[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-environmental-permit-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},93,"environmental-permit-nl","Environmental Permit","NL","2026-07-08T16:55:59.522Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2023-08-31T00:00:00.000Z","2023-10-03T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"670","ECLI:NL:RBZWB:2023:6790","ecli-nl-rbzwb-2023-6790","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F3681 en 22\u002F5416 WABOA\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2023 in de zaken tussen\n \n [naam verzoeker 1] , [naam verzoeker 2] en [naam verzoeker 3] , uit [woonplaats] , verzoekers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, het college.\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel:\n\n [naam vergunninghouder]uit [woonplaats] (vergunninghouder)\n\n(gemachtigde: mr. C.A.F. Haans).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de woning op het perceel [straatnaam] 4b in [woonplaats] en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.\n\n1.1.. Het college heeft deze omgevingsvergunning met het primaire besluit van 7 juni 2022 verleend.\n\n1.2.. Bij het bestreden besluit van 25 oktober 2022 heeft het college de bezwaren van verzoekers hiertegen ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning onder verbetering van de motivering gehandhaafd.\n\n1.3.. Verzoekers hebben hiertegen op 16 november 2022 beroep ingesteld. Op 12 juli 2023 hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 19 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker [naam verzoeker 1] , namens het college [naam vertegenwoordiger] en namens vergunninghouder zijn gemachtigde en zijn partner [naam partner] .\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nOordeel van de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers een spoedeisend belang bij hun verzoek om voorlopige voorziening. Ter zitting is namens vergunninghouder bevestigd dat de werkzaamheden zijn begonnen.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter verder is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak en doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet bouwplan\n\n3. Het bouwplan van vergunninghouder bestaat uit het verwijderen van de kapconstructie (zadeldak) van de vrijstaande woning en het realiseren van een verdieping met een plat dak. Verder wordt de bestaande schuur op het voorerf verwijderd en in plaats daarvan wordt een garage\u002Fberging gebouwd aan de linker voorzijde van de woning. Aan de achterkant wordt de bestaande serre afgebroken en vervangen door een iets grotere aanbouw.\n\nHet bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’\n\n3. Het perceel ligt in het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ en heeft daarin deels de bestemming ‘Wonen’ en deels de bestemming ‘Tuin’.\n\nHet college heeft vastgesteld dat het bouwplan van vergunninghouder op twee punten in strijd is met het bestemmingsplan:\n\nhet platte dak van de nieuwe verdieping heeft een (goot)hoogte van circa 6,1 meter, terwijl hoofdgebouwen een goothoogte mogen hebben van maximaal 4 meter; en\n\nde aanbouw aan de voorzijde van de woning bevindt zich op gronden met de bestemming ‘Tuin’, terwijl op deze gronden slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd mogen worden.\n\nAfwijken van het bestemmingsplan\n\n4. Het college heeft op deze twee punten omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n4.1.. Verzoekers voeren aan dat de aanbouw aan de voorzijde niet gebaseerd kan worden op artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor, omdat het bebouwde oppervlakte en het bouwvolume worden vergroot. Zij hebben ook geen andere grondslag kunnen vinden op grond waarvan de aanbouw aan de voorzijde vergund zou kunnen worden. Verzoekers stellen dat zij ook geen grondslag hebben kunnen vinden voor de overschrijding van de goothoogte. Het gaat volgens hen dus om cumulatieve (aanbouw aan de voorzijde én goothoogte) strijdigheid met het bestemmingsplan waarvoor geen grondslag is.\n\n4.2.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.\n\nIn artikel 4 van bijlage II bij het Bor heeft de wetgever categorieën van gevallen aangewezen waarin een omgevingsvergunning in afwijking van een bestemmingsplan kan worden verleend. Met het eerste lid is dat mogelijk gemaakt voor een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan. Onder bijbehorend bouwwerk wordt hierbij ook verstaan: een uitbreiding van het hoofdgebouw. Met het negende lid is dat mogelijk gemaakt voor het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten.\n\nVolgens vaste rechtspraakvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, mogen artikel 4, eerste en negende lid, van het Bor met elkaar gecombineerd worden. De uitbreiding van het hoofdgebouw is een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid. De bebouwde oppervlakte of het bouwvolume mag op grond van het negende lid niet worden vergroot, maar daar ziet nu juist de afwijking met het eerste lid op. En deze maakt ook de goothoogte van 6,1 meter mogelijk.