[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-matrimonial-property-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":48},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},81,"matrimonial-property-nl","Matrimonial Property","NL","2026-07-08T16:55:03.427Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-10-28T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121939","Burgerlijk Wetboek","art. 10:57",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121940","art. 10:58",[30,41],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"371","ECLI:NL:GHARL:2026:4253","ecli-nl-gharl-2026-4253","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.362.708\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 436314)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. A.M. Beuwer,\n\nen\n\n [verweerster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. E. El-Sharkawi.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met producties, ingekomen op 17 december 2025;\n\neen journaalbericht namens de man van 28 januari 2026 met producties;\n\nhet verweerschrift;\n\neen journaalbericht namens de man van 4 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de vrouw van 5 juni 2026 met als bijlage een begeleidende brief van diezelfde datum;\n\neen journaalbericht namens de man van 10 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de man van 12 juni 2026 met een productie.\n\n2.2. De hierna te noemen [kind1] heeft bij ongedateerde brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2026, aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk,\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vrouw heeft alleen de Egyptische nationaliteit. De man heeft de Egyptische en de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.2. De man en de vrouw zijn [in] 2007 gehuwd in [plaats1] , Egypte.\n\n3.3. Zij zijn de ouders van:\n\n [kind1] , geboren [in] 2008 in [plaats1] , Egypte, en\n\n [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 in [plaats1] , Egypte.\n\n3.4. \n [kind1] is [in] 2026 meerderjarig geworden.\n\n3.5. De vrouw heeft de rechtbank in eerste aanleg op 16 mei 2024 verzocht om:\n\nde echtscheiding tussen partijen uit te spreken;\n\nde hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen;\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) vast te stellen op € 400,- per kind per maand; en\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen op € 1.330,- per maand.\n\n3.6. De man is in eerste aanleg niet verschenen.\n\n3.7. Op 12 februari 2025 is de hierna te noemen echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:\n\nde echtscheiding tussen partijen uitgesproken;\n\nde partneralimentatie bepaald op € 1.330,- per maand vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;\n\nde hoofdverblijfplaats van de dan nog beide minderjarige kinderen bij de vrouw bepaald;\n\nde kinderalimentatie bepaald op € 400,- per kind per maand met ingang van de datum van de beschikking.\n\n4.2. De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof:\n\nprimair: de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen dan wel al haar verzoeken af te wijzen; dan wel\n\nsubsidiair: die beschikking te vernietigen ten aanzien van de daarin vastgestelde kinder- en partneralimentatie en, opnieuw beschikkende, deze bijdragen vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van de datum van de door het hof te wijzen beschikking;\n\nmet compensatie van de kosten in die zin dat elk van partijen zijn eigen kosten draagt.\n\n4.3. De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof om:\n\nprimair: het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;\n\nsubsidiair: de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de daarin uitgesproken echtscheiding en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; en\n\nbij nieuwe beschikking een kinder- en partneralimentatie vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van (primair) 1 oktober 2024 dan wel met ingang van (subsidiair) 17 december 2025.\n\n4.4. Bij beschikking van 17 maart 2026 heeft het hof geoordeeld dat de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld van de bestreden beschikking en hem ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1. Partijen zijn in Egypte met elkaar gehuwd. Daardoor heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof ambtshalve de rechtsmacht te onderzoeken.\n\n5.2. Omdat het verzoek tot echtscheiding is ingediend na 1 augustus 2022, dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval beoordeeld te worden volgens de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019\u002F1111). Op grond van artikel 3, aanhef en onder a sub v Brussel II-ter heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat partijen de gewone verblijfplaats in Nederland hebben en de man sinds 1995 in Nederland woont.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3. In het kader van de echtscheiding moet eerst worden vastgesteld of de echtscheiding in Egypte kan worden erkend in Nederland.