[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-benefits-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":39,"limit":40},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},86,"benefits-law-nl","Benefits Law","NL","2026-07-08T16:55:44.327Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},2,{"min":18,"max":18},"2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[21,32],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"968","ECLI:NL:RBZWB:2026:5836","ecli-nl-rbzwb-2026-5836","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F2224\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling dat zij geen recht heeft op huurtoeslag voor het jaar 2023 en de terugvordering van haar huurtoeslag over hetzelfde jaar. Eiseres heeft een aantal argumenten aangevoerd waarom ze het niet eens is met het besluit van de Dienst Toeslagen. Aan de hand van deze argumenten, de beroepsgronden, beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiseres terecht heeft vastgesteld op € 0 en daarom ook terecht het betaalde voorschot heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.\n\nWat aan deze procedure voorafging\n\n2. Op 23 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiseres voor het jaar 2023 voorlopig vastgesteld op een bedrag van € 2.903.2.1.. In 2024 heeft de Dienst Toeslagen een melding ontvangen dat eiseres beschikt over een vermogen in de vorm van spaargeld. Dit vermogen is te hoog voor huurtoeslag, waardoor de Dienst Toeslagen met het besluit van 9 augustus 2024 heeft bepaald dat eiseres voor het jaar 2023 geen recht heeft hierop. In dat besluit is daarom de huurtoeslag vastgesteld op € 0. Daarnaast is besloten dat eiseres het betaalde voorschot, € 2.915 (waarvan € 12 rente), moet terugbetalen.2.2.. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.2.3.. Tussen eiseres en de Dienst Toeslagen heeft een gesprek plaatsgevonden om het bezwaar te bespreken.2.4.. Met het besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst Toeslagen het eerdere besluit in stand gelaten, aangevuld met een motivering. Dit besluit, het bestreden besluit, wordt in deze procedure door de rechtbank beoordeeld.\n\n2.5.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.6.. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.7.. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres was hierbij aanwezig. Namens de Dienst Toeslagen zijn mr. N. Akka en [gemachtigde] verschenen.Beoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de Dienst Toeslagen terecht heeft besloten dat eiseres over het jaar 2023 geen recht heeft op huurtoeslag en een bedrag van € 2.915 heeft teruggevorderd.\n\nWat zijn de regels?\n\n4. De huurtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van het huren van een woning.De hoogte hiervan is afhankelijk van iemands financiële draagkracht. Een onderdeel van deze draagkracht is het vermogen van de huurder.Dit betekent dat de huurtoeslag een inkomensafhankelijke regeling is. Daarom is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing op de huurtoeslag.4.1.. Het recht op huurtoeslag bestaat niet als de belanghebbende een voordeel ontvangt uit sparen of beleggen. Dit wordt een rendementsgrondslag genoemd. In 2023 was de maximale rendementsgrondslag € 33.748. Als het vermogen van de belanghebbende hoger is dan dit maximum, kan diegene geen huurtoeslag (meer) ontvangen.\n\n4.2.. In de bijlage bij deze uitspraak staan de regels die van belang zijn voor deze zaak.\n\nWelke argumenten heeft eiseres aangevoerd?\n\n5. Eiseres stelt dat het bedrag op de spaarrekening is bestemd voor de studie van haar dochter. Dit geld is meegenomen in de vaststelling van haar vermogen. Volgens eiseres is het grootste deel van het bedrag afkomstig van de vader van haar dochter. Eiseres betoogt dat ze het geld op de spaarrekeningen, dat toebehoort aan een ander, niet kan gebruiken om de huurtoeslag terug te betalen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nIs eiseres ontvankelijk in haar beroep?\n\n6. Iemand die beroep instelt bij de bestuursrechter, moet dat op tijd doen.Gebeurt dat niet, dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.Dat betekent dat de zaak niet inhoudelijk kan worden beoordeeld.6.1.. Partijen zijn het met elkaar eens dat eiseres haar beroepschrift te laat heeft ingediend. Eiseres heeft toegelicht dat ze door persoonlijke omstandigheden niet op tijd beroep heeft kunnen instellen.6.2.. De rechtbank beoordeelt of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarvan kan sprake zijn als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden. De bestuursrechter moet een belanghebbende de mogelijkheid bieden om de termijnoverschrijding verder uit te leggen. Dat kan bijvoorbeeld door extra feiten te noemen of documenten aan te leveren.6.3.. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet alleen schriftelijk maar ook op zitting voldoende toelichting heeft gegeven waaruit blijkt dat sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden. Eiseres was hierdoor niet in staat om op tijd beroep bij de rechtbank in te dienen en haar kan daarvan geen verwijt worden gemaakt. De termijnoverschrijding is daarom verschoonbaar. Ter zitting heeft de Dienst Toeslagen zich hier niet tegen verzet. In het vervolg van deze uitspraak wordt het beroep daarom inhoudelijk behandeld.\n\nHeeft de Dienst Toeslagen het vermogen van eiseres juist vastgesteld?\n\n7. Het recht op huurtoeslag is afhankelijk van de financiële draagkracht van de huurder. Om deze draagkracht vast te stellen, wordt onder andere bepaald wat iemands vermogen is.Dat is belangrijk, omdat vanaf een bepaald bedrag aan vermogen wordt aangenomen dat iemand een voordeel geniet uit sparen of beleggen. Dat wordt een rendementsgrondslag genoemd. In dat geval kan iemand geen huurtoeslag ontvangen.7.1.. Of sprake is van een voordeel uit sparen of beleggen, wordt vastgesteld op basis van de aanslag inkomstenbelasting van het betreffende jaar. Die gegevens worden vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst.7.2.. Om huurtoeslag te kunnen ontvangen, mag de rendementsgrondslag over 2023 niet hoger zijn dan € 33.748. De inspecteur van de Belastingdienst heeft het vermogen van eiseres over 2023 vastgesteld op € 35.657. De Dienst Toeslagen mag uitgaan van die gegevens.7.3.. \n\nOp grond van de wet worden bepaalde vormen van vermogen niet meegerekend bij de vaststelling van de rendementsgrondslag.De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een dergelijke uitzondering. Eiseres voert aan dat het gespaarde bedrag grotendeels afkomstig is van de vader van haar dochter en dat ze dit hebben gespaard voor hun dochter. De rechtbank begrijpt dat eiseres het geld heeft gespaard voor een bepaald doel, maar voor die omstandigheid heeft de wet geen uitzondering gemaakt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het vermogen van eiseres juist is vastgesteld.\n\nMocht de Dienst Toeslagen het gehele voorschot terugvorderen?\n\n8. De wet bepaalt dat het teveel betaalde voorschot volledig moet worden terugbetaald.Alleen in bijzondere omstandigheden kan deze terugvordering worden verminderd of kan daarvan worden afgezien.8.1.. Eiseres betoogt dat in dit geval sprake is van die bijzondere omstandigheden. Ze heeft aangevoerd dat ze het geld op de spaarrekeningen niet kan gebruiken voor het terugbetalen van het voorschot, omdat dit geld is gespaard voor haar dochter. Daarnaast benoemt ze dat het gespaarde bedrag de vermogensgrens minimaal overschrijdt en ze de huurtoeslag hard nodig heeft.8.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij begrip heeft voor de persoonlijke situatie en het gevoel van eiseres. De omstandigheden die zij noemt, zijn echter geen bijzondere omstandigheden op basis waarvan de terugvordering kan worden verminderd. Het Verzamelbesluit Toeslagen noemt verschillende omstandigheden die wel of juist niet kunnen leiden tot een vermindering van de terugvordering.De kleine overschrijding van de vermogensgrens en de persoonlijke financiële situatie die eiseres noemt, zijn daarin genoemd als redenen om het bedrag niet te verminderen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres het gespaarde geld niet wil gebruiken om het voorschot terug te betalen, is dat geen reden om van terugvordering af te zien.8.3.. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen het gehele bedrag mocht terugvorderen.8.4.. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat voor eiseres de mogelijkheid bestaat om een herzieningsverzoek in te dienen bij de inspecteur van de Belastingdienst. Tijdens de zitting van 21 mei 2026 heeft de Dienst Toeslagen aangegeven bereid te zijn eiseres verder te informeren over deze mogelijkheid op het moment dat zij aangeeft hiervoor open te staan. De Dienst Toeslagen heeft op de zitting toegezegd dat zij niet zal overgaan tot de invordering van de huurtoeslag bij eiseres totdat er definitieve duidelijkheid bestaat over het inkomen van eiseres.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank komt tot de conclusie dat de huurtoeslag van eiseres over 2023 terecht is vastgesteld op € 0. Ook oordeelt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen terecht het gehele voorschot van de huurtoeslag over het jaar 2023 heeft teruggevorderd.9.1.. Dat betekent dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en krijgt het betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: regels die belangrijk zijn voor deze uitspraak\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 6:6\n\nHet bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:\n\nniet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of\n\n(…)\n\nmits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.