\n\nDit betekent dat het college bevoegd is om op deze grondslag omgevingsvergunning te verlenen voor de afwijkingen van het bestemmingsplan.\n\nGoede ruimtelijke ordening\n\n5. Als een aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan kan de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.\n\n5.1.. \n\nBij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, komt het college beleidsruimte toe en moet het de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.\n\nDe bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.5.2.. In het primaire besluit heeft het college overwogen dat het afwijken geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, en dat het geen onevenredige afbreuk doet aan het straat en bebouwingsbeeld. Het college is daarom van mening dat realisatie van het bouwplan ruimtelijk gezien aanvaardbaar is.\n\n5.3.. In bezwaar hebben verzoekers gewezen op artikel 2.2 van de ‘Beleidsregels afwijken van het bestemmingsplan’ van het college van 17 mei 2011 (hierna: de beleidsregels). Daarin staat:\n\n“2.2. Bijbehorend bouwwerk voor de voorgevel van de woning binnen de bebouwde kom\n\nIn de regel wordt medewerking verleend aan bouwplannen die gerealiseerd worden voor de voorgevelrooilijn zoals aangeduid in het vigerende bestemmingsplan, mits de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer bedraagt dan 6 m² en de goot (-of boeibord)hoogte niet meer dan 3 meter bedraagt. Afwijking van de regels van het bestemmingsplan mag niet tot gevolg hebben dat het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid onevenredig worden aangetast.”\n\nAan deze bepaling van de beleidsregels wordt niet voldaan, omdat de aanbouw aan de voorzijde meer bedraagt dan 6 m².\n\n5.4.. Op advies van de bezwaarschriftencommissie heeft het college de ruimtelijke motivering in het bestreden besluit aangevuld. Het college stelt dat op grond van artikel 12 van de beleidsregels gemotiveerd afwijken in bijzondere gevallen mogelijk is, indien toepassing ervan in een specifieke situatie onredelijk zou zijn. In dit geval wordt het bouwplan uitgevoerd op een groot perceel, ligt de betreffende woning ver naar achteren en wordt een voor de woning gelegen bijgebouw (de schuur van circa 70 m2) verwijderd. Dit maakt dat deze uitbreiding van het hoofdgebouw voor de voorgevelrooilijn in deze specifieke situatie aanvaardbaar wordt geacht. De hoofdmassa van de woning blijft op dezelfde plek. De grotere duurzame moderne woning past bij de moderne bebouwing van [naam bestemmingsplan] bedrijventerrein en de dierenartsenpraktijk.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter kan het college in deze motivering volgen. Daar staan tegenover de belangen van verzoekers. Ter zitting is komen vast te staan dat verzoekers [naam verzoeker 2] ( [straatnaam] 8) en [naam verzoeker 3] ( [straatnaam] 6) geen zicht hebben op de woning van vergunninghouder, omdat tussen [straatnaam] 4b en hun percelen een loods staat, die hen het zicht op het bouwplan ontneemt. Ter zitting is aangegeven dat zij vrezen voor een waardedaling van hun woning als gevolg van het bouwplan van vergunninghouder, maar de voorzieningenrechter ziet niet in waarom de waarde van hun woningen zou dalen als het uitzicht ongewijzigd is. Verzoeker [naam verzoeker 1] ( [straatnaam] 4) heeft wel direct zicht op het bouwplan. Voor wat betreft zijn belang moet echter worden vastgesteld dat de aanbouw aan de voorkant van de woning [straatnaam] 4b op een grotere afstand van de perceelsgrens met zijn perceel komt dan de oude schuur, dat deze wordt uitgevoerd met een houten wand en dat er een groene haag zal worden teruggeplaatst. Gelet daarop kan niet worden staande gehouden dat verzoeker [naam verzoeker 1] onevenredig in zijn belangen wordt geschaad omdat het college medewerking wil verlenen aan het bouwplan van vergunninghouder.\n\nAdvies WARK\n\n6. Verzoekers voeren aan dat zij pas op de hoorzitting van 8 september 2022 op de hoogte werden gebracht van het advies van het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (het WARK) van 12 augustus 2021. Zij vinden dat dit advies niet ten grondslag kan worden gelegd aan de pas op 13 april 2022 aangevraagde en op 7 juni 2022 verleende omgevingsvergunning. Dit advies had op grond van artikel 9.8, tweede lid, van de Bouwverordening van de gemeente Middelburg bij de aanvraag om omgevingsvergunning moeten worden gevoegd. Volgens verzoekers heeft het WARK zijn bevoegdheid overschreden door zich niet te beperken tot het geven van algemene informatie in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 7 van de ‘Verordening regelende de samenstelling, werkwijze en bevoegdheden van het WARK’. Bovendien staat in het advies ten onrechte dat ervan uitgegaan wordt dat het bestaande groen zo goed als volledig intact blijft. Daarvan is, gelet op de uitbreiding van het bebouwde oppervlak, geen sprake.\n\n6.