[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-child-protection-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":69},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},34,"child-protection-nl","Child Protection","NL","2026-07-08T16:53:25.882Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2025-12-18T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122395","Burgerlijk Wetboek","art. 1:266 lid 1",1,[27,37,45,54,62],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"1637","ECLI:NL:GHARL:2026:4368","ecli-nl-gharl-2026-4368","","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-004448-25\n\nUitspraakdatum: 6 juli 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\nArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep,\n\ningesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen,\n\nvan 16 oktober 2025 met parketnummer 05-281207-24 in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment verblijvende in de [locatie P.I.] te [locatie] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A. Prins, en de advocaat van de benadeelde partijen,\n\nmr. C.A. Bouw, en door en namens de benadeelde partijen is aangevoerd. Tevens heeft het hof kennisgenomen van wat de moeder, als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige slachtoffer bij de uitoefening van het spreekrecht naar voren heeft gebracht.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor een drietal feiten. Een poging tot verkrachting van iemand beneden de twaalf jaren, mishandeling van een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige door toediening van schadelijke stoffen en het bezit van kinderporno. Dit betreft de onder feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde feiten. Voor het onder feit 2 primair tenlastegelegde is verdachte vrijgesproken. Aan verdachte is opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).\n\nHet hof komt in dit arrest tot een deels andere beslissing over het bewijs, een andere strafoplegging en een deels andere beslissing op de vordering van een van de benadeelde partijen dan de rechtbank Gelderland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting bij de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:\n\n1. primair\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed heeft gezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zitten en\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen te verrichten en deze poging tot aanranding te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed heeft gezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zitten en\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. meer subsidiair hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans in Nederland,\n\n- zich en\u002Fof een ander opzettelijk gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof heeft getracht te verschaffen tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 247 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht dan wel\n\n- zich opzettelijk kennis en\u002Fof vaardigheden tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 247 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht heeft verworven en\u002Fof een ander heeft bijgebracht, door\n\n- met zijn, verdachtes, telefoon, althans (een) gegevensdrager(s) chatgesprekken te voeren met een onbekend persoon over de seksuele fantasie\u002Fgedachte om minderjarigen te drogeren en\u002Fof (vervolgens) seksueel te misbruiken en\u002Fof\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn te wekken dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem is en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] te vragen of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mag komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet te lokken, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] af te sluiten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) toe te dienen en\u002Fof te laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed te zetten en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed te zitten en\u002Fof\n\n- tijd proberen te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen;\n\n2. primair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]\n\n(geboren op [geboortedatum] 2021) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof laten innemen en\u002Fof\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland\n\nopzettelijk de gezondheid van een aan zijn zorg en\u002Fof waakzaamheid toevertrouwd kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2021) heeft benadeeld en\u002Fof [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),\n\nin elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) toe te dienen en\u002Fof in te laten nemen;\n\n3. hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans (elders) in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, waaronder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten\n\n- afbeeldingen en\u002Fof\n\n- gegevensdragers bevattende afbeeldingen te weten een telefoon (merk: Oppo) en\u002Fof\n\n- visuele weergave\u002Fgegevensdragers waarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand en\u002Fof een ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon (afbeelding(en) 01 en\u002Fof 02 van de toonmap) en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand wordt aangeraakt en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van een ander kind\u002Fpersoon met een penis en\u002Fof hand\u002Fvinger wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon en\u002Fof die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen met een vinger\u002Fhand aanraakt (afbeelding(en) 03 en\u002Fof 04 van de toonmap) en\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof in een omgeving en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding(en) 05 en\u002Fof 07 van de toonmap) en\u002Fof dat bij het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en\u002Fof bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden (afbeelding(en) 06 van de toonmap)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht tot een bewezenverklaring is gekomen van de feiten 1 primair, 2 subsidiair en 3 en het bewijs voor deze feiten uitgebreid en volledig in het vonnis heeft weergegeven en de verweren terecht en op goede gronden heeft verworpen.\n\nEnkel voor wat betreft de partiële vrijspraak door de rechtbank van het vervaardigen van kinderporno heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er wat haar betreft wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. Zij heeft daarbij gewezen op de opslaglocatie van de cache afbeeldingen, het gebruik van de camera en het tijdstip van het bewaren van de afbeeldingen op de telefoon. Volgens haar zijn de foto’s gelet op de tijdlijn precies gemaakt op het moment dat [slachtoffer] in de caravan van verdachte was en bevestigt het feit dat er een selfie van verdachte tussen zit dat hij op dat moment de camera heeft bediend.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het primaire standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.\n\nVolgens de verdediging kan niet vastgesteld worden wanneer [slachtoffer] de drugs 2MMC heeft binnengekregen en of dit door verdachte is geweest. Er staat vast dat er geen drugs in de caravan van verdachte is aangetroffen en uit het onderzoek is niet gebleken wanneer [slachtoffer] de drugs binnen heeft gekregen. Nu ook niet bekend is wat de werkingsduur van de drugs is, kan niet zonder meer worden gesteld dat [slachtoffer] de drugs niet voor of na het binnengaan in de caravan van verdachte heeft binnengekregen. Ook kan niet vastgesteld worden dat de drugs die verdachte op 23 augustus 2024 heeft besteld in de caravan van verdachte aanwezig waren op 31 augustus 2024 en bovendien betrof die bestelling poeder en kristallen, hetgeen niet overeenkomt met een snoepje of pilletje waar [slachtoffer] over heeft verklaard. Daar komt bij dat het alternatieve scenario dat [slachtoffer] de drugs in de caravan van haar moeder heeft gevonden en ingenomen niet is onderzocht.\n\nEr ontbreken volgens de verdediging concrete bewijsmiddelen waaruit volgt wat de intenties van verdachte zijn geweest. De gesprekken die verdachte die dag heeft gevoerd betroffen slechts fantasieën. Alle verifieerbare opmerkingen van verdachte in die gesprekken blijken onjuist te zijn. Ook is er, buiten de stelling van moeder, niets waaruit volgt dat de deur van de caravan van verdachte op slot was. De verdediging heeft daarbij ook op de wisselende verklaringen van moeder gewezen.\n\nVoor wat betreft de vraag of [slachtoffer] wel of niet naakt is geweest in de caravan acht de verdediging het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant die bij [slachtoffer] in het ziekenhuis was onvoldoende, nu dit een globaal en samengevat proces-verbaal betreft en de mogelijkheid bestaat dat cruciale context of nuance van wat [slachtoffer] heeft verteld verloren is gegaan. Moeder en [slachtoffer] verklaren daar zelf niets over en bovendien is [slachtoffer] maar een kleine tien minuten in de caravan van verdachte geweest, zodat de tijd om haar te ontkleden en weer aan te kleden bijzonder krap, zo niet onmogelijk is. Ook blijkt uit het dossier niet dat verdachte [slachtoffer] op bed heeft gezet en staat niet vast dat [slachtoffer] op het moment dat de foto’s zijn gemaakt in de caravan van verdachte was. Bovendien concludeert de politie dat niet kan worden gezien dat het de billen van een kind betreft, zodat niet blijkt dat deze foto’s van [slachtoffer] zijn genomen.\n\nSubsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is geweest van een poging, zodat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Er zijn geen handelingen door verdachte gepleegd die duiden op een seksuele intentie en er is geen speeksel of sperma of DNA-materiaal van verdachte of een ander aangetroffen. De verdediging heeft onder verwijzing naar twee uitspraken van andere rechterlijke colleges aangevoerd dat bij deze feitelijke omstandigheden niet gesteld kan worden dat de handelingen van verdachte kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam of aanranding van [slachtoffer] .\n\nTen aanzien van feit 3 heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken. Verdachte ontkent op de hoogte te zijn geweest van de kinderporno die op zijn telefoon is aangetroffen en volgens de verdediging moet meer acht worden geslagen op de uitgebreide verklaringen van verdachte bij de politie dan op hetgeen hij bij de rechter-commissaris zou hebben verklaard, nu dergelijke processen-verbaal doorgaans in zeer samengevatte vorm worden opgesteld.\n\nBovendien kan uit het onderzoek niet zonder meer worden aangenomen dat de bestanden vóór 2 september 2024 al op de telefoon van verdachte stonden en volgt ook niet dat de bestanden door de gebruiker van de telefoon zijn geopend. Al met al kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de bestanden in de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad.\n\nOordeel van het hof\n\nFeiten en omstandigheden\n\nOp 31 augustus 2024 omstreeks 19.40 uur zijn de [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en [verbalisant 1] naar de [straat] te [plaats] gegaan waar mogelijk sprake was van een gedrogeerd 3-jarig meisje. Het betreft [slachtoffer] ( [slachtoffer] ), geboren op [geboortedatum] 2021.\n\nAan [verbalisant 1] vertelde de moeder van [slachtoffer] , [moeder slachtoffer] (hierna: moeder), die zichtbaar overstuur was, dat haar buurman van de caravan tegenover die van haar, die ze in het latere gesprek [verdachte] noemt (hierna: verdachte), haar via Facebook een berichtje stuurde, waarin hij vroeg of haar dochter met zijn nichtje mocht spelen, want die was op bezoek. Moeder had het nichtje zelf niet gezien en had er een beetje een onderbuikgevoel bij, maar haar dochter ging wel naar verdachte toe. Toen ze meteen een naar gevoel kreeg, stuurde ze verdachte een berichtje dat ze [slachtoffer] over vijf minuten op kwam halen. Daarop reageerde hij met: \"Nee doe maar over een half uur.\" Moeder heeft toen gereageerd dat het haar kind is en dat ze haar meteen op kwam halen omdat ze gingen eten en ze liep vervolgens naar de caravan van verdachte en ze voelde dat de deur op slot zat. Verdachte deed de deur open en zij nam haar dochter mee.\n\nMoeder vroeg aan [slachtoffer] wat ze gedaan had en zij vertelde dat ze met verdachte op bed had gezeten. Toen moeder haar vroeg of ze nog iets gegeten had, zei ze dat ze een klein wit snoepje had gegeten, dat heel vies smaakte. Daarna zei [slachtoffer] dat ze heel moe was. Moeder zag dat haar pupillen heel groot waren en belde de huisartsenpost, die besloot een ambulance te sturen.\n\nToen moeder de naam van verdachte aan de verbalisant noemde en ze hem op Facebook wilde opzoeken, kwamen er geen resultaten naar boven. De vriendin van moeder kreeg het account van verdachte op Facebook wel te zien, zodat moeder concludeerde dat verdachte haar had geblokkeerd op Facebook. Buiten bij het ziekenhuis heeft moeder [verbalisant 1] de berichtjes laten zien die ze nog via Facebook met verdachte had gewisseld nadat ze haar dochter had opgehaald. In dat gesprek vroeg moeder verdachte wat voor een snoepje haar dochter had gehad, waarop verdachte antwoordde ‘een schuimpje’.\n\nUit het onderzoek naar de telefoon van moeder volgt dat ze op 31 augustus 2024 op een aantal tijdstippen contact had met verdachte.\n\nOm 17:29 uur vraagt verdachte voor het eerst of [slachtoffer] binnen in zijn caravan mag komen spelen omdat zijn nichtje er is. Als moeder aangeeft dat ze eerst even aan haar dochter zou vragen of ze het ook wilde, stuurt verdachte ‘Ze hoeft niet bang te zijn.’ Vervolgens stuurt verdachte om 17:57 uur aan moeder: ‘wil ze komen?’.\n\nMoeder stuurt op 18:09 uur een bericht aan [naam 1] dat [slachtoffer] bij die buurman is, maar dat ze het best creepy vindt.\n\nOm 18:10 uur leest verdachte het bericht van moeder: ‘Ik kom der zo weer halen want dan gaan we eten.’, waarop verdachte reageert met ‘hoelaat?’. Daarop stuurt moeder het bericht ’10 minuutjes ofzo’, waarop verdachte reageert met ‘Half uur breng ik er’.\n\n [verbalisant 2] heeft bij [slachtoffer] aan het bed gezeten in het ziekenhuis en heeft gerelateerd over wat [slachtoffer] een van de betrokken verpleegkundigen heeft verteld.\n\nVolgens [slachtoffer] was ze bij de buurman (het hof begrijpt: verdachte) geweest en heeft ze daar twee witte, vieze en zure snoepjes van hem gehad en zat ze op het bed in haar blootje.\n\n [verbalisant 2] zag dat [slachtoffer] erg druk was en niet stil kon zitten, dat ze wijde pupillen had en haar mond en tong onder het bloed zaten. Toen de verpleegkundige vroeg hoe zij hier aan kwam, zei [slachtoffer] dat ze ‘auw’ had en dat kapot had gebeten. [slachtoffer] moest ook overgeven en huilen en vertelde dat ze overal ‘auw’ had, waarbij ze wees naar haar buik, geslachtsdeel, benen en armen.\n\nUit de afdruk van het patiëntendossier van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, blijkt uit het lichamelijk onderzoek het volgende:\n\nAlgemeen: zeer onrustig, kauwend met de kaken, onderlip kapot gebeten, bloedende tong. Veel motorische onrust, spreekt onophoudelijk, stelt veel vragen.\n\nUit het rapport van het NFI van 19 december 2024 ‘Toxicologisch onderzoek in het lichaamsmateriaal van een driejarig meisje’ blijkt dat er 0,36 mg\u002F1 van de werkzame stof 2MMC in het bloed van [slachtoffer] aanwezig was. Volgens het NFI is de gemeten 2-MMC-concentratie in het serum van 0,36 mg\u002Fl waarschijnlijk een hoge concentratie, waarbij onder andere emotionele ontremming, verhoogde bloedruk, verhoogde hartslag en verhoogde lichaamstemperatuur kunnen optreden.\n\nEr is ook DNA-onderzoek verricht en uit het rapport van het NFI daaromtrent van 31 augustus 2024 blijkt dat, hoewel er geen voor vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek geschikt DNA-profiel is verkregen, er in de bemonstering van de voorhof van [slachtoffer] een aanwijzing is verkregen voor de mogelijke aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA.\n\nNamens het slachtoffer [slachtoffer] , heeft haar moeder, [moeder slachtoffer] , aangifte gedaan van seksueel misbruik van [slachtoffer] . Volgens moeder heeft verdachte [slachtoffer] gedrogeerd. Verdachte had moeder via Facebook gevraagd of [slachtoffer] kon komen spelen omdat zijn nichtje er was, waarop moeder antwoordde dat [slachtoffer] voor (bij de receptie) aan het spelen was en dat ze het haar zou vragen.\n\nVerdachte zei toen tegen moeder dat [slachtoffer] niet bang hoefde te zijn. Even later stuurde verdachte weer een berichtje of [slachtoffer] nog wilde komen en toen heeft moeder [slachtoffer] naar zijn caravan gebracht, waar ze geen ander kindje zag. Kort daarna kreeg moeder een onderbuikgevoel bij deze situatie en toen ze [slachtoffer] wilde ophalen en de deur van het chalet wilde openen, voelde ze dat deze op slot zat.\n\nPas toen het slot werd opengemaakt, ging de deur open. [slachtoffer] vertelde haar dat er geen ander kindje was om mee te spelen, ze met de buurman (het hof begrijpt: verdachte) op het bed was en dat ze een klein wit snoepje van hem had gekregen dat ze vies vond.\n\nTijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer] wederom verklaard dat ze bij de buurman was en dat ze van hem een klein wit rond snoepje kreeg dat heel vies was. Ook had ze op bed gezeten en de buurman ook en zat de buurman op zijn telefoon.