeloos bent geweest.\n\n3.7.. De fietser heeft een schademelding gedaan bij [appellant] . [appellant] heeft als verzekeraar op grond van de WAM de afwikkeling van de (letsel)schade ter hand genomen en diverse (deel)betalingen aan de fietser verricht.\n\n3.8.. \n [appellant] heeft [geïntimeerde] bericht dat zij van mening is dat [geïntimeerde] roekeloos heeft gereden en dat [geïntimeerde] de schade die het gevolg is van het ongeval en door [appellant] is en zal worden vergoed, aan [appellant] moet terugbetalen. [geïntimeerde] heeft dit van de hand gewezen.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. Bij de rechtbank heeft [appellant] samengevat gevorderd:\n\neen verklaring voor recht dat [geïntimeerde] bij het veroorzaken van het ongeval roekeloos heeft gehandeld en gehouden is alle schadevergoeding die [appellant] als gevolg van het ongeval dient te betalen, aan [appellant] dient te vergoeden;\n\nveroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 85.822,34 met rente;\n\nveroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.\n\n4.2.. Bij vonnis van 5 januari 2022 zijn bij verstek alle vorderingen van [appellant] toegewezen.\n\n4.3.. \n [geïntimeerde] is tegen dat vonnis in verzet gekomen. In de verzetprocedure heeft de rechtbank in het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat [geïntimeerde] roekeloos heeft gehandeld in de zin van de polisvoorwaarden en\u002Fof artikel 7:952 BW, zodat het beroep van [appellant] op de uitsluitingsclausule vanwege opzet of roekeloosheid faalt. De rechtbank heeft het verstekvonnis vernietigd, alle vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.\n\n5. Vordering in hoger beroep\n\n5.1.. \n [appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.\n\n5.2.. \n [geïntimeerde] verzoekt het hof het bestreden vonnis te bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de proceskosten.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. \n [appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Deze grieven stellen gezamenlijk aan de orde dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een beroep op de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 15 lid 1 WAM en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.\n\n6.2.. \n [appellant] voert in hoger beroep kort gezegd het volgende aan. Het ongeval is veroorzaakt door roekeloos rijgedrag van [geïntimeerde] . In de polisvoorwaarden is schade die veroorzaakt is door roekeloosheid van dekking uitgesloten. [appellant] kan de door haar onder de WAM aan de fietser vergoede schade op [geïntimeerde] verhalen op grond van art. 15 lid 1 WAM omdat is voldaan aan de voorwaarden van de zogeheten ‘tenzij-bepaling’. [geïntimeerde] mocht niet te goeder trouw aannemen dat aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van roekeloos handelen door een verzekering zou worden gedekt. Voor de uitleg van het begrip roekeloosheid moet aansluiting worden gezocht bij artikel 7:952 BW en de daaraan in de jurisprudentie gegeven invulling, te weten een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld.\n\n6.3.. Het hof overweegt als volgt. Artikel 15 lid 1 WAM bepaalt het volgende:\n\nDe verzekeraar die ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet ten aanzien van de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer, tenzij hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.\n\n6.4.. Artikel 7 van de polisvoorwaarden bepaalt onder meer dat schade die het gevolg is van roekeloosheid van dekking is uitgesloten. Omdat [geïntimeerde] niet de verzekeringnemer onder de polis is, geldt dat [appellant] alleen de schade op [geïntimeerde] kan verhalen als deze niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt (de zogeheten tenzij-bepaling). Dit is het geval indien [geïntimeerde] wist dat zijn aansprakelijkheid niet door een verzekering werd gedekt of als hij dat in de gegeven omstandigheden behoorde te weten (HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1164). Hiervoor is in deze zaak allereerst bepalend of de schade is ontstaan door roekeloosheid van [geïntimeerde] . Het is aan [appellant] de feiten en omstandigheden te stellen en (bij voldoende gemotiveerde betwisting) te bewijzen die aan het beroep op de tenzij-bepaling ten grondslag worden gelegd.\n\n6.5.. Het hof is met partijen van oordeel dat voor de uitleg van het begrip roekeloosheid van artikel 7 van de polisvoorwaarden aangesloten dient te worden bij dat begrip in art. 7:952 BW en de daaraan in de jurisprudentie gegeven invulling. Dit artikel bepaalt dat de verzekeraar geen schade aan de verzekerde vergoedt die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.\n\n6.6.. Onder roekeloosheid in de zin van art. 7:952 BW wordt een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld verstaan, ook wel aangeduid als grove schuld (HR 12 maart 1954, ECLI:NL:HR:1954:9, MvA, Kamerstukken I 2004\u002F05, 19 529, B, p. 19). Daarvan is ook sprake in geval van zogeheten onbewuste roekeloosheid. Onder onbewuste roekeloosheid wordt de situatie verstaan waarin de dader zich niet bewust is van de aanmerkelijke kans op schade die zijn handeling kan meebrengen, maar hij zich daarvan wel bewust had behoren te zijn (MvA, Kamerstukken I 2004\u002F05, 19 529, E, p. 13). De invulling van het begrip roekeloosheid wordt ingekleurd door het rechtsgebied waar het wordt gehanteerd. In dit geval gaat het om aansprakelijkheid onder de WAM. De WAM is erop gericht om aansprakelijkheid te dekken waartoe een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Dat is veelal aan de orde in het geval een bestuurder van een motorrijtuig een (verkeers)fout heeft gemaakt. Verzekerden onder de WAM mogen er daarom in beginsel van uitgaan dat aansprakelijkheid voor verkeersfouten is gedekt onder de (verplichte) WAM-verzekering. Hoewel verwijtbaar handelen in strijd met verkeersregels in het algemeen de kans op schade in het leven roept of vergroot, kan dergelijk gedrag niet zonder meer als roekeloos worden aangemerkt.\n\n6.7.. Voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] roekeloosheid kan worden verweten, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. [appellant] heeft in het bijzonder gewezen op de volgende omstandigheden waaruit volgens haar blijkt dat het ongeval het gevolg is van roekeloosheid van [geïntimeerde] :\n\n- [geïntimeerde] reed in het donker met een gemiddelde snelheid van 61 tot 68 km\u002Fu op een van de drukste en gevaarlijkste verkeerslocaties van Amsterdam, gelegen in een uitgaansgebied, waar een maximumsnelheid van 50 km\u002Fu geldt en waarvan bekend is dat in het gebied ook na middernacht nog voetgangers en fietsers aanwezig zijn die mogelijk onder invloed van alcohol verkeren.\n\n- In plaats van af te remmen, nam zijn snelheid in de laatste 35 meter vóór de kruising toe tot tussen de 66 en 78 km\u002Fu;\n\n- [geïntimeerde] negeerde de aan beide zijden van de weg rood uitstralende verkeerslichten, terwijl deze op dat moment al meer dan 32 seconden op rood stonden;\n\n- De Stadhouderskade is vanaf de Overtoom een recht stuk rijbaan in de richting van de stoplichten en [geïntimeerde] heeft ongeveer vijf tot zes seconden ongehinderd en goed zicht gehad op de verkeerslichten;\n\n- [geïntimeerde] passeerde een voertuig op de linkerrijstrook dat wél voor rood licht stilstond;\n\n- [geïntimeerde] remde niet af voor een fietser die op dat moment door groen licht de kruising overstak;\n\n- [geïntimeerde] was als regelmatig bezoeker van het nabijgelegen Holland Casino bekend met de omgeving;\n\n- De betreffende kruising richting het Leidseplein is een kruising waarop fietsers, voetgangers en vaak onoplettende toeristen de Stadhouderskade kruisen;\n\n- De betreffende kruising is gelegen in een uitgaansgebied waar het doorgaans ook in de nacht druk is.