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat het zich wel mocht baseren op het advies van het WARK van 12 augustus 2021. Door het WARK worden bouwplannen beoordeeld op basis van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Middelburg van 2016. Deze nota is niet veranderd en ook het bouwplan is ongewijzigd, waardoor niet wordt ingezien dat het advies gedateerd zou zijn. Het WARK zou met andere woorden het ongewijzigde bouwplan nu dan ook niet anders beoordelen.\n\n6.2.. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.\n\n6.3.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich op het advies van het WARK mocht baseren. Nu de nota en het bouwplan niet gewijzigd zijn ten opzichte van de beoordeling op 12 augustus 2021, is er onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit advies nu niet meer zou gelden. Verzoekers hebben geen tegenrapport ingediend van een ander deskundig te achten persoon of instantie. Dat verzoekers het bouwplan te ingrijpend en niet mooi vinden, is een subjectief standpunt dat onvoldoende is om aan het advies van het WARK te twijfelen. Het WARK vindt het bouwplan van vergunninghouder een aanzienlijke verbetering van de bestaande beeldkwaliteit. Zij gaan ervan uit, en dringen erop aan, dat het bestaande groen zo goed als volledig intact blijft, maar stellen dit niet als vereiste voor haar goedkeuring.\n\nOverleg\n\n7. Verzoekers geven aan dat zij betreuren dat er voor de aanvraag om een omgevingsvergunning geen overleg heeft plaatsgevonden tussen hen en vergunninghouder en\u002Fof de gemeente. Zij werden pas geconfronteerd met de plannen door de officiële publicatie van de omgevingsvergunning op 15 juni 2022, terwijl het WARK kennelijk al op 12 augustus 2021 op de hoogte was van de plannen.\n\n7.1.. Het college stelt dat het uiteraard raadzaam is dat omwonenden rechtsreeks door de initiatiefnemer over bouwplannen (vooraf) geïnformeerd worden. Dit is echter geen wettelijke verplichting. De gemeente publiceert bouwaanvragen. Dit geeft voor omwonenden de gelegenheid om hierover contact op te nemen met de initiatiefnemer.\n\n7.2.. De voorzieningenrechter overweegt op dit punt dat de huidige regelgeving voor het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van een bestemmingsplan, als hier aan de orde, geen verplichting tot participatie of het verkrijgen van voldoende draagvlak bevat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Nu de beroepsgronden niet slagen, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.\n\n8.1. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 3 oktober 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Met toepassing van artikel 8:86 van de Awb.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:819.\n\n ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3465.\n\n ABRvS 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2635.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:6790","2023-10-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.314Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1319","ECLI:NL:RBZWB:2023:6276","ecli-nl-rbzwb-2023-6276","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 23\u002F1919 WABO\n\nuitspraak van 31 augustus 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] en [eiseres] , te [plaats] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 6 februari 2023, verzonden 23 februari 2023 (bestreden besluit) inzake de aan [vergunninghouder] verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakopbouw op de bestaande garage met carport op het perceel [adres 1] te [plaats] .\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 19 juni 2023. [eiser] is in persoon verschenen. [eiseres] is niet verschenen.\n\nHet college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Gielen en [naam] . [vergunninghouder] heeft zich niet als derde belanghebbende aangemeld.\n\nDe rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.\n\nOverwegingen\n\n1. Op 12 april 2022 heeft [vergunninghouder] omgevingsvergunning gevraagd voor het realiseren van een dakopbouw op de bestaande garage met carport op het perceel [adres 1] te [plaats] .\n\nOp 18 mei 2022 heeft de gemeentelijke Welstandscommissie geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.\n\nOp een daartoe strekkend verzoek van het college heeft vergunninghouder een verslag van de omgevingsdialoog overgelegd. Deze dialoog was nodig omdat de dakopbouw een goothoogte heeft van 5,50 meter, die daarmee 2,50 meter hoger is dan op grond van het bestemmingsplan is toegelaten.\n\nBij het primaire besluit van 16 juni 2022 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Het college heeft omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen “het bouwen van een bouwwerk” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en voor de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Ten behoeve van deze laatste activiteit heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, eerste lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) voor een goothoogte van 5,50 meter.