[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-traffic-fines-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":89,"limit":90},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},100,"traffic-fines-nl","Traffic Fines","NL","2026-07-08T16:56:40.723Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},9,{"min":18,"max":19},"2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,47,54,61,68,75,82],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1640","ECLI:NL:RBZWB:2026:5751","ecli-nl-rbzwb-2026-5751","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11588682 \\ MB VERZ 25-423\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 23 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres 1]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : mr. [gemachtigde 2]\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is verschenen. Betrokkene is niet verschenen. Eerdere gemachtigde [gemachtigde 1] namens Boete.nu heeft zich onttrokken en de zaak is in overleg en akkoordbevinding overgedragen aan gemachtigde.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets\u002Fbromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de [adres 2] te Breda op 10 september 2023 om 10:43 uur.\n\nTer zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat betrokkene de eigenaar is van het voertuig, maar dat zij de gedraging niet heeft verricht. De daadwerkelijke bestuurder heeft de boete feitelijk gereden. Het bleek dat hij het voertuig een paar dagen later heeft overgenomen. Hij heeft een bedrijf waarbij hij o.a. magazines levert aan allerlei restaurants. In het kader van die werkzaamheden bevoorraadt hij de betrokken restaurants. Daarvoor rijdt hij eigenlijk 5 dagen per week door de zones. Hij was zich ervan bewust dat er laad- en lostijden zijn. Echter, in dit geval betrof het een zondag en had hij een spoedbestelling. Formeel denkt gemachtigde dat de boete terecht is, maar anderzijds denkt gemachtigde dat betrokkene nooit heeft meegekregen dat er andere regels gelden op een zondag. In zijn herinnering was zondag een bezorgbare dag. Het is daarom niet zo’n gekke vraag of een waarschuwing niet op zijn plaats was, met name in combinatie met de bebording. Het is daar bovendien vrij onoverzichtelijk. Een ander formeel punt is dat het schouwrapport niet deugt. Er zit veel tijd tussen. Verder kan gemachtigde niet uitsluiten dat er tussentijds iets aan de hand is geweest met de bebording en of er wel geschouwd is. Mogelijk klopte er iets tijdelijk niet en is er later weer goed geschouwd. Verder is de redelijke termijn overschreden, waardoor de boete met 25% gematigd dient te worden.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft aangevoerd dat de boete terecht is opgelegd. Op zondag mag op de pleeglocatie niet worden gereden en de bebording is hier duidelijk over. De waarschuwingsperiode was er, maar die gold niet op de pleegdatum. Die liep van 1 januari 2021 tot 11 juli 2022, waardoor geen waarschuwing hoefde te worden gegeven. Verder moet het schouwrapport binnen 6 maanden voor en na de gedraging dateren en dat is hier het geval, meer specifiek augustus 2023 en september 2023. Er zijn verder geen afwijkende omstandigheden. Dat niet elke maand is geschouwd doet niet af aan de deugdelijkheid. Inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nGemachtigde heeft hierop gereageerd dat het praktisch onuitvoerbaar is om te stoppen en de bebording te lezen. Het zijn er zodanig veel dat het in de praktijk onhandig is. Verder begrijpt gemachtigde de gedachte achter de waarschuwingsperiode, maar vanuit het perspectief van betrokkene is hij niet gewaarschuwd en dat is waarin het verschil zit. Gemachtigde vraagt zich daarom af of systematisch naar het geheel wordt gekeken, of dat specifiek naar het individu wordt gekeken. Betrokkene heeft om die reden wel enige coulance verdiend, ondanks dat de boete formeel terecht kan zijn. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding stelt gemachtigde dat het er kortgezegd op neerkomt dat de extra vermenigvuldigingsfactor volgens art. 13a lid 2 sub a en b Wahv niet van toepassing kan zijn volgens ECLI:NL:HR:2025:46 en dat sprake is van een bijzonder geval. Dit standpunt werd recentelijk al bij diverse rechtbanken gehonoreerd, waaronder in een uitspraak die ook werd gepubliceerd: ECLI:NL:RBMNE:2026:635. Voorts is er voor de vorige gemachtigde, [gemachtigde 1], ook recht op een vergoeding gelet op ECLI:NL:RBGEL:2026:3508. Daarbij geldt de herwaardering wel, waardoor de vermenigvuldigingsfactor van toepassing is op diens werkzaamheden. Het vaste uitgangspunt is dat het geld voor betrokkene is en dat hij bepaald wat hij ermee doet.