\n\nVerdachte is op 31 augustus 2024 om 20.55 uur aangehouden en daarbij is ook de telefoon van verdachte in beslag genomen.\n\nUit onderzoek aan de telefoon van verdachte blijkt het volgende.\n\nOp 23 augustus 2024 heeft verdachte op de website [website] een bestelling gedaan voor 10 gram 2MMC kristal en 10 gram 2MMC poeder, welke bestelling werd bevestigd. In de bevestiging staat dat de bestelling wordt verstuurd naar [straat] te [plaats] . Dit betreft het woonadres van verdachte.\n\nUit het onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt ook dat hij op 16 augustus 2024 een gesprek voert, waarin verdachte de berichten stuurt ‘Je mag me hard neuken’ en ‘Intro chems’.En op 25 augustus 2024 wisselt verdachte berichten uit met iemand anders, waarin verdachte vraagt wat de ander gaat doen met zijn vriend die zo weer langskomt, waarop de ander antwoordt ‘tv kijken en seks’ en stuurt ‘lekker tongen, hem klaarpijpen, en hem neuken tot ik in zn kont klaar kom’ en verdachte even later stuurt ‘Intro chems’.\n\nDaarnaast blijkt uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte dat hij op 31 augustus 2024 van 14:23 uur tot 16:01 uur een gesprek voert met een gebruiker met de naam ‘ [naam 2] ’ via de [applicatie] .\n\nIn dat gesprek worden de volgende berichten verstuurd:\n\n- Verdachte: Wat bedoel je met pedo mom\n\n- [naam 2] : Pedo mom. Moeder die haar kindjes aanbiedt en zelf ook meedoet\n\n- Verdachte: Ervaring mee\n\n- [naam 2] : Ik niet, jij?\n\n- Verdachte: Ik wel\n\n(…)\n\n- [naam 2] : Hoe oud was of waren de kindjes. Girls?\n\n- Verdachte: 9\n\n(…)\n\n-Verdachte: Wat zijn jou kicks\n\n(...)\n\n- [naam 2] : Jonge kale kutjes nemen. Samen met moeder.\n\n- [naam 2] : M’n zaad er in en over spuiten\n\n- [naam 2] : Hond mee laten likken\n\n- Verdachte: Nice\n\n(...)\n\n- Verdachte: ik heb vaak rape gedaan\n\n- [naam 2] : ook met kleintjes?\n\n- Verdachte: Ja.\n\nDiezelfde dag heeft verdachte vanaf 16:00 uur tot en met 16:34 uur een gesprek gevoerd met gebruiker ‘6\u002F15mmmm’ waarin onder meer de volgende berichten zijn verstuurd:\n\n- Verdachte: Hoe jong geil jij\n\n- [gebruiker] : 7\u002F14 jij\n\n- Verdachte: Ik ook\n\n(...)\n\n- Verdachte: ik heb een zoon van 13\n\n(…)\n\n- Verdachte: ik gebruik mijn zoon vaak\n\n(...)\n\n- Verdachte: Wel eens iemand gehad die tegen stribelde\n\n- [gebruiker] : nee jij wel\n\n- Verdachte: Zeker\n\n- Verdachte: Mijn zoon vaak\n\n(…)\n\n- Verdachte: Wat is het geilate (het hof begrijpt ‘geilste’) wat je hebt gedaan\n\n- [gebruiker] : toch wel een jongen van 9 rimmen likken pijpen en laten pijpen\n\n- Verdachte: Nice\n\n- [gebruiker] : en jij\n\n- Verdachte: Rape\n\n- [gebruiker] : al heel lang geleden paar jaar wil graag weer is een jochie hard aanpakken\n\n- Verdachte: Samen doen\n\n- [gebruiker] : JA MAN GRAAG WELKE LEEFTIJD\n\n- Verdachte: Mijn zoon en zijn vriendje\n\n- Verdachte: Intro chems\n\n- [gebruiker] : je zoon kan jniet wandt ik wil echt hard dan\n\n- Verdachte: Waarom mijn zoon niet\n\n- [gebruiker] : omdat ik dan heel hard wil no limids is zielig\n\n- Verdachte: Mag van mij\n\n- Verdachte: hoe hard\n\n- [gebruiker] : all the way\n\n- Verdachte: Mag ook met mijn zoon\n\n(…)\n\n- Verdachte: Intro Chems\n\n- [gebruiker] : nee nooidt gedaan\n\n- Verdachte: Ik geef ze wel eens wat.\n\nIn de telefoon zitten ook berichten die verdachte op 31 augustus 2024 vanaf 16:15 uur met [echtgenoot verdachte] (het hof begrijpt: de echtgenoot van verdachte)wisselde. Verdachte bericht [echtgenoot verdachte] dat zijn tweede wedstrijd later zou beginnen, namelijk om 16:45 uur en dat hij om half zeven klaar zou zijn.Op de zitting van het hof heeft verdachte, daarnaar gevraagd, verklaard dat het fout van hem was om tegen zijn partner te zeggen dat de tweede wedstrijd die hij moest fluiten later zou beginnen, maar dat hij geen idee heeft waarom hij daar over gelogen heeft.\n\nDaarnaast is gebleken dat verdachte op 31 augustus 2024 tussen 6:46:58 uur en 17:45:06 uur twaalf keer naar een sekslijn belt met het nummer [nummer] . Om 17:29:27 uur belt verdachte ook met de sekslijn, terwijl hij op dat moment dus aan de moeder van [slachtoffer] vraagt of zij komt spelen.\n\nOp de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon is nader onderzoek verricht op 2 september 2024. Er zijn 20 video’s aangetroffen die volgens de criteria zijn aangemerkt als kinderpornografisch.Deze video’s stonden op een voor hem toegankelijke locatie op zijn telefoon met de data 11 augustus 2024, 16 augustus 2024, 17 augustus 2024, 24 augustus 2024 en 25 augustus 2024.\n\nTijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verdachte, nadat hem is voorgehouden dat er kinderporno op zijn telefoon is aangetroffen, verklaard dat de kinderporno hem toe is gestuurd.En ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte dat verklaard.\n\nVan de 20 video’s die door de politie zijn aangemerkt als kinderpornografisch is aangegeven welke strafbare elementen en seksuele gedragingen zichtbaar zijn op de aangetroffen video’s.\n\nDe afbeeldingen 01 en 02 in de toonmap betreffen penetratie (ongeveer 65%)\n\n van het lichaam van een minderjarige:\n\no oraal met de penis;\n\no vaginaal met de penis;\n\no anaal met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\n door een minderjarige:\n\no oraal met de penis;\n\no anaal met de penis.\n\nDe afbeeldingen 03 en 04 in de toonmap betreffen ontuchtige handelingen (ongeveer 10%)\n\n betasten\u002Faanraken van een minderjarige:\n\no geslachtsdelen met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\no billen met de vinger\u002Fhand;\n\n betasten\u002Faanraken door een minderjarige:\n\no geslachtsdelen met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\n • • door een minderjarige zichzelf betasten\u002Faanraken:\n\no geslachtsdelen met de vinger\u002Fhand;\n\no billen met de vinger\u002Fhand.\n\nDe afbeeldingen 05 en 07 in de toonmap betreffen poseren door een minderjarige of minderjarige in een pose, met nadruk op geslachtsdelen\u002Fborsten en billen door:\n\ngeheel naakt;\n\ncamerastandpunt;\n\nonnatuurlijke houding.\n\nAfbeelding 06 in de toonmap betreft overige seksuele gedragingen (ongeveer 25 %)\n\nmasturbatie (dicht) bij het lichaam\u002Fgezicht van een minderjarige;\n\nspuiten van\u002Fzichtbaar maken van sperma op lichaam minderjarige;\n\nhouden van de penis dichtbij het lichaam van een minderjarige.\n\nOp de afbeeldingen zijn voornamelijk jongens te zien en een klein deel betreft meisjes of baby’s en peuters tot 2 jaar.\n\nTot slot is er gekeken naar het gebruik van de fotocamera van de telefoon van verdachte en eventuele foto’s die zijn geregistreerd op 31 augustus 2024.Daaruit blijkt dat er tussen 18:03:13 uur en 18:03:34 uur foto’s zijn geregistreerd en op deze foto’s zijn ontblote billen te zien. Uit aanvullend onderzoek naar het materiaal op de telefoon van verdachte is gebleken dat er op 31 augustus 2024 zeven foto’s zijn gemaakt en dat hier een selfie van verdachte tussen zit. De andere zes foto’s (waarvan 4 thumbnails) betroffen foto’s van dezelfde billen en deze foto’s zijn gemaakt op 31 augustus 2024 om 18:03 uur.Uit het onderzoek van [verbalisant 4] blijkt ook dat de gebruiker van de telefoon die onder verdachte in beslag genomen is, op 31 augustus 2024 om 18:02:59 uur de applicatie ‘ [applicatie] ’ heeft geopend waarmee het mogelijk is om foto’s te maken.\n\nConclusies uit het voorgaande\n\nHet toedienen\u002Fin laten nemen van 2MMC (feit 2)\n\nHet hof leidt uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden af dat [slachtoffer] op 31 augustus 2024 in de caravan van verdachte is geweest en dat ze daar van hem iets heeft gekregen wat ze in haar mond heeft gestopt en heeft doorgeslikt.\n\n [slachtoffer] heeft kort nadat moeder haar heeft opgehaald bij de caravan van verdachte tegen haar gezegd dat ze van verdachte een klein wit snoepje had gekregen, dat heel vies smaakte. Ook in het ziekenhuis heeft [slachtoffer] het over ‘witte, vieze en zure snoepjes’ en in de voorbereiding op het studioverhoor over ‘een wit snoepje dat echt ‘bah’ wasen in het studioverhoor over ‘een heel klein wit rond snoepje’.Bovendien blijkt dat [slachtoffer] al snel na terugkomst van haar bezoek aan verdachte lichamelijke klachten krijgt die wijzen op de inname van drugs. Onderzoek door het NFI wijst uit dat bij [slachtoffer] een hoeveelheid 2MMC in haar lichaam is aangetroffen.\n\nVerdachte heeft weliswaar bevestigd dat hij [slachtoffer] in de caravan iets heeft gegeven wat ze op heeft gegeten, maar volgens verdachte betrof dat een geel bananenschuimpje en geen drugs.\n\nDat iemand anders dan verdachte verantwoordelijk is voor de inname van de 2MMC door [slachtoffer] , zoals de verdediging heeft gesteld, acht het hof echter niet aannemelijk. Verdachte is degene die over de bij [slachtoffer] aangetroffen drugs heeft beschikt, aangezien hij iets meer dan een week voor 31 augustus 2024 20 gram 2MMC heeft besteld. Ook is het verdachte die in het gesprek dat hij op 31 augustus 2024 met 6\u002F15mmmm heeft gevoerd de berichten ‘Intro Chems’ en ‘Ik geef ze wel eens wat’ heeft gestuurd. Daarnaast heeft [slachtoffer] het consequent over een klein wit snoepje, hetgeen niet overeenkomt met de verklaring van verdachte dat het om een geel schuimpje zou gaan. Bovendien blijkt uit een van de verhoren van verdachte dat op de plek waar de voorraad schuimpjes volgens verdachte zou liggen, te weten onder in de kast bij de keuken waar de radio bovenop staat, deze daar niet zijn aangetroffen.\n\nHet hof komt dan ook tot de conclusie dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] 2MMC heeft toegediend en\u002Fof in heeft laten nemen en dat [slachtoffer] door de inname hiervan pijn en letsel heeft opgelopen.\n\nMet de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden\n\nvastgesteld dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat verdachte van het feit 2 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt hierbij dat het weliswaar een feit van algemene bekendheid is dat drugs de gezondheid kunnen benadelen en zeker in het geval dat deze worden toegediend aan een driejarige, maar dat over wat de gevolgen kunnen zijn van 2MMC nog te weinig bekend is, zodat onvoldoende vaststaat dat de toediening van deze drugs een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.\n\nHet vervaardigen, verwerven en in bezit hebben van kinderporno (feit 3)\n\nNiet ter discussie staat dat verdachte de video’s die op zijn telefoon zijn aangetroffen en die zijn aangemerkt als kinderpornografisch in zijn bezit heeft gehad. Verdachte heeft wel ontkend dat hij deze bestanden geopend heeft en stelt dat ze enkel naar hem toe zijn gestuurd zonder dat hij er kennis van heeft genomen. Nu verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de kinderporno naar hem is toegestuurd, is het hof van oordeel dat verdachte wist om welke bestanden het ging en dat hij deze video’s heeft verworven en in bezit heeft gehad. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte hier een gewoonte van heeft gemaakt.\n\nEchter, anders dan de rechtbank, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal door foto’s te maken van de billen van [slachtoffer] op het moment dat zij bij hem in de caravan was.\n\nTijdens het onderzoek aan de telefoon van verdachte is immers ook gebleken dat er op de datum 31 augustus 2024 zeven foto’s zijn gemaakt.Het gaat daarbij om zes foto’s (waarvan vier thumbnails) van dezelfde billen en tussen deze foto’s zat een selfie van verdachte. De foto’s waren gemaakt op 31 augustus 2024 om 18:03 uur. Hoewel de verbalisant die de foto’s heeft beoordeeld niet kan zien of het gaat om de billen van een kind, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het om de billen van [slachtoffer] gaat. Zo past het moment waarop de foto’s zijn gemaakt in de tijdslijn van het moment dat [slachtoffer] in de caravan is geweest. Bovendien blijkt uit het feit dat tussen de foto’s van de blote billen een selfie van verdachte is aangetroffen dat het verdachte is geweest die op dat moment de camera heeft bediend en daarbij is er geen enkele aanwijzing dat er nog iemand anders in de caravan van verdachte op dat moment aanwezig was. Tot slot acht het hof van belang dat [slachtoffer] in het ziekenhuis heeft verklaard dat ze bij verdachte op het bed heeft gezeten in haar blootje.\n\nDe stelling van de verdediging dat het proces-verbaal waarin dat is opgenomen slechts een globaal en samengevat proces-verbaal betreft en de mogelijkheid bestaat dat cruciale context of nuance verloren is gegaan, volgt het hof niet. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal.\n\nDe poging tot verkrachting (feit 1)\n\nVoor een strafbare poging tot verkrachting is vereist dat de dader handelingen heeft verricht die kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam. Daarnaast moeten die handelingen niet zodanig zijn dat zij ook bedoeld hadden kunnen zijn om andere misdrijven, zoals een aanranding, te plegen.\n\nIn dat verband blijkt uit het dossier dat verdachte op 31 augustus 2024 vanaf de middag (14:23 uur) met seks bezig is geweest en bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij die dag geil was.Bovendien blijkt uit voornoemde feiten en omstandigheden dat verdachte zowel op 16 augustus 2024 als op 25 augustus 2024 berichten heeft verstuurd over ‘Intro chems’ en dat hij op de bewuste dag, 31 augustus 2024, enkele uren daarvoor ook nog berichten heeft verstuurd waarin verdachte het er over heeft dat hij ‘vaak rape heeft gedaan, ook met kleintjes’. Net als de rechtbank stelt het hof vast dat ‘intro chems’ verdovende middelen zijn zoals speed en 3MMC, die gebruikt kunnen worden tijdens de seks.\n\nIn het laatste gesprek van die dag dat tot 16:01 uur heeft geduurd, is het ook gegaan over ‘rape’, hetgeen verdachte oppert, en over ‘een jochie hard aanpakken’ en stelt verdachte weer ‘Intro chems’ voor, waaruit het hof afleidt dat verdachte het heeft over verkrachting van een jongere onder invloed van drugs. Ongeveer driekwartier later (16:46 uur) heeft verdachte voor de eerste keer die dag een sekslijn gebeld en in dezelfde minuut waarin verdachte ook weer met dezelfde sekslijn heeft gebeld (17:29 uur), heeft hij de moeder van [slachtoffer] het eerste berichtje gestuurd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje wil komen spelen.\n\nToen [slachtoffer] door moeder bij verdachte werd gebracht, heeft hij de deur van de caravan op slot gedaan. De stelling van de verdediging dat de enkele stelling van moeder daarvoor onvoldoende is, volgt het hof niet.\n\nMoeder heeft immers vanaf het eerste contact met de verbalisanten verklaard dat de deur op slot zat, hetgeen ze in de aangifte namens [slachtoffer] heeft herhaald. Daartegenover staan de wisselende verklaringen van verdachte op dit punt.\n\nZo heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat de deur helemaal niet op slot kon, terwijl hij op de zitting in eerste aanleg, op het voorhouden van de voorzitter dat verdachte verklaard heeft dat het chalet niet op slot kan, heeft geantwoord dat het chalet altijd open is, behalve als verdachte op het toilet zit of als hij weg is.Daaruit leidt het hof af dat de deur van de caravan kennelijk wel op slot kon en ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat de caravan wel op slot kon.\n\nDaarnaast heeft het hof, zoals hiervoor overwogen, vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] 2MMC heeft gegeven en heeft hij [slachtoffer] , die op dat moment met een ontbloot onderlichaam op bed zat in zijn slaapkamer, foto’s van haar blote billen gemaakt. Ook betrekt het hof daarbij dat [slachtoffer] na haar bezoek aan verdachte heeft aangegeven dat ze overal aan haar lichaam ‘auw’ heeft en daarbij ook wijst op haar geslachtsdeel en er mannelijk DNA is aangetroffen op haar voorhof.\n\nDaar komt nog bij dat het gedrag van verdachte (naar anderen toe) opvallend te noemen is als uit moet worden gegaan van de verklaring van verdachte dat hij enkel de intentie had om [slachtoffer] een leuke tijd te bezorgen door haar bij hem te laten spelen.\n\nDat begint ermee dat verdachte [slachtoffer] met een smoesje over het samen spelen met een nichtje naar zijn caravan heeft gelokt. Daarnaast heeft hij tegen zijn echtgenoot gelogen over de reden waarom hij die middag later thuis zou komen en heeft verdachte geprobeerd het moment dat moeder [slachtoffer] weer kwam ophalen met een minuut of twintig te rekken. Tot slot heeft verdachte moeder geblokkeerd op Facebook toen zij hem vragen ging stellen over het nichtje van verdachte dat helemaal niet bestaat.\n\nHet hof is van oordeel dat uit de gedragingen voorafgaand en het voornoemde handelen van verdachte een onmiskenbare seksuele intentie blijkt en dat die handelingen in samenhang met de uitlatingen over ‘rape’ van minderjarigen nadat hij hen ‘wel eens wat gaf’ naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] en niet op aanranding.\n\nDat voornemen heeft zich door een begin van uitvoering geopenbaard en stopte pas nadat de moeder van [slachtoffer] de deur van de caravan probeerde te openen.\n\nHet hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van poging tot verkrachting.