\n\nVolgens [appellant] kwalificeert dit handelen als roekeloos omdat [geïntimeerde] met zijn rijgedrag bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in aanrijding zou komen met een kruisende verkeersdeelnemer. Daarmee is [geïntimeerde] rijgedrag ten minste naar objectieve maatstaven als roekeloos aan te merken. Hierbij komt ook betekenis toe aan het strafvonnis waarin bewezen is verklaard dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam verkeersgedrag waardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. [appellant] voegt daaraan nog toe dat zij zich gesterkt voelt in haar overtuiging dat [geïntimeerde] handelswijze als roekeloos kan worden aangemerkt, omdat haar uit medische informatie duidelijk is geworden dat [geïntimeerde] sinds zijn jeugd al een bril nodig heeft maar desondanks zonder bril aan het verkeer deelnam. [appellant] betoogt verder dat indien zou worden geoordeeld dat [geïntimeerde] niet bewust door rood is gereden, evengoed geldt dat hij roekeloos geweest. Een dergelijke grove onachtzaamheid valt [geïntimeerde] evenzeer te verwijten als wanneer hij bewust door het rode licht zou zijn gereden, aldus [appellant] .\n\n6.8.. Het hof overweegt als volgt. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van [geïntimeerde] roekeloos is geweest, is vereist dat [geïntimeerde] zich, in elk geval in zekere mate, bewust was van zijn handelen. Of [geïntimeerde] zich bewust was van de aanmerkelijke kans op schade mag in dat geval naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Voldoende daarvoor is dat [geïntimeerde] zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn.\n\n6.9.. \n [geïntimeerde] betwist dat hij goed bekend was met de plaats van het ongeval en dat de verkeerssituatie in de (doordeweekse) nacht waarin het ongeval plaatsvond druk was. Naar het oordeel van het hof kan dit evenwel in het midden blijven nu de overige door [appellant] aangevoerde omstandigheden door [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd zijn betwist. Uit die omstandigheden valt af te leiden dat [geïntimeerde] ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat [geïntimeerde] in de hiervoor bedoelde zin roekeloos heeft gehandeld. [geïntimeerde] betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. Uit zijn verklaringen ter zitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, volgt dat hij langs een gebouw reed met een bord ‘Booking.com’. Hij herinnert zich dat hij dacht: Oh zit dat hier ook? Kennelijk is [geïntimeerde] daarna afgeleid geraakt, want het volgende moment dat hij zich bewust herinnert is het moment van de klap. Deze verklaring komt het hof niet onaannemelijk voor. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat [geïntimeerde] zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat [geïntimeerde] bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan de verklaring van [geïntimeerde] dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het [geïntimeerde] ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door [geïntimeerde] betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij [geïntimeerde] een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat [geïntimeerde] voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [geïntimeerde] zich bewust was van zijn handelen.\n\n6.10.. \n [appellant] heeft op verschillende plaatsen in de memorie van grieven gesteld dat [geïntimeerde] het ongeval opzettelijk heeft veroorzaakt, zonder dit feitelijk te onderbouwen. De conclusie van het hof dat [geïntimeerde] niet bewust heeft gehandeld, brengt met zich dat [geïntimeerde] ook geen verwijt van opzet treft.\n\n6.11.. Het hof komt tot de conclusie dat het handelen van [geïntimeerde] dat heeft geleid tot het ongeval niet als opzettelijk of als roekeloos kan worden aangemerkt. Er is daarom geen grond op basis waarvan [geïntimeerde] niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid niet door de verzekering was gedekt. Het beroep van [appellant] op art. 15 lid 1 WAM faalt.\n\n6.12.. Het hoger beroep heeft geen succes. Dit leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:\n\n- griffierecht € 362\n\n- salaris advocaat € 4.704(tarief IV, 2 punten)\n\nTotaal € 5.066\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. bekrachtigt het bestreden vonnis;\n\n7.2.. veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 5.066;\n\n7.3.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kraan, J.F. Aalders en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1058","2026-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.253Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":90,"fullText":91,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":35,"updatedAt":94},"939","ECLI:NL:RBAMS:2026:3209","ecli-nl-rbams-2026-3209","2026-03-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F779334 \u002F HA RK 25-417\n\nBeschikking van 26 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\nadvocaat: mr. S. Boer,\n\ntegen\n\n1. HDI GLOBAL SE,\n\ngevestigd te Hannover (Duitsland), 2. DEKRA CLAIMS,\n\ngevestigd te Capelle aan den IJssel,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: HDI en Dekra en gezamenlijk HDI c.s.\n\nadvocaat: mr. T. Havekes.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift deelgeschil, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 26 november 2025,\n\n- de tussenbeschikking van 23 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 6 februari 2026,\n\n- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2023 en de daarin vermelde (proces)stukken.\n\nVan hetgeen verder naar voren is gebracht zijn aantekeningen door de griffier gemaakt. Deze zittingsaantekeningen zijn in het procesdossier gevoegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 1 oktober 2010 is [verzoekster] (toentertijd acht jaar oud) een zeer ernstig verkeersongeval overkomen. De auto waarin [verzoekster] zich met nog drie kinderen en één volwassene bevond, is van achteren aangereden door een vrachtwagen. Hierdoor is de auto onder de oplegger van een vrachtwagen voor hen geduwd en tussen die twee vrachtauto’s volledig in elkaar gedrukt. Van de vijf inzittenden heeft [verzoekster] dit ongeval als enige overleefd. Zij heeft bij dit ongeval zeer ernstig letsel opgelopen. Zij is direct na het ongeval naar het Radboud UMC afgevoerd, waar onder meer schedel- en aangezichtsfracturen, een hersenkneuzing, een kneuzing aan de rechterlong en een sterk verminderd gezichtsvermogen van het rechteroog is vastgesteld. In de jaren na het ongeval is [verzoekster] intensief en langdurig behandeld voor het letsel.\n\n2.2.. De aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval is erkend door HDI in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van het ongeval veroorzakende motorrijtuig. Dekra treedt in deze zaak op als Nederlandse vertegenwoordiger van HDI.\n\n2.3.. Inmiddels zijn er diverse medische expertises uitgevoerd waaruit blijkt dat [verzoekster] als gevolg van dit ongeluk blijvende gezondheidsklachten heeft overgehouden, waaronder traumatisch schedel\u002Fhersenletsel, cognitieve klachten en visusklachten. De definitieve omvang van de schade is tot op heden - ruim vijftien jaar na het ongeval - nog niet vastgesteld.