[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-environmental-permit-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":103,"limit":104},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},93,"environmental-permit-nl","Environmental Permit","NL","2026-07-08T16:55:59.522Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},9,{"min":18,"max":19},"2025-11-27T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32,41,50,59,68,77,86,95],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"626","ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","ecli-nl-rbgel-2026-5368","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3156uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nin de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigden: mr. H. Doornhof en mr. J.M. Luttge),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigde: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college waarin het handhavingsverzoek van verzoeker is afgewezen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college het handhavingsverzoek namelijk terecht afgewezen en heeft het bezwaar dus geen redelijke kans van slagen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 26 mei 2026 heeft verzoeker een handhavingsverzoek ingediend, waarin hij het college vraagt om handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning aangevangen bouw en het beoogde gebruik van een tijdelijke opvanglocatie voor dak- en thuislozen aan het [adres] te [plaats] . Bij besluit van 16 juni 2026 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, omdat volgens het college sprake is van concreet zicht op legalisatie.\n\n2.1.. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die – kort samengevat – inhoudt dat de gemeente de opvanglocatie voorlopig niet in gebruik mag nemen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker, de gemachtigden van verzoeker en de gemachtigden van het college hebben deelgenomen aan de zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\nIs het handhavingsverzoek terecht afgewezen?\n\n4. Het college heeft aan de afwijzing van het handhavingsverzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verzoeker betwist dit. Verzoeker wijst erop dat het op voorhand niet aannemelijk is dat de aangevraagde vergunning zal worden verleend. Hij draagt daar een aantal argumenten voor aan, die er samengevat op neerkomen dat de opvang niet strekt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid en eventuele overlast.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, naar aanleiding van een verzoek om handhaving in de regel een toereikende motivering zal moeten geven waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik wil maken. Dat geldt nog meer in een situatie dat, zoals hier het geval, een overheidsorgaan de overtreder is. Uit de motivering moet blijken van bijzondere omstandigheden waarom het bestuursorgaan meent dat handhaving niet kan worden gevergd. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie van de onrechtmatige situatie bestaat.\n\n4.2.. Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag afgewezen omdat volgens hem sprake is van concreet zicht op legalisatie. Concreet zicht op legalisatie is er, in een geval als hier aan de orde, als een aanvraag is ingediend en het college bereid is om de omgevingsvergunning te verlenen. Vast staat en niet in geschil is dat de gemeente een aanvraag heeft ingediend voor een (legaliserende) omgevingsvergunning. Ook heeft het college op zitting toegelicht dat er bereidheid is om deze omgevingsvergunning te verlenen, en dat de vergunning ook elk moment verleend kan worden. Onder die omstandigheden is dus sprake van concreet zicht op legalisatie. Reeds daarom is het handhavingsverzoek van verzoeker terecht afgewezen. Dit is door het college ook voldoende begrijpelijk gemotiveerd in het bestreden besluit.\n\n4.3.. Het betoog van verzoeker komt er in feite op neer dat de nog te verlenen omgevingsvergunning in een eventueel bezwaar of beroep geen stand zal houden, omdat van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen sprake is en dat daarom de ingebruikname van de daklozenopvang bij wijze van voorlopige voorziening zou moeten worden verboden. De voorzieningenrechter kan er in deze handhavingszaak niet op vooruit lopen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter heeft namelijk geen inzicht in de door het college verrichte onderzoeken en de afwegingen en motivering die aan de omgevingsvergunning ten grondslag zullen liggen. Het voert om die reden in het kader van deze procedure dan ook te ver om, vooruitlopend op deze omgevingsvergunning, de ingebruikname bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden. Het college heeft op zitting toegezegd dat het twee dagen zal wachten met de ingebruikname van de daklozenopvang ná het verlenen van de omgevingsvergunning. Verzoeker heeft dan de mogelijkheid om tegen dat besluit bezwaar te maken en om (eventueel) een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat bezwaar in te dienen bij de voorzieningenrechter. In die procedure kan beoordeeld worden of het college in redelijkheid heeft kunnen menen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Mocht dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo zijn, dan zou in die zaak de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening geschorst kunnen worden. Daar kan nu niet op vooruit worden gelopen.\n\n4.4.. Omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:39.894Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":40},"1433","ECLI:NL:RBGEL:2026:4927","ecli-nl-rbgel-2026-4927","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 25\u002F280uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaak tussenVereniging tot behoud van natuur en landschap in en om [plaats 1] ,\n\n [eiser 1] ,\n\n [eiser 2] en [eiseres 1] ,\n\n [eiser 3] en [eiseres 2] ,\n\n [eiser 4] ,\n\n [eiseres 3] ,\n\n [eiser 5] ,\n\n [eiseres 4] ,\n\n [eiseres 5],\n\nallen uit [plaats 1] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. L. Mohammad)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, het college\n\n(gemachtigde: G.H. Landeweerd).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V.uit [plaats 2] , het bedrijf\n\n(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers door het college om vergunningen van het bedrijf te wijzigen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het primaire besluit van 14 juni 2024 heeft het college het verzoek van eisers tot wijziging van de vergunningen van het bedrijf afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.1.. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers met [eiser 2] ; de gemachtigde van het college en de gemachtigde van het bedrijf met [persoon A] en [persoon B] .\n\n2.2.. Op de zitting hebben eisers het beroep, voor zover ingediend door [eiseres 1] , ingetrokken. Als de rechtbank hierna van ‘eisers’ spreekt, is dat niet langer [eiseres 1] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Het bedrijf exploiteerde een beton- en asfaltcentrale aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Hiervoor beschikte het bedrijf onder andere over twee milieutoestemmingen van het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland: een revisievergunning van 31 mei 1995en een veranderingsvergunning van 12 december 2000.\n\nDe revisievergunning ziet op:\n\no de productie van asfalt in een asfaltmenginstallatie;\n\no de productie van betonmortel en specie in een betonmortelcentrale;\n\no de productie van breekasfaltcement (BRAC) in een betoncentrale;\n\no het in gebruik hebben van een mobiele puinbreekinstallatie;\n\no het overslaan van zand en grind; en\n\no het exploiteren van een tankplaats en een werkplaats.\n\nDe veranderingsvergunning zag op de uitbreiding van de werktijden van het bedrijf naar de avond en nacht door het naar keuze van het bedrijf (gedeeltelijk) verschuiven van de productie en bijbehorend transport ten behoeve van wegenonderhoudswerkzaamheden.\n\n3.1.. Op 13 december 2006 zijn onder meer de provincie Gelderland, de gemeente Wageningen en het bedrijf overeengekomen dat alle asfaltactiviteiten op deze locatie uiterlijk op 31 december 2009 moesten worden beëindigd door deze activiteiten te verplaatsen naar een andere locatie. Dit is vastgelegd in een overeenkomst. Op 31 december 2009 zijn de asfaltactiviteiten van het bedrijf op deze locatie feitelijk beëindigd. Op 5 maart 2024 hebben eisers het college op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet, samengevat, verzocht: “de revisievergunning van 31 mei 1995 in te trekken, voor zover deze betrekking heeft op de asfaltcentrale. Bovendien wordt ook verzocht alle andere vigerende vergunningen met betrekking tot de asfaltactiviteiten in te trekken. Ook wordt u verzocht de gedeelde voorschriften tussen de beton- en asfaltcentrale aan te passen, zodat deze voorschriften de milieuruimte van de asfaltcentrale niet langer omvat.”3.2.. Op 16 mei 2024 heeft het college het voornemen geuit om de revisievergunning van 31 mei 1995 gedeeltelijk in te trekken voor zover die ziet op de productie van asfalt in een asfaltmenginstallatie, de productie van breekasfaltcement in een betoncentrale, eventuele andere asfaltactiviteiten van welke aard dan ook en alle daarmee samenhangende activiteiten, waaronder in elk geval de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van gereed product. Verder is het college voornemens de veranderingsvergunning van 12 december 2000 volledig in te trekken. Aan dit voornemen ligt artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet ten grondslag. Het college is niet voornemens om de voorschriften van de revisievergunning te wijzigen. Omwonenden en het bedrijf hebben een zienswijze ingediend.\n\n3.3.. Op 14 juni 2024 heeft het college de vergunningen conform het voornemen deels ingetrokken. Specifiek zijn de activiteiten met betrekking tot de productie van asfalt in een asfaltmengcentrale en de productie van breekasfaltcement in een betoncentrale en bijbehorende vervoersbewegingen ingetrokken. Volgens het besluit resteert er nu op deze locatie een omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten en volumes:\n\nproductie van beton in een betoncentrale met een maximale jaarlijkse productie van 140.000 ton;\n\nproductie van mix in een betoncentrale met een maximale jaarlijkse productie van 10.000 ton;\n\nhet breken van puin\u002Fsteenachtige materialen tot een maximale jaarlijkse productie van 112.000 ton;\n\nhet overslaan van 50.000 ton zand en grind, onder meer voor een productielocatie elders.\n\nVerder resteren er nog transportactiviteiten voor deze activiteiten en wijzigt het besluit niets aan de andere activiteiten (o.a. weegbrug, werkplaats, laboratorium, kantoren).\n\n3.4.. Eisers en het bedrijf hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het bestreden besluit van 6 december 2024 op de bezwaren is het college bij de gedeeltelijke intrekking gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij zijn – kort gezegd – van mening dat het college ten onrechte heeft nagelaten de vergunningsvoorschriften ten aanzien van de maximale productie van de puinbreker en de geluidsvoorschriften naar beneden bij te stellen waardoor de milieuruimte die bij de asfaltactiviteiten hoorde voor het bedrijf beschikbaar blijft. Zij vrezen dat het bedrijf die milieuruimte zal invullen met andere bedrijfsactiviteiten waardoor de beëindiging van de asfaltactiviteiten voor hen niet tot een verbetering leidt.\n\nHet geldende recht in deze zaak\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Dit nieuwe recht geldt in deze zaak, omdat het verzoek van eisers is ingediend na 1 januari 2024.\n\n4.1.. Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers tot wijziging van voorschriften van een revisievergunning uit 1995. In het bijzonder gaat het over het al dan niet wijzigen van voorschrift 10.1 (mobiele puinbreker) en voorschriften 15.1 en 15.2 (geluid).4.1.1.. Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat vergunningvoorschrift 10.1 onder de Omgevingswet wordt aangemerkt als vergunningvoorschrift.\n\n4.1.2.. Van voorschriften 15.1 en 15.2 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze als maatwerkvoorschriften moeten worden aangemerkt onder de Omgevingswet. Volgens het college bepaalt artikel 4.13, vierde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet namelijk dat wanneer op een locatie zowel milieubelastende activiteiten worden verricht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist (in dit geval: de puinbreker en de betonmortelcentrale) als milieubelastende activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (in dit geval: de op- en overslagactiviteiten van zand en grind) vergunningvoorschriften die op beide activiteiten betrekking hebben, gelden als maatwerkvoorschriften voor zover er een bevoegdheid is om daarvoor maatwerkvoorschriften te stellen. Eisers en het bedrijf hebben zich op de zitting bij dit standpunt aangesloten.\n\n4.1.3.. De rechtbank is, anders dan partijen, van oordeel dat voorschriften 15.1 en 15.2, ook onder de Omgevingswet nog als vergunningvoorschriften gelden.Weliswaar zijn op zichzelf staande op- en overslagactiviteiten van zand en grind niet als vergunningplichtige activiteit aangewezen in artikel 3.285 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), maar deze op- en overslagactiviteiten zijn wel als vergunningplichtige activiteit aangewezen als ze plaatsvinden als functioneel ondersteunende activiteit bij de betonmortelcentrale. Dat volgt uit artikel 3.115, onder c, gelezen in verbinding met artikel 3.111, eerste en tweede lid, van het Bal. De op- en overslagactiviteiten van zand en grind staan in dit geval naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet op zichzelf, maar zijn ten dienste van en functioneel ondersteunend aan de betonmortelcentrale van het bedrijf, zowel op deze locatie als op de locatie in Veenendaal. Zo volgt bijvoorbeeld uit de revisievergunning zelf dat de “hoofdactiviteiten” van het bedrijf de productie van asfalt en de productie van betonmortel betreffen en de “nevenactiviteiten” de mobiele breekinstallatie, het overslaan van zand en grind en het exploiteren van een tankplaats en werkplaats. Deze nevenactiviteiten worden (voornamelijk) ingezet om daarmee de hoofdactiviteit, namelijk de productie betonmortel, te kunnen uitvoeren.\n\nOmvang geding\n\n5. Het beroep van eisers beperkt zich tot de afwijzing van hun verzoek om de voorschriften van de revisievergunning te wijzigen in die zin dat deze de capaciteit van de asfaltactiviteiten niet langer omvat. Eisers betwisten de intrekking niet.\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast - en dat is tussen partijen ook niet in geschil - dat het college het bevoegde gezag is en dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Verder stelt de rechtbank vast dat sprake is van een discrepantie tussen tabel 5 uit de revisievergunning en de in het beroepschrift weergegeven tabel 5 en dat van de in het beroepschrift weergegeven tabel moet worden uitgegaan. Verder heeft de rechtbank op de zitting vastgesteld dat het betoog van eisers dat de overeenkomst tussen partijen niet voldoende zou worden nagekomen, een civielrechtelijke kwestie is waarover de bestuursrechter in deze zaak niet kan oordelen.\n\nReikwijdte verzoek\n\n6. In de zittingsagenda heeft de rechtbank aangekondigd dat in ieder geval de reikwijdte van het oorspronkelijke verzoek van eisers zou worden besproken aan de hand van de volgende vragen: “wat is de reikwijdte van het verzoek? En wat is het wettelijk kader voor de beoordeling\u002Ftoetsing van een verzoek om intrekking\u002Fwijziging van de voorschriften? Mede gelet op 5.40, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet.”\n\n6.1.. Op de zitting waren eisers en het college het er over eens dat het verzoek niet alleen is bedoeld als een verzoek om intrekking op grond van artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet, maar ook als een verzoek om wijziging van de voorschriften van de revisievergunning in die zin dat de asfaltactiviteiten daar geen deel meer van uit maken. Dit volgt volgens hen uit de bewoordingen van het verzoek en het besluit van het college waarin het verzoek om wijziging is afgewezen. Eisers en het college zijn het erover eens dat het wettelijk kader voor wijziging van deze vergunningvoorschriften volgt uit artikel 5.40, eerste lid, van de Omgevingswet.\n\n6.2.. De gemachtigde van het bedrijf heeft op de zitting gesteld dat het verzoek niet zag op wijziging van voorschriften 15.1 en 15.2. Het verzoek was namelijk alleen gericht op het verminderen van de milieuruimte van de vroegere asfaltactiviteiten en voorschriften 15.1 en 15.2 zien op veel meer activiteiten van het bedrijf dan de asfaltactiviteiten.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek terecht heeft opgevat als een verzoek om wijziging van de vergunningvoorschriften. Eisers hebben namelijk verzocht om “de gedeelde voorschriften tussen de beton- en asfaltcentrale aan te passen, zodat deze voorschriften de milieuruimte van de asfaltcentrale niet langer omvat.”Dat voorschriften 15.1 en 15.2 ook andere activiteiten omvatten doet daaraan niet af, omdat eisers hebben verzocht om aanpassing van de voorschriften voor zover deze de milieuruimte van de asfaltcentrale omvatten.\n\nVoorschrift 10.1: de capaciteit van de mobiele puinbreker\n\n7. Eisers stellen dat het college voorschrift 10.1 had moeten wijzigen in die zin dat de puinbreker geen puin meer mag breken voor asfaltactiviteiten. Het college had concreet de hoeveelheid puin van 112.000 ton per jaar uit voorschrift 10.1 moeten verminderen en moeten terugbrengen naar 62.500 ton puingranulaat per jaar. Uit de aanvraagvolgt namelijk dat de productiecapaciteit van de puinbreker is onderverdeeld in 50.000 ton breekasfalt en 62.500 ton puingranulaat per jaar. Nu de aanvraag volgens voorschrift 1.1 onderdeel uitmaakt van de revisievergunning en deze voor wat betreft de asfaltactiviteiten is ingetrokken, had het college ook de hoeveelheid puin in voorschrift 10.1 moeten verminderen, aldus eisers.\n\n7.1.. \n\nHet college heeft voorschrift 10.1 niet gewijzigd, omdat het enkele feit dat in de bijlage bij de aanvraag een onderverdeling is gemaakt tussen asfalt- en puingranulaat niet maakt dat deze onderverdeling niet zou kunnen verschuiven ten gunste van de inzet van granulaat ten behoeve van de betoncentrale, ook al omdat in de aanvraag is aangegeven dat het in de tabel gaat om globale hoeveelheden. De van de breekactiviteiten te verwachten milieueffecten zullen door die verschuiving ook niet toenemen, mits zij blijven binnen het vergunde volume van maximaal 112.000 ton per jaar.\n\nVolgens het college is voorschrift 10.1, gelet op het bepaalde in voorschrift 1.1 juist leidend, omdat 10.1 niet anders bepaalt dan de aanvraag.\n\n7.2.. \n\nIn voorschrift 10.1 staat:\n\n“Per jaar mag op de locatie \" [plaats 3] \" [naam bedrijf 1] B.V. (gelegen [locatie 2] te [plaats 3] ) en de onderhavige inrichting tezamen ten hoogste 112.000 ton van de steenachtige fractie van het bouw- en sloopafval worden gebroken.”\n\nIn voorschrift 1.1 staat:\n\n“De inrichting moet in overeenstemming zijn met de bij de vergunningaanvraag behorende gegevens en tekeningen, tenzij de aan de vergunning verbonden voorschriften anders bepalen. De aanvraag om vergunning en de daarin of daarbij verstrekte gegevens en de daarbij behorende tekeningen, worden geacht deel uit te maken van de vergunning.”\n\nIn de in het beroepschrift weergegeven tabel 5staat, voor zover relevant:\n\nTabel 5 (2e vervolg): Grond- en hulpstoffen, tussen- en eindproducten inrichting [plaats 1] van [naam bedrijf 1] B.V.\n\n7.3.. Op grond van artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.7.4.. De rechtbank is van oordeel dat het college in wat eisers naar voren hebben gebracht in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om vergunningvoorschrift 10.1 te wijzigen. De rechtbank acht daartoe het volgende van belang. Volgens eisers kan uit het aangehaalde deel van tabel 5 worden afgeleid dat de in voorschrift 10.1 vergunde maximale breekcapaciteit van 112.000 ton is onderverdeeld in 50.000 ton breekasfalt en 62.500 tonpuingranulaat. De beëindiging van de asfaltactiviteiten zou volgens hen dan ook tot gevolg moeten hebben dat de maximale capaciteit in voorschrift 10.1 moet worden teruggebracht tot alleen de 62.500 ton puingranulaat. De rechtbank stelt echter vast dat de koppeling die eisers leggen tussen tabel 5 en voorschrift 10.1 niet opgaat. Voorschrift 10.1 gaat namelijk over de invoer van het materiaal in de puinbreker, terwijl het door eisers bedoelde deel van tabel 5 gaat over de het eindproduct, de geproduceerde hoeveelheid. Met andere woorden: voorschrift 10.1 heeft betrekking op hetgeen ín de puinbreker gaat terwijl tabel 5 gaat over de verdeling van de eindproducten die daaruit komen. Dat betekent dat de vergunde capaciteit van 112.000 ton uit voorschrift 10.1 niet op basis van tabel 5 kan worden verdeeld in een deel dat ziet op de asfaltactiviteiten en een deel dat niet ziet op de asfaltactiviteiten. Alleen al hierom is wijziging van dit voorschrift om de reden die eisers noemen niet aan de orde en is de discussie tussen partijen over of het voorschrift of de aanvraag leidend in dit verband ook niet relevant. Verder kent voorschrift 10.1 geen beperking voor de invoer van materiaal per activiteit en heeft het college onderbouwd dat de van de breekactiviteiten te verwachten milieueffecten ook niet zullen toenemen mits zij binnen het in voorschrift 10.1 vergunde volume blijven. Eisers hebben daar niets tegenover gesteld.\n\nVoorschriften 15.1 en 15.2: geluidgrenswaarden\n\n8. Volgens eisers had het college de geluidgrenswaarden in voorschriften 15.1 en 15.2 moeten aanpassen nu de geluidruimte van de asfaltcentrale als dominante geluidbron is verdwenen. Eisers willen niet dat het bedrijf deze geluidruimte inzet voor andere activiteiten. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat deze geluidruimte mag blijven worden ingezet voor de nog werkende betoncentrale, dat de puinbreker daarin de overheersende bron zou zijn en de werking daarvan door aanpassing van de geluidgrenswaarden zou worden gefrustreerd. Eisers hebben hier een notitie van deskundige [naam deskundige] tegenover gesteld.Uit deze deskundigennotitie volgt dat de equivalente geluidgrenswaarden in voorschrift 15.1, zonder de geluidbronnen van de asfaltcentrale in de dagperiode 2 dB(A) en in de nachtperiode met 16 dB(A) hoger zijn dan nodig is.\n\n [naam deskundige] heeft daartoe de bijdragen van de geluidbronnen van de asfaltcentrale in mindering gebracht op de geluidimmissie bij de hoogst belaste woning aan [locatie 3] (de woning van eiser [eiser 1] ). [naam deskundige] concludeert dat de geluidbijdrage ten opzichte van vergunningvoorschrift 15.1 (gemiddeld LAeq 53, 27 en 44 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode), in de dag-, en nachtperiode 1,5 en 15,8 dB(A) lager zijn, namelijk 51,5 en 28,2 dB(A).Als de in voorschrift 15.1 vergunde waarden in stand blijven, zijn in de dag- en nachtperiode dus afgerond 2 en 16 dB(A) teveel vergund richting woningen en zonegrens van het gezoneerd industrieterrein, aldus eisers. Omdat de veranderingsvergunning is ingetrokken is hetgeen daarin is vergund niet meer van belang.8.1.. Het college heeft geweigerd om voorschriften 15.1 en 15.2 te wijzigen, omdat weliswaar de geluidemissies van de asfaltactiviteiten wegvallen, maar dit nog niet betekent dat de geluidvoorschriften moeten worden aangepast. Met de geldende geluidvoorschriften is namelijk op de meest belaste woning nog steeds sprake van een aanvaardbare situatie en is er geen aanleiding te veronderstellen dat de omgeving met de geldende vergunningvoorschriften naar objectieve maatstaven onvoldoende bescherming krijgt. Dit is ook bevestigd in de procedure die destijds bij de Afdeling is gevoerd over de vergunning, waarbij deze voorschriften overeind zijn gebleven en onherroepelijk zijn geworden.Verder acht het college het van belang dat het bedrijf de mogelijkheid heeft en houdt om haar ambities om circulair te werken door afvalstoffen opnieuw als secundaire grondstof in te zetten. Het college kiest daarom voor conservering van de huidige productieomvang met de daarbij geldende geluidgrenswaarden. Verder zou het aanpassen van de voorschriften mogelijk het in werking zijn van de puinbreker of andere activiteiten op de locatie belemmeren.\n\n8.2.. Voorschriften 15.1 en 15.2 luiden:\n\n8.3.. \n\nOp grond van artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning onder voorwaarden wijzigen in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.\n\nOp grond van artikel 8.97, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd. Op grond van artikel 8.9 van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit alleen verleend als er, onder andere, geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt.\n\n8.3.1.. Het college heeft beleidsruimte om een voorschrift al dan niet te wijzigen en beoordelingsruimte bij de vraag wat moet worden verstaan onder ‘significante milieuverontreiniging’.\n\nVoorschrift 15.1\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid voorschrift 15.1 niet heeft hoeven wijzigen. Weliswaar hebben eisers aan de hand van een deskundigenrapport onderbouwd dat de geluidbelasting als gevolg van het wegvallen van de asfaltactiviteiten in ieder geval in de avond- en nachtperiode minder wordt, maar dat betekent nog niet dat het college ook gehouden was om dit voorschrift te wijzigen. Het college heeft namelijk beleidsruimte om een voorschrift al dan niet te wijzigen met het oog op significante milieuverontreiniging. En met inachtneming van die beleidsruimte heeft het college onderbouwd dat ook bij het geldende, onherroepelijke, geluidvoorschrift sprake is van een (voor eisers) aanvaardbare situatie. Onder die omstandigheid heeft het college er in dit geval in redelijkheid voor kunnen kiezen het belang van het bedrijf tot conservering van de huidige geluidruimte zwaarder te laten wegen dan het belang van eisers bij een vermindering van de geluidsbelasting. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoorschrift 15.29.1.. Eisers hebben de afwijzing van de wijziging van voorschrift 15.2, over de maximale geluidniveaus, niet onderbouwd bestreden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzitter, en mr. M.J.M. Verhoeven en mr. M.A.A. Soppe, leden, in aanwezigheid van mr. K.M. van Leeuwen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De vergunning van 31 mei 1995 met kenmerk [kenmerk 1] .\n\n De vergunning van 12 december 2000 met kenmerk [kenmerk 2]\n\n Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Artikel 3.188, eerste lid, en artikel 3.115 onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).\n\n Artikel 3.285, eerste lid, onder a, van het Bal.\n\n Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Tabel 5 in bijlage 1 bij de aanvraag om de revisievergunning van 6 oktober 1993.\n\n Zoals hiervoor in 5.1 overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat van deze tabel moet worden uitgegaan.\n\n Deze 62.500 is in tabel 5 onderverdeeld in 3.000 ton naar de betonmortelcentrale en 59.500 ton naar derden per as.\n\n “Geluidsnormering vergunde activiteiten [naam bedrijf 1] zonder asfaltcentrale” van 4 april 2025 door [naam deskundige] van [naam bedrijf 2] .\n\n Omdat er in de aanvraag van 1994 geen asfaltactiviteiten in de avondperiode waren, treedt voor de avondperiode geen verandering op.\n\n Het college verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 14 april 1998, E03.95.1155.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4927","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.802Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":30,"updatedAt":49},"1007","ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","ecli-nl-rbgel-2026-4890","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F1372 en 25\u002F1384uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n [eiseres] ,\n\nen\n\n [eiser] , beide wonend in [plaats 1] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. M.M. Mintjes).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. T. de Boer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning\n\nvoor het realiseren van 3 padelbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen naast de al aanwezige tennisbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Het college heeft deze omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOvergangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet\n\n3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).\n\nDe aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 22 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n4. De derde-partij is eigenaar van de gronden die horen bij sportpark [naam sportpark] . Het sportpark is gevestigd aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Op het sportpark ligt onder andere een tennispark. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen.De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”, omdat het bouwplan buiten het bouwvlak ligt. Dit is in strijd met artikel 1.2, eerste lid van de planvoorschriften. Het bouwplan past ook niet binnen de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, omdat de aangevraagde hekwerken en lichtmasten hoger zijn dan toegestaan. Om het bouwplan toch mogelijk te maken is afgeweken van het bestemmingsplan.\n\n4.1.. \n\nAan de aanvraag ligt de ruimtelijke onderbouwing “Padelbanen [locatie 2] en [locatie 1] ” van 6 juni 2024 ten grondslag.\n\nHet bouwplan valt ook onder het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”. In artikel 3.1 van dat bestemmingsplan is de verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen slechts wordt verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's. De derde-partij heeft een parkeeronderzoek overgelegd waaruit blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen zijn. Het college heeft het ruimtelijk aanvaardbaar geacht om op basis van de ruimtelijke onderbouwing de omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Het college heeft vervolgens de omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.4.2.. Eisers wonen allebei in de directe omgeving van het sportpark.\n\nParticipatie\n\n5. Eisers voeren aan dat omwonenden niet zijn betrokken bij de planvorming. Hierdoor zijn de belangen van de omwonenden volgens eisers onvoldoende meegewogen. Volgens eisers is geen sprake geweest van participatie. Dit terwijl dit wel was aangekondigd in de raadsbrief van 27 augustus 2024. Eisers geven aan dat in eerste instantie door de wethouder is verklaard dat voor de locatie [locatie 1] geen maatwerkvoorschriften nodig zouden zijn omdat de geluidsnormen niet worden overschreden. Uiteindelijk zijn er wel maatwerkvoorschriften vastgesteld. Omwonenden zijn daardoor verkeerd voorgelicht en op oneigenlijke wijze buitengesloten van tijdige inspraak en bezwaar, hetgeen hun recht op effectieve rechtsbescherming ernstig heeft aangetast. Volgens eisers heeft het college door omwonenden onvolledig en onjuist te informeren, niet alleen gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ook met het rechtszekerheidsbeginsel.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is participatie een verplichte stap. De aanvraag is echter ingediend voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Omgevingswet en de (wettelijk) verplichte participatie is dus niet van toepassing op deze aanvraag. Wel is het zo dat in 2019 de gemeenteraad het college heeft opgeroepen om inzicht te geven in de wijze waarop omwonenden zijn betrokken en over de planvorming zijn geïnformeerd. In dat verband heeft de tennisvereniging een verslag van de buurtparticipatie aangeleverd. Dat eisers vinden dat hun belangen onvoldoende zijn meewogen in het participatieproces, maakt niet dat de participatie tekortschoot. Het college heeft bij het verweerschrift stukken toegevoegd over de participatie. Er is een informatieavond geweest op 19 augustus 2024 en in de brief van 5 juli 2024 van de secretaris van de tennisvereniging [plaats 2] staat dat er regelmatig contact geweest is met onder andere Wijkplatform [wijkplatform 1] , [wijkplatform 2] en [wijkplatform 3] en bewoners die wonen aan de rand van sportpark [naam sportpark] . Hieruit volgt dat de omwonenden zijn meegenomen in de plannen.\n\n5.2.. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat er onduidelijkheid was over het genomen maatwerkbesluit stelt de rechtbank vast dat in eerste instantie is aangegeven dat er geen maatwerkbesluit nodig zou zijn. Bij de beoordeling van de aanvraag is later gebleken dat dit wel nodig is. Dit is niet per definitie onzorgvuldig maar kan ook een gevolg zijn van voortschrijdend inzicht. Daarnaast is gebleken dat eisers, maar ook andere mensen, tijdig een bezwaarschrift hebben ingediend tegen dat besluit zodat zij niet door de handelswijze van het college in hun belangen zijn geschaad. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.\n\nRuimtelijke onderbouwing\n\n6. Eisers voeren aan dat de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning onvoldoende is. Er wordt volgens eisers op veel aspecten waarop getoetst moet worden vrij summier gesteld dat aan de normen wordt voldaan. Eisers wijzen erop dat het gaat om de aantasting van hun woon- en leefklimaat. De argumenten die eisers daaraan ten grondslag leggen zijn gericht tegen de volgende onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing; geluid, lichthinder, provinciaal beleid en verkeer en parkeren\n\nGeluid6.1.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de geluidssituatie na realisatie van de padelbanen aanvaardbaar zal zijn en geen nadelige gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Volgens eisers heeft het college geen rekening gehouden met de belangen van de directe omwonenden en ook niet met de belangen van kwetsbare groepen, zoals onder meer de bewoners van de penitentiaire inrichting, de bewoners van de flat [naam flatgebouw] (bestaande uit ouderen en zorgbehoevenden), en de bewoners van de focuswoningen. Volgens eisers is in de huidige situatie ook al sprake van overschrijdingen van de geluidsnormen op de bestaande tennisbanen. Deze overschrijdingen zijn door het college bestempeld als een “onvoorziene situatie”. Voor de nieuwe situatie met de padelbanen staat vast dat, zonder aanvullende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm of beperking van de gebruikstijden, opnieuw niet zal worden voldaan aan de geluidsnormen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt een geluidscherm voorgesteld om de geluidsoverlast te beperken maar dit wordt niet uitgevoerd omdat dat in strijd is met het bestemmingsplan. Ook is indirecte hinder, zoals de toename van verkeersbewegingen en de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast, ten onrechte buiten beschouwing gelaten, terwijl deze hinder volgens eisers reëel en relevant is. Het college is bij de beoordeling ten onrechte uitgegaan van de aanduiding “gemengd gebied”. De aanwezigheid van enkele wegen rechtvaardigt niet de kwalificatie als gemengd gebied, zeker niet gezien de directe nabijheid van woonwijken, een verzorgingshuis en een\n\npenitentiaire inrichting. Eisers verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de publicatie “Handreiking Padel en Geluid”.\n\n6.1.1.. \n\nDe derde-partij heeft op 15 februari 2023 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend. Op 3 april 2024 heeft het college besloten maatwerkvoorschriften op te stellen voor het aspect geluid. Op 17 september 2024 is dit besluit gewijzigd omdat er een fout stond in het besluit van 3 april 2024. In het maatwerkvoorschrift geeft het college aan het redelijk te vinden om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan.\n\nHet maatwerkvoorschrift ziet niet op de woningen van eisers waardoor voor deze woningen de norm van 45 dB(A) blijft gelden. Het college heeft er dus voor gekozen om het op deze manier toe te staan en niet te kiezen voor een geluidswal of iets dergelijks. Daarmee wordt volgens het college voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Volgens het college wordt op deze manier voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.\n\n6.1.2.. Eisers hebben allebei een bezwaarschrift ingediend tegen het maatwerkbesluit. In de beslissing op bezwaar van 27 maart 2025 zijn hun bezwaren ongegrond verklaard. In de beslissing op bezwaar heeft het college naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften nader onderbouwd waarom voor een maatwerkvoorschrift van maximaal 49 dB(a) gekozen is en niet voor een geluidsabsorberend scherm in combinatie met de beperking van de openingstijden van de tennis-\u002Fpadelbanen.\n\n6.1.3.. \n\nTijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers desgevraagd bevestigd geen beroep te hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting aangegeven dat er ook door anderen geen beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat het maatwerkbesluit onherroepelijk is en hier in de voorliggende procedure van uit gegaan dient te worden.\n\nVoor zover eisers hebben aangevoerd dat het college bij de beoordeling niet heeft kunnen uitgaan van een gemengd gebied, mist dit betoog feitelijke grondslag. In de reactie op de zienswijzen staat namelijk dat het tennispark en haar omgeving overeenkomstig het gemeentelijke geluidbeleid is gelegen binnen het gebied \"Stadswijk\" en dat de algemene kwalificatie voor de geluidsambities in de stadswijk \"overwegend rustig\" (45 dB(A)) is. Volgens het akoestisch onderzoek, waarin de reactie op de zienswijzen naar wordt verwezen, wordt die norm gehaald ter plaatse van de woningen van eisers. Eisers hebben geen deskundig tegenrapport ingediend waaruit blijkt dat de geluidsbeoordeling niet juist is. Het enkele feit dat in de Handreiking Padel en Geluid wordt uitgegaan van een langere afstand tot omliggende woningen doet daar niet aan af. Met toepassing van het maatwerkvoorschrift is alleen voor enkele andere woningen dan de woningen van eisers redelijk geacht om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan. Daargelaten dat eisers zich bij de bestuursrechter niet met succes kunnen beroepen op normen die niet strekken ter bescherming van hun belangen, ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze afweging redelijkerwijs niet heeft kunnen maken. Het college heeft ook in het kader van het bestreden besluit de geluidsbelasting in beeld gebracht en geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichthinder6.2.. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van lichthinder. Hoewel gesteld wordt dat een onderzoek naar lichthinder is uitgevoerd, blijkt uit de bij de omgevingsvergunning gevoegde stukken niet op welke wijze dit onderzoek heeft plaatsgevonden, noch welke toetsingscriteria zijn gehanteerd. Evenmin wordt inzichtelijk gemaakt hoe is beoordeeld of, en in hoeverre, omwonenden hinder zullen ondervinden van de verlichting van de padelbanen. Gelet op het feit dat de padelbanen naar verwachting zullen worden voorzien van felle verlichting ten behoeve van gebruik dagelijks tot ongeveer 23:00 uur, is het volgens eisers aannemelijk dat sprake zal zijn van lichtoverlast en lichtvervuiling. De omgevingsvergunning maakt niet inzichtelijk welke onderzoeksresultaten zijn gehanteerd bij de beoordeling van deze lichthinder, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. Dit is volgens eisers in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n6.2.1.. \n\nDe beroepsgrond slaagt niet. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat geen normen voor het beoordelen van lichthinder. Er is alleen opgenomen wanneer de lampen moeten zijn uitgeschakeld. Dat is tussen 23.00 uur en 7.00 uur. Daarnaast moet de verlichting uitgeschakeld zijn als er geen sport wordt beoefend en als er geen onderhoud\n\nplaatsvindt. Het college heeft aansluiting gezocht bij de criteria van de commissie Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSW). Volgens de richtlijn Lichthinder uit 2021 ligt het sportpark in zone E3 stedelijk gebied. De grenswaarden op de gevel voor E3 is voor de verticale verlichtingssterkte (Ev)10 lux in de dag en avondperiode (7.00-23.00) en 2 lux in de nachtperiode. Uit het lichtonderzoek “Padelbanen TV [plaats 2] - lichthinderplan” van 13 februari 2023 volgt bovendien dat de verlichtingssterkte bij de woning 0,15 Lux is. Dat is veel lager dan de grenswaarde van 10 Lux. Verder is gekeken naar de verlichtingssterke van het armatuur. Ook die blijf ruim binnen de maximale grenswaarde.Eisers hebben geen tegenrapport in geding gebracht die de conclusie van het college bestrijdt. Op grond daarvan heeft het college kunnen aannemen dat er geen lichthinder zal optreden die maakt dat geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat.\n\nProvinciaal beleid6.3.. Eisers voeren aan dat de ontwikkeling niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie “Gaaf Gelderland” en de Omgevingsverordening Gelderland.\n\n6.3.1.. De beroepsgrond slaagt niet. In paragraaf 3.2 van de ruimtelijke onderbouwing is uitvoerig ingegaan op het van toepassing zijnde provinciale beleid en is tot de conclusie gekomen dat de padelbaan in overeenstemming is met het provinciale beleid. Daarbij is concluderend overwogen dat:\n\n“Met de realisatie van de padelbanen wordt een impuls gegeven aan het sportvoorzieningenniveau en het verenigingsleven in [plaats 3] en [plaats 2] . Doordat de padelbanen op bestaande sportparken worden gerealiseerd, vindt er geen nieuw ruimtebeslag plaats en kan er gebruik worden gemaakt van reeds aanwezige faciliteiten.\n\nDe initiatieven voorzien niet in de winning van fossiele energie en er is ook geen sprake van het toevoegen of onttrekken van warmte aan de bodem of het grondwater.\n\nIn het kader van klimaatadaptie wordt opgemerkt dat de bodem van de padelbanen bestaan uit een drainbeton fundering. Deze heeft goede waterdoorlatende eigenschappen waardoor wateroverlast wordt voorkomen. De aspecten waterveiligheid, droogte en hitte zijn gezien de aard en ligging van de initiatieven niet van toepassing.”\n\nDe enkele stelling van eisers dat de ruimtelijke onderbouwing in strijd is met het provinciale beleid is onvoldoende om aan deze conclusie te twijfelen.\n\nVerkeer en parkeren6.4.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de omgevingsvergunning niet zal leiden tot een substantiële toename van verkeers- en parkeerproblemen in de omgeving. Uit de eigen onderbouwing van het college blijkt dat de\n\nrealisatie van de padelbanen zal resulteren in circa 84 extra verkeersbewegingen per dag. Gelet op de al bestaande situatie, waarin sprake is van aanzienlijke overlast als gevolg van verkeersdrukte en de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein, is deze toename zorgwekkend. Daarnaast zal de toename van bezoekers onvermijdelijk leiden tot een verhoogde parkeerdruk in de omliggende woonwijken. De [locatie 1] en de aanliggende straten bieden slechts beperkte parkeergelegenheid. Door de extra bezoekers zullen automobilisten uitwijken naar woonstraten. Dit zal leiden tot parkeerproblemen, verkeersoverlast en een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Ten slotte ontbreekt in de ruimtelijke onderbouwing iedere bespreking van het gemeentelijke mobiliteitsbeleid, waaronder het Mobiliteitsplan [plaats 1] . In dit beleid wordt onder meer ingezet op een verlaging van de parkeernormen in de stad. Dit kan direct gevolgen hebben voor de beoordeling van de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen zoals de aanleg van de padelbanen.\n\n6.4.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft er terecht op gewezen dat het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” aan het hele sportpark al een sportbestemming toekent. De ruimtelijke effecten van het sportpark (waaronder verkeer\u002Fparkeren) zijn al beoordeeld toen dit bestemmingsplan werd voorbereid. Alle percelen met de bestemming “Sport” kunnen zonder aparte vergunning (dus zonder parkeeronderzoek) in gebruik worden genomen als sportveld, ook de stukken grond die nu nog niet als sportveld zijn ingericht, zoals de beoogde plek voor de padelbanen. De bestemmingsplanafwijking waar nu een vergunning voor wordt gevraagd (het toestaan van een grotere bouwhoogte) veroorzaakt op zichzelf dus geen grotere parkeerbehoefte of extra verkeersbewegingen dan waar in het bestemmingsplan al rekening mee is gehouden. Op pagina 40 van de ruimtelijke onderbouwing is uitgewerkt hoeveel parkeerplaatsen feitelijk meer zullen worden benut ten opzichte van de bestaande situatie. Dat zijn er 7,5, waarmee het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen voor het sportpark op 118,8 uitkomt. Er zijn op het parkeerterrein 213 parkeerplaatsen aanwezig. Dat betekent dat sprake is van een overschot van 94 parkeerplaatsen. Hieruit volgt dat de vrees van eisers dat in de omliggende straten geparkeerd zal worden ongegrond is. In de reactie op de zienswijze staat verder dat het Mobiliteitsplan ten tijde van de verlening van de vergunning in voorbereiding is en nog niet is vastgesteld. Eisers hebben in beroep niet gesteld dat dit onjuist is of toegelicht waarom de vergunning desondanks vanwege het (in voorbereiding zijnde) Mobiliteitsplan had moeten worden geweigerd. In de reactie op de zienswijzen staat verder dat de ontsluitingsweg [locatie 1] ook voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Eisers hebben hun standpunten dat dit toch ontoereikend is niet onderbouwd. Het feit dat eisers overlast ervaren als gevolg de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein maakt het voorgaande ten slotte niet anders. Eventuele bestaande overlast staat los staat van het bestreden besluit dat nu voorligt.\n\n7. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de beroepsgronden geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college de ruimtelijke onderbouwing niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag heeft kunnen leggen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Het gaat om de activiteiten: het (ver)bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk, (…)\n\nen het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…). Zoals opgenomen in artikel 2.1., eerste lid, onder a, b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).\n\n Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo.\n\n De besluitvorming is voorbereid met toepassing van de openbare uniforme voorbereidingsprocedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\n Gelet op artikel 4.8 van de Omgevingswet en artikel 22.45 van het Omgevingsplan van de gemeente Arnhem (geldend vanaf 31 januari 2024) stellen wij maatwerkvoorschriften op.\n\n Op grond van artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht.\n\n Die mag maximaal 10.000 Cd (Candela) zijn. Bij een verlichtingssterkte bij de woning van 0,15 Lux betekent dit een lichtsterkte (Cd) van de armatuur van ongeveer 0,15 *(afstand woning in het kwadraat) 95*95= 1353. 1353 is fors lager dan 10.000 Cd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.656Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":30,"updatedAt":58},"1061","ECLI:NL:RBGEL:2026:4765","ecli-nl-rbgel-2026-4765","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 23\u002F3607, ARN 23\u002F3543 en 23\u002F4010\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\n [eiseres 1], uit [plaats], eiseres 1\n\n(gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw),\n\n [eiser (als onderdeel van eisers 2)] en [eiseres (als onderdeel van eisers 2)], uit [plaats], samen: eisers 2\n\n(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),\n\n [villapark (eisers 3)], uit [plaats],\n\n [recreatiepark (eisers 3)], uit [plaats]\n\n [resort (eisers 3)], uit [plaats], samen: eisers 3\n\n(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en J.P.H. de Bruijn),\n\nallen gezamenlijk eisers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal\n\n(gemachtigde: mr. M.L. van Kalsbeek).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaak deel:\n\n [derde-partij]\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]); en\n\nde Staat der Nederlanden(de minister van Veiligheid en Justitie).\n\nSamenvatting\n\n1. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. De beroepen van eisers zijn gegrond omdat er een motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar zit. Toch maakt dit de uitkomst niet anders, omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 in stand laat. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.Procesverloop\n\n2. Het college heeft op 26 september 2022 een omgevingsvergunning verleend aan de derde-partij voor het realiseren van twee padelbanen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Met de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.\n\n2.1.. Eisers hebben (afzonderlijk) beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een (gezamenlijk) verweerschrift. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2025.\n\n2.2.. In de tussenuitspraak van 27 november 2025 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.\n\n2.3.. Het college heeft op 3 februari 2026, op basis van een deskundigennotitie van Peutz van 23 januari 2026 (hierna: de aanvullende notitie van Peutz), een aanvullende motivering van het bestreden besluit ingediend.\n\n2.4.. Eiseres 1 en eisers 3 hebben hierop op 20 februari 2026 respectievelijk 11 maart 2026 schriftelijk gereageerd (hierna: de zienswijzen). Eisers 2 hebben niet gereageerd.\n\n2.5.. De rechtbank heeft het college vervolgens nog gelegenheid geboden om te reageren op de zienswijze van eisers 3. Het college heeft daarvan gebruik gemaakt; zijn reactie is op 8 april 2026 bij de rechtbank binnengekomen. Voor eisers 3 was dit aanleiding om op 4 mei 2026 nog een aanvullende reactie naar de rechtbank te sturen.\n\n2.6.. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.\n\n2.7.. De tennisvereniging heeft geklaagd over de duur van de procedure.\n\nOverwegingen\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.\n\nWelk gebrek heeft de rechtbank geconstateerd?\n\n3.1.. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover hier van belang, overwogen dat de padelkooi (uitsluitend) aan de kopse kanten, de bouwvoorschriften met één meter overschrijdt. Door de plaatsing van een balustrade krijgt de padelkooi daar namelijk een hoogte van vier meter. Het college heeft de extra geluidbelasting als gevolg van de balustrade ten onrechte niet meegenomen in de ruimtelijke afweging en heeft onvoldoende gemotiveerd dat het toestaan van een hogere bouwhoogte (vanwege de balustrade) uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen heeft. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om te motiveren waarom een toename van de geluidsbelasting ten gevolge van de balustrade niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is daarom gegrond en het besluit moet daarom in zoverre worden vernietigd.\n\n3.2.. Het college is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen door te motiveren wat de gevolgen van de balustrade zijn voor de geluidbelasting op de omgeving. Het college heeft met de brief van 3 februari 2026 van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank moet daarom nu alleen nog beoordelen of het gebrek met de brief is hersteld en of door de aanvullende motivering de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank doet dat aan de hand van de zienswijzen van eisers. In die zienswijzen voeren eisers, samengevat, de volgende twee punten aan: (1) de toegepaste voorbereidingsprocedure; en (2) de kwaliteit van het aanvullende onderzoek.\n\nIs er aanleiding om terug te komen op de in de tussenuitspraak gegeven oordelen?\n\n4. Eisers 3 kunnen zich niet vinden in de in de tussenuitspraak van 27 november 2025 gegeven oordelen over de strijdigheden met het bestemmingsplan en de reikwijdte van de te maken afweging. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 mei 2025betogen eisers 3 dat de vergunning niet met toepassing van de kruimelgevallenregeling,en daarmee de reguliere voorbereidingsprocedure, vergund had kunnen worden. Volgens eiser is de zaak die voorligt namelijk vergelijkbaar met de zaak waarin de Afdeling die uitspraak heeft gedaan. Daar ging het namelijk (ook) om een verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van padelbanen, waarbij de glazen wanden van 4 meter hoog niet in overeenstemming waren met de planregels én er een aanlegvergunning nodig was voor het aanbrengen van de verhardingen voor de padelbanen. Eisers 3 stellen dat de situatie dat de Afdeling na de zitting in een vergelijkbare zaak een andersluidende uitspraak heeft gedaan, zo uitzonderlijk is dat kan en moet worden teruggekomen van de in de tussenuitspraak gegeven oordelen. Eisers betogen daarom dat het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, in tegenstelling tot wat de rechtbank daarover in rechtsoverweging 9 van de tussenuitspraak heeft gezegd, over meer dient te gaan dan de eventuele geluidsbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college in deze.\n\n4.1.. Het college stelt zich primair op het standpunt dat in deze zaak artikel 4, onderdeel 3, van bijlage II van het Bor en daarmee ook de reguliere voorbereidingsprocedure terecht is toegepast. Daarnaast voert het college aan dat van een uitzonderlijke situatie geen sprake is, omdat de Afdelingsuitspraak van eerdere datum is dan de tussenuitspraak en verondersteld mag worden dat de oordelen in de tussenuitspraak zijn gegeven naar de stand van de rechtspraak op dat moment. Inhoudelijk gezien brengt het college nog naar voren dat de Afdelingsuitspraak niet toepasbaar is in de voorliggende zaak.\n\n4.2.. Volgens vaste rechtspraak mag de rechtbank slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel.Daarvan is in dit geval geen sprake.\n\n4.3.. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het geding zoals dat na die tussenuitspraak kan worden gevoerd in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in die tussenuitspraak. Daarbij heeft de rechtbank aangekondigd dat zij het in beginsel in strijd met de goede procesorde acht als na de tussenuitspraak nieuwe geschilpunten worden ingebracht. Specifiek voor deze zaak heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat het geschil dus alleen nog gaat over de eventuele geluidsbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college op dit punt, omdat op alle andere onderwerpen in de tussenuitspraak al is ingegaan.\n\n4.4.. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van dit in de tussenuitspraak geformuleerde uitgangspunt. Daarvoor is van belang dat de Afdelingsuitspraak waar eisers 3 naar verwijzen weliswaar dateert van ná de zitting in de voorliggende zaak, maar dat de tussenuitspraak van weer latere datum is. Dat betekent dat de Afdelingsuitspraak is meegenomen in de oordeelsvorming van de rechtbank, omdat als uitgangspunt geldt dat de rechtbank uitspraak doet naar de stand van de rechtspraak op het moment van de (tussen)uitspraak. Overigens hadden eisers 3 naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak om heropening van het onderzoek kunnen verzoeken,vóórdat de rechtbank uitspraak zou doen. Zij hebben daarvan afgezien, ondanks dat daar ruimschoots tijd voor was.\n\n4.5.. Ook in de beroepsgrond die eisers 3 aanvoeren en die gaat over de onterechte toepassing van de kruimelgevallenregeling en de reguliere voorbereidingsprocedure, ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op de tussenuitspraak. Deze beroepsgrond is namelijk niet nieuw en in wezen al beoordeeld in de tussenuitspraak van 27 november 2025. Omdat de rechtbank in de tussenuitspraak tot het oordeel is gekomen dat padel op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, is zij niet toegekomen aan het betoog van eisers 3 dat vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan het gebruik van de gronden voor padel met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure had moeten worden vergund.Ook ambtshalve heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure heeft toegepast.\n\nHeeft het college het gebrek hersteld?\n\n5. Eiseres 1 betoogt dat het college het gebrek niet heeft hersteld en dat de aanvullende notitie van Peutz de conclusie van het college dat de geluidsbijdrage van de balustrade op de totale geluidsemissie van de padelbanen akoestisch verwaarloosbaar is, niet kan dragen. Daartoe voert eiseres 1 aan dat:\n\nde frequentie van het contact van de bal met de balustrade is onderschat, omdat geen rekening is gehouden met het gebrek aan balcontrole van recreanten en incidentele padelspelers;\n\nde focus op het geluidniveau van het balcontact met de balustrade te beperkt is, omdat juist de tonaliteit en het impulsieve karakter van het geluid binnen de context van een camping (waarin enkel een tentdoek als scheidingswand met de omgeving dient) belastend is;\n\nde balustrade een hogere spelintensiteit faciliteert; en\n\ndat de gegevens waarmee het college de stellingen vergelijkt, dateren uit 2019 en daarmee verouderd zijn.\n\n5.1.. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.\n\n5.2.. \n\nIn de aanvullende notitie concludeert adviesbureau Peutz “dat het aantal keer dat de bal de balustrade raakt (gecombineerd - zowel rechtstreeks als via de grond) minder dan 1% van het aantal slagen tijdens het padellen bedraagt. De geluidemissie die hierdoor wordt veroorzaakt, is bovendien lager dan de geluidemissie van het gemiddelde padelspel (alle slagen gecombineerd). Daaruit volgt dat de geluidbijdrage van de balustrade minder dan 1% bedraagt van de totale geluidemissie van de padelbaan. Dit kan als akoestisch verwaarloosbaar beschouwd worden.”Het college heeft mogen afgaan op dit advies nu er door eiseres 1 geen tegenadvies is ingediend van een deskundige met een andersluidende conclusie. De opsomming van niet nader onderbouwde tekortkomingen die eiseres 1 aan de notitie verbindt zijn daarmee niet gelijk te stellen. Daarvoor acht de rechtbank bijvoorbeeld van belang dat niet is komen vast te staan dat adviesbureau Peutz bij de berekening van de frequentie van het balcontact geen rekening heeft gehouden met de vaardigheid van de padelspelers. Hoewel gebruik is gemaakt van spelanalysegegevens van spelers uit de Italiaanse sub-elite competitie, is in het rapport wel degelijk erkend dat de contactfrequentie afhangt van het niveau van de spelers. De rechtbank verwijst daarvoor naar de volgende passages in de aanvullende notitie van Peutz:\n\n“Hierbij is uiteraard sprake van enige mate van spreiding, die mede afhangt van het niveau van de spelers.”