\n\nTegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend. Zij wonen op het perceel [adres 2] en hun achtertuin grenst aan de achtertuin van [adres 1] . Door de dakopbouw hebben zij minder zicht op de bomen die achter de dakopbouw staan.\n\nBij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.\n\n2. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat zij zich niet kunnen vinden in het positieve welstandsadvies. Naar hun mening is de Welstandscommissie onvoldoende duidelijk over de gebruikte welstandscriteria en is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden en de impact van het bouwplan op hun woon- en leefklimaat. Het college heeft het advies overgenomen zonder motivering. Dit is in strijd met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Voorts hebben eisers er op gewezen dat vergunninghouder de omgevingsdialoog niet op de juiste manier heeft uitgevoerd. Zij zijn namelijk niet betrokken in die dialoog en daarom is hun belang niet meegenomen in de besluitvorming. Daarnaast hebben eisers, met een beroep op Europeesrechtelijke verdragsbepalingen, betoogd dat hun uitzicht onrechtmatig beperkt wordt door de dakopbouw en dat daardoor de waarde van hun woning vermoedelijk zal dalen. In dit verband hebben zij zich op het standpunt gesteld dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve bouwmogelijkheden die minder nadelig zijn voor hun woon- en leefklimaat. Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat zij vermoeden dat niet alle bijlagen in de bezwaarfase ter inzage hebben gelegen.\n\n3.1. Volgens eisers kregen zij de stukken in de bezwaarfase te laat aangeleverd. Ter zitting heeft het college aangegeven dat in de bezwaarfase, met het oog op de hoorzitting, alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen en dat eisers daarvan op de hoogte zijn gesteld. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij niet in zijn belangen is geschaad door de late toezending van de stukken. Voorts is ter zitting vastgesteld dat eisers in beroep over dezelfde stukken beschikken als de rechtbank.\n\nDit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de grief van eisers dat zij vermoeden dat niet alle bijlagen in de bezwaarfase ter inzage hebben gelegen en dat zij stukken te laat kregen aangeleverd, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.\n\n3.2. Blijkens het advies van de Bezwaarschriftencommissie heeft het college op 31 januari 2017 een beleidsregel vastgesteld met de strekking dat ter onderbouwing van een aanvraag waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan een verslag van een omgevingsdialoog wordt overgelegd. De bedoeling daarvan is om voor het bouwplan een breder draagvlak in de buurt te krijgen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat vergunninghouder het bouwplan alleen heeft voorgelegd aan de bewoners van de Glennstraat die zicht kunnen hebben op de dakopbouw. Hij heeft verzuimd om ook eisers als achterburen te consulteren. Volgens eisers is hen nu de mogelijkheid onthouden om aanpassing van het bouwplan te bewerkstelligen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers door dit verzuim niet in hun belangen geschaad omdat zij daarna in bezwaar en nu in beroep bij de rechtbank alsnog hun visie op (de omvang van) het bouwplan kunnen geven.\n\nDe rechtbank oordeelt dat deze grief van eisers niet kan slagen.\n\n3.3. De gemeentelijke Welstandscommissie heeft getoetst aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit [plaats] (hierna: de Nota). Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eisers heeft de Welstandscommissie in een notitie van 5 oktober 2022 nog eens expliciet uitgelegd op welke wijze zij tot het positieve welstandsadvies is gekomen. Aangegeven is aan welke criteria getoetst is en in welk hoofdstuk en op welke bladzijde van de Nota dit terug te vinden is. Eisers zijn het niet eens met de desbetreffende regels van de Nota en met het welstandsoordeel, maar nu de Welstandscommissie het bouwplan op de juiste wijze heeft getoetst aan de Nota kan de andersluidende visie van eisers niet tot de conclusie leiden dat het bouwplan negatief beoordeeld had moeten worden. Deze grief van eisers kan evenmin slagen. Verder mocht het college het advies van de Welstandscommissie overnemen. Dit is niet in strijd met de door eisers aangevoerde beginselen. Zoals hiervoor is vermeld, is het advies nader toegelicht. Daarnaast hebben eiseres zelf geen advies van een andere deskundige overgelegd of nadere aanknopingspunten aangevoerd, waardoor er twijfel zou kunnen bestaan over de deskundigheid van de Welstandscommissie of het overnemen van het advies.\n\n4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Woongebieden en bedrijventerreinen, [plaats] ” rust op het perceel [adres 1] de bestemming “Wonen” met de aanduiding “specifieke bouwaanduiding 1” en maatvoering “maximum bouwhoogte: 9 m; maximum goothoogte: 6 m”.\n\n4.1. \n\nHet bouwplan is voor een deel geprojecteerd op gronden met de aanduiding “specifieke bouwaanduiding 1” en voor een deel op gronden zonder deze aanduiding. Op dit deel mogen ingevolge artikel 13.2.1 van de planregels aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd met een bouwhoogte van 5,5 m en een goothoogte van 3 m.