\n\n2.4.. Ondanks haar gezondheidsklachten heeft [verzoekster] in 2022 een MBO-(dans)opleiding bij [dansacademie] weten af te ronden. Zij heeft daarna geen betalend werk kunnen verrichten. In 2026 heeft zij een re-integratieprogramma voor jongeren met niet-aangeboren hersenletsel van The Class afgerond.\n\n2.5.. HDI heeft tot op heden een bedrag van € 206.000 aan voorschotten onder algemene titel en € 50.000 als voorschot op het uit te keren smartengeld aan [verzoekster] voldaan.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) HDI te veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot van € 83.295,73 en te veroordelen tot betaling van de kosten van het deelgeschil, te begroten op € 5.965,30, te vermeerderen met het griffierecht.\n\n3.2.. HDI concludeert tot afwijzing van de verzoeken.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. HDI is gevestigd in Hannover, Duitsland. De zaak heeft daarmee een internationaal aspect. Voordat de rechtbank inhoudelijk op het geschil zal ingaan, zal daarom allereerst ambtshalve worden ingegaan worden op de bevoegdheid en het toepasselijk recht.\n\n4.2.. Op grond van artikel 26 van de Brussel I-bis Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 komt bevoegdheid toe aan de rechter van een lidstaat wanneer de verweerder verschijnt zonder de bevoegdheid te betwisten. Nu HDI in deze deelgeschilprocedure is verschenen en de bevoegdheid van de rechtbank niet heeft betwist, is de rechtbank Amsterdam bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\n4.3.. Dit deelgeschil heeft daarnaast betrekking op een verkeersongeval, daardoor is het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 van toepassing. Op grond van artikel 3 van dit verdrag wordt het recht toegepast van het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Nu het ongeval zich in Nederland heeft voorgedaan, is Nederlands recht van toepassing.\n\nInleiding\n\n4.4.. \n [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv, dat het mogelijk maakt om een uitspraak te vragen over een onderdeel van wat partijen verdeeld houdt in een zaak waarin sprake is van schade door dood of letsel (een deelgeschil) en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.\n\n4.5.. In dit geval verschillen partijen – kort samengevat – van mening over de bevoorschottting van [verzoekster] ’s schade vanwege het ongeluk dat haar is overkomen. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzochte inhoudelijk zal beoordelen.\n\nVerzoek ten aanzien van Dekra niet-ontvankelijk\n\n4.6.. Voor zover het verzoek is gericht tegen Dekra, overweegt de rechtbank dat het verzoek strekt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding jegens [verzoekster] . Een dergelijke verplichting kan rusten op de aansprakelijke partij en op grond van artikel 7:954 van het Burgerlijk Wetboek (BW) rechtstreeks op diens aansprakelijkheidsverzekeraar: in dit geval HDI. Dekra is geen van beide, maar treedt slechts op als vertegenwoordiger van de verzekeraar. Nu geen rechtsgrond bestaat voor een aanspraak jegens Dekra en een rechtens te respecteren belang ontbreekt, zal [verzoekster] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek voor zover dit tegen Dekra is gericht.\n\nAanvullend voorschot in deelgeschil procedure\n\n4.7.. Bij de beoordeling van de vraag of HDI een nader voorschot op de schadevergoeding moet betalen, is van belang dat de aard van de deelgeschilprocedure maakt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de stukken die nu in het dossier zitten, vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoekster] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de voorschotten die HDI heeft betaald (in aanzienlijke mate) overstijgt. In dit verband wordt het volgende overwogen.\n\n4.8.. \n [verzoekster] heeft aan haar verzoek om HDI te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 83.295,73, verschillende schadeposten ten grondslag gelegd, namelijk:\n\nI. schade wegens studievertraging en verlies van verdienvermogen over de periode van 1 september 2022 tot 1 januari 2026;\n\nII. zorgschade tot 13 december 2025;\n\nIII. immateriële schade (smartengeld);\n\nIV. overige schade (vervoerskosten en opname vakantiedagen ouders).\n\n4.9.. Daarbij heeft zij de volgende schadestaat gevoegd:4.10.. De rechtbank stelt voorop dat het causale verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten en beperkingen van [verzoekster] tussen partijen niet ter discussie staat. Ook het door haar opgelopen letsel als zodanig is niet in geschil. De rechtbank kan daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de schade.\n\n4.11.. De rechtbank zal de door [verzoekster] genoemde schadeposten achtereenvolgens beoordelen en vervolgens bezien of en in hoeverre de optelsom van die schadeposten de door HDI reeds betaalde voorschotten in aanzienlijke mate overstijgt. Daarbij zal de rechtbank, in het licht van de aard van de deelgeschilprocedure, zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud vaststellen wat de (minimale, zie hieronder) schade van [verzoekster] tot op heden is, onder aftrek van het reeds door HDI betaalde voorschot van € 256.000.4.12.. Schadeposten die zijn aangeduid met “conform schadestaat d.d. 13 september 2022” op de schadestaat weergegeven onder 4.7 blijven buiten beschouwing van die beoordeling, nu deze al eerder tussen partijen zijn vastgesteld. De rechtbank zal bij de begroting per specifieke post uitgaan van het bedrag dat op dit moment minimaalals schadevergoeding kan worden toegewezen. Eventuele toekomstige nadere onderzoeken (bijvoorbeeld door de arbeidsdeskundige) kunnen aanleiding geven tot een hogere schadevergoeding.\n\nSchade als gevolg van verlies van verdienvermogen\n\nPeriode 1 september 2022 tot 14 december 2023:\n\n4.13.. \n [verzoekster] gaat, blijkens haar schadestaat, voor de periode 1 september 2022 tot 14 december 2023, uit van een verlies van verdienvermogen van € 37.978,32. HDI heeft zich over deze specifieke periode niet inhoudelijk uitgelaten. Zij stelt zich met betrekking tot deze schadepost hoofdzakelijk op het standpunt dat het onderzoek van de arbeidskundige dient te worden afgewacht.\n\n4.14.. In de hypothetische situatie zonder het ongeval stelt [verzoekster] dat zij als danser of choreograaf aan de slag zou zijn gegaan en daarmee € 2.776 bruto of € 2.461,33 netto per maand zou hebben verdiend. Over de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 (15,5 maanden) zou zij daarmee een bedrag van € 37.978,32 netto hebben verdiend.\n\n4.15.. In het kader van de bevoorschotting heeft HDI het startsalaris van een MBO-afgestudeerde volgens de Rekenmatrix opleiding & inkomen, als opgenomen in De Rekenhulp, als uitgangspunt voorgedragen. Zo stelt HDI dat een MBO bruto startsalaris op jaarbasis in 2024 € 35.398 bedraagt. HDI heeft echter nagelaten toe te lichten van van welke bedragen zij op basis van genoemd uitgangspunt voor de jaren 2022 en 2023 uitgaat.\n\n4.16.. Vast staat dat [verzoekster] in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 geen enkel inkomen of voorschot heeft ontvangen, terwijl zij op 1 september 2022 was afgestudeerd en beschikte over een MBO-diploma. In die zin verschilt de situatie van 2024 dus niet met die van (het laatste kwartaal van) 2022 en 2023.