\n\n“Naast het literatuuronderzoek zijn ook meerdere recreatieve padelspelers geraadpleegd, om een inschatting te vragen van het aantal keer dat de bal de balustrade raakt tijdens hun spel (op welke wijze dan ook). De consensus uit deze steekproef is dat de balustrade “enkele malen” per uur geraakt wordt.”\n\nDaarnaast heeft eiseres 1 onvoldoende onderbouwd dat het college de aard van het geluid met de aanvullende notitie van Peutz heeft genegeerd. De stelling van eiseres 1 dat het contact van een ‘harige’ bal met een ijzeren balustrade leidt tot een schel rinkelend geluid, volgt de rechtbank niet. Dit zou voorstelbaar zijn in geval van twee metalen objecten die met elkaar in aanraking komen, maar daar is in dit geval geen sprake van. Wat eiseres 1 verder nog naar voren brengt over het impulsieve karakter van het geluid en de context van de camping waarin de geluidsbelasting wordt ervaren, merkt de rechtbank op dat dat voor het contact van de bal met de balustrade niet anders geldt dan voor het contact van de bal met de glazen wand. En dat laatste is in principe binnen de kaders van het bestemmingsplan toegestaan. In wat eiseres 1 hierover heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding om te oordelen dat de aard of de contact van het geluid onterecht onderbelicht is door het college.\n\nDe opmerking van eiseres 1 dat de balustrade een hogere spelintensiteit faciliteert is voor de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan de aanvullende notitie van Peutz. Daarvoor is van belang dat de balustrade weliswaar ballen binnen het speelveld houdt, maar dat dat niet betekent dat het spel ongestoord en met een hoge spelintensiteit doorgang kan vinden. Dat is af te leiden uit de (relevante) spelregels die het college in zijn aanvullende motivering benoemt:\n\n“Een bal mag namelijk niet rechtstreeks het metalen hekwerk (waartoe ook de balustrade behoort) raken. De bal is dan ‘uit’. Een bal mag ook niet teruggespeeld worden via het hekwerk. Spelers zullen een dergelijke slag in het spel daarom zo veel mogelijk proberen te voorkomen. Wel mag de bal na één keer stuiteren op de grond het hekwerk raken. Om echter in die situatie tot aan de balustrade te komen, moet de bal na één keer stuiteren op de grond nog zoveel kracht hebben dat de bal meer dan 3 meter hoog opveert. De meeste ballen halen dit niet.”\n\nTot slot acht de rechtbank de opmerking dat het college verouderde gegevens betrekt bij de waardering van de stellingen van adviesbureau Peutz over de ruimtelijke aanvaardbaarheid, onvoldoende om aan de aanvullende notitie van Peutz of de aanvullende motivering van het college te twijfelen. Vooral omdat eiseres 1 daar zelf geen recentere gegevens tegenover zet, en zij in haar formulering eigenlijk laat doorschemeren dat de gegevens uit 2019 ook wel zouden kunnen voldoen. Zo voert eiseres 1 aan:\n\n“Het is onzorgvuldig om de ruimtelijke aanvaardbaarheid in 2026 te baseren op meetgegevens uit 2019, diemogelijk (onderstreping: rechtbank) niet voldoen aan de huidige stand der techniek qua meting van impuls- en tonaal geluid.”\n\n5.3.. Gelet op wat de rechtbank onder 5.2 heeft overwogen slaagt het betoog van eiseres 1 niet.\n\n5.4.. Daarnaast hebben eisers 3 in hun reactie op de brief van het college aangegeven geen op- of aanmerkingen te hebben over de aanvullende notitie van Peutz of de gegeven motivering van het college en hebben eisers 2 helemaal niet meer gereageerd op de brief van het college. De rechtbank oordeelt daarom dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van de geluidsbelasting op de directe omgeving ten gevolge van de balustrade van de padelbaan verwaarloosbaar is en dat de balustrade dus enkel stedenbouwkundige gevolgen heeft.\n\nSchadevergoeding overschrijding redelijke termijn\n\n6. De rechtbank ziet in de klacht van de tennisvereniging over de lange duur van de procedure een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarvoor is niet vereist dat iemand beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.Over het verzoek om schadevergoeding van de tennisvereniging oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n6.1.. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een zaak waarbij het besluit is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, begint de redelijke termijn op het moment dat bezwaar is gemaakt tegen het besluit. De behandeling van de zaak tot en met de uitspraak in beroep mag maximaal twee jaar duren.De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond.\n\n6.2.. Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid ten laste van het college respectievelijk de Staat worden uitgesproken. De regel die daarbij geldt is dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.\n\n6.3.. In een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het college toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak ten hoogste anderhalf jaar heeft geduurd en de rechtbank vervolgens binnen één jaar einduitspraak doet na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld.\n\n6.4.. In deze zaak is het eerste bezwaarschrift, dat van eisers 3, ingediend op 24 oktober 2022. Daarna volgden de twee bezwaarschriften van eiseres 1 en eisers 2 op 1 november 2022. Dat betekent dat inmiddels 43 maanden zijn verstreken en de redelijke termijn met 19 maanden is overschreden.\n\n6.5.. De schadevergoeding bedraagt € 500,- voor ieder half jaar dat de termijn is overschreden. Van het moment van het indienen van het bezwaar tot deze uitspraak komt dat neer op een overschrijding van 19 maanden. Dat betekent dat de tennisvereniging aanspraak maakt op een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000,-. Voor dit verzoek krijgt de tennisvereniging een proceskostenvergoeding van 1 punt (€ 934,- per punt) met een wegingsfactor 0,5.Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 467,-.\n\n6.6.. De behandeling door de rechtbank van het beroep tegen het besluit van 22 mei 2023 heeft vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 16 juni 2023 tot de tussenuitspraak op 27 november 2025 afgerond naar boven 30 maanden geduurd. Dit is 12 maanden langer dan de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Vervolgens heeft de rechtbank binnen één jaar einduitspraak gedaan. Hieruit volgt dat een overschrijding van 7 maanden aan het college is toe te rekenen en 12 maanden aan de rechtbank. Het bedrag van € 2.000,- zal naar evenredigheid worden toegerekend aan het college en de Staat. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van een bedrag van totaal € 908,89,- (7\u002F19 x € 2.000,- en 7\u002F19 x € 467,-) en de Staat tot betaling van een bedrag van totaal € 1.558,11 (12\u002F19 x € 2.000,- en 12\u002F19 x € 467,-).\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, zijn de beroepen van eisers gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n7.1.. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert punten op voor de verschillende proceshandelingen: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus. Dat betekent dat voor eisers de volgende vergoedingen aan de orde zijn:\n\npunten\n\nvergoeding\n\neiseres 1\n\n2,5\n\n€ 2.335, -\n\neisers 2\n\n2\n\n€ 1.868, -\n\neisers 3\n\n2,5\n\n€ 2.335, -\n\nDe vergoeding bedraagt in totaal dus € 6.538, -.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven;\n\ndraagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres 1, van € 184,- aan eisers 2 en van € 365,- aan eisers 3 te vergoeden;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 2.335,- , van eisers 2 tot een bedrag van € 1.868,- en eisers 3 tot een bedrag van € 2.335,- ;\n\nveroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding van € 908,89,- aan de tennisvereniging;\n\nveroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.558,11 aan de tennisvereniging.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De minister ziet af van het voeren van verweer, zie de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stc.2014, 20210.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2163.\n\n Artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) samen met artikel 4, derde onderdeel, van bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).\n\n Uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3481.\n\n Deze mogelijkheid vloeit voort uit de bevoegdheid van de rechtbank om op grond van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek te heropenen.\n\n Eisers 3 verwijzen hierbij naar artikel 2.1 onder c in samenhang gelezen met artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2029, ECLI:NL:RVS:2019:3031 r.o. 3.2\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1182.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4040, r.o. 10.2.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5367, r.o. 2.3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4765","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.106Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":30,"updatedAt":67},"1890","ECLI:NL:RBGEL:2026:3759","ecli-nl-rbgel-2026-3759","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F4119uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiser 1] en [eiseres]\n\n [eiser 2],\n\n [eiser 3],\n\nallen uit [plaats], gezamenlijk: eisers\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Scherpenzeel\n\n(gemachtigde: mr. N.L.H. Teijema).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], uit [plaats] (de tennisvereniging)\n\n(gemachtigde: mr. M. Bekooy).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het aanleggen van drie padelbanen met reclame en lichtmasten. Eisers zijn het niet eens met omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kon verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 1 december 2023 heeft het college aan de tennisvereniging een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van drie padelbanen met reclame en lichtmasten. Met de beslissing op bezwaar van 12 juni 2024 is het college bij deze omgevingsvergunning gebleven.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Eisers hebben ook verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n2.2.. Met de uitspraak van 22 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter de beslissing op bezwaar geschorst.\n\n2.3.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben een nader schriftelijk stuk ingediend.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers samen met [persoon A] (geluidsdeskundige van [naam bedrijf] B.V.), de gemachtigde van het college samen met [persoon B] en [persoon C] (geluidsdeskundige van het college), [persoon D] en [persoon E] namens de tennisvereniging en de gemachtigde van de tennisvereniging.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. De tennisvereniging heeft op 14 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de aanleg van drie padelbanen met reclame en lichtmasten aan de [locatie] in [plaats]. Op 1 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen”en “het maken of voeren van handelsreclame”.\n\n3.1.. Eisers wonen in de buurt van de tennisvereniging en vrezen voor geluidsoverlast door de beoogde padelbanen.\n\n3.2.. Het bestemmingsplan “Noord” is van toepassing en het perceel heeft de bestemming “Sport – 1”. De gronden zijn bestemd voor sportvoorzieningen. Onder gebruik in strijd met het bestemmingsplan valt in ieder geval het gebruik van gronden en bouwwerken voor lawaaisporten.\n\n3.3.. Met de beslissing op bezwaar van 12 juni 2024 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. In aanvulling daarop heeft het college ook voor de activiteit “strijdig gebruik” de omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee geluidsschermen van vier meter hoog.\n\n3.4.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en hebben gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening om de omgevingsvergunning te schorsen in afwachting van de uitspraak op hun beroep.\n\n3.5.. Met de uitspraak van 22 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland de beslissing op bezwaar geschorst.De voorzieningenrechter is van oordeel dat padel in dit geval een lawaaisport is, als bedoeld in het bestemmingsplan. Het college had daarom ook moeten beoordelen of hij voor die activiteit ook wilde afwijken van het bestemmingsplan.\n\nStukken buiten beschouwing\n\n4. Op de zitting heeft de rechtbank besloten de door eisers op 13 februari 2026 ingediende stukken buiten beschouwing te laten. Deze stukken zijn weliswaar meer dan tien dagen voor de zittingingediend, maar ze zijn dusdanig uitgebreid en voorzien van een geluidsadvies, dat het college en de tennisvereniging onvoldoende tijd hebben gehad hierop te reageren. Bovendien is het een reactie op het verweerschrift van het college, dat op 17 april 2025 door de rechtbank is ontvangen. Niet valt in te zien waarom eisers zo lang gewacht hebben met het indienen van de nadere stukken.\n\nIs padel een lawaaisport?\n\n5. Eisers betogen dat de padelbanen niet voldoen aan de regels van het bestemmingsplan. Op het perceel is volgens het bestemmingsplan lawaaisport niet toegestaan. In het bestemmingsplan is geen definitie van lawaaisport opgenomen. Volgens eisers mocht het college niet aansluiten bij de definitie uit het voorgaande bestemmingsplan. Die definitie luidde: schietsporten, waarbij de sport ook bovengronds wordt uitgeoefend, en motorische sporten. Aan een definitie van een eerder bestemmingsplan komt volgens eisers geen betekenis toe. Omdat het begrip lawaaisporten niet gedefinieerd is, moet worden aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Volgens eisers heeft padel een hoog geluidbronvermogen van gemiddeld 91 dB(A), met pieken van 108 dB(A). De ruimtelijke uitstraling is niet vergelijkbaar met die van tennis. Padel maakt als brongeluid 8 dB(A) meer aan geluid dan tennis. De ruimtelijke uitstraling is hierdoor een factor 9 groter dan tennis, dat wil zeggen dat één padelbaan net zoveel geluid uitstraalt als negen tennisbanen. De commissie bezwaarschriften heeft ook geadviseerd dat padel onder lawaaisport valt. Ook heeft de voorzieningenrechter dit geoordeeld.\n\n5.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat padel geen lawaaisport is. Omdat lawaaisport niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd, heeft het college aansluiting gezocht bij het normaal spraakgebruik. In het “Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal” (Van Dale) is lawaaisport gedefinieerd als: een sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport). Volgens het college wordt deze definitie nader ingekleurd door definities die in de (ruimtelijke ordenings)praktijk gebruikt worden. Het college heeft daarom ook gekeken naar begripsomschrijvingen van de VNG en Infomil. De VNG omschrijft lawaaisport als: “de autosport, de motorsport, de modelvliegsport, karting en soortgelijk geluid producerende sporten”. Volgens de uitleg van Infomil horen bij lawaaisporten ook sporten waarbij explosies in de vorm van schieten voorkomen:“lawaaisporten zijn bijvoorbeeld schietsporten, zoals kleiduifschieten, motor- en autocross of modelvliegen”. Volgens het college zijn de voorbeelden van Van Dale niet-limitatief, maar het college vindt dat er wel belang moet worden gehecht aan de voorbeelden. De genoemde sporten zijn namelijk sporten waarbij hulpmiddelen (denk aan motoren) worden gebruikt. Padel is een sport die volledig met behulp van spierkracht wordt uitgeoefend. Volgens het college ligt dat in lijn met sporten als honkbal, hockey, tennis, golf en voetbal. De opvatting dat padel meer vergelijkbaar is met tennis dan met één van de genoemde voorbeelden van lawaaisporten, wordt volgens het college ook gedeeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).\n\n5.2.. Het college stelt zich verder op het standpunt dat het oordeel van de voorzieningenrechter dat bij 91 dB(A) sprake is van onaangenaam en hard geluid niet juist is. Het bronvermogen van padel is niet doorslaggevend om tot de conclusie te komen dat padel een lawaaisport is. Er moet volgens het college ook gekeken worden naar de immissie en niet alleen naar de emissie. De emissie (het bronvermogen) wordt gebruikt om onder andere de immissie te berekenen. Dat is gedaan met het akoestisch onderzoek. In het akoestisch onderzoek is aangetoond dat door het plaatsen van een geluidsscherm de situatie voldoet aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. De immissiewaarde voldoet dus aan de wet- en regelgeving en het bronvermogen wordt enkel als rekenmiddel gebruikt. Als er wel naar het bronvermogen wordt gekeken, dan is padel volgens het college ook niet te kwalificeren als lawaaisport. Daarvoor verwijst het college naar de onderstaande schematische weergave:\n\nBijlage schematische vergelijking bij verweerschrift\n\n5.3.. Op de plek waar de padelbanen zijn gepland, geldt “Bestemmingsplan Noord” met de bestemming “Sport-1”. Die gronden zijn bestemd voor “sportvoorzieningen” en “vrijetijdsvoorzieningen”en het is verboden deze gronden te gebruiken of laten gebruiken voor en\u002Fof als “lawaaisporten”.\n\n5.4.. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe lawaaisport moet worden uitgelegd. In de planregels is geen definitie opgenomen van het begrip “lawaaisporten”. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt ook niet wat kan worden verstaan onder “lawaaisporten”. De stelling van het college dat betekenis toekomt aan het begrip uit het vorige bestemmingsplan vanwege de conserverende aard van het geldende bestemmingsplan, volgt de rechtbank niet. Dat een bestemmingsplan in algemene zin conserverend van aard is, betekent namelijk niet dat de planwetgever ook specifieke bestemmingsplanbegrippen heeft willen overnemen. In dat geval had het op de weg van de gemeenteraad gelegen om daarover een bestemmingsplanbegrip op te nemen.\n\n5.5.. Dit betekent dat aansluiting moet worden gezocht bij het algemene spraakgebruik. In dat geval kan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling worden gekeken naar de betekenis in de Van Dale. De Van Dale definieert lawaaisport als “sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport)”. Hoewel de voorbeelden uit de Van Dale niet limitatief zijn, begrijpt de rechtbank hier wel uit dat het moet gaan om een sport waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd. Dat geluid moet zodanig zijn dat er lawaai wordt gemaakt. De Van Dale definieert lawaai als “hard, onaangenaam geluid”. Dat padel als hinderlijk wordt ervaren, betekent niet dat er ook sprake is van lawaai. Anders dan de voorzieningenrechter is de rechtbank daarom van oordeel dat padel geen lawaaisport is. Het is daarom ook niet in strijd met de regels van het bestemmingsplan.\n\n5.2.. Op de zitting is uitvoerig gesproken over het bronvermogen en het maximale geluidniveau van padel. Volgens eisers heeft het college in het verweerschrift het gemiddelde geluidniveau van padel vergeleken met geluidbronvermogens van een crossmotor, schietsport en een modelvliegtuig. Dat is volgens eisers een verkeerde vergelijking, omdat padel een hoge slagfrequentie heeft van 30 tot 40 slagen per minuut met meer dan 108 dB(A) per slag. Dat had het college volgens eisers ook moeten verwerken in de tabel. De rechtbank stelt vast dat het college in de schematische vergelijking is uitgegaan van het gemiddeld geluidniveau. Daarin is padel te vergelijken met bijvoorbeeld hockey of voetbal. Volgens normaal spraakgebruik worden die sporten ook niet als lawaaisport beschouwd. Ook in het bronvermogen van padel ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat padel een lawaaisport is.\n\n5.3.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs er sprake van onevenredige geluidhinder?\n\n6. Eisers betogen dat het college bij de omgevingsvergunning voor de geluidschermen ten onrechte niet gekeken heeft naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het totale aangevraagde project, inclusief de voor de omgeving te verwachten geluidhinder. De padelbanen kunnen niet worden gebruikt zonder de geluidschermen. Dat blijkt ook uit het geluidsrapport dat bij de vergunningaanvraag is gevoegd. Het college had daarom ook moeten ingaan op het akoestisch onderzoek van bureau [naam bedrijf] van 10 januari 2024. Eisers hebben dit in de bezwaarfase al in gebracht.\n\n6.1.. Zoals hiervoor is overwogen, past padel binnen het bestemmingsplan en, zoals ook volgt uit de door de omwonenden genoemde uitspraak, betekent dat dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van padel zelf niet ter discussie kan staan. Weliswaar wijkt het college voor de geluidschermen zelf wel af van het bestemmingsplan, maar daarvan heeft het college de ruimtelijke aanvaardbaarheid beoordeeld. Geluidsoverlast is daar geen onderdeel van. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de geluidschermen hebben eisers niet bestreden met andere gronden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).\n\n Artikel 2.2, eerste lid, onder h, van de Wabo.\n\n Artikel 6.3.1 onder d van het bestemmingsplan.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onder c, en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo in combinatie met artikel 4, onderdeel 3, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2024:4717.\n\n Artikel 8:58 van de Awb.\n\n Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746.\n\n Artikel 6.1 van de planregels van Bestemmingsplan Noord.\n\n Artikel 6.3.1, onder d, van de planregels van Bestemmingsplan Noord.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3759","2026-05-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.022Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":72,"fullText":73,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":30,"updatedAt":76},"1133","ECLI:NL:RBGEL:2026:3432","ecli-nl-rbgel-2026-3432","2026-05-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8524uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] en [eiser] , uit [plaats] , eisers\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigde: mr. M. Litjens).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een last onder dwangsom aan eisers wegens het zonder vergunning uitvoeren van grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van een grotere serre aan hun woning. Eisers zijn het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden niet omgevingsvergunningvrij zijn en dat eisers ook niet hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig waren, zodat eisers een vergunning nodig hadden. Nu ze daarover niet beschikten was sprake van een overtreding van het facetbestemmingsplan Archeologie 2023 en was het college bevoegd om handhavend op te treden. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat dit handhavend optreden niet onevenredig was. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. In de bijlage bij de uitspraak staat de voor deze uitspraak van belang zijnde wet- en regelgeving.\n\nProcesverloop\n\n2. In het besluit van 8 juli 2024 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. In de beslissing op bezwaar van 18 oktober 2024 heeft het college het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard en de grondslag van het besluit aangepast.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met hun gemachtigde en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van de beslissing op bezwaar\n\n3. Eisers wonen op het adres [adres 1] in [plaats] . Eisers willen de bestaande uitbouw (serre) achter hun woning vervangen en uitbreiden. Ze hebben in februari 2023 laten beoordelen of er voor dat bouwplan een omgevingsvergunning nodig was. Uit de vergunningscheck op [website 1] bleek dat op dat moment niet het geval.\n\n3.1.. Eisers hebben op 17 mei 2024 een melding gedaan bij de gemeente voor de sloop van de bestaande uitbouw. Op 13 juni 2024 heeft de gemeente akkoord gegeven. Vervolgens is de aannemer van eisers aan het werk gegaan. Daarbij heeft de aannemer ook graafwerkzaamheden uitgevoerd. Op donderdag 4 juli 2024 is door de toezichthouder van de gemeente Nijmegen aan eisers telefonisch te kennen gegeven dat de grondwerkzaamheden met onmiddellijke ingang dienden te worden gestaakt en gestaakt te blijven op last van een dwangsom, in verband met een overtreding van het op 29 november 2023 in werking getreden bestemmingsplan “Facetbestemmingsplan Archeologie 2023” (verder: facetbestemmingsplan). In het besluit van 8 juli 2024 heeft het college de opgelegde last onder dwangsom schriftelijk bevestigd. In het besluit is aangegeven dat sprake was van een overtreding van artikel 3.1 van het facetbestemmingsplan omdat er grondwerkzaamheden zijn uitgevoerd zonder omgevingsvergunning.\n\n3.2.. In de beslissing op bezwaar heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten. Wel heeft het college de wettelijke grondslag gewijzigd. Aangegeven is dat de last niet op artikel 3.1 van het facetbestemmingsplan had moeten worden gebaseerd maar op artikel 3.4.1 van het facetbestemmingsplan, gelezen in combinatie met artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet, waar staat dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.\n\n3.3.. Tijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers aangegeven dat zij in november 2024 een omgevingsvergunning hebben aangevraagd voor de uitbouw en dat deze omgevingsvergunning eind december 2024 is verleend. Vervolgens is de verbouwing op 22 mei 2025 gestart en is de verbouwing aan het eind van 2025 afgerond. Eiser hebben dus uiteindelijk de uitbouw kunnen realiseren, met een aanpassing van het bouwplan. Zij hebben echter nog wel een belang bij het beroep omdat zij van mening zijn dat het college ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd en van hen heeft verlangd een omgevingsvergunning aan te vragen. Volgens eisers kon het oorspronkelijke bouwplan zonder omgevingsvergunning worden gerealiseerd. Zij geven aan dat de procedure hen veel tijd en geld heeft gekost. Eiser vragen daarom een schadevergoeding van ongeveer € 76.000.\n\nToetsingskader\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Daarmee kreeg elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Voor het perceel van eisers zijn de bestemmingsplannen “ Nijmegen -Oost” en “Facetbestemmingsplan Archeologie 2023” van toepassing. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om deze tijdelijke delen om te zetten in hun omgevingsplan. Tijdens de periode tot 2031 kan het zo zijn dat voor dezelfde situatie artikelen van toepassing zijn uit zowel de bruidsschat als de bestemmingsplannen. Daarom is in de bruidsschat, in artikel 22.1 van het omgevingsplan, een voorrangsbepaling opgenomen waaruit volgt welk artikel in zo’n situatie van toepassing is.\n\n4.1.. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.\n\n4.2.. Op het perceel geldt op grond van het bestemmingsplan “ Nijmegen Oost” aan de achterzijde van de woning de bestemming “Wonen” en op grond van het “Facetbestemmingsplan archeologie 2023” de bestemming “Waarde-Archeologie 1”.\n\n5. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het facetbestemmingsplan volgt dat het verboden is om zonder vergunning grondwerkzaamheden te verrichten op gronden met de bestemming “Waarde-Archeologie 1”, tenzij op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Volgens het college is niet aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn, terwijl er evenmin een vergunning is verleend, zodat sprake is van een overtreding. Het college heeft ook geen aanleiding gezien om van handhavend optreden af te zien.\n\nIs sprake van een overtreding?\n\n6. Eisers betogen dat geen sprake is van een overtreding. Ten eerste voeren zij daartoe aan dat het facetbestemmingsplan niet op hen van toepassing is omdat zij bij de voorbereiding van de gewenste werkzaamheden in 2023 al hebben geconstateerd dat volgens de vergunningscheck op [website 1] voor de werkzaamheden geen omgevingsvergunning nodig was. Daarbij vallen de werkzaamheden ook onder het overgangsrecht van het nadien vastgestelde facetbestemmingsplan. Voor zover de werkzaamheden wel onder de werking van het nieuwe facetbestemmingsplan zouden vallen betogen eisers dat de bouw niet in strijd is met dat bestemmingsplan en dat het bouwen van de serre sowieso omgevingsvergunningvrij is op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan.\n\nKunnen eisers rechten ontlenen aan een vergunningcheck in februari 2023?\n\n7. Eisers stellen dat zij in februari 2023 aan de hand van een vergunningcheck hebben vastgesteld dat geen omgevingsvergunning nodig was voor het bouwplan. Eisers vinden dat het toen geldende planologische kader nog steeds op hen van toepassing is, zeker nu het college hen ten onrechte niet op de hoogte heeft gesteld van de inwerkingtreding van het facetbestemmingsplan in november van dat jaar. Daarbij doen zij ook een beroep op het overgangsrecht van het facetbestemmingsplan.\n\n7.