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1. primair\n\nhij op of omstreeks31 augustus 2024 te [plaats] ,althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen doordwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fofaan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof[slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattendeeen hoeveelheid 2MMC,althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),in elk geval(een)voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen)heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk)(naakt) op het bed heeftlaten zittengezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zittenen\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiair hij op of omstreeks31 augustus 2024 te [plaats] ,althans in Nederland\n\nopzettelijk de gezondheid van een aan zijn zorg en\u002Fofwaakzaamheid toevertrouwd kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2021) heeft benadeeld en\u002Fof[slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer]een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattendeeen hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),in elk geval(een)voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen)toe te dienen en\u002Fof in te laten nemen;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 11 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans (elders) in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,een of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fofmet onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, waaronder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeftverspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fofvervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fofverworven en\u002Fofin bezit heeft gehaden\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaftte weten\n\n- afbeeldingen en\u002Fof\n\n- gegevensdragers bevattende afbeeldingen te weteneentelefoon (merk: Oppo) en\u002Fof\n\n- visuele weergave\u002Fgegevensdragerswaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand en\u002Fof een ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon (afbeelding(en) 01 en\u002Fof 02 van de toonmap)en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand wordt aangeraakt en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van een ander kind\u002Fpersoon met een penis en\u002Fof hand\u002Fvinger wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon en\u002Fof die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen met een vinger\u002Fhand aanraakt(afbeelding(en) 03 en\u002Fof 04 van de toonmap)en\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof in een omgeving en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding(en) 05 en\u002Fof 07 van de toonmap)en\u002Fof dat bij het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en\u002Fof bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden (afbeelding(en) 06 van de toonmap)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en terwijl het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\neen visuele weergave van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en de maatregel van tbs met dwangverpleging en de maatregel ex artikel 38z Sr als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte sinds 1 september 2024 in voorlopige hechtenis verblijft en zijn detentieperiode bijzonder zwaar is gelet op de verschillende ernstige medische klachten van verdachte. Ook heeft de raadsman gewezen op de omstandigheid dat de laatste veroordeling van verdachte voor een zedendelict uit 2014 dateert en op de rapporten die over verdachte zijn opgemaakt, waaruit het advies volgt om de feiten 1 en 2 verminderd aan verdachte toe te rekenen en aan hem tbs met voorwaarden op te leggen.\n\nHet verzoek is om een op te leggen gevangenisstraf zoveel mogelijk te beperken omdat de nadruk moet liggen op behandeling in plaats van vergelding en om een tbs met voorwaarden op te leggen, zoals de deskundigen passend en haalbaar achten. Verdachte wil overal aan mee werken en een eerder opgelegd toezicht heeft hij ook positief afgesloten.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Ten eerste heeft hij contact gelegd met de moeder van een driejarig meisje, [slachtoffer] , en gevraagd of [slachtoffer] met zijn nichtje wilde komen spelen, terwijl verdachte helemaal geen nichtjes heeft. Toen moeder aangaf dat ze het zou vragen, heeft verdachte even later nogmaals gevraagd of ze wilde komen. In de tussentijd en ook voor zijn eerste verzoek heeft verdachte meermalen met een sekslijn gebeld en daarvoor gesprekken gevoerd waarbij gesproken werd over ‘rape’ en ‘hard neuken’ van minderjarigen die onder invloed waren van drugs. Toen [slachtoffer] door moeder is gebracht, heeft verdachte de caravan op slot gedaan en heeft hij [slachtoffer] gedrogeerd door haar 2MMC, een designerdrug die verdachte iets meer dan een week ervoor had besteld en afgeleverd heeft gekregen, te geven.\n\nDat is des te kwalijker nu verdachte zelf ervaring had met het innemen van deze drugs en daar de gevolgen van kende.\n\nVerdachte is met [slachtoffer] naar de slaapkamer gegaan waar [slachtoffer] bed heeft gezeten. Verdachte heeft foto’s gemaakt van de blote billen van [slachtoffer] . Toen moeder er na ongeveer tien minuten een naar gevoel bij kreeg, heeft ze verdachte een bericht gestuurd dat ze [slachtoffer] zou komen halen en heeft verdachte nog geprobeerd om dat moment uit te stellen. Toen moeder [slachtoffer] had opgehaald, zag ze vrij snel dat het niet goed ging met haar. Vervolgens is de driejarige [slachtoffer] met spoed opgenomen in het ziekenhuis. [slachtoffer] had pijn, had bloed in haar mond omdat ze haar mond en tong kapot had gebeten en ze moest meermalen overgeven. Uit alles volgt dat het de intentie van verdachte was om [slachtoffer] te verkrachten en enkel en alleen omdat moeder het toch niet vertrouwde en zij [slachtoffer] snel weer heeft opgehaald, is het bij een poging tot verkrachting gebleven.\n\nDaarnaast heeft verdachte zich met het drogeren van [slachtoffer] schuldig gemaakt aan mishandeling door haar een schadelijke stof toe te dienen terwijl zij op dat moment aan zijn zorg was toevertrouwd door moeder.\n\nHet op slinkse wijze bespelen van de moeder van een meisje van drie jaar door haar te vragen of ze met zijn nichtje wilde komen spelen, zodat verdachte de tijd en gelegenheid had om via haar aan zijn gerief te komen, is zeer kwalijk.\n\nDoor zo te handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en grof misbruik gemaakt van het feit dat zij drie jaar – en daarmee extra kwetsbaar – was.\n\nVerdachte heeft met het plegen van deze strafbare feiten ook veel leed toegebracht. Niet alleen heeft [slachtoffer] de lichamelijke gevolgen van de haar toegediende drugs moeten ervaren, maar heeft ook haar moeder angst en paniek ervaren en het zichzelf kwalijk genomen dat zij [slachtoffer] naar verdachte toe heeft gebracht.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort delicten vaak langdurig te lijden hebben door trauma’s en de daardoor veroorzaakte emotionele schade. Uit de slachtofferverklaring van moeder blijkt dat zij het zichzelf nog steeds kwalijk neemt dat zij verdachte heeft vertrouwd, dat ze het beeld van [slachtoffer] die vecht tegen de drugs die verdachte haar gegeven heeft niet kwijtraakt en dat ze nog zoveel vragen heeft die niet door verdachte beantwoord worden.\n\nDit gedrag rekent het hof verdachte zwaar aan. Daar komt bij dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. Zo zijn zijn verklaringen wisselend en geeft hij zowel bij de rechtbank als het gerechtshof nauwelijks antwoord op inhoudelijke vragen omdat hij het niet meer zou weten.\n\nTot slot zijn bij verdachte op zijn telefoon twintig video’s met kinderporno aangetroffen en de foto’s van de billen van [slachtoffer] . In de video’s zijn vergaande seksuele handelingen te zien van soms zeer jonge kinderen en zelfs baby’s, die seksuele handelingen moeten verrichten en dulden. Het gaat hier om kinderpornografisch materiaal van de ergste categorie. Net als de rechtbank houdt het hof verdachte medeverantwoordelijk voor het genoemde seksuele misbruik van kinderen, omdat hij door het verwerven, het bezit en het vervaardigen heeft bijgedragen aan het in stand houden van de vraag hiernaar. Dit is bijzonder ernstig.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die hier het slachtoffer van zijn, psychologische schade oplopen die zij jaren later en soms zelfs hun hele leven nog met zich meedragen en dat beelden op internet niet zomaar verdwijnen, zodat het misbruik in feite onbeperkt doorgaat. Verdachte heeft zijn eigen seksueel genot boven het welzijn gesteld van de kinderen die op de aangetroffen materialen zijn weergegeven.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte zowel in 2005 als 2014 is veroordeeld voor zedendelicten met een minderjarige. Dat weegt het hof in het nadeel van verdachte mee.\n\nDaarnaast heeft het hof ten behoeve van de beantwoording van de vraag of de oplegging van een maatregel in deze zaak geïndiceerd is, gekeken naar de verschillende rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.\n\nNet als de rechtbank leidt het hof uit het rapport van 4 april 2025 dat is opgesteld door [naam 3] , psychiater\u002Fpsychoanalyticus, het volgende af.\n\nBij verdachte is sprake van een parafiele stoornis, zwakbegaafdheid en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is sprake van onvoldoende sturingsvermogen bij verdachte, met name wanneer hij onder druk komt te staan door life events zoals het overlijden van een familielid. Verdachte ontkent de feiten maar heeft tijdens het psychiatrisch onderzoek aangegeven dat hij verdrietig was vanwege het overlijden van zijn zus, toen is gaan chatten om zijn verdriet een plek te geven, hij ‘iets stouts’ met het meisje van plan was, maar uit zichzelf zou zijn gestopt.\n\nNet als de rechtbank heeft het hof bij de bespreking van het bewijs geconcludeerd dat dit laatste niet het geval is, omdat verdachte voortijdig door de moeder van het meisje werd gestoord.\n\nDe klinische inschatting van het recidiverisico komt uit op matig tot hoog. Zonder behandeling blijven de risicofactoren onveranderd. Een behandeling en begeleiding zijn\n\nnoodzakelijk om de kans op herhaling te verlagen.\n\nVerdachte is in 2005 en in 2014 ook veroordeeld voor zedendelicten met kinderen. Na de\n\nveroordeling in 2014 heeft hij een behandeling voor zedendelinquenten ondergaan. De\n\npsychiater adviseert om de feiten ten aanzien van [slachtoffer] verminderd toe te rekenen en het\n\nbezit van de kinderporno volledig aan verdachte toe te rekenen.\n\nOok het hof neemt deze conclusie ten aanzien van de toerekenbaarheid over en stelt vast dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.\n\nUit het psychologisch onderzoek van GZ-psycholoog [naam 4] van 5 maart 2025 blijkt dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en dat een parafiele stoornis niet met zekerheid gesteld noch uitgesloten kan worden. Nu verdachte een volledig ontkennende houding heeft, onthoudt de onderzoeker zich van advies over de mate van toerekenen.\n\nVolgens de psycholoog is het recidiverisico bovengemiddeld. Bovendien blijkt dat als de ten laste gelegde feiten bewezen worden er sprake is van een beperkt effect van de eerdere zedenbehandeling.\n\nTot slot heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies van 26 augustus 2025 van Reclassering Nederland. Daarin staat vermeld dat betrokkene tweemaal eerder werd veroordeeld (2005 en 2014) vanwege een zedendelict en dat bij beide veroordelingen de slachtoffers minderjarige jongens waren. Betrokkene stond eenmaal eerder onder toezicht van de reclassering en doorliep in het kader van een voorwaardelijke veroordeling een ambulante behandeling bij [instelling] . De verklaringen van betrokkene over hetgeen hem ten laste gelegd wordt en gebeurtenissen in de periode die daaraan vooraf zijn gegaan, wisselen en worden bij confrontatie met dossierinformatie bijgesteld, ontkend of ontweken. Betrokkene lijkt zijn verhaal, na confrontatie, telkens aan te passen hetgeen voor verwarring zorgt en niet overeenkomt met hetgeen op is genomen in de pro Justitia rapporten.\n\nDe reclassering geeft aan dat de maatregel van tbs met voorwaarden technisch uitvoerbaar is. Ze zijn echter terughoudend dit te adviseren. De reclassering noemt het advies voorzichtig positief. Zij zien risico’s in het feit dat bij een veroordeling de eerder doorlopen behandeling klaarblijkelijk niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Verdachte laat bij confrontatie met dossierinformatie ontkennend, ontwijkend en bagatelliserend gedrag zien. Zij vragen zich bovendien af of betrokkene daadwerkelijk de impact van een tbs maatregel met voorwaarden en dagbehandeling inziet.\n\nOp te leggen straf\n\nGelet op het voorgaande is enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend. Het hof heeft bij het vaststellen van de duur van de gevangenisstraf ten eerste rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, in het bijzonder dat het hier gaat om het drogeren van een driejarige met de intentie haar te verkrachten en het bezit van kinderpornografisch materiaal waarin hele jonge kinderen en baby’s te zien zijn.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de omstandigheid dat verdachte twee keer eerder voor zedendelicten is veroordeeld, de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend en de impact die de feiten op het slachtoffer hebben gehad. Ook heeft het hof acht geslagen op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nAlles overwegende is het hof van oordeel dat de duur van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf, die in hoger beroep ook weer is gevorderd, de ernst van de bewezen verklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking brengt. Het hof zal dan ook aan verdachte een langere gevangenisstraf opleggen dan de drie jaren die door de rechtbank zijn opgelegd.\n\nHet hof legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTbs met voorwaarden of tbs met dwangverpleging?\n\nVoorts is het hof van oordeel dat oplegging van de maatregel van tbs noodzakelijk is.\n\nHet hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte de maatregel van tbs kunnen worden opgelegd.\n\nIn de eerste plaats dient bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het betreffende feit dient in de tweede plaats een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1° Sr) vermeld. In de derde plaats dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Ten slotte kan een dergelijke maatregel enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.\n\nIn de onderhavige zaak is aan deze voorwaarden voldaan en er is geen discussie over dat verdachte behandeld dient te worden binnen een tbs-kader en dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van die maatregel eist.\n\nDe vraag die het hof dient te beantwoorden is welke vorm van tbs opgelegd dient te worden: tbs met verpleging van overheidswege, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, of tbs met voorwaarden, zoals de verdediging heeft gevraagd.\n\nDe deskundigen hebben in hun rapporten opgenomen dat volstaan kan worden met oplegging van tbs met voorwaarden. Het hof volgt echter de deskundigen niet in voornoemde adviezen en acht het evenals de rechtbank en de advocaat-generaal noodzakelijk dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nTer onderbouwing van deze beslissing stelt het hof voorop dat uit de rapportages van zowel de psycholoog als de psychiater volgt dat de nadruk moet liggen op een intensieve en langdurige zedenbehandeling. Daar komt bij dat verdachte de bewezenverklaarde feiten ontkent, hij twee keer eerder voor zedendelicten is veroordeeld en daarbij eenmaal eerder een zedenbehandeling bij [instelling] heeft gevolgd. Het hof stelt, gelet op de onderhavige zaak, vast dat deze behandeling onvoldoende effect heeft gehad. Ook stelt het hof met de rechtbank vast dat uit de rapportages evenals op de zitting is gebleken dat verdachte niet beschikt over ziektebesef en ook niet begrijpt waarom hij een behandeling nodig heeft.\n\nDaar komt nog bij dat de reclassering in het rapport aan heeft gegeven dat het advies van tbs met voorwaarden slechts voorzichtig positief is omdat de reclassering door de opstelling van verdachte het risico op onttrekken aan de voorwaarden niet in kan schatten.\n\nVolgens de reclassering is het gelet op de eerdere veroordelingen van verdachte, de doorlopen behandeling en de houding van verdachte de vraag of een tbs met voorwaarden haalbaar is.\n\nNet als de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte een intensieve, klinische en langdurige behandeling nodig heeft en dat een stevig behandelkader in een beveiligde omgeving noodzakelijk is om grip op verdachte te krijgen. De duur van de behandeling van een tbs met voorwaarden is daarvoor te kort en ook het hof betrekt hierbij het hoge risico op schijnaanpassing.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat het terugdringen van voornoemd recidiverisico en de noodzakelijke bescherming van de maatschappij, niet anders kan plaatsvinden dan door middel van het opleggen van tbs met dwangverpleging. Deze maatregel biedt in het onderhavige geval de meeste waarborgen voor een optimale risicoreductie. Anders dan de verdediging heeft bepleit, kan niet worden volstaan met een minder hoog niveau van bescherming.