\n\n4.17.. De rechtbank ziet daarom voldoende aanleiding om vast te stellen dat [verzoekster] ook in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 in elk geval een MBO startsalaris zou hebben verdiend. Gelet op hetgeen partijen daarover over en weer hebben gesteld en het door HDI opgeven bruto startsalaris over 2024 gecorrigeerd met inflatie, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat [verzoekster] in 2022 een salaris van circa € 31.000 bruto zou hebben verdiend en in 2023 een salaris circa € 33.000 bruto.\n\n4.18.. De (minimale) schadeberekening voor de desbetreffende periode is dan volgt:\n\n2022:\n\nHet bruto jaarsalaris is € 31.000, wat netto (volgens de door [verzoekster] in haar berekeningen gebruikte rekenmodule berekenhet.nl) € 25.930 is. Aangezien [verzoekster] slechts vier maanden gewerkt zou hebben, wordt dit bedrag naar maanden omgerekend en zou zij netto in die vier maanden € 8.643,33 hebben ontvangen.\n\n2023:\n\nHet bruto jaarsalaris is € 33.000, wat netto (ongeveer) € 28.164 is. Aangezien het gaat om de periode tot 14 december 2023, wordt ook dit bedrag omgezet naar het salaris voor de duur van de betreffende periode, te weten 11,5 maanden. In 11,5 maanden zou zij € 26.990,50 hebben verdiend.\n\n4.19.. Het voorgaande brengt met zich dat, afgaand op de stellingen van partijen, ervan uit moet worden gegaan dat [verzoekster] in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 in elk geval een bedrag van € 8.646,67 + € 26.954 = € 35.633,83 zou hebben verdiend.\n\n4.20.. De minimale inkomensschade die op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld, betreft het verschil tussen het feitelijke inkomen en het hypothetische inkomen dat [verzoekster] zonder ongeval zou hebben verkregen. Netto schade (verlies van verdienvermogen): € 35.633,83 (hypothetisch) - € 0 (feitelijk) = € 35.633,83. Dit bedrag zal dan ook worden betrokken in de uiteindelijke optelsom.\n\n4.21.. Gezien het feit dat het the Class pas in 2026 is afgerond, wordt dit traject buiten beschouwing gelaten in deze schadeberekening die ziet op verlies van verdienvermogen in de periode 2022 – 2026.\n\n4.22.. De rechtbank merkt tenslotte nogmaals op dat het hier gaat om een minimale, terughoudende benadering die zoveel mogelijk zonder voorbehoud is vastgesteld. Niet is uitgesloten dat [verzoekster] , gelet op haar opleiding en persoonlijke omstandigheden, in de hypothetische situatie een hoger inkomen had kunnen verwerven. Met gebruikelijke loonontwikkeling, carrière-groei of andere inkomensverhogende factoren is in deze berekening geen rekening gehouden. Een arbeidsdeskundige zou tot een hogere hypothetische verdiencapaciteit kunnen komen en daarmee vaststellen dat de schade wegens verlies van verdienvermogen over deze periode hoger is dan in deze beschikking wordt aangenomen.\n\nPeriode 14 december 2023 tot 1 januari 2026:\n\n4.23.. \n [verzoekster] begroot haar schade wegens verlies van verdienvermogen in de periode van 14 december 2023 tot 1 januari 2026 op € 25.765,00.\n\n4.24.. Vast staat dat [verzoekster] in de periode van 14 december 2023 tot 1 januari 2026 geen inkomen uit arbeid heeft ontvangen. In deze periode ontving zij een Wajong-uitkering. Zij ontving in die periode (24,58 maanden) ongeveer € 34.734,49 (netto) aan uitkering.\n\n4.25.. In de hypothetische situatie zonder het ongeval zou [verzoekster] , aansluitend op hetgeen eerder is overwogen, ten minste een MBO-startsalaris hebben verdiend. De rechtbank neemt daarbij als ondergrens de bedragen uit de rekenmatrix van De Rekenhulp voor de jaren 2024 en 2025, zoals voorgesteld door HDI. Dit betreft een bruto jaarinkomen van € 35.398 (netto circa € 30.404) voor 2024 en € 37.734 (netto circa € 32.191) voor 2025.\n\n4.26.. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank het door [verzoekster] begrote bedrag van € 25.765,00 niet onredelijk of te hoog voor, nu dit bedrag lager is dan haar volgens de voorgaande berekening zou toekomen. De rechtbank acht dit bedrag daarom voldoende aannemelijk en zal deze schadepost betrekken in de optelsom.\n\n4.27.. Ook voor deze periode geldt dat is uitgegaan van een minimale en terughoudende benadering. Gebruikelijke loonontwikkeling of een hogere verdiencapaciteit is hierbij niet meegenomen en kan in een later stadium door een deskundige alsnog worden vastgesteld.\n\nZorgschade\n\n4.28.. \n [verzoekster] stelt dat zij als gevolg van het ongeval afhankelijk is geweest van mantelzorg en begeleiding door haar ouders. Zij begroot de schade wegens verleende mantelzorg over de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 op € 30.420,00. Ter onderbouwing van deze begroting verwijst zij naar een advies van arbeidsdeskundige Van den Hoek van 29 maart 2023, waarin de extra inzet van haar ouders wordt gekwantificeerd op gemiddeld 12 uur per week:\n\n4.29.. \n [verzoekster] berekent deze schade door uit te gaan van 12 uur mantelzorg per week tegen een uurtarief van € 15. Dit leidt volgens haar tot een jaarlijkse schade van € 9.360 (12 uur × € 15 × 52 weken). Over de genoemde periode van circa 3,25 jaar resulteert dit in een totaalbedrag van € 30.420,00.4.30.. HDI heeft aangevoerd dat toekenning van een voorschot op deze schadepost prematuur is en dat het definitieve onderzoek door een arbeidsdeskundige en\u002Fof zorgschadedeskundige dient te worden afgewacht, om op die manier [verzoekster] ’s zorgbehoefte goed in kaart te brengen.4.31.. De rechtbank volgt HDI hierin niet. Voor vergoeding komen in aanmerking de redelijke kosten van verzorging die anders door professionele hulpverleners zou zijn verricht. [verzoekster] heeft in de aanloop naar de zitting een e-mail van 6 februari 2026 van de arbeidsdeskundige Van den Hoek aan de belangenbehartiger van [verzoekster] overgelegd, waarin wordt bevestigd dat de omvang van de onder 4.25 onderbouwde en benodigde mantelzorg in de betreffende periode in ieder geval niet is afgenomen. Daarmee heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat gedurende de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 structureel mantelzorg door haar ouders is verleend en benodigd was.4.32.. Wel heeft [verzoekster] onvoldoende onderbouwd waarom voor de berekening een uurtarief van € 15 moet worden gehanteerd. In de eerdere schadestaat werd uitgegaan van een uurtarief van € 10 voor de mantelzorguren. Bij gebreke van een nadere onderbouwing op dit moment zal de rechtbank daarom bij de begroting van deze schadepsot in het kader van de bevoorschotting uitgaan van dit lagere tarief. Dit bedrag kan worden beschouwd als een ondergrens; na nader onderzoek kan een hoger tarief gerechtvaardigd blijken.4.33.. Uitgaande van 12 uur mantelzorg per week tegen een uurtarief van € 10 bedraagt de jaarlijkse schade € 6.240 (12 uur × € 10 × 52 weken). Over de periode van 3,25 jaar komt de schade wegens mantelzorg en begeleiding daarmee uit op € 20.280,00.