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten of een vergunningcheck op [website 1] kan leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen dat inderdaad geen vergunning nodig is, zegt een check alleen iets over de situatie op dat moment. Als later nieuwe regels worden vastgesteld kan aan zo’n check dus geen waarde meer worden gehecht. Toen eisers ruim een jaar later, ná de inwerkingtreding van het facetbestemmingsplan in november 2023, begonnen met de grondwerkzaamheden konden zij dus niet meer afgaan op die eerdere check. Het betoog van eisers dat het college hen op de hoogte had moeten stellen van de vaststelling van het facetbestemmingsplan maakt dat ook niet anders. Niet gebleken is dat de gemeenteraad van de gemeente Nijmegen het facetbestemmingsplan op onjuiste wijze bekend heeft gemaakt. Het is niet gebruikelijk dat een nieuw bestemmingsplan aan elke betrokken inwoner van de gemeente persoonlijk wordt toegezonden. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van burgers om in de gaten te houden welke wet- en regelgeving van toepassing is op hun perceel.\n\n7.2.. De werkzaamheden vallen evenmin onder het overgangsrecht van het facetbestemmingsplan. In artikel 12.1.1. van de planvoorschriften staat dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, onder het overgangsrecht valt. De bouw van de nieuwe serre valt niet onder een van deze voorwaarden, omdat het op 29 november 2023 nog niet gebouwd of in uitvoering was en er evenmin een vergunning voor was verleend. Een enkele gestelde check op internet valt namelijk niet gelijk te stellen met een verkregen omgevingsvergunning. Evenmin kan worden gesteld dat de werkzaamheden toen al in uitvoering waren. Het overgangsrecht is dus niet van toepassing. De verwijzing van eisers naar artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet slaagt evenmin. Dit overgangsrecht ziet ook op bouwwerkzaamheden die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gestart.\n\n7.3.. Het voorgaande betekent dat deze zaak moet worden beoordeeld aan de hand van het facetbestemmingsplan en de overige regels in het omgevingsplan.\n\nZijn de werkzaamheden omgevingsvergunningvrij?\n\n8. De rechtbank stelt vast dat het facetbestemmingsplan voor zover van belang twee verbodsbepalingen bevat. Artikel 3.2.1. van de planvoorschriften bepaalt dat op gronden met ‘Waarde - Archeologie 1’, zoals het perceel van eisers, niet mag worden gebouwd, met dien verstande dat (delen van) een bouwwerk dat geen bodemingreep met zich meebrengt, zijn toegestaan. Op grond van artikel 3.3.1. van het facetbestemmingsplan kan een vergunning worden verleend om van artikel 3.2.1. af te wijken. Een omgevingsvergunning kan worden verleend als op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Artikel 3.4.1. van de planvoorschriften bepaalt dat het verboden is op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren, waartoe onder meer worden gerekend het afgraven, woelen of mengen van gronden, alsmede het aanleggen van drainage en het verwijderen van bestaande funderingen. Artikel 3.4.2. bepaalt dat dit verbod niet van toepassing is als op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.\n\n8.1.. Niet in geschil is dat ten behoeve van de bouw van de serre grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden waarbij een andere en grotere fundering werd aangebracht dan die van de oorspronkelijke serre, zodat sprake is van strijd met deze verbodsbepalingen. In het bestreden besluit is het college ingegaan op zowel de strijd met artikel 3.2.1. als met artikel 3.4.1 van de planregels. Zoals op de zitting toegelicht heeft het college uiteindelijk de bepaling van artikel 3.4.1 van de planregels tegengeworpen om duidelijk te maken dat het verbod ziet op de grondwerkzaamheden, niet het bovengronds bouwen van de serre. Het college heeft in dat kader in het bestreden besluit verwezen naar de toelichting bij het facetbestemmingsplan, met een verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling.\n\n8.2.. Eisers hebben geen punt gemaakt van de vraag welke van de twee verbodsbepalingen gehanteerd moet worden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om daar verder op in te gaan omdat het duidelijk is dat ofwel beide verbodsbepalingen, ofwel één van die bepalingen van toepassing is en de gronden die eisers aanvoeren in gelijke mate van toepassing zijn op beide verbodsbepalingen. Eisers voeren namelijk aan dat aan de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan geen waarde toekomt omdat het bouwplan en de grondwerkzaamheden op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan vergunningvrij zijn. Op grond van artikel 22.22 van het omgevingsplan, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold,is sprake van een vrijstelling van archeologisch onderzoek omdat de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Volgens eisers gaat dit artikel voor op de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Eisers wijzen verder op artikel 22.27, artikel 22.28, vierde lid, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold,en artikel 22.36 van het omgevingsplan. Op grond van die bepalingen is het bouwplan, waaronder ook de daarbij behorende grondwerkzaamheden, omgevingsvergunningvrij. Ook deze bepalingen gaan voor op het facetbestemmingsplan zodat het bouwplan zonder omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd, ongeacht wat er in het facetbestemmingsplan is opgenomen.\n\n8.3.. Dit betoog slaagt niet. In artikel 22.22 van het omgevingsplan is kort samengevat bepaald dat regels over het verrichten van archeologisch onderzoek voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, niet van toepassing zijn als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2, of een afwijkende andere oppervlakte als die in het bestemmingsplan is opgenomen. Ten eerste volgt uit het facetbestemmingsplan dat bij de bestemming “Waarde - Archeologie 1” voor alle activiteiten waarbij sprake is van een bodemingreep, hoe beperkt ook, een omgevingsvergunning nodig is. Dit is anders bij de bestemmingen “Waarde - Archeologie 2” en “Waarde - Archeologie 3” waar wel een aantal m2 is opgenomen waarbinnen geen omgevingsvergunning nodig is. In de zin van artikel 22.22 van het omgevingsplan geldt binnen de bestemming “Waarde – Archeologie 1” dus een afwijkende oppervlakte, namelijk 0 m2, zodat geen sprake is van strijd met dit artikel. Ten tweede is van belang dat als wél sprake zou zijn van strijd met artikel 22.22 van het omgevingsplan, sprake zou zijn van strijd tussen die bepaling en de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Op dat moment wordt de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid van het omgevingsplan van belang.In die voorrangsbepaling staat kort samengevat dat als de regels van de bruidsschat in strijd zijn met het facetbestemmingsplan, de regels van het facetbestemmingsplan in de meeste gevallen voorgaan. Artikel 22.22 valt onder deze hoofdregel, zodat in dit geval de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan voorrang krijgen en blijven gelden. In zoverre is dus geen sprake van omgevingsvergunningvrije activiteiten.\n\n8.4.. Ditzelfde geldt voor artikel 22.27 van het omgevingsplan, waarin criteria zijn opgenomen wanneer een bijbehorend bouwwerk zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Ook voor artikel 22.27 geldt de hoofdregel dat bij strijdigheid het facetbestemmingsplan voorgaat. Artikel 22.27 doet daarom dus al niet af aan de tegengeworpen verbodsbepaling. Daarbij heeft het college er ook terecht op gewezen dat in artikel 22.28, vierde lid, van het omgevingsplan een uitzondering is opgenomen op het omgevingsvergunningvrije bouwen. Daarin is bepaald dat artikel 22.27 niet van toepassing is als in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 van het omgevingsplan, tenzij, onder meer, dat tijdelijke deel een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Uit de toelichting bij deze bepaling volgt dat bedoeld is dat een eventuele vrijstelling voor een vergunning om te bouwen, een bestaande vergunningplicht voor de grondwerkzaamheden wegens archeologische onderzoek, onverlet laat. De toelichting bij de bruidsschat verwijst daarbij naar de hiervoor al aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014. Het college heeft dan ook terecht overwogen dat uit (deze toelichting bij) de bruidsschat volgt dat de grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van de serre sowieso niet onder de werking van artikel 22.27 van het omgevingsplan vallen.\n\n8.5.. Nu de grondwerkzaamheden niet onder vrijstelling van artikel 22.27 van het omgevingsplan vallen, vallen ze evenmin onder de werking van artikel 22.36 van het omgevingsplan. Dat artikel ziet namelijk op de in artikel 22.27 van het omgevingsplan bedoelde gevallen. Nu artikel 22.27 niet op de grondwerkzaamheden ziet, slaagt het beroep op artikel 22.36 ook niet.\n\n8.6.. Het voorgaande betekent dat de grondwerkzaamheden niet vergunningvrij zijn op grond van de bepalingen van het omgevingsplan.\n\nHebben eisers aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn?\n\n9. Vervolgens hebben eisers betoogd dat het verbod om de grondwerkzaamheden uit te voeren in hun geval niet geldt, omdat zij hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn en deze waarden dus ook niet onevenredig kunnen worden geschaad.\n\n9.1.. Ook dit betoog faalt. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers ten tijde van het opleggen van de last geen archeologisch onderzoek of andere stukken hadden overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat dat er geen archeologische waarden meer aanwezig waren. Zij hebben er nadien wel op gewezen dat de betrokken gronden bij de bouw in 1914 en bij de bouw van de serre in 1994 flink zijn geroerd. Vast staat echter dat het bouwplan een uitbreiding van de serre omvat zodat uit die eerdere werkzaamheden niet volgt dat ook op de plaats van de uitbreiding geen archeologische waarden meer aanwezig zijn.9.2.. Verder betogen eisers dat in 2017 archeologisch onderzoekis gedaan en dat toen is geconstateerd dat ter plaatse sprake is van een verstoorde en gewoelde grond. Eisers geven echter zelf al aan dat het onderzoek uit 2017 ziet op de voorzijde van de woning. Het is niet in geschil dat juist de achterzijde van het perceel boven een voormalige Romeinse gracht ligt, zodat de situatie daar weer anders kan zijn dan aan de voorzijde van het perceel. Daarbij heeft het college er terecht op gewezen dat, juist omdat het gaat om een archeologisch bijzonder gebied, de bevindingen op elk perceel weer anders kunnen zijn. Daarom zeggen bevindingen op andere locaties in de omgeving niet zonder meer iets over de situatie ter plaatse van de uitbreiding van de serre.\n\n9.3.. \n\nNa het opleggen van de last hebben eisers een archeoloog van [naam bedrijf] B.V. opdracht gegeven onderzoek te verrichten. Deze heeft op 1 augustus 2024 een programma van eisen opgesteld, waarna het [naam bureau] grondboringen heeft verricht en op 5 november 2024 een advies heeft opgesteld. Daarin is geconcludeerd dat de bodem ter hoogte van de meeste boringen tot grote diepte was verstoord, maar dat op twee punten op 95 cm onder maainiveau onverstoorde zandafzettingen aanwezig waren met daarin een donker spoor dat betreft ligging en oriëntatie overeenkomt met een van de spitsgrachten van het Romeinse legioensfort. Geadviseerd wordt om een zandlaag van 30 cm boven het spoor van de spitsgracht in acht te nemen.\n\nEisers hebben het onderzoek van [naam bedrijf] bekritiseerd en ook het advies van [naam bureau]. Zij hebben daartoe onder meer een rapport van hun architect, [naam architect] van september 2024 overgelegd. Wel hebben ze hun bouwplan zodanig aangepast dat een zandlaag van 30 cm boven de spitsgracht in acht werd gehouden.\n\n9.4.. De rechtbank stelt voorop dat deze onderzoeken dateren van na de last, het advies van [naam bureau] zelfs van na de beslissing op bezwaar. Daarnaast volgt uit het advies van [naam bedrijf] dat nader onderzoek plaats moet vinden en komt uit dat nader onderzoek door [naam bureau] naar voren dat het bouwplan enigszins aangepast moet worden om de nog aanwezige sporen van de Romeinse gracht te beschermen. Eisers betwisten deze rapporten wel en ook de noodzaak van het behouden van een zandlaag van 30 cm, maar daarmee hebben zij nog niet aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.\n\n9.5.. Het voorgaande betekent dat eisers niet hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Nu zij ten tijde van het opleggen van de last en ook ten tijde van de beslissing op bezwaar evenmin een vergunning hadden voor de grondwerkzaamheden, was sprake van een overtreding van de bepalingen van het facetbestemmingsplan.\n\nIs sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien?\n\n10. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, moet in geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig, als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n10.1.. Eisers voeren aan dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en wijzen op het vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Eisers vinden het belang van archeologisch onderzoek van een klein stukje grond dat volgens hen zeker verstoord is (gelet op eerdere onderzoeken) niet in verhouding staan tot het dwingen van burgers om maandenlang in een gesloopt huis zonder achtergevel te bivakkeren.\n\nIs handhaving evenredig?\n\n11. De rechtbank stelt vast dat het college heeft gehandeld overeenkomstig het facetbestemmingsplan. De kritiek van eisers komt er voor een groot deel ook op neer dat zij vinden dat het facetbestemmingsplan te streng is, omdat nu voor alle activiteiten waarbij grondwerkzaamheden nodig zijn, een omgevingsvergunning nodig is. Ook als de (bouw)activiteiten op minder dan 50 m2 zien.\n\n11.1.. Als eisers het niet eens waren met het facetbestemmingsplan, hadden zij rechtsmiddelen moeten indienen tegen de vaststelling van het facetbestemmingsplan. Die mogelijkheid hebben zij ook gehad. Het facetbestemmingsplan is nu echter onherroepelijk en de inhoud van het facetbestemmingsplan kan daarom niet aan de orde komen.\n\n11.2.. Uit dat facetbestemmingsplan volgt dat onderzoek plaats moest vinden. Als het college daarop niet zou handhaven dan zou dit facetbestemmingsplan een lege huls zijn. Daarmee is geen sprake van een relatief gering belang van de gemeente, dat niet zou opwegen tegen gevolgen voor eisers. Dat in het geval van eisers niet alleen dat onderzoek nodig was, maar dat het ook heeft geleid tot vertraging van de bouw en stress, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de plicht om het onderzoek te verrichten, maar van het feit dat eisers dat niet vóór de werkzaamheden hadden gedaan. Zoals hiervoor overwogen mocht het college van eisers verwachten dat zij op de hoogte waren van (wijzigingen in) de regels die voor hun perceel gelden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de handelswijze van het college niet onevenredig is. Om diezelfde redenen kan het betoog van eisers dat een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden, evenmin slagen.\n\nIs sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel?\n\n12. Voor zover eisers aanvoeren dat de opgelegde last onder dwangsom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel volgt de rechtbank dat niet. Volgens eisers hebben de bewoners van het pand [adres 2] in [plaats] op 16 februari 2024 een brief gekregen van het college waarin staat dat eenzelfde soort verbouwing (vervanging en uitbreiding van een aanbouw buiten de bestaande fundering) zonder omgevingsvergunning is toegestaan. Het college heeft aangegeven dat bij [adres 2] een fout is gemaakt omdat het college een verkeerde uitleg van de Omgevingswet had gevolgd. Het college wil deze fout niet herhalen. Ook is aangegeven dat het college de gemaakte fout zal herstellen door te beoordelen of er voor die situatie alsnog een omgevingsvergunning verleend kan worden. De rechtbank is het met het college eens dat daarom geen sprake is van een gelijk geval waar een dergelijke uitbouw wel is toegestaan zonder omgevingsvergunning.\n\nIs sprake van schending van vertrouwensbeginsel door de acceptatie van de sloopmelding?\n\n13. Eisers voeren verder aan dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel omdat het college akkoord heeft gegeven op de melding voor de sloopwerkzaamheden. Het moet voor het college toen bekend zijn geweest dat onderdeel van de sloopwerkzaamheden het uitgraven van de fundering was. Dit betekent dat het college impliciet een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouwwerkzaamheden.\n\n13.1.. Ook dit betoog faalt. Als eerste geldt voor de sloopmelding een ander toetsingskader, afdeling 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De grondwerkzaamheden waarvoor de last is opgelegd betreffen daarnaast een groter oppervlak dan alleen de bestaande serre, zodat ook in zoverre de sloopmelding geen vertrouwen kon opleveren dat alle grondwerkzaamheden akkoord waren.\n\n14. Eisers voeren ook aan dat er tijdens de procedure veel onduidelijkheid is geweest in de communicatie van de gemeente. Telkens werden door ambtenaren, juristen en andere vertegenwoordigers van de gemeente over de bepalingen uit het facetbestemmingsplan andere interpretaties gegeven en andere verwachtingen gewekt. De adviseur rechtsbescherming heeft volgens eisers aan hen medegedeeld dat de afdeling juridische zaken aan de handhavingsambtenaar zou adviseren om de last onder dwangsom in te trekken omdat het bouwplan zonder omgevingsvergunning zou kunnen worden gerealiseerd. Later bleek dit niet zo te zijn. Daarnaast wijzen eisers erop dat in de beslissing op bezwaar de grondslag van de last onder dwangsom is gewijzigd.\n\n14.1.. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat er bij de gemeente onduidelijkheid bestond over de toepassing van het omgevingsplan en het facetbestemmingsplan. Dit is ook naar eisers toe geuit. Eisers hebben daarom langere tijd in onzekerheid verkeerd over hun situatie. De rechtbank merkt daarbij wel op dat deze onduidelijkheid niet zozeer was gelegen in het facetbestemmingsplan. Dat schrijft duidelijk voor dat bij deze bestemming voor alle grondwerkzaamheden, al dan niet in combinatie met bouwactiviteiten, archeologisch onderzoek nodig is. De onduidelijkheid zag op de vraag of dit door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan door de bruidsschat opzij werd gezet. Dat ook binnen de gemeente over die landelijke regelgeving onduidelijkheid bestond, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat de adviseur rechtsbescherming zou hebben aangegeven dat geadviseerd is om de last onder dwangsom in te trekken kan niet worden aangemerkt dat als een ondubbelzinnige toezegging van een daartoe bevoegde ambtenaar dat zonder omgevingsvergunning gebouwd mocht worden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat een wijziging van de grondslag van een last onder dwangsom in de beslissing op bezwaar mogelijk is omdat de bezwaarschriftenprocedure een algehele heroverweging van het primaire besluit inhoudt.In de bezwaarschriftenprocedure kunnen daarom gemaakte fouten worden hersteld. Het college heeft weliswaar een andere grondslag aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd, dit maakt de gevolgen van het primaire besluit niet anders.\n\nZorgvuldigheidsbeginsel\n\n15. Voor zover eisers aanvoeren dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat zij bij de oplegging van de last onder dwangsom niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze tegen dit besluit kenbaar te maken volgt de rechtbank dat niet. Er was sprake van een spoedeisende situatie waarbij de werkzaamheden direct stil moesten worden gelegd om mogelijke schade aan archeologische waarden te voorkomen. In geval van een spoedeisende situatie kan op grond van artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het vragen van een zienswijze achterwege worden gelaten. Daarnaast blijkt uit de last onder dwangsom dat eisers door de toezichthouder van de gemeente Nijmegen telefonisch in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze te geven.\n\n16. Gelet op voorgaande oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en dat er voor het college geen grond was om af te zien van handhaving.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Om die reden is er ook geen aanleiding om het college te veroordelen in door eisers gemaakte en te maken kosten voor archeologisch onderzoek, extra kosten als gevolg van de vertraging van de bouw en de aanpassingen aan het bouwplan, of proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage\n\nInvoeringswet Omgevingswet\n\nArtikel 4.6.\n\n1. Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, gelden:\n\n(...)\n\ng. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,\n\n(...)\n\nArtikel 4.14\n\nAls een activiteit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van die wet voor die activiteit een verbod als bedoeld in artikel 5.1, 5.3 of 5.4 van de Omgevingswet van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die wet een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die wet. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor daarbij aangegeven activiteiten worden bepaald dat:\n\na. een omgevingsvergunning van rechtswege geldt voor een andere daarbij aangegeven termijn,\n\nb. aan de geldigheid van een omgevingsvergunning van rechtswege geen termijn is verbonden.\n\nOmgevingsplan Nijmegen\n\nArtikel 22.1. Voorrangsbepaling\n\n1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.\n\n(...)\n\nArtikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek\n\n1. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.\n\n2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.\n\nArtikel 22.26\n\nHet is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.\n\nArtikel 22.27\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:\n\na. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\n1. op de grond staand;\n\n2. gelegen in achtererfgebied;\n\n3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;\n\n4. niet hoger dan 5 m;\n\n5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en\n\n6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;\n\n(...)\n\nArtikel 22.28\n\n(...)\n\n4. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:\n\na. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of\n\nb. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.\n\nArtikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan\n\nOnverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:\n\na. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\n1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:\n\ni. 5 m;\n\nii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en\n\niii. het hoofdgebouw;\n\n(...)\n\nFacetbestemmingsplan Archeologie 2023\n\nArtikel 3 Waarde - Archeologie 13.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.\n\n3.2. Bouwregels3.2.1. \n\nAlgemene bouwregels\n\nOp deze gronden mag niet worden gebouwd, met dien verstande dat (delen van) een bouwwerk dat geen bodemingreep met zich meebrengt, zijn toegestaan.\n\n3.3. Afwijken van de bouwregels3.3.1. \n\nAfwijkingsbevoegdheid\n\nHet bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.1 voor bouwwerken ten behoeve van deze dubbelbestemming en van de overige voor deze gronden geldende bestemmingen.\n\n3.3.2. \n\nToelaatbaarheid\n\nEen omgevingsvergunning kan worden verleend indien op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.\n\n3.3.3. \n\nAdviesprocedure voor afwijkingen\n\nAlvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorschriften, ter bescherming van de archeologische waarden, aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden zoals:\n\nde verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals: alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;\n\ntot het doen van een opgraving in de zin van artikel 1.1 lid c Erfgoedwet;\n\nhet begeleiden van de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend door een daarvoor aangewezen archeologisch deskundige;\n\nhet doen van nader archeologisch onderzoek.\n\n3.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\n3.4.1. \n\nWerken en werkzaamheden\n\nHet is verboden op of in de in lid 3.1 bedoelde grond zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:\n\ngrondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het verwijderen van bestaande funderingen;\n\nhet ophogen van de bodem met meer dan 1 meter;\n\nhet tot stand brengen en\u002Fof in exploitatie brengen van boor-en pompputten;\n\nhet aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen,\n\nhet uitvoeren van heiwerkzaamheden en\u002Fof het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;\n\nhet verlagen van het grondwaterpeil, buiten de bandbreedte van de natuurlijke fluctuatie;\n\nhet aanleggen of rooien van houtopstand(en) waarbij stobben worden verwijderd;\n\net omzetten van grasland in bouwland;\n\nhet aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie-,of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.\n\n3.4.2. \n\nUitzonderingen\n\nHet in lid 3.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden indien aan een van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:\n\nop basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;\n\nde werken en werkzaamheden:\n\n1. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;\n\n2. reeds als bestaand gebruik in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;\n\n3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;\n\n4. het archeologisch onderzoek betreffen.\n\n3.4.3. \n\nToelaatbaarheid\n\nDe werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover op grond van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.\n\n3.4.4. \n\nAdviesprocedure voor omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\nAlvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorschriften, ter bescherming van de archeologische waarden, aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.\n\n12.1. Overgangsrecht bouwwerken12.1.1. \n\nAlgemeen\n\nEen bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,\n\na. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;\n\nb. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.\n\n Uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2066\n\n Artikel 22.22 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 geschrapt.\n\n Artikel 22.28 is per 13 april 2026 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 gewijzigd.\n\n In artikel 22.1, eerste lid van het Omgevingsplan staat: “De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.” Dit betekent dat een bestemmingsplan in zo’n geval voorgaat op de artikelen 22.4 t\u002Fm 22.35 en de artikelen 22.41 t\u002Fm 22.270 als deze in strijd zijn met het Omgevingsplan. Dit geldt niet voor de artikelen 22.36 t\u002Fm 22.40.\n\n [website 2]\n\n Zie artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3432","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.865Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":81,"fullText":82,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":30,"updatedAt":85},"1947","ECLI:NL:RBGEL:2026:2962","ecli-nl-rbgel-2026-2962","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F5175 en 24\u002F8840\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\nARN 24\u002F5175\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Rotterdam Airport B.V.uit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nARN 24\u002F8840\n\nCoöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: mr. drs. H.M. Zwetsloot),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Luchthaven Rotterdam The Hague Airportuit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit (het bestreden besluit) waarin verweerder heeft besloten dat Rotterdam Airport geen natuurvergunning nodig heeft voor het aangevraagde project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague´ (ARN 24\u002F5175). Ook beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak het beroep van eisers tegen het besluit (het maatwerkvoorschrift) van verweerder om aan Rotterdam Airport een maatwerkvoorschrift op te leggen waarin onder meer het bestaande recht van Rotterdam Airport is vastgelegd (ARN 24\u002F8840).\n\n1.1.. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. Rotterdam Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op de beroepen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigden, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Rotterdam Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] als deskundige.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit en het maatwerkvoorschrift aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De voor de beoordeling van het beroep van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\nZaaknummer ARN 24\u002F5175\n\n3. Rotterdam Airport is namens Royal Schiphol Group N.V. de exploitant van de luchthaven Rotterdam (de luchthaven). Op 1 oktober 2020 heeft Rotterdam Airport bij verweerder een aanvraag voor een natuurvergunning ingediend voor de exploitatie van de luchthaven.