[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":63},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-06-10T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121863","Burgerlijk Wetboek","art. 3:168 lid 2",1,[27,37,46,55],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"1531","ECLI:NL:RBZWB:2026:5122","ecli-nl-rbzwb-2026-5122","","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F439998 \u002F HA ZA 25-520\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij 1] B.V.,\n\nte [plaats 1] , 2. [eisende partij 2] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna te noemen: [eisende partijen] ,\n\nadvocaat: mr. H.A.A. Voermans,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij],\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\nadvocaat: mr. D.Y. Li.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 21 januari 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de akte van [eisende partijen]\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De rechtbank stelt in deze zaak de volgende feiten vast.\n\n2.2.. \n [eisende partij 1] heeft de navolgende geldleningen verstrekt ter financiering van de onderneming van HlP Trade BV (hierna: HIP), waarvan [gedaagde partij] bestuurder is, om verdere groei te kunnen realiseren:\n\n( i) bij overeenkomst van achttien april tweeduizend achttien, hetgeen betreft een verlenging van de overeenkomst van geldlening van tweeëntwintig februari tweeduizend zeventien een bedrag van € 150.000,00;\n\n(ii) bij overeenkomst van acht mei tweeduizend achttien een bedrag van € 150.000,00;\n\n(iii) bij overeenkomst van dertien juni tweeduizend achttien een bedrag van € 100.000,00;\n\n(iv) bij overeenkomst van drieëntwintig juli tweeduizend achttien een bedrag van € 100.000,00;\n\n( v) bij overeenkomst van twee augustus tweeduizend achttien een bedrag van € 350.000,00;\n\n(vi) bij overeenkomst van vijftien oktober tweeduizend achttien een bedrag van € 150.000,00;\n\nIn totaal € 1.000.000,00.\n\n2.3.. \n [eisende partij 1] heeft bij overeenkomst van tweeëntwintig februari tweeduizend zeventien een bedrag van € 150.000,00 verstrekt ter financiering van de onderneming van Holland Development BV (hierna: HD), waarvan [gedaagde partij] bestuurder is, om verdere groei van Holland Development te kunnen realiseren.\n\n2.4.. \n [eisende partij 2] heeft de navolgende geldleningen verstrekt ter financiering van de onderneming van HlP om verdere groei te kunnen realiseren:\n\n( i) bij overeenkomst van acht mei tweeduizend achttien een bedrag van € 150.000,00;\n\n(ii) bij overeenkomst van dertien juni tweeduizend achttien een bedrag van € 100,000,00;\n\n(iii) bij overeenkomst van drieëntwintig juli tweeduizend achttien een bedrag van € 100.000,00;\n\n(iv) bij overeenkomst van twee augustus tweeduizend achttien een bedrag van € 350.000,00;\n\n( v) bij overeenkomst van zevenentwintig september tweeduizend achttien een bedrag van € 100.000,00;\n\n(vi) bij overeenkomst van één oktober tweeduizend achttien een bedrag van € 100.000,00;\n\n(vii) bij overeenkomst van drie oktober tweeduizend achttien een bedrag van € 50.000,00;\n\n(viii) bij overeenkomst van vijftien oktober tweeduizend achttien een bedrag van € 200.000,00;\n\nIn totaal € 1.150.000,00.\n\n2.5.. Op het tijdstip waarop de looptijd van alle geldleningsovereenkomsten was verstreken, 15 april 2019, was er nog niets afgelost.\n\n2.6.. Medio 2019 hebben [eisende partijen] met [gedaagde partij] afspraken gemaakt. Deze hielden onder andere in dat HIP en HD maandelijks gedurende 36 maanden aan [eisende partij 1] en aan [eisende partij 2] een bedrag van € 41.209,98 inclusief rente zouden betalen, dat [gedaagde partij] zich borg zou stellen voor de nakoming van de verplichtingen van HIP en HD en dat de notaris zou worden verzocht de borgstelling in een notariële akte vast te leggen. HIP is op 24 juli 2019 gestart met betalingen aan [eisende partij 1] en aan [eisende partij 2] . In de periode van 24 juli 2019 tot 24 januari 2020 € 41.209,98 per maand, daarna in omvang sterk aflopende bedragen, tot in juli 2024.\n\n2.7.. Bij email van 20 januari 2020 heeft [persoon 1] , toenmalig medewerker van HIP, aan [eisende partij 2] gemeld:\n\n“Goedemorgen [eisende partij 2] ,\n\nZoals gevraagd hierbij vind je in de bijlage de ID van [persoon 2] ”.\n\nBij email van 20 januari 2020 heeft [eisende partij 2] aan de notaris gemeld:\n\n“Nu hebben we uiteindelijk alles compleet dus nu kunt u alles afsluiten zoals het hoort.\n\nHet getekende stuk heb ik jou al toegestuurd ik zal het origineel opsturen naar uw kantoor vandaag.\n\nIk zie graag alle stukken tegemoet de definitieve.\n\n(…)”\n\n2.8.. Op 20 januari 2020 is de notariële akte verleden met als partijen [eisende partijen] en HIP, HD, [gedaagde partij] en [persoon 3] . In die akte zijn voormelde geldleningsovereenkomsten vermeld, de hoogte van de schuld, de onmiddellijke opeisbaarheid bij niet deugdelijke nakoming van enige aflossingsverplichting, de borgstelling van [gedaagde partij] en een forumkeuzebeding voor deze rechtbank. Artikel 7 van de akte luidt als volgt.\n\n“Artikel 7\n\n1. [persoon 3] en [gedaagde partij] , hierna ook te noemen: de ‘borgsteller’ verplichten zich hierbij zich\n\nonvoorwaardelijk borg te stellen voor de juiste en stipte nakoming door Schuldenaars van alle verplichtingen jegens elk van de Schuldeisers uit hoofde van deze Overeenkomst.\n\n2. [gedaagde partij] verbindt zich hierbij als borg tegenover [eisende partijen] tot nakoming van al\n\nhetgeen ieder van de Schuldenaars uit hoofde van de Overeenkomst aan [eisende partij 1] dan wel aan [eisende partij 2] verschuldigd is of zal zijn tot het bedrag van de Hoofdsom zijnde een bedrag groot twee miljoen zevenhonderd vijftig duizend euro (EUR 2.750.000,00) vermeerderd met de daarover verschuldigde rente, kosten en de in artikel 5 genoemde boete.\n\nMevrouw [echtgenote] , echtgenote van de heer [gedaagde partij] , heeft de toestemmingsverklaring voor het aangaan van deze borgstelling door de heer [gedaagde partij] ondertekend, waarvan blijkt uit een kopie van een getekende toestemmingsverklaring welke aan deze akte zal worden gehecht.\n\n(…)”\n\n2.9.. Achter de notariële akte is een toestemmingsverklaring gevoegd met een handtekening boven de tekst “ [echtgenote] ”, zonder dat het paspoort- of rijbewijsnummer is ingevuld. Een identiteitsbewijs ontbreekt achter de akte. In de akte wordt geen melding gemaakt van een identiteitsbewijs of identificatie van [echtgenote] op grond van een dergelijk bewijs.\n\n2.10.. Op 2 februari 2024 is een addendum bij de akte houdende overeenkomst van geldlening en borgstelling opgemaakt met daarin opgenomen dat Zenrec BV en Polypropylene Recycling BV zich eveneens borg stellen jegens [eisende partijen] en dat HIP stil pandrecht op haar debiteurenvorderingen en bezitloos pandrecht op haar voorraden vestigt tot zekerheid voor de juiste nakoming van de verplichtingen van HIP aan [eisende partijen] . De hoogte van de hoofdsom aan geldleningen is bepaald op € 1.800.000,00 en de hoogte van de aflossingsverplichtingen is bepaald op een nadien op te lopen startbedrag van € 2.000,00 per maand vanaf 31 maart 2024.\n\n2.11.. Bij brief van 11 juni 2024 hebben [eisende partijen] HIP en ook [gedaagde partij] en zijn vrouw (en [persoon 3] ) als borgen gesommeerd de openstaande termijnen en rente te betalen. Vervolgens zijn verschillende beslagen gelegd, onder andere op de woning van [gedaagde partij] en [echtgenote] , op aandelen van [echtgenote] in het kapitaal van Zenrec BV, op een auto van [gedaagde partij] , een auto van [echtgenote] en bankbeslag ten laste van HIP.\n\n2.12.. \n [echtgenote] heeft vervolgens bij brief van 19 november 2024 aan [eisende partij 1] en aan [eisende partij 2] het standpunt ingenomen nimmer overeenkomstig artikel 1:88 BW toestemming te hebben verleend voor de bij notariële akte overeengekomen borgstelling door [gedaagde partij] en meegedeeld dat zij deze op grond van artikel 1:89 BW vernietigt. In de brief is vermeld dat [echtgenote] nooit haar handtekening op een toestemmingsverklaring heeft gezet en dat de handtekening op de toestemmingsverklaring bij de notariële akte, gelet op haar handtekening op haar identiteitsbewijs evident niet haar handtekening is. [eisende partijen] hebben de vernietiging aanvaard.