\n\n5.4. Artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, voor zover hier van belang, in het eerste lid dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter (of een andere autoriteit) en indien aan die rechter (of die andere autoriteit) daartoe rechtsmacht toekwam. Voor de toepassing van artikel 10:57 BW is dus vereist dat de ontbinding van het huwelijk tot stand is gekomen door een beslissing van een rechter en constitutief is, nadat een behoorlijke rechtspleging heeft plaatsgevonden. De ontbinding van het huwelijk van partijen is niet tot stand gekomen door de uitspraak van de rechtbank na een behoorlijke rechtspleging. In plaats van die ontbinding uit te spreken, heeft de rechtbank immers vastgesteld dat de echtscheiding op 21 september 2012 heeft plaatsgevonden door de eenzijdige verklaring van de man. Van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake geweest. De uitspraak van de rechtbank is daarmee niet constitutief voor de ontbinding van het huwelijk, maar declaratoir van aard omdat wordt vastgesteld dat de “retourneerbare” echtscheiding heeft plaatsgevonden. De wilsverklaring van de man heeft de ontbinding van het huwelijk teweeg gebracht, niet de beslissing van de rechter. Op de erkenning van een ontbinding van een huwelijk door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is artikel 10:58 BW van toepassing.\n\n5.5. In artikel 10:58 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is te lezen dat een ontbinding van het huwelijk in het buitenland, die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is tot stand gekomen, erkend wordt indien:\n\nde ontbinding in deze vorm overeenstemt met een nationaal recht van de echtgenoot, die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden;\n\nde ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en\n\nduidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust.\n\n5.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw nader toegelicht dat de vrouw erkent dat de echtscheiding in Egypte rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat deze echtscheiding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Echter, omdat sprake is van een eenzijdige verstoting (een recht van de man) kan deze echtscheiding niet worden erkend in Nederland. Nederland kent deze vorm van echtscheiding immers niet. Bovendien heeft de vrouw niet met de inschrijving van de echtscheiding ingestemd en heeft zij ook niet stilzwijgend ingestemd met de echtscheiding.\n\n5.7. Het hof is van oordeel dat voldaan is aan sub a en sub b van artikel 10:58 BW. De man had ten tijde van de ontbinding van het huwelijk in Egypte zowel de Egyptische als de Nederlandse nationaliteit. De ontbinding stemt overeen met het Egyptisch recht, terwijl de ontbinding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Daarover verschillen partijen ook niet van mening. Het hof dient daarom nog te beoordelen of uit de door partijen geschetste omstandigheden blijkt dat de vrouw stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust (sub c). Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en legt deze beslissing hierna uit.\n\n5.8. Het hof overweegt allereerst dat uit de door de man overgelegde productie 26 (bij journaalbericht van 10 juni 2026) blijkt dat de vrouw in 2007 en 2017 identiteitsbewijzen heeft aangevraagd. In 2007 stond op dit identiteitsbewijs dat de vrouw getrouwd was met de man, terwijl in 2017 dit niet meer op het identiteitsbewijs stond vermeld. Daarbij komt dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard dat zij geen verblijfsvergunning voor Nederland heeft gekregen in het kader van gezinshereniging met de man, maar op grond van verblijf bij een minderjarig kind (op grond van het Chavez-Vilchez-arrest). De vrouw kon ook niet naar Nederland komen op grond van gezinshereniging, omdat de man in Nederland inmiddels opnieuw was gehuwd en zij bovendien toestemming had moeten vragen aan de man om naar Nederland te komen. Hieruit volgt dat de vrouw er in Egypte naar heeft gehandeld dat zij van de man is gescheiden. Partijen hebben ook sinds de echtscheiding in 2012 geen rechtstreeks contact meer met elkaar gehad. Verder is van belang dat de families van partijen hebben bemiddeld om ervoor te zorgen dat de man zou bijdragen in de kosten van de kinderen. De vrouw heeft verder ter zitting verklaard dat zij wist dat er een echtscheiding was. Voor zover de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat een tante tegen haar heeft gezegd dat de echtscheiding van de man in het belang van de kinderen was teruggedraaid, overweegt het hof dat de vrouw dit op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Het hof is in het licht van de voorgaande van oordeel dat de vrouw heeft berust in de echtscheiding in Egypte.\n\n5.9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de ontbinding van het huwelijk van partijen in 2012 in Egypte in Nederland wordt erkend. De vrouw kan dus niet opnieuw vragen om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en moet niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.\n\nKinder- en partneralimentatie\n\n5.10. Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot echtscheiding er niet aan in de weg staat om de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen te beoordelen. De vrouw hoeft hiervoor geen afzonderlijke procedure te starten. Het hof weegt hierbij mee dat zowel de man als de vrouw standpunten hebben ingenomen over de kinder- en partneralimentatie en dat zij deze standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader hebben kunnen toelichten.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.11. Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder c, Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4\u002F2009) ook rechtsmacht wat betreft het verzoek betreffende de partneralimentatie, omdat dit een nevenverzoek is dat verbonden is met het echtscheidingsverzoek en de echtscheidingsbevoegdheid van de Nederlandse rechter niet uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.\n\n5.12. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht is ook hier niet in geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan.\n\nPartneralimentatie\n\n5.13. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard afstand te doen van haar recht op partneralimentatie. Het hof ziet daarom aanleiding om de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op hetgeen door hem tot 16 juni 2026 is betaald.\n\nKinderalimentatie\n\n5.14. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht kinderalimentatie vast te stellen. De man is in eerste aanleg niet verschenen. Daarop heeft de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld.\n\n5.15. De man voert in hoger beroep aan dat de vrouw de behoefte van de kinderen en haar draagkracht om in die behoefte bij te dragen niet heeft onderbouwd, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.\n\n5.16. Het hof overweegt dat de vrouw - ondanks haar toezegging hiertoe - op geen enkele wijze inzage heeft gegeven in de behoefte van de kinderen en haar mogelijkheid om in deze behoefte bij te dragen. De vrouw heeft niet alleen nagelaten de hoogte van de behoefte van de kinderen te becijferen, maar zij heeft ook nagelaten om enig financieel stuk over te leggen. Dit terwijl de man wel inzage heeft gegeven in zijn inkomen en de vrouw nu zelf aanvoert dat zij in deeltijd werkt en inkomen uit arbeid heeft. De man heeft in hoger beroep wel verzocht om financiële gegevens van de vrouw. Het voorgaande klemt temeer nu de vrouw kennelijk langdurig in staat is geweest om zelf in de behoefte van de kinderen te voorzien. Weliswaar heeft de man gedurende een periode € 150,- per maand aan de vrouw voldaan, maar deze bijdrage was niet alleen ten titel van kinderalimentatie. De man betaalde hiermee ook de kosten van de huishouding. Daar komt bij dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet duidelijk is geworden over welke periode de man deze bijdrage heeft voldaan. Gelet op het vorenstaande wijst het hof het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie vast te stellen af, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd.\n\n6. De slotsom\n\n6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot echtscheiding. Daarnaast zal het hof beslissen over de verzoeken over de kinder- en partneralimentatie als hierna te melden.\n\n6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024 en opnieuw beschikkende:\n\nverklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van haar levensonderhoud, met dien verstande dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud wordt bepaald op hetgeen de man tot 16 juni 2026 heeft voldaan;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van het geding in hoger beroep;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4253","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.489Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":39,"updatedAt":47},"1255","ECLI:NL:GHARL:2025:6664","ecli-nl-gharl-2025-6664","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.354.368\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 563217)\n\nbeschikking van 28 oktober 2025\n\ninzake\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr.drs. A.M. Slootweg,\n\nen\n\n [verweerder],\n\nverblijvende in een bij het hof bekend Penitentiair Psychiatrisch Centrum,\n\nverweerder in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. N. Schreurs.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikking(en) van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 januari 2024 en 11 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 11 februari 2025 zal verder ook worden genoemd: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 mei 2025;\n\n- het verweerschrift.\n\n2.2. De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren de man en de vrouw, beiden bijgestaan door hun advocaat.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Partijen zijn [in] 2009 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.\n\n3.2. \n\nDe vrouw heeft op 6 juli 2023 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking (onder meer) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.\n\nHet huwelijk van partijen is op 19 mei 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.\n\n3.3. De peildatum voor de omvang en samenstelling van het te verrekenen vermogen is 6 juli 2023 (datum indiening verzoek tot echtscheiding door de vrouw bij de rechtbank).