\n\n3.1.. Op 15 februari 2021 heeft verweerder het ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant (de ontwerpnatuurvergunning).Het ontwerpbesluit strekte tot verlening van de natuurvergunning voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ (het project).\n\n3.2.. Eisers hebben op 25 maart 2021 tegen de ontwerpnatuurvergunning een gezamenlijke zienswijze (de zienswijze) ingediend.\n\n3.3.. Op 11 april 2023 is door verweerder aan Rotterdam Airport verzocht om haar aanvraag aan te vullen met onder meer een nieuwe stikstofberekening. Rotterdam Airport heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en verschillende nadere stukken ingediend, waaronder een actualisatie van de eerder ingediende passende beoordeling.3.4.. Op 17 juni 2024 heeft verweerder besloten dat geen natuurvergunning nodig is voor het aangevraagde project en daarom de aangevraagde natuurvergunning geweigerd. Volgens verweerder heeft het project “betrekking op de referentiesituatie” en blijft het project binnen het bestaande recht van Rotterdam Airport.\n\nZaaknummer 24\u002F8840\n\n4. Op 17 juni 2024 en gelijktijdig met het bestreden besluit heeft verweerder ambtshalve een maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport opgelegd. In voorschrift 4 van het maatwerkvoorschrift is het bestaande recht van RTHA vastgesteld op 88,8 ton NOx per jaar.\n\n4.1.. Op 26 juli 2024 hebben eisers bezwaar ingesteld tegen het maatwerkvoorschrift.\n\n4.2.. In het besluit van 23 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het maatwerkvoorschrift ongegrond verklaard.\n\nARN 24\u002F5175\n\nLeeswijzer\n\n5. Eisers hebben een groot aantal beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit. Alvorens deze beroepsgronden inhoudelijk te bespreken, beoordeelt de rechtbank enkele formele punten. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgronden die betrekking hebben op de door verweerder gehanteerde referentiesituatie. Daarna bespreekt de rechtbank het betoog van verweerder dat de aanvraag gekwalificeerd kan worden als één-en-hetzelfde project als de referentiesituatie en dat daarom geen natuurvergunning is vereist.\n\nOvergangsrecht\n\n6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n6.1.. De aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend op 1 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.\n\nWas de aanvraag onvoldoende duidelijk?\n\n7. Eisers betogen dat de aanvraag onvoldoende duidelijk is en dat verweerder daarom niet kon besluiten dat significante effecten op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van het aangevraagde project uitgesloten zijn. Eisers stellen dat in de aanvraag ten onrechte niet is benoemd voor welk aantal vliegtuigbewegingen en van welk type maximaal een natuurvergunning wordt aangevraagd.Daarbij merken eisers op dat er een discrepantie bestaat tussen de referentiesituatie, die is gebaseerd op de omzettingsregeling en de referentiesituatie\u002Fhet bestaand recht zoals vermeld in de aanvraag.\n\n7.1.. Verweerder voert hierover aan dat de aanvraag voldoende duidelijk is. De natuurvergunning is door Rotterdam Airport aangevraagd voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’. Dit project bestaat uit luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Rotterdam Airport heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waaruit de referentiesituatie bestaat, aldus verweerder. Daarbij merkt verweerder op dat in het bestreden besluit de door eisers naar voren gebrachte discrepantie is toegelicht en verklaard.\n\n7.2.. \n\nIn het bestreden besluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:\n\n‘Bestaand recht\n\nHet bestaand recht wordt begrensd door het Aanwijzingsbesluit 2010. Aanvrager heeft de referentiesituatie in beeld gebracht, qua vlootsamenstelling en middels een stikstofberekening t.a.v. luchtgebonden activiteiten, grondgebonden activiteiten en verkeersaantrekkende werking.\n\nIn bijlage A van het stikstofrapport is toegelicht hoe het bestaand recht is vastgesteld.\n\n(…)\n\nVoor de reconstructie van het bestaand recht is de verkeerssamenstelling bepaald zonder de onbruikbare (geluid)categorie 000 en alleen voor de vliegtuigtypen die 100 (exclusief de schaalfactor) of meer bewegingen per jaar gemaakt hebben. Dit leidt tot de verkeerssamenstelling, het totale aantal (ongeschaalde) bewegingen neemt af met circa 4.500 bewegingen tot 47.894 bewegingen. Ter correctie van deze missende bewegingen is per soort verkeer een correctiefactor toegepast.\n\nDat resulteert in een bestaand recht van aantal vliegbewegingen per jaar:\n\nGroot verkeer: 22.712,6;\n\nOverig verkeer: 9.785,2;\n\nKlein verkeer: 21.491,7.\n\nDat deze aantallen lager zijn dan werd voorzien ten tijde van de omzettingsregeling zal voor een deel het gevolg zijn van het vervangen van propellervliegtuigen door straalvliegtuigen.’\n\n7.3.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat Rotterdam Airport onder meer het volgende heeft opgenomen in haar aanvraag van 1 oktober 2020 ‘Hierbij vraag ik namens Rotterdam Airport (“RTHA”) een vergunning aan op grond van de Wet natuurbescherming (“Wnb-vergunning”) voor Luchthaven Rotterdam The Hague Airport.\n\nRTHA vraagt de Wnb-vergunning aan voor de activiteit als gedefinieerd in aangehechte passende beoordeling (…).’\n\nIn de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Het vigerende luchthavenbesluit van RTHA is de zogenoemde omzettingsregeling uit 2013 (19 april 2013, IENM\u002FBSK-2013\u002F72460). Deze omzettingsregeling vertaalde (één op één) het laatste aanwijzingsbesluit genomen op basis van de luchtvaartwet naar de nieuwe Wet luchtvaart. Het aanwijzingsbesluit is laatst gewijzigd in 2010 (15 oktober 2010 VenW\u002FBSK 2010\u002F132401) op basis van scenario 4c uit het MER2008. Zowel de omzettingsregeling als het aanwijzingsbesluit waarop het gebaseerd was zijn onherroepelijk. Hierin is een geluidsruimte vergund die is vastgesteld op basis van 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer.\n\n(…)\n\nAls representatie van het feitelijk verkeer is daarom de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 30 oktober 2019) genomen, aangezien dit het meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is 52.439, waarvan 21.049 groot verkeer (NB: dit is lager dan volgt uit wat is vergund - en door RTHA thans wordt aangevraagd - namelijk op basis van de omzettingsregeling. Voor de duidelijkheid: deze aanvraag ziet op de vigerende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer).’\n\n‘2.1 De activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd\n\nHet Aanwijzingsbesluit 2001 en de vigerende milieuvergunning vormen het bestaand recht en zijn voor deze rapportage de referentiesituatie. Deze passende beoordeling gaat over de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door de exploitatie van RTHA (\"de Activiteit\") ten opzichte van de bestaand recht situatie (zie paragraaf 2.2). De exploitatie van RTHA, waarvoor deze vergunning wordt aangevraagd, omvat samengevat:\n\n> Luchtgebonden activiteiten, zoals toegestaan in de vigerende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer) en passend binnen het bestaand recht: de afhandeling van vliegverkeer (landen, opstijgen, taxiën).\n\n> Grondgebonden activiteiten op RTHA, zoals toegestaan op grond van de vigerende omgevingsvergunning (destijds milieuvergunning, laatste revisie 2 augustus 1994) voor RTHA. Dit betreft met name:\n\n■ Gebruik auxiliary power unit (APU), dit is een kleine motor in het vliegtuig die stroom levert voor functies anders dan voortstuwing van het vliegtuig.\n\n■ Gebruik ground power unit (GPU), dit is een verrijdbaar apparaat dat een geparkeerd vliegtuig van stroom voorziet.\n\n■ Proefdraaien vliegtuigen.\n\n■ Platformverkeer: alle voertuigen en mobiele werktuigen die op en rond het platform aanwezig zijn. Hieronder vallen bijvoorbeeld bussen, trekkers, tankauto's en trappen.\n\nBij de grondgebonden activiteiten is het gasverbruik van gebouwen niet opgenomen omdat de meeste gebouwen op RTHA worden verwarmd middels WKO en dus geen fossiele brandstoffen gebruiken. De verkeersaantrekkende werking van het wegverkeer als gevolg van bovenstaande activiteiten wordt ook betrokken in de beoordeling. De verkeersaantrekkende werking op wegverkeer omvat ook verkeer op het luchthaventerrein, zoals taxi's, halen en brengen en bussen welke niet onder de grondgebonden activiteiten van RTHA zelf vallen. Deze verkeersstromen zijn geen onderdeel van de Activiteit, maar daar wel een gevolg van en zijn als dusdanig betrokken in de passende beoordeling.\n\n2.2. \n\nAchtergrond bij de referentiesituatie en de aangevraagde activiteit\n\n(…)\n\nHet maximale gebruik van het Aanwijzingsbesluit 2001 op het gebied van stikstof volgt uit een andere vlootsamenstelling dan in de invoerset van het Aanwijzingsbesluit 2001 was opgenomen. Dit heeft te maken met een verschuiving van propellervliegtuigen (zoals de Fokker 50) naar straalvliegtuigen (zoals Boeing 737's en Airbussen). Deze verschuiving naar straalvliegtuigen heeft tot gevolg dat er meer geluid per vliegtuigbeweging geproduceerd wordt, maar ook dat er meer NOx uitgestoten wordt.\n\n(…)\n\nHuidig gebruik\n\nVoor het huidige gebruik is de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 31 oktober 2019) genomen, aangezien dit meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is in tabel 4 opgenomen. In dit scenario worden meerdere vliegtuig- en motortypen per geluidscategorie beschouwd. Hiermee wordt uitgegaan van een realistische vlootmix.\n\n’\n\n7.4.. De rechtbank stelt voorop dat het bevoegd gezag bepaalt welke gegevens en bescheiden nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.Zoals eisers terecht hebben opgemerkt is het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat bij het verlenen van een natuurvergunning niet een bepaalde stikstofemissie of stikstofdepositie wordt vergund, maar bepaalde activiteiten.\n\n7.5.. De rechtbank oordeelt dat verweerder heeft kunnen besluiten dat de aanvraag van Rotterdam Airport voldoende gegevens en bescheiden bevatte om op te kunnen besluiten. In haar aanvraag heeft Rotterdam Airport opgenomen dat zij een natuurvergunning aanvraagt voor de activiteit zoals die is gedefinieerd in de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling. Anders dan eisers stellen blijkt uit paragraaf 2.1 van deze passende beoordeling waaruit deze aangevraagde activiteit bestaat, waaronder luchtgebonden activiteiten zoals deze zijn toegestaan in de geldende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer). Daaropvolgend is in paragraaf 2.2 onder meer uiteengezet waarom het aantal vliegtuigbewegingen in het gebruiksjaar 2019 afwijkt van de vliegtuigbewegingen zoals die waren toegestaan in de omzettingsregeling. Dit heeft blijkens de passende beoordeling onder meer te maken met de verschuiving van het gebruik van propellervliegtuigen naar straalvliegtuigen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDe referentiesituatie\n\n8. Een natuurvergunning is verplicht als een activiteit afzonderlijk of in samenhang met andere projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, was het vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij beantwoording van de vraag of op voorhand kan worden uitgesloten dat een project significante gevolgen kan hebben – de voortoets –, de gevolgen van de voorgenomen activiteit mochten worden bezien in relatie tot de gevolgen van de bestaande vergunde situatie (intern salderen met de referentiesituatie).8.1.. In de uitspraak van 18 december 2024 heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd (de 18 december-uitspraak).Die wijziging houdt kort gezegd in dat de referentiesituatie niet meer mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. Uit de 18 december-uitspraak blijkt dat de vraag wat de referentiesituatie is bij het verlenen van een natuurvergunning op twee momenten van belang is. Dat is ten eerste in de voortoets. Bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend of betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Dat is ten tweede bij de beantwoording van de vraag of de gevolgen van activiteiten die eerder al zijn toegestaan, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling mogen worden betrokken.Intern salderen met de referentiesituatie mag namelijk nog wel als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling van de gevolgen van een project.Dit kan als voldaan wordt aan de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder het additionaliteitsvereiste. Dit vereiste houdt in dat een maatregel die naar zijn aard ook als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel kan worden ingezet, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als deze maatregel niet nodig is krachtens artikel 6, eerste of tweede lid, van de Habitatrichtlijn.\n\n8.2.. De referentiesituatie die bij intern en extern salderen kan worden ingezet, wordt ontleend aan de natuurvergunning voor de toegestane activiteit op de locatie waarop de voorgenomen activiteit is voorzien. Bij het ontbreken van een natuurvergunning wordt de referentiesituatie ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum. De referentiedatum is de datum waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op het betrokken Natura 2000-gebied.Voor gebieden die ter uitvoering van de Vogelrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum 10 juni 1994 (referentiedatum 1994), tenzij een gebied later is aangewezen.Voor gebieden die ter uitvoering van de Habitatrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum voor de gebieden die in deze zaak van belang zijn 7 december 2004 (referentiedatum 2004). Wanneer na de referentiedatum een toestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen voor Natura 2000-gebieden dan de activiteit die op de referentiedatum was toegestaan, dan geldt die latere toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.\n\n8.3.. De rechtbank beoordeelt in onderstaande overwegingen eerst of verweerder is uitgegaan van de juiste referentiesituatie. Mocht dit het geval zijn, dan beoordeelt de rechtbank daarna of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als hetgeen waarvoor toestemming is verleend in de referentiesituatie.\n\nBesluiten\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat Rotterdam Airport voor de door haar uit te voeren activiteiten niet in het bezit is van een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Ten aanzien van de exploitatie van Rotterdam Airport zijn in de loop der tijd wel diverse besluiten genomen die voor de beoordeling van de referentiesituatie in deze procedure van belang kunnen zijn. Die besluiten worden hieronder weergegeven.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 november 1964 (aanwijzingsbesluit 1964) is Rotterdam Airport aangewezen als luchtvaartterrein.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 maart 2000 (aanwijzingsbesluit 2000) is het aanwijzingsbesluit 1964 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 oktober 2001 (aanwijzingsbesluit 2001) zijn de aanwijzingsbesluiten 1964 en 2000 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 juli 2004 (aanwijzingsbesluit 2004) is het aanwijzingsbesluit 2001 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 september 2010 (aanwijzingsbesluit 2010) zijn de aanwijzingsbesluiten 2001 en 2004 gewijzigd.\n\n- De regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 19 april 2013 (de omzettingsregeling) waarin de bepalingen over het luchthavenverkeer uit het aanwijzingsbesluit 2010 in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens zijn omgezet.\n\nHeeft verweerder terecht de referentiesituatie ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2010?\n\n10. Verweerder heeft in het bestreden besluit de effecten van het project beoordeeld en afgezet tegen de effecten van de referentiesituatie. Volgens verweerder wordt de referentiesituatie voor het project gevormd door hetgeen is toegestaan op grond van het aanwijzingsbesluit 2010 en vervolgens is omgezet in de omzettingsregeling. Voor het aanwijzingsbesluit 2010 is voor 1 februari 2009 een aanvraag ingediend, het aanwijzingsbesluit 2010 is na die datum onherroepelijk geworden en het aanwijzingsbesluit 2010 is eerder passend beoordeeld. Hierdoor is er gelet op artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, geen sprake van een vergunningplicht, aldus verweerder in het bestreden besluit.\n\n10.1.. Eisers zijn het om diverse redenen niet eens met de keuze van verweerder om de referentiesituatie voor het project te ontlenen aan het aanwijzingsbesluit 2010. Eisers stellen onder meer dat Rotterdam Airport geen geslaagd beroep kan doen op het overgangsrecht als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb. Eisers voeren aan dat een besluit dat valt onder het overgangsrecht van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, niet als referentiesituatie kan fungeren voor een ander project. Ter onderbouwing van deze stelling verwijzen eisers naar een uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 en een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025.Verder stellen eisers dat ten tijde van het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 er al een toetsingsgrondslag aanwezig was in de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) in verband met de reeds aangewezen gebieden op basis van de Vogelrichtlijn. De beoordeling van de aangevraagde effecten op deze gebieden had volgens eisers moeten plaatsvinden in een vergunningprocedure als bedoeld in Nbw 1998.Voor zover een referentiesituatie ontleend kan worden aan het aanwijzingsbesluit 2010, dan betreft dit aanwijzingsbesluit geen natuurtoestemming, maar een milieutoestemming, aldus eisers. Tot slot stellen eisers dat verweerder de referentiesituatie in de ontwerpnatuurvergunning en verschillende andere besluiten heeft ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2001 in plaats van het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n10.2.. De rechtbank overweegt dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Op basis van dit artikel gold (tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet) een vergunningplicht voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze vergunningplicht geldt na 1 januari 2024 op grond van artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet. In artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb staat dat artikel 2.7, tweede lid, niet van toepassing is op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden. Onder de Omgevingswet is voorzien in een soortgelijk artikel.\n\n10.3.. Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb bevat een uitzondering op de vergunningplicht. Uit de memorie van toelichting bij dit artikel volgt dat de implementatie van de Habitatrichtlijn met de wijzigingen van de Nbw 1998 per 1 oktober 2005 en 1 februari 2009 is gecomplementeerd en sindsdien voorziet in een zelfstandig regime ter toetsing van projecten en andere handelingen aan de vereisten van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Tot die tijd werd de toetsing van projecten en handelingen aan de vereisten van artikel 6 van de Habitatrichtlijn zoveel mogelijk verricht bij het nemen van andere besluiten die voorzagen in de autorisatie van het project of de handeling, bijvoorbeeld milieu(revisie)vergunningen, vrijstellingen op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bestemmingsplannen en ontgrondingenvergunningen. Dit gebeurde op basis van een zogenoemde richtlijnconforme interpretatie van de nationale regelgeving in het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. In de memorie van toelichting heeft de opsteller verder vermeld dat het achtste lid regelt dat deze projecten en handelingen niet nogmaals aan de vereisten van de Habitatrichtlijn hoeven te worden getoetst.\n\n10.4.. In artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb staan een aantal voorwaarden waaraan een besluit moet voldoen om onder deze bepaling te vallen. Ten eerste moet het besluit op grond waarvan het project of de andere handeling is toegestaan, zijn genomen voor 1 februari 2009, dan wel dat de aanvraag voor die datum is ingediend en na deze datum het besluit onherroepelijk is geworden. Ten tweede moet dit besluit berusten op een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Ten derde moet bij dit besluit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht zijn genomen.\n\n10.5.. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of het aanwijzingsbesluit 2010 voldoet aan de voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, overweegt de rechtbank het volgende.\n\n10.6.. In de door eisers aangehaalde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant is overwogen dat aan een besluit waarop artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb van toepassing is geen referentiesituatie ontleend kan worden voor een ander project.In het bestreden besluit heeft het aanwijzingsbesluit 2010 daarentegen niet gefungeerd als een referentiesituatie voor een ander project, maar voor een voortzetting van het project zoals dat was toegestaan met het aanwijzingsbesluit 2010. Dat blijkt expliciet uit de aanvraag en uit het bestreden besluit. Los van de vraag of verweerder terecht heeft besloten dat sprake was van voortzetting van één-en hetzelfde project, waarop de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak in zal gaan, volgt hieruit wel reeds dat de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant niet op gaat. Ook de verwijzing door eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 brengt geen verandering in het voorgaande. In deze uitspraak heeft de Afdeling de vraag of een besluit waarop artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb op van toepassing is kan worden gebruikt als referentiesituatie bij de beoordeling voor de aangevraagde wijziging van een project, uitdrukkelijk niet beantwoord. Ook deze uitspraak betreft daarbij, anders dan deze uitspraak, wederom een situatie waarbij sprake is van een wijziging van een project.\n\n10.7.. \n\nDe stelling van eisers dat ten tijde van de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010 de beoordeling van de aangevraagde effecten op vogelrichtlijngebieden exclusief plaats had moeten vinden in een vergunningprocedure als bedoeld in de Nbw 1998 en daarom het aanwijzingsbesluit in ieder geval voor enkele gebieden niet kan fungeren als referentiesituatie, volgt de rechtbank niet. Gelet op de tekst van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb is voor de toepasselijkheid van deze overgangsrechtelijke bepaling niet relevant of er op dat moment al een toetsingsgrondslag aanwezig was in de Nbw 1998 en zo ja, of bij die beoordeling ook de effecten op gebieden moesten worden meegenomen die nog niet als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn waren aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het met het oog op rechtszekerheid, voor de toepassing van het overgangsrecht slechts van belang of artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen in het aanwijzingsbesluit 2010.\n\nDaarbij acht de rechtbank ook van belang dat ingevolge artikel 7 van de Habitatrichtlijn de verplichtingen uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn ook gelden voor Vogelrichtlijngebieden. Als aan de verplichtingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn is getoetst is daarmee ook een beoordeling uitgevoerd op grond van de Vogelrichtlijn.\n\n10.8.. De rechtbank beantwoordt hierna of het aanwijzingsbesluit 2010 aan de hiervoor genoemde voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb voldoet.\n\nVoldoet het aanwijzingsbesluit 2010 aan de voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb?\n\n11. Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb luidt: ‘Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.’\n\n11.1.. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 is gestart met de brief van 30 september 2005, waarin Rotterdam Airport heeft verzocht om wijziging van het destijds vigerende aanwijzingsbesluit. Daarmee is de aanvraag voor het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 ingediend voor 1 februari 2009. Verder heeft de Afdeling de beroepen die waren ingesteld tegen het aanwijzingsbesluit 2010 in haar uitspraak van 6 juli 2011 ongegrond verklaard. Daardoor is het aanwijzingsbesluit 2010 onherroepelijk geworden na 1 februari 2009.Gelet hierop is aan de eerste voorwaarde van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb voldaan. Verder stelt de rechtbank vast dat het aanwijzingsbesluit 2010 ook voldoet aan de tweede voorwaarde van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb. Het aanwijzingsbesluit 2010 is op grond van de Luchtvaartwet genomen en daarmee is gegeven dat het aanwijzingsbesluit 2010 is genomen op een andere grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Hierdoor komt Rotterdam Airport een beroep toe op artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, mits bij het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen.\n\n11.2.. Eisers betogen dat het aanwijzingsbesluit 2010 niet met inachtneming van artikel 6, tweede tot en met het vierde lid, van de Habitatrichtlijn is genomen. Eisers stellen dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 niet passend zijn beoordeeld. Het bij het aanwijzingsbesluit 2010 onderliggende rapport uit 2008 is volgens eisers slechts te kwalificeren als een voortoets en bevat een aantal gebreken.In dat rapport is de onjuiste conclusie opgenomen dat er binnen 15 kilometer van het terrein van de luchthaven geen Natura 2000-gebieden zijn gelegen, aldus eisers. Verder heeft er in het rapport geen cumulatietoets plaatsgevonden.\n\n11.3.. Verweerder voert hierover aan dat het aanwijzingsbesluit 2010 wel met inachtneming van artikel 6, tweede tot en met vierde lid, van de Habitatrichtlijn is genomen. De stelling van eisers dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 niet volledig dan wel correct passend zijn beoordeeld brengt in het voorgaande geen verandering, aldus verweerder. Verweerder stelt dat het aanwijzingsbesluit 2010 onherroepelijk is en het in strijd met de rechtszekerheid is als een onherroepelijk besluit opnieuw tegen het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn wordt gehouden. Na het verstrijken van de beroepstermijn kunnen mogelijke bezwaren tegen het toepassen van de bepalingen uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn niet alsnog worden tegengeworpen, aldus verweerder.\n\n11.4.. Zoals hierboven overwogen is het een gegeven dat het aanwijzingsbesluit 2010 door de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011 onherroepelijk is geworden. De rechtszekerheid staat eraan in de weg dat de toets aan artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in deze procedure opnieuw in volle omvang aan de orde kan worden gesteld. Dit zou immers neerkomen op een herbeoordeling van een reeds onherroepelijk verleende toestemming en zou het overgangsrecht in dat opzicht zinledig maken. De beoordeling dient daarom beperkt te blijven tot de vraag of artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n11.5.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in de nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit 2010 onder meer het volgende is opgenomen:\n\n‘4.3 Maatschappelijke effecten en overwegingen\n\nIn deze paragraaf worden de effecten beschouwd van het alternatief 4c dat de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, kiest als basis voor de aanwijzing. Hierbij komen zowel de economische als milieueffecten aan de orde.’\n\n‘4.3.2. Milieu-effecten\n\nGeluid\n\n(…)\n\nLuchtkwaliteit\n\n(…)\n\nBeschermde natuur\n\nOm de gevolgen voor de beschermde natuur rond Rotterdam The Hague Airport in kaart te brengen, zijn voor het voorkeursalternatief verstorende effecten voor beschermde gebieden en beschermde flora en fauna geïnventariseerd. Mogelijk verstorende effecten van grote burgerluchtvaart kunnen optreden in gebieden waarboven op minder dan drieduizend voet hoogte wordt gevlogen en binnen een afstand van minder dan twee kilometer van de routes.\n\nDeskundigenbureau Waardenburg hanteert als aanname dat boven deze hoogte en voorbij deze afstand geen verstoringen van de natuur optreden. Rotterdam The Hague Airport bevindt zich in een zeer verstedelijkte omgeving. Beschermde gebieden, diersoorten, plantsoorten en habitats (alle volgens de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet 2002) komen in de directe omgeving van de luchthaven niet of nauwelijks voor, wel op grotere afstand. Gevolgen van de alternatieven voor beschermde natuur zijn in de omgeving alleen van toepassing voor zicht en geluid van vliegtuigen in het Beschermd Natuurmonument de Ackerdijkse Plassen, enkele kilometers ten noordwesten van de luchthaven. Alle andere (beschermde) natuurgebieden liggen op zo'n afstand van de luchthaven en de gevolgde vliegroutes, dat er geen verstorende effecten te verwachten zijn.’