\n\nHet bouwplan heeft deels schuine dakvlakken en voor het overige een plat dakvlak op de bouwhoogte, waardoor ook de goothoogte op 5,5 m komt. Voor het deel van het platte dak dat buiten de aanduiding “specifieke bouwaanduiding 1” is geprojecteerd is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan omdat daar een maximale goothoogte van 3 m geldt.\n\n4.2. Deze afwijking van het bestemmingsplan heeft het college vergund met toepassing van de zogeheten kruimelregeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor.\n\n4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid toepassing kunnen geven aan deze afwijkingsmogelijkheid. De “specifieke bouwaanduiding 1” op de plankaart heeft een uitstulping die grenst aan de [straatnaam] . Daardoor is het op grond van het bestemmingsplan zonder meer toegestaan om op die uitstulping de woning [adres 1] uit te breiden met een bouwhoogte van 9 m. Dat betekent dat eisers geconfronteerd hadden kunnen worden met een dakopbouw met een bouwhoogte van 9 m, waardoor hun zicht op de bomen nog veel verder beperkt had kunnen worden zonder dat het college een belangenafweging had moeten maken. Die maximale bouwmogelijkheid op grond van het bestemmingsplan maakt dat het college doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van vergunninghouder bij realisatie van het bouwplan boven het belang van eisers bij het niet beperken van hun uitzicht op de bomen achter de dakopbouw. Daarbij wijst de rechtbank op onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:708, waarin is geoordeeld dat - anders dan eisers stellen - er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. De woning van eisers is gelegen in een stedelijke omgeving zodat enig verlies van uitzicht door het bouwplan niet volledig is uit te sluiten. Het zoeken naar een alternatieve dakopbouw is dan ook niet zinvol en in een dergelijke situatie is het college gehouden om te beslissen op de aanvraag zoals die door vergunninghouder is ingediend. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eventuele waardevermindering geen doorslaggevend gewicht in de schaal kon leggen.\n\n4.4. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eisers, voor zover gericht tegen de afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een hogere goothoogte, ongegrond verklaard dient te worden.\n\n5.1. Omdat de beroepsgronden van eisers mede gericht zijn tegen de bouwhoogte van het bouwplan, kan de rechtbank er niet omheen dat omgevingsvergunning is gevraagd en verleend voor het realiseren van een dakopbouw op de bestaande garage met carport terwijl de carport niet bestaand is. Ter zitting heeft het college erkend dat de carport vergund is door de onjuiste vermelding in de aanvraag en de onjuiste bouwtekeningen waarop de carport al is ingetekend in de bestaande situatie, waarop in de nieuwe situatie de dakopbouw wordt geplaatst.\n\n5.2. Omdat het college de carport vergund heeft zonder dat dit bouwwerk is aangevraagd zal de rechtbank het beroep van eisers op dit punt gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de activiteit “bouwen”. Omdat vergunninghouder zijn bouwaanvraag moet corrigeren en de bouwtekeningen zodanig moet aanpassen dat ook omgevingsvergunning gevraagd wordt voor de carport, zal de rechtbank ook het bezwaar van eisers gegrond verklaren voor zover dit gericht was tegen de bouwhoogte en het primaire besluit herroepen voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit “bouwen”.\n\n5.3. Dit betekent dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft en dat de omgevingsvergunning van 16 juni 2022 in stand blijft voor zover deze betrekking heeft op de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan”. Voorts betekent deze uitspraak dat als vergunninghouder zijn bouwaanvraag zodanig aanpast dat ook omgevingsvergunning gevraagd wordt voor het bouwen van de carport, hiervoor geen afwijking van het bestemmingsplan meer vereist is. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo staat niet aan splitsing van de beide activiteiten in de weg.\n\n5.4. Vanwege de gedeeltelijke gegrond verklaring zal de rechtbank het college opdragen het betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de bouwhoogte van de dakopbouw en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;\n\nverklaart de bezwaren van eisers gegrond voor zover gericht tegen de bouwhoogte en herroept het primaire besluit voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit “bouwen”;\n\nverklaart het beroep van eiseres voor het overige ongegrond;\n\ndraagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,-- aan eisers te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 31 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.\n\nP.H.M. Verdonschot, griffier A.G.J.M. de Weert, rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:6276","2023-09-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.798Z",1,20]