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft ten aanzien van de proceskostenvergoeding aangevoerd dat het CVOM ervan uitgaat dat de eerdere gemachtigde, [gemachtigde 1] namens Boete.nu, niet betrokken is bij de zaak en de zaak in zijn geheel heeft overgedragen aan gemachtigde [gemachtigde 2]. Dit betekent dat [gemachtigde 1] niet als gemachtigde wordt beschouwd. In deze situatie wordt alleen proceskostenvergoeding toegekend voor handelingen van [gemachtigde 2], meer specifiek het verschijnen ter zitting. Dit zonder vermenigvuldigingsfactor, omdat het een advocaat betreft en geen sprake is van een bijzonder geval als in art. 13a lid 2 Wahv. De zittingsvertegenwoordiger verwijst hiervoor naar ECLI:NL:GHARL:2026:514, waaruit volgt dat alleen de kosten in aanmerking komen voor de werkzaamheden in de kantonfase. Eerdere werkzaamheden van een andere gemachtigde, in dit geval [gemachtigde 1] namens Boete.nu, komen niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant en de foto - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien gemachtigde voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.\n\nDe kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De schouwrapporten zijn in orde en een waarschuwing was niet noodzakelijk omdat de gedraging buiten de waarschuwingsperiode valt. Daarbij stelt de kantonrechter vast dat betrokkene anders had kunnen en moeten handelen, nu betrokkene bekend is met de pleeglocatie. Dat betrokkene onvoldoende rekening heeft gehouden met de geldende regels ter plaatse komt voor eigen rekening en risico.\n\nDe boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOmdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.\n\n Naar het oordeel van de kantonrechter komen de verrichte werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking en heeft het onttrekken van een eerdere gemachtigde geen terugwerkende kracht. De werkzaamheden zijn verricht en er zijn geen bijzondere redenen zijn om deze werkzaamheden uit te zonderen van de gebruikelijke vergoedingsregeling.\n\nDaarnaast verwijst de kantonrechter naar ECLI:NL:HR:2025:985 en stelt zij vast dat sprake is van een bijzonder geval, waardoor bij de proceskostenvergoeding van gemachtigde [gemachtigde 2] geen vermenigvuldigingsfactor wordt toegepast. Omdat het beroepschrift door gemachtigde [gemachtigde 1] is ingediend en daarbij geen sprake is van een bijzonder geval, wordt bij de toekenning van dat punt wel een vermenigvuldigingsfactor toegepast.\n\nDe proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nberoepschrift kantonrechter, 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75\n\nzitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00\n\ntotaal € 583,75\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 120, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 40, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 583,75.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 23 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5751","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:31.075Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1642","ECLI:NL:RBZWB:2026:5752","ecli-nl-rbzwb-2026-5752","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11550911 \\ MB VERZ 25-262\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 23 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : mr. [gemachtigde 2]\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is verschenen. Betrokkene is niet verschenen. Eerdere gemachtigde [gemachtigde 1] namens Boete.nu heeft zich onttrokken en de zaak in overleg en akkoordbevinding overgedragen aan gemachtigde\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de A58 (links) te Ulvenhout op 7 november 2023 om 11:59 uur.\n\nTer zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat hij de foto herkent, maar iets anders krijgt als hij hem inzoomt. Gemachtigde verwijst naar jurisprudentie van het hof waarin is uitgelaten dat het gedoe van de telefoons voor druk zorgt en iedereen daarbij aanvoert dat het om een ander voorwerp gaat. Op basis van de foto die gemachtigde in zijn bezit heeft en de foto die de zittingsvertegenwoordiger heeft lijkt er een groot verschil te zijn. Op basis van de foto van gemachtigde was hij er vurig van overtuigd dat betrokkene het voordeel zou krijgen, maar op basis van de foto van de zittingsvertegenwoordiger denkt gemachtigde er anders over. Dat vindt hij kwalijk. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hier een gevolg aan moet worden verbonden en de boete nogmaals met 25% gematigd dient te worden, omdat iedere partij over hetzelfde moet beschikken. Een extra matiging zou een signaal afgeven.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht de boete niet extra te matigen, aangezien de kantonrechter het ook met een papieren dossier doet en de kwaliteit niet afdoet aan de bewijsbaarheid van de inhoud.\n\nTen aanzien van de proceskostenvergoeding stelt gemachtigde dat het er kortgezegd op neerkomt dat de extra vermenigvuldigingsfactor volgens art. 13a lid 2 sub a en b Wahv niet van toepassing kan zijn volgens ECLI:NL:HR:2025:46 en dat sprake is van een bijzonder geval. Dit standpunt werd recentelijk al bij diverse rechtbanken gehonoreerd, waaronder in een uitspraak die ook werd gepubliceerd: ECLI:NL:RBMNE:2026:635. Voorts is er voor de vorige gemachtigde, [gemachtigde 1], ook recht op een vergoeding gelet op ECLI:NL:RBGEL:2026:3508. Daarbij geldt de herwaardering wel, waardoor de vermenigvuldigingsfactor van toepassing is op diens werkzaamheden. Het vaste uitgangspunt is dat het geld voor betrokkene is en dat hij bepaald wat hij ermee doet. Wij als gemachtigden kunnen daar niet zozeer aanspraak op maken, maar slechts een nota of factuur sturen. Gemachtigde kan geen grondslag vinden waarom de werkzaamheden van de vorige gemachtigde niet worden betrokken bij de beoordeling van de proceskostenvergoeding.