\n\n4.34.. HDI heeft nog aangevoerd dat [verzoekster] in het verleden geen persoonsgebonden budget (PGB) heeft aangevraagd en dat zij dit in het kader van haar schadebeperkingsplicht wel had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat dit [verzoekster] niet kan worden tegengeworpen. HDI heeft niet onderbouwd dat zij destijds zonder meer in aanmerking zou zijn gekomen voor een PGB of dat een dergelijke voorziening de behoefte aan mantelzorg volledig zou hebben weggenomen. Bovendien heeft de verzochte schadevergoeding betrekking op daadwerkelijk verleende zorg, waarvan voldoende aannemelijk is dat deze noodzakelijk was. Ter zitting is besproken dat partijen voor de toekomst zullen onderzoeken in hoeverre sociale voorzieningen (waaronder een PGB en passende huisvesting) beschikbaar zijn en in hoeverre deze van invloed kunnen zijn op de zorgbehoefte en de omvang van de schade. Dat onderzoek is nog gaande. Dit laat onverlet dat voor de hier beoordeelde periode voldoende aannemelijk is dat [verzoekster] afhankelijk was van de aan haar verleende mantelzorg. De toekomstige zorgbehoefte en de eventuele rol van voorzieningen kunnen in een later stadium nader worden vastgesteld.\n\nSmartengeld\n\n4.35.. Ten aanzien van het verzochte voorschot op de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat een benadeelde heeft geleden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is (artikel 6:106 BW). Bij de begroting daarvan dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Ter bepaling van de omvang van het smartengeld bij hersenletsel wordt aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal.\n\n4.36.. \n [verzoekster] verzoekt een aanvullend voorschot van € 50.000 aan smartengeld, naast het reeds door HDI betaalde bedrag van € 50.000. HDI stelt dat dit reeds uitgekeerde bedrag voor nu toereikend is.\n\n4.37.. Tussen partijen is niet in geschil dat het smartengeld op basis van artikel 6:106 BW moet worden begroot aan de hand van de Rotterdamse Schaal. Wel bestaat verschil van inzicht over de ernst van het hersenletsel van [verzoekster] en de daarbij passende categorie van de Rotterdamse Schaal.\n\n4.38.. \n\nVolgens [verzoekster] valt haar letsel mogelijk onder de categorie ernstig hersenletsel(bandbreedte € 150.000 - € 195.000), maar in ieder geval onder de hoogste categorie vanmiddelzwaar hersenletsel subcategorie I(bandbreedte € 105.000 - € 150.000), waarbij sprake is van “Middelzware tot ernstige cognitieve beperkingen. De benadeelde is niet volledig afhankelijk van anderen, maar heeft wel continue zorg nodig. Beperkingen kunnen een persoonlijkheidsverandering, aantasting van zicht, spraak en zintuigen omvatten. Daarnaast kan sprake zijn van (een aanzienlijk risico op) epilepsie”. HDI gaat echter uit van hoogstensmiddelzwaar hersenletsel subcategorie II(bandbreedte € 62.000 - € 105.000), waarbij sprake is van “Matige tot lichte cognitieve beperkingen. De benadeelde heeft geen continue zorg nodig. Er is enige zelfstandigheid, maar het vermogen om arbeid te verrichten is sterk afgenomen of weggevallen, en er is enig risico op epilepsie”.\n\nDe rechtbank stelt vast dat definitieve rapportages over de zorgbehoefte en het verlies van verdienvermogen nog worden opgesteld en dat deze naar verwachting op korte termijn beschikbaar zullen zijn. Tot een definitieve indeling in een categorie kan daarom op dit moment nog niet worden overgegaan. Naast hersenletsel heeft [verzoekster] door het ongeval echter ook nog als letsel dat zij het zicht aan één oog heeft verloren.\n\n4.39.. Voor de vraag in hoeverre er ruimte is voor nadere bevoorschotting zal de rechtbank aan de hand van de Rotterdamse Schaal beoordelen voor hoeveel smartengeld [verzoekster] op dit moment minimaalin aanmerking zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat [verzoekster] , zelfs indien wordt uitgegaan van een indeling in de categoriemiddelzwaar hersenletsel subcategorie II, dus de lagere categorie waarvan HDI uitgaat, ook dan in aanmerking zal komen voor een bedrag dat de € 50.000 (het thans uitgekeerde voorschot op deze schade) ruimschoots zal overstijgen. Hiertoe is het volgende redengevend.\n\n4.40.. Als wordt uitgegaan van deze laagste (sub)categorie dienen volgens de Rotterdamse Schaal diverse concreet benoemde factoren in aanmerking te worden genomen bij het bepalen van de omvang van het smartengeld. Vele van de genoemde factoren spelen in [verzoekster] ’s geval een rol. Voor [verzoekster] is (in schade verhogende zin) in elk geval relevant de jonge leeftijd waarop het ongeval plaatsvond ( [verzoekster] was pas acht jaar), de ernst van het initiële letsel (waaronder een coma, een hersenoperatie, langdurige ziekenhuisopname en revalidatie) en het feit dat [verzoekster] meerdere vervolgoperaties heeft moeten ondergaan en hierdoor ook een schooljaar heeft gemist. Daarnaast is bij [verzoekster] evident sprake van blijvende klachten, waaronder hoofdpijn, concentratie- en vermoeidheidsproblemen, gevoelsstoornissen aan het hoofd, littekens en beperkingen in energieverwerking. Ook zijn er aanwijzingen voor psychische gevolgen en dat eén en ander een ingrijpende weerslag op het sociaal functioneren van [verzoekster] heeft gehad aslook op haar tijdsbesteding en de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of het volgen van een opleiding. Zo staat vast dat [verzoekster] de door haar beoogde loopbaan als danseres niet zal kunnen uitoefenen. Gelet op al deze factoren en omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat het uiteindelijke bedrag aan smartengeld – als al zou blijken dat het hersenletsel van [verzoekster] zich daadwerkelijk in deze lagere subcategorie laat indelen (wat nog uit de te verwachten rapportages moet blijken) – in ieder geval aan de bovenkant van de bandbreedte voor deze subcategorie II moet aansluiten.\n\n4.41.. Daar komt bij dat vast staat dat [verzoekster] als gevolg van het ongeval het zicht aan één oog heeft verloren, hetgeen conform de Rotterdamse Schaal valt in categorie 3.1 Aantasting gezichtsvermogen, sub e ‘volledig verlies van het zicht in één oog’, met een bandbreedte van € 34.000 tot € 37.000 voor het smartengeld. Dit letsel vormt een zelfstandig relevante factor bij de begroting van immateriële schade, die op dit moment nog niet is meegenomen in de schadebegroting. Inmiddels hebben het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK), het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Hoven (LOVCH) en het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) aanbevelingen vastgesteld die een aanvulling vormen op de Rotterdamse schaal. De aanbevelingen worden per 1 januari 2026 gehanteerd door de Rechtspraak. Aanbeveling 5 is voor deze zaak relevant, nu daarin is opgenomen dat bij letsels die onafhankelijk van elkaar voorkomen (meervoudig letsel) wordt aanbevolen uit te gaan van het zwaarste letsel: dat weegt volledig mee; het in ernst tweede letsel weegt voor 50% mee. De aldus gevonden bedragen dienen te worden opgeteld. Het “derde” of volgende letsel weegt niet op dezelfde manier mee, maar kan als factor worden betrokken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat, als partijen bij hun schadebegrotingen ook uitgaan van deze aanbevelingen, waar de rechtbank voor nu vanuit gaat, het oogletsel bij de begroting van het smartengeld voor 50% zal moeten worden betrokken en moet worden opgeteld bij het voor het hersenletsel te begroten bedrag.\n\n4.42.. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het door [verzoekster] gestelde totaalbedrag van € 100.000 (bepaald) niet onredelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om een voorschot in het kader van een deelgeschil en dat de definitieve omvang van het smartengeld in een bodemprocedure kan worden vastgesteld. De rechtbank acht zoals hiervoor overwogen voldoende aannemelijk dat het uiteindelijke smartengeld ruimschoots hoger zal zijn dan het reeds betaalde bedrag, zodat het verzochte aanvullende voorschot van € 50.000 niet bovenmatig voorkomt en kan worden betrokken in de uiteindelijke optelsom van de schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nVervoerskosten\n\n4.43.. \n [verzoekster] verzoekt daarnaast een voorschot voor gemaakte reiskosten. Zij begroot deze op € 197,34 over de periode van 13 september 2022 tot 17 oktober 2023 en op € 5.000,00 voor de periode van 17 oktober 2023 tot 1 november 2025. Volgens [verzoekster] zien deze kosten op de gereden kilometers in verband met bezoeken aan haar belangenbehartiger, medische behandelaars, expertises en The Class.4.44.. \n [verzoekster] heeft deze kosten echter onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Zo ontbreekt inzicht in het totaal aantal gereden kilometers, de frequentie van de betreffende bezoeken en de wijze waarop de verzochte bedragen zijn berekend. Zonder nadere toelichting of onderliggende stukken kan de rechtbank niet beoordelen of en in hoeverre deze kosten redelijk en daadwerkelijk zijn gemaakt. Het verzochte voorschot voor vervoerskosten zal dus niet worden betrokken bij de optelsom van schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nOpgenomen kosten vakantiedagen en overige kosten\n\n4.45.. Daarnaast verzoekt [verzoekster] een bedrag van € 1.350 ter zake van de opname van vakantiedagen door haar ouders over de periode van 14 september 2022 tot 17 oktober 2023. Deze post is echter onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Zo ontbreekt inzicht in het aantal opgenomen dagen, de noodzaak daarvan en de wijze waarop het verzochte bedrag is berekend. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van vergoedbare schade. Ook dit bedrag zal dus niet worden betrokken bij de optelsom.\n\nMedische kosten\n\n4.46.. De kosten van het eigen risico over de jaren 2022 en 2023 komen voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hier om bedragen van € 338,02 respectievelijk € 385. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd met overgelegde zorgnota’s en staan in causaal verband met het ongeval. Bovendien heeft HDI deze kosten niet betwist. De rechtbank zal deze posten daarom betrekken in de optelsom van schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nTotaal toe te wijzen voorschot\n\n4.47.. Volgens de schadestaat van 13 september 2022 bedraagt de schade tot die datum € 186.862,05. Deze schade is tussen partijen niet in geschil en bestaat uit de volgende posten:\n\nSchadepost\n\nBedrag\n\nZaakschade\n\n€ 2.582,84\n\nDagvergoeding ziekenhuis e.d.\n\n€ 2.171,00\n\nMedische kosten\n\n€ 360,38\n\nTelefoonkosten\n\n€ 325,07\n\nVerblijfskosten ouders\n\n€ 500,00\n\nVervoerskosten\n\n€ 8.107,41\n\nMantelzorg en begeleiding\n\n€ 91.251,63\n\nOpname vakantiedagen ouders\n\n€ 2.900,00\n\nVerlies van arbeidsvermogen\n\n€ 18.923,72\n\nStudievertraging\n\n€ 5.490,00\n\nOverige schade\n\n€ 4.250,00\n\nImmateriële schade (voorschot)\n\n€ 50.000,00\n\nTotaal\n\n€ 186.862,05\n\n4.48.. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoekster] na 13 september 2022 nog minstensde volgende schade heeft geleden:\n\nSchadepost\n\nBedrag\n\nVerlies van verdienvermogen (1 sept. 2022 – 14 dec. 2023)\n\n€ 35.633,83\n\nVerlies van verdienvermogen (14 dec. 2023 – 1 jan. 2026)\n\n€ 25.765,00\n\nZorgschade\n\n€ 20.280,00\n\nAanvullend smartengeld\n\n€ 50.000,00\n\nMedische kosten (ER 2022 en ER 2023)\n\n€ 723,02\n\nTotaal\n\n€ 132.401,85\n\n4.49.. De totale schade van [verzoekster] tot en met 2025 bedraagt daarmee minimaal € 319.263,90.4.50.. Op dit bedrag strekt in mindering het reeds door HDI betaalde voorschot van € 256.000,00. Het nog openstaande bedrag aan schade komt daarmee uit op € 63.263,90. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de schade van [verzoekster] de door HDI betaalde voorschotten in aanzienlijke mate overstijgt, zoals vereist voor toewijzing van een aanvullend voorschot in deze deelgeschilprocedure. De rechtbank zal daarom een aanvullend voorschot van € 63.263,90 toewijzen.\n\nKosten deelgeschil\n\n4.51.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.52.. \n [verzoekster] heeft verzocht HDI te veroordelen in de kosten van het deelgeschil. [verzoekster] heeft deze kosten begroot op een bedrag van € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met griffierecht. Dit bedrag bestaat uit 17 uur tegen een tarief van € 290 (exclusief btw).\n\n4.53.. HDI heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het aantal uren. Met betrekking tot het uurtarief heeft HDI aangevoerd dat het uurtarief van € 290,00 te hoog is en dat een bedrag van € 245,00 per uur volstaat voor een kwestie als deze.\n\n4.54.. De rechtbank acht het aantal uren gelet op de gemiddelde complexiteit en de omvang van het dossier redelijk. Dat geldt evenzeer voor de hoogte van het uurtarief, gelet op de ervaring en specialisatie van mr. Boer. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 17 uren × € 290,00 exclusief btw, dus op € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00. HDI. zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verklaart [verzoekster] niet ontvankelijk in haar verzoek tot betaling van een voorschot jegens Dekra,\n\n5.2.. bepaalt dat HDI aan [verzoekster] bij voorschot voor haar schade binnen twee weken na heden een bedrag van € 63.263,90 uitkeert;\n\n5.3.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00 en veroordeelt HDI tot betaling daarvan aan [verzoekster] ,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3209","2026-03-31T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.835Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":99,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":35,"updatedAt":102},"765","ECLI:NL:RBAMS:2024:8776","ecli-nl-rbams-2024-8776","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F296136-23\n\nDatum uitspraak: 23 december 2024\n\nVerkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\ningeschreven op het postadres [adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van\n\n9 december 2024.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.D. Rijnsburger, naar voren hebben gebracht.\n\nTevens heeft de rechtbank kennisgenomen van wat het slachtoffer [slachtoffer] naar voren heeft gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 16 april 2023 te Amsterdam:\n\ndoor zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel (subsidiair) hij zich dusdanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt;\n\nhij zich schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een verkeersongeval waarbij naar hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden aan [slachtoffer] letsel en\u002Fof schade was toegebracht en [slachtoffer] in hulpeloze toestand werd achtergelaten;\n\nhij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto na gebruik van een meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol (665 μg\u002Fl).\n\nDe tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie vindt dat de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend gereden. Hij heeft geen voorrang gegeven aan het slachtoffer en hij reed onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol. Na het ongeval heeft verdachte zich onttrokken aan zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer door weg te rennen en het slachtoffer, dat verdachte gewond op de grond had zien liggen, in hulpeloze toestand achter te laten. Het letsel van het slachtoffer is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Er is geen sprake van een gedraging waaruit kan worden afgeleid dat verdachte zich bewust had moeten zijn van zeer ernstig gevaar dat door zijn buitengewoon onvoorzichtige gedraging in het leven is geroepen.