\n\n11.6.. \n\nIn het ‘Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008 Rotterdam Airport, Deelrapport Natuur’ (milieueffectrapport), dat ten grondslag ligt aan het aanwijzingsbesluit 2010, zijn onder meer de volgende passages en afbeeldingen opgenomen:\n\n‘5. Gebieden en soorten met een beschermde status5.1. \n\nInleiding\n\n(…)\n\nRekening houdend met eventuele effecten op grotere afstand is een overzicht gegeven van beschermde gebieden en soorten binnen een straal van 5 en van 10 km. De beschermde gebieden hebben betrekking op Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en Natuurbeschermingswet. Binnen een Vogelrichtlijngebied genieten de vogelsoorten op grond waarvan het gebied is aangewezen een beschermde status. Binnen een Habitatrichtlijngebied geldt dit voor habitattypen en plant- en diersoorten op grond waarvan het gebied is aangewezen. Sinds 1 oktober 2005 is de gebiedsbescherming vanuit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgenomen in de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998. Sindsdien worden de speciale beschermingszones aangeduid als Natura 2000-gebieden. Eventuele inliggende Beschermde Natuurmonumenten zullen in deze vernieuwde aanwijzingen worden opgenomen. Daarnaast kan een gebied op grond van de Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als Beschermd Natuurmonument.’\n\n‘5.2 Beschermde gebieden\n\nRondom luchtvaartterein Rotterdam-Airport liggen binnen een straal van 15 km geen gebieden waarvan de beschermde status is ontleend aan de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn. Alleen aan de zuidzijde van Rotterdam liggen langs de Oude Maas terreinen die onder de Habitatrichtlijn zijn aangewezen als speciale beschermingszone.\n\nOp grotere afstand, maar op minder dan 30 kilometer liggen met name langs de kust en in de Delta verschillende Natura 2000-gebieden. De meeste van deze gebieden ontlenen hun beschermde status aan zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn.\n\nTen noordwesten van Rotterdam-Airport liggen op enkele kilometers afstand de Ackerdijkse Plassen. Dit terrein heeft de status van Beschermd Natuurmonument.\n\n’\n\n‘Beoordelingskader\n\nDe effecten van het vliegverkeer van en naar Rotterdam Airport worden getoetst aan de voorwaarden die de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn stellen. Artikel 6 van de Habitatrichtlijn geeft het globale afwegingskader. Op basis van dit beoordelingskader kan worden aangegeven of sprake is van significante effecten. Onder significante effecten wordt in dit verband verstaan:\n\nveranderingen in abiotische situatie en de ruimtelijke structuur, die de natuurlijke dynamiek te boven gaan en het leefmilieu van planten- en\u002Fof diersoorten zodanig beïnvloeden dat er letterlijk unieke situaties verloren dreigen te gaan of ecologische processen blijvend worden verstoord, of het voortbestaan van populaties van nationaal zeldzame soorten of voor dat systeem kenmerkende soorten op termijn niet meer op hetzelfde niveau verzekerd is, dan wel de betekenis van een gebied voor soorten aanmerkelijk afneemt (naar EU 2000).\n\nHierin zijn de begrippen ‘verloren dreigen te gaan' en ‘blijvend verstoord' relatief eenduidig en ook relatief eenvoudig vast te stellen. Voor gebieden die niet zijn aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, maar wel zijn aangewezen als Beschermd Natuurmonument, kan hetzelfde afwegingskader worden gebruikt. Ook voor deze gebieden zal worden nagegaan of sprake is van significante effecten. Indien in de beoordeling in het kader van de Vogelrichtlijn en\u002Fof Habitatrichtlijn sprake is van significante effecten, komen mitigerende en zo nodig ook compenserende maatregelen in beeld. De Natuurbeschermingswet is hierin minder stringent en vraagt bijvoorbeeld geen mitigerende of compenserende maatregelen. (…)’\n\n‘7. Conclusies\n\n(…)\n\nNatura 2000-gebieden die beschermd zijn op grond van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 (nog geen vigerende aanwijzingsbesluiten, voorheen Vogelrichtlijngebied en\u002Fof Habitatrichtlijngebied met thans vigerende aanwijzingsbesluiten) liggen op een afstand van 15 km of meer van luchtvaartterrein Rotterdam-Airport. Vliegtuigen passeren hier op hoogtes (ruim) boven 3.000 ft. Op deze gebieden zijn derhalve geen (significante) effecten te verwachten onder beide te beoordelen alternatieven.’\n\n11.7.. \n\nHet rapport van 26 juni 2008 waar eisers naar verwijzen betreft de toetsing door het adviesbureau Waardenburg waarin de effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving zijn getoetst (het rapport).Het rapport is een bijdrage in het hiervoor genoemde milieueffectrapport. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Verstoring van fauna door vliegtuigen en helikopters heeft een visuele en een auditieve component. Verstorende effecten nemen af bij toenemende vlieghoogte. Bij vlieghoogtes boven 3.000 ft worden op grond van het bestaande onderzoek geen effecten verwacht.\n\n(…)\n\nNatura 2000-gebieden die beschermd zijn op grond van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 (nog geen vigerende aanwijzingsbesluiten, voorheen Vogelrichtlijngebied en\u002Fof Habitatrichtlijngebied met thans vigerende aanwijzingsbesluiten) liggen op een afstand van 15 km of meer van luchtvaartterrein Rotterdam-Airport (figuur 5.1). Vliegtuigen passeren hier op hoogtes (ruim) boven 3.000 ft. Op deze gebieden zijn derhalve geen (significante) effecten te verwachten.’\n\n11.8.. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze passages uit het milieueffectrapport dat ten grondslag ligt aan het aanwijzingsbesluit 2010, dat het aanwijzingsbesluit 2010 is verleend met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. In het milieueffectrapport is een opsomming gegeven van de gevoelige en beschermde gebieden in relatie tot natuur en landschap die zich in de nabijheid van de voorgenomen activiteit bevinden. In deze opsomming worden ook verschillende Natura 2000-gebieden genoemd, inclusief de afstand tot de voorgenomen activiteit en of deze gebieden hun bescherming ontlenen aan de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn of beide. Blijkens de nota van toelichting en het milieueffectrapport heeft er vervolgens een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen activiteit op de betreffende gebieden. De conclusie is dat de voorgenomen activiteit geen (significante) effecten heeft op de gebieden die zijn gelegen binnen een afstand tot 15 km of minder van het terrein van de luchthaven, gelet op de aanname dat mogelijk verstorende effecten van grote burgerluchtvaart niet kunnen optreden in gebieden waarboven op minder dan drieduizend voet hoogte wordt gevlogen.\n\n11.9.. Anders dan eisers betogen, vereist het in acht nemen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 passend moeten zijn beoordeeld. De systematiek van het natuurbeschermingsrecht houdt in dat alleen een passende beoordeling nodig is als mogelijk significante effecten als gevolg van het project te verwachten zijn op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als significante negatieve gevolgen zijn uit te sluiten is een passende beoordeling niet nodig. De in het aanwijzingsbesluit verrichte beoordeling heeft uitgewezen dat significante gevolgen zijn uit te sluiten. De omstandigheid dat de beoordeling van de gevolgen van de aangevraagde activiteit voor omliggende gebieden in het aanwijzingsbesluit 2010, met de kennis van nu, wellicht anders of meer indringend zou zijn uitgevoerd, doet geen afbreuk aan het onherroepelijke karakter daarvan. Gelet hierop kunnen de overige door eisers aangevoerde gronden evenmin leiden tot het oordeel dat artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet in acht zijn genomen. Het betoog slaagt niet.\n\n11.10.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht heeft besloten dat het aanwijzingsbesluit 2010 een zogenaamde natuurtoestemming behelst.\n\nIs het aanwijzingsbesluit 2010 geëxpireerd?\n\n12. Eisers betogen dat de toestemming uit het aanwijzingsbesluit 2010 is geëxpireerd. Dit heeft volgens eisers tot gevolg dat de referentiesituatie die aan het aanwijzingsbesluit 2010 kan worden ontleend, nihil is. Eisers stellen dat in strijd met artikel X van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (Wet RBML) de omzettingsregeling is vastgesteld voor Rotterdam Airport. Volgens eisers is de omzettingsregeling als bedoeld in artikel X van de Wet RBML uitdrukkelijk niet bedoeld voor burgerluchthavens van nationaal belang maar voor burgerluchthavens van regionaal belang. Dit blijkt onder meer uit verschillende passages uit de memorie van toelichting bij de Wet RBML, aldus eisers. Hierdoor had volgens eisers voor de exploitatie van de luchthaven op 1 november 2014 een Luchthavenbesluit moeten worden vastgesteld.\n\n12.1.. Verweerder voert hierover aan dat de omzettingsregeling tot gevolg heeft dat de exploitatie van de luchthaven nog steeds plaatsvindt overeenkomstig een vigerende toestemming. Volgens verweerder wordt in artikel X van de Wet RBML geen onderscheid gemaakt tussen het type luchthavens. Het gaat namelijk om ieder luchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet. De memorie van toelichting waarnaar eisers verwijzen is achterhaald, omdat daarin nog werd uitgegaan van het eerste wetsvoorstel, aldus verweerder. Volgens verweerder is met de nota van wijziging van 11 oktober 2006 het eerste wetsvoorstel gewijzigd.\n\n12.2.. In de 18 december-uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat een referentiesituatie niet kan worden ontleend aan een natuurvergunning of een milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.De rechtbank zal daarom de vraag beantwoorden of verweerder ten onrechte heeft besloten dat het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling niet is geëxpireerd.\n\n12.3.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke grondslag voor de omzettingsregeling is gelegen in artikel X van de Wet RBML. Artikel X, eerste lid, van de Wet RBML luidt: ‘Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor ieder burgerluchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet, aan beide zijden in het verlengde van de middellijn van de start- en landingsbaan op 100 meter van het einde van de baan een punt vastgesteld waar de geluidbelasting een bepaalde waarde niet te boven mag gaan.’\n\n12.4.. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat ten onrechte een omzettingsregeling is vastgesteld voor de exploitatie van de luchthaven. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het aanwijzingsbesluit 2010 is gebaseerd op artikel 18 van de Luchtvaartwet. De stelling van eisers dat in strijd met artikel X van de Wet RBML een omzettingsregeling is vastgesteld voor Rotterdam Airport volgt de rechtbank niet. Blijkens de tekst van artikel X van de Wet RBML wordt voor ieder burgerluchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet immers een omzettingsregeling vastgesteld.\n\nIs de omzettingsregeling van rechtswege komen te vervallen?\n\n13. Eisers betogen dat de omzettingsregeling van rechtswege is komen te vervallen en dat daarom hieraan geen referentiesituatie kan worden ontleend. Eisers stellen dat in strijd met de verplichting uit artikel XIII, tweede lid, van de RBML geen luchthavenbesluit is vastgesteld voor de exploitatie van de luchthaven en daarmee de omzettingsregeling is vervallen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat in strijd wordt gehandeld met het verbod van artikel 8.1a, derde lid, van de Wet luchtvaart (Wlv), aldus eisers. Het voorgaande onderbouwen eisers onder meer met rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) waaruit volgens hen blijkt dat geen referentiesituatie kan worden ontleend aan een toestemming die een tijdelijk karakter heeft.\n\n13.1.. Verweerder voert hierover aan dat het niet voldoen aan de verplichting tot het binnen vijf jaar vaststellen van een luchthavenbesluit niet tot gevolg heeft dat de omzettingsregeling van rechtswege is komen te vervallen.Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de toestemming voor de exploitatie van de luchthaven geen einddatum kent. De doorlopende toestemming uit de omzettingsregeling moet alleen worden ondergebracht onder een ander juridisch regime.\n\n13.2.. Artikel XIII, tweede lid, van de RBML luidt: ‘Binnen vijf jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel K, van deze wet wordt een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.70, eerste lid, van de Wet luchtvaart, vastgesteld voor burgerluchthavens die op grond van artikel 8.1, tweede lid, van die wet van nationale betekenis zijn en waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, van die wet vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.’\n\n13.3.. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 5 maart 2025 heeft overwogen dat zolang een omzettingsregeling op grond van artikel X van de RBML voor een luchthaven geldt, het verbod van artikel 8.1a, derde lid, van de Wlv niet wordt overtreden.Verder heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat in artikel XIII niet is bepaald dat een omzettingsregeling vervalt als de daarin gestelde termijn verstrijkt en er nog geen luchthavenbesluit is vastgesteld. Artikel XIII, eerste lid, van de RBML verbindt dat gevolg niet aan het verstrijken van de daarin gestelde termijn. Dat betekent dat de omzettingsregeling geldt zolang er nog geen luchthavenbesluit geldt, ook al is de termijn van artikel XIII, eerste lid, verstreken, aldus de Afdeling.\n\n13.4.. De rechtbank is, anders dan eisers betogen, niet van oordeel dat aan het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling geen referentiesituatie kan worden ontleend omdat deze zijn vervallen. De rechtbank acht hiertoe van belang dat uit de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025 uitdrukkelijk volgt dat het verstrijken van de termijn uit artikel XIII van de RBML niet tot gevolg heeft dat de omzettingsregeling vervalt. De omstandigheid dat in de betreffende uitspraak het eerste lid van voornoemd artikel van toepassing was en in deze procedure het tweede lid van dat artikel brengt in het voorgaande geen verandering. Ook in artikel XIII, tweede lid, van de RBML is namelijk, net als in het eerste lid, geen gevolg verbonden aan het niet voldoen aan de verplichting om binnen vijf jaar een luchthavenbesluit vast te stellen voor de betreffende luchthaven. Zoals hierboven opgenomen volgt uit de 18 december-uitspraak dat een referentiesituatie niet kan worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd. Die rechtspraak ziet echter op de situatie waarin de rechten die werden ontleend aan de betrokken vergunning of toestemming zijn geëindigd, waardoor een activiteit niet in de bestaande omvang kon worden voortgezet. Die situatie doet zich hier niet voor. Weliswaar moest de omzettingsregeling blijkens artikel XIII binnen vijf jaar worden omgezet in een luchthavenbesluit, maar het hier aan voldoen heeft niet tot gevolg dat daarmee de exploitatie van de luchthaven niet mocht worden voortgezet. Van een verval van het recht om de eerder toegestane activiteit voort te zetten, was daarom geen sprake. Het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling is daarmee geen toestemming die is vervallen.13.5.. Gelet op het bovenstaande gaat de verwijzing door eisers naar de rechtspraak van het Hof van Justitie niet op. In het door eisers aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019 was namelijk sprake van een concrete einddatum van de betreffende activiteit, bestaande uit het in werking hebben van twee kerncentrales. De toestemming van de exploitatie van de luchthaven kent daarentegen geen einddatum. Zoals hierboven opgenomen moet alleen de toestemming die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de omzettingsregeling worden ondergebracht onder het regime van de Wet luchtvaart. Voor zover eisers wijzen op overweging 43 uit het arrest van het Hof van Justitie van 10 november 2022, merkt de rechtbank op dat, anders dan eisers stellen, uit deze overweging niet volgt dat geen referentiesituatie kan worden ontleend aan toestemming die tijdelijk van aard is.\n\nTen onrechte de referentiesituatie betrokken in de voortoets?\n\n14. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. Eisers voeren daartoe aan dat in de 18 december-uitspraak is overwogen dat sprake is van een vergunningplichtig project als op basis van een voortoets, zonder dat daarin de referentiesituatie wordt betrokken, significante effecten niet kunnen worden uitgesloten. Volgens eisers volgt uit de 18 december-uitspraak ook dat het project slechts kan worden toegestaan als de effecten daarvan in een passende beoordeling zijn beoordeeld en de getroffen maatregelen uit deze passende beoordeling voldoen aan het additionaliteitsvereiste. Eisers stellen zich op het standpunt dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport geen voortzetting is van één-en-hetzelfde project als is toegestaan met het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling. Eisers voeren aan dat de exploitatie van Rotterdam Airport veelvuldig is gewijzigd sinds de referentiedatum en dat daarom niet langer sprake is van een-en-hetzelfde-project. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar het rapport van het adviesbureau Apollon Milieu (Apollon) waarin onder meer is opgenomen dat er tussen de aanvraag en de referentiesituatie verschillen zichtbaar zijn. In het rapport van Apollon is bijvoorbeeld opgetekend dat de parkeerterreinen op de luchthaven zijn uitgebreid en dat er een verschuiving en filtering heeft plaatsgevonden van vliegtuigcategorieën. Ter zitting hebben eisers gesteld dat wanneer op de grond van de luchthaven bouwwerkzaamheden worden verricht die relevant zijn voor de uitbreiding van de capaciteit van de luchthaven, die werkzaamheden tot gevolg hebben dat daarmee het project wordt gewijzigd.\n\n14.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de referentiesituatie betrokken mocht worden bij de beoordeling van de effecten van het aangevraagde project in de voortoets en daaropvolgende beoordeling of het aangevraagde project vergunningplichtig was. Verweerder voert hierover aan dat de 18 december-uitspraak geen invloed heeft op het bestreden besluit. Verweerder stelt dat de aanvraag geen betrekking heeft op een wijziging van het project. Volgens verweerder is geen sprake van een nieuw project dan wel het beperken of beëindigen van een bestaande situatie. De exploitatie van de luchthaven als bedoeld in de referentiesituatie wordt namelijk voorgezet, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat de effecten van de beoogde situatie passen in de referentiesituatie en geen sprake is van een nieuw project of een verandering daarvan. Dat de vliegtuigen in de loop der tijd veranderen heeft niet tot gevolg dat sprake is van een gewijzigd project. Het vergunde project in de referentiesituatie betreft immers de exploitatie van een luchthaven en daar ziet het aangevraagde project ook op, aldus verweerder.\n\n14.2.. Rotterdam Airport stelt zich op het standpunt dat sprake is van één-en-hetzelfde project en daarom geen natuurvergunning is vereist. Rotterdam Airport betoogt dat het aangevraagde project nog steeds het exploiteren van de luchthaven is door middel van het afwikkelen van vliegverkeer, met alle bijbehorende (grondgebonden) activiteiten. Bij continuïteit en identiteit van de verschillende activiteiten moet de voortzetting van de reeds eerder vergunde activiteiten geacht worden deel uit te maken van slechts één project waarvoor reeds een vergunning is afgegeven en waarvoor geen nieuwe beoordeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn hoeft te worden verricht, aldus Rotterdam Airport.\n\n14.3.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen blijkt uit de 18 december-uitspraak dat de referentiesituatie in de voortoets van belang blijft. De referentiesituatie is namelijk van belang bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend of betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project is sprake wanneer een project niet langer wordt voortgezet als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de natuurtoestemming of een milieutoestemming van voor de referentiedatum die nadien is gecontinueerd.\n\n14.4.. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie in het arrest van 7 november 2018 heeft overwogen dat een activiteit kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project waarvoor geen nieuwe beoordeling nodig is op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn ‘mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd’.In het arrest van 10 november 2022 heeft het Hof van Justitie over de ongewijzigde voortzetting van een natuurvergunde activiteit overwogen: ‘Wanneer een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een beschermd gebied, reeds in de projectfase is vergund, kan de voortzetting van die activiteit echter slechts worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project waarvoor krachtens artikel 6, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 92\u002F43 een nieuwe beoordeling moet worden verricht, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit - met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd - geen continuïteit en identiteit bestaat’.\n\n14.5.. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank beoordelen of het aangevraagde project door Rotterdam Airport een voortzetting betreft als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de toestemming zoals die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling.\n\n14.6.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat Rotterdam Airport onder meer het volgende heeft opgenomen in haar aanvraag van 1 oktober 2020:\n\n ‘Hierbij vraag ik namens Rotterdam Airport (‘’RTHA’’) een vergunning aan op grond van de Wet natuurbescherming (‘‘Wnb-vergunning’’) voor Luchthaven Rotterdam The Hague Airport.’\n\nIn de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\nHuidig gebruik\n\nVoor het huidige gebruik is de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 31 oktober 2019) genomen, aangezien dit meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is in tabel 4 opgenomen. In dit scenario worden meerdere vliegtuig- en motortypen per geluidscategorie beschouwd. Hiermee wordt uitgegaan van een realistische vlootmix.\n\n’\n\nIn de geactualiseerde passende beoordeling is onder meer de volgende tabel opgenomen:\n\n14.7.. \n\nIn het bestreden besluit heeft verweerder onder meer de volgende passages opgenomen:\n\n‘Besluit\n\nIn de stukken geeft u aan dat de aanvraag voor het project RTHA betrekking heeft op de referentiesituatie zoals beschreven in de passende beoordeling. De exploitatie blijft binnen bestaand recht. Derhalve wordt geen vergunning verleend, maar wordt de aanvraag positief afgewezen.’\n\n(…)\n\n‘2.4 Conclusie\n\nNu het Aanwijzingsbesluit 2010 het bestaand recht bepaalt is niet het aantal vliegtuigen bepalend voor de referentiesituatie, als wel hetgeen zich realistisch gezien kon voordoen binnen de looptijd van het Aanwijzingsbesluit 2010. Daarbij was de geluidscontour bepalend, want aan RTHA is in 2010 geen andere beperking gesteld dan de geluidscontour. De stikstofemissie en -depositie volgens bestaand recht is uitgewerkt in de voortoets. Uit de voortoets volgt dat het aantal vliegtuigbewegingen bij het bestaand recht zoals zich dat in de referentiesituatie kon voordoen, lager is dan hetgeen werd voorzien bij de omzettingsregeling. Nu de aanvraag ziet op het uitvoeren van het project exploitatie luchthaven RTHA binnen de referentiesituatie, zijn significante gevolgen uitgesloten. Om die reden is geen vergunning nodig. Dit besluit betreft dan ook een positieve weigering. Aan een positieve weigering kunnen geen voorschriften worden verbonden. Uit oogpunt van rechtszekerheid en om te voorkomen dat de activiteiten op RTHA, ten opzichte van de referentiesituatie, verslechterende of significant verstorende gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied waarop RTHA stikstof emitteert en deponeert, worden bij separaat besluit ambtshalve maatwerkvoorschriften opgelegd waarbij de stikstofemissie, van vliegverkeer incl. taxiën en APU, GPU, platformverkeer en proefdraaien, zoals berekend in de voortoets behorend bij uw aanvraag voor de referentiesituatie, wordt vastgelegd. Voorts dient de luchthaven over leder volgend gebruiksjaar te monitoren wat de stikstofemissie was.’\n\n14.8.. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of Rotterdam Airport met haar aanvraag een wijziging van het project heeft aangevraagd ten opzichte van de referentiesituatie zoals die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling.\n\n14.9.. De rechtbank stelt voorop dat een toestemming kan zijn begrensd door middel van geluidcontouren. Deze contouren dienen dan als referentie voor het maximaal toegestane gebruik. Het aantal vliegtuigbewegingen kan binnen de geluidcontour fluctueren en is alleen begrensd door de geluidscontour.Onder meer uit de aanvraag blijkt dat de berekende Ke-geluidszone uit het aanwijzingsbesluit 2010 is gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer. Dit aantal vliegtuigbewegingen vloeit voort uit het milieueffectrapport dat ten grondslag lag aan de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010.Dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport binnen deze toegestane vliegtuigbewegingen blijft is gelet op de 18 december-uitspraak niet meer relevant voor de vraag of het aangevraagde project vergunningplichtig is. Enkel als op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het aangevraagde project op zich zelf (inclusief standaardonderdelen in het ontwerp van het nieuwe project, maar zonder daarbij mitigerende maatregelen, waaronder intern salderen te betrekken), of in combinatie met andere plannen of projecten heeft voor Natura 2000-gebieden, bestaat er geen vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.\n\n14.10.. Het adviesbureau Apollon heeft in opdracht van eisers een rapport opgesteld met de titel ‘Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport’ (second opinion). In deze second opinion heeft Apollon onder meer geconcludeerd dat door de jaren heen het aantal parkeerplaatsen bij de luchthaven is toegenomen om het groeiend aantal passagiers te faciliteren. Zo heeft er volgens Apollon in 2006 een uitbreiding plaatsgevonden aan de zuid\u002Fwest kant van de luchthaven en is in 2008 een brede parkeerstrook aan het zuiden doorgetrokken. Verder concludeert Apollon dat ook een aantal faciliteiten zoals hotels, catering en gebouwen voor cargo bedrijven zijn gerealiseerd.Deze conclusies heeft Apollon onderbouwd met verschillende luchtfoto’s uit verschillende jaren van de luchthaven waarop deze wijzigingen volgens Apollon zichtbaar zijn.\n\n14.11.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft besloten dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport niet vergunningplichtig is. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het door Rotterdam Airport aangevraagde project niet kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project ten opzichte van het aanwijzingsbesluit 2010 en de daarop volgende omzettingsregeling. Zij licht dat oordeel als volgt toe. Rotterdam Airport heeft in haar aanvraag ervoor gekozen om een aanvraag in te dienen voor een natuurvergunning bij verweerder voor concrete activiteiten, namelijk luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Daarbij zijn de luchtgebonden activiteiten gespecificeerd in een aantal en type vliegtuigbewegingen. Hiermee heeft Rotterdam Airport ervoor gekozen om een toegestaan project op grond van een geluidscontour (dat dynamisch van aard) is te wijzigen naar een toestemming op grond van een natuurvergunning (die niet meer dynamisch maar statisch van aard is). Binnen de geluidscontour van het aanwijzingsbesluit 2010 bestond namelijk de mogelijkheid tot een autonome groei van het aantal en type en vliegtuigbewegingen, zolang deze maar binnen de vastgelegde geluidcontour bleven. Die wijzigingen hebben zich ook voorgedaan, zoals blijkt uit het verschil tussen de vliegtuigbewegingen in de referentiesituatie en het huidige gebruik waarvoor het jaar 2019 tot uitgangspunt is genomen. In de aanvraag is geen sprake van een dergelijke flexibiliteit. Hiermee bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijk verschil tussen de voorwaarden waaronder de vliegtuigbewegingen mogen worden verricht op de luchthaven in de aangevraagde situatie en de referentiesituatie. Dit dynamische karakter van de toestemming die Rotterdam Airport ontleent aan het aanwijzingsbesluit 2010 is onder meer zichtbaar uit de aangeleverde gegevens over het huidige gebruik. De aanvraag voor de natuurvergunning heeft gelet op het voorgaande geen betrekking op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als waarvoor met het aanwijzingsbesluit 2010 toestemming was verleend. Er is immers geen sprake van continuïteit en identiteit van de voorwaarden waaronder de activiteiten van Rotterdam Airport worden uitgevoerd.\n\n14.12.