\n\n3.4. \n\nIn hun huwelijkse voorwaarden zijn partijen in artikel 13 overeengekomen:\n\n“…..\n\nIngeval het huwelijk eindigt door echtscheiding of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, heeft ieder van de echtgenoten het recht om te vorderen dat er een verrekening van hun vermogens plaatsvindt, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest, indien de wettelijke gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten had bestaan.\n\nVan deze verrekening wordt uitgezonderd:\n\n…...\n\nf. alle goederen en schulden behorende tot het bedrijfs- of beroepsvermogen van een echtgenoot, alsmede de schulden die zijn aangegaan ter verkrijging van het bedrijfs- of beroepsvermogen;\n\n…..”\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover in deze procedure van belang, de vrouw veroordeeld om de helft van de saldi op de bankrekeningen bij de Bigbank (Estland) met de nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] aan de man te betalen.\n\n4.2. \n\nDe vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de bankrekeningen bij de Bigbank en komt daarom in hoger beroep.\n\nDe vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – het verzoek van de man om te bepalen dat zij de helft van de saldi van de bankrekeningen met nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] per peildatum aan hem moet betalen alsnog af te wijzen en voor recht te verklaren:\n\nprimairdat de saldi op die bankrekeningen tot het bedrijfsvermogen van de vrouw behoren en buiten de verrekening dienen te blijven en\n\nsubsidiairte bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft jegens de man ter hoogte van de helft van de saldi op die bankrekeningen\n\nen de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.\n\n4.3. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw in hoger beroep en vraagt het hof om dit af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nStandpunt van de vrouw5.1. \n\nDe vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de saldi per peildatum op de Bigbank-bankrekeningen tot het te verrekenen vermogen (aan de zijde van de vrouw) behoren.\n\nDe gelden zijn vanuit haar onderneming op de rekeningen bij de Bigbank gestort en de saldi op de Bigbank-rekeningen behoren nog steeds tot haar bedrijfsvermogen.\n\nDe vader van de man, tevens haar boekhouder, heeft haar destijds geadviseerd om haar bedrijfsvermogen onder te brengen bij de bank in Estland. Zij heeft hieraan uitvoering gegeven en daarbij bleek dat zij alleen rekeningen bij de Bigbank in Estland kon openen op haar eigen naam, en niet op naam van haar onderneming. Dit vormde geen beletsel, omdat het wettelijk is toegestaan bij een onderneming een privérekening zakelijk te gebruiken. Het gaat om deposito’s met een hogere renteopbrengst. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de tenaamstelling van de rekening niet van doorslaggevend belang. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het niet gaat om de tenaamstelling van een rekening maar om de aard van het saldo. De saldi op de Bigbank-rekeningen zijn niet gebruikt, niet in privé en niet voor zakelijke doeleinden.\n\nIn de jaarstukken 2022 worden de saldi op de rekeningen bij de Bigbank (hof: € 25.808 en € 5.400) op de balans vermeld onder het kopje ‘financiële activa’ en het subkopje ‘vastgelegde liquide middelen’. In de belastingaangifte 2022 van de man en de vrouw zijn de Bigbankrekeningen ook opgenoemd en aangemerkt als zakelijke rekeningen. Daarom worden de saldi op de Bigbank-rekeningen niet meegenomen en belast in box 3 (sparen en beleggen) door de belastingdienst.\n\nOp 6 februari 2023 heeft zij nog een extra bedrag van € 18.564 ingelegd op de Bigbankrekeningen. Het saldo op de Bigbank-rekeningen komt dan overeen met de bedragen die op bladzijde 13 van haar belastingaangifte 2023 worden vermeld; de financiële activa bedroegen aan het eind van 2023 € 49.772 (hof: € 25.808 + € 5.400 + € 18.564).\n\nVerder stelt de vrouw dat zij de overwegingen van de rechtbank over het vermogen dat is aangemerkt als fiscale oudedagsreserve (FOR) niet kan volgen. Uit de fiscale balans van de belastingaangifte blijkt dat het om een van bedrag € 32.047 gaat. Dit bedrag is niet vrij opneembaar en te zijner tijd moet hierover belasting worden betaald. De stelling van de man dat zij in totaal € 79.000 uit haar onderneming heeft gehaald is daarom niet juist.\n\nOok brengt de vrouw nog naar voren dat uit artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden blijkt dat het de bedoeling was dat hetgeen zij met haar onderneming aan winst realiseerde voor haar zou blijven. Alleen de bedragen die zij daadwerkelijk opnam als inkomen hoefden bij de verdeling van de kosten van de huishouding tussen partijen in aanmerking te worden genomen.\n\nDe vrouw biedt aan haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, zoals bijvoorbeeld een verklaring van haar accountant of boekhouder, of andere bewijsstukken en\u002Fof getuigen, waaronder de accountant en\u002Fof de boekhouder.\n\nStandpunt van de man5.2. \n\nDe man betwist de stellingen van de vrouw. Uitgegaan moet worden van wat partijen met elkaar zijn overeengekomen in hun huwelijkse voorwaarden en wat daarmee hun bedoeling was.