\n\n2.13.. Daarna hebben [eisende partijen] met verlof van de voorzieningenrechter conservatoir beslag onder zaken van [gedaagde partij] gelegd en [gedaagde partij] voor deze rechtbank gedagvaard.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eisende partijen] vorderen - samengevat - na wijziging van eis:\n\n- te verklaren voor recht dat [gedaagde partij] jegens [eisende partijen] een onrechtmatige daad heeft gepleegd en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door hen geleden schade;\n\n- [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling aan [eisende partijen] van € 529.343,00 vermeerderd met rente,\n\n- Subsidiair [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat;\n\n- [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten vermeerderd met rente.\n\n3.2.. \n [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partijen] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partijen] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [gedaagde partij] heeft geen processuele bezwaren geuit tegen de wijziging van eis. De rechtbank acht de wijziging niet in strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal over de gewijzigde eis oordelen.\n\n4.2.. \n [eisende partijen] leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag.\n\n [gedaagde partij] heeft aan de notaris een toestemmingsverklaring verstrekt met een handtekening die niet van zijn echtgenote is, terwijl hij daarnaast een kopie van haar identiteitskaart heeft aangeleverd. Hij heeft daarmee opzettelijk of in elk geval bewust onjuiste informatie aan de notaris verschaft met als doel de indruk te wekken dat zijn echtgenote akkoord was met de borgstelling. In ieder geval heeft [gedaagde partij] een notariële volmacht getekend ten behoeve van de notariële akte met borgstelling, terwijl hij wist of had moeten weten dat toestemming van zijn echtgenote ontbrak. [eisende partijen] mochten gerechtvaardigd vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de borgstelling.\n\nAls [eisende partijen] zouden hebben geweten dat [gedaagde partij] geen borgstelling kon geven zouden zij destijds niet bereid zijn geweest om de geldleningsovereenkomsten voort te zetten. Omdat betaling was uitgebleven was het vertrouwen van [eisende partijen] in [gedaagde partij] zeer broos. Daarom wilden [eisende partijen] naast HIP zekerheid. De eis van persoonlijke borgstelling van [gedaagde partij] als zekerheid was een keiharde eis. Als [gedaagde partij] toen gezegd zou hebben dat borgstelling niet mogelijk was zouden [eisende partijen] destijds direct zijn overgegaan tot het treffen van rechtsmaatregelen. Zij zouden dan destijds direct op zoek zijn gegaan naar uit te winnen activa van HIP en conservatoir beslag hebben laten leggen. Zij bieden hiervan bewijs aan. [eisende partijen] zouden ongetwijfeld hebben geconstateerd dat HIP destijds, in tegenstelling tot in november 2024 toen bekend werd dat geen rechtsgeldige borgstelling had plaatsgehad, wel volop verhaal bood. [eisende partijen] stellen dat de kans dat zij destijds tot ontbinding van de geldleningsovereenkomsten zouden zijn overgegaan en tot de volledige uitwinning van de verschuldigde bedragen op HIP en HD op 100%. Destijds in 2020 had HIP een grote vordering op debiteuren en had HIP via een door HIP opgerichte vennootschap grond gekocht in Georgië voor ruim € 1.000.000,00. Het bedrag dat zij dan zouden hebben geïncasseerd begroten zij op € 479.000,00. Overige schade die zij dan ook niet zouden hebben geleden daarbij opgeteld, bedraagt de gewijzigde vordering € 529.343,00.\n\n4.3.. \n [gedaagde partij] weerspreekt dat hij in verband met de notariële akte contact met zijn echtgenote heeft gehad voor toestemming met zijn borgstelling. Hij betwist dat hij een toestemmingsverklaring en een ID-bewijs van zijn echtgenote aan [persoon 1] heeft gegeven. [gedaagde partij] heeft geen conceptakte gehad. Aan [gedaagde partij] is de inhoud van de notariële akte niet uitgelegd. Hij dacht te tekenen voor geldleningen omdat hem dat door [eisende partij 1] was uitgelegd.\n\n [gedaagde partij] betwist dat [eisende partijen] destijds in 2019 of 2020 rechtsmaatregelen zouden hebben getroffen als zij zouden hebben geweten dat borgstelling niet mogelijk was. De borgstelling is pas aan de orde gekomen toen de eerste leningen al lang opeisbaar waren. Niet aannemelijk is dat deze borgstelling voor [eisende partijen] zo essentieel was. Zij stellen immers dat HIP destijds voldoende verhaal bood. En vanaf medio 2019 heeft HIP ook aanmerkelijke bedragen betaald aan [eisende partijen] . Vanaf het moment dat de looptijd van de eerste geldleningsovereenkomst was verstreken, 8 november 2018, hebben [eisende partijen] de leningen niet opgeëist, geen ingebrekestellingen gestuurd en geen rechtsmaatregelen getroffen. Er is geen enkel document waaruit blijkt dat beslaglegging is overwogen, voorbereid of besproken. Ook nadat HIP kort na het verlijden van de notariële akte wederom in verzuim was zijn er geen rechtsmaatregelen getroffen, terwijl er volgens [eisende partijen] toen en eind 2021 nog verhaal was, mede vanwege de grond in Georgië. Meer dan onderzoek naar de mogelijke vestiging van een hypotheekrecht op die grond heeft er niet plaatsgehad.\n\n [gedaagde partij] betwist tot slot de hoogte van het bedrag van de opgevoerde schadeposten.\n\n4.4.. De rechtbank overweegt het volgende. [eisende partijen] beroepen zich op de rechtsgevolgen van de door hen gestelde feiten, te weten schadeplichtigheid op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. Op hen rusten daarom stelplicht en zo nodig bewijslast van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde partij] , dat er een conditio sine qua non verband is tussen dat handelen en schade bij [eisende partijen] en tot slot, indien daarvan inderdaad sprake is, dienen zij de rechtbank aanknopingspunten te bieden om de schade te begroten.\n\n4.5.. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde partij] met betrekking tot de toestemmingsverklaring onrechtmatige handelingen heeft verricht dan wel gedragingen heeft nagelaten waarbij aan hem het gevolg daarvan, een niet rechtsgeldige borgstelling, is toe te rekenen. [eisende partijen] hebben gesteld dat [gedaagde partij] zowel de verklaring als het ID-bewijs van zijn echtgenote aan [persoon 1] van HIP heeft gegeven en dat deze die stukken weer aan [eisende partij 2] heeft doorgestuurd. [gedaagde partij] heeft betwist dat hij contact met zijn echtgenote over de borgstelling heeft gehad en dat hij voormelde documenten aan [persoon 1] heeft verstrekt. Bij deze stand van zaken zou bewijslevering, hetgeen [eisende partijen] hebben aangeboden, aan de orde zijn. Op grond van de beschikbare feiten kan de rechtbank immers niet vaststellen of [gedaagde partij] onrechtmatige handelen heeft verricht die aan hem toerekenbaar zijn, dan wel dat een derde onrechtmatige handelingen heeft verricht, hetgeen op grond van de zich in het procesdossier bevindende informatie niet kan worden uitgesloten. De rechtbank zal evenwel geen bewijsopdracht geven omdat de tweede voorwaarde voor toewijzing van de vordering van [eisende partijen] , te weten conditio sine qua non verband tussen onrechtmatig handelen en schade, niet wordt vervuld. De rechtbank motiveert dat hierna.\n\n4.6.. \n [eisende partijen] nemen niet het standpunt in dat het gevolg van het handelen van [gedaagde partij] is dat zij een extra mogelijkheid tot incasso van (een deel van) hun vordering zijn verloren en dat de schade moet worden begroot op het bedrag waarvoor [gedaagde partij] verhaal zou hebben geboden. [eisende partijen] nemen ook niet het standpunt in dat [gedaagde partij] als bestuurder van HIP onrechtmatig heeft gehandeld (bestuurdersaansprakelijkheid) en dat hij daarom naast HIP aansprakelijk is voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering op HIP. [eisende partijen] betogen dat als zij destijds zouden hebben geweten dat borgstelling door [gedaagde partij] niet mogelijk was, zij destijds, vanwege het grote belang dat zij aan een borgstelling hechtten, in 2020 direct zouden zijn overgegaan tot het treffen van rechtsmaatregelen en die zouden toen, omdat HIP toen nog wel vermogen had c.q. er nog wel voldoende verhaalsmogelijkheden waren, ook tot incasso hebben geleid.