[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-civil-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-01-05T00:00:00.000Z","2026-05-19T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"312","ECLI:NL:RBZWB:2026:5391","ecli-nl-rbzwb-2026-5391","","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F437450 \u002F FA RK 25-3529\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nNadere beschikking over verdeling kosten DNA-onderzoek\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. R. Joosen te Oosterhout,\n\nover de minderjarige\n\n [minderjarige],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nvertegenwoordigd door:\n\nmr. L.E. SWART, advocaat te Roosendaal, als bijzondere curator over [minderjarige] ,\n\nhierna te noemen: de bijzondere curator.\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. N.A. Boelhouwer in Tilburg,\n\n [de juridische vader],\n\nhierna te noemen: de juridische vader,\n\nenkel belanghebbend met betrekking tot het verzoek vernietiging erkenning,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven in Tilburg.\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n1.1.. De rechtbank oordeelt op grond van de volgende stukken:\n\nde in deze zaak gegeven beschikking van 18 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet rapport van 30 maart 2026 van de deskundige (Verilabs Nederland B.V. te Gouda);\n\nhet V3-formulier van 7 april 2026 van mr. Boelhouwer, met bijlagen;\n\nhet F9-formulier van 20 april 2026 van mr. Joosen;\n\nhet op 22 april 2026 ontvangen bericht van mr. Boelhouwer.\n\n2. De nadere beoordeling\n\n2.1.. De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde, in deze zaak gegeven (nadere) beschikking van 18 november 2025. Hierbij is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader, tot verkrijging van vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] , tot verkrijging van gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] en tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank heeft daarnaast een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de man de biologische vader van [minderjarige] is. Daarbij is Verilabs Nederland B.V. te Gouda benoemd als deskundige. De rechtbank heeft de kosten van dit deskundigenonderzoek vooralsnog begroot op een totaalbedrag van € 755,= (inclusief BTW) en, in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en de verdeling van deze kosten, vooralsnog ten laste laten komen van ’s-Rijks kas. In afwachting van het deskundigenrapport heeft de rechtbank de beslissing voor het overige pro forma aangehouden tot 24 februari 2026.\n\n2.2.. Aan de orde is nu nog de beslissing over de definitieve verdeling van de kosten van het deskundigenonderzoek.\n\n2.3.. In voormeld F9-formulier van 20 april 2026 heeft mr. Joosen, namens de man, onder meer het volgende aangegeven. De man heeft geen op- of aanmerkingen over de uitslag van het deskundigenonderzoek. De uitslag van het deskundigenonderzoek komt voor de man niet als een verrassing, omdat partijen zelf al een betrouwbare DNA-test hadden verricht waaruit naar voren is gekomen dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. Voor de man was het deskundigenonderzoek dan ook niet nodig geweest. De vrouw heeft echter voor onduidelijkheid en twijfel gezorgd door - zonder gegronde motivering - de eerder verrichte DNA-test en de uitslag daarvan in twijfel te trekken. Gelet hierop stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw dient te worden veroordeeld in de volledige kosten van het deskundigenonderzoek. De man is financieel niet in staat om de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen.\n\n2.4.. In voormeld op 22 april 2026 ontvangen bericht heeft mr. Boelhouwer, namens de vrouw, onder meer het volgende aangegeven. De vrouw wijst erop dat de rechtbank, overeenkomstig het advies van de Raad, heeft bepaald dat er, met het oog op het belang van [minderjarige] , een DNA-test moet komen ondanks dat de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat zij de eerder verrichte DNA-test en de uitslag daarvan alsnog erkent. De vrouw heeft ook onvoldoende financiële middelen om de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen. Als de rechtbank komt tot een kostenveroordeling, dan dienen de kosten van het deskundigenonderzoek, naar de mening van de vrouw, gelijk tussen partijen te worden verdeeld.\n\n2.5.. De rechtbank overweegt, gezien het voorgaande, als volgt.\n\nVerdeling kosten DNA-onderzoek\n\n2.6.. De deskundige heeft de kosten van het deskundigenonderzoek inmiddels definitief begroot op € 755,= (inclusief BTW). Partijen hebben geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het door de deskundige definitief begrote bedrag. De rechtbank stelt de kosten van het deskundigenonderzoek in deze procedure daarom definitief vast op € 755,= (inclusief BTW).\n\n2.7.. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in afstammingszaken heeft te gelden dat alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek tussen partijen worden gecompenseerd. De deskundigenkosten van het DNA-onderzoek worden in beginsel geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij gebracht. Dit betekent in de praktijk dat ofwel één van partijen in de kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld ofwel dat partijen ieder de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te dragen.\n\n2.8.. De rechtbank overweegt, gelet op de twijfels die de vrouw in het verleden heeft geuit over het verwekkerschap van de man over [minderjarige] en de uitkomst van het deskundigenonderzoek, dat de vrouw in ieder geval voor een deel kan worden gezien als de “in het ongelijk gestelde partij” in deze zaak. Daarnaast kan de man, hoewel hij niet in het ongelijk is gesteld in zijn standpunt dat hij de verwekker van [minderjarige] is, gezien de uitkomst in deze zaak, namelijk dat de man niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoeken tot vernietiging erkenning en vervangende toestemming erkenning, eveneens voor een deel worden gezien als de “in het ongelijk gestelde partij” in deze zaak. Gelet hierop zal de rechtbank beide partijen als “de (deels) in het ongelijk gestelde partij” veroordelen in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek. In de gestelde beperkte financiële mogelijkheden van beide partijen ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Het voorgaande betekent dat de man en de vrouw ieder een bedrag van € 377,50 (inclusief BTW) dienen te voldoen. Voormeld bedrag dienen zij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR).\n\nTaak bijzondere curator\n\n2.9.. Nu de rechtbank reeds bij voormelde beschikking van 18 november 2025 een eindbeslissing heeft genomen over de afstammingsverzoeken in deze zaak, overweegt de rechtbank voor de volledigheid dat zij de taak van de bijzondere curator in deze procedure in eerste aanleg als beëindigd beschouwt. Indien (één van) partijen hoger beroep instelt tegen voormelde beslissingen, hetgeen inmiddels is gebeurd, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.\n\n2.10.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. stelt de kosten van de deskundige definitief vast op € 755,= (inclusief BTW);\n\n3.2.. bepaalt dat de man en de vrouw de kosten van het deskundigenonderzoek ieder voor de helft moeten voldoen, zijnde een bedrag van € 377,50 (inclusief BTW), welk bedrag na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan;\n\n3.3.. beschouwt de taak van de bijzondere curator in deze procedure in eerste aanleg als geëindigd.\n\nDeze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Van Triest, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.\n\nHoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5391","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.951Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1832","ECLI:NL:RBZWB:2026:21","ecli-nl-rbzwb-2026-21","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F442731 FA RK 25-6298\n\n5 januari 2026\n\nbeschikking\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. B.H. van der Zwan,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. B.H. van der Zwan.\n\n1. Het procesverloop\n\nDit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 4 december 2025 ontvangen verzoekschrift van partijen, met bijlagen;\n\n- de brief van mr. Van der Zwan van 16 december 2025.2. De beoordeling\n\n2.1.. Blijkens voormelde brief trekken partijen het verzoek in.\n\n2.2.. Nu het verzoek in zijn geheel is ingetrokken, zullen de gronden van het verzoek niet meer worden onderzocht, om welke reden dat verzoek zal worden afgewezen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. wijst het verzoek af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, rechter, en in tegenwoordigheid van Block, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\n- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\n- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:21","2026-01-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.995Z",1,20]