\n\nHet hof overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten de feiten 1 primair en 2 subsidiair. De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom, gelet op artikel 38e Sr, een periode van vier jaren te boven gaan.\n\nMaatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Sr\n\nDaarnaast is het hof van oordeel dat een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr noodzakelijk is. Naar het oordeel van het hof is de oplegging van de maatregel nodig in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. Verdachte zal ter beschikking worden gesteld en worden veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tot slot hebben zowel de deskundigen als de reclassering de oplegging van deze maatregel geadviseerd. Aan de formele vereisten is voldaan.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de problematiek van verdachte met zich brengt dat langdurig toezicht nodig is om recidive te voorkomen of in ieder geval zoveel mogelijk in te perken. Het hof zal daarom, gelet op het bovenstaande, tot de oplegging van de maatregel met langdurig toezicht overgaan.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 1.777,86, bestaande uit € 277,86 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade en heeft daarnaast een bedrag van € 570,24 aan proceskosten gevorderd. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 102,96 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.\n\nNamens de benadeelde partij heeft mr. Bouw op de zitting in hoger beroep aangegeven dat het hof het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde materiële schade kan volgen, te weten toewijzing van een bedrag van € 102,96. Daarnaast heeft mr. Bouw verzocht de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren nu deze schade onvoldoende is onderbouwd vanwege het ontbreken van een diagnose van geestelijk letsel.\n\nVoor wat betreft de gevorderde proceskosten heeft mr. Bouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, maar daarbij wel gewezen op de omstandigheid dat oma en stiefopa een groot deel van de tijd voor [slachtoffer] zorgen en een zeer betrokken rol hebben in de zorgtaken van haar. Oma heeft namens de moeder van [slachtoffer] de advocaat bezocht voor een bespreking van de zaak en de zittingen bij de rechtbank bijgewoond en zij heeft geen bijstand van een advocaat. Om die reden is het verzoek om de proceskosten die oma heeft gemaakt toe te wijzen.\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de materiële schade die gevraagd wordt toegewezen dient te worden zoals de rechtbank dat heeft gedaan en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.\n\nStandpunt verdediging\n\nGelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging de standpunten die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht gehandhaafd en is het verzoek aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.\n\nOordeel van het hof\n\nVoor wat betreft de gevorderde materiële schade stelt het hof voorop dat het hof duidelijk is gebleken dat de oma en stiefopa van [slachtoffer] net zo betrokken zijn bij het welzijn van [slachtoffer] als de moeder van [slachtoffer] , maar dat het hof gebonden is aan de wet voor wat betreft de mogelijkheden om de gevraagde schade van oma toe te kennen.\n\nHet hof is met de rechtbank van oordeel dat alleen de kosten die oma heeft gemaakt om [slachtoffer] naar het ziekenhuis te brengen voor vergoeding in aanmerking komen, te weten\n\n€ 69,30. Daarnaast wijst het hof toe de gevorderde kosten die moeder heeft gemaakt op 31 augustus 2024 en 1 september 2024 voor het brengen van [slachtoffer] naar het ziekenhuis, te weten € 33,66. De benadeelde partij heeft immers rechtstreeks schade geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.\n\nVoor wat betreft de overige gevorderde materiële schade kan de benadeelde partij niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.\n\nTen aanzien van de gevorderde immateriële schade zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren nu deze schadepost, zoals op de zitting door mr. Bouw zelf ook is aangevoerd, onvoldoende is onderbouwd. Ook dit deel van de vordering kan de benadeelde partij nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nVoor wat betreft de proceskosten sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. De noodzakelijke reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt komen op grond van de artikelen 238 en 239 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet in aanmerking voor vergoeding wanneer zij zich heeft laten bij staan door een gemachtigde\n\n(Hoge Raad, 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:334). Ook de reiskosten om de advocaat van de benadeelde te bezoeken om de zaak te bespreken komen om die reden niet voor\n\nvergoeding in aanmerking (Hoge Raad, 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414). Aangevoerd is dat de kosten van oma en stief-opa voor het bezoeken van de terechtzittingen wel voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen omdat zij geen bijstand van een gemachtigde hadden. Aangezien opa en stief-opa geen benadeelde partij zijn in deze zaak, komen deze kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nHet hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering van de proceskosten.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00 ingediend bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de onderbouwing van de vordering en de Rotterdamse schaal, zij zich kan voorstellen dat het hof de immaterieel toe te wijzen vordering enigszins matigt, maar niet in de mate zoals de rechtbank dat heeft gedaan. Volgens de advocaat-generaal zou een groter deel moeten worden toegewezen dan de rechtbank heeft gedaan.\n\nStandpunt verdediging\n\nGelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging de standpunten die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht gehandhaafd en is het verzoek aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.\n\nOordeel van het hof\n\nOp de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.\n\nDe bewezen verklaarde feiten betreffen een poging tot verkrachting en een mishandeling en vastgesteld kan worden dat als gevolg van het bewezenverklaarde handelen door verdachte bij de benadeelde partij naar objectieve maatstaven sprake is van lichamelijk letsel en van een aantasting in de persoon op andere wijze (geestelijk letsel). De aard en de ernst van deze feiten brengt mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat van een aantasting in de persoon kan worden gesproken. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist.\n\nVoor wat betreft de hoogte van de immateriële schade heeft het hof gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de onderbouwing van de vordering en aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal.\n\nIn deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(c) Herstelperiode van ongeveer twee maanden’ en oppervlakkig en beperkt letsel een bedrag tot € 1.100,00 genoemd.\n\nNu de benadeelde partij als driejarige door het toedienen van de drugs door verdachte haar mond kapot heeft gebeten, pijn heeft gehad in verschillende delen van haar lichaam, ziek is geweest en met de ambulance is afgevoerd, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van oppervlakkig en beperkt letsel, maar zodanig letsel dat reeds hierom de gevorderde schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld kan worden op het gevorderde bedrag van € 2.000,00. De vordering wordt daarom in het geheel toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 57, 240b, 250, 252, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van5 (vijf) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 102,96 (honderdtwee euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVerklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de proceskosten.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 102,96 (honderdtwee euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 augustus 2024.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 augustus 2024.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.H. Garos, mr. R.D.J. Visschers en mr. D. Stikkelbroeck,\n\nin aanwezigheid van de griffier mr. H.J. Rosmalen-Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 juli 2026.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 juli 2026.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. J. Steenbrink, voorzitter,\n\nmr. V.T.R.W. van Thiel , advocaat-generaal,\n\nmr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n De hierna onder de voetnoten 2 t\u002Fm 18, 20 t\u002Fm 22, 26, 28 t\u002Fm 31 en 36 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal 08RANGER, nummer 2024407947, in de wettelijke vorm opgemaakt op 4 april 2025 door [brigadier] , brigadier.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 25 t\u002Fm 28).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 251 t\u002Fm 252) en het WhatsApp-bericht als bijlage gevoegd (pagina 310).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 249 t\u002Fm 250).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 54 en 55).\n\n Patiëntendossier [ziekenhuis] inzake [slachtoffer] , p. 126.\n\n Het rapport van het NFI (pagina’s 175 t\u002Fm 181).\n\n Het rapport van het NFI (pagina’s 104 t\u002Fm 108).\n\n Het proces-verbaal van aangifte (pagina’s 39 t\u002Fm 44).\n\n Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor (pagina’s 60 t\u002Fm 61).\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte (pagina’s 595-597) en het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 598-600).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 509 t\u002Fm 510).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 351 t\u002Fm 352).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 441 t\u002Fm 447).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 488 t\u002Fm 502).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 470 t\u002Fm 487).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 344 t\u002Fm 351).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 515 t\u002Fm 517).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 339 t\u002Fm 340).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 341).\n\n Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Gelderland op 6 september 2024 (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent, met bijlage (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 518).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 519 t\u002Fm 521).\n\n Het proces-verbaal voorbereiding studioverhoor (pagina’s 58 en 59).\n\n Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor (pagina’s 60 en 61).\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte (pagina 650).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer 148, in de wettelijke vorm opgemaakt op 29 juli 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland van 3 oktober 2025.\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 637).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4368","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:30.894Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":35,"updatedAt":44},"1911","ECLI:NL:GHARL:2026:4193","ecli-nl-gharl-2026-4193","2026-06-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.365.414\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland 452145\n\nbeschikking van 25 juni 2026\n\nover de beëindiging van het gezag over [de minderjarige1]\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.E.M. Messink\n\nen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\nregio Gelderland, locatie Arnhem\n\nen\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)\n\ndie is gevestigd in Arnhem\n\nen\n\n [belanghebbende1](de pleegmoeder)\n\ndie woont in [woonplaats2] .\n\nHet hof merkt als informant aan:\n\n [informant1](de vader)\n\ndie woont in [woonplaats3] , gemeente [gemeentenaam] .\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe ouders hebben een kind: [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), die is geboren [in]\n\n 2019.\n\n2.2.. De moeder heeft het gezag over [de minderjarige1] .2.3.. \n [de minderjarige1] verblijft sinds [datum1] 2022 bij de pleegmoeder in een netwerkpleeggezin.\n\n2.4. \n [de minderjarige1] is op 13 januari 2023 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd tot 13 januari 2027.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.\n\n3.2.. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 19 november 2025. De beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing zijn blijven doorlopen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.\n\n4.2.. De raadwil dat de beslissing in stand blijft.\n\n4.3.. De GIwil dat de beslissing in stand blijft. Ook de pleegmoeder wil dat de beslissing in stand blijft.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.4.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 9 februari 2026\n\nde spreekaantekeningen van de raad\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad\n\neen vertegenwoordiger van de GI\n\nde dochter van de pleegmoeder, als informant\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.\n\nWat vinden partijen?\n\n5.3.. Volgens de moeder is de zogenoemde ‘aanvaardbare termijn’ nog niet verstreken. De moeder vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat zij een traject bij [naam1] is gestart om aan haar persoonlijke problematiek te werken. De moeder heeft goede hoop dat zij op enig moment weer zelf voor [de minderjarige1] kan zorgen. Voor de moeder werkt het niet om meerdere therapieën en trajecten tegelijk te volgen. Zij wil eerst focussen op haar therapie bij [naam1] , daarom heeft zij niet meegewerkt aan het NIKA-traject en de begeleide omgang. Inmiddels is er volgens de moeder wel een intakegesprek ingepland met een instantie die de omgang gaat begeleiden. Volgens de moeder ontvangt zij niet altijd alle informatie over [de minderjarige1] en verloopt de communicatie met de pleegmoeder niet goed. Hierdoor is het voor haar lastig om toestemming te geven voor gezagsbeslissingen. De moeder heeft geen toestemming gegeven voor speltherapie van [de minderjarige1] , omdat zij vindt dat de problemen van [de minderjarige1] voortkomen uit het feit dat [de minderjarige1] niet meer bij haar woont. Het uitbreiden van het contact is volgens de moeder de oplossing voor de problemen van [de minderjarige1] .\n\n5.4.. De raad vindt dat is voldaan aan de voorwaarden voor het beëindigen van het gezag. De raad benadrukt dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling veel hulpverlening is ingezet, gericht op de behandeling van de moeder, het versterken van de opvoedvaardigheden van de moeder en het onderzoeken van een terugplaatsing. Veel van de ingezette hulpverlening heeft de moeder vroegtijdig stopgezet. Volgens de raad ontwikkelt [de minderjarige1] zich goed in het gezin van de pleegmoeder en ligt zijn perspectief daar. Dat de moeder weigert toestemming te geven voor de speltherapie van [de minderjarige1] baart de raad zorgen. Volgens de raad laat de moeder hiermee zien dat zij geen inzicht heeft in wat [de minderjarige1] nodig heeft. De raad vindt het positief dat de moeder hulpverlening bij [naam1] is aangegaan, maar dit traject is niet meer van invloed op het perspectief van [de minderjarige1] . [de minderjarige1] heeft een instabiel verleden en er is sprake van hechtingsproblematiek. Hij heeft daardoor extra behoefte aan stabiliteit, structuur en duidelijkheid. Volgens de raad is het daarom ook in het belang van [de minderjarige1] dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en dat duidelijk is dat zijn perspectief binnen het pleeggezin ligt.\n\n5.5.. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] heel belangrijk is. Hier heeft de GI twee jaar lang op ingezet, maar dit komt nog niet goed van de grond. Volgens de GI is het een terugkerend patroon dat de moeder de hulpverlening en de omgang stopt op het moment dat het te dichtbij komt. Dit is volgens de GI heel moeilijk voor [de minderjarige1] . Volgens de GI is het belangrijk dat de moeder de hulpverlening afrondt.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.6.. De rechtbank heeft het gezag van de moeder op goede gronden beëindigd. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen). Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.\n\n5.7.. Het hof overweegt, zoals de rechtbank dat ook heeft gedaan, dat het voor [de minderjarige1] , voor de pleegmoeder, maar ook voor de moeder belangrijk is dat er duidelijkheid komt over het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] . Dit is vooral belangrijk, omdat bij de moeder de - heel begrijpelijke - wens blijft bestaan dat zij zelf voor [de minderjarige1] zal zorgen. Het hof vindt dat echter niet in het belang van [de minderjarige1] , omdat de aanvaardbare termijnruimschoots is verstreken. [de minderjarige1] woont immers al sinds hij drie maanden oud is (eerst in het kader van een vrijwillige plaatsing) bij de pleegmoeder en hij kan daar ook blijven wonen. De pleegmoeder biedt [de minderjarige1] een stabiele en veilige opvoedomgeving. Aan de zijde van de moeder is - ook nu nog - geen sprake van een stabiele leefsituatie. De moeder heeft het traject bij [naam1] nog niet volledig doorlopen, zij heeft geen ruimte om mee te werken aan het NIKA-traject en tot voor kort wilde de moeder niet deelnemen aan de begeleide omgang met [de minderjarige1] . Er is hierdoor al langere tijd geen contact meer tussen [de minderjarige1] en de moeder. Ook de belafspraken tussen [de minderjarige1] en de moeder verlopen nog niet goed. De moeder kan [de minderjarige1] iedere dinsdag bellen, maar het lukt de moeder niet om die afspraak iedere week na te komen.