\n\nArtikel 6:7\n\nDe termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.\n\nWet op de huurtoeslag\n\nArtikel 1\n\n(…)\n\nhuurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning;\n\n(…)\n\nArtikel 1a\n\n1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\n1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagdracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, dienst partner en de medebewoners.\n\n(…)\n\nAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\nArtikel 1\n\nDeze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\nTer bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en van zijn partner in aanmerking genomen.\n\n(…)\n\nIndien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. (…)\n\nArtikel 26\n\nIndien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.\n\nHet terug te vorderen bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig door de Dienst Toeslagen teruggevorderd. Voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering van het bedrag ingevolge het eerste lid onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de Dienst Toeslagen bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen dan het bedrag ingevolge het eerste lid.\n\n(…)\n\nVerzamelbesluit Toeslagen\n\n2.1\n\n(…)\n\nVan een onevenredige terugvordering is in beginsel geen sprake als:\n\n(…)\n\nde terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens;\n\nde belanghebbende de terugvordering vanwege ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen;\n\n(…)\n\nUitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\n1. Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet (…) buiten toepassing indien wel aanspraak op huurtoeslag (…) zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomensbelasting 2001, zou worden verminderd met:\n\na. bezittingen die zijn opgekomen\n\ni. (…)\n\nii. Van de zijde van een kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;\n\nb. (…)\n\n Artikel 1, onder e, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag; artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Artikel 6:6, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 (r.o. 3.4).\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1730 (r.o. 10).\n\n Artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, in samenhang gelezen met artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Punt 2.1 van het Verzamelbesluit Toeslagen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5836","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:56.909Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"971","ECLI:NL:RBZWB:2026:5835","ecli-nl-rbzwb-2026-5835","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F390\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling dat hij geen recht heeft op huurtoeslag voor het jaar 2024 en de terugvordering van een deel van zijn huurtoeslag over hetzelfde jaar. Eiser heeft een aantal argumenten aangevoerd waarom hij het niet eens is met het besluit van de Dienst Toeslagen. Aan de hand van deze argumenten, de beroepsgronden, beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWat aan deze procedure voorafging\n\n2. Op 24 juli 2024 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiser voor het jaar 2024 voorlopig vastgesteld op een bedrag van € 4.721.\n\n2.1.. In 2025 heeft de Dienst Toeslagen een melding ontvangen dat eiser beschikt over een vermogen dat bestaat uit zijn aandeel in een woning. Dit vermogen is te hoog, waardoor de Dienst Toeslagen met het besluit van 17 oktober 2025 heeft bepaald dat eiser voor het jaar 2024 geen recht heeft op huurtoeslag. In dat besluit is daarom de huurtoeslag vastgesteld op € 0. Daarnaast is besloten dat eiser het betaalde voorschot, € 4.776 (waarvan € 55 rente), moet terugbetalen.2.2.. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.2.3.. Met het besluit van 29 december 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het eerdere besluit in stand gelaten, aangevuld met een motivering.2.4.. Tegen het eerste bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.2.5.. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.2.6.. Tijdens de beroepsprocedure heeft de Dienst Toeslagen opnieuw beslist op het bezwaar van eiser. Met het besluit van 21 mei 2026 is de Dienst Toeslagen voor een deel tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser. De Dienst Toeslagen heeft in dit besluit, het bestreden besluit, bepaald dat het bedrag dat eiser moet terugbetalen, wordt verminderd tot € 3.582. Op de zitting heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat bedoeld is dat dit besluit het eerdere vervangt. De wet bepaalt dat het beroep van eiser ook betrekking heeft op dit nieuwe bestreden besluit.\n\n2.7.. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn tolk, [tolk] . Namens de Dienst Toeslagen zijn mr. N. Akka en [gemachtigde] verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de Dienst Toeslagen terecht heeft besloten dat eiser over het jaar 2024 geen recht heeft op huurtoeslag. Ook beoordeelt de rechtbank of de Dienst Toeslagen het betaalde voorschot tot een bedrag van € 3.582 heeft kunnen terugvorderen.\n\nWat zijn de regels?\n\n4. De huurtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van het huren van een woning.De hoogte hiervan is afhankelijk van iemands financiële draagkracht. Een onderdeel van deze draagkracht is het vermogen van de huurder.Dit betekent dat de huurtoeslag een inkomensafhankelijke regeling is. Daarom is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing op de huurtoeslag.4.1.. Het recht op huurtoeslag bestaat niet als de belanghebbende een voordeel ontvangt uit sparen of beleggen. Dat wordt een rendementsgrondslag genoemd. In 2024 was de maximale rendementsgrondslag € 36.952. Als het vermogen van de belanghebbende hoger is dan dit maximum, kan diegene geen huurtoeslag (meer) ontvangen.\n\n4.2.. In de bijlage bij deze uitspraak staan de regels die van belang zijn voor deze zaak.\n\nWelke argumenten heeft eiser aangevoerd?\n\n5. Eiser stelt dat zijn vermogen bestaat uit zijn aandeel in de woning die hij met zijn ex-partner heeft gekocht. Eiser betoogt dat hij geen toegang heeft tot dit geld. Volgens eiser mag de eigendom van deze woning daarom niet worden meegerekend bij de vaststelling van zijn vermogen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nHeeft de Dienst Toeslagen het vermogen van eiser juist vastgesteld?\n\n6. Het recht op huurtoeslag is afhankelijk van de financiële draagkracht van de huurder. Om deze draagkracht vast te stellen, wordt onder andere bepaald wat iemands vermogen is. Dat is belangrijk, omdat vanaf een bepaald bedrag aan vermogen wordt aangenomen dat iemand een voordeel geniet uit sparen of beleggen. Dat wordt een rendementsgrondslag genoemd. In dat geval kan iemand geen huurtoeslag ontvangen.6.1.. Of sprake is van een voordeel uit sparen of beleggen, wordt vastgesteld op basis van de aanslag inkomstenbelasting van het betreffende jaar. Die gegevens worden vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst. De Dienst Toeslagen mag zijn besluiten op die gegevens baseren.6.2.. Om huurtoeslag te kunnen ontvangen, mag de rendementsgrondslag over 2024 niet hoger zijn dan € 36.952. Het vermogen van eiser aan het begin van 2024 is vastgesteld op € 51.348.6.3.. Op grond van de wet worden bepaalde vormen van vermogen niet meegerekend bij de vaststelling van de rendementsgrondslag.De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een dergelijke uitzondering. Eiser voert aan dat het vermogen bestaat uit zijn aandeel in een woning en dat hij daarom geen toegang heeft tot dit geld. De wet heeft geen uitzondering gemaakt voor vermogen dat bestaat uit een aandeel in een woning. Dit is ook niet anders doordat eiser daar niet woont, maar zijn ex-vrouw en hun kinderen. Het is begrijpelijk dat eiser hen niet op straat wil zetten. Dit verandert echter niets aan het feit dat hij gedeeltelijk eigenaar is van de woning. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het vermogen van eiser juist is vastgesteld.\n\nMocht de Dienst Toeslagen een deel van het voorschot terugvorderen?\n\n7. De wet bepaalt dat het teveel betaalde voorschot volledig moet worden terugbetaald.Alleen in bijzondere omstandigheden kan deze terugvordering worden verminderd of kan daarvan worden afgezien.7.1.. Eiser heeft aangevoerd dat hij de terugvordering onevenredig vindt, omdat hij over onvoldoende financiële middelen beschikt. Tijdens de zitting heeft eiser aangevoerd dat geheel moet worden afgezien van terugvordering.7.2.. Voor de terugvordering van betaalde voorschotten is beleid vastgesteld. Op basis van dit beleid is een gebrek aan financiële middelen geen reden om het terug te betalen bedrag te verlagen.De Dienst Toeslagen heeft tijdens de beroepsprocedure de situatie van eiser opnieuw beoordeeld. Hierbij is het financiële belang van eiser gewogen tegen het algemeen belang van het terugvorderen van een voorschot. Ook heeft de Dienst Toeslagen gekeken naar de rol die eiser heeft gehad in het laten ontstaan van de situatie. De Dienst Toeslagen heeft na deze nieuwe beoordeling besloten om niet het volledige voorschot terug te vorderen. Het terug te vorderen bedrag is in dit vervangende besluit verlaagd tot € 3.582 (inclusief € 41 rente).7.3.. Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden gekomen tot een matiging van de terugvordering. Het standpunt van eiser dat geheel van terugvordering had moeten worden afgezien, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van gehele terugvordering af te zien of om de terugvordering verder te verlagen.7.4.. Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat de Dienst Toeslagen met eiser een persoonlijke betalingsregeling heeft getroffen.Tijdens de zitting heeft de Dienst Toeslagen dit toegelicht. Als gevolg van deze regeling wordt het voorschot niet actief bij eiser ingevorderd. Dit betekent dat eiser het bedrag waar het om gaat, € 3.582, nu niet hoeft terug te betalen. Pas op het moment dat eiser een eenmalige teruggave ontvangt, wordt het openstaande bedrag van de terugvordering zo mogelijk daarmee verrekend.Conclusie en gevolgen\n\n8. De rechtbank komt tot het oordeel dat het recht op huurtoeslag van eiser over 2024 juist is vastgesteld. Ook oordeelt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen niet van volledige terugvordering had hoeven afzien. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.8.1.. Tijdens de beroepsprocedure heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser opnieuw beoordeeld. Naar aanleiding daarvan is een vervangend bestreden besluit genomen. Eiser is daarom terecht in beroep gegaan tegen het besluit van 29 december 2025. Daarom bepaalt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen het griffierecht dat eiser heeft betaald, moet vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: regels die belangrijk zijn voor deze uitspraak\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 6:19\n\nHet bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.\n\n(…)\n\nWet op de huurtoeslag\n\nArtikel 1\n\n(…)\n\nhuurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning;\n\n(…)\n\nArtikel 1a\n\n1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\n1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagdracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, dienst partner en de medebewoners.\n\n(…)\n\nAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\nArtikel 1\n\nDeze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\nTer bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en van zijn partner in aanmerking genomen.\n\n(…)\n\nIndien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. (…)\n\nArtikel 26\n\nIndien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.\n\nHet terug te vorderen bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig door de Dienst Toeslagen teruggevorderd. Voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering van het bedrag ingevolge het eerste lid onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de Dienst Toeslagen bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen dan het bedrag ingevolge het eerste lid.\n\n(…)\n\nVerzamelbesluit Toeslagen\n\n2.1\n\n(…)\n\nVan een onevenredige terugvordering is in beginsel geen sprake als:\n\n(…)\n\nde terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens;\n\nde belanghebbende de terugvordering vanwege ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen;\n\n(…)\n\nUitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\n1. Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet (…) buiten toepassing indien wel aanspraak op huurtoeslag (…) zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomensbelasting 2001, zou worden verminderd met:\n\na. bezittingen die zijn opgekomen\n\ni. (…)\n\nii. Van de zijde van een kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;\n\nb. (…)\n\nLeidraad Invordering 2008\n\nArtikel 79.9\n\nAls de belanghebbende een betalingsregeling is toegestaan, als bedoeld in artikel 79.8 van deze leidraad, die rekening houdt met een betalingscapaciteit die ontoereikend is om het teruggevorderde bedrag binnen 24 maanden te voldoen, zal Dienst Toeslagen na afloop van die regeling de belanghebbende meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de nog openstaande schuld.\n\nAls aan de hand van de gegevens op het door de belanghebbende ingevulde vragenformulier is vastgesteld dat hij niet over enige betalingscapaciteit beschikt, dan zal Dienst Toeslagen de belanghebbende na die vaststelling meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de toeslagenschuld in kwestie.\n\nIn beide situaties wordt aan de mededeling de voorwaarde verbonden dat gedurende 3 jaar te rekenen vanaf de datum van de mededeling, eventuele toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting — voor zover die niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald — zullen worden verrekend met de buiten de invordering gelaten schuld.\n\n Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Artikel 1, onder e, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag; artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1730 (r.o. 10).\n\n Artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, in samenhang gelezen met artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Punt 2.1 van het Verzamelbesluit Toeslagen.\n\n Artikel 79.9 van de Leidraad Invordering 2008.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5835","2026-07-13T00:28:57.015Z",1,20]