\n\n4.7.. De rechtbank constateert dat [eisende partijen] de zojuist weergegeven stelling in de dagvaarding van geen enkele nadere feitelijke toelichting hebben voorzien. De stelling dat “wie [eisende partij 1] kent, wel zou weten dat hij tot het treffen van rechtsmaatregelen zou zijn overgegaan” komt geen betekenis toe zonder nadere toelichting aan de hand van feiten en omstandigheden. Die ontbreken in de dagvaarding. Ter zitting hebben [eisende partijen] een niet ondertekend document “Overeenkomst van geldlening” uit 2019 overgelegd en emailcorrespondentie uit de periode mei-juli 2019. Voorts heeft [eisende partij 1] ter zitting meegedeeld dat hij tegen [gedaagde partij] in die periode heeft gezegd “Je moet betalen”.\n\n4.8.. De rechtbank heeft naar aanknopingspunten voor de (blote) stelling van [eisende partijen] gezocht maar die niet gevonden. Nadat de looptijden van de leningsovereenkomsten waren verlopen is er geen enkele rechtsmaatregel getroffen, noch is daarmee gedreigd. Dit terwijl, zo heeft de rechtbank ter zitting aan [eisende partijen] voorgehouden, de initiële geldleningsovereenkomsten [gedaagde partij] in de partijaanduiding en in artikel 6 als hoofdelijk medeschuldenaar vermelden. De rechtbank ziet noch in voormeld document uit 2019, noch in de emailcorrespondentie enige opmerking over het wezenlijke belang van de borgstelling voor [eisende partijen] of over het treffen van rechtsmaatregelen of de dreiging daarmee. In de overeenkomst staat dat er binnen 10 dagen een notariële akte met daarin de door [eisende partijen] van groot belang geachte borgstelling moet komen. Dat is niet gebeurd en ook dat heeft niet tot het treffen van rechtsmaatregelen geleid. Pas in januari 2020 wordt de notariële akte verleden en vrijwel direct daarna is weer sprake van verzuim van HIP. Dit, terwijl HIP tevoren vanaf juni 2019 steeds ruim € 41.000 had overgemaakt tot net na het verlijden van de notariële akte en toen daarmee is gestopt. Ook toen is er geen enkele actie ondernomen tegen HIP en met name niet tegen borg [gedaagde partij] , terwijl toen de door [eisende partijen] van groot belang geachte borgstelling er (zoals zij nog dachten) wel was. Tot aan de totstandkoming van het addendum op 2 februari 2024 zijn er evenmin rechtsmaatregelen getroffen. En ook terstond na het addendum, waarin nota bene pandrechten op vorderingen en voorraden van HIP zijn verstrekt, vindt geen enkele rechtsmaatregel zoals het innen van verpande vorderingen plaats, terwijl daar ook toen reden voor was. Pas in juni 2024 hebben [eisende partijen] sommatiebrieven gestuurd aan HIP en [gedaagde partij] en hebben zij beslagen gelegd.\n\nDe slotsom op grond van het voorgaande is dat er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de blote stelling van [eisende partijen] , dat zij destijds rechtsmaatregelen zouden hebben getroffen indien [gedaagde partij] zich niet borg kon stellen, wel van een nadere motivering voorzien. Omdat [eisende partijen] niet aan hun stelplicht hebben voldaan kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat aan de eis van conditio sine qua non verband tussen onrechtmatig handelen en schade is voldaan. Bewijslevering is niet aan de orde omdat er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die onderdeel van een bewijsopdracht zouden kunnen zijn.\n\n4.9.. De rechtbank overweegt voorts naar aanleiding van het betoog van [eisende partijen] dat zij destijds conservatoir beslag zouden hebben gelegd en een procedure zouden zijn gestart en dat die hen een executoriale titel zou hebben opgeleverd op grond waarvan zij dan verhaal zouden hebben gehaald bij HIP, nog als volgt. [eisende partijen] betogen wel stellig dat destijds door hen te treffen rechtsmaatregelen tot succesvolle incasso zouden hebben geleid maar zij hebben daarbij geen aandacht geschonken aan feiten en omstandigheden die daarvoor een belemmering zouden kunnen vormen. Procedures vergen doorgaans enkele jaren zodat [eisende partijen] bij aanvang van rechtsmaatregelen in 2020 naar schatting op zijn vroegst in 2023 of 2024 een executoriale titel zouden hebben verkregen. Wanneer in die periode conservatoir beslag op al de bankrekeningen, de debiteurenvorderingen en mogelijk enige voorraden van HIP zou liggen, zou de bedrijfsvoering van HIP plat liggen en zou een faillissement aannemelijk zijn. Uit de door [eisende partijen] overgelegde jaarrekeningen van HIP blijkt immers dat de vermogenspositie van HIP na 2021 snel verslechtert. Dat het destijds nemen van rechtsmaatregelen tegen HIP en HD tot (aanmerkelijk) incassosucces voor [eisende partijen] zouden hebben geleid is dan ook niet zonder meer aannemelijk.\n\n4.10.. De slotsom van al het voorgaande is dat de vorderingen van [eisende partijen] tegen [gedaagde partij] niet toewijsbaar zijn.\n\n4.11.. \n [eisende partijen] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.723,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n7.446,00\n\n(2 punten × € 3.723,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n10.358,00\n\n4.12.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eisende partijen] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eisende partijen] hoofdelijk in de proceskosten van € 10.358,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op\n\n10 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5122","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:25.617Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"1592","ECLI:NL:RBZWB:2026:5145","ecli-nl-rbzwb-2026-5145","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F440624 \u002F HA ZA 25-548\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nPLANTBEZORGD B.V.,\n\nte Molenschot ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: PlantBezorgd ,\n\nadvocaat: mr. J.P.A. Jansen,\n\ntegen\n\nRB-MEDIA B.V.,\n\nte Breda ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: RB-Media ,\n\nadvocaat: mr. G.N. van Kooten.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. RB-Media heeft in opdracht van PlantBezorgd online marketing activiteiten verricht. PlantBezorgd vindt dat deze werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd en vordert schadevergoeding. RB-Media betwist dit. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat RB-Media is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen of dat zij haar zorg- of informatieplicht ten opzichte van PlantBezorgd heeft geschonden. De schadevorderingen van PlantBezorgd worden daarom afgewezen. De rechtbank legt in dit vonnis haar beslissing uit.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 7 januari 2026, en de daarin genoemde stukken,\n\n- de akte vermeerdering en wijziging van eis tevens akte overleggen producties van PlantBezorgd , met producties 34 tot en met 36,\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\n- de spreekaantekeningen van mrs. Jansen en Van Kooten.2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. PlantBezorgd exploiteert een online webshop inzake verkoop van planten en aanverwante artikelen.\n\n3.2.. RB-Media houdt zich bezig met het ontwikkelen van websites en het verrichten van onlinemarketingactiviteiten.\n\n3.3.. In 2022 heeft PlantBezorgd zich gewend tot RB-Media voor het verbeteren van haar online vindbaarheid. Op 30 september 2022 heeft RB-Media een voorstel uitgebracht aan PlantBezorgd betreffende werkzaamheden in 2022 en 2023. Dit voorstel is geaccepteerd door PlantBezorgd . Op basis van dit voorstel heeft RB-Media als opdrachtnemer onlinemarketingwerkzaamheden uitgevoerd voor PlantBezorgd vanaf eind 2022.\n\n3.4.. Tussen partijen is overeengekomen dat RB-Media vanaf 2023 24 uur per maand zou besteden aan de onlinemarketingwerkzaamheden, bestaande uit 8 uur voor Google Ads (SEA\u002Fadvertentiestrategie), 8 uur voor SEO-werkzaamheden (zoekwoordenoptimalisatie), 2 uur voor CRO-werkzaamheden (beheren en optimaliseren van de prestaties van de website) en 2 uur voor werkzaamheden betreffende de olijfwilgcampagne. De daarvoor per kwartaal verstuurde facturen heeft PlantBezorgd telkens voldaan.