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft ten aanzien van de proceskostenvergoeding aangevoerd dat het CVOM ervan uitgaat dat de eerdere gemachtigde, [gemachtigde 1] namens Boete.nu, niet betrokken is bij de zaak en de zaak in zijn geheel heeft overgedragen aan gemachtigde [gemachtigde 2]. Dit betekent dat [gemachtigde 1] niet als gemachtigde wordt beschouwd. In deze situatie wordt alleen proceskostenvergoeding toegekend voor handelingen van [gemachtigde 2], meer specifiek het verschijnen ter zitting. Dit zonder vermenigvuldigingsfactor, omdat het een advocaat betreft en geen sprake is van een bijzonder geval als in art. 13a lid 2 Wahv. De zittingsvertegenwoordiger verwijst hiervoor naar ECLI:NL:GHARL:2026:514, waaruit volgt dat alleen de kosten in aanmerking komen voor de werkzaamheden in de kantonfase. Eerdere werkzaamheden van een andere gemachtigde, in dit geval [gemachtigde 1] namens Boete.nu, komen niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant en de foto - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien gemachtigde voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.\n\nDe kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een powerbank is gelijk qua vorm, maar de foto is in dit geval voldoende duidelijk. Daarbij ziet de kantonrechter geen aanleiding om een consequentie te verbinden aan het resolutieverschil.\n\nDe boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOmdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.\n\nNaar het oordeel van de kantonrechter komen de verrichte werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking en heeft het onttrekken van een eerdere gemachtigde geen terugwerkende kracht. De werkzaamheden zijn verricht en er zijn geen bijzondere redenen zijn om deze werkzaamheden uit te zonderen van de gebruikelijke vergoedingsregeling.\n\nDaarnaast verwijst de kantonrechter naar ECLI:NL:HR:2025:985 en stelt zij vast dat sprake is van een bijzonder geval, waardoor bij de proceskostenvergoeding van gemachtigde [gemachtigde 2] geen vermenigvuldigingsfactor wordt toegepast. Omdat het beroepschrift door gemachtigde [gemachtigde 1] is ingediend en daarbij geen sprake is van een bijzonder geval, wordt bij de toekenning van dat punt wel een vermenigvuldigingsfactor toegepast.\n\nDe proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nberoepschrift kantonrechter, 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75\n\nzitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00\n\ntotaal € 583,75\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 285, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 95, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 583,75.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 23 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5752","2026-07-13T00:29:31.186Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"1648","ECLI:NL:RBZWB:2026:5745","ecli-nl-rbzwb-2026-5745","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11588511 \\ MB VERZ 25-415\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 23 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : [gemachtigde] (Verbo Juridisch Advies)\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden, geconstateerd middels de RDW-registercontrole op 22 december 2023 om 17:04 uur.\n\nGemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Het zaakoverzicht is in zijn geheel leeg en er staat verder niet in waar betrokkene van beticht wordt. Verder gaat het om een voertuig wat op eigen terrein staat en al geschorst was. Betrokkene is vergeten de schorsing voort te zetten en heeft dit meteen binnen twee dagen gedaan, zelfs nog voor het ontvangen van de beschikking. Verder stelt gemachtigde dat de hoorplicht is geschonden, omdat de werkwijze van het CVOM ertoe leidt dat zaken niet achter elkaar afgehandeld kunnen worden. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Vanuit het CVOM wordt verzocht om een matiging als aan twee voorwaarden wordt voldaan, namelijk de snelheid waarmee alsnog actie is ondernomen door betrokkene en dat niet met het voertuig wordt gereden op de openbare weg. In dit geval is na 28 dagen actie ondernomen, maar is door gemachtigde nagelaten de stelling dat niet met het voertuig werd gereden nader te onderbouwen. Ten aanzien van de hoorplicht verwijst de zittingsvertegenwoordiger naar ECLI:NL:GHARL:2025:7580, waaruit volgt dat het CVOM een planning hanteert met een werkwijze waarbij een gemachtigde iedere tien minuten de telefoon moet opnemen. Dat gemachtigde niet bereikbaar was tijdens de afgesproken telefonische hoorzitting komt voor eigen rekening. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de gegevens van de RDW - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Het is de verantwoordelijkheid van betrokkene om tijdig actie te ondernemen en het voertuig te verzekeren, dan wel te schorsen. Dat betrokkene dit heeft nagelaten komt voor eigen rekening en risico.