\n\nDe vrouw heeft door gelden van de zakelijke rekeningen over te maken naar de privérekeningen bij de Bigbank in Estland gelden uit het bedrijfsvermogen gehaald. Het klopt dat de vrouw niet wettelijk verplicht is om haar zakelijke en privévermogen gescheiden te houden, maar dat wordt wel ten zeerste aanbevolen. Gelet op de uitleg van de huwelijkse voorwaarden en op grond van wat partijen van elkaar mogen verwachten zijn de gelden die de vrouw heeft overgemaakt naar de Bigbank-rekeningen geen ondernemingsvermogen meer. De bedragen zijn duurzaam gaan toebehoren aan de vrouw in privé. Partijen zijn een finaal verrekenbeding overeengekomen en moeten daarom ook over deze bedragen afrekenen als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd.\n\nDe jurisprudentie van de Hoge Raad die de vrouw heeft aangehaald ziet op situaties die niet vergelijkbaar zijn met de situatie van partijen.\n\nHet is de advocaat van de man niet bekend dat de vader van de man de vrouw geadviseerd heeft om het geld op rekeningen in Estland te plaatsen om meer rente te ontvangen over het vermogen en bovendien is de vrouw hiervoor zelf verantwoordelijk. Met de toekomstige belastingschuld van de vrouw over de FOR hoeft geen rekening te worden gehouden, omdat dit een keuze is die voor rekening van de vrouw komt.\n\nDe vrouw heeft volgens de man niet aangetoond dat de saldi op de Bigbank-rekeningen enkel zijn gebruikt voor zakelijke doeleinden en dat maakt bovendien ook geen verschil. De bedragen op de Bigbank-rekeningen zijn op bepaalde momenten vrij opneembaar geweest en zijn dat begin 2026 ook weer.\n\nDe stelling van de vrouw over artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden moet volgens de man worden gepasseerd, omdat dit artikel alleen betrekking heeft op de wijze waarop de kosten van de huishouding tijdens het huwelijk door partijen moeten worden voldaan en niets zegt over het vermogen uit de onderneming dat is gaan toebehoren aan de vrouw in privé.\n\nOordeel van het hof5.3. \n\nHet hof is van oordeel dat de saldi op de drie Bigbank-rekeningen in Estland als bedrijfs- of beroepsvermogen (hierna ook ‘ondernemingsvermogen’) van de vrouw in de zin van artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden van partijen moeten worden beschouwd en niet tot het aan de zijde van de vrouw te verrekenen vermogen behoren.\n\nDe vrouw heeft toegelicht dat zij gelden uit haar onderneming op de Bigbankrekeningen heeft gestort om daarover meer rente te ontvangen. Daardoor zijn die gelden (anders dan de man stelt) nog niet onttrokken aan haar ondernemingsvermogen.\n\nDat deze saldi nog steeds tot haar ondernemingsvermogen behoren blijkt voldoende uit de verwerking van deze saldi in de jaarrekeningen van de onderneming van de vrouw en haar belastingaangiften. Ook zijn de Bigbankrekeningen door partijen samen, dus ook door de man, in hun belastingaangifte 2022 uitdrukkelijk opgegeven als zakelijke rekeningen. De saldi zijn ook niet belast in box 3. Dat volgt uit de aanslag IB 2022: de belastingdienst heeft daarin de aangifte van partijen geaccepteerd.\n\nDe advocaat van de man heeft ter zitting geen (tegen)bewijs op dit punt aangeboden, omdat de man niet beschikt over documenten waaruit zou kunnen blijken dat deze conclusie niet juist is.\n\nDit maakt dat het hoger beroep van de vrouw slaagt. Het hof is van oordeel dat de saldi op de drie rekeningen bij de Bigbank moeten worden geschaard onder de uitzondering onder artikel 13 onderdeel f. van de huwelijkse voorwaarden en uitgezonderd zijn van de verrekening van de vermogens van partijen.\n\n5.4. Het hof zal daarom punt 4.6. in de bestreden beschikking, inhoudende dat de vrouw de helft van de saldi per peildatum op de Bigbank-rekeningen aan de man moet betalen, vernietigen. Het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat de saldi op deze bankrekeningen tot het bedrijfsvermogen van de vrouw behoren (en dus buiten de verrekening van de vermogens van partijen blijven) zal het hof toewijzen.\n\n5.5. Het voorgaande maakt dat het hof niet meer toekomt aan een bespreking van de overige stellingen van partijen en de vraag of er sprake is van een vergoedingsrecht van de vrouw op de man voor de helft van de saldi op de Bigbank-rekeningen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\n6.1. \n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 februari 2025, voor zover het gaat om het oordeel van de rechtbank over de saldi op de bankrekeningen bij de Bigbank in Estland met de nummers [rekeningnummer1] ,\n\n [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] en de beslissing onder 4.6., en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\n6.2. verklaart voor recht dat de saldi op bankrekeningen bij de Bigbank in Estland met de nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] tot het bedrijfs- en beroepsvermogen van de vrouw behoren en niet in de verrekening van de vermogens van partijen zijn betrokken;\n\n6.3. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en S. Kuijpers, bijgestaan door de griffier, en is op 28 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:6664","2026-07-13T00:29:12.353Z",20]