[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-administrative-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":37,"total":16,"page":25,"limit":197},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},30,{"min":18,"max":19},"2023-02-17T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21,26,30,33],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122125","Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens","art. 8",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"123841","Algemene wet inzake rijksbelastingen","art. 67",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"123842","",{"provisionId":34,"code":35,"article":36,"count":25},"123965","Algemene wet bestuursrecht","art. 8:31",[38,48,56,63,70,77,84,93,101,109,116,125,134,142,150,158,165,172,179,188],{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":47},"1236","ECLI:NL:CBB:2026:315","ecli-nl-cbb-2026-315","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F236\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussenStichting Pesticide Action Network Netherlands (PAN), te Assen en\n\nStichting Natuur- en Milieufederatie Zuid Holland(NMZH), te Den Haag (samen: demilieuorganisaties)\n\n(gemachtigden: mr. M.R.J. Baneke en M. Mantingh)\n\nen\n\nhet College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)\n\n(gemachtigden: mr. M.K. Konings en mr. M.K. Polano)\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)\n\nmet als derde partijen\n\nSumitomo Chemical Agro Europe S.A.S., te Saint Didier au Mont d’Or (Frankrijk) (Sumitomo)\n\n(gemachtigde: mr. E. Broeren)\n\nen\n\nArysta LifeScience Benelux Sprl, te Ougree (België)\n\nen\n\nSBM Développement S.A.S., te Ecully (Frankrijk)\n\nProcesverloop\n\nMet een brief van 10 mei 2023 heeft het Ctgb gereageerd op een verzoek van de milieuorganisaties om intrekking van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat.\n\nMet het besluit van 24 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Ctgb beslist op het bezwaar van de milieuorganisaties tegen de brief van 10 mei 2023.\n\nDe milieuorganisaties hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet Ctgb heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet Ctgb en de milieuorganisaties hebben nadere stukken ingezonden.\n\nSumitomo heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.\n\nDe zitting was op 11 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen gemachtigde Baneke van de milieuorganisaties, vergezeld van [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], de gemachtigden van het Ctgb, vergezeld van [naam 5], en de gemachtigde van Sumitomo, vergezeld van [naam 6].\n\nDe milieuorganisaties hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.\n\nOverwegingen\n\nSamenvatting\n\nIn deze zaak staan toelatingen door het Ctgb van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en efsenvaleraat ter discussie. De milieuorganisaties hebben verzocht om intrekking van de toelating van deze middelen, omdat de werkzame stoffen die deze middelen bevatten in Nederlandse oppervlaktewateren worden aangetroffen in hoeveelheden die de normen uit de Kaderrichtlijn Wateren de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden. Het Ctgb heeft geen aanleiding gezien om de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen in te trekken. Het College laat het bestreden besluit in stand.\n\nInleiding\n\n1.1. De milieuorganisaties hebben met een brief van 7 maart 2023 aan het Ctgb om intrekking verzocht van de toelating van alle gewasbeschermingsmiddelen op basis van cypermethrin, esfenvaleraat en abamectine (voor zover het toepassingen betreft in bedekte teelt). Volgens de milieuorganisaties blijkt uit de Bestrijdingsmiddelenatlas dat in de periode van 2017 tot en met 2021 de normen van de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen van deze werkzame stoffen in oppervlaktewateren zijn overschreden.\n\n1.2. Het Ctgb heeft het verzoek tot intrekking van de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen niet ingewilligd. In het bestreden besluit heeft het Ctgb uiteengezet dat en waarom hij niet tot intrekking van de toelatingen overgaat.\n\n1.3. \n\nDe besluitvorming van het Ctgb heeft betrekking op twaalf gewasbeschermingsmiddelen, waaronder Talisma EC, Belem 0.8 MG, Sumicidin Super en Sumi-Alpha 2.5 EC. Arysta LifeScience Benelux Sprl is de toelatinghouder van Talisma EC.\n\nSBM Développement S.A.S. is de toelatinghouder van Belem 0.8 MG en Sumitomo Chemical Agro Europe S.A.S. is de toelatinghouder van Sumicidin Super en Sumi-Alpha 2.5 EC.\n\nBeoordeling College\n\nIs sprake van een besluit en zijn de milieuorganisaties hierbij belanghebbenden?