\n\nVerdachte heeft een inschattingsfout gemaakt door plotseling naar links te sturen. Hij is daarbij de controle over zijn auto kwijt geraakt. Hij is met zijn auto over het fietspad gegleden en heeft daarmee onbedoeld geen voorrang verleend aan een fietser, die hij daarbij kennelijk heeft geraakt. Vervolgens is hij tegen een boom tot stilstand gekomen. Gedurende deze handelingen was verdachte onder invloed van alcohol en nadien heeft hij de benen genomen.\n\nVerdachte heeft voorafgaand aan het ongeval niet zodanig gereden dat daaruit enige opzet valt af te leiden. Er blijkt niet van slingerend of opvallend rijgedrag. Het enkele feit dat hij onder invloed van alcohol achter het stuur is gestapt, is daarvoor onvoldoende. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte te hard heeft gereden.\n\nIndien de rechtbank wel tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde komt dan zou de mate van schuld moeten worden beperkt tot aanmerkelijke onvoorzichtigheid.\n\nHet letsel van het slachtoffer kan gezien de aard en de ernst van het letsel (hersenschudding en kneuzingen aan de benen) niet gelden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nFeitelijke toedracht\n\nOp 16 april 2023 reed verdachte als bestuurder in zijn auto over de Cornelis Krusemanstraat te Amsterdam, komende uit de richting van de Amstelveenseweg en gaande in de richting van het Valeriusplein. Aangekomen bij de kruising met de Hendrik Jacobszstraat is verdachte linksaf geslagen. Daarbij is hij bij het oversteken van het fietspad tegen een op de Cornelis Krusemanstraat uit tegengestelde richting tegemoetkomende fietser (slachtoffer [slachtoffer] ) aangereden die rechtdoor wilde gaan. [slachtoffer] is hierdoor ten val gekomen en heeft een hersenschudding en kneuzingen aan zijn benen opgelopen.\n\nVerdachte heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten, maar werd even later door een omstander alsnog staande gehouden. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde.\n\nSchuld in de zin van artikel 6 WVW\n\nBij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.\n\nFeit 1 primair\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de bestuurder van de auto was ten tijde van het ongeval en dat hij zich, ondanks dat hij alcohol had gedronken, in staat voelde om de auto te besturen. Verdachte was ter plaatse bekend. Hij is met een vriend uit eten geweest en heeft daarna met die vriend nog wat drankjes genuttigd. Verdachte had zijn auto op een busbaan geparkeerd en wilde zijn auto naar eigen zeggen verplaatsen naar een paar straten verderop bij of in de buurt van zijn woning omdat zijn auto de volgende ochtend niet meer op die busbaan mocht staan. Uit een ademonderzoek, uitgevoerd bij verdachte kort na het ongeval, bleek dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 665 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was. Verdachte had aldus veel te veel alcohol gedronken voordat hij in de auto stapte. Het alcoholgehalte bedroeg meer dan drie keer de toegestane hoeveelheid, hetgeen ongetwijfeld nadelig van invloed is geweest op zijn rijvaardigheid.\n\nVerdachte bestuurde bovendien de auto terwijl op dat moment zijn rijbewijs was ingevorderd wegens het zes dagen ervoor (ook al) rijden onder invloed van alcohol, maar ook dat heeft hem er niet van weerhouden toch in de auto te gaan rijden.\n\nBij de Hendrik Jacobszstraat is verdachte bij het linksaf slaan de macht over het stuur verloren en is hij tegen [slachtoffer] aangereden. Verdachte heeft zich er voorafgaand aan en tijdens het linksaf slaan niet van vergewist of er sprake was van enig kruisend verkeer. Hij heeft in het geheel niet gekeken, zo heeft hij ter zitting verklaard. Hoewel zijn zicht ter plaatse niet werd beperkt door bijvoorbeeld geparkeerde auto’s of andere obstakels, zag hij het slachtoffer pas nadat hij tegen hem aan was gereden, en heeft hij dan ook niet nog geprobeerd om te remmen. Omdat [slachtoffer] op dezelfde weg rechtdoor reed, had de naar links afslaande verdachte hem voorrang moeten verlenen.\n\nSnelheid\n\nHet dossier bevat onvoldoende informatie over de door verdachte gereden snelheid ten tijde van het ongeval, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte harder dan de maximaal toegestane snelheid ter plaatse heeft gereden of met een snelheid die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse.\n\nLetsel\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het letsel dat [slachtoffer] ten gevolge van het ongeval heeft opgelopen, valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet. Het dossier bevat voldoende informatie over de aard en ingrijpendheid van de benodigde medische behandelingen en het zicht op volledig herstel, om tot deze vaststelling te kunnen komen. Het slachtoffer heeft zich mede als gevolg van aanhoudende klachten (constante hoofdpijn, duizeligheid, verstoorde oogmotoriek, slapeloosheid) na het ongeval onder behandeling moeten stellen van een neuroloog, een fysiotherapeut, een sportarts, een chiropractor en een ergotherapeut. Daarnaast volgt hij thans EMDR therapie in verband met mentale klachten ten gevolge van het ongeval. In december 2023 werd vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamd postcommotioneel syndroom. Het slachtoffer ondervindt tot op heden verregaande beperkingen in zijn (sociale) leven. Of, en zo ja wanneer, er uiteindelijk sprake zal zijn van volledig herstel is vooralsnog niet vastgesteld.\n\nConclusie\n\nGelet op het geheel van de gedragingen van verdachte en de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden van het geval – zoals hiervoor overwogen – kwalificeert de rechtbank het verkeersgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is.\n\nFeit 2\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in het dossier voldoende bewijs voorhanden is om ook tot een bewezenverklaring van feit 2 te komen. Nadat verdachte met zijn auto tegen een boom tot stilstand was gekomen en was uitgestapt, heeft hij het slachtoffer op de grond zien liggen en is weggerend. Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij na de botsing is weggerend.\n\nFeit 3\n\nOok feit 3 kan worden bewezen op grond van hetgeen hiervoor bij feit 1 met betrekking tot het alcoholgehalte is overwogen.\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte\n\n1. primair\n\nop 16 april 2023 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de Cornelis Krusemanstraat, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en twee zwaar gekneusde benen, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:\n\nverdachte heeft gereden over de Cornelis Krusemanstraat, komende uit de richting van de Amstelveenseweg en gaande in de richting van het Valeriusplein,\n\n- terwijl het donker was,\n\n- terwijl verdachte ter plaatse zeer bekend was,\n\n- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,\n\n- terwijl het rijbewijs van verdachte was ingevorderd,\n\nverdachte is vervolgens linksaf geslagen naar de Hendrik Jacobszstraat,\n\nverdachte is vervolgens het fietspad voor tegemoetkomend verkeer overgestoken,\n\nverdachte heeft zich er bij het afslaan niet van vergewist dat het fietspad vrij was van enig kruisend verkeer,\n\nverdachte heeft vervolgens een rechtdoor gaande verkeersdeelnemer, te weten de bestuurder van een fiets, [slachtoffer] , geen voorrang verleend,\n\nverdachte heeft daarbij niet afgeremd en heeft de macht over het stuur verloren,\n\nverdachte is vervolgens tegen die [slachtoffer] aangereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;\n\n2.