\n\nDe boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.\n\nSchending hoorplicht\n\nGemachtigde stelt dat de hoorplicht is geschonden, omdat de gehanteerde werkwijze bij het CVOM ertoe leidt dat zaken niet achter elkaar afgehandeld kunnen worden.\n\nDe kantonrechter verwijst naar uitspraak ECLI:NL:GHARL:2025:7580 en is van oordeel dat deze grond van gemachtigde faalt aangezien het CVOM vrij is om een werkwijze te bepalen om haar zaken af te handelen. Dat het CVOM een planning hanteert van opeenvolgende sessies van 10 minuten per zaak komt de kantonrechter redelijk voor. Op deze manier is er voldoende gelegenheid om de zaak af te sluiten. De gemachtigde had daar gebruik van kunnen maken, maar heeft op de telefonische oproep niet gereageerd. Die omstandigheid dient voor zijn rekening te komen.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOmdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.\n\nDe beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.\n\nDe proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nberoepschrift 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 337,50, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 112,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 116,75.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 23 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:\n\n Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5745","2026-07-13T00:29:31.470Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":51,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":53},"1619","ECLI:NL:RBZWB:2026:5755","ecli-nl-rbzwb-2026-5755","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer : 11601558 \\ MB VERZ 25-449\n\nCJIB-nummer : [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum : 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel op de Weerijssingel te Breda op 22 mei 2023 om 10:10 uur.\n\nBetrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is. Verder blijft de boete maar oplopen tot een hoger bedrag.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren, omdat het beroep bij de officier van justitie niet tijdig is ingesteld en die termijnoverschrijding ook niet verschoonbaar is.\n\nOverwegingen\n\nDe officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingesteld.\n\nDe kantonrechter overweegt als volgt. Voor het instellen van beroep bij de officier van justitie geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Die termijn eindigde in dit geval op 28 september 2023. De officier van justitie heeft het beroepschrift echter pas op 21 december 2023 ontvangen. Dat is te laat.\n\nArtikel 6:11 van de Awb bepaalt - kort gezegd - dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld. De kantonrechter is van oordeel dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het te laat beroep instellen niet aan betrokkene kan worden toegerekend.\n\nDe officier van justitie heeft het beroep dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen die beslissing is dan ook ongegrond. Dit betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan de beoordeling of de boete terecht is opgelegd.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5755","2026-07-13T00:29:29.967Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":58,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":60},"1830","ECLI:NL:RBZWB:2026:5749","ecli-nl-rbzwb-2026-5749","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11576282 \\ MB VERZ 25-369\n\nCJIB-nummer: [cjib-nummer]\n\nuitspraakdatum: 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden, geconstateerd middels de RDW-registercontrole op 10 november 2023 om 17:04 uur.\n\nBetrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat het voertuig is geschorst op 21 november 2023 en in opslag staat. Verder komt het voertuig niet op de openbare weg. De schorsing is geldig tot 21 november 2024. Betrokkene verwijst naar de bijlagen.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De gedraging kan worden vastgesteld. Er wordt door het CVOM slechts een verzoek tot matiging gedaan als is voldaan aan twee vereisten, namelijk dat niet is gereden met het voertuig en er snel actie is ondernomen. In dit geval is niet onderbouwd dat niet is gereden met het voertuig en is er ook niet snel actie ondernomen. Er is pas na 54 dagen gehandeld, rekenend vanaf de begindatum van de aansprakelijkheid. Daarbij wordt een termijn van zes weken geboden voordat er wordt gehandhaafd. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de gegevens van het RDW - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.\n\nDe kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Betrokkene heeft nagelaten tijdig actie te ondernemen.\n\nDe boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 337,50, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 112,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5749","2026-07-13T00:29:40.884Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":65,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":67},"1625","ECLI:NL:RBZWB:2026:5740","ecli-nl-rbzwb-2026-5740","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer : 11564446 \\ MB VERZ 25-337\n\nCJIB-nummer : [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum : 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens gemachtigde is verschenen [naam] . Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 17 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom op de Beneluxweg (t.h.v. [huisnummer]) te Oosterhout op 23 september 2023 om 11:34 uur.\n\nGemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene stelt geen bord H1 te zijn gepasseerd. Uit het dossier blijkt niet dat (kort) voor de aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd. Betrokkene betwist uitdrukkelijk dat de juiste bebording is geplaatst. Verder blijkt uit het dossier geen toereikend schouwrapport. Gemachtigde verwijst naar de rijroute en verzoekt om een proceskostenvergoeding.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren, aangezien gebleken is dat de schouwrapporten niet in orde zijn. Wel verzoekt zij deze zaak samen met twee andere zaken als samenhangend te beschouwen, aangezien er geen sprake is van een afzonderlijke reële inspanning. De gronden in de zaken zijn identiek. Bovendien wordt de rijroute opgesteld door betrokkene en niet door gemachtigde.\n\nTer zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat hij zich niet kan verenigen met de samenhang. Er is wel een reële inspanning geweest in elk dossier. De rijroute wordt inderdaad door betrokkene aangeleverd, maar door gemachtigde wordt dit op de kaart nagekeken, zijn er administratieve medewerkers die de dossiers controleren en juristen die elk dossier afzonderlijk onderzoeken en beroepsgronden opstellen. Dat sommige daarvan identiek zijn, doet daar niet aan af. Verzocht wordt om daarom de samenhang niet aan te nemen.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft hierop gereageerd dat de zaken standaardteksten bevatten.\n\nGemachtigde stelt niet in te zien waarom dezelfde feiten anders verwoord moeten worden als de conclusie hetzelfde is.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat de schouwrapporten niet in orde zijn. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.\n\nHet beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nSamenhang\n\nArtikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt dat onder samenhangende zaken het volgende wordt begrepen: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren, die door de kantonrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van die zaken (nagenoeg) identiek konden zijn.\n\nUit de hiervoor aangehaalde definitie blijkt dat doorslaggevend is in hoeverre de door de gemachtigde uitgevoerde werkzaamheden identiek of nagenoeg identiek zijn. Het is vaste rechtspraak dat van nagenoeg identieke werkzaamheden sprake is wanneer de behandeling van meer dan één zaak voor de rechtshulpverlener geen reële extra inspanning hoefde te vergen.\n\nNaar het oordeel van de kantonrechter is, gelet op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2025:6448, hier sprake van samenhangende zaken als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\nZij overweegt hierbij dat in deze drie zaken sprake is van nagenoeg identieke werkzaamheden. In elke zaak is sprake van dezelfde feitcode, en dezelfde rijroute (Beneluxweg ter hoogte van nummer 85). Bovendien hebben de beroepschriften afgezien van de naam, datum en het CJIB-nummer, een vrijwel identieke inhoud. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat gemachtigde in deze zaak geen reële extra inspanning heeft geleverd ten opzichte van de andere beroepen en dat er sprake is van samenhang.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOok zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen. Naar het oordeel van de kantonrechter (en met de zittingsvertegenwoordiger) is hier sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht met twee andere zaken die vandaag gelijktijdig door de kantonrechter zijn behandeld.\n\nDe beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is voor de fase bij de kantonrechter de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nadministratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 666,- = € 333,00\n\nhoorzitting: 1 punt x gewicht 0,5 x € 666,- = € 333,00\n\n € 666,00\n\nberoepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00\n\nzitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00\n\n € 934,00\n\n vermenigvuldigingsfactor x 0,25 = € 233,50\n\ntotaal € 899,50\n\nsamenhang x factor 1, delen door 3: € 299,83\n\nDit levert een proceskostenvergoeding van € 299,83 per zaak op.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gegrond;\n\n‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 186,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 299,83.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nTegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.