\n\n2.1. Het College ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de milieuorganisaties tegen de brief van 10 mei 2023 bezwaar konden maken en of zij belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) zijn. Sumitomo heeft dit in twijfel getrokken.\n\n2.2. Het verzoek van de milieuorganisaties aan het Ctgb om (ambtshalve) toepassing te geven aan artikel 44 van Verordening 1107\u002F2009, strekt ertoe dat het Ctgb een besluit neemt tot intrekking van de toelating van verschillende gewasbeschermingsmiddelen. De brief van 10 mei 2023, waarin het Ctgb heeft uiteengezet dat de door de milieuorganisaties verstrekte informatie geen aanleiding geeft om de toelatingen opnieuw te bekijken, houdt een afwijzing in van dat verzoek en tegen een dergelijke afwijzing staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open (zie de uitspraak van het College van 5 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:358).\n\n2.3. Het Ctgb heeft de milieuorganisaties terecht als belanghebbenden aangemerkt. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\n\n2.4. \n\nDe milieuorganisaties hebben met hun verzoek willen bereiken dat het Ctgb toelatingen van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, die de normen van de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden, in zou trekken, zodat de kwaliteit van het oppervlaktewater in Nederland, en daarmee in de provincie Zuid-Holland\n\n– de overschrijdingen waarnaar in het verzoek wordt verwezen hebben specifiek ook op dit gebied betrekking – wordt beschermd en verbetert. Dit past bij het doel dat beide milieuorganisaties statutair nastreven. Gezien de op de website van PAN te raadplegen statuten streeft deze stichting onder andere ernaar activiteiten te bevorderen om de toepassing en de verspreiding van synthetische pesticiden en biociden en andere schadelijke producten uit de chemische industrie te verminderen en te elimineren. Om de doelen te bereiken, houdt de stichting zich onder andere bezig met lobbyen, onderzoek, mogelijke voorstellen voor en verzet tegen wetswijzigingen of beleidsbeslissingen in Europese, nationale, regionale, lokale of mondiale fora. In de statuten van de NMZH, die op de website van deze stichting te vinden zijn, staat als doel omschreven: het bevorderen van een evenwichtige duurzame ontwikkeling van de economie, de samenleving en de fysieke omgeving, met daarbij speciale zorg voor de natuur, het landschap en het milieu in de provincie Zuid-Holland. De stichting beoogt dit doel te bereiken door – onder andere – het handelen, of het nalaten daarvan, door overheden te beoordelen, beïnvloeden en begeleiden, zoals door het indienen van bezwaar- en beroepschriften. Op de websites van de milieuorganisaties is informatie te vinden over de feitelijke werkzaamheden, waaronder activiteiten die zich richten tegen watervervuiling.\n\nDit brengt met zich dat de milieuorganisaties door het besluit van het Ctgb feitelijk en rechtstreeks worden geraakt in een belang dat zij krachtens hun statutaire doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\n\nIntrekking van de toelatingen omdat de voorwaarden voor de toelatingen langdurig zijn geschonden?\n\n3.1. Het College zal eerst beoordelen of het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine omdat de toelatingsnormen van de gewasbeschermingsmiddelen zouden zijn overschreden. De milieuorganisaties hebben dit verzoek gebaseerd op artikel 44, eerste lid, eerste volzin, in samenhang met het derde lid, van de gewasbeschermingsverordening.\n\n3.2. In artikel 44, eerste lid, eerste volzin, van de gewasbeschermingsverordening staat dat lidstaten een toelating te allen tijde opnieuw kunnen bekijken indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen. In artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening staan de eisen voor de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Het eerste lid, aanhef en onder e, van artikel 29 bepaalt dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten als het op grond van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet aan de eisen van artikel 4, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening. Het is aan de lidstaat – en in dit geval het Ctgb dat in Nederland op grond van artikel 4 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden de aangewezen instantie is – om te bepalen of het de toelating opnieuw gaat bekijken.