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag niet compleet is, nu Rotterdam Airport geen toestemming heeft gevraagd voor alle activiteiten die gezamenlijk één project vormen. Zo maken de (uitgebreide) parkeerterreinen geen onderdeel uit van de aanvraag, terwijl deze parkeerterreinen onlosmakelijk samenhangen met de activiteiten waarvoor Rotterdam Airport een natuurvergunning heeft aangevraagd. De rechtbank betrekt hierbij dat het aantal passagiers dat gebruikt maakt van de luchthaven is toegenomen en dat deze parkeerterreinen, die in de directe nabijheid van de luchthaven liggen, dus zijn bedoeld om de toegenomen parkeerbehoefte van de luchthaven op te vangen. Naar zijn aard zijn deze parkeeractiviteiten dus niet te onderscheiden van de luchthaven.Daarbij merkt de rechtbank op dat blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008 alle werkzaamheden met betrekking tot de gebouwen, installaties of apparatuur van een luchthaven moeten worden beschouwd als een wijziging van de luchthaven zelf. Dit voorgaande geldt volgens het Hof van Justitie vooral voor werkzaamheden die gericht zijn op het aanzienlijk vergroten van de activiteit van de luchthaven en het luchtverkeer.De uitbreiding van deze parkeerterreinen zijn ook van invloed op de continuïteit en identiteit van de activiteiten van de luchthaven.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F5175\n\n15. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij het geschil niet finaal kan beslechten en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat niet op voorhand duidelijk is of verweerder alsnog een natuurvergunning wil verlenen en dat bij de aanvraag een zogenoemde additionaliteitstoets ontbreekt. Mocht verweerder alsnog een natuurvergunning willen verlenen voor het aangevraagde project, dan dient er een nadere passende beoordeling te worden opgesteld met een additionaliteitstoets, waarin de referentiesituatie uit het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling ingebracht kan worden voor een mitigerende maatregel inzake intern salderen.\n\n15.1.. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op hetgeen eisers hebben aangevoerd over de juistheid van de vaststelling van de omvang van de door verweerder gehanteerde referentiesituatie. Verweerder moet immers met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project.\n\nARN 24\u002F8840\n\n16. In deze zaak staat het door verweerder aan Rotterdam Airport opgelegde maatwerkvoorschrift centraal. De bevoegdheid om dit maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport op te leggen, heeft verweerder ontleend aan artikel 11.4, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Volgens verweerder is er namelijk sprake van een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als genoemd in artikel 4.12, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (te weten de exploitatie van een burgerluchthaven van nationale betekenis).\n\n16.1.. \n\nVerweerder heeft aan het maatwerkvoorschrift verschillende voorschriften verbonden. Het vierde en zevende voorschrift luiden achtereenvolgens:\n\n‘4. Het bestaande recht van Rotterdam Airport B.V. van NOx emissies van vliegverkeer incl. taxiën en APU, GPU, Platformverkeer en proefdraaien bedraagt: 88,8 ton\u002Fjaar. Ieder gebruiksjaar dient de luchthaven binnen deze emissie te blijven.\n\n7. Voor de berekening van de stikstofemissies wordt dezelfde berekeningsmethodiek (emissie kentallen) gevolgd, die Is gebruikt voor de aanvraag van de Wnb-vergunning.’\n\n16.2.. Eisers betogen dat het maatwerkvoorschrift in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal is opgelegd. Eisers voeren aan dat op grond van deze bepaling een maatwerkvoorschrift niet kan worden opgelegd als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. Dit voorgaande is het geval volgens eisers, nu het aangevraagde project vergunningplichtig is. De jaarlijkse emissie van 88,8 ton NOx per jaar kan uitsluitend middels een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden voorgeschreven aan Rotterdam Airport, aldus eisers.\n\n16.3.. Verweerder voert hierover aan dat artikel 11.9, derde lid, van het Bal niet aan het maatwerkbesluit in de weg stond. Verweerder stelt dat met het maatwerkbesluit geen toename van NOx-emissies wordt toegestaan ten opzichte van de referentiestituatie die is ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2010. Hierdoor was er voor deze NOx-emissie dan ook geen natuurvergunning nodig, aldus verweerder.\n\n16.4.. \n\nIn het besluit op het bezwaar van eisers is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Artikel 11.9 van het Bal biedt de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften op te leggen. Dat kan op grond van artikel 11.9 lid 3 van het Bal alleen als het voorschrift niet aan een omgevingsvergunning verbonden kan worden. In dit geval is gebleken dat het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ de bestaande rechten niet overschrijdt. Daarom is in de positieve weigering de aanvraag voor een vergunning afgewezen, omdat geen vergunning nodig is. Daardoor is het dus niet mogelijk een dergelijk voorschrift in een\n\nomgevingsvergunning op te nemen. De enige mogelijkheid om de grenzen van het bestaande recht vast te leggen, is via de weg van de specifieke zorgplicht en het stellen van maatwerkvoorschriften. De discussie dat het bestaande recht niet klopt, dient, zoals hierboven aangegeven, te worden gevoerd in de procedure omtrent de positieve afwijzing van de vergunning aanvraag.’\n\n16.5.. Artikel 11.9, derde lid, van het Bal luidt: ‘Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.’\n\n16.6.. \n\nDe rechtbank oordeelt dat het maatwerkvoorschrift is opgelegd in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. Zoals de rechtbank onder 14.11 heeft overwogen heeft verweerder ten onrechte besloten dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport niet vergunningplichtig was. Hierdoor was het mogelijk om het gestelde voorschrift uit het maatwerkvoorschrift te verbinden aan een natuurvergunning en daarmee ontstaat er strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. De stelling van verweerder dat met het maatwerkvoorschrift geen toename van stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie wordt toegestaan, wat hier ook van zij, brengt hierin geen verandering. Zoals onder 14.11 overwogen is er namelijk geen sprake meer van één-en-hetzelfde project en is de door Rotterdam Airport aangevraagde activiteit vergunningplichtig. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F8840\n\n17. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat hij bevoegd was tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar en herroept het maatwerkbesluit van 17 juni 2024. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op het overige wat eisers hebben aangevoerd over onder meer de omvang van de toegestane NOx-emissie. Zoals hierboven overwogen moet verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project en zo ja, dan zal hij daarbij ook (opnieuw) de omvang van de referentiesituatie moeten vaststellen.\n\nProceskosten\n\n18. Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.736,- omdat de gemachtigden van eisers voor elke zaak een beroepschrift hebben ingediend en beiden ook aan de zitting hebben deelgenomen.\n\n18.1.. Eisers hebben verder verzocht om vergoeding van de kosten van de second opinion van Apollon van 31 oktober 2025, die zij in de beroepsfase ARN 25\u002F5175 hebben ingebracht. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.De inschakeling van Apollon in het kader van de beroepsprocedure acht de rechtbank redelijk. Ter zitting hebben eisers aangegeven dat zij willen dat verweerder een bedrag van € 3230,92 aan kosten vergoedt. Dit hebben eisers onderbouwd met een factuur. De rechtbank acht de deskundigenkosten voor het opstellen van de second opinion redelijk.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nZaaknummer 24\u002F5175\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 17 juni 2024;\n\n- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 5.098,92 aan proceskosten aan eisers.\n\nZaaknummer 24\u002F8840\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- herroept het besluit van 17 juni 2024;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgevingHabitatrichtlijn\n\nArtikel 6\n\n1. Voor speciale natuurbeschermingsgebieden stellen de lidstaten de noodzakelijke beschermingsmaatregelen vast, die, indien nodig, passende beheersplannen omvatten die specifiek voor de locaties zijn ontworpen of geïntegreerd in andere ontwikkelingsplannen, en passende wettelijke, administratieve of contractuele maatregelen die overeenkomen met de ecologische vereisten van de natuurlijke habitattypen in Bijlage I en de soorten in Bijlage II die op de locaties aanwezig zijn.\n\n2. Lidstaten zullen passende maatregelen nemen om in de bijzondere beschermingsgebieden de achteruitgang van natuurlijke habitats en die van soorten, evenals verstoring van de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, te voorkomen, voor zover deze verstoring significant kan zijn in relatie tot de doelstellingen van deze richtlijn.\n\n3. Elk plan of project dat niet direct verbonden is met of noodzakelijk is voor het beheer van de locatie, maar waarschijnlijk een significante invloed daarop zal hebben, hetzij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, wordt onderworpen aan een passende beoordeling van de implicaties voor de locatie in het licht van de natuurbeschermingsdoelstellingen van de locatie. In het licht van de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor de locatie en onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 4, zullen de bevoegde nationale autoriteiten pas instemmen met het plan of project nadat zij hebben vastgesteld dat het de integriteit van de betreffende locatie niet nadelig zal beïnvloeden en, indien van toepassing, nadat zij de mening van het algemene publiek hebben verkregen.\n\nArtikel 7\n\nVerplichtingen voortvloeiend uit artikel 6, lid 2, lid 3 en 4 van deze richtlijn vervangen alle verplichtingen die voortvloeien uit de eerste zin van artikel 4 (4) van Richtlijn 79\u002F409\u002FEEG met betrekking tot gebieden die zijn geclassificeerd krachtens artikel 4 (1) of op vergelijkbare wijze erkend onder artikel 4 (2) daarvan, vanaf de datum van uitvoering van deze richtlijn of de datum van classificatie of erkenning door een lidstaat op grond van Richtlijn 79\u002F409\u002FEEG, waarbij de laatste datum later is.\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 4:2\n\n2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.\n\nArtikel 4:5\n\n1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:\n\nc. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,\n\nmits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.\n\nArtikel 8:72\n\n1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.\n\n2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.\n\n3. De bestuursrechter kan bepalen dat:\n\na. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of\n\nb. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.\n\n4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:\n\na. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;\n\nb. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.\n\nArtikel 8:75\n\n1. De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.\n\nOmgevingswet\n\nArtikel 5.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\ne. een Natura 2000-activiteit.\n\nAanvullingswet natuur Omgevingswet\n\nArtikel 2.9\n\n1. Als voor de inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:\n\na. als tegen het besluit beroep openstaat, tot het besluit onherroepelijk is.\n\nWet Natuurbescherming\n\nArtikel 2.7\n\n2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.\n\nArtikel 9.4\n\n8. Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.\n\nNatuurbeschermingswet 1998\n\nArtikel 19d\n\n1. Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.\n\nBesluit activiteiten leefomgeving\n\nArtikel 11.4\n\n1. Voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit en voor een in het tweede lid van dat artikel aangewezen activiteit die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:\n\na. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.\n\nArtikel 11.9\n\n3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.\n\nOmgevingsbesluit\n\nArtikel 4.12\n\n1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:\n\na. een Natura 2000-activiteit van nationaal belang.\n\nStcrt.2021, 7270.\n\n Dit betreft de volgende stukken: Vergunningaanvraag Wnb\u002FPassende beoordeling, d.d. 25 oktober 2023; Stikstofdepositie RTHA, achtergrondrapport bij de passende beoordeling, d.d. 16 oktober 2023; Actualisatie passende beoordeling RTHA onderdeel stikstof, d.d. 16 oktober 2023; Natuurtoets aanpassing gebruik RTHA gebiedenbescherming, d.d. 5 oktober 2023; Beschermde soorten rond RTHA en aspecten van vliegveiligheid, d.d. 24 oktober 2023; Projectberekening PDF Aerius Calculator, d.d. 13 oktober 2023.\n\n Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1528, waaruit volgens eisers volgt dat bij het verlenen van een natuurvergunning niet een bepaalde stikstofemissie of stikstofdepositie wordt vergund, maar bepaalde activiteiten.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 3.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 5.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 8-9.\n\n Zie artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Zie onder meer de door eisers aangehaalde uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1528, r.o. 5.1.\n\n Deze verplichting is opgenomen in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Dit bleek onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5.\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 16.2.\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 21.1\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\n Richtlijn 2009\u002F147\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\nStcrt.1964, 225 en 232.\n\nStcrt.2000, 62.\n\nStcrt.2001, 209.\n\nStcrt.2004, 149.\n\nStcrt.2010, 16205.\n\n Dit zijn achtereenvolgens de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1147 en de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601.\n\n Als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998.\n\n Dit betreft artikel 2.4, vijfde lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. In deze bepaling is het volgende opgenomen: Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet is niet van toepassing op besluiten als bedoeld in artikel 9.4, achtste of negende lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn. De paragrafen 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.5 van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing.\n\nKamerstukken II2011\u002F12, 33 348, nr. 3, p. 290\n\n Zoals overwogen in rechtsoverweging 5.4 door de Rechtbank Oost-Brabant in haar uitspraak van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601, r.o. 5.9.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR0564.\n\n Dit betreft het rapport: Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13631, r.o. 8.2.\n\n Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit van de Aanwijzing Luchtvaartterrein Rotterdam The Hague Airport, 22 september 2010, p. 34.\n\n Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit van de Aanwijzing Luchtvaartterrein Rotterdam The Hague Airport, 22 september 2010, p. 44-45.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 31.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 32.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 33.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 41.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 51.\n\n Volledig: Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008.\n\n Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008, p. 7-8.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\n Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:622 en van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864.\n\n Ter onderbouwing verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860, r.o. 7.1.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860, r.o. 7.2.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5, waarin de Afdeling verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 17 en 17.5.\n\n Arrest van het hof van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018: 882, r.o. 86.\n\n Arrest van het hof van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864, r.o. 35. Zoals overwogen door de Afdeling in haar uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:615, r.o. 7.1.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 8-9.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 25 oktober 2023, p. 4.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449 en van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1959.\n\n Blijkens de nota van toelichting heeft het bevoegd gezag ervoor gekozen om alternatief 4c uit het milieueffectrapport als basis te nemen voor het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 22.\n\n Rapport Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 8.\n\n Rapport Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 8 in samenhang met bijlage 3.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4556, r.o. 6.6.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:133, r.o. 36. Ondanks het gegeven dat in het betreffende arrest een ‘project’ als bedoeld in de richtlijn 85\u002F337\u002FEEC centraal stond, is dit arrest van toepassing op onderhavige aanvraag. Zie daarvoor rechtsoverweging 65 van het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882.\n\n Zie onder meer de uitspraak van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1246, r.o. 9.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2962","2026-04-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.815Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":90,"fullText":91,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":30,"updatedAt":94},"1131","ECLI:NL:RBGEL:2026:2567","ecli-nl-rbgel-2026-2567","2026-04-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht zaaknummers: ARN 25\u002F2824 en ARN 25\u002F2875uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\n [naam bedrijf 1] B.V.en [naam bedrijf 2] B.V., gevestigd in [plaats 1], eiseres (in zaak ARN 25\u002F2824)\n\n(gemachtigde: mr. T.A. Timmermans),\n\n [eiser], uit [plaats 1], eiser (in zaak ARN 25\u002F2875)\n\n(gemachtigde mr. S. Oord),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe\n\n(gemachtigde: mr. A. de Zeeuw).\n\nAls derde-partij nemen aan de zaken deel: [derde-partij 1] B.V.(zaak 25\u002F2875), gevestigd in [plaats 2], en [derde-partij 2] B.V.(zaak 25\u002F2824), gevestigd in [plaats 3], hierna in enkelvoud vergunninghouder.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsunits aan de [locatie] in [plaats 1]. Eiseres en eiser zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning in stand blijft omdat het college de aanvraag op een goede manier heeft getoetst aan de bouwverordening en gebruik heeft kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Eiseres en eiser krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.\n\nHeeft het college de vergunning op de juiste wijze getoetst aan de bouwverordening?\n\nHeeft het college gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?\n\nAan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Vergunninghouder heeft op 15 juni 2022 een aanvraag ingediend voor nieuwbouw van bedrijfsunits op het perceel van de [locatie] in [plaats 1].\n\n2.1.. Op 20 december 2022 heeft het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning gepubliceerd. Eiseres en eiser hebben hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.2.. Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2025 heeft het college het besluit van 20 december 2022 herroepen en, na een inhoudelijke toetsing, de gevraagde vergunning verleend voor de activiteiten bouwen, een werk aanleggen of uitvoeren, iets doen wat volgens het bestemmingsplan niet mag (binnenplanse afwijking), en het maken of veranderen van uitwegen.\n\n2.3.. Eiseres en eiser hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.\n\n2.4.. Bij uitspraak van 5 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank uitspraak gedaan op een verzoek om voorlopige voorziening van eiseres 1. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat partijen van mening verschillen over de gevolgen van het heien in het perceel waarvan de bodem vervuild is. Omdat de gevolgen van eventuele verspreiding van de vervuiling groot zijn en niet op voorhand kan worden gezegd dat door het heien geen verplaatsing zal plaatsvinden, is de omgevingsvergunning van 21 mei 2025 geschorst.\n\n2.5.. Het college heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.\n\n2.6.. De rechtbank heeft de beroepen op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens eiseres en gemachtigde van eiseres, [persoon B] namens eiser en gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, en [persoon C], [persoon D] en [persoon E] (specialist bodem) namens vergunninghouder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt de verleende omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eiseres en eiser.\n\nIngetrokken beroepsgronden\n\n4. Eiseres heeft de beroepsgronden over archeologisch onderzoek, het aantal bedrijfsunits, het welstandsadvies en het ontbreken van een aanlegvergunning tijdens de zitting ingetrokken.\n\nAchtergrond\n\n5. Vergunninghouder heeft in 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van bedrijfsunits op het perceel. Het college heeft aanvankelijk te laat beslist op deze aanvraag en heeft daarop een omgevingsvergunning van rechtswege gepubliceerd. Eiseres en eiser hebben bezwaar gemaakt tegen deze omgevingsvergunning omdat zij zich onder meer zorgen maken over de bodemverontreiniging op het perceel. De bodem van het perceel waarop de bedrijfsunits zijn voorzien, is namelijk ernstig verontreinigd en eisers vrezen dat de bouw tot gevolg heeft dat die verontreiniging zich verspreidt. Vervolgens heeft het college in zijn beslissing op bezwaar de aanvraag alsnog inhoudelijk getoetst en met toepassing van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid het bedrijfsverzamelgebouw op het perceel mogelijk gemaakt. Het saneringsplan dat in opdracht van vergunninghouder is opgesteld, maakt onderdeel uit van de verleende vergunning.\n\nOvergangsrecht\n\n6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Dat betekent dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en daarop gebaseerde regelgeving – zoals de bouwverordening –van toepassing blijft op de omgevingsvergunning.\n\nHeeft het college de vergunning getoetst aan de bouwverordening?\n\n7. Eiseres en eiser betogen dat de bodem van het perceel ernstig is vervuild. Het heien van heipalen leidt tot roeren van de grond waardoor de vervuiling horizontaal kan gaan uitstromen. De gekozen heimethode leidt daarmee tot een onaanvaardbaar risico. Het college heeft dat onvoldoende erkend. Eisers en eiser wijzen op het bestaan van alternatieve manieren van bouwen, zoals bijvoorbeeld bouwen zonder heimethode of betonpalen drukken in plaats van heien. Dat voorkomt ook trillingen. Eiser heeft hierop aanvullend nog aangevoerd dat de vergunning voorziet in het infiltreren van hemelwater in de bodem. Dat vergroot echter de kans dat de vervuiling zich verder verspreidt naar het naastgelegen terrein. Eiser mist ook een afschrift van de beoordeling door de bodemadviseur van de gemeente, waardoor niet controleerbaar is of het college zich afdoende heeft vergewist dat het saneringsplan voldoet. Verder is het saneringsplan volgens eiser niet gebaseerd op recent bodemonderzoek, maar op bodemonderzoek van 2020, waardoor onzeker is of dat de actuele situatie op het terrein goed weergeeft.\n\n7.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat de grond van het perceel verontreinigd is omdat het perceel onder meer is gebruikt als stortplaats voor autowrakken. Ten behoeve van het bouwplan is bodemonderzoek gedaan. Naar aanleiding daarvan is op 7 februari 2025 door vergunninghouder het “Saneringsplan [locatie] te [plaats 1]” opgesteld.\n\nBouwverordening7.2.. \n\nArtikel 2.4.2 van de – inmiddels vervallen – Bouwverordening gemeente West Betuwe (de bouwverordening) luidt als volgt:\n\n“Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen\n\nIn afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevings-vergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en\u002Fof andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.”\n\n7.3.. In artikel 2.4.1 van de bouwverordening staat dat niet gebouwd mag worden op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van de gebruikers van een bouwwerk. Artikel 2.4.2 van de bouwverordening vormt daarop een uitzondering. Er kan namelijk een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen op verontreinigde bodem worden verleend als het college voorwaarden verbindt aan de vergunning en uit een goedgekeurd saneringsplan blijkt dat de bodem voor het beoogde doel geschikt kan worden gemaakt. Vaststaat dat er in dit geval een saneringsplan is opgesteld dat door het college is goedgekeurd en dat onderdeel uitmaakt van de vergunning.\n\nOmgevingsvergunning7.4.. \n\nIn de vergunning staan onder 6 de regels voor werk in de bodem.\n\n“6. De regels voor werk in de bodem\n\n- Voorafgaand aan graafwerkzaamheden t.b.v. de bouw moet de milieuhygiënische kwaliteit van de grondwallen op de bouwlocatie worden bepaald door de uitvoering van één of meerdere partijkeuringen conform BRL SIKB 1000.\n\n- De rapportage van de partijkeuring(-en) moet tenminste vier weken voorafgaand aan de graafwerkzaamheden bij Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) worden ingediend ter beoordeling.\n\nEr wordt dan ook beoordeeld of de grond uit de wallen ofwel herschikt kan worden onder de bebouwing en verharding, ofwel afgevoerd moet worden naar een erkende verwerker.\n\n- Minstens vier weken voorafgaand aan graafwerkzaamheden t.b.v. de bouw moeten bij het digitale omgevingsloket (DSO) meldingen en informatieplichten MBA Saneren en MBA Graven boven Interventiewaarde ingediend worden. Het rapport \"Saneringsplan [locatie] te [plaats 1]\", Bottomline Projectbegeleiding, projector. 400-8, 7 februari 2025, kan bij de informatieplichten als bijlage worden ingediend.\n\n- De maatregelen die voortvloeien uit de beoordeling van de ingediende meldingen en informatieplichten vanuit voorwaarde 3 moeten opgevolgd worden.\n\n- De verwachting is dat er geen graafwerkzaamheden beneden grondwaterniveau uitgevoerd worden. Als het toch nodig is om grondwater uit de bodem te pompen en te lozen op de riolering of een watergang moet u hiervoor toestemming vragen bij uw gemeente en\u002Fof bij Waterschap Rivierenland. Wat u moet doen kunt u nagaan via het omgevingsloket.”\n\nWat staat er in het saneringsplan?7.5.. In het saneringsplan wordt geconcludeerd dat sprake is van een ernstige immobiele bodemverontreiniging. Deze conclusie is gebaseerd op diverse bodemonderzoeken van onder meer 2020, 2023 en 2024. Het bodemvolume waarin de grond is verontreinigd met zware metalen, PAK, minerale olie en EOX groter dan de interventiewaarde, overschrijden het volumecriterium van 25 m³ grond in de Wet bodembescherming. Uit onderzoek is gebleken dat de stortlaag niet heeft geresulteerd in een sterke grondwaterverontreiniging. Doel van de sanering is het herschikken van de verontreinigde grond en voorzien van een duurzame afdeklaag.\n\n7.6.. De sanering vindt plaats in combinatie met de ontwikkeling van het perceel. De toekomstige bebouwing en de verharding van het parkeerterrein dekken de volledige verontreiniging af. Omdat de deklaag van het perceel een minimale dikte heeft moet er bij de sloop zoveel mogelijk voorkomen worden dat er in de grond wordt geroerd. Bij de uitvoering moet ook voorkomen worden dat de verontreiniging zich in verticale richting verspreidt. Om te vermijden dat tijdens het heiproces stortmateriaal naar beneden verplaatst, is een speciale tool ontwikkeld waarmee de gaten voor de heipalen worden voor geprikt. De tool van het voorprikken zorgt ervoor dat de grond opzij wordt gedrukt in plaats van naar beneden.\n\n7.7.. De sanering moet worden uitgevoerd volgens de beoordelingsrichtlijn uitvoering bodemsanering BRL SIKB7000 en het SIKB protocol 7001 uitvoering van landbodemsaneringen met conventionele methoden. Bij de uitvoering van de sanering worden de ontgravingswerkzaamheden uitgevoerd door een gecertificeerde aannemer en het gehele saneringstraject begeleid door een gecertificeerd milieukundig toezichthouder. Na afronding van de sanering stelt de milieukundig toezichthouder een evaluatierapport op.\n\n7.8.. Na uitvoering van de bouwwerkzaamheden worden drie peilbuizen geselecteerd of geplaatst aan de benedenstroomse zijde van de saneringslocatie. Gedurende één jaar wordt het grondwater een keer per drie maanden bemonsterd voor analyses op de parameters uit het standaardpakket voor grondwater. Deze tijdelijke monitoring heeft als doel te controleren of de verontreinigingssituatie in het grondwater wijzigt ten opzichte van de huidige situatie en om vast te stellen in hoeverre de wijziging(en) zijn te relateren aan de bouwactiviteiten. Als gehaltes aan barium de interventiewaarde overschrijden en\u002Fof als de gehaltes van één van de overige parameters een hogere bodemindex dan 0,5 heeft, vindt een herbemonstering en heranalyse plaats. Als de herbeoordeling de overschrijding bevestigt, wordt in overleg met het bevoegd gezag de noodzaak tot een vervolgactie besproken.