\n\nDatum verzending:\n\n Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5740","2026-07-13T00:29:30.224Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":72,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":74},"1622","ECLI:NL:RBZWB:2026:5744","ecli-nl-rbzwb-2026-5744","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11602138 \\ MB VERZ 25-477\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : [gemachtigde] (Verbo Juridisch Advies)\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 11 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1) op de A59 (rechts) te Den Hout op 12 maart 2023 om 11:01 uur.\n\nGemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden omdat het CVOM presteert te bellen op tijdstippen en data waarop gemachtigde niet aanwezig was, terwijl dit al vooraf was doorgegeven. Er is sprake van misbruik van het recht door keer op keer niet te voldoen aan mails en telefoontjes met betrekking tot het verzetten van de hoorzitting, ofwel het traineren van ondergetekende. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de brief van de officier van justitie van 22 april 2024 met daarin de uitnodiging staat op welke wijze een hoorgesprek kan worden geannuleerd, namelijk per post of via het digitaal loket. Daarbij staat ook aangegeven op welke wijze dit niet kan en dat mails hierover niet worden beantwoord. Uit het hoorverslag blijkt dat er telefonisch contact is opgenomen met gemachtigde, maar dat hij geen gehoor gaf. Dat gemachtigde verhinderdata heeft doorgegeven zou niet moeten leiden tot een ander oordeel. De zittingsvertegenwoordiger verwijst hiervoor naar uitspraak ECLI:NL:GHARL:2026:1041. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Gemachtigde ontkent dit ook niet.\n\nDe boete is dus terecht opgelegd.\n\nSchending hoorplicht\n\nGemachtigde stelt dat de hoorplicht is geschonden doordat het CVOM hem contacteert op data en tijdstippen waarop gemachtigde verhinderd is.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de gemachtigde voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Met verwijzing naar het arrest van het Hof van 23 februari 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:1041) is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een schending van de hoorplicht in het geval dat een gemachtigde zich niet houdt aan de aangegeven wijze om het hoorgesprek af te zeggen, dan wel te verplaatsen. Nu vaststaat dat gemachtigde niet op de door het CVOM aangegeven wijze heeft gevraagd om de afspraak te verplaatsen, komt het voor eigen rekening van gemachtigde dat hij hieraan geen gehoor heeft gegeven.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOmdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.\n\nDe beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.\n\nDe proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nberoepschrift 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 74,25, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 24,75, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 116,75.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.\n\nTegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.\n\nDatum verzending:\n\n Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5744","2026-07-13T00:29:30.113Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":79,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":81},"1617","ECLI:NL:RBZWB:2026:5753","ecli-nl-rbzwb-2026-5753","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11601665 \\ MB VERZ 25-458\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: afslaan zonder richting aan te geven (met de arm of richtingaanwijzer) op de Backer en Ruebweg te Breda op 21 augustus 2023 om 13:36 uur.\n\nBetrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De boete is terecht opgelegd en de gedraging kan worden vastgesteld op basis van het zaakoverzicht. In wat is aangevoerd ziet de zittingsvertegenwoordiger geen reden tot twijfel. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.\n\nDe kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een enkele ontkenning is hiertoe onvoldoende.\n\nDe boete is dus terecht opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 82,50, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 27,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5753","2026-07-13T00:29:29.878Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":86,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":88},"1618","ECLI:NL:RBZWB:2026:5754","ecli-nl-rbzwb-2026-5754","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11576506 \\ MB VERZ 25-380\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: niet voldoende afstand houden, snelheid tot en met 80 km per uur op de Backer en Ruebweg te Breda op 21 augustus 2023 om 13:36 uur.\n\nBetrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De boete is terecht opgelegd en de gedraging kan worden vastgesteld op basis van het zaakoverzicht. In wat is aangevoerd ziet de zittingsvertegenwoordiger geen reden tot twijfel. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.\n\nDe kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een enkele ontkenning is hiertoe onvoldoende.\n\nDe boete is dus terecht opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 240, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 80, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5754","2026-07-13T00:29:29.922Z",1,20]