\n\nals degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam aan de Cornelis Krusemanstraat op 16 april 2023, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel was toegebracht en een ander, te weten [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;\n\n3.\n\nop 16 april 2023 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, namelijk als bestuurder van een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 665 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n6. Het bewijs\n\nDe rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.\n\n7. De strafbaarheid van het feit\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n8. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n9. Motivering van de straffen en maatregelen\n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, en tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.\n\nStrafmaatverweer van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar te volstaan met een (forse) taakstraf gecombineerd met voorwaardelijke sancties. Verdachte heeft na een lange periode van stress door financiële en zakelijke problemen en een kapotgelopen relatie, het faillissement van zijn horecaonderneming moeten aanvragen en zijn cateringbedrijf moeten verkopen. Verdachte is de komende anderhalf jaar nog wel werkzaam bij het cateringbedrijf. Verdachte hoopt te worden toegelaten tot schuldsanering via de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) en hoopt na afwikkeling van het faillissement verder te kunnen met het oplossen van zijn problemen. Een gevangenisstraf zou dit traject doorkruisen. Hij zal daardoor zijn baan verliezen en vreest voor eventuele consequenties met betrekking tot de overname van zijn onderneming. Dit geldt ook voor een onvoorwaardelijke rijontzegging. Verdachte heeft voor zijn werkzaamheden (het halen en brengen van apparatuur en voedingsmiddelen) zijn rijbewijs nodig.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nVerdachte is in zijn auto gaan rijden nadat hij zodanig veel alcohol had gedronken dat hij niet tot het behoorlijk kunnen besturen van zijn auto in staat kon worden geacht. Dat verdachte er voor koos om toch te gaan rijden is des te meer verwijtbaar, omdat het rijbewijs van verdachte slechts zes dagen eerder was ingevorderd wegens het rijden na het (eveneens) drinken van te veel alcohol. Dit rijbewijs had verdachte op 16 april 2023 nog niet terug. Door zo veel te drinken en zich daarna in het verkeer te begeven, heeft verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de kans op een ongeval zeer vergroot. Verdachte was zich totaal niet bewust van de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers. Zo kon het gebeuren dat hij bij een ondoordachte manoeuvre zijn auto niet meer onder controle kon houden en tegen het slachtoffer Van der Steen is aangereden die op zijn fiets op het fietspad reed.\n\nHoewel verdachte wist dat hij iemand had aangereden, en hij ook heeft gezien dat deze persoon gewond op de grond lag, heeft hij niet zijn verantwoordelijkheid genomen en heeft hij zich daarna niet om het slachtoffer bekommerd, maar is er vandoor gerend. Kort daarna is verdachte echter door een oplettende omstander staande gehouden en overgedragen aan de politie. Ook ter terechtzitting heeft verdachte zich in dit opzicht weinig schuldbewust getoond.\n\nHet slachtoffer [slachtoffer] ondervindt nog dagelijks – zowel fysiek als mentaal – de nadelige gevolgen van het ongeval. Zoals ook gebleken is uit zijn ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring wordt hij thans nog steeds aanzienlijk beperkt in zijn dagelijkse (sociale) leven.\n\nDe rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte, zoals blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 26 november 2024, in het verleden eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen voor de Wegenverkeerswet 1994 (rijden onder invloed en een snelheidsovertreding).\n\nBij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar straffen die voor vergelijkbare gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd en naar de geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van ernstige schuld, er een alcoholpercentage van meer dan 570 µg\u002Fl is vastgesteld en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt als uitgangspunt een gevangenisstraf van zeven maanden en een onvoorwaardelijke OBM voor de duur van drie jaren opgelegd.\n\nGelet op het voorgaande, de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedragingen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, ziet de rechtbank, ook in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de persoonlijke omstandigheden van verdachte, geen aanleiding hier al te zeer van af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf, en acht een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal de officier van justitie volgen voor wat betreft de hoogte van die gevangenisstraf en daarmee een lagere gevangenisstraf dan de oriëntatiepunten opleggen, omdat de rechtbank mee laat wegen dat de aanrijding ruim anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden en de strafzaak hem al die tijd boven het hoofd heeft gehangen.\n\nDaarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op zijn plaats. Anders dan door de officier van justitie geëist zal de rechtbank deze geheel onvoorwaardelijk opleggen, met name ook omdat verdachte in het verleden eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar hiervan niet blijkt te hebben geleerd. Deze bijkomende straf strekt er daarom mede toe verdachte ervan te doordringen in de toekomst de grootst mogelijke voorzichtigheid in het verkeer in acht te nemen, en niet nogmaals lichtzinnig te besluiten in de auto te stappen en te gaan rijden in een toestand waarin hij dat niet mag doen en niet moet doen.\n\nDaarnaast is niet gebleken dat verdachte dusdanige werkzaamheden heeft die met het opleggen van een OBM niet meer uitvoerbaar zouden zijn.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\n11. Beslissing\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder de feiten 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nMet betrekking tot feit 1 primair en feit 3:\n\nEendaadse samenloop van:\n\nOvertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.\n\nen\n\nOvertreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nMet betrekking tot feit 2:\n\nOvertreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.\n\nOntzegtverdachte terzake van het onder 1 primair bewezenverklaardede bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van3 (drie) jaren.\n\nBepaalt dat de tijd dat het rijbewijs in verband met de bewezen feiten 1 primair en 3 vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest, geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. G.M. Beunk, voorzitter,\n\nmrs. C.M. Degenaar en I. Mannen, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2024.\n\n […]\n\n ,\n\n […]\n\nZie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO5822 en van 29 april\n\n 2008, ECLI:NL:HR:2008: BD0544.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8776","2025-03-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.076Z",20]