\n\n5.8.. Het hof vindt het een positieve ontwikkeling dat de moeder gestart is met haar behandeling bij [naam1] en dat zij inmiddels openstaat voor begeleide omgang. Het hof hoopt dat de moeder de opgaande lijn kan vasthouden zodat ook het NIKA-traject in de toekomst opgestart kan worden. De moeder speelt een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] . Zij blijft altijd zijn moeder. De raad en de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat zij het heel belangrijk vinden dat de moeder in het leven van [de minderjarige1] betrokken blijft. Het hof sluit zich daarbij aan. Het hof gunt het de moeder dat zij de opgaande lijn doorzet, zodat zij een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] kan (blijven) spelen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van\n\n19 november 2025.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW\n\n Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind\n\n De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4193","2026-07-13T00:29:45.056Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":35,"updatedAt":53},"1655","ECLI:NL:RBGEL:2026:4272","ecli-nl-rbgel-2026-4272","2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05.245487.25\n\nDatum uitspraak : 1 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geb. datum] 1979 in [geboorteplaats] (Polen),\n\nwonende aan de [adres] [woonplaats] .\n\nRaadsman: mr. B.G.M. Frencken, advocaat in 's-Hertogenbosch.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 7 september 2016 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, [slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), heeft mishandeld, door: meermalen, althans eenmaal, - die voornoemde [slachtoffer 1] te duwen en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 1] aan de haren te trekken en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 1] op\u002Ftegen het hoofd, het been en\u002Fof knie, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een kabel, stok en\u002Fof de platte hand en\u002Fof - (met) boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van die voornoemde [slachtoffer 1] te gooien en\u002Fof te duwen en\u002Fof - aan de kleren en\u002Fof het lichaam van die voornoemde [slachtoffer 1] te trekken en\u002Fof - (met kracht) die voornoemde [slachtoffer 1] bij de keel vast te pakken en\u002Fof te grijpen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 2zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 16 augustus 2020 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, [slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door: meermalen, althans eenmaal, - die voornoemde [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] aan de haren te trekken en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Ftegen de rug en\u002Fof been, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een stok en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Fin\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof de wang, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een platte hand, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 3zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 7 september 2014 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) haar kind(eren), te weten a) [slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), en\u002Fof b) [slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] , meermalen, althans eenmaal, - uit te schelden, te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken met ‘rotkind’, ‘kurva’, ‘japig’, ‘je doet niks goed’, ‘je gaat niks bereiken’ en\u002Fof ‘je krijgt later een slechte baan’, althans woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof - getuige te doen zijn van huiselijk geweld (gericht tegen zijn broer(tje) en\u002Fof zijn\u002Fhun vader) en\u002Fof - zorg te onthouden door het niet en\u002Fof onvoldoende aanbieden van voedsel en\u002Fof door het (in de winterperiode) zonder en\u002Fof onvoldoende warme kleding (verplicht als straf) buiten te laten verblijven en\u002Fof voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] (ondanks hun verzoek) niet de woning in te laten en\u002Fof - bloot te stellen aan verbaal agressief gedrag door tegen hem\u002Fhen te schreeuwen en\u002Fof - vrees en\u002Fof angst aan te jagen door een Bobo(k) masker op te zetten en\u002Fof te dreigen die voornoemde [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in een zak te steken\u002Fduwen en\u002Fof (een van) hen mee te nemen en\u002Fof - bloot te stellen aan (school)prestatiedruk door voornoemde [slachtoffer 1] dagelijks om 06:00 (zes) uur te wekken teneinde te leren, althans (school)prestatiedruk op voornoemde [slachtoffer 1] uit te oefenen, - een mes en\u002Fof tuinschaar in de handen te nemen en\u002Fof te dreigen de handen en\u002Fof tenen van voornoemde [slachtoffer 2] af te knippen en\u002Fof te dreigen de vingers van [slachtoffer 2] op het fornuis te leggen, althans woorden en\u002Fof gedragingen van gelijke dreigende aard, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] psychisch letsel heeft\u002Fhebben bekomen en\u002Fof een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en\u002Fof geestelijke gewaarwording bij hem\u002Fhen is veroorzaakt en\u002Fof waardoor opzettelijk de (geestelijke) gezondheid van voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] werd benadeeld.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 tot en met 3.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn. De raadsman heeft betoogd dat de wijze waarop de kinderen zijn verhoord, sturend en suggestief is geweest en dat niet is uit te sluiten dat de kinderen werden beïnvloed omdat zij werden verhoord door voor hen bekende hulpverleners van Veilig Thuis. De raadsman heeft daarnaast gesteld dat niet is uit te sluiten dat de kinderen in de tijd vanaf de melding bij de grootouders tot aan de verhoren zijn beïnvloed door derden. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn niet betrouwbaar en dienen te worden uitgesloten van het bewijs, hetgeen zou moeten leiden tot vrijspraak van feit 1 tot en met 3 aldus de raadsman.\n\nSubsidiair heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 erop gewezen dat verdachte ontkent dat er meer is gebeurd dan dat zij bij de politie en ter terechtzitting heeft erkend. Verdachte bestrijdt de verklaringen van haar kinderen die spreken over elke dag slaag en het meerdere keren slaan met stokken en kabels op de rug, benen of het hoofd. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman erop gewezen dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zijn broertje [slachtoffer 2] erg veel fantasie heeft. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat de dagvaarding met betrekking tot gedachtestreepje 6 partieel nietig dient te worden verklaard, nu onvoldoende duidelijk is wat verdachte wordt verweten. Ten aanzien van gedachtestreepje 1, 3, 5 en 6 van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat deze handelingen geen psychische mishandeling opleveren. Tot slot heeft de raadsman betoogd dat de ten laste gelegde handelingen onder feit 3 niet kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOverwegingen over de betrouwbaarheid van de verklaringen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]\n\nDe raadsman heeft gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) niet betrouwbaar zijn en niet als bewijsmiddelen kunnen worden gebruikt. De rechtbank deelt dit standpunt niet en zal dit eerst toelichten voordat zij overgaat tot de bespreking van de verwijten.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren, ten tijde van het afleggen van hun verklaringen, respectievelijk 13 en 10 jaar oud. De rechtbank stelt voorop dat verklaringen van kinderen in het algemeen met behoedzaamheid dienen te worden beoordeeld, gelet op hun leeftijd en de daarmee samenhangende beïnvloedbaarheid en wijze van herinneren en het verwoorden van herinneringen. Dat brengt echter niet zonder meer mee dat dergelijke verklaringen onbetrouwbaar zijn.\n\nDe rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitgebreid, consistent en gedetailleerd zijn. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de broers elkaar grotendeels ondersteunen en ook ondersteuning vinden in overige processtukken in het dossier. De verklaringen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in februari 2025 hebben afgelegd, komen bovendien op belangrijke punten overeen met de inhoud van de eerste melding bij Veilig Thuis.\n\nDe rechtbank ziet geen concrete aanwijzingen dat de verklaringen van de kinderen door sturing, suggestie of anderszins zijn beïnvloed. De rechtbank wijst erop dat de kinderen zijn verhoord door medewerkers van Veilig Thuis, die zijn opgeleid voor het voeren van dergelijke gesprekken met kinderen. De verhoren van de kinderen hebben plaatsgevonden volgens een wetenschappelijk erkende methode, de zogeheten NICHD-methode. De rechtbank is van oordeel dat de vraagstelling en de manier van doorvragen in de verhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voldoen aan de eisen die worden gesteld aan het verhoren van kinderen. Dat de kinderen niet zijn gewezen op hun verschoningsrecht, acht de rechtbank niet opvallend of onrechtmatig nu de medewerkers van Veilig Thuis geen opsporingsambtenaren zijn. De raadsman heeft in het pleidooi enkele vragen aangehaald die volgens hem niet voldoende open zijn gesteld en daarmee suggestief zijn. De rechtbank overweegt hierover dat de voorbeelden die de raadsman heeft aangehaald, niet in strijd zijn met de genoemde methode en steeds moeten worden gelezen in de context van de direct voorafgaande vragen en antwoorden eerder tijdens de verhoren.\n\nDe rechtbank overweegt dat enige beïnvloeding van de kinderen in de periode dat zij bij hun grootouders woonden door de grootouders, medewerkers van Veilig Thuis of derden, zoals door de raadsman is gesteld, niet concreet is geworden. Dat de kinderen (mogelijk) met anderen over de verwijten hebben gesproken, zou kunnen betekenen dat sprake is van enige mate van beïnvloeding. De rechtbank is van oordeel dat dit niet wil zeggen dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn. De rechtbank wijst erop dat er door Veilig Thuis voortvarend is gehandeld. Immers was er op 6 januari 2025 voor het eerst contact tussen de grootouders en Veilig Thuis naar aanleiding van de melding door de huisarts, en werden de kinderen reeds op 3 februari 2025 door de medewerkers gehoord. Hierdoor is het tijdsverloop tussen de eerste melding en het afleggen van de verklaringen door de kinderen minimaal en is de kans op beïnvloeding door derden zo beperkt als mogelijk gehouden.\n\nGelet op het bovenstaande acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar en zal zij deze voor het bewijs gebruiken. Wel zal de rechtbank bij de waardering van deze verklaringen de nodige behoedzaamheid betrachten vanwege de leeftijd van de kinderen.\n\nBewezenverklaring\n\nBewijsmiddelen\n\nOp 7 februari 2025 werd door Veilig Thuis een melding bij de politie gedaan van het vermoeden van kindermishandeling van [slachtoffer 1] (geb. [geb. datum] 2011) en [slachtoffer 2] (geb. [geb. datum] 2014), kinderen van [verdachte] (hierna: verdachte), wonende te [woonplaats] .\n\nOp 2 januari 2025 zijn de grootvader en de oom van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar de huisarts geweest om zorgen te melden. Op 22 december 2024 waren de kinderen naar opa en oma gekomen. De dag ervoor wilde verdachte een filmpje sturen naar haar familie in Polen en vroeg zij aan de kinderen of zij wilden vertellen hoe fijn hun jaar was geweest. De oudste zoon (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) zei toen dat het helemaal geen fijn jaar was.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben op 22 december 2024 afzonderlijk van elkaar bij opa en oma verteld dat zij werden mishandeld door hun moeder. De kinderen vertelden dat zij werden geslagen door hun moeder met een kabel en een stok en dat zij aan de haren werden getrokken. Opa en oma hebben vage blauwe striemen gezien op het been van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] gaf aan dat hij tussen het fysieke geweld tussen zijn moeder en broertje is gesprongen en de klappen heeft opgevangen. [slachtoffer 1] is twee keer met bloed in zijn nek naar school gekomen. Af en toe kreeg hij kaartjes mee naar huis van school als hij niet goed naar de juf had geluisterd. Moeder werd dan erg boos op hem en sloeg hem. Moeder zou een keer naar de buren zijn gelopen om aan te geven dat zij [slachtoffer 2] horen schreeuwen, maar dat er niets aan de hand was. [slachtoffer 1] vertelde dat [slachtoffer 2] toen met een stok is geslagen. Vader, moeder, opa, oma en de kinderen hebben een gezamenlijk gesprek gevoerd. [slachtoffer 1] zei toen tegen zijn moeder dat hij de laatste week al vier keer is geslagen door haar.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting onder andere verklaard dat zij tikjes heeft gegeven op de schouders en oren van haar kinderen.\n\nfeit 1\n\nOp 3 februari 2025 is [slachtoffer 1] (hieronder weergegeven als [slachtoffer 1] ) gehoord door twee medewerkers van Veilig Thuis, [medewerker 1] (hieronder weergegeven als [medewerker 1] ) en [medewerker 2] (hieronder weergegeven als [medewerker 2] ). [slachtoffer 1] verklaarde, onder meer, het volgende:\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Ja. En dat slaan met de kabels. Vertel daar eens wat over.[slachtoffer 1] : Ja, ze had de kabel uit de tv gehaald. En dan sloeg ze ons zo hard. Dat is een rubberen kabel. (…)[medewerker 1] : Waar slaat ze dan met de kabels?[slachtoffer 1] : Op mijn been. Ze heeft bijna mijn gezicht geraakt en ze heeft mij in hoekjes geduwd en ze heeft mij geslagen. (…)[medewerker 1] : Nee. Je vertelde over dat bloed in je nek. Vertel eens over die gebeurtenis. Wat er gebeurd is.[slachtoffer 1] : (...) Toen (…) wou ze mijn kleren uittrekken. Want ik deed het weer verkeerd natuurlijk want ik wilde mijn telefoon niet afgeven dus ze wou mijn kleren eraf trekken. En ze heeft mij in een hoekje geduwd en ze heeft mij, ze pakte me bij mijn keel en ze heeft mij zo gepakt waardoor ik hier bloedde. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 1] wijst met zijn rechterhand op de rechterkant van zijn hoofd.) (…)\n\n [medewerker 1] : En welke kleren trok ze uit? Wat deed ze toen?[slachtoffer 1] : Ze trok mij gewoon aan mijn kleren. Want ik had een pak gekregen van mijn opa en oma en die heeft ze ook helemaal kapot gescheurd omdat ze zo boos op mij was. Ze trok het zo kapot en zulke dingen heeft ze wel eens bij mij gedaan. (…)[medewerker 1] : Ja. Waar deed het het meeste pijn als je werd geslagen?[slachtoffer 1] : (…) Vooral bij mijn hoofd. En dan bij mijn wangen. Want ik krijg altijd de platte hand van mijn moeder. Vroeger was dat met de platte hand, maar het is alleen maar erger geworden. (...)[medewerker 1] : Ja. En hoe vaak gebeurde het de laatste tijd dat je geslagen werd?[slachtoffer 1] : Elke dag. (...)[medewerker 1] : En wat was dan de aanleiding bijvoorbeeld?[slachtoffer 1] : Leren. Mama vond dat ik het niet goed deed met leren. En toen werd ze boos op me. (…)\n\n [medewerker 1] : En vertel eens over de laatste keer specifiek wat er toen gebeurde.[slachtoffer 1] : (…) Ja, dat weet ik nog wel, dat was ook die zaterdag. Want toen wilde mijn moeder mijn broertje ook slaan maar toen ging ik voor hem staan. Dan heb ik liever dat ze mij slaat dan dat ze hem slaat. Dan ging ik voor hem staan en dan sloeg ze mij maar. Maar toen heeft ze mij geslagen. Ja, prima.[medewerker 1] : Hoe sloeg ze jou?[slachtoffer 1] : Met de platte hand. En ook met de kabel. Maar met de kabel heeft ze de laatste tijd veel vaker gedaan. Want er heeft ook een paar weken een kabel op tafel gelegen waarmee ze mij een paar keer mee heeft geslagen. En dat heeft mij ook veel pijn gedaan. Er hebben ook strepen op mijn benen gezeten. (…)\n\n [slachtoffer 1] : (…) Ze heeft me met de platte hand geslagen. Ze heeft me bij mijn kleren getrokken. Aan mijn haren. Ze heeft me haren van mijn kop af getrokken. En ja zulke dingen. Er vielen ook allemaal haren uit. En dat deed behoorlijk veel pijn.\n\n(…)\n\n [medewerker 2] : Nou, ik ben nog wel benieuwd. Je vertelde dat jouw mama jou bij de keel had gegrepen. Wat gebeurde er precies?[slachtoffer 1] : Ja, dan duwt ze mij in een hoekje wat ik net vertelde en dan pakt ze je zo vast zeg maar en dan laat ze je gewoon niet los. En dan, ze stopt alleen als ik bijna stik. Want dan stopt ze pas, want ze blijft door gaan. Want mijn moeder weet niet waar haar grens zit zeg maar.(…)\n\n [medewerker 2] : Je zei: Dan pakt ze mij bij mijn keel totdat ik bijna stik. Waar sta jij dan?[slachtoffer 1] : Ja dan sta ik. Mama heeft ook meerdere keren achter mij aangelopen en dan pakt ze mij zo vast en dan wordt ze zo boos op me en dan gaat ze helemaal tekeer en dan scheld ze je uit en dan wil ze je niet meer los laten. Dan gaat ze door tot ze niet meer kan. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 1] legt zijn hand rond zijn keel.)[medewerker 2] : Hoe merk je dan dat je bijna stikt?[slachtoffer 1] : Ja, ik kan dan gewoon niet meer ademen. Want mama pakt mij dan zo hard. Mama heeft mij echt harde klappen gegeven. (…)\n\n [slachtoffer 2] is ook door de twee medewerkers van Veilig Thuis gehoord.[slachtoffer 2] verklaarde onder andere het volgende:\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Okay. En je begon met; thuis werd er geslagen.(...) [slachtoffer 2] : Bijvoorbeeld als [slachtoffer 1] , [slachtoffer 1] is niet zo goed in leren en als [slachtoffer 1] een paar dingen fout deed dan werd soms heel vaak heel hard geslagen. (…)\n\n [medewerker 1] : Waar was jij toen [slachtoffer 1] geslagen werd?[slachtoffer 2] : Daar was ik bij.[medewerker 1] : Wat zag je?[slachtoffer 2] : Dat [slachtoffer 1] heel veel pijn had.[medewerker 1] : En hoe sloeg jouw moeder [slachtoffer 1] ?[slachtoffer 2] : Ook met de platte hand.[medewerker 1] : Waar sloeg ze [slachtoffer 1] ?[slachtoffer 2] : Op zijn gezicht. (...)[medewerker 1] : Vertel er eens over wat jij gezien hebt. [slachtoffer 2] : Hij werd heel hard aan zijn haren getrokken. Ik zag een keer dat mama zo boos was geworden. Mama duwde [slachtoffer 1] op de bank en ze pakte [slachtoffer 1] bij de keel. En toen had ze een wondje op haar duim en toen werd ze helemaal boos op [slachtoffer 1] dat het allemaal door [slachtoffer 1] komt.[medewerker 1] : Hoe ging dat dan? Bij de keel pakken?[slachtoffer 2] : Zo of zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] legt zijn linkerhand rond de keel.)[medewerker 1] : Hoe lang duurde dat?[slachtoffer 2] : Een paar seconden.[medewerker 1] : Waar was jij toen?[slachtoffer 2] : Ik stond in de hal.[medewerker 1] : En jij kon het zien?[slachtoffer 2] : Ja.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij [slachtoffer 1] met een kabel had gepatst. Ze heeft [slachtoffer 1] een paar tikjes gegeven, met de platte hand op zijn oor en op zijn schouder. Op 21 december 2025 wilde verdachte samen met de kinderen de kerstboom opzetten. Toen de jongens door bleven gaan met een telefoon en de Playstation, heeft verdachte de kabel van de Playstation gepakt. [slachtoffer 1] wilde de telefoon niet afgeven. Verdachte verklaarde dat de emotie hoog bij haar opliep en dat zij [slachtoffer 1] met de kabel van de Playstation op zijn been patste. Vóór de kerst had verdachte de telefoon van [slachtoffer 1] proberen af te pakken. Toen [slachtoffer 1] weigerde, pakte verdachte hem bij zijn pak en trok. [slachtoffer 1] had hierdoor bloed.\n\nDe rechtbank concludeert dat uit de voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, blijkt dat verdachte haar kind [slachtoffer 1] heeft mishandeld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\n [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte hem met de platte hand in zijn gezicht en op zijn wangen heeft geslagen. Ook verklaarde hij dat zijn moeder hem een keer met een kabel op zijn benen sloeg. Hierdoor hadden er strepen op zijn benen gezeten. Blijkens de melding van Veilig Thuis zijn deze strepen ook waargenomen door de opa en oma van [slachtoffer 1] . De verklaring van [slachtoffer 1] vindt op de voorgaande punten steun in de verklaring van verdachte en door de verklaring van zijn broertje [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hard werd geslagen als hij een paar dingen fout deed. Dit was dan ook met de platte hand in het gezicht. [slachtoffer 1] heeft daarnaast verklaard dat zijn moeder hem aan zijn kleding heeft getrokken. Hierdoor is een pak dat hij van zijn opa en oma had gekregen, gescheurd. Dit wordt ondersteund door de verklaring van verdachte, namelijk dat zij [slachtoffer 1] aan zijn pak heeft getrokken. De verklaring van [slachtoffer 1] , dat hij aan zijn haren werd getrokken en bij zijn keel werd gepakt, wordt ten slotte ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] . De rechtbank merkt daarbij op dat beide jongens tijdens hun verklaring over het bij de keel pakken van [slachtoffer 1] een gebaar maakten waarbij zij een hand om hun keel legden.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar kind [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem te slaan met een kabel en de platte hand, hem aan zijn haren te trekken, hem aan zijn kleren te trekken en hem bij de keel vast te pakken. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het duwen van [slachtoffer 1] , nu uit het dossier niet is gebleken dat dit pijn of letsel heeft opgeleverd. De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het gooien met boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van [slachtoffer 1] , nu niet is gebleken dat [slachtoffer 1] hierdoor werd geraakt en hij pijn of letsel heeft gehad. Tot slot zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van het slaan van [slachtoffer 1] met een stok. Hoewel [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en verdachte verklaren over het slaan van [slachtoffer 1] met een stok, gebeurde dit verklaren vaak in de context dat ‘we’ of ‘ze’ met stokken werden geslagen, om vervolgens meer gedetailleerd te verklaren over de keren dat [slachtoffer 2] met een stok werd geslagen. Over het slaan van [slachtoffer 1] met een stok wordt niets concreets verklaard, ook niet door [slachtoffer 1] zelf.\n\nfeit 2\n\n [slachtoffer 2] heeft op 3 februari 2025 het volgende verklaard aan de medewerkers van Veilig Thuis.\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Vertel daar eens over wat je zelf gevoeld hebt.[slachtoffer 2] : Ja ik vroeg: mama mag ik je telefoon lenen. Toen zei ze: Ja. En toen had ik hem gepakt en toen ging ik hem gebruiken en toen sloeg ze mij in ene keer en toen zei ze; Hoezo gebruik je mijn telefoon? Dus dat vond ik wel heel raar. En toen die dag had mama ze ook uit huis gegooid.[medewerker 1] : Hoe ging dat slaan? Waarmee of hoe slaat mama dan? Of hoe slaat ze jou?[slachtoffer 2] : Hard met de platte hand.[medewerker 1] : Waar komt die hand dan?[slachtoffer 2] : Hier (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] legt zijn opengevouwen hand op zijn linkerwang.) Of gewoon op mijn gezicht.[medewerker 1] : En deed dat pijn?[slachtoffer 2] : Ja. (…)\n\n [medewerker 1] : Vertel eens meer als mama jou sloeg. Was dat altijd met de platte hand of ook wel eens anders.[slachtoffer 2] : Soms aan de haren trekken.[medewerker 1] : Hoe deed ze dat dan?[slachtoffer 2] : Echt zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] pakt met zijn rechterhand een pluk haar op zijn hoofd vast).[medewerker 1] : Hoe deed ze dat precies?[slachtoffer 2] : Wegtrekken en duwen.[medewerker 1] : Terwijl ze jouw haren vast had?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Dus dan gaat jouw hoofd heen en weer.[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : En hoe voelde dat?[slachtoffer 2] : Heel veel pijn. (…)\n\n [slachtoffer 2] : Mmm. Mama had mij een keer met een stok geslagen. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] houdt met beide handen zijn hoofd vast.) [medewerker 1] : Kan je aangeven wat voor een stok dat was of hoe dik die was.[slachtoffer 2] : (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] geeft met duim en wijsvinger ongeveer 7 centimeter aan en een lengte van 60 centimeter). En dan heel hard.[medewerker 1] : Waar was jij toen?[slachtoffer 2] : Op mijn kamer. En toen sloeg ze mij in ene keer met de stok.[medewerker 1] : En deed ze dat met een hand of met twee handen? Hoe hield ze die vast?[slachtoffer 2] : Ja, met twee handen.[medewerker 1] : Waar was je in jouw kamer?[slachtoffer 2] : Op mijn bed. (...)[medewerker 1] : En kan je bij [medewerker 2] aangeven waar ze jou dan ongeveer sloeg met de stok?[slachtoffer 2] : Hier zo ongeveer. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn rechterhand naar onder bij zijn rug.)[medewerker 2] : In het midden?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : En hoe vaak sloeg ze jou toen?[slachtoffer 2] : Twee of drie keer.[medewerker 1] : Had je daar ook plekken van gehad? Of heb je iets anders gezien op je rug?[slachtoffer 2] : Nee.[medewerker 1] : En is dat de enige keer dat ze jou met een stok heeft geslagen of is dat vaker gebeurd?[slachtoffer 2] : Vaker.[medewerker 1] : Vertel nog eens over een andere keer dat je je herinnert.[slachtoffer 2] : Dat was volgens mij op mijn been. Toen had ik heel veel last van mijn been. Ik kon bijna niet meer lopen toen. [medewerker 1] : En waar was jij toen dat gebeurde? [slachtoffer 2] : Toen was mijn oma uit Polen in mijn kamer want ze was een paar weken op bezoek dus ik was bij de zonnebankkamer en toen sloeg ze mij. (...)[medewerker 1] : En waar op jouw been was dat gebeurt?[slachtoffer 2] : Hier zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn rechterhand op zijn rechterbovenbeen\u002F-dijbeen).[medewerker 1] : En hoe vaak sloeg zij?[slachtoffer 2] : Een of twee keer.[medewerker 1] : Had ze toen die stok in een of twee handen?[slachtoffer 2] : Volgens mij een hand toen.[medewerker 1] : Ja. En waar was jij op dat moment in die kamer?[slachtoffer 2] : Op een matras. (…)\n\n [medewerker 1] : Wanneer was de ergste keer? Vertel daar eens over.[slachtoffer 2] : Op mijn rug.[medewerker 1] : Kan je dat helemaal vertellen hoe dat ging? Alle details.[slachtoffer 2] : Ik had een paar dingen stiekem gepakt uit de kast en toen werd ze heel boos op mij. En toen had ze mij volgens mij met de stok geslagen.[medewerker 1] : En jij zei; ik was in mijn kamer. Kwam ze jouw kamer binnen of liepen jullie samen naar jouw kamer toe?[slachtoffer 2] : Nee. Ze liep naar mijn kamer. Want bij mij heb ik nog een zolder boven op mijn kamer daar heeft mama oude spullen liggen. En daar ligt die stok. Want die heb je nodig om die open te maken. (…) En die stok is heel hard en als je die, want die stok is helemaal van hout en als je daar door wordt geraakt, dan doet dat heel veel pijn.[medewerker 1] : Ja. En toen had zij geslagen. Hoe vaak had zij geslagen daarmee op dat moment?[slachtoffer 2] : Twee keer.\n\n(…) [medewerker 1] : Je zei net het gebeurde heel vaak met de hand, met de vlakke hand.[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : In je gezicht. Kan je voordoen hoe ze dan precies sloeg met haar arm? Wat deed ze dan precies?[slachtoffer 2] : Dan deed ze zo. Zo. En dan eigenlijk op z’n allerhardst. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] zwaait zijn rechter arm naar achteren en slaat naar voren. Hij doet dit twee keer voor.) Daarom heb ik hier volgens mij nog een litteken of zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn linker wijsvinger op zijn wang.)[medewerker 1] : Mag ik dat eens zien. Ik zie een streepje en een rondje. Was het een streepje of een rondje?[slachtoffer 2] : Een rondje. En toen het weg was heeft mama mij nog heel vaak geslagen op die kant, dus toen is dat litteken heel lang gebleven.[medewerker 1] : Als zij zo sloeg vanaf hier. Dan ging dat met best veel kracht toch?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Maar had jij nog lang daarna pijn?[slachtoffer 2] : Vaak wel. Maar na tien minuutjes was het wel weer over.[medewerker 1] : En waar deed het dan pijn?[slachtoffer 2] : Nou, op mijn gezicht vooral. (…)\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Wat vindt je het ergste wat er thuis is gebeurd? Waar heb je het meeste last van?[slachtoffer 2] : De stok.[medewerker 1] : Ja. En dat was twee keer gebeurd zei je he?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Een keer op je rug en een keer op je been.[slachtoffer 2] : Ja. (...)\n\n [slachtoffer 1] heeft op 3 februari 2025 het volgende verklaard over de mishandeling van zijn broertje [slachtoffer 2] :\n\n(…)\n\n [slachtoffer 1] : Stokken, want wij zo, ja, wij hebben een zolder en daar zit een soort van ladder aan en die moet je naar beneden trekken en daar hebben ze een stok voor en die ligt op mijn broertjes kamer. Hij is heel hard geslagen. Hij had mijn schoenen vies gemaakt, mijn nieuwe schoenen. En toen werd mama zo boos en werd hij geslagen met een stok. [medewerker 1] : En waar was jij op dat moment?[slachtoffer 1] : Ik was beneden en ik hoorde hem in een keer keihard schreeuwen en hij had een blauwe plek op zijn benen. Dat was echt niet normaal. (…)\n\n [medewerker 1] : Ja. Jij zegt een paar keer. Ik heb mijn broertje beschermd of proberen te beschermen. Vertel eens over de laatste keer dat dat was. Wat gebeurde er toen?[slachtoffer 1] : Ja, ik heb altijd voor mijn broertje, mijn broertje is tien en ik ben dertien. Dus ik neem dan mijn verantwoordelijkheid voor hem. Want ik wil niet dat mijn broertje geslagen wordt door iemand. (…) En dan zie ik ook dat mijn moeder hem slaat, ja, dan denk ik, mooi niet. En dan ga ik voor hem staan, want dan slaat ze mij maar. Maar ik laat niet mijn broertje slaan. (…)\n\nVerdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 2] met de stok van de vlizotrap op zijn benen had geslagen. Verdachte had gezien dat er weer fikkie was gestookt. Zij vroeg [slachtoffer 2] of hij weer bezig was geweest met een aansteker. [slachtoffer 2] bleef ontkennen en verdachte zei hem dat hij niet moest liegen. De emotie liep zo hoog op en zij had de stok in haar handen.\n\nDe rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte haar kind [slachtoffer 2] heeft mishandeld. [slachtoffer 2] heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard dat zijn moeder hem op zijn rug en benen heeft geslagen met een stok, dat zij hem met de platte hand in zijn gezicht heeft geslagen en dat zij hem aan zijn haren heeft getrokken. De verklaring van verdachte, dat zij tikjes heeft gegeven op de oren van haar kinderen en dat zij [slachtoffer 2] met een stok heeft geslagen, en de verklaring van [slachtoffer 1] , dat hij voor zijn broertje ging staan als zijn moeder zijn broertje sloeg en dat zijn moeder [slachtoffer 2] met een stok sloeg, ondersteunen de verklaring van [slachtoffer 2] .\n\nDe rechtbank acht daarmee feit 2 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het duwen van [slachtoffer 2] , nu uit het dossier niet is gebleken dat dit pijn of letsel heeft opgeleverd.\n\nPeriode feit 1 en 2\n\nDe rechtbank acht een kortere periode bewezen dan ten laste is gelegd, te weten de periode van 1 januari 2024 tot en met 21 december 2024. De rechtbank ziet dat er in het dossier concrete aanknopingspunten zitten dat in 2024 de mishandelingen van beide kinderen hebben plaatsgevonden. De rechtbank wijst er in dat verband op dat [slachtoffer 1] tegen verdachte zou hebben opgemerkt dat het een verschrikkelijk jaar was geweest toen zij op 21 december 2024 een filmpje voor familie wilde maken. Concrete aanknopingspunten voor mishandelingen die eerder dan 2024 zouden hebben plaatsgevonden, heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen. De rechtbank zal daarom voor feit 1 en 2 uitgaan van een kortere bewezen verklaarde periode, van 1 januari 2024 tot en met 21 december 2024, en verdachte voor de overige ten laste gelegde periode vrijspreken.\n\nVrijspraak feit 3\n\nJuridisch kader\n\nOnder feit 3 is een aantal gedragingen als mishandeling ten laste gelegd. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat de onder feit 3 ten laste gelegde gedragingen door het openbaar ministerie als psychische mishandeling worden gezien.\n\nDe rechtbank zal verdachte geheel vrijspreken van feit 3. De rechtbank zal om die reden niet toekomen aan het verweer dat ziet op partiële nietigheid.\n\nDe rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede – onder omstandigheden – het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677).\n\nMet betrekking tot psychische mishandeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Naar geldend recht moet het bestanddeel ‘mishandeling’ zo worden uitgelegd, dat psychische mishandeling alleen strafbaar kan zijn als sprake is van gedragingen met enig betekenisvol fysiek aspect of gevolg. Voorbeelden in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn het in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht brengen (ECLI:NL:HR:2012:BX5468) en het verergeren van iemands ziektebeeld door verkeerd medisch handelingen (ECLI:NL:HR:2013:BY4858). Het gaat hier om gevallen waarin het handelen van de verdachte een lichamelijke uitwerking op het slachtoffer had. Het binnen de reikwijdte van artikel 300 Sr brengen van psychische mishandeling zónder fysiek aspect of gevolg is onwenselijk – met name in het licht van het zogenoemde bepaaldheidsgebod – omdat de betekenis van de term mishandeling daarmee minder scherp zou worden omlijnd dan zij nu op grond van de wetsgeschiedenis is. Daarmee zou ook de rechtszekerheid in het geding kunnen komen: het is voor de burger dan niet goed te voorzien welk gedrag onder de strafbaarstelling van mishandeling kan worden geschaard (vgl. de conclusie van A-G Van Kempen van 10 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:238).\n\nDe rechtbank zal aan de hand van het bovenstaande juridisch kader beoordelen of de ten laste gelegde gedragingen kunnen worden aangemerkt als mishandeling en dus kunnen worden bewezenverklaard.