\n\n3.3. Wanneer het Ctgb meent dat er aanwijzingen zijn dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen en het voornemens is een toelating in te trekken of te wijzigen, dan licht hij volgens artikel 44, tweede lid, de houder van de toelating in om opmerkingen te formuleren of gegevens te verstrekken. Het derde lid van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening bepaalt dat de lidstaat in voorkomend geval de toelating intrekt of wijzigt. Dit is onder meer het geval als (onder a) niet of niet meer wordt voldaan aan de eisen van artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening of als (onder c) niet voldaan is aan een voorwaarde in de toelating. Overigens is niet in geschil dat artikel 44 en artikel 29 het gebruik in overeenstemming met de toelatingsvoorwaarden veronderstellen.\n\n3.4. Het Ctgb heeft onderzocht of er aanwijzingen zijn dat de betrokken gewasbeschermingsmiddelen niet langer voldoen aan de in artikel 29 genoemde eisen en is in het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat die er niet zijn. Op grond daarvan heeft het Ctgb geen aanleiding gezien de toelatingen in te trekken.\n\nCypermethrin en abamectine\n\n3.5. De milieuorganisaties voeren aan dat er weliswaar niet veel, maar wel een aantal overschrijdingen van de toelatingsnormen voor cypermethrin en abamectine zijn. Volgens de milieuorganisaties is daarbij het resultaat van metingen wel geflatteerd, omdat veel meetpunten niet toetsbaar zijn, zodat ervan uit moet worden gegaan dat er veel meer overtredingen zijn dan de Bestrijdingsmiddelenatlas aangeeft. Er is volgens de milieuorganisaties dan ook alle reden voor het Ctgb om in actie te komen.\n\n3.6. Het Ctgb geeft aan dat voor beide stoffen het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm laag is en dat er in de Bestrijdingsmiddelenatlas geen correlatie met landgebruik is gerapporteerd. Voor cypermethrin ging het in de periode 2018 tot en met 2021 om drie á vier overschrijdingen op een totaal van meer dan 400 locaties en in 2022 om nul overschrijdingen. Voor abamectine was er in de jaren 2021 en 2022 sprake van nul tot twee overschrijdingen. In 2020 waren dat nog 14 overschrijdingen. De reden voor het Ctgb om bij lage aantallen overschrijdingen van de toelatingsnormen niet in te grijpen, is dat het niet nodig is dat alle locaties altijd voldoen aan de toelatingsnormen. Het gebruikelijke beschermdoel voor blootstelling in het milieu is het 90 percentiel van de concentraties in ruimte en tijd. Het Ctgb ziet enkele verspreid voorkomende overschrijdingen per jaar niet als structureel, omdat de kans dat de overschrijding gerelateerd is aan andere oorzaken (zoals onjuist gebruik of weersomstandigheden) groter is dan de kans dat het aan de toelating ligt. Daarnaast moet duidelijk zijn dat het aan de toelating ligt en niet aan illegaal of onjuist gebruik. Als er geen indicatie is dat een specifieke teelt of route verantwoordelijk is, is er onvoldoende bewijs om in te grijpen in de toelating.\n\n3.7. Het College kan het Ctgb volgen in zijn conclusie dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de betrokken gewasbeschermingsmiddelen niet langer voldoen aan de in artikel 29 genoemde eisen (en daarmee de toelatingsvoorwaarden). Hoewel het College kan begrijpen dat de milieuorganisaties van het Ctgb verwachten dat het actie onderneemt als sprake is van overschrijdingen van de toelatingsnorm, heeft het Ctgb naar het oordeel van het College toereikend toegelicht waarom daarvoor in dit geval geen aanleiding is. Het gaat om een relatief gezien beperkt aantal geconstateerde overschrijdingen, er lijkt geen correlatie te zijn met landgebruik en er is geen indicatie dat een specifieke teelt of route verantwoordelijk is voor de overschrijdingen. Dat het werkelijke aantal overschrijdingen hoger ligt dan de gerapporteerde overschrijdingen, zoals de milieuorganisaties stellen en door het Ctgb niet is weersproken, is zeker denkbaar. Maar in welke mate daarvan sprake is en wat de oorzaak daarvan is, is een onzekerheid. Gegeven de omstandigheid dat bij de wel geconstateerde overtredingen geen verband is gevonden met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens de voorschriften, ziet het College tegen deze achtergrond geen aanleiding om te oordelen dat de conclusie van het Ctgb geen stand kan houden.\n\nEsfenvaleraat\n\n3.8. De milieuorganisaties voeren aan dat voor gewasbeschermingsmiddelen met als werkzame stof esfenvaleraat geldt dat al jarenlang niet wordt voldaan aan de voorwaarden die bij de toelating zijn gesteld. Met de (stelselmatige) overschrijdingen van de toelatingsnormen (chronische norm voor waterorganismen) voor de stof in glastuinbouwgebieden wordt niet voldaan aan de gewasbeschermingsverordening. Daar komt bij dat het Ctgb erkent dat er problematiek is van langdurige overtredingen met betrