[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-maintenance-obligations-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":30,"total":16,"page":25,"limit":81},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},126,"maintenance-obligations-nl","Maintenance Obligations","NL","2026-07-08T16:57:28.104Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2026-02-04T00:00:00.000Z","2026-05-21T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122184","Wet op de studiefinanciering","",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122232","Burgerlijk Wetboek","art. 3:185 lid 1",[31,41,48,55,64,73],{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"558","ECLI:NL:RBZWB:2026:5442","ecli-nl-rbzwb-2026-5442","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F438990 \u002F FA RK 25-4297\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende levensonderhoud\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,\n\nen\n\n [jongmeerderarige 1],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de jongmeerderjarige ( [jongmeerderarige 1] ),\n\nadvocaat mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. J. Verdonk te Heerenveen.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 20 augustus 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- de brief met bijlage van 10 september 2025 van mr. Molkenboer;\n\n- het op 21 oktober 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;\n\n- de brief met bijlagen van 13 april 2026 van mr. Molkenboer;\n\n- de brief, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met bijlagen van 13 april 2026 van mr. Verdonk.\n\n1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 23 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:\n\nde vrouw en de jongmeerderjarige, bijgestaan door hun advocaat;\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- de vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest van 23 mei 2008 tot 6 oktober 2010;\n\n- uit dit huwelijk zijn volgende nu jongmeerderjarige kinderen geboren:\n\n1. [jongmeerderarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006 (hierna [jongmeerderarige 2] );\n\n2. [jongmeerderarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2008;\n\n- bij beschikking van deze rechtbank van 28 juni 2010 is, voor zover van belang, de echtscheiding tussen de vrouw en de man uitgesproken en bepaald dat de man met ingang van 1 mei 2010 tot 1 juni 2010 een bedrag van € 175,= per kind per maand als kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen en met ingang van 1 juni 2010 een bedrag van € 350,= per kind per maand. Ook is bepaald dat de overige regelingen uit het ouderschapsplan (waarvan een exemplaar aan de beschikking is gehecht) als overgenomen en herhaald dienen te worden beschouwd.\n\n- in dit ouderschapsplan zijn de vrouw en de man de hiervoor genoemde bedragen overeengekomen. Ook zijn zij het volgende overeengekomen ten aanzien van de alimentatie voor een jongmeerderjarige: “7.3 Alimentatie Jongmeerderjarige\n\n Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt, betaalt de vader de in artikel 7.1 genoemde alimentatie aan het kind zelf ex artikel 1:395a BW op een door het kind aan te wijzen bankrekening, tenzij het kind op dat moment nog bij de moeder woont. In dat geval wordt door de ouders en het kind in onderling overleg bepaald op welke wijze wordt betaald, zolang die situatie voortduurt.\n\n De wettelijke indexeringsregeling blijft van toepassing totdat het kind de 21-jarige leeftijd heeft bereikt”.\n\n- bij beschikking van deze rechtbank van 8 september 2014 is de zaak naar team familie verwezen om verder te worden afgedaan. Bij beschikking van 10 februari 2016 is, voor zover van belang, de beschikking van 28 juni 2010 gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bedrag van € 273,50 per kind per maand als kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.\n\n- op grond van laatstgenoemde beschikking dient de man nu -inclusief de wettelijke indexering- afgerond € 380,= per kind per maand te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vrouw verzocht aanvankelijk de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderarige 1] met ingang van 1 maart 2025 nader vast te stellen op € 711,= per maand. Dit verzoek heeft zij ter zitting ingetrokken.\n\n3.2. De jongmeerderjarige verzoekt nu de door de man te betalen bijdrage voor haar kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 mei 2026 nader vast te stellen op € 1.400,= per maand.\n\n3.3. De man verzoekt nu zelfstandig de bijdrage voor de jongmeerderjarige met ingang van 1 mei 2026 te wijzigen en nader te bepalen op nihil.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Nu de vrouw haar verzoek heeft ingetrokken, zullen de gronden van dat verzoek niet meer worden onderzocht, om welke reden het verzoek zal worden afgewezen. De rechtbank zal hieronder het verzoek van de jongmeerderjarige en het zelfstandige verzoek van de man beoordelen.\n\n4.2. Op grond van het bepaalde in artikel 1:401, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), is een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud voor wijziging vatbaar wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.\n\n4.3. Partijen zijn het erover eens dat sinds 1 mei 2026 sprake is van een wijziging van omstandigheden. In dit verband staat vast dat [jongmeerderarige 1] inmiddels jongmeerderjarig is en inkomen uit dienstverband heeft gegenereerd. Aldus heeft zich een wijziging van omstandigheden voorgedaan die een onderzoek naar de behoefte van de jongmeerderjarige aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt. Daarna zal blijken of deze wijziging als rechtens relevant is aan te merken.\n\n4.4. \n\nBij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële\n\ndraagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn\n\nneergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.\n\nIngangsdatum\n\n4.5. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de door de man ten behoeve van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 mei 2026 gewijzigd dient te worden. Nu partijen het daarover eens zijn, zal de rechtbank als ingangsdatum voor de eventueel gewijzigde alimentatieverplichting 1 mei 2026 bepalen.\n\nBehoefte van de jongmeerderjarige\n\n4.6. De jongmeerderjarige stelt dat zij een behoefte heeft van € 1.519,35 per maand, op basis van haar maandelijkse kosten. Zij volgt nu een opleiding aan de VAVO en zal in mei 2026 eindexamen doen. Daarnaast werkt zij bij [organisatie] op basis van een nul-urencontract. Met ingang van 1 augustus 2026 zal ze bij [middelbare school] een opleiding autotechniek gaan volgen (MBO 3 niveau), waarbij zij vijf dagen per week school heeft. Haar inkomen uit arbeid zal dan aanzienlijk verminderen of komen te vervallen. Subsidiair stelt de jongmeerderjarige dat voor haar behoefte moet worden aangesloten bij de WSF-norm.\n\n4.7. \n\nVolgens de man dient voor de behoefte van de jongmeerderjarige aansluiting te worden gezocht bij de WSF-norm. Over de maanden mei tot augustus 2026 bedraagt de WSF-norm € 778,99, welk bedrag moet worden verminderd met het lesgeld van € 121,50. Er resteert dan een behoefte in de periode van 1 mei tot 1 augustus 2026 van € 657,49 per maand. Voor deze periode is de man van mening dat de jongmeerderjarige zelf in haar behoefte voorziet of kan voorzien, door haar inkomen uit arbeid. In 2024 heeft zij haar examen niet gehaald, waarna ze is gaan werken bij de [bedrijf] en daarna bij [organisatie] . Het gaat om structurele en reële eigen inkomsten uit arbeid, waarmee zij in haar eigen behoefte kan voorzien.\n\nVoor de periode vanaf augustus 2026 geldt dat de WSF-norm is gewijzigd naar € 783,41 per maand, welk bedrag moet worden verminderd met de basisbeurs van € 107,26. Er resteert dan een behoefte van € 677,15 per maand.\n\n4.8. De rechtbank overweegt dat uit het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen volgt dat geen aparte maatstaven zijn ontwikkeld voor de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering vallen. Voor de behoeftebepaling van studerende kinderen kan aansluiting worden gezocht bij de voor hen geldende normbedragen in het kader van de Wet op de studiefinanciering (WSF-norm), waarbij een student kan aantonen dat voor een bepaalde post een hoger budget nodig is. De rechtbank oordeelt dat de jongmeerderjarige niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor één van deze posten een hoger budget nodig heeft. Het door haar overgelegde overzicht van haar kosten acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het primaire standpunt van de jongmeerderjarige. Dat betekent dat aansluiting zal worden gezocht bij de WSF-norm. Voor een thuiswonende MBO-student geldt over de maanden januari tot en met juli 2026 een normbedrag van € 778,99 en vanaf augustus 2026 een normbedrag van € 783,41. Partijen zijn het er dan over eens dat voor de periode van 1 mei 2026 tot 1 augustus 2026 dit bedrag moet worden verminderd met het lesgeld van € 121,50 (nu haar opleiding pas op 1 augustus 2026 start). Dat betekent dat de behoefte van de jongmeerderjarige over die periode € 657,49 bedraagt. Voor de periode vanaf 1 augustus 2026 geldt een normbedrag van € 783,41, welk bedrag moet worden verminderd met de basisbeurs van € 107,26. De behoefte van de jongmeerderjarige vanaf 1 augustus 2026 bedraagt van € 676,15. Gelet op het minimale verschil in behoefte in deze periode, ziet de rechtbank aanleiding om de behoefte van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] met ingang van 1 mei 2026 te bepalen op afgerond € 676,= per maand.\n\n4.9. De rechtbank houdt geen rekening met eigen inkomsten van de jongmeerderjarige en overweegt daartoe als volgt. Uitgangspunt is dat alleen eigen inkomsten die in vergelijking met de behoefte structureel en substantieel zijn invloed kunnen hebben op de hoogte van de behoefte van een jongmeerderjarige. [jongmeerderarige 1] heeft aangegeven op dit moment minder te zijn gaan werken met het oog op haar eindexamens in mei 2026. Daarna zal zij niet, althans niet meer structureel, werken in verband met de opleiding die zij per augustus 2026 zal starten. De man betwist niet dat [jongmeerderarige 1] eindexamens heeft in mei en betwist evenmin dat zij met ingang van 1 augustus 2026 bij [middelbare school] een opleiding autotechniek gaat volgen. Gelet op de eindexamens en de nieuwe opleiding acht de rechtbank het redelijk om ervan uit te gaan dat de jongmeerderjarige geen structurele en substantiële inkomsten zal genereren in deze periode.\n\n4.10. \n\nBeoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de\n\njongmeerderjarige tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt\n\nook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de\n\nbehoefte tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht.\n\nDaartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te\n\nworden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per\n\nmaand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor\n\nde lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.\n\nDraagkracht vrouw\n\n4.11. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw een WAJONG-uitkering ontvangt van € 19.003,= bruto per jaar. De rechtbank zal de berekening van de man volgen (overgelegd als productie 9), gelet op de daarin gehanteerde tarieven en de meegenomen uitgaven voor specifieke zorgkosten en de jonggehandicaptenkorting. Uit deze berekening volgt een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 2.001,= per maand, wat leidt tot een draagkracht van in totaal € 98,= per maand.\n\nDraagkracht man\n\n4.12. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat voor de draagkracht van de man uit moet worden gegaan van een bruto jaarinkomen van € 100.023,=, welk bedrag nog moet worden verminderd met de bijtelling van de auto van € 12.000,=. Aldus resteert een bruto jaarinkomen van € 88.023,=. Ter zitting is ook gebleken dat partijen het erover eens zijn dat op dit moment geen rekening moet worden gehouden met winst of verlies uit de onderneming van de man.\n\n4.13. Tussen partijen is in geschil of rekening moet worden gehouden met een aflossing van € 211,= per maand op een schuld ten behoeve van door de man te betalen advocaatkosten. Volgens de man moet daar rekening mee worden gehouden, omdat hij geen spaargeld heeft om die lening af te lossen en hoge lasten heeft. De jongmeerderjarige is van mening dat de man de aflossing uit zijn vrije ruimte zou moeten voldoen.\n\n4.14. De rechtbank overweegt dat met andere noodzakelijke lasten rekening kan worden gehouden als deze niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat deze lasten niet vermijdbaar zijn. Niet is gebleken dat de man zich niet geheel\u002Fgedeeltelijk van deze last kan bevrijden door aflossing met behulp van zijn spaargeld of dat hij zich hiervan kan bevrijden door zijn draagkrachtvrije ruimte te gebruiken. De rechtbank houdt daarom geen rekening met de aflossing op een schuld ten behoeve van advocaatkosten.\n\n4.15. De man heeft tot slot met betrekking tot zijn draagkracht aangevoerd dat een deel van zijn inkomen prestatieafhankelijk is en pas aan het eind van het jaar wordt uitgekeerd. De rechtbank overweegt dat rekening wordt gehouden met het inkomen dat hij genereert in een kalenderjaar. Dat mogelijk een substantieel deel van zijn inkomen pas aan het eind van het jaar wordt uitgekeerd, is geen reden om daar geen rekening mee te houden. De rechtbank begrijpt dat dit de betalingsverplichtingen van de man bemoeilijkt, maar het is aan de man om een wijze van budgettering daarin te vinden. De man heeft bovendien desgevraagd geen juridische consequentie aan dit standpunt verbonden.\n\n4.16. Aan de hand van voornoemde uitgangspunten en rekening houdend met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 4.787,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule in totaal € 1.390,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.\n\nDraagkrachtvergelijking\n\n4.17. Ter zitting is besproken hoe de door de man te betalen bijdrage voor [jongmeerderarige 2] moet worden meegenomen. Volgens de vrouw moet uit worden gegaan van het bedrag dat de man feitelijk voor [jongmeerderarige 2] betaalt. Volgens de man moet de draagkracht van partijen naar rato van behoefte worden verdeeld.\n\n4.18. De rechtbank acht het redelijk dat de draagkracht van partijen gelijk wordt verdeeld over beide jongmeerderjarige kinderen. Gebleken is namelijk dat de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 2] ook een mbo-studie volgt en thuiswonend is. Het voorgaande betekent dat de vrouw een draagkracht voor de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] beschikbaar heeft van € 49,= per maand (€ 98 : 2 kinderen) en de man € 695,= per maand (€ 1.390 : 2 kinderen).\n\n4.19. Partijen hebben samen een draagkracht voor de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] van in totaal € 744,= per maand (€ 49 + € 695). Dat is voldoende om te voorzien in haar behoefte van afgerond € 676,= per maand. Omdat de gezamenlijke draagkracht de behoefte van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] overstijgt, zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking toepassen, om te bepalen welk bedrag ieder van de ouders voor de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] dient te dragen.\n\n4.20. \n\nDe verdeling van de kosten van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] over de\n\nonderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld\n\ndoor de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:\n\nhet aandeel van de man bedraagt: € 695 \u002F € 744 x € 676 = € 631,=;\n\nhet aandeel van de vrouw bedraagt: € 49 \u002F € 744 x € 676 = € 45,=.\n\nZorgkorting\n\n4.21. De jongmeerderjarige stelt dat de man geen aanspraak maakt op een zorgkorting, nu zij feitelijk al langere tijd geen contact meer met de man heeft.\n\n4.22. Volgens de man is het onredelijk om geen zorgkorting toe te passen, omdat hij openstaat voor herstel van het contact. Daarnaast is het niet toepassen van de zorgkorting een prikkel om het gebrek aan contact in stand te houden.\n\n4.23. De rechtbank overweegt dat bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juni 218 een zorgregeling tussen de man en de kinderen is vastgesteld. Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is echter gebleken dat er in ieder geval het afgelopen jaar geen contact tussen [jongmeerderarige 1] en de man heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht het gelet hierop passend om geen rekening te houden met een zorgkorting.\n\nConclusie\n\n4.24. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. De rechtbank zal de door de man ten behoeve van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] te betalen bijdrage met ingang van 1 mei 2026 wijzigen naar € 631,= per maand.\n\nAanhechten berekening\n\n4.25. De rechtbank heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.\n\nProceskosten\n\n4.26. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nwijzigt voormelde beschikking van deze rechtbank van 10 februari 2016 als volgt:\n\n5.1. bepaalt dat de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2008, met ingang van 1 mei 2026 wordt gewijzigd naar een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 631,= (zeshonderdeenendertig euro) per maand, bij vooruitbetaling door de man aan de jong-meerderjarige te voldoen;\n\n5.2. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.3. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5442","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:36.673Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":47},"592","ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","ecli-nl-rbzwb-2026-5446","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F434734 FA RK 25-2152 (echtscheiding) en C\u002F02\u002F440296 FA RK 25-5006 (verdeling)\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.B. de Bree,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.M.H.B. Stoffels.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 25 april 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het op 1 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- de brief van mr. De Bree van 3 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen.\n\n- de brief van mr. Stoffels van 7 april 2026, tevens houdende wijziging verzoek, met bijlagen.\n\n1.2 De behandeling van de zaak stond gepland op de zitting van 16 april 2026. Vanwege de onaangekondigde afwezigheid van de advocaat van de man is de zaak op die zitting niet inhoudelijk behandeld en is besloten om de behandeling aan te houden tot een nadere zitting. Deze zitting is bepaald op 7 mei 2026. Op die zitting is de zaak inhoudelijk behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek.Zij hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben een kindgesprek gehad met de kinderrechter op 14 april 2026.2. De feiten\n\n2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk met elkaar gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen;\n\n- uit hun huwelijk is het volgende, nu jong-meerderjarige kind geboren:\n\n1. [meerderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008;\n\n- uit hun huwelijk zijn verder de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:\n\n2. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009;\n\n3. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010;\n\n- zij hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. \n\nDe vrouw verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. te bepalen dat [minderjarige 1] en, naar de rechtbank begrijpt, [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. te bepalen dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] hersteld dient te worden en dat partijen hiervoor worden verwezen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (UHA);\n\nIII. vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) waarbij [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft;\n\nIV. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek tot en met 31 december 2025;\n\nV. vaststelling van een door haar aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] van € 17,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek;\n\nVI. te bepalen dat beide partijen recht hebben op de helft van de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire schuld en de betaling van de kosten van verkoop;\n\nVIII. te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 35,= in verband met de verkoop van de caravan.\n\n3.2. \n\nDe man verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. bepaling dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] ;\n\nIV. bepaling dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] ;\n\nV. vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind met ingang van 1 januari 2026, dan wel met ingang van zodanige datum en zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nVI. de verdeling van de gemeenschap te gelasten met inachtneming van hetgeen de man in de brief van 7 april 2026 heeft opgemerkt over verdeling van gemeenschappelijke tegoeden en schulden;\n\nVII. te bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van de caravan aan de man zal voldoen.\n\n3.3. Ter zitting heeft de man zijn in de brief van 7 april 2026 gedane verzoek te bepalen dat de vrouw zo spoedig mogelijk haar medewerking verleent aan het transport van de echtelijke woning op naam van een derde, met een daaraan verbonden dwangsom, ingetrokken.\n\n4. De beoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntvankelijkheid4.1. Uit artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend. Dit kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van partijen in hun echtscheidingsverzoeken.4.2. De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding, ook al ontbreekt een ouderschapsplan. De verhouding tussen hen is zodanig verstoord dat zij er lange tijd niet in zijn geslaagd om in gezamenlijkheid afspraken te maken over de kinderen. Gebleken is dat partijen het inmiddels op hoofdlijnen eens zijn over het hoofdverblijf van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie.\n\nInhoudelijke beoordeling4.3. Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als op de wet gegrond en onweersproken toewijzen.\n\nHoofdverblijf\n\n4.4. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man moet worden bepaald. De rechtbank acht dit ook in het belang van de kinderen. Dit stemt tevens overeen met de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals is gebleken in het gesprek met de kinderrechter. De rechtbank zal de verzoeken van partijen die zien op het hoofdverblijf van de kinderen daarom toewijzen.\n\nZorgregeling\n\n [minderjarige 1]4.5. De vrouw legt aan haar verzoek gericht op contactherstel tussen haar en [minderjarige 1] door middel van inzet van hulverlening, het volgende ten grondslag. Het contact tussen haar en [minderjarige 1] is inmiddels al geruime tijd verbroken. De man heeft geen stimulerende rol in het contactherstel en het lukt partijen dus niet, zonder hulpverlening, om het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] te herstellen. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat inmiddels een jaar is verstreken sinds indiening van dit verzoek. Zij begrijpt dat [minderjarige 1] niet gedwongen kan worden om een hulpverleningstraject aan te gaan om het contact te herstellen. De vrouw mist [minderjarige 1] ontzettend en zou het heel fijn vinden als er in ieder geval nog een gesprek tussen hen plaats kan vinden, zodat zowel de vrouw als [minderjarige 1] nog een keer hun verhaal kan doen bij de ander. De vrouw heeft benadrukt dat haar deur altijd openstaat voor [minderjarige 1] .\n\n4.6. De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen en verzoekt te bepalen dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] . Ter zitting heeft hij toegelicht dat [minderjarige 1] écht geen contact wil met de vrouw. Hij heeft hierover met [minderjarige 1] gesproken, maar kan haar niet op andere gedachten brengen. [minderjarige 1] heeft een opvatting over haar moeder waardoor zij geen contact met haar wil, en de man kan die opvatting ook begrijpen.\n\n4.7. \n\nDe rechtbank is zowel uit de toelichting van partijen ter zitting als het gesprek met [minderjarige 1] gebleken dat zij geen contact wil met haar moeder. Zij is heel resoluut in haar beslissing om het contact met haar moeder te verbreken, maar ook in haar weigering om nog een keer in gesprek te gaan met haar moeder en eventuele hulpverlening te aanvaarden die haar verder kan helpen in hoe zij om moet gaan met dit contactverlies. De ernstige bezwaren van [minderjarige 1] tegen contact met de vrouw zijn een contra-indicatie voor het opleggen van contact. De rechtbank vreest ook dat verwijzing naar een hulpverleningstraject, tegen de wens van [minderjarige 1] in, de weerstand van [minderjarige 1] alleen maar zal vergroten. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen. De rechtbank heeft wel grote zorgen over de wijze waarop door zowel [minderjarige 1] , als in het gehele familiesysteem waarvan [minderjarige 1] deel uitmaakt, wordt omgegaan met conflicten. Conflicten resulteren in resolute afwijzing en verwijdering van de ander, getuige ook het ontbreken van iedere vorm van contact tussen oudste dochter [meerderjarige] en haar moeder en inmiddels, na een conflict wegens het wegdoen van de honden, ook haar vader. Ook is de rechtbank van oordeel dat alle kinderen van partijen zwaar belast zijn door en als gevolg van de echtscheidingsstrijd die tussen hun ouders woedt. Daar komt voor [minderjarige 1] bij dat het noodgedwongen moeten verlaten van de voor haar vertrouwende (woon- en sociale) omgeving, haar bijzonder zwaar valt.\n\nOp beide ouders rust de inspanningsverplichting om die strijd bij de kinderen weg te houden en om de (belangen van de) kinderen niet uit het oog te verliezen.\n\nDe rechtbank acht het zinvol dat [minderjarige 1] en haar moeder in ieder geval nog eenmaal met elkaar in gesprek gaan, zodat zowel [minderjarige 1] als haar moeder aan elkaar hun verhaal kunnen doen en het verhaal van de ander aan kunnen horen, zonder dat het doel van dat gesprek is tot een blijvend contactherstel te komen. Zo’n gesprek zou hen beiden verder kunnen helpen in de verwerking van de gebeurtenissen rondom de echtscheiding van partijen en het contactverlies tussen hen. Bij dat gesprek kan [minderjarige 1] eventueel worden bijgestaan door een vertrouwd persoon voor haar die zij als steunend ervaart. Omdat de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige 1] vindt om bij de huidige stand van zaken druk op haar uit te oefenen, laat zij het bij deze suggestie die zij in de brief aan [minderjarige 1] zal herhalen. De rechtbank ziet evenmin grond voor toewijzing van het verzoek van de man. Er wordt aangaande [minderjarige 1] geen zorgregeling bepaald, en daaruit vloeit reeds voort dat uitsluitend de man, bij wie [minderjarige 1] haar hoofdverblijf heeft, belast is met de volledige verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en dat de vrouw daarin geen aandeel heeft.\n\n [minderjarige 2]4.8. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het eens zijn over de zorgregeling die moet gelden voor [minderjarige 2] , inhoudende dat [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft. De rechtbank acht deze regeling in het belang van [minderjarige 2] en zal daarom de verzoeken van partijen tot vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] op die wijze als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. De man heeft ter zitting aangegeven dat gelet op de aankomende verhuizing naar [plaats] hij ervoor zorg zal dragen dat [minderjarige 2] naar de vrouw wordt gebracht en dat hij hem dus zal ondersteunen in de overbrugging van de afstand naar de woonplaats van de vrouw, zodat deze verhuizing een goed verloop van de zorgregeling niet in de weg staat. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] verder aangegeven in deze zorgregeling flexibiliteit te wensen. In de praktijk ziet de rechtbank dat partijen [minderjarige 2] die flexibiliteit gunnen en bieden en de rechtbank gaat ervan uit dat zij hem die ruimte blijven geven. Dit is namelijk van belang voor het slagen van de zorgregeling, mede gelet op de ingewikkelde positie waarin [minderjarige 2] zich bevindt. [minderjarige 2] “draagt” de echtscheiding van zijn ouders en ziet zichzelf als het laatste lijntje tussen zijn ouders in een verbroken gezinssysteem. Hij worstelt zichtbaar met die last, en naar het oordeel van de rechtbank kan hij zich niet vrij, onbelast en onbevangen bewegen tussen beide ouders. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter duidelijke signalen afgegeven dat hij lijdt onder de spanningen van buitenaf en de spanningen die hij ongetwijfeld ook intern voelt. De zorgregeling vraagt in de huidige dynamiek tussen zijn ouders veel van hem en de sterke afwijzing van zijn moeder door de man en zijn zus belast het contact met zijn moeder. De rechtbank maakt zich ernstige zorgen over het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 2] door toedoen van zijn ouders terecht is gekomen. Dit is potentieel heel erg schadelijk voor zijn ontwikkeling. Partijen moeten begrijpen dat [minderjarige 2] , hierin zoveel mogelijk steun van hen beiden dient te krijgen. Dat vraagt iets van beide ouders. Zij hebben beiden op grond van de wet (artikel 1:247 lid 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek BW)) de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van [minderjarige 2] , alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Ook hebben zij de verplichting om de ontwikkeling van de banden van [minderjarige 2] met de andere ouder te bevorderen. Dit houdt onder meer in dat zij ervoor moeten zorgen dat [minderjarige 2] niet langer onderdeel is van de strijd tussen hen. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat [minderjarige 2] op de hoogte is van alle informatie over de echtscheiding en de strijd tussen ouders. Het geestelijk welzijn van [minderjarige 2] is niet gediend met het delen van deze informatie en de rechtbank doet een dringend beroep op beide ouders om daar onmiddellijk mee te stoppen. De nieuwsgierigheid van [minderjarige 2] en zijn leeftijd vormen geen rechtvaardiging voor het ongeclausuleerd delen van informatie en opvattingen over de andere ouder en de echtscheiding. Ook moet [minderjarige 2] ondersteund en positief gestimuleerd worden in het contact met de andere ouder.\n\nKinderalimentatie\n\n4.9. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in de periode dat [minderjarige 2] nog ingeschreven stond bij de vrouw, namelijk tot begin januari 2026, zij gerechtigd was tot een onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand. De rechtbank ziet in hetgeen de man ter zitting heeft aangevoerd, namelijk dat de vrouw gedurende die periode alle toeslagen voor [minderjarige 2] kreeg en tijdens het huwelijk veel informatie over geldzaken heeft achtergehouden, geen reden waarom dat bedrag niet betaald moet worden. Niet is gesteld of gebleken dat dit bedrag niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw onder VI. toewijzen.\n\n4.10. Gebleken is verder dat [minderjarige 1] al in de loop van 2025 bij haar vader is gaan verblijven en dat [minderjarige 2] vanaf begin januari 2026 bij de man verblijft en daar vanaf dat moment staat ingeschreven. Tussen partijen staat vast dat de vrouw een minimale draagkracht heeft ter hoogte van € 50,= per maand en dat zij die volledig moet aanwenden voor de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen. Tussen hen is in geschil over hoeveel kinderen die draagkracht moet worden verdeeld. Volgens de man enkel over de twee minderjarige kinderen van partijen, zodat de vrouw € 25,= per maand per kind dient te voldoen. Volgens de vrouw moet deze draagkracht worden verdeeld over alle drie de kinderen van partijen. De vrouw is immers ook nog onderhoudsplichtig voor [meerderjarige] . De bijdrage komt dan uit op € 17,= per maand per kind voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n4.11. De rechtbank overweegt dat hoewel [meerderjarige] op dit moment van beide ouders geen onderhoudsbijdrage ontvangt, partijen beiden wel onderhoudsplichtig zijn voor haar tot zij de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Gelet op die onderhoudsverplichting en de mogelijkheid die [meerderjarige] heeft om aanspraak te maken op een bijdrage van ouders (eventueel met terugwerkende kracht), ziet de rechtbank aanleiding de draagkracht van de vrouw te verdelen over drie kinderen. Dat betekent dat zij voor [minderjarige 1] met ingang van 1 juli 2025 en voor [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2026 aan de man een onderhoudsbijdrage van € 17,= per maand per kind dient te voldoen. De verzoeken van partijen worden overeenkomstig het voorgaande toegewezen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.\n\nBrieven aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n4.12. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij per brief van de kinderrechter geïnformeerd willen worden over de op de verzoeken die zien op hun hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf te horen krijgen wat er in deze procedure wordt beslist, zij het uitsluitend over de onderwerpen die hen betreffen, maar ook dat de ouders weten wat de kinderrechter hierover aan de kinderen terugkoppelt. Hierna volgt daarom de tekst van de brief gericht aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze tekst zal worden overgenomen in een brief van de griffier namens de (kinder)rechter, die naar hen wordt gestuurd.\n\n“Beste [minderjarige 1] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan, besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je bij je vader woont en op zijn woonadres blijft of wordt ingeschreven. Je vader is ook degene die jou verzorgt en opvoedt, want de rechter heeft verder besloten dat er geen regeling voor contact met jouw moeder wordt bepaald. De rechter verwijst jullie evenmin door naar een hulpverleningstraject om weer contact op te starten. Jij hebt de leeftijd waarop jij daarin zelf een afweging en keuze kan maken, en jouw keuze weegt zwaar mee in de beslissing van de rechter. De rechter gaat ervan uit dat jij de gevolgen van jouw keuze om het contact met je moeder te verbreken, begrijpt en overziet. De rechter maakt zich wel zorgen over de manier waarop jij resoluut het contact met jouw moeder hebt verbroken. De rechter meent dat het voor de verwerking van hetgeen gebeurd is, goed is om in ieder geval eenmalig het gesprek met jouw moeder aan te gaan, zonder de bedoeling of de verwachting dat het contact daarna herstelt. In dat gesprek kan jij je verhaal doen tegen jouw moeder en heeft zij ook de mogelijkheid om aan jou haar verhaal te vertellen. Jouw moeder heeft aangegeven dat zij daartoe bereid is en dat haar deur voor jou altijd open staat. Je moeder is ermee akkoord dat bij zo’n gesprek eventueel iemand aanwezig zijn die jij vertrouwt en die jou kan ondersteunen. Het is aan jou of je zo’n gesprek nu of op een later moment nog wil voeren en het is ook aan jou om dat aan je moeder duidelijk te maken als je dat gesprek wil aangaan.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 juli 2025 een bijdrage voor jouw kosten aan jouw vader moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\n“Beste [minderjarige 2] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter over de verzoeken die over jou zijn gedaan. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je op zijn woonadres wordt of blijft ingeschreven en dat je vader jou voor het grootste deel verzorgt en opvoedt. Verder heeft de rechter beslist dat jij om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het eten bij jouw moeder bent. Jouw moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij het contact met jou heel belangrijk vindt en dat zij het heel fijn vindt als jij bij haar bent. Hoewel zij jou soms moet missen, begrijpt zij het dat jij flexibiliteit en een bepaalde vrijheid in de contactregeling belangrijk vindt, en zij zal daar ook rekening mee houden. Jouw vader heeft op de zitting verder aangegeven dat hij begrijpt dat de verhuizing naar [plaats] lastig is voor jou. Hij zal jou ondersteunen in het overbruggen van de reisafstand van jullie nieuwe woonplek in [plaats] naar jouw moeder in [woonplaats 1] . De rechter vindt het belangrijk dat je zowel bij je vader als je moeder verblijft en dat zij ervoor zorgen dat je geen last meer hebt van hun onderlinge strijd.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 januari 2026 een bijdrage aan jouw vader voor jouw kosten moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\nVerdeling van de gemeenschappelijke goederen\n\n4.13. Partijen zijn gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.\n\nPeildatum4.14. De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 25 april 2025. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.\n\n4.15. De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.\n\nSamenstelling gemeenschap van de gemeenschap4.16. De bestanddelen van de gemeenschap waarvan de verdeling nog in geschil is tijdens deze procedure zijn:\n\na. de woning, gelegen aan [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nb. de schuld uit hoofde van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nc. het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden;\n\nd. een caravan en schuld wegens stallingskosten;\n\ne. een schuld aan de Interbank uit hoofde van een doorlopend krediet\n\nAd. A., b., c. en e. de woning en de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening, het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden en de schuld uit hoofde van een doorlopend krediet bij de Interbank\n\n4.17. Ter zitting is gebleken dat de woning is verkocht aan (een) derde(n). Op 12 juni 2026 zal de woning notarieel geleverd worden aan de kopende partij. Partijen zijn het erover eens dat van de verkoopopbrengst van de woning worden voldaan: de op de datum van overdracht resterende hypothecaire schuld en schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank. Partijen zijn ieder gerechtigd tot de helft van de resterende overwaarde, te vermeerderen met de netto afkoopwaarde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde beleggingsrekening. Verder zijn partijen het erover eens dat de vrouw de volgende bedragen aan de man dient te vergoeden:\n\nin verband met eerder door de man voor zijn rekening genomen kosten gemoeid met verkoop van de woning (presentatiekosten die gemaakt zijn door makelaar Wino) een bedrag van € 350,=;\n\neen bedrag van € 137,50, zijnde de helft van de door de man gemaakte kosten die gemoeid waren met de aanvraag van een energielabel door de man;\n\n een bedrag van (5 maal € 141,60 =) € 708,=, zijnde haar aandeel in de maandelijkse aflossingen op de schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank, die de man voor zijn rekening heeft genomen, terwijl partijen daarvoor ieder voor de helft draagplichtig waren.\n\n4.18. Aangezien partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de verdeling van voormelde bestanddelen a., b., c. en e., is op grond van artikel 3:185 lid 1 BW voor de rechtbank geen taak meer weggelegd om de (wijze van) verdeling vast te stellen. De verzoeken die daartoe zien worden, voor zover die zien op deze bestanddelen, afgewezen. Dit laat onverlet dat partijen gehouden zijn om uitvoering te geven aan de door hen afgesproken wijze van verdeling van die bestanddelen.\n\nAd. d. een caravan en schuld wegens stallingskosten\n\n4.19. De vrouw stelt dat partijen het erover eens waren dat de caravan moest worden verkocht. Zij heeft vervolgens, korte tijd na de peildatum, de caravan verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. De vrouw heeft met de verkoopopbrengst de achterstallige stallingskosten over drie jaar, zijnde in totaal een bedrag van € 1.680,= voldaan. Van de verkoopopbrengst is dus € 70,= over, zodat de man recht heeft op een bedrag van € 35,=.\n\n4.20. De man voert aan dat de vrouw zonder medeweten van de man de caravan van stalling heeft gehaald en verkocht. Ter zitting heeft de man aangegeven dat hij het niet eens is met de prijs waarvoor de vrouw de caravan heeft verkocht. Volgens hem hadden partijen er € 2.500,= voor kunnen krijgen en de man vraagt de rechtbank om van dat bedrag uit te gaan bij verdeling van de caravan. Hij erkent verder dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten.\n\n4.21. De rechtbank overweegt als volgt. Door de vrouw is onweersproken aangevoerd dat de caravan van partijen na de peildatum is verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. Of partijen overeenstemming hadden over het verkopen van de caravan kan de rechtbank niet vaststellen op grond van de standpunten van partijen en de overgelegde stukken. Daarbij heeft de man aan deze stelling verder geen conclusie verbonden. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de caravan, die op de peildatum tot de ontbonden gemeenschap behoorde, een oordeel geven van de waarde op de peildatum. Het is de rechtbank niet gebleken dat de caravan meer waard is dan € 1.750,=, zijnde de verkoopprijs die kort na de peildatum tot stand is gekomen in de verkooptransactie tussen twee particulieren. De rechtbank betrekt bij haar oordeel de informatie die de vrouw ter zitting heeft gedeeld, zoals het merk en type van de caravan, dat het kenteken van de caravan in 1994 is afgegeven, en het bedrag dat partijen bij de aanschaf van de (toen al tweedehands) caravan hebben betaald, zijnde € 3.400,=. De rechtbank sluit daarom voor de waardering van de caravan op de peildatum aan bij de verkoopprijs van € 1.750,=. De man heeft verder erkend dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten en hij heeft ter zitting aangegeven dat het door de vrouw genoemde bedrag kan kloppen. Ook niet weersproken is de stelling van de vrouw dat deze op de peildatum bestaande schuld is ingelost met de verkoopopbrengst van de caravan. De man is gerechtigd tot de helft van het resterende bedrag en dus tot € 35,=, door de vrouw aan hem te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal gelet op het voorgaande worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk;5.2. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat de minderjarigen\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010,\n\nhun hoofdverblijfplaats bij de man hebben;5.3. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat genoemde minderjarige [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw is: om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten;5.4. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man over de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 een bedrag van € 285,= (tweehonderdvijfentachtig euro) per maand moet betalen aan de vrouw ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] ;\n\n5.5. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 juli 2025 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 1] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.6. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.7. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw, uit hoofde van de verdeling van de caravan een bedrag ter hoogte van € 35,= aan de man moet voldoen;\n\n5.8. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bollen, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Reijerse, griffier, op 21 mei 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","2026-07-13T00:28:38.439Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":52,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":54},"605","ECLI:NL:RBZWB:2026:5444","ecli-nl-rbzwb-2026-5444","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441941 FA RK 25-5884\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende omgangsregeling en levensonderhoud\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. B. Krijnen,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nzonder advocaat.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 7 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- de brief van de griffier van de rechtbank aan de man van 24 december 2025, houdende de oproep voor de zitting;\n\n- de brief van mr. Krijnen van 9 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen;\n\n- het vonnis van deze rechtbank in kort geding van 25 november 2025.\n\n1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 16 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. De man is niet verschenen.2. De feiten\n\n2.1. Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- partijen hebben een relatie met elkaar gehad tot juni 2025;\n\n- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019 (hierna ook: [minderjarige] );\n\n- [minderjarige] is door de man erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n3. De verzoeken\n\nDe vrouw verzoekt nu, samengevat:\n\nvaststelling van een omgangsregeling, inhoudende dat de man en de minderjarige contact met elkaar hebben om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur;\n\nvaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 400,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.\n\n4. De beoordeling\n\nOproep van de man\n\n4.1. De man is voor de zitting opgeroepen bij brief van 24 december 2025 op bovenvermeld adres, zijnde het adres waar hij in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. De brief is zowel per gewone post als per aangetekende post verzonden. De aangetekend verzonden brief is door de man niet opgehaald en teruggestuurd naar de rechtbank. De per gewone post gestuurde brief is niet geretourneerd. Uit raadpleging van de BRP is gebleken dat genoemd adres met ingang van 12 december 2025 in onderzoek is. Een (ander) adres waarop de man bereikbaar is, ontbreekt. De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid van de man is om te zorgen dat hij in de BRP staat ingeschreven op een adres waarop hij bereikbaar is. Mr. Krijnen heeft op de zitting toegelicht het verzoek en het gewijzigd verzoek ook per email aan de man te hebben toegestuurd, onder vermelding van de zittingsdatum en tijdstip, maar dat ook zij daar geen reactie van de man op heeft ontvangen. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande op de zitting geconstateerd dat de man op de wettelijk voorgeschreven wijze is opgeroepen en heeft daarop de verzoeken inhoudelijk behandeld.\n\nOmgangsregeling\n\n4.2. De vrouw heeft toegelicht dat de man sinds het uiteengaan van partijen weinig interesse heeft getoond in [minderjarige] en dat er maar zeer weinig contact tussen hen heeft plaatsgevonden. De vrouw vindt het erg belangrijk dat de man en [minderjarige] op structurele basis contact met elkaar hebben en dat de situatie voor [minderjarige] voorspelbaar is, met name omdat zij kampt met bepaalde problematiek en veel aandacht vraagt. [minderjarige] geeft zelf ook aan dat zij haar vader mist en is altijd blij als zij haar vader heeft gezien. De vrouw is daarom eind 2025 een kort gedingprocedure gestart. In het vonnis van 25 november 2025 is een omgangsregeling vastgesteld gedurende iedere zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur. De afgelopen periode is echter gebleken dat het voor de man niet haalbaar is om iedere week omgang met [minderjarige] te hebben. Hij laat steeds op vrijdagavond weten of hij wel of niet komt. Dit is erg onrustig, zowel voor de vrouw als voor [minderjarige] . De vrouw verzoekt daarom nu te bepalen dat de man en [minderjarige] om de week op zaterdag contact met elkaar hebben. De vrouw hoopt dat de man zijn verantwoordelijkheid neemt en laat zien dat hij deze regeling kan nakomen. De vrouw zal het contact tussen de man en [minderjarige] blijven stimuleren.\n\n4.3. De Raad heeft op de zitting aangegeven dat een structurele omgang tussen de man en [minderjarige] wenselijk is en dat de door de vrouw verzochte regeling op dit moment het hoogst haalbare lijkt. Daarnaast vindt de Raad het belangrijk dat aan [minderjarige] op een kindvriendelijke manier wordt uitgelegd dat het niet aan haar ligt dat de contacten met haar vader nu onregelmatig zijn. Kinderen hebben namelijk de neiging dit soort zaken op zichzelf te betrekken.\n\n4.4. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe, omdat dit verzoek niet door de man is weersproken en omdat niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen de verzochte regeling verzet. De vrouw heeft op de zitting toegezegd contact op te nemen met de gezinscoach, die haar begeleidt bij opvoedkundige vragen, om te bekijken op welke wijze [minderjarige] kan worden voorgelicht over het door de Raad genoemde punt. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de man het belang van [minderjarige] voorop zal stellen en de omgangsregeling, zoals deze nu wordt vastgesteld, zal nakomen. Het is immers niet in het belang van [minderjarige] en haar ontwikkeling dat zij (om de week) op vrijdag in onzekerheid verkeert of zij haar vader zal zien.\n\nKinderalimentatie\n\n4.5. De vrouw verzoekt verder vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 400,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.\n\n4.6. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, gerechtigd zijn tot omgang met elkaar om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur;\n\n5.2. \n\nbepaalt dat de man met ingang van 7 november 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw moet voldoen een bedrag van\n\n€ 400,= (vierhonderd euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5444","2026-07-13T00:28:38.946Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":39,"updatedAt":63},"421","ECLI:NL:RBZWB:2026:5414","ecli-nl-rbzwb-2026-5414","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F442299 FA RK 25\u002F6059\n\n20 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. D.C.M. Smeulders-Martens,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. J.A.E. van Raak-Kuiper.\n\n1. Het procesverloop\n\nDit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 24 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- het op 26 januari 2026 ontvangen gecorrigeerde verzoekschrift;\n\n- het F9-formulier van mr. Smeulders-Martens van 4 februari 2026 met als bijlage een door partijen op 29 januari en 1 februari 2026 ondertekend ouderschapsplan;\n\n- het F9-formulier van mr. Van Raak-Kuiper van 9 februari 2026;\n\n- de brief van mr. Smeulders-Martens van 11 maart 2026;\n\n- de brief van mr. Smeulders-Martens van 20 maart 2026;\n\n- het F9-formulier van mr. Van Raak-Kuiper van 23 maart 2026.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op [datum] 2020 in de gemeente Dongen met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen;\n\n- tijdens hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022,\n\n3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2025.\n\n- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;\n\n- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.\n\n3. Het verzoek\n\nDe vrouw verzoekt nu, samengevat,\n\n- echtscheiding;\n\n- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve\n\nvan de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind;\n\n- opneming van de door partijen getroffen regelingen in de beschikking.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Bij brieven van 11 en 19 maart 2026 is namens de vrouw bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt en dit is vastgelegd in een ouderschapsplan. Gelet hierop wijzigt de vrouw haar verzoek zoals hiervoor onder 3. is weergegeven. Verder verzoekt de vrouw, zo de rechtbank begrijpt, de zaak schriftelijk af te doen.\n\n4.2.. Bij F9-formulier van 23 maart 2026 is namens de man bericht dat hij instemt met de gewijzigde verzoeken van de vrouw. De rechtbank begrijpt dat ook de man geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling.\n\n4.3.. Aangezien het verzoek op de wet is gegrond en de man hiermee heeft ingestemd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Hierbij overweegt de rechtbank ten aanzien van het ouderschapsplan en de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat tussen partijen niet in geschil is dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 3] is. Nu [minderjarige 3] echter binnen het huwelijk van partijen is geboren, is de man wel de juridische vader. De vrouw heeft een procedure aanhangig gemaakt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap. Gelet hierop zal de rechtbank geen gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het ouderschapsplan geen betrekking heeft op [minderjarige 3] en er voor hem geen onderhoudsbijdrage wordt verzocht.\n\n4.4.. Nu de overige verzoeken zijn ingetrokken, kunnen deze verzoeken niet meer worden onderzocht en zullen deze worden afgewezen.\n\n4.5.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2020 in de gemeente [woonplaats 1] met elkaar gehuwd;\n\n bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 februari 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022,\n\naan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 25,= (vijfentwintig euro) per maand;\n\ncompenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;\n\n wijst het meer of anders verzochte af.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Verhamme, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5414","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.040Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":39,"updatedAt":72},"1750","ECLI:NL:RBZWB:2026:5326","ecli-nl-rbzwb-2026-5326","2026-05-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F434955 FA RK 25-2268\n\ndatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nbeschikking betreffende levensonderhoud\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats 1] (Spanje),\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.J. Bronsveld,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.H.A. Wijen.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 1 mei 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlage;\n\n- het op 10 juli 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het op 3 september 2025 ontvangen verweer op zelfstandig verzoek;\n\n- de F9-formulieren van mr. Bronsveld van 28 mei 2025, met bijlage, en 9 april 2026, met bijlage;\n\n- de brief van mr. Wijen van 8 april 2026, met bijlagen;\n\n- de beschikking betreffende de echtscheiding van 10 december 2020 en het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant.\n\n1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 20 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.2. De feiten\n\n2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 1998 tot [datum 2] 2021.\n\n2.2. \n\nIn voormeld echtscheidingsconvenant zijn partijen het volgende overeengekomen over partneralimentatie:\n\n“Bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw\u002Fman\n\nPartijen hebben momenteel geen draagkracht om over en weer partneralimentatie te\n\nvoldoen.\n\nHoewel de vrouw op dit moment niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, en\n\nderhalve behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar\n\nlevensonderhoud, heeft de man geen draagkracht aan de vrouw een bijdrage in de kosten\n\nvan haar levensonderhoud te voldoen.\n\nIn geval van een na het sluiten van dit convenant opgetreden wijziging van\n\nomstandigheden, waardoor de vrouw zich op het standpunt zou kunnen stellen dat de\n\nman wel c.q. een hogere draagkracht heeft voor het betalen aan de vrouw van een\n\nbijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, staat het de vrouw vrij zich alsnog tot de\n\nrechter te wenden met het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie, alles voor\n\nzover de partijen de partneralimentatie niet in onderling overleg hebben kunnen\n\nvaststellen.\n\nTeneinde te kunnen beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden, zullen\n\npartijen elkaar jaarlijks op eerste verzoek kopie van de Aangifte Inkomstenbelasting doen\n\ntoekomen.”\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vrouw verzoekt bepaling dat de man, per datum van de echtscheiding, een bedrag moet voldoen ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw van € 3.000,= bruto per maand, bij vooruitbetaling aan haar te voldoen, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen.\n\n3.2. De man verzoekt bepaling dat hij gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie.\n\n4. De beoordeling\n\nInternationale bevoegdheid en toepasselijk recht4.1. Omdat de vrouw in Spanje woont, heeft deze zaak internationaalprivaatrechtelijke aspecten en dient als eerste te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is te beslissen op de verzoeken en welk recht daarbij moet worden toegepast.\n\n4.2. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4\u002F2009 Raad van 18 december 2008) internationaal bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage kennis te nemen, omdat de verweerder (de man) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.\n\n4.3. Op de verzoeken betreffende de partneralimentatie is op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto. artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het recht van de staat van toepassing waar de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) haar gewone verblijfplaats heeft. Omdat de vrouw in Spanje haar gewone verblijfplaats heeft, is in beginsel het Spaanse recht van toepassing op de beoordeling van de verzoeken betreffende de partneralimentatie.\n\n4.4. Ingevolge artikel 5 van voornoemd protocol is in geval van onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten, ex-echtgenoten of tussen partijen bij een nietig verklaard huwelijk, artikel 3 niet van toepassing indien een van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere Staat, in het bijzonder dat van de Staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. In dat geval is het recht van die andere Staat van toepassing. Ter zitting is namens de vrouw onweersproken gesteld dat het huwelijk van partijen de meeste aanknopingspunten heeft met Nederland, zodat het Nederlandse recht moet worden toegepast. De rechtbank is, met de vrouw, van oordeel dat het Nederlandse recht nauwer verbonden is met het huwelijk van partijen dan het Spaanse recht. Partijen zijn immers in Nederland gehuwd en hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats tijdens het huwelijk was ook in Nederland. Daarom zal het Nederlandse recht worden toegepast bij de beoordeling van de verzoeken.\n\nInhoudelijke beoordeling4.5. De vrouw voert als grond voor haar verzoek aan dat sinds de ondertekening van voormeld echtscheidingsconvenant de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd, waardoor een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud moet worden vastgesteld. Volgens de vrouw is het inkomen van de man na echtscheiding namelijk aanzienlijk toegenomen. Vaststaat verder, op grond van het echtscheidingsconvenant, dat de vrouw een aanvullende behoefte heeft. Het inkomen van de man moet geschat worden op € 8.000,= netto per maand, zodat hij in staat wordt geacht de verzochte bijdrage aan de vrouw te voldoen.\n\n4.6. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel haar verzoek af te wijzen. Hij voert daartoe enkele verweren aan. Zijn primaire verweer houdt in dat geen sprake meer is van een alimentatieverplichting, omdat partijen een overeenkomst hebben gesloten inhoudende dat de man aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= zou voldoen ter afkoop van de partneralimentatie. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst de man naar de correspondentie tussen partijen hierover (productie 1 en 2). Gelet op dit primaire verweer doet de man tevens zijn verzoek zoals hiervoor onder 3.2. weergegeven.\n\n4.7. De vrouw betwist dat sprake is van een overeenkomst tussen partijen ter zake de afkoop van de partneralimentatie. Zij heeft ter zitting aangegeven weliswaar te hebben ingestemd met een voorstel van de man dat hij de partneralimentatie zou afkopen voor een bedrag van € 10.000,=, maar later bleek dat hij deze afkoop wenste te verrekenen met een vordering die hij op de vrouw meent te hebben. De man heeft dus een andere voorstelling van zaken gehad bij de totstandkoming van deze overeenkomst en heeft gelet daarop geen ondubbelzinnig aanbod gedaan zonder enig voorbehoud. Gelet daarop is er geen overeenstemming bereikt tussen partijen. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat partijen nooit een schriftelijk contract hebben opgesteld met daarin de afspraken, terwijl dit wel hun intentie was. Zij had daarin ook vastgelegd willen zien dat zij niet hoeft mee te betalen aan schulden van de man.\n\n4.8. De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of sprake is van een overeenkomst over de afkoop van de partneralimentatie zoals door de man gesteld. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, bestaat geen verplichting meer voor de man om partneralimentatie aan de vrouw te voldoen en hoeft het verzoek van de vrouw niet verder inhoudelijk te worden beoordeeld.\n\n4.9. De rechtbank stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Of hiervan sprake is hangt, kort gezegd, af van wat partijen tegenover elkaar hebben verklaard en hoe zij die verklaringen over en weer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten opvatten (artikel 3:33 en 3:35 BW). Ter zitting heeft de vrouw erkend te hebben ingestemd met het aanbod van de man om de partneralimentatie af te kopen voor een bedrag van € 10.000,=. Dat de vrouw dit aanbod heeft aanvaard volgt tevens uit de door de man overgelegde correspondentie tussen partijen. Zo geeft de vrouw in een e-mailbericht van 19 april 2024 het volgende aan: “In onderling overleg hebben we vastgesteld dat jij mij 10.000 euro als afkoopsom zou betalen.” (productie 2 van de man). In een WhatsApp-gesprek tussen partijen geeft de vrouw verder aan de man het volgende aan: “Die 10000 euro komt [persoon] wel halen. Die komt naar Spanje.” (productie 2 van de man). De man heeft onweersproken gesteld dat deze afspraken zijn gemaakt in 2022. Vervolgens heeft de man naar aanleiding van een rechterlijke procedure, over een arbeidsconflict jegens zijn voormalig opdrachtgever dat betrekking heeft op de huwelijkse periode, bij de vrouw aangegeven een vordering die hij op haar meent te hebben te willen verrekenen met de vordering van de vrouw op de man ter zake de afkoop van de partneralimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit niet dat deze verrekening daardoor onderdeel is geworden van zijn aanbod aan de vrouw over de afkoop van de partneralimentatie, zoals namens de vrouw aangevoerd. Verrekening door de man is in beginsel namelijk toegestaan, mits is voldaan aan de eisen die artikel 6:127 BW daaraan stelt. Van deze bepalingen van regelend recht kan worden afgeweken door verrekening uit te sluiten bij overeenkomst. Desgevraagd hebben beide partijen ter zitting aangegeven dat een eventuele verrekening van vorderingen geen onderdeel is geweest bij het maken van de afspraken over de afkoop van de partneralimentatie. Gelet op het standpunt van de vrouw en met het oog op de in 2022 al lopende procedure van de man jegens zijn voormalige opdrachtgever, hadden partijen, in afwijking van het regelend recht over het verrekenen van vorderingen, daarover afspraken kunnen maken. Dat hebben zij echter niet gedaan. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat in 2022 een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen die inhoudt dat de man de partneralimentatie zal afkopen door betaling van een bedrag van € 10.000,= aan de vrouw. De rechtbank merkt daarbij op dat het niet schriftelijk vastleggen van die afspraak niet afdoet aan de geldigheid van de overeenkomst, zoals door de vrouw aangevoerd. Een overeenkomst is namelijk niet aan vormvereisten gebonden en is, ondanks een eventuele intentie van partijen deze nog schriftelijk vast te leggen, ook mondeling gesloten rechtsgeldig. Het voorgaande betekent dat het primaire verweer van de man slaagt en er door de overeenkomst over de afkoop van de partneralimentatie geen verplichting meer is voor de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.\n\n4.10. De rechtbank begrijpt het zelfstandige verzoek van de man verder zo dat hij een verklaring voor recht verzoekt dat hij gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie. Gelet op voorgaande rechtsoverweging zal de rechtbank zijn verzoek op die wijze toewijzen.\n\n4.11. De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet meer toe aan de overige verweren van de man.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. verklaart voor recht dat de man gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie;\n\n5.2. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Willemsen, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5326","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:36.948Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":77,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":39,"updatedAt":80},"1525","ECLI:NL:RBZWB:2026:5087","ecli-nl-rbzwb-2026-5087","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F435794 \u002F HA ZA 25-310\n\nVonnis van 4 februari 2026\n\nin de zaak van\n\n [eisende partij],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eisende partij] ,\n\nadvocaat: mr. K.M. van Wijngaarden,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij] handelend onder de naam [bedrijf],\n\nwonende\u002Fgevestigd in [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\nadvocaat: mr. A.M.M. de Waal.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [eisende partij] en de heer [persoon] (hierna te noemen: “ [persoon] ) zijn ex-partners, die samen twee kinderen hebben. [persoon] is bij beschikking van 28 november 2017 veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie aan [eisende partij] . [persoon] heeft de kinderalimentatie niet betaald. [eisende partij] heeft daarom ten laste van [persoon] loonbeslag gelegd onder [gedaagde partij] , de werkgever van [persoon] . [gedaagde partij] heeft hierna een verklaring afgelegd dat zij maandelijks € 318,18 aan [persoon] moet betalen. [eisende partij] betwist dat die verklaring juist is. [eisende partij] stelt dat het loon van [persoon] hoger moet zijn. [eisende partij] wil daarom dat [gedaagde partij] voor de rechtbank een nieuwe verklaring aflegt. Ook eist [eisende partij] dat [gedaagde partij] veroordeeld wordt tot betaling van het bedrag dat zij aan [eisende partij] moet betalen. De rechtbank wijst deze vorderingen af.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties van 16 mei 2025;\n\n- de akte in aanvulling op de conclusie van eis van 2 juli 2025 van [eisende partij] ; - de conclusie van antwoord met producties van 13 augustus 2025; - de conclusie van repliek met producties van 24 september 2025; - de conclusie van dupliek met producties van 5 november 2025; - de akte uitlating producties en overlegging productie 11 van 3 december 2025 van [eisende partij] ;\n\n- de antwoordakte uitlaten productie 11 van 24 december 2025 van [gedaagde partij] .\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [gedaagde partij] drijft een eenmanszaak onder de naam [bedrijf] . Deze eenmanszaak richt zich op arbeidsbemiddeling en de detachering van personeel.\n\n3.2.. \n [gedaagde partij] is de echtgenote van [persoon] . Voordat [gedaagde partij] met [persoon] een relatie kreeg, heeft [eisende partij] een relatie gehad met [persoon] . [eisende partij] en [persoon] hebben samen twee minderjarige kinderen. Deze relatie is in 2015 geëindigd.\n\n3.3.. \n [eisende partij] heeft op 9 oktober 2017 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank tot vaststelling van de kinderalimentatie. Dit verzoek is bij beschikking van 28 november 2017 toegewezen. Op grond van deze beschikking moet [persoon] kinderalimentatie betalen aan [eisende partij] .\n\n3.4.. \n [persoon] heeft de kinderalimentatie niet betaald. De deurwaarder heeft daarom onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de kinderalimentatie betaald te krijgen door [persoon] .\n\n3.5.. Uit dit onderzoek is in februari 2025 gebleken dat [persoon] in loondienst is bij [bedrijf] , de eenmanszaak van [gedaagde partij] .\n\n3.6.. Op 28 februari 2025 heeft [eisende partij] executoriaal loonbeslag gelegd onder [gedaagde partij] ten laste van [persoon] .\n\n3.7.. \n [gedaagde partij] heeft op 29 maart 2025 een verklaring afgelegd over het bedrag dat [gedaagde partij] aan [persoon] verschuldigd is en zal zijn. In de verklaring staat dat [gedaagde partij] per vier weken een brutoloon van € 500,00 betaalt aan [persoon] . Bij de verklaring zijn drie loonspecificaties gevoegd. In de loonspecificaties is een brutoloon van € 1.600,00 opgenomen, waarop maandelijks uren in mindering worden gebracht tot een bedrag van ongeveer € 1.300,00. Er resteert daardoor een nettoloon van tussen de € 313,18 tot € 335,55 per vier weken. De beslagvrije voet bedraagt volgens de verklaring € 341,00. Verder is in de verklaring vermeld dat er schulden zijn bij [website] en de Belastingdienst, die op 18 en 20 maart 2025 eveneens loonbeslag zouden hebben gelegd.\n\n3.8.. \n\nOp het LinkedIn-profiel van [persoon] stond dat hij Maintenance Supervisor is.\n\nUit informatie van de Nationale Vacaturebank blijkt dat het salaris van een Maintenance Supervisor tussen de € 3.395,00 en 4.019,00 bruto per maand bedraagt.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eisende partij] vordert - samengevat – om [gedaagde partij] te bevelen een gerechtelijke verklaring te doen naar aanleiding van het beslag van 28 februari 2025. Daarnaast vordert [eisende partij] om [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling of afgifte van hetgeen zij aan [eisende partij] verschuldigd is.\n\n4.2.. \n [eisende partij] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij betwist dat [gedaagde partij] als derde-beslagene een juiste verklaring heeft afgelegd over het bedrag dat zij maandelijks verschuldigd is aan [persoon] .\n\n4.3.. \n [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. \n [gedaagde partij] bestrijdt dat zij een onjuiste verklaring heeft afgelegd over het bedrag dat zij per maand moet betalen aan [persoon] . [gedaagde partij] blijft bij de door haar afgelegde verklaring, die zij in deze procedure verder toelicht en aanvult.\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\n [gedaagde partij] wordt niet veroordeeld tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring\n\n5.1.. De rechtbank wijst de vordering van [eisende partij] om [gedaagde partij] te bevelen om een gerechtelijke verklaring te verstrekken af. De reden daarvoor is dat [gedaagde partij] in deze procedure heeft volhardt in de door haar afgelegde verklaring. [gedaagde partij] heeft deze verklaring verder toegelicht en aangevuld in de door haar ingediende processtukken. [gedaagde partij] heeft daarmee al een gerechtelijke verklaring afgelegd, zodat [eisende partij] geen belang meer heeft bij deze vordering. De rechtbank gaat hierna inhoudelijk op de verklaring van [gedaagde partij] in.\n\nDe vordering van [eisende partij] tot veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling wordt afgewezen\n\n5.2.. De vordering van [eisende partij] tot veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van het bedrag dat zij verschuldigd is aan [eisende partij] wordt ook afgewezen. Hoewel [eisende partij] de verklaring van [gedaagde partij] heeft betwist, moet de rechtbank uitgaan van de juistheid van de verklaring van [gedaagde partij] . Uit die verklaring volgt dat [gedaagde partij] geen bedrag aan [eisende partij] hoeft te betalen. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.\n\n [eisende partij] heeft onvoldoende betwist dat de verklaring van [gedaagde partij] juist is\n\n5.3.. \n [eisende partij] betwist de juistheid van de verklaring van [gedaagde partij] van 29 maart 2025. [eisende partij] betwist ook de toelichting en de aanvulling die [gedaagde partij] in deze procedure op haar verklaring heeft gegeven.\n\n5.4.. \n [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat het door [gedaagde partij] opgegeven loon van [persoon] van € 500,00 bruto per vier weken onevenredig laag is. Volgens [eisende partij] is [persoon] werkzaam als Maintenance Supervisor.Het gemiddeld salaris van een Maintenance Supervisor bedraagt tussen de € 3.395,00 en 4.019,00 bruto per maand.[eisende partij] acht een vergoeding van € 3.800 bruto per maand daarom redelijk voor de werkzaamheden van [persoon] . Hierdoor zou per maand € 1.200,00 door het beslag getroffen zijn in plaats van het door [gedaagde partij] opgegeven bedrag van gemiddeld € 500,00 bruto per maand.\n\n5.5.. Daarnaast trekt [eisende partij] de loonspecificaties in twijfel. De reden daarvoor is dat in de loonspecificaties een salaris van € 1.600,00 bruto per maand is opgenomen, maar daarop maandelijks uren in mindering worden gebracht tot een bedrag van € 1.300,00 bruto per maand.\n\n5.6.. De rechtbank stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast voor de stelling dat de verklaring van [gedaagde partij] onjuist is op [eisende partij] als beslaglegger rusten.[gedaagde partij] dient op haar beurt gemotiveerd te betwisten dat haar verklaring onjuist is. Daarnaast mag in een verklaringsprocedure zoals deze van [gedaagde partij] als derde-beslagene verwacht worden dat zij haar verklaring met redenen omkleedt en haar verklaring zo veel mogelijk vergezeld doet gaan met stukken ter onderbouwing van die verklaring.\n\n5.7.. De rechtbank concludeert dat [gedaagde partij] gemotiveerd heeft betwist dat haar verklaring onjuist is en dat zij haar verklaring heeft onderbouwd met verschillende stukken. [eisende partij] heeft onvoldoende onderbouwd dat de verklaring van [gedaagde partij] desondanks onjuist is. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\n5.8.. \n [gedaagde partij] heeft gemotiveerd weersproken dat zij een onjuiste verklaring heeft afgelegd. [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat de functieomschrijving van [persoon] op LinkedIn verouderd is. [persoon] is van 30 juni 2024 tot 1 mei 2025 in dienst geweest bij [gedaagde partij] in de functie van monteur metaaltechniek voor gemiddeld zeven uur per week. [gedaagde partij] heeft dit onderbouwd door de tussen [gedaagde partij] en [persoon] gesloten arbeidsovereenkomst.Het lage inkomen van [persoon] kan volgens [gedaagde partij] worden verklaard, doordat [persoon] gemiddeld maar zeven uur per week werkt omdat hij vooral voor de kinderen en het huishouden zorgt.\n\n5.9.. \n [gedaagde partij] heeft daarbij het formulier van de deurwaarder ingevuld. Bij dat formulier heeft zij drie loonspecificaties gevoegd, waarop zij in deze procedure een nadere toelichting heeft gegeven. [gedaagde partij] heeft toegelicht dat er maandelijks uren in mindering zijn gebracht op de loonspecificaties van [persoon] , omdat in het boekhoudsysteem standaard wordt gerekend met 152 uur per vier weken terwijl [persoon] gemiddeld 7 uur per week werkt. [gedaagde partij] heeft een e-mailbericht van de boekhouder overgelegd, waarin hij dit uitlegt.De boekhouder heeft ook bevestigd dat de door [gedaagde partij] aan de deurwaarder toegestuurde verklaring juist is.\n\n5.10.. \n [gedaagde partij] heeft door deze onderbouwing voldaan aan haar verplichting om haar verklaring met feitelijke gegevens te staven.5.11.. \n [eisende partij] heeft tegen de stellingen van [gedaagde partij] uitsluitend ingebracht dat [persoon] al vanaf 2018 in dienst was bij [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft erkend dat [persoon] al vanaf 2018 voor haar werkzaam was, maar dat [persoon] pas vanaf 30 juni 2024 bij haar werkzaam is als monteur metaaltechniek. Dit maakt niet dat de verklaring van [gedaagde partij] onjuist is. [eisende partij] heeft namelijk geen verweer gevoerd tegen de stellingen van [gedaagde partij] dat [persoon] vanaf 30 juni 2024 werkzaam was in de functie van monteur metaaltechniek voor gemiddeld zeven uur per week. [eisende partij] heeft de beperkte omvang van het dienstverband van [persoon] en de toelichting daarop van [gedaagde partij] niet betwist. Daarmee staat vast dat [persoon] gemiddeld zeven uur per week als monteur metaaltechniek werkte bij [gedaagde partij] . Door [eisende partij] is niet gesteld waarom het in de verklaring genoemde loon van € 500,00 bruto per vier weken voor een monteur metaaltechniek die zeven uur per week werkt onredelijk laag is. [eisende partij] heeft verder niets ingebracht tegen de verklaring van [gedaagde partij] over de redenen waarom en de wijze waarop er minderuren worden verrekend. [eisende partij] heeft ook niet gesteld dat er nog andere redenen zijn om aan te nemen dat de door [gedaagde partij] afgelegde verklaring en\u002Fof de informatie uit de loonspecificaties onjuist zijn. De enkele stelling van [eisende partij] dat de verklaringen van [gedaagde partij] leugenachtig zijn is niet voldoende, omdat die stelling niet nader is onderbouwd. Om die reden is niet vast komen te staan dat [persoon] tegen een onevenredig lage vergoeding voor [gedaagde partij] werkzaamheden heeft verricht.\n\n [gedaagde partij] hoeft niets aan [eisende partij] te betalen\n\n5.12.. De conclusie is dan ook dat [eisende partij] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verklaring van [gedaagde partij] over de hoogte van het inkomen van [persoon] en het door het beslag getroffen bedrag onjuist is. De rechtbank moet daarom uitgaan van de juistheid van de verklaring van [gedaagde partij] .\n\n5.13.. \n [gedaagde partij] heeft verklaard dat zij maandelijks € 318,18 aan [persoon] verschuldigd is. Uit de verklaring volgt daarnaast dat de beslagvrije voet € 341,00 bedraagt. [eisende partij] heeft niet betwist dat die beslagvrije voet juist is. Doordat het maandelijkse salaris van [persoon] lager is dan de beslagvrije voet, hoeft [gedaagde partij] niets aan [eisende partij] af te dragen.\n\nHet dienstverband van [persoon] bij een andere werkgever is niet relevant\n\n5.14.. Over het nieuwe dienstverband van [persoon] bij een andere werkgever overweegt de rechtbank voor de goede orde nog dat de discussie daarover relevantie mist. Zelfs als vast zou komen te staan dat [persoon] in dienst is gebleven bij [gedaagde partij] , is [gedaagde partij] niet gehouden om bedragen aan [eisende partij] te betalen gelet op de conclusie van de rechtbank bij rechtsoverweging 5.13. Tot slot geldt dat de rechtbank moet beoordelen of de door [gedaagde partij] afgelegde verklaring van 29 maart 2025 over het bedrag dat zij aan [persoon] verschuldigd is juist is. Het nieuwe dienstverband staat daar los van, nog daargelaten dat [eisende partij] niet met feitelijke gegevens heeft onderbouwd dat [persoon] vanaf 1 mei 2025 nog in dienst is geweest bij [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft daarbij verschillende stukken ingediend waarmee wordt onderbouwd dat [persoon] sindsdien in dienst is bij een andere werkgever.\n\n [eisende partij] moet de proceskosten van [gedaagde partij] vergoeden\n\n5.15.. Hoewel het gaat om de executie van een beschikking tot betaling van kinderalimentatie en de proceskosten in familierechtelijke geschillen in beginsel worden gecompenseerd, wordt in deze zaak een proceskostenveroordeling uitgesproken.De reden daarvoor is dat [eisende partij] [gedaagde partij] heeft aangesproken als derde-beslagene. [gedaagde partij] is dus geen partij bij het geschil over de kinderalimentatie, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om de proceskosten te compenseren.\n\n5.16.. \n [eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n331,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.535,00\n\n(2,5 punten × € 614,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.044,00\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eisende partij] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.044,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.\n\n Artikel 477a lid 2 Wetboek van Rechtsvordering (Rv).\n\n Productie 5 bij dagvaarding.\n\n Productie 6 bij dagvaarding.\n\n Artikel 150 Rv; Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256.\n\n Artikel 476a lid 2 en 476b Rv; Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256.\n\n Productie 1 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 3 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 3 bij conclusie van antwoord.\n\n Artikel 476b lid 2 Rv; Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256.\n\n Productie 2 conclusie van antwoord en productie 4-10 conclusie van dupliek.\n\n Artikel 237 Rv.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5087","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.389Z",20]