\n\nCategorie A: geen betekenisvol fysiek aspect of gevolg\n\nDe rechtbank is, gelet op het bovenstaande juridisch kader, van oordeel dat ten aanzien van de gedachtestreepjes 1, 2 en 4 tot en met 7 niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring, omdat het niet gaat om gedragingen met enig betekenisvol fysiek aspect of gevolg. De gedragingen kunnen daarom niet worden aangemerkt als mishandeling als bedoeld in artikel 300 Sr. Verdachte zal om die reden van de gedachtestreepjes 1, 2 en 4 tot en met 7 worden vrijgesproken.\n\nCategorie B: fysiek aspect, maar geen sprake van strafbare mishandeling\n\nTen aanzien van beide kinderen is onder gedachtestreepje 3 van feit 3 het onthouden van zorg door niet en\u002Fof onvoldoende aanbieden van voedsel en\u002Fof het (in de winterperiode) zonder en\u002Fof onvoldoende warme kleding als straf buiten laten verblijven en hen niet in de woning te laten, ten laste gelegd.\n\nDe rechtbank overweegt dat de gedragingen, zoals deze uit het dossier naar voren komen, niet een dusdanig fysiek aspect of gevolg hebben, dat deze kunnen worden aangemerkt als mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet afdoende is gebleken dat de kinderen gedurende een langere periode honger, kou of een gebrek aan zorg hebben ervaren. Er kan in de gegeven omstandigheden niet worden gezegd dat dergelijk gedrag mishandeling als bedoeld in artikel 300 Sr oplevert. Verdachte zal dan ook van dit gedachtestreepje van feit 3 worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank zal verdachte, concluderend, geheel vrijspreken van feit 3.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nfeit 1zij opeen ofmeerdere tijdstippen inof omstreeks de periode van 1 januari 2024tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel ,en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland,[slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), heeft mishandeld, door: meermalen,althans eenmaal,- die voornoemde [slachtoffer 1] te duwen en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 1] aan de haren te trekken en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 1] op\u002Ftegen het hoofd, het beenen\u002Fof knie,althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een kabel,stoken\u002Fofde platte hand en\u002Fof- (met) boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van die voornoemde [slachtoffer 1] te gooien en\u002Fof te duwen en\u002Fof- aan de klerenen\u002Fof het lichaamvan die voornoemde [slachtoffer 1] te trekken en\u002Fof-(met kracht)die voornoemde [slachtoffer 1] bij de keel vast te pakkenen\u002Fof te grijpen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 2zij opeen ofmeerdere tijdstippen inof omstreeksde periode van 1 januari 2024tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel ,en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland,[slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door: meermalen,althans eenmaal,- die voornoemde [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2] aan de haren te trekken en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Ftegen de rug en\u002Fofbeen,althans op\u002Ftegen het lichaam,te slaan met een stok en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2]op\u002Fin\u002Ftegen het gezicht en\u002Fofde wang, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een platte hand,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1 en feit 2, telkens:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen haar kind, meermalen gepleegd\n\n5. De strafbaarheid van het de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 120 uren zal worden opgelegd, bij niet uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening houdt met het blanco strafblad van verdachte en de beperktere bewezenverklaring zoals de raadsman die heeft bepleit. Daarnaast heeft de raadsman gevraagd dat de rechtbank rekening houdt met het feit dat verdachte langdurig niet thuis heeft gewoond en dat zij hulp heeft gezocht bij Kairos en Entrea-Lindenhout. De raadsman heeft betoogd dat er zijns inziens geen ruimte is voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is bereid een geldboete te betalen en een voorwaardelijke straf zal door haar worden geaccepteerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het fysiek mishandelen van haar zoons. Verdachte heeft daarmee de lichamelijke integriteit van haar kinderen ernstig geschonden. De mishandelingen vonden thuis plaats, terwijl een kind zich juist op deze plek bij zijn ouder(s) geborgen en veilig moet kunnen voelen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat de mishandelingen pas stopten toen haar kinderen zelf de moedige stap namen om hun verhaal te doen bij hun grootouders.\n\nDe rechtbank neemt in strafverminderende zin mee dat verdachte na de melding bij Veilig Thuis de hulpverlening heeft geaccepteerd en heeft aangegrepen en de hulpverleningstrajecten positief heeft doorlopen.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van de Reclassering Nederland van 9 april 2026. De reclassering heeft in de rapportage beschreven dat er na de melding van Veilig Thuis verschillende interventies in werking zijn gezet, en Veilig Thuis de kinderen tot en met april 2025 bij de grootouders heeft geplaatst. Verdachte startte in april 2025 een behandeltraject bij Kairos. Op dat moment gingen de kinderen weer in het ouderlijk huis wonen en trok verdachte, in goed overleg met Veilig Thuis, tijdelijk bij vrienden in. In juni 2025 werd Entrea-Lindenhout actief betrokken bij het gezin, en vond begeleiding plaats bij het gezin. In september 2025 werd besloten dat verdachte weer thuis kon wonen. De reclassering beschrijft dat er een aantal beschermende factoren is. Verdachte heeft een stabiele baan en heeft een vaste woonplek in [woonplaats] . Verdachte heeft een goede vriendin waarmee ze alles kan bespreken. Verder heeft verdachte wekelijks contact met haar moeder. Verdachte heeft door haar behandeling genoeg handvatten gekregen waardoor ze nu goed kan omgaan met dagelijkse triggers. Haar kinderen zijn, op het moment van het opstellen van de rapportage, 11 en 14 jaar oud. De kinderen zijn nu pubers en zoeken vaak de grenzen op. Verdachte heeft aangegeven zich in te zetten wanneer toezicht of behandeling nog gewenst is. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdere interventies of toezicht worden niet nodig geacht. De rechtbank neemt dit advies over.\n\n De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank een kortere periode en minder bewezen verklaart dan door de officier van justitie is gesteld. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden is, bij niet (naar behoren) uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis. De rechtbank zal geen voorwaardelijk strafdeel opleggen, nu zij uit de reclasseringsrapportage opmaakt dat verdachte en haar gezin voldoende zijn ingebed in hulpverlening en zij het goed acht als na het uitvoeren van de taakstraf een voor de kinderen nare periode in het gezin definitief kan worden afgesloten.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R .M.H. Pennings (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.\n\nmr. R .M. Pennings is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ON5R025012, gesloten op 21 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Melding Veilig Thuis d.d. 7 februari 2025, p. 14-16.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2025.\n\n Dit verhoor is opgenomen en vervolgens uitgekeken en uitgewerkt door verbalisanten van de politie van de eenheid Oost-Nederland.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 34, 37-38 en 41-44.\n\n Dit verhoor is opgenomen en vervolgens uitgekeken en uitgewerkt door verbalisanten van de politie van de eenheid Oost-Nederland.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 51, 56 en 59.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 51-53, 55-56, 60 en 65-66.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 36 en 41.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4272","2026-05-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.860Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":35,"updatedAt":61},"715","ECLI:NL:GHARL:2026:1175","ecli-nl-gharl-2026-1175","2026-02-26T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.333.550\n\n(zaaknummer rechtbank Overijssel 296200)\n\nbeschikking van 26 februari 2026\n\ninzake\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de moeder,\n\nadvocaat: mr. F. Pool,\n\nen\n\nde gecertificeerde instelling\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de GI,\n\n en\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerder in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vader,\n\nadvocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis.\n\n1. Het verloop van het geding in hoger beroep\n\n1.1. Voor het verloop van het geding tot 26 augustus 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.\n\n1.2. Het verdere verloop blijkt uit:\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 19 september 2025 met bijlagen;\n\n- een e-mailbericht van de deskundige drs. [naam1] van 26 september 2025;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 2 oktober 2025 met bijlagen;\n\n- een e-mailbericht van de GI van 6 oktober 2025;\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 10 november 2025 met bijlagen;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 11 november 2025 met een bijlage;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 12 januari 2026 met bijlagen.\n\n1.3. \n\nDe mondelinge behandeling is voortgezet op 16 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n-de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n-twee vertegenwoordigers van de GI;\n\n-de vader, bijgestaan door zijn advocaat.\n\n2. De motivering van de beslissing\n\n2.1. Het hof zal beslissen over de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2014. Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 26 augustus 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. Het betreft een verlenging waarvan de duur inmiddels (ruimschoots) in het verleden ligt.\n\n2.2. In de tussenbeschikking van 28 december 2023 heeft het hof het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (het NIFP) verzocht om te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige voor het verrichten van een onderzoek.\n\n2.3. In de tussenbeschikking van 24 december 2024 heeft het hof een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv bevolen en daarbij aan het NIFP vragen gesteld.\n\n2.4. \n\nIn de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 heeft het hof uitgebreid geciteerd uit de door de deskundige opgemaakte rapporten van 6 mei 2025 en uit de ouderschapsevaluatie van [naam2] van 2 december 2024.\n\nBeide ouders hebben verklaard dat zij zich niet kunnen vinden in de uitkomsten van het deskundigenonderzoek, omdat er volgens hen een discrepantie zit tussen de conclusies in de desbetreffende rapporten, die volgens de ouders erg negatief van toon zijn, en de verslaglegging van [naam2] , die de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] al langdurig begeleidt en juist een heel positief beeld van de ouders en de omgang beschrijft. Het is voor de ouders niet duidelijk of de verslaglegging van [naam2] in de forensisch psychologische onderzoeken van de deskundige is betrokken.\n\n2.5. Het hof heeft in de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 de beslissing aangehouden en de advocaten van de ouders, in overleg met de jeugdbeschermer, in de gelegenheid gesteld om de onderzoeksverslagen van [naam2] toe te zenden aan de forensisch psychologisch onderzoekers, die op hun beurt werden verzocht de volgende vragen van het hof te beantwoorden:\n\nWaren de door partijen overgelegde verslagen van [naam2] bij de onderzoekers bekend bij de totstandkoming van de forensisch psychologische onderzoeken en daarbij behorende conclusies?\n\nOp welke wijze zijn deze verslagen in het onderzoek betrokken?\n\nIndien de inhoud van de verslagen van [naam2] niet bekend waren: leidt de inhoud hiervan voor de forensisch psychologische onderzoekers tot een andere conclusie?\n\n2.6. \n\nIn het e-mailbericht van de deskundige drs. [naam1] van 26 september 2025 is te lezen:\n\n“(…)\n\nAls rapporteurs is mij en medeonderzoeker hr. [naam3] verzocht om enkele aanvullende vragen te beantwoorden. Onze wijze van onderzoeken betreft altijd een rechtstreeks contact met betrokken hulpverleners, in dit geval begeleiders van [naam2] . Wij gaan zoveel als mogelijk uit van informatie die wij uit eerste hand vernemen. Daarbij is een recent beeld van belang. Bijkomend voegen wij aan onze stukken, zoals ook in rapportages vermeld, samenvattende rapportages toe van instanties. In dit geval van [naam2] . Wij gaan ervan uit dat dergelijke samenvattende beeldvorming afdoende weergeeft hoe de omgang verloopt. In dit geval is dit zeker zo, gezien de overeenstemming die wij hebben beluisterd in ons rechtstreekse gesprek. Conclusies en adviseringen zijn dus op voldoende informatie gebaseerd. Dit is vanuit de feedback, door NIFP verzorgd, onderschreven; zij zagen hierin geen punt van aandacht.\n\n(…)”\n\n2.7. Uit het e-mailbericht van de jeugdbeschermer van 6 oktober 2025 blijkt dat het standpunt van de GI naar aanleiding van het deskundigenrapport ongewijzigd is, dat de in de bestreden beschikking gegeven verlenging van de uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] was en dat de GI geen aanvullende opmerkingen heeft.\n\n2.8. \n\nIn de reactie van mr. Pool van 10 november 2025 is te lezen dat de moeder van mening blijft dat er een grote discrepantie bestaat tussen de conclusies uit het deskundigenrapport van [naam1] en de omgangsverslagen\u002Fevaluaties van [naam2] . Volgens de moeder heeft de deskundige slechts één uur geobserveerd en daarnaast een half uur overleg gepleegd met [naam2] . Niet is gebleken dat er omgangsverslagen van [naam2] in het deskundigenonderzoek zijn betrokken. Er wordt in het rapport slechts één evaluatie van [naam2] van 29 september 2023 genoemd, terwijl er omgangsverslagen en evaluaties van [naam2] op basis van minimaal 142 uur observaties beschikbaar zijn. Volgens de moeder heeft de deskundige ook geen dan wel geen afdoende antwoord gegeven op de in de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 door het hof geformuleerde vragen.\n\nDe moeder is van mening dat de verslagen van [naam2] een betrouwbaarder beeld van haar functioneren als opvoeder van [de minderjarige] geven dan hetgeen uit het deskundigenrapport blijkt. De moeder verzoekt het hof om de uiteindelijke beslissing enkel te baseren op de omgangsverslagen en evaluaties van [naam2] en het deskundigenrapport daarentegen niet in de beoordeling te betrekken.\n\n2.9. \n\nIn de reactie van mr. Ten Brummelhuis van 11 november 2025 is te lezen dat de vader van mening is dat door de deskundige [naam1] geen adequate antwoorden worden gegeven op de drie door het hof in de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 geformuleerde vragen. Kennelijk zijn de verslagen van [naam2] op geen enkele wijze betrokken in het deskundigenonderzoek. Volgens de vader is het opmerkelijk dat van het telefonisch contact van een half uur met de ambulant begeleider van [naam2] door [naam1] geen verslag is opgenomen, terwijl van andere informantencontacten wel verslagen zijn opgenomen. De door [naam1] getrokken conclusie en adviezen zijn gebaseerd op slechts één observatie van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] , terwijl er diverse verslagen van [naam2] zijn over een periode van ruim twee jaar, waarin een positief verloop van de omgang wordt beschreven. De vader kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [naam1] in de beoordeling de aanname heeft betrokken dat bij de vader sprake zou zijn van een autismespectrumstoornis, wat nog niet op een deugdelijk onderzoek is gebaseerd.\n\nDe vader handhaaft de stellingen uit zijn verweerschrift en verzoekt het hof om, als het hof tot de conclusie komt dat terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder niet tot de mogelijkheden behoort, te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij hem zal hebben, dan wel de beslissing te nemen die het hof juist acht.\n\n2.10. \n\nHet hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking van 14 juli 2023 heeft de kinderrechter geoordeeld dat het op dat moment voor [de minderjarige] noodzakelijk is dat haar behandeling bij [naam4] wordt voortgezet en dat die behandeling, die negen tot 12 maanden zal duren, niet ambulant in de thuissituatie bij de moeder kan worden geboden. Volgens de kinderrechter werd de opvoedsituatie bij de moeder bij de aanvang van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ontoereikend geacht en is ook op dat moment (14 juli 2023) niet gebleken dat de opvoedvaardigheden van de moeder tegemoet komen aan de langdurig verzwaarde opvoedvraag van [de minderjarige] , die behoefte heeft aan een professionele opvoedomgeving. De moeder kon [de minderjarige] niet voldoende emotionele en fysieke beschikbaarheid bieden. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat in die situatie geen structurele verandering is gekomen. De ouders hebben op dat moment nog niet meegewerkt aan het geadviseerde persoonlijkheidsonderzoek en mediationtraject.\n\nDe vraag die nu door het hof moet worden beantwoord is of de verlenging van de uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking noodzakelijk was voor [de minderjarige] .\n\nHet hiervoor in rechtsoverweging 2.3 genoemde deskundigenonderzoek is uitgevoerd door de forensisch psychologische onderzoekers drs. [naam1] en drs. [naam3] , die in hun rapportages van 6 mei 2025 onder meer hebben geschreven:\n\n“(…)\n\nPlaatsing bij haar moeder is noch in het belang van [de minderjarige] , noch in het belang van moeder.\n\n(…)\n\nMoeder kan [de minderjarige] liefde bieden en aandacht en met externe hulp de opvoedsituatie tijdelijk voldoende vormgeven. Ze kan echter niet die ontwikkelingsmogelijkheden aan [de minderjarige] bieden die een 11-jarige nodig heeft. Daarbij wordt opgemerkt dat [de minderjarige] een pedagogisch klimaat nodig heeft dat specifiek gericht is op haar problematiek: aansluiten bij haar emotionele leeftijd en uitdaging bieden om een eventuele inhaalslag te bevorderen is van groot belang voor [de minderjarige] maar gaat de mogelijkheden van moeder, ook met ondersteuning, fors te boven.\n\n(…)\n\nVoor [de minderjarige] is stabiliteit in haar leefomgeving van groot belang; zij heeft baat bij een zo continu mogelijk goed op haar toegesneden pedagogisch klimaat. Daarin kan noch vader noch moeder voldoende voorzien. Plaatsing bij een van haar ouders lijkt dan ook voor [de minderjarige] niet in het belang van haar ontwikkeling en deeltijdplaatsing evenmin\n\n(…)”.\n\n2.11. \n\nIn de ouderschapsevaluatie van [naam2] van 2 december 2024 is, onder meer, het volgende te lezen:\n\n“(…) Moeder kan in de huidige omgangstijden (09.00 uur tot 13.00 uur waarvan tussen 10.00 uur en 13.00 uur begeleid) voldoende rekening houden met de bovenstaande punten. Er zijn twee aandachtspunten voor moeder naar voren gekomen uit de 14 onderdelen van dit verslag. Het eerste aandachtspunt verhoudt zich tot het geven van zoetigheid gedurende de omgang.\n\n(…)\n\nHet tweede aandachtspunt is een consequente houding die moeder moet aannemen in de opvoeding van [de minderjarige] . Wanneer [de minderjarige] voelt dat er ruimte is om te onderhandelen met moeder, pakt [de minderjarige] deze ruimte ook. Dit is overigens wel passend bij de leeftijd van [de minderjarige] . Echter, dit kan op de langere termijn resulteren in dat [de minderjarige] moeilijker het gezag van moeder accepteert. Tot slot biedt een consequente houding ook duidelijkheid en voorspelbaarheid aan [de minderjarige] .\n\nKijkend naar het vervolg van dit verslag: de Goed Genoeg Ouderschapsbeoordeling heeft als doel gehad om meer informatie te verschaffen over de opvoedsituatie van moeder tijdens de omgangsmomenten die zij heeft met [de minderjarige] . Voor de huidige opvoedsituatie zijn er, op bovenstaande aandachtspunten na, geen vervolgadviezen vanuit [naam2] . Moeder heeft, zoals eerder beschreven, aangegeven graag te zien dat [de minderjarige] in de toekomst bij haar komt wonen. [naam2] adviseert moeder om dan de samenwerking met de hulpverlening nog voort te zetten indien moeder hulpvragen ervaart in verband met dat zij dan in een andere opvoedsituatie zit met [de minderjarige] .\n\n(…)”.\n\n2.12. \n\nGelet op al het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing op dat moment in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk was. Het hof legt hierna uit hoe het tot dat oordeel is gekomen.\n\nHet volgende is gebleken. [de minderjarige] verblijft op dit moment in een behandelgroep van [naam4] . Zij verblijft elk oneven weekend van vrijdag 15.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de moeder, waarbij gedeeltelijk begeleiding door [naam2] wordt geboden. [de minderjarige] verblijft elk even weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader, waarbij een achterwacht van [naam4] is geregeld. Naar aanleiding van de door beide ouders genoemde forse discrepantie tussen het rapport van de deskundigen en de omgangsverslagen van [naam2] , heeft het hof de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 gegeven, zoals hiervoor in 2.5 genoemd.\n\n2.13. Naar het oordeel van het hof hebben de deskundigen in hun reactie aan het hof op 26 september 2025 niet expliciet geantwoord of zij tijdens hun onderzoek beschikten over alle omgangsverslagen van [naam2] , zoals deze achteraf alsnog aan hen zijn gezonden. Het hof begrijpt uit het antwoord van de deskundigen wel dat hun advies mede is gebaseerd op de informatie die zij in een rechtstreeks contact met [naam2] hebben gekregen en dat die informatie overeenkwam met hun eigen conclusie. Wat daar ook van zij, de deskundigen hebben onderzocht en geadviseerd over de (uiteindelijke) vraag in hoeverre plaatsing van [de minderjarige] (op korte of lange termijn) bij de moeder dan wel bij de vader in het belang van [de minderjarige] is. De deskundigen hebben daarop geantwoord, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.10 al is geciteerd, dat (deeltijd)plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, noch bij de vader in het belang van [de minderjarige] is. In dit verband overweegt het hof dat de vraag of [de minderjarige] bij de vader geplaatst zou kunnen worden dan wel haar hoofdverblijf bij de vader kan worden vastgesteld niet kan worden beantwoord in deze procedure, waarin slechts de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voorligt. Het desbetreffende verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen.\n\n2.14. Het hof begrijpt uit de verslaglegging van [naam2] , waaruit hiervoor in rechtsoverweging 2.11 is geciteerd, dat door [naam2] het zogenoemde Goed Genoeg Ouderschap van de moeder is beoordeeld, met name tijdens de omgangsmomenten. [naam2] beschrijft dat de omgang, op enkele aandachtspunten na, positief verloopt, maar geeft geen advies over een eventuele thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. [naam2] geeft wel een advies voor extra hulp bij een eventuele thuisplaatsing van [de minderjarige] , omdat de moeder dan in een andere opvoedsituatie met [de minderjarige] komt.\n\n2.15. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd kan het hof opmaken dat de moeder (en de vader) een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt in de contacten met [de minderjarige] . Ook zijn beide ouders inmiddels bereid om aan hun eigen problematiek te werken. Het hof waardeert het dat de ouders deze stappen, die ook in het belang van [de minderjarige] zijn, zetten. De moeder is onlangs gestart met een lifestyletraject, waarbij zij hulp krijgt van onder andere een diëtist en een fysiotherapeut. De vader ondergaat binnenkort een onderzoek naar een mogelijke stoornis in het autistisch spectrum. Alles overziende komt het hof tot de conclusie dat het in ieder geval ten tijde van de bestreden beschikking niet in het belang van [de minderjarige] was om bij de moeder thuis geplaatst te worden. De moeder beschikte -in ieder geval destijds- over onvoldoende opvoedcapaciteiten om aan de bovengemiddelde opvoedbehoefte van [de minderjarige] te voldoen. De bestreden beschikking, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] werd verlengd, zal daarom worden bekrachtigd.\n\n3. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 14 juli 2023, voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is verlengd;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Prakke-Nieuwenhuizen en I.J. Pieters, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1175","2026-07-13T00:28:44.415Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":66,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":35,"updatedAt":68},"710","ECLI:NL:GHARL:2025:8167","ecli-nl-gharl-2025-8167","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\u002FLeeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.105\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland 444167\n\nbeschikking van 18 december 2025\n\nover de beëindiging van het gezag over [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3]\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster] ,(de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats1] , advocaat: mr. M.G.M. Frerix,\n\ntegen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\ndie is gevestigd in Arnhem.\n\nHet hof heeft ook als belanghebbenden aangemerkt:\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)\n\ndie is gevestigd in Ede,\n\nen\n\nde gezinshuisouders van [minderjarige2] ( [naam1] ), in [plaats1] ,\n\nen\n\nde pleegouders van [minderjarige3] .\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 26 maart 2025, (hierna: de bestreden beschikking) het gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en de GI belast met de voogdij.\n\nHet hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen.\n\n2. De feiten\n\n2.1. De moeder en [naam2] (de vader) hebben een relatie met elkaar gehad en zij hebben samen drie kinderen:\n\n- [minderjarige1] , geboren [in1] 2012;\n\n- [minderjarige2] , geboren [in2] 2016;\n\n- [minderjarige3] , geboren [in3] 2019.\n\n2.2.. De moeder had tot aan de bestreden beschikking als enige het gezag over de kinderen.\n\n2.3. De kinderen staan sinds 18 januari 2021 onder toezicht van de GI.\n\n2.4. De kinderen zijn met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn in juli 2022 geplaatst in gezinshuis [naam1] , [minderjarige3] in september 2022 in een pleeggezin op een geheim adres. [minderjarige1] woont sinds maart van dit jaar in een gezinshuis in [naam3] .\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.\n\n3.2. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in de bestreden beschikking.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt (de beslissing vernietigt).\n\n4.2. De raad wil dat de beslissing in stand blijft (de beslissing bekrachtigt).\n\n4.3. De GI wil dat de beslissing in stand blijft.\n\n4.4.. Ook de gezinshuisouders en de pleegouders willen dat de beslissing in stand blijft.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.5. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 19 juni 2025\n\nhet verweerschrift van de raad\n\nhet verweerschrift van de GI\n\nhet e-mailbericht van de GI van 22 augustus 2025\n\nde brief namens de moeder van 19 november 2025.\n\n4.6. \n [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben op 17 november 2025 gesproken met een raadsheer van het hof, in het bijzijn van een griffier. Zij hebben verteld wat zij vinden van de beëindiging van het gezag van de moeder.\n\n4.7. De zitting bij het hof was op 21 november 2025. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad\n\ntwee vertegenwoordigers van de GI\n\nde gezinshuismoeder van [minderjarige2]\n\nde pleegouders van [minderjarige3] .\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1. De rechtbank kan, op grond van artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.\n\nHoe luiden de standpunten?\n\n5.3. \n\nDe moeder kan zich niet verenigen met de beëindiging van haar gezag over de kinderen. Zij stelt dat volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) slechts sprake kan zijn van een beëindiging van het ouderlijk gezag als de voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Dat is hier niet het geval. Bovendien is volgens de moeder de uithuisplaatsing van de kinderen in het vrijwillig kader mogelijk.\n\nDaarnaast wordt volgens de moeder niet voldaan aan het wettelijk criterium van het hiervoor genoemde artikel 1:266 lid 1 BW. Volgens de moeder kan niet worden gesteld dat zij de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is volgens haar nog niet verstreken.\n\nZij kan haar verantwoordelijkheid als gezaghebbende ouder op afstand blijven uitoefenen, waarbij zij meer voor de kinderen kan betekenen. Zij is bereid om aan zichzelf te werken en zij zal een detox-traject aangaan, waardoor er zicht is op verbetering van haar situatie.\n\n5.4. \n\nDe raad voert aan dat de gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk en in het belang van de kinderen is en dat zowel aan het wettelijk criterium als aan de eisen van het EHRM wordt voldaan.\n\n [minderjarige2] en [minderjarige3] verblijven op een perspectiefbiedende plek. Dat betekent dat de kinderen daar tot hun volwassenheid kunnen opgroeien. [minderjarige1] verblijft sinds eind maart 2025 op een andere groep, omdat zijn problematiek te zwaar werd voor het toenmalige gezinshuis. [minderjarige3] is onlangs gestart met traumatherapie. Het perspectief van de kinderen ligt niet bij de moeder. Dat betekent dat de kinderen niet meer bij de moeder zullen opgroeien. Volgens de raad heeft de GI, anders dan de moeder stelt, zich voldoende ingespannen om terugplaatsing van de kinderen bij de moeder te onderzoeken. De moeder heeft tijdens de ondertoezichtstelling onvoldoende stappen gezet om haar leven structureel te veranderen, zodat zij de kinderen een veilige opvoedomgeving zou kunnen bieden.\n\n5.5. Volgens de GI is het gezag van de moeder terecht beëindigd. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en de moeder is, als gevolg van aanhoudende persoonlijke problematiek, waaronder verslaving en psychische instabiliteit, niet in staat om binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. De kinderen hebben te maken met forse kind-eigen problematiek. Ze komen uit een onveilige opvoedsituatie en hebben langdurige, gespecialiseerde zorg en stabiliteit nodig. Zij vragen om een trauma-sensitieve opvoeding die de moeder hen niet kan bieden.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.6. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is het volgende gebleken. De kinderen zijn in het verleden in de thuissituatie getuige geweest van zowel fysieke als verbale agressie tussen de moeder en de vader. Beide ouders kampen met verslaving en persoonlijke problematiek. De kinderen zijn daardoor getraumatiseerd. Het is de moeder, die al ruim twaalf jaar verslaafd is, niet gelukt om de kinderen de basale verzorging te bieden. Zij is niet in staat gebleken om de kinderen de voor hen nodige veiligheid, emotionele warmte, stimulatie, regels en grenzen te bieden. De kinderen zijn al drie jaar uit huis geplaatst. De GI heeft de afgelopen jaren de nodige inspanningen verricht om te onderzoeken of de moeder weer in staat was om de kinderen op een voor hen verantwoorde manier bij haar thuis te verzorgen en op te voeden. De moeder heeft zich in die periode diverse keren bereid verklaard om aan zichzelf te werken en hulp te accepteren om haar verslaving te overwinnen. Zij is ook een aantal keren op vrijwillige basis opgenomen geweest, maar het lukt haar steeds niet om een behandeling succesvol te voltooien. De persoonlijke en verslavingsproblematiek blijven op de voorgrond aanwezig. Zij heeft onlangs tegenover de GI verklaard dat zij afgelopen zomer nog speed heeft gebruikt. De moeder komt niet in aanmerking voor een opname, omdat zij niet wil voldoen aan de daarvoor door IrisZorg gestelde voorwaarde om in een beschermd-wonen-plek te verblijven. Zij was de afgelopen jaren vaak gedurende een langere periode niet bereikbaar voor de GI en heeft daardoor veel belangrijke overlegmomenten, waarbij ook beslissingen over de kinderen genomen moesten worden, gemist.\n\n5.7. Het hof is, gelet op alles wat hiervoor is opgeschreven, van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof stelt voorop dat het heel duidelijk is dat de moeder en de kinderen veel van elkaar houden. Maar ook is duidelijk geworden dat de kinderen niet bij de moeder teruggeplaatst kunnen worden. Het is de moeder de afgelopen jaren, ondanks haar goede voornemens en diverse pogingen, niet gelukt om succesvol aan haar verslavingsproblematiek te werken. De kinderen komen uit een onveilige opvoedsituatie en hebben daardoor forse problematiek opgelopen. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Zij vragen om een trauma-sensitieve opvoeding die de moeder hen nu niet kan bieden. Het is daarom niet de verwachting dat de moeder in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn weer te dragen.\n\n5.8. \n\nDe moeder stelt dat volgens het EHRM slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag als blijkt dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor de kinderen, wat volgens haar hier niet het geval is. Het hof is van oordeel dat voortzetting van het gezag van de moeder schadelijk is voor de verdere ontwikkeling van de kinderen. Uit de stukken, tijdens de gesprekken met [minderjarige1] en [minderjarige2] en uit wat de pleegouders van [minderjarige3] vertellen, is gebleken dat het voor de kinderen nog steeds onduidelijk is wat hun toekomstperspectief is. Voor de kinderen is het nodig om te weten dat zij niet meer bij de moeder kunnen wonen. Door de gezagsbeëindiging worden zij niet meer jaarlijks belast met de verlengingsprocedures van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, wat hun de nodige rust zal brengen voor hun verdere ontwikkeling, behandelingen en de hechting bij hun huidige verzorgers\u002Fopvoeders. Dat de moeder geen gezag meer heeft betekent uiteraard niet dat zij uit het leven van de kinderen verdwijnt. [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] willen graag contact met de moeder en het is belangrijk dat dit contact wordt voortgezet.\n\nHet hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2025.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, K.A.M. van Os-ten Have en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. G.E.M. Bours als griffier, en is op 18 december 2025 in het openbaar uitgesproken.\n\n artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW\n\n Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8167","2026-07-13T00:28:44.226Z",20]