\n\n3.5.. In september 2023 heeft PlantBezorgd haar vernieuwde website – [website] – laten ontwikkelen door Webworx BV .\n\n3.6.. In de tweede helft van februari 2025 heeft de indirect bestuurder van PlantBezorgd , [indirect bestuurder van eiser] , contact opgenomen met RB-Media in verband met een ‘verontrustend lage’ SEO-vindbaarheid. [indirect bestuurder van eiser] was hierop geattendeerd door de heer [persoon] , betrokken bij [bedrijf] , een soortgelijke onderneming als RB-Media .\n\n3.7.. Partijen hebben op 27 februari 2025 hierover een gesprek gevoerd. Afgesproken is dat RB-Media de toen geuite klachten van PlantBezorgd , onder meer dat niet alle afgesproken uren gewerkt zouden zijn, zou gaan uitzoeken.\n\n3.8.. Op 4 maart 2025 heeft PlantBezorgd de overeenkomst van opdracht met RB-Media opgezegd.\n\n3.9.. Op 14 maart 2025 heeft PlantBezorgd RB-Media aansprakelijk gesteld voor geleden en nog te lijden schade. RB-Media heeft deze aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. PlantBezorgd vordert - samengevat - na vermeerdering van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\neen verklaring voor recht dat RB-Media toerekenbaar tekort is geschoten bij het uitvoeren van de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van opdracht dan wel dat zij haar zorg- en informatieplicht jegens PlantBezorgd heeft geschonden en dat RB-Media aansprakelijk is voor de geleden schade,\n\nveroordeling van RB-Media tot betaling van € 124.850,96, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijk incassokosten,\n\nveroordeling van RB-Media in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.\n\n4.2.. \n\nPlantBezorgd voert het volgende aan.\n\nRB-Media is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht en ze heeft haar (verhoogde) zorgplicht jegens PlantBezorgd geschonden. RB-Media heeft over de periode van 1 april 2024 tot en met 4 maart 2025 feitelijk geen online marketing werkzaamheden verricht, zodat PlantBezorgd minstens 12 maanden heeft betaald voor werkzaamheden zonder tegenprestatie. RB-Media heeft terzake dus niet aan haar inspanningsplicht voldaan. RB-Media heeft daarnaast PlantBezorgd slechts zeer summierlijk op de hoogte gebracht van haar werkzaamheden en PlantBezorgd nooit geïnformeerd of gewaarschuwd over de afgenomen online vindbaarheid. Daar was zij, gelet op haar deskundigheid, wel toe gehouden. De kern van de overeenkomst van opdracht was om de online vindbaarheid te vergroten, terwijl deze juist is afgenomen. Uit niets blijkt dat RB-Media op enig moment aan de bel heeft getrokken over de verminderde online vindbaarheid van PlantBezorgd . RB-Media moet de door PlantBezorgd daardoor geleden schade vergoeden (bestaande uit de vier ten onrechte betaalde facturen, gederfde winst wegens de lage vindbaarheid, extra marketingkosten ter compensatie van de lage productrankings en ter beperking van schade, en onderzoekskosten van [bedrijf] ).\n\n4.3.. RB-Media voert verweer. RB-Media concludeert tot afwijzing van de vorderingen van PlantBezorgd , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van PlantBezorgd in de kosten van deze procedure te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.\n\n4.4.. \n\nRB-Media voert het volgende aan.\n\nRB-Media betwist dat sprake is van enige tekortkoming. Betwist wordt dat de overeengekomen en betaalde uren niet zijn gemaakt. Deze uren werden per kwartaal bij marketingspecialisten ingepland en uitgevoerd. Verder heeft RB-Media veel uren besteed aan ad hoc verzoeken van [indirect bestuurder van eiser] . Er was geen sprake van een verminderde SEO-vindbaarheid. De SEO-vindbaarheid werd gemonitord, was via een realtime dashboard inzichtelijk voor PlantBezorgd , en hierover werd periodiek gerapporteerd. Er was geen sprake van een resultaatverplichting wat ook niet mogelijk is gezien de vele factoren buiten de invloedssfeer van RB-Media . De overeenkomst van opdracht kon door PlantBezorgd niet tussentijds worden opgezegd. Er is geen beroep gedaan op ontbinding en bovendien ontstaat de bevoegdheid daartoe pas bij verzuim, waarvan geen sprake is. Er is tenslotte geen schade geleden als gevolg van handelen van RB-Media .\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Kern van het verwijt van PlantBezorgd aan RB-Media is haar standpunt dat RB-Media de overeengekomen uren niet heeft verricht, als gevolg waarvan met name de SEO-vindbaarheid vanaf april 2024 drastisch is gedaald.\n\n5.2.. Tussen partijen staat vast dat RB-Media 24 uur per maand zou besteden aan online marketing uren, waarvan 12 uur per maand aan het verbeteren van de organische online vindbaarheid, één van de belangrijkste onderwerpen voor PlantBezorgd . De doelstelling, zo volgt uit de offerte en staat niet ter discussie, was om de SEO omzet in 2023 flink te verhogen, en om de SEO\u002Forganische vindbaarheid te vergroten. Partijen hebben daarbij afgesproken, zo volgt eveneens uit de offerte, dat de afgesproken 24 uren per maand anders ingedeeld kunnen worden als ingespeeld moet worden op ontwikkelingen in de markt.\n\ndaling SEO-vindbaarheid?\n\n5.3.. PlantBezorgd heeft, onder verwijzing naar gegevens uit GA4, Google Search Console en Semrusch, gesteld dat haar SEO-vindbaarheid (organische vindbaarheid) sinds de start van de samenwerking om onbekende reden is gedaald vanaf eind juni 2024.\n\n5.4.. RB-Media betwist gemotiveerd dat sprake is geweest van een daling van organische vindbaarheid. Zij verwijst naar eigen rapportages en een overzicht van februari 2025 (productie 8) waaruit volgens haar juist van een stijging blijkt.\n\n5.5.. Vooropgesteld wordt dat op zichzelf een verlaging van online vindbaarheid vanaf juni 2024 nog niet maakt dat sprake is van een tekortkoming van RB-Media . Tussen partijen is niet in geschil dat sprake was van een inspanningsverplichting voor RB-Media . Het doel van partijen was weliswaar dat die online vindbaarheid werd vergroot, maar het ontbreken van resultaat is op zichzelf geen tekortkoming. Daarbij is van belang dat RB-Media onbetwist heeft gesteld dat voor SEO-prestaties\u002Fvindbaarheid ook geen garantie kan worden gegeven, omdat de prestaties afhankelijk zijn van talrijke (ranking)factoren, die (groten)deels buiten de invloedsfeer van RB-Media vallen. Een daarvan betreft de snelheid van de website van PlantBezorgd , wat door RB-Media is aangekaart. RB-Media wijst verder op de omstandigheid dat rankingfactoren continue in beweging zijn en op de omstandigheid dat Google regelmatig met grote updates komt. Eén daarvan had grote invloed op de score van PlantBezorgd in de top tien van zoekwoorden. Verder heeft RB-Media erop gewezen dat er verschillende manieren van werken zijn op het gebied van online marketing, en dat de gekozen strategie steeds is besproken met PlantBezorgd .\n\n5.6.. Gelet hierop is de enkele daling van SEO-vindbaarheid onvoldoende om een tekortkoming vast te stellen. In het midden kan blijven of er inderdaad zo’n daling was; partijen verschillen hierover van mening.\n\n5.7.. Wel was RB-Media gehouden, mede in verband met haar inspanningsverplichting, om de overeengekomen uren te verrichten. Beoordeeld moet daarom worden of de stelling van PlantBezorgd dat RB-Media de overeengekomen uren feitelijk niet heeft uitgevoerd, juist is.\n\novereengekomen uren niet gemaakt?\n\n5.8.. PlantBezorgd onderbouwt haar standpunt dat de overeengekomen uren niet zijn gemaakt als volgt:\n\nvoor SEA-werkzaamhedenmaakte RB-Media gebruik van een Google Ads-account: [emailadres] . Via de wijzigingsgeschiedenis binnen dit account is inzichtelijk geworden dat gedurende de periode van 10 juni 2023 tot en met 4 maart 2025 door het account 224 wijzigingen zijn doorgevoerd, waarvan 114 wijzigingen zijn doorgevoerd na het uiten van de klachten op 19 februari 2025. Over de periode van 21 juli 2023 tot en met 18 februari 2025 heeft RB-Media dus slechts 110 wijzigingen doorgevoerd, die veelal slechts enkele minuten hebben gekost (producties 9 en 10). Hieruit blijkt dat RB-Media nimmer voor 8 uur per maandSEA-werkzaamhedenheeft verricht.