\n\nOverwegingen7.9.. De rechtbank is van oordeel dat uit het geheel aan gegevens – de vergunning met voorwaarden en het saneringsplan – blijkt dat het college de aanvraag overeenkomstig de bouwverordening heeft beoordeeld. Het college heeft zich daarbij in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan de uitzondering in de bouwverordening dat er toch mag worden gebouwd op het verontreinigde perceel. Uit het saneringsplan blijkt dat de bodemverontreiniging voldoende in kaart is gebracht en dat het meest recente bodemonderzoek dateert van 2024. Het saneringsplan bevat maatregelen volgens de gangbare standaarden om verspreiding van de verontreiniging te voorkomen. De sanering wordt uitgevoerd door een gecertificeerde aannemer onder leiding van een gecertificeerde milieukundige toezichthouder. In de voorwaarden bij de vergunning is opgenomen dat voorafgaand aan de graafwerkzaamheden de te verplaatsen grond wordt gekeurd of deze geschikt is voor hergebruik onder de bebouwing en verharding. Verder worden na afronding van de bouw grondwatermetingen verricht om gedurende een jaar te monitoren of de verontreiniging zich verspreidt. Dat er desondanks een onaanvaardbaar risico van verspreiding van de verontreiniging zou bestaan, hebben eiseres en eiser niet aannemelijk gemaakt. Tijdens de zitting heeft het college aangegeven dat als uit de peiling van het grondwater achteraf toch blijkt dat de verontreiniging is verplaatst, er zo nodig handhavend kan worden opgetreden. Vergunninghouder heeft tijdens de zitting daaraan toegevoegd dat hij bereid is voorafgaand aan de werkzaamheden een 0-meting van het grondwater te verrichten in de peilbuizen die al aanwezig zijn op het perceel van eiser.\n\n7.10.. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat er betere methodes zijn om heipalen te zetten - namelijk via een drukmethode - heeft het college voldoende toegelicht dat de gekozen methode van heien met toepassing van een tool om de gaten voor te prikken voldoet. Het college is daarbij zorgvuldig te werk gegaan. Naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening en wat tijdens de zitting van de voorlopige voorziening is behandeld heeft het college contact gezocht met andere instanties die als bevoegd gezag te maken hebben met bouwen op een stortplaats en met Bodembreed Academie. Daaruit is een aantal uitgangspunten naar voren gekomen, namelijk dat verdringing van stortmateriaal in horizontale richting bij heien over het algemeen zeer klein is en dat vooral verspreiding in verticale richting tegengegaan moet worden. Verder moet de aansluiting van de palen op de omliggende grond zo vast mogelijk zijn, waarbij palen van maximaal 35 x 35 cm daaraan het beste voldoen. Deze uitgangspunten komen overeen met de gekozen heimethode. Het voorprikken van de heipalen zorgt ervoor dat de grond in horizontale richting wordt verdicht, en de in dit geval te gebruiken palen zijn 32 x 32 cm. Dat er mogelijk betere methodes zouden zijn, betekent niet dat niet kan worden gekozen voor de heimethode in het saneringsplan.\n\n7.11.. Voor zover eiseres en eiser hebben aangevoerd dat zij schade vrezen door trillingen vanwege het heien, stelt het college zich terecht op het standpunt dat de vergunninghouder en de aannemer een zorgplicht hebben om dergelijke schade te voorkomen. Wanneer er toch schade optreedt is dat geen gebrek dat kleeft aan de vergunning die in deze zaak ter beoordeling voorligt, maar is dat een civiele kwestie tussen partijen.\n\n7.12.. Wat betreft het infiltreren van hemelwater is duidelijk dat dat inmiddels anders wordt geregeld. Waar aanvankelijk het plan was dat het regenwater zou worden geïnfiltreerd in de bodem, is in de vergunning gekozen voor waterbergingscompensatie elders. In de vergunning staat hierover dat de watercompensatie dient plaats te vinden conform de bij het waterschap aan te vragen watervergunning. Uit de berekening van 29 september 2023 die onderdeel uitmaakt van de vergunning, blijkt dat er een waterberging van 598 m³ nodig is. Tijdens de zitting is toegelicht dat in overleg met het waterschap compensatie is gezocht richting de Linge.\n\n7.13.. Voor zover eiser stelt dat hij niet kan controleren hoe het college de melding van het saneringsplan heeft getoetst, heeft eiser onvoldoende onderbouwd waarom hij van mening is dat de toetsing niet op een reguliere en juiste manier is verlopen. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de wijze van toetsen door het college.\n\n7.14.. De beroepsgronden slagen niet.\n\nHeeft het college gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?\n\n8. Eiseres betoogt dat een bedrijfsverzamelgebouw op het perceel in strijd met het bestemmingsplan is. Eiseres voert aan dat zij tegen de komst van een bedrijfsverzamelgebouw is vanwege de mogelijke impact op de omgeving voor wat betreft parkeren, verkeersafwikkeling en bereikbaarheid van hulpdiensten bij calamiteiten. Met deze belangen en de belangen van omwonenden is volgens haar onvoldoende rekening gehouden.\n\nToetsingskader8.1.. \n\nTer plaatse zijn het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen” en het Paraplubestemmingsplan “Parkeren 2019” van toepassing. Het perceel heeft de bestemming ‘Bedrijventerrein’ met dubbelbestemmingen ‘Waterstaat -Waterbergingsgebied’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ en gebiedsaanduidingen ‘wetgevingszone afwijkingsgebied 1’, ‘wetgevingszone – afwijkingsgebied 2’ en ‘overige zone – vernietigde bestemming’. Verder is zijn twee maatvoeringsaanduidingen van toepassing, een maximum bebouwingspercentage van 60% en een maximum bouwhoogte van tien meter.\n\nHet college kan binnen de aanduiding ‘wetgevingzone - afwijkingsgebied 1’, binnenplans afwijken om een bedrijfsverzamelgebouw toe te staan, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:\n\ner zijn voldoende laad- en losmogelijkheden en parkeervoorzieningen voorzien;\n\ner vindt geen onevenredige aantasting plaats van het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.\n\nOverwegingen8.2.. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat gebruikmaking van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank stelt vast dat het parkeren niet meer in geschil is, omdat duidelijk is dat het benodigde aantal parkeerplaatsen volledig op eigen terrein wordt gerealiseerd. Voor wat betreft de toename van de verkeersintensiteit heeft het college zich gebaseerd op een beoordeling van de gemeentelijke verkeersdeskundige. Die heeft aan de hand van actuele gegevens over verkeersbewegingen gekeken naar de capaciteit van de huidige infrastructuur en de te verwachten toename van verkeersbewegingen. Daaruit blijkt dat de huidige gebiedsontsluitingsweg met een maximum snelheid van 50 km per uur voldoende capaciteit heeft om de toename in verkeersbewegingen als gevolg van het bouwplan op te vangen. Om het verkeer bij het in- en uitrijden zoveel mogelijk te optimaliseren is wel geadviseerd om op het terrein van het bedrijfsverzamelgebouw eenrichtingsverkeer aan te houden. Dat advies is overgenomen en maakt via een situatietekening onderdeel uit van de vergunning. Eiseres heeft de uitgangspunten van de verkeerskundige niet gemotiveerd weerlegd. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college in de toename van het aantal verkeersbewegingen aanleiding had moeten zien, om de vergunning te weigeren. Verder heeft de brandweer op 13 november 2023 een positief advies over het bouwplan gegeven, en de betreffende situatietekening bevat de opstelplaats van de brandweer bij calamiteiten. De rechtbank is van verder van oordeel dat de enkele stelling dat de belangen van omwonenden onvoldoende zijn meegewogen in de besluitvorming, niet de conclusie rechtvaardigt dat het college geen goede afweging heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres en eiser krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder a, b, c en e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4.4.3 van het bestemmingsplan Bedrijventerreinen (binnenplanse afwijking).\n\n Op grond van artikel 4.4.3 kan worden afgeweken van artikel 4.1.2 onder e van het bestemmingsplan Bedrijventerreinen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2567","2026-04-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.743Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":99,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":30,"updatedAt":102},"1051","ECLI:NL:RBGEL:2025:10204","ecli-nl-rbgel-2025-10204","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 23\u002F3607, ARN 23\u002F3543 en 23\u002F4010tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\n [eiseres 1], uit [plaats], eiseres 1\n\n(gemachtigde: mr. R. Sahin),\n\n [eiser (als onderdeel van eisers 2)] en [eiseres (als onderdeel van eisers 2)], uit [plaats], samen: eisers 2\n\n(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),\n\n [villapark (eisers 3)], uit [plaats],\n\n [recreatiepark (eisers 3)], uit [plaats]\n\n [resort (eisers 3)], uit [plaats], samen: eisers 3\n\n(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en J.P.H. de Bruijn),\n\nallen gezamenlijk eisers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal\n\n(gemachtigde: mr. M.L. van Kalsbeek).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij]\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van twee padelbanen. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning een motiveringsgebrek kent met betrekking tot de beoordeling van het aspect geluid in het kader van de goede ruimtelijke ordening.Omdat de rechtbank zoveel mogelijk definitief moet beslissen over een geschil, doet de rechtbank een tussenuitspraak. Met deze tussenuitspraak krijgt het college de kans om het motiveringsgebrek te herstellen. De rechtbank licht dat hierna toe en gaat daarbij in op de beroepsgronden van eiseres.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 22 mei 2023 op de bezwaren van eisers heeft het college, in afwijking van het advies van de Commissie Bezwaarschriften, het bezwaar ongegrond verklaard en de toestemming voor het realiseren van twee padelbanen dus in stand gelaten.\n\n2.1.. Eisers hebben (afzonderlijke) beroepen ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het college heeft met één gezamenlijk verweerschrift op de beroepen gereageerd.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:\n\ndhr. [persoon A], namens eiseres 1;\n\nmw. mr. [persoon B] (waarnemend voor mr. Sahin), gemachtigde van eiseres 1;\n\ndhr. [eiser (als onderdeel van eisers 2)], namens eisers 2;\n\ndhr. mr. M. van Hoorne, gemachtigde van eisers 2;\n\ndhr. [persoon C] en dhr. [persoon D], namens eisers 3;\n\nmw. mr. J.P.H. de Bruijn, gemachtigde van eisers 3;\n\nmw. mr. M.L. van Kalsbeek, gemachtigde van het college;\n\ndhr. [gemachtigde], gemachtigde van de derde-partij.\n\nDaarnaast was namens het college nog de heer [persoon E], geluidsdeskundige, aanwezig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaan deze zaken over?\n\n3. Aan de derde-partij is op 26 september 2022 een omgevingsvergunning verleend om, in aanvulling op de al aanwezige tennisbanen, twee padelbanen te realiseren op het perceel [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel). De vergunning is verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. Dit laatste vanwege de hoogte van het hekwerk van de padelkooi van vier meter. Die overschrijdt de in het bestemmingplan bepaalde maximale hoogte van andere bouwwerken. Op grond van de kruimelgevallenregeling heeft het college de afwijking van de hoogte toegestaan.\n\n3.1.. Eisers 3 zijn op 24 oktober 2022 en eiseres 1 en eisers 2 zijn op 1 november 2022 in bezwaar gekomen tegen de omgevingsvergunning. De bezwaren zijn tegelijkertijd behandeld bij de Commissie Bezwaarschriften tijdens een hoorzitting op 24 januari 2023. De commissie heeft het college geadviseerd om de bezwaren van eisers gegrond te verklaren, omdat het gebruik van twee padelbanen niet in overeenstemming is met de bestemming van het perceel.\n\n3.2.. Het college is met het bestreden besluit van 22 mei 2023 afgeweken van dit advies. Op basis van een andere uitleg van de bestemming, zijn de bezwaren van eiseres 1 en van eisers 2 ongegrond verklaard, en is het bezwaar van eisers 3 deels gegrond verklaard.Het college heeft de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten, de grondslag voor het toestaan van de afwijking gewijzigd en tevens vergunning verleend voor de activiteit ‘het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden’.Eisers zijn het hier niet mee eens.\n\nIs padel op het perceel in strijd met het bestemmingsplan?\n\n4. Voor het perceel waar de padelbanen zijn gepland geldt het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ (hierna: het bestemmingsplan). De gronden zijn aangewezen voor ‘maatschappelijke doeleinden’. Uit artikel 7.1 van de planregels volgt dat ze zijn bestemd voor “maatschappelijke voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, cultuur, recreatie, lichamelijke en\u002Fof geestelijke volksgezondheid en bijzondere woondoeleinden met de daarbij behorende voorzieningen zoals tuinen, terrassen, erven, achterpaden, opritten, parkeerplaatsen en bouwwerken.”\n\n4.1.. Eisers betogen dat padel op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. De bestemming ‘maatschappelijke doeleinden’ laat hier geen ruimte voor. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen eisers naar de toelichting op het bestemmingsplan (hierna: de plantoelichting) waaruit volgt dat de tennisbanen als uitzondering zijn vergund omdat ze er al lagen ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, maar dat er geen ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. Op de plankaart is nauwkeurig aangegeven waar de tennisbanen zich bevinden. Daarnaast, zo betogen eisers 3 nog, is padel een relatief nieuwe sport die pas sinds kort in Nederland wordt uitgeoefend. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan in 2008 bestond padel als sport nog niet, althans was dit een onbekende activiteit. De planwetgever kan daarom bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet voor ogen hebben gehad om padel onder de noemer van voorziening ten behoeve van het verenigingsleven, recreatie of lichamelijke volksgezondheid te scharen.\n\n4.2.. Het college stelt zich op het standpunt dat padel wel past binnen de bestemmingsomschrijving ‘maatschappelijke doeleinden’, en dan met name de onderdelen ‘verenigingsleven’, ‘recreatie’ en ‘lichamelijke gezondheid’. Volgens het college wordt niet toegekomen aan raadpleging van de plantoelichting, omdat de planvoorschriften duidelijk zijn. Als de rechtbank daar anders over zou oordelen, stelt het college dat uit de plantoelichting niet volgt dat padel buiten de bestemmingsomschrijving valt of dat er sprake zou zijn van een beperking van het toegelaten gebruik tot de feitelijk bestaande activiteiten.\n\n4.3.. De beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Wanneer een planregel duidelijk is dient deze omwille van de rechtszekerheid letterlijk te worden uitgelegd, omdat de rechtszekerheid vereist dat van wat in een plan is bepaald kan worden uitgegaan.Ook als het bestemmingsplan zoals eisers stellen een conserverend karakter heeft, zijn de bestemming en daarbij behorende planregels daarom bepalend voor de vraag of padel is toegestaan.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat in de doeleindenomschrijving onder 7.1 van het bestemmingsplan staat dat de als maatschappelijke doeleinden op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, cultuur, recreatie, lichamelijke en\u002Fof geestelijke volksgezondheid en bijzondere woondoeleinden met de daarbij behorende voorzieningen zoals tuinen, terrassen, erven, achterpaden, opritten, parkeerplaatsen en bouwwerken. Op grond van letterlijke lezing van deze omschrijving oordeelt de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het beoefenen van padel, al dan niet in verenigingsverband, is aan te merken als het gebruik van de gronden ten behoeve van recreatie, lichamelijke volksgezondheid en (in voorkomende gevallen ook) verenigingsleven. Uit de planregels blijkt dus al dat padel op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het betoog dat padel een relatief nieuwe sport is maakt dit oordeel niet anders. Het ligt op de weg van de raad om het bestemmingsplan aan nieuwe ontwikkelingen aan te passen als die nieuwe ontwikkelingen daarvoor aanleiding geven. Dat is in dit geval niet gebeurd.\n\n4.5.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college daarom terecht uitsluitend vanwege de hoogte van de balustrade van de padelkooi van vier meter een vergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ verleend (zie onder 3). De rechtbank oordeelt hierna aan de hand van de beroepsgronden van eisers of het college voor die afwijking een omgevingsvergunning kon verlenen.\n\nHeeft het college de belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening goed afgewogen?\n\n5. Eisers betogen dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend om de bouw van de padelkooi tot een hoogte van vier meter mogelijk te maken. Eisers voeren daartoe aan dat het college de belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet goed heeft afgewogen. Met name geluid is een aspect dat het college in dat kader had behoren te beoordelen en zorgvuldig af te wegen en dat is niet gebeurd. Eisers stellen dat zij ongeoorloofde geluidhinder van de padelbanen zullen ervaren. Het geluid is namelijk niet te vergelijken met het geluid van tennissport en aanzienlijk meer aanwezig. Dit zou in de afwegingen voor het verlenen van de omgevingsvergunning meegenomen moeten worden. Aangesloten moet worden bij de huidige inzichten over het geluidsaspect van padel, zoals verwoord in de Handreiking Padel en Geluid van de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB; hierna: Handreiking Padel en Geluid). Verder is weinig inzichtelijk waar de representatieve bedrijfssituatie en de daaraan gekoppelde bezettingsgraad van de tennis- en padelvelden op gebaseerd zijn. Voor de dag- en avondsituatie is uitgegaan van percentages van respectievelijk 40% en 75% bezettingsgraad van de padelbaan. Ook is ten onrechte het (stem)geluid van bezoekers niet betrokken. Daarnaast bevinden de woningen van eisers zich binnen de richtafstand van 100 meter van het plangebied, zoals opgenomen in de Handreiking Padel en Geluid. Het trekkersveld van de camping bevindt zich op 60 meter van de padelbanen. De balkons van [resort (eisers 3)] zijn op minder dan 15 meter afstand van de padelbaan gelegen en ook direct aansluitend aan de padelbaan liggen de groepstuin\u002Fbuitenverblijven, de wellnesstuin, een zwembad en een grondstrook met toekomstige ligweide van [resort (eisers 3)]. De geluidsoverlast die gepaard gaat met het spelen van padel zal ervoor zorgen dat de gasten niet meer in rust kunnen genieten van hun verblijf en de voorzieningen van [resort (eisers 3)]. Met het in afwijking van het bestemmingsplan toestaan van een hogere bouwhoogte wordt niet uitsluitend de extra meter bouwhoogte mogelijk gemaakt, maar worden de facto twee padelbanen mogelijk gemaakt en dat heeft het college in het bestreden besluit niet onderkend. Eisers 3 voeren hierbij nog aan dat een padelkooi met een maximale hoogte van drie meter niet voldoet aan de kwaliteitseisen zodat de omgevingsvergunning de gehele kooi mogelijk maakt en niet uitsluitend de balustrade die aan de kopse kanten op de glazen kooi wordt geplaatst om de bal tegen te houden (hierna: de balustrade). Eisers 3 wijzen ter onderbouwing op de “Accommodatiebepalingen Padel” van de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) van februari 2021 en het normblad “Kooi Padelbaan” van NOC*NSF van 1 april 2021. En ook op de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juni 2023.\n\n5.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat de afwijking in de bouwhoogte waarvoor het een vergunning heeft verleend niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De geluidbelasting van padelbanen is al opgenomen in de maximaal planologisch toegelaten gebruiksmogelijkheden. De gestelde geluidbelasting kan namelijk ook optreden binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het college stelt verder dat het contactgeluid tussen de bal en het racket en het contactgeluid tussen de bal en de (dichte) glazen wanden de maatgevende geluiden van het padelspel zijn. Dat blijkt volgens het college uit geluidsonderzoeken. Binnen het gemiddelde padelspel komt de bal maar beperkt tegen de bovenste balustrade en veroorzaakt daar geen significante bijdrage aan de geluidsbelasting van het spel. Het toestaan van een hogere bouwhoogte vanwege de balustrade heeft uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen en die gevolgen worden op deze locatie niet bezwarend gevonden.\n\n5.2.. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\n5.3.. De beroepsgrond slaagt. Het bouwwerk, de padelkooi, overschrijdt (uitsluitend) aan de kopse kanten de bouwvoorschriften met één meter (zie afbeelding).\n\nAfbeelding: uitsluitend de rood gearceerde balustrade overschrijdt de voorgeschreven maximale bouwhoogte uit het bestemmingsplan.\n\nDe balustrade krijgt dus een hoogte van vier meter, terwijl de toegestane hoogte op grond van het bestemmingsplan drie meter is. Om te kunnen vaststellen of het toestaan van een hoogte van vier meter in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, zo stelt het college terecht, moeten de gevolgen van de afwijking worden vergeleken met de gevolgen die reeds uit het bestemmingsplan voortvloeien. Volgens het college is de geluidbelasting van padelbanen namelijk reeds opgenomen in de maximaal planologisch toegelaten gebruiksmogelijkheden. Immers, ook binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, kan de bestreden geluidbelasting optreden. Het college stelt daarbij voldoende gemotiveerd dat het mogelijk is om een padelbaan te realiseren met wanden tot maximaal drie meter hoog en de balustrade op de kopse kanten achterwege te laten. Zo’n baan kan weliswaar niet meedoen in officiële competities, maar kan wel recreatief worden bespeeld.\n\nIn zoverre volgt de rechtbank het standpunt van het college. De rechtbank volgt het college niet in haar standpunt dat het aspect geluid daarom bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening geen rol speelt. Met het plaatsen van de balustrade wordt mogelijk dat de bal tijdens het spel niet alleen de wanden of de rackets, maar ook de balustrade raakt waar de bal zonder balustrade immers (geluidloos) over de glazen wanden uit het veld zou worden gespeeld. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om (nader) te motiveren en onderbouwen welke gevolgen qua geluid de balustrade heeft op de omgeving. De stelling van het college dat de maatgevende geluiden van het padelspel het contactgeluid tussen de bal en het racket en het contactgeluid tussen de bal en de (dichte) glazen wanden zijn heeft zij niet onderbouwd. Het college heeft de geluidbelasting dus ten onrechte niet meegenomen in de ruimtelijke afweging en stelt zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt dat het toestaan van een hogere bouwhoogte vanwege de balustrade uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen heeft. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak (onder 7) ingaan op de gevolgen van de hiervoor genoemde gebreken.\n\n5.4.. Het college heeft nog aangevoerd dat de tennisvereniging moet voldoen aan de milieuregels en dat het college in dat kader bij maatwerkbesluit van 19 januari 2023 voorschriften aan het uitvoeren van de activiteit heeft opgelegd. Het moeten voldoen aan de milieuregels maakt niet dat het college bij de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening kan volstaan met een verwijzing naar het maatwerkbesluit. Het college dient bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening het aspect geluid mee te wegen en te motiveren waarom een toename van de geluidbelasting niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.\n\nIs het gehele bouwwerk hoger dan toegestaan op grond van het bestemmingsplan?\n\n6. Eisers 3 betogen dat het gehele bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het bouwwerk van drie meter op een vloer wordt geplaatst die 12cm boven het maaiveld uitkomt. Dit betekent dat het gehele bouwwerk hoger is dan de hoogte die het bestemmingsplan toestaat (dat is: een bouwhoogte van drie meter) en het college ten onrechte uitsluitend voor de balustrade een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ heeft verleend.\n\n6.1.. \n\nDe beroepsgrond slaagt niet. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het college als strijdig gebruik heeft vergund ‘het hogere deel van het hekwerk’, namelijk de balustrade. De hoogte van die balustrade zal vier meter zijn en het is die afwijking die het college heeft vergund. Het college is bij de toetsing aan het bestemmingsplan, zo heeft het in verweer nog nader toegelicht, afgegaan op de aanzichttekening waaruit blijkt dat de wanden aan de lange zijde drie meter hoog worden en de balustrades vier meter hoog.\n\nDat de hoogtes van de wanden in de praktijk niet toenemen door een onderlaag waarop de wanden worden geplaatst heeft het college als volgt toegelicht. Op grond van het bestemmingsplan wordt de bouwhoogte van het bouwwerk gemeten als “de hoogte in meters vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw, (...)”. Het peil is in dit geval gedefinieerd als “de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein dat het bouwwerk omgeeft (maaiveld)”. Het gaat hierbij, zo stelt het college terecht, om (de gemiddelde hoogte) van het aansluitend afgewerkt terrein, na voltooiing van de bouwwerkzaamheden. Op de plaats waar de padelbanen worden gerealiseerd, is\u002Fwas een midgetgolfbaan aanwezig in sterk geaccidenteerd terrein. Voor het kunnen realiseren van de padelbanen dient de midgetgolfbaan te worden verwijderd en de grond te worden geëgaliseerd. De vloer van de padelbanen komt, zo blijkt uit de aanzichttekening, te liggen in een verdiepte bak in het maaiveld. De gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkt maaiveld dat het bouwwerk omgeeft, komt dus minimaal op de hoogte van de vloer van de padelkooi te liggen en komt overeen met het aangeduide maaiveld op de aanzichttekening. Het college stelt zich daarmee terecht op het standpunt dat het uitsluitend een omgevingsvergunning voor de balustrades heeft hoeven verlenen.\n\nAls na voltooiing van de werkzaamheden in de praktijk een andere hoogte van het afgewerkte maaiveld blijkt, waardoor de bouwhoogte op meer plaatsen boven de maximaal voorgeschreven bouwhoogte in het bestemmingsplan uitkomt, is dit een handhavingskwestie die niet aan vergunningverlening in de weg staat, zo stelt het college ook terecht.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Zoals is overwogen onder 5.3 is het bestreden besluit in strijd met het vereiste van een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet het college motiveren wat de gevolgen van de balustrade zijn voor de geluidbelasting op de omgeving. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak. Na de ontvangst van de nadere motivering zal de rechtbank eiseres en vergunninghouder in de gelegenheid stellen om hierop te reageren.\n\n8. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college.\n\nIn beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n9. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. Na deze tussenuitspraak gaat het geschil dus nog alleen over de eventuele geluidbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college op dit punt. Op alle andere onderwerpen is de rechtbank in de tussenuitspraak al ingegaan.\n\n10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;\n\n- stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, sub a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).\n\n Artikel 2.1, eerste lid, sub c, van de Wabo.\n\n De afwijking is gebaseerd op artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2o van de Wabo en artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n De gegrondverklaring ziet op het vereiste van een vergunning voor de activiteit ‘het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden’, in verband met de dubbelbestemming ‘Verwachtginsgebieden archeologie waarden’). Zie hiervoor artikel 10.2.1 van het bestemmingsplan.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2998 en van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2860\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2998 en van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2860\n\n ECLI:NL:RBOBR:2023:2818.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:10204","2025-11-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:01.708Z",1,20]