\n\nOp basis van de tool ‘Wayback Machine’ (waarop gezien kan worden hoe internetpagina’s er in het verleden hebben uitgezien) heeft PlantBezorgd een bestand gemaakt waarin per URL is aangegeven in welk kwartaal de URL voor het laatst is bewerkt, en waaruit herleid kan worden welke pagina’s RB-Media heeft geoptimaliseerd. Hieruit volgt dat RB-Media heel minimaal categoriepagina’s heeft aangepast en in kwartaal 3 en 4 van 2024 zelfs geen enkele pagina heeft aangepast dan wel geoptimaliseerd. Zodoende heeft RB-Media voor SEO-werkzaamhedenen werkzaamheden ten aanzien van contentcreatie de uren niet uitgevoerd althans niet de volledige 12 uur per maand besteed.\n\nRB-Media heeft sinds de nieuwe website slechts 4 ‘tickets’ (verzoeken aan de beheerder van een website) ingediend bij Webworx , waarvan slechts één ticket raakvlakken heeft met CRO-werkzaamheden. Hieruit volgt dat er voor het overige geen CRO-werkzaamheden zijn verricht.\n\n5.9.. RB-Media betwist gemotiveerd dat zij de afgesproken 24 uur per maand niet heeft gemaakt. In het jaar 2024 zijn voor meer dan 300 uur werkzaamheden ingepland en uitgevoerd, hetgeen blijkt uit het in het geding gebrachte planningsoverzicht, zodat voldaan is aan de overeengekomen 288 uur. De uren zijn besteed aan het schrijven van teksten voor de website van PlantBezorgd , het uitvoeren van maandelijkse SEO-werkzaamheden\u002Fhealth checks, Google Ads-werkzaamheden en contentplanning. Verder was sprake van heel veel adhoc verzoeken en adviesvragen van PlantBezorgd . Verwezen wordt naar de overgelegde e-mailcorrespondentie van januari 2024 – februari 2025. RB-Media voert verder aan dat PlantBezorgd zich ten onrechte baseert op de wijzigingsgeschiedenis van Google Ads en de WayBack Machine Tool.\n\nAd a: SEA-werkzaamheden5.10.. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat geen of te weinig SEA-werkzaamheden zijn verricht. De verwijzing naar de wijzigingsgeschiedenis binnen het Google Ads-account is daartoe onvoldoende, bezien in het licht van het verweer van RB-Media . RB-Media heeft namelijk aangevoerd dat zij werkte met diverse externe tools (Feedmanagement, Producthero-tooling, Profitmetrics-tooling, Google Merchant Center), die ook onder Google Ads-werkzaamheden vielen, maar niet als wijzigingen in Google Ads-account werden geregistreerd. Deze werkzaamheden betroffen een belangrijk deel van de werkzaamheden van RB-Media . Het ging dan om het doorlopend optimaliseren van productfeed, om het bepalen van de Google Ads strategie, en het uitvoeren van data-analyses. RB-Media heeft verwezen naar e-mails waaruit deze werkzaamheden blijken. PlantBezorgd heeft niet betwist dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd en ook niet dat dit een belangrijk deel van de werkzaamheden betrof. Zij heeft evenmin betwist dat deze werkzaamheden niet terugkomen in de wijzigingsgeschiedenis van het Google Ads-account. Alleen al hierom kan op basis van de door PlantBezorgd overgelegde wijzigingsgeschiedenis niet worden vastgesteld dat geen of te weinig SEA-werkzaamheden zijn verricht. Deze stelling wordt daarom als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd verworpen.\n\nAd b: SEO-werkzaamheden5.11.. Evenmin is komen vast te staan, op basis van de gegevens van de tool ‘WayBack Machine’, dat RB-Media de SEO-werkzaamheden niet heeft uitgevoerd. RB-Media heeft aangevoerd dat het aantal aangepaste pagina’s niet relevant is en niet bepalend voor de vraag of de overeengekomen uren zijn gewerkt. Er zijn geen afspraken gemaakt over de specifieke aantallen, en voor elke pagina die RB-Media heeft gepubliceerd is een proces doorlopen, bestaande uit een zoekwoordenonderzoek, een concurrentieanalyse, het schrijven van de content en het bepalen van interne linkmogelijkheden. Deze werkwijze is met PlantBezorgd besproken in de meetings. Uit een e-mail van 16 december 2024 blijkt dat tijdens een strategiebespreking is besproken dat voor 2025 SEO teksten geschreven zouden worden voor de subcategorieën, waarvoor PlantBezorgd akkoord heeft gegeven. Verder heeft RB-Media gemotiveerd en onderbouwd met mails aangegeven dat periodiek gerapporteerd werd over SEO-vindbaarheid.\n\n5.12.. PlantBezorgd heeft niet betwist dat deze werkzaamheden zijn verricht en dat dit SEO-werkzaamheden betreffen. Daarom is enkel de verwijzing naar de tool ‘WayBack Machine’ onvoldoende om aan te nemen dat er geen of te weinig SEO-werkzaamheden zijn verricht. Van PlantBezorgd had verwacht mogen worden dat ze dit nader had geconcretiseerd, gelet op de gemotiveerde betwisting van RB-Media .\n\nAd c: CRO werkzaamheden5.13.. \n\nOok ten aanzien van de CRO-werkzaamheden heeft PlantBezorgd haar stelling dat deze werkzaamheden niet zijn verricht onvoldoende gemotiveerd onderbouwd door enkel – zonder toelichting – te stellen dat er slechts één ticket bij Webworx is ingediend.\n\nRB-Media heeft namelijk aangevoerd dat ten onrechte wordt gesteld dat er geen contact plaatsvond met de webdeveloper. Voor de CRO-werkzaamheden werd gebruik gemaakt van Microsoft Clarity. De inzichten daaruit zijn gedeeld met de webdeveloper, en de implementatie van deze verbeterpunten lag bij deze persoon. Veel van de voorgestelde optimalisaties werden echter niet opgepakt of pas na een lange periode uitgevoerd.\n\n5.14.. PlantBezorgd heeft deze gang van zaken niet betwist, zodat is komen vast te staan dat er wel werkzaamheden zijn verricht door RB-Media . Dat deze werkzaamheden de afgesproken 2 uur per maand niet haalden, is niet toegelicht.\n\n5.15.. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat de overeengekomen uren niet zijn gemaakt, zodat geen grond bestaat voor terugbetaling van facturen over een periode van twaalf maanden, zoals gevorderd.\n\nschending zorg- en informatieplicht?\n\n5.16.. Nu niet is komen vast te staan dat RB-Media de overeengekomen uren niet heeft gewerkt, is wat dat betreft geen sprake van schending van de zorgplicht.\n\n5.17.. PlantBezorgd heeft tenslotte nog gesteld dat de daling van de SEO-resultaten zo verontrustend laag was dat RB-Media dit zelf had moeten constateren en melden aan PlantBezorgd , en verder dat zij onvoldoende op de hoogte werd gehouden van de werkzaamheden die werden verricht en tot welke resultaten dit leidde.\n\nDoor dit niet te doen heeft RB-Media haar zorg- en informatieplicht geschonden, aldus PlantBezorgd .\n\n5.18.. Deze – niet goed onderbouwde – stellingen van PlantBezorgd heeft RB-Media gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft RB-Media grote hoeveelheden e-mails overgelegd, waaruit volgt dat veelvuldig contact heeft plaatsgevonden tussen partijen over de werkzaamheden en de keuzes die gemaakt werden voor wat betreft de online marketing. Verder heeft RB-Media onbetwist gesteld dat de SEO-vindbaarheid werd gemonitord via een speciaal voor PlantBezorgd op maat gemaakt dashboard waarmee realtime inzicht gegeven werd in onder meer de organische vindbaarheid, afgezet tegen de vindbaarheid van het jaar daarvoor. Tenslotte is aangegeven dat hierover periodiek werd gerapporteerd, hetgeen ook volgt uit de overgelegde e-mails. Ook deze gang van zaken is niet gemotiveerd betwist, en volgt bovendien uit de correspondentie, zodat daarvan wordt uitgegaan.\n\n5.19.. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat RB-Media PlantBezorgd voldoende informatie gaf over de organische vindbaarheid en over de ontwikkeling daarvan, zodat niet valt in te zien dat RB-Media niet aan haar zorgplicht of informatieplicht heeft voldaan. Dat de indirect bestuurder van PlantBezorgd nooit heeft ingelogd op het dashboard komt voor rekening en risico van PlantBezorgd .\n\n5.20.. Uit wat hiervoor staat, volgt dat de vorderingen van PlantBezorgd moeten worden afgewezen. Er is niet vast komen te staan dat RB-Media is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst.\n\nproceskosten\n\n5.21.. PlantBezorgd is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van RB-Media worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n4.102,00\n\n(2 punten × € 2.051,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.152,00\n\n5.22.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van PlantBezorgd af,\n\n6.2.. veroordeelt PlantBezorgd in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als PlantBezorgd niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt PlantBezorgd tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5145","2026-06-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:28.755Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":35,"updatedAt":54},"1523","ECLI:NL:RBZWB:2026:5042","ecli-nl-rbzwb-2026-5042","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: 11507917 \\ CV EXPL 25-349\n\nVonnis van 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ONE SOLAR XV B.V.,\n\nstatutair gevestigd te Eindhoven,\n\neisende partij, verwerende partij tegen de tegenvordering,\n\nhierna te noemen: One Solar,\n\ngemachtigde: mr. G.D. Bosman,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] V.O.F., , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[gedaagde 2] B.V., 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[gedaagde 3] B.V.,\n\nallen gevestigd te [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\neisende partijen met een tegenvordering,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] bv en [gedaagde 3] ,\n\ngemachtigde: mr. L.H.H. Verhoeven.\n\n1. De zaak in het kort\n\nPartijen zijn in het tussenvonnis van 18 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om terug te komen op de eerdere beslissing dat wettelijke opslagen schade zijn voor One Solar. Naar aanleiding van de aktes van partijen komt de kantonrechter terug op die eerdere eindbeslissing. De kantonrechter benoemt een deskundige om de hoogte van de schade – die bestaat uit het kale leveringstarief van de verbruikte zonne-energie – vast te stellen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 maart 2026 en de daarin genoemde processtukken;\n\n- de akte na tussenvonnis van One Solar;\n\n- de akte na tussenvonnis van [gedaagden] met productie 15.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De verdere beoordeling\n\nTerugkomen op eerdere eindbeslissing\n\n3.1.. In het tussenvonnis van 18 maart 2026 heeft de kantonrechter onder 3.8 overwogen dat zij aanleiding ziet om het oordeel over de omvang van de schadevergoeding uit ongerechtvaardigde verrijking te heroverwegen. Dit omdat de verarming van One Solar bij het niet hoeven afdragen van wettelijke opslagen alleen lijkt te bestaan uit het kale tarief dat [gedaagden] aan [zonne-energiebedrijf] verschuldigd is. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten bij aktes.\n\n3.2.. One Solar stelt in haar akte dat het eerdere oordeel over de omvang van de schadevergoeding uit ongerechtvaardigde verrijking niet berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Het feit dat zij de wettelijke opslagen niet hoeft af te dragen, maakt volgens One Solar niet dat haar verarming lager\u002Fminder is. One Solar stelt dat zij met afnemers afspreekt dat die wettelijke opslagen aan haar betalen en dat dat haar verdienmodel is om investeringen in het zonnepanelensysteem terug te verdienen. One Solar stelt dat als de opslagen niet tot haar verarming horen het resultaat dan is dat [gedaagden] de elektriciteit verbruikt tegen een lager tarief dan zij verschuldigd zou zijn aan de eigen energiemaatschappij.\n\n3.3.. \n [gedaagden] voert bij akte aan dat er wel aanleiding is om het oordeel over de omvang van schadevergoeding uit ongerechtvaardigde verrijking te heroverwegen. [gedaagden] voert aan dat One Solar niet is verarmd door de wettelijke opslagen omdat zij die niet hoeft af te dragen en daarmee niet is verarmd. Als alle opgewekte zonne-energie aan het net wordt terug geleverd, zoals de bedoeling was, dan betaalt de energieleverancier voor de zonne-energie slechts een vergoeding gelijk aan het kale tarief. [gedaagden] legt als productie 15 een usb stick over waarop kale leveringstarieven van [zonne-energiebedrijf] zouden staan.\n\n3.4.. \n\nDe kantonrechter ziet aanleiding om terug te komen op de bindende eindbeslissing in 5.10 van het tussenvonnis van 2 juli 2025. In dat tussenvonnis is namelijk onjuist en onvoldoende meegewogen dat One Solar geen wettelijke opslagen dient af te dragen. Het kan zijn dat One Solar met afnemers afspreekt dat die de verbruikte zonne-energie aan haar afrekenen met betaling van de wettelijke opslagen en dat haar verdienmodel is. Maar zoals onder 5.4 van het tussenvonnis van 2 juli 2025 is overwogen, is een afspraak tot afname van zonne-energie niet gemaakt tussen partijen. De door One Solar beweerde winst die zij derft door niet betaalde opslagen aan haar, beschouwt de kantonrechter hier daarom niet als schade. Als verarming van One Solar en dus als schade van One Solar wordt enkel uitgegaan van het misgelopen kale tarief van verbruikte energie. De schadevergoeding die [gedaagden] verschuldigd is, gaat niet verder dan de voornoemde verarming. Dat is ook redelijk omdat zoals onder 5.10 van het tussenvonnis van 2 juli 2025 is overwogen feitelijk sprake is van een verrijking die haar is opgedrongen, maar het is onredelijk dat [gedaagden] daarvoor niets hoeft te betalen. De kantonrechter acht het redelijk dat [gedaagden] voor de verbruikte zonne-energie het door [zonne-energiebedrijf] op het moment van verbruik gehanteerde kale leveringstarief betaalt.\n\nDeskundigenbericht\n\n3.5.. Partijen hebben in hun aktes aangegeven dat zij zich kunnen vinden in de voorgestelde deskundige. Partijen hebben wel opmerkingen en aanvullingen over de vragen.\n\n3.6.. One Solar stelt voor om de deskundige een separate berekening te laten maken van de wettelijke opslagen. Daarvoor ziet de kantonrechter geen aanleiding omdat hiervoor is teruggekomen op de bindende eindbeslissing over de schade en opnieuw is beslist dat wettelijke opslagen geen schade zijn van One Solar.\n\n3.7.. \n\n [gedaagden] stelt voor om vraag 1 aan te vullen waardoor vraag 1 komt te luiden:\n\n“Kunt u de door [gedaagden] verbruikte zonne-energie over de jaren 2020, 2021 en 2022 berekenen op basis van het door [zonne-energiebedrijf]op het moment van verbruik gehanteerde leveringstarief,exclusief wettelijke opslagen? Wilt u bij de berekening zoveel mogelijk de overeenkomst en facturen van [zonne-energiebedrijf] ,de door haar gehanteerde prijzen, alsmede de meetgegevens uit [adviesbureau] betrekken? Wilt u de berekening motiveren?”\n\n3.8.. De kantonrechter zal deze toevoegingen overnemen omdat daarmee duidelijk wordt dat het gaat om het kale leveringstarief van [zonne-energiebedrijf] zoals die gold op het moment dat de zonne-energie is verbruikt. Voor wat betreft de tarieven van [zonne-energiebedrijf] destijds wordt de deskundige verzocht om die op te vragen bij [zonne-energiebedrijf] .\n\n3.9.. De kantonrechter zal een deskundigenbericht bevelen en de heer ing. [persoon] NIVRE-re van Sincere Invest BV als deskundige benoemen en de vragen voorleggen zoals in de beslissing is vermeld.\n\n3.10.. De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 4.729,89 (inclusief btw). Partijen hebben in hun aktes aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de begroting van het voorschot. De kantonrechter zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 4.729,89 (inclusief btw). In de vorige beslissing is al aangekondigd en toegelicht door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald.\n\n3.11.. De kantonrechter wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De kantonrechter zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de kantonrechter daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n3.12.. Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.\n\n3.13.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\nKunt u de door [gedaagden] verbruikte zonne-energie over de jaren 2020, 2021 en 2022 berekenen op basis van het door [zonne-energiebedrijf] op het moment van verbruik gehanteerde kale leveringstarief, exclusief wettelijke opslagen? Wilt u bij de berekening zoveel mogelijk de overeenkomst en facturen van [zonne-energiebedrijf] , de door haar gehanteerde prijzen, alsmede de meetgegevens uit [adviesbureau] betrekken? Wilt u de berekening motiveren?\n\nZijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de kantonrechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?4.2.. \n\nbenoemt tot deskundige:\n\nde heer ing. [persoon] NIVRE-re van Sincere Invest BV, Kalslagerring 4, 2151 TS Nieuw-Vennep.\n\n4.3.. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,\n\nhet voorschot\n\n4.4.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 4.729,89 (inclusief btw),\n\n4.5.. bepaalt dat One Solar het voorschot moet overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,\n\n4.6.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek\n\n4.7.. bepaalt dat One Solar het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,\n\n4.8.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen,\n\n4.9.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),\n\n- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en\u002Fof gedane verzoeken,\n\n4.10.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n4.11.. draagt de deskundige op om uiterlijk vier maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n4.12.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\n- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n4.13.. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\noverige bepalingen\n\n4.14.. bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van woensdag 28 oktober 2026,\n\n4.15.. draagt de griffier op om de zaak op een eerdere rol te plaatsen:\n\n- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken,\n\nof\n\n- na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van One Solar op een termijn van vier weken,\n\n4.16.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5042","2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.312Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":59,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":35,"updatedAt":62},"331","ECLI:NL:RBZWB:2026:5373","ecli-nl-rbzwb-2026-5373","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446280 \u002F KG ZA 26-145\n\nVonnis in kort geding van 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\ningeschreven te [woonplaats] ,\n\neiseres in conventie, gedaagde in reconventie,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde in conventie, eiser in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 18;\n\n- de brief met producties 19 tot en met 22 van mr. Albicher van 30 april 2026;\n\n- de brief met bijlagen 1 tot en met 7 van mr. Mattheussens van 1 mei 2026;\n\n- de brief van mr. Mattheussens van 4 mei 2026.\n\n1.2. De zaak is besproken op de zitting van 4 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen.\n\n1.3. Op de zitting heeft mr. Mattheussens een conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie overhandigd en voorgedragen. Ook mr. Albicher heeft spreekaantekeningen overhandigd en (gedeeltelijk) voorgedragen. Deze stukken maken onderdeel uit van het procesdossier.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Tussen partijen staat het volgende vast:\n\n- zij zijn op 9 mei 2025 een samenlevingsovereenkomst aangegaan. Daarin zijn zij, voor zover van belang, het volgende overeengekomen: “GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING\n\nArtikel 3\n\n (…) 2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de\n\n Kosten van de gemeenschappelijke huishouding.\n\n (…)\n\nArtikel 4\n\n (…)\n\n 3. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt ook de aflossing tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. (…)”.\n\n- zij zijn de eigenaar van de woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), waarvoor zij een hypotheek bij Florius hebben afgesloten.\n\n3. Het geschil\n\n3.1. \n\nDe vrouw vordert na een wijziging ter zitting – samengevat:\n\nI. de man te veroordelen om telkens uiterlijk de laatste werkdag van de maand, ingaande 31 maart 2026, aan Florius te betalen ter zake de hypotheektermijnen primair € 1.308,75 per maand, subsidiair € 654,38 per maand, nog meer subsidiair een bedrag door de voorzieningenrechter te bepalen, zolang partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn en de woning onverdeeld is;\n\nII. te bepalen dat de vrouw, met uitsluiting van de man, gerechtigd is tot het gebruik en de bewoning van de woning;\n\nIII. de man te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het vonnis de woning te verlaten en niet meer te betreden en deze met de inboedel volledig ter vrije beschikking van de vrouw te stellen, onder afgifte van de sleutels aan de vrouw;\n\nIV. de man te veroordelen om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,= voor iedere dag dat hij in gebreke is om aan de veroordelingen onder I, II en III te voldoen, tot een maximum van € 25.000,=;\n\nV. de man te veroordelen in de kosten van het geding.\n\n3.2. \n\nDe man vordert in reconventie – samengevat:\n\nI. te bepalen dat hij, met uitsluiting van de vrouw, gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen;\n\nII. de vrouw te verbieden om de woning te betreden en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen tot zich te nemen;\n\nIII. als de voorzieningenrechter het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw zal toekennen, de vrouw te veroordelen om telkens op de latste werkdag van de maand, met ingang van 31 mei 2026, aan Florius de hypotheektermijn van € 1.308,75 per maand te betalen, subsidiair € 654,38, meer subsidiair € 350,= per maand.\n\n3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nHet spoedeisend belang\n\n4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.2. De vrouw stelt een spoedeisend belang bij haar vorderingen te hebben. De man is met de vrouw van mening dat sprake is van een spoedeisend belang bij de over en weer gedane vorderingen.\n\n4.3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is duidelijk geworden dat partijen niet meer samen in de woning kunnen verblijven. De vrouw heeft de woning ook al verlaten. Zij verblijft afwisselend bij haar ouders die al op leeftijd zijn en bij vriendinnen, maar dat is volgens haar niet langer mogelijk. Ook de man stelt geen alternatieve woonruimte te hebben. Hieruit vloeit voor beide partijen een spoedeisend belang bij hun vorderingen voort. Ten behoeve van de beslissing wie van partijen voorlopig in de woning mag wonen, komt het voor de voorzieningenrechter aan op een belangenafweging.\n\nVorderingen II en III in conventie en vorderingen I en II in reconventie - het uitsluitend gebruik van de woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen\n\n4.4. De vorderingen onder II en III in conventie en de vorderingen I en II in reconventie lenen zich, gelet op de nauwe samenhang, voor een gezamenlijke behandeling. De vorderingen van beide partijen strekken ertoe de woning voorlopig bij uitsluiting van de ander te mogen bewonen. Zij stellen beiden een groter belang te hebben bij het gebruik van de woning dan de ander.\n\n4.5. Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt de vrouw dat de onderlinge verstandhouding ernstig is verstoord, zodat partijen niet meer samen in de woning kunnen verblijven. De vrouw heeft aangifte tegen de man gedaan van mishandeling en doodsbedreiging. Er loopt daarom een politieonderzoek. De man heeft de sloten vervangen, zodat de vrouw geen toegang meer tot de woning heeft, terwijl de woning op beider naam staat en de vrouw nog steeds vaste lasten betaalt. De man heeft de vrouw laten weten dat zij niet meer welkom is in de woning. Bij de vrouw is echter sprake van psychische kwetsbaarheid, omdat zij PTSS klachten heeft als gevolg van een ernstig auto-ongeluk waarbij zij een vriendin is verloren. De huidige situatie en spanningen zorgen voor een verergering van haar klachten. Voor haar is rust en stabiliteit noodzakelijk, dat alleen kan ontstaan als zij het exclusief gebruik van de woning heeft.\n\n4.6. De man voert aan dat hij recht en belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning. De man is voornemens en in staat om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Bovendien drijft de man een onderneming, waarvan zijn gereedschap en bedrijfsmiddelen in de woning zijn opgeslagen. Ook zijn zoon uit een eerder huwelijk, genaamd [persoon] , woont inmiddels bij hem in [plaats] , ten gevolge van een conflict tussen de zoon en de moeder. Als de man de woning moet verlaten, zal ook [persoon] geen verblijfplaats meer hebben. Daar komt bij dat de man een omgangsregeling heeft met zijn andere zoon. Als de man niet meer in de woning kan verblijven, zal deze omgang ook onmogelijk zijn. Ten slotte kan de man geen deugdelijke vervangende woonruimte verkrijgen, waarbij hij zijn kinderen huisvesting kan bieden én zijn bedrijf vanuit huis kan blijven uitoefenen. Dat zou bovendien betekenen dat hij dubbele financiële lasten heeft. De vrouw beschikt echter wel over vervangende huisvesting en hoewel zij stelt behoefte te hebben aan rust en stabiliteit, is dat niet onderbouwd met recente (medische) stukken.\n\n4.7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Artikel 3:168 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de deelgenoten het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst kunnen regelen. Op grond van artikel 3:168 lid 2 BW kan de rechter, voor zover een overeenkomst ontbreekt, op verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling treffen. Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Een dergelijke regeling kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in kort geding worden getroffen, mits aan de voorwaarden voor het treffen van een voorlopige maatregel, zoals het aanwezig zijn van een spoedeisend belang, is voldaan.\n\n4.8. Zoals hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw haar gezondheidssituatie niet met actuele stukken heeft onderbouwd. Hoewel zij aangeeft dat het lastig is om bij haar ouders en vriendinnen te verblijven, is dit kennelijk wel een mogelijke optie. Daarbij is niet gebleken dat de vrouw daar niet langer kan verblijven. De man heeft aangegeven niet bij familie terecht te kunnen, omdat die ver weg woont. Dat is door de vrouw ook niet betwist. Daarbij neemt de voorzieningenrechter ook in overweging dat de man in de woning zijn twee kinderen ontvangt. Bij een verhuizing op zeer korte termijn zal het moeilijker worden om deze kinderen te blijven ontvangen. Bovendien drijft de man een eigen onderneming, waarvan spullen in de woning van partijen staan. De vrouw heeft in dat kader aangeboden dat de man spullen kan komen ophalen als zij in de woning verblijft, maar zij verbindt daaraan de voorwaarde dat er een derde bij aanwezig moet zijn. Dit acht de voorzieningenrechter niet wenselijk. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat partijen ter zitting hebben aangegeven dat de situatie op dit moment rustig is. De man heeft zijn excuses aangeboden voor het incident in maart 2026 en er wordt niet veel meer tussen partijen gecommuniceerd. Gelet op al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de man bij het uitsluitend gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De reconventionele vorderingen van de man onder I en II worden gelet hierop toegewezen, onder afwijzing van de conventionele vorderingen van de vrouw onder II en III. De voorzieningenrechter benadrukt dat hiermee geen oordeel wordt gegeven over toedeling van de woning aan één van partijen in de toekomst.\n\nVordering I in conventie - hypotheekbetalingen aan Florius\n\n4.9. De voorwaarde voor de vordering van de man onder III, namelijk dat het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw zal worden toegekend, is niet ingetreden. Deze vordering van de man behoeft dan ook geen bespreking.\n\n4.10. Ter onderbouwing van haar vordering met betrekking tot de door de man te betalen hypotheekbetalingen aan Florius van € 1.308,75 per maand stelt de vrouw het volgende. Ter uitvoering van de afspraak tussen partijen (verwoord in artikel 3 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst) betaalde de man deze rente en aflossing aan Florius en de vrouw de boodschappen, gas, elektriciteit, internet, verzekeringen voor de woning en Brabant Water. Daarmee droeg de vrouw al meer dan naar evenredigheid bij in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. De man dient daarom de hypotheektermijnen volledig voor zijn rekening te nemen. Afgelopen maanden heeft de man meermaals nagelaten om deze betalingen te verrichten, ondanks sommatie door de vrouw. Florius heeft daarom inmiddels maatregelen getroffen en een incassobureau ingeschakeld.\n\n4.11. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij de hypotheeklasten zal voldoen, als zijn vordering met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning wordt toegewezen. De voorzieningenrechter acht het bovendien redelijk dat de man de hypotheeklasten zal voldoen, nu hij het gebruik van de woning heeft en deze lasten in het verleden ook heeft betaald. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw met betrekking tot de hypotheeklasten toewijzen. Daarbij wordt een termijn van tien dagen na betekening van het vonnis opgenomen in het kader van de huidige achterstand in hypotheekbetalingen.\n\nVordering V in conventie – dwangsom\n\n4.12. Nu de vorderingen van de vrouw onder II en III (met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning) worden afgewezen, ziet de door de vrouw gevorderde dwangsom alleen nog op de vordering onder I.\n\n4.13. \n\nDe vrouw vordert de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,= voor iedere dag dat hij in gebreke is om de hypotheekbetalingen te voldoen, tot een maximum van € 25.000,=. De man zal niet vrijwillig tot betalingen aan Florius overgaan, zoals blijkt uit zijn WhatsApp bericht van 26 februari 2026.\n\nTen aanzien van het verweer van de man (dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een dwangsom rechtvaardigen) voert de vrouw nog aan dat het een betaling van een geldsom aan een derde betreft, zodat de door de man genoemde bijzondere omstandigheden niet vereist zijn.\n\n4.14. De man voert hiertegen verweer. Bij een vordering tot betaling van een geldsom wordt in beginsel geen dwangsom toegewezen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een dwangsom rechtvaardigen. Die bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Daar komt bij dat de man het aandeel van de vrouw in de woning wenst over te nemen, zodat hij er belang bij heeft dat de hypotheek tijdig wordt voldaan.\n\n4.15. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de Tekst & Commentaar bij artikel 611a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat dit wetsartikel er niet aan in de weg staat dat dwangsommen kunnen worden verbonden aan de veroordeling tot betaling van een geldsom aan een derde. In casu betreft het de betaling van de hypotheek aan een derde, namelijk Florius. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de man er baat bij heeft dat de hypotheek tijdig wordt voldaan, gelet op zijn wens om de woning over te nemen. Zijn toezegging dat hij de hypotheek zal blijven voldoen, acht de voorzieningenrechter echter onvoldoende. Uit het recente verleden is namelijk gebleken dat de man de hypotheek meermaals niet (tijdig) heeft voldaan. Gelet op de consequenties daarvan voor de vrouw, zal de voorzieningenrechter de vordering tot een dwangsom toewijzen zoals door haar is gevorderd.\n\nVordering VI in conventie - proceskosten\n\n4.16. De vrouw vordert de man te veroordelen in de proceskosten. Volgens de vrouw dient de man als de in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure.\n\n4.17. De man voert hiertegen verweer en is van mening dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen, omdat het een familierechtelijk geschil betreft. Er is geen sprake van misbruik van recht.\n\n4.18. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten gelet op de relatie tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1. veroordeelt de man om binnen tien dagen na betekening van het vonnis en telkens uiterlijk de laatste werkdag van de maand, ingaande 31 maart 2026, aan Florius te betalen ter zake de hypotheektermijnen van € 1.308,75 per maand, zolang partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn en de woning onverdeeld is;\n\n5.2. veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,= voor iedere dag dat hij in gebreke is om aan de veroordeling sub 5.1. te voldoen, tot een maximum van € 25.000,=;\n\n5.3. bepaalt dat de man, met uitsluiting van de vrouw, gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan de aan [adres] te [woonplaats] en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen;\n\n5.4. verbiedt de vrouw om de woning genoemd onder sub 5.3. te betreden en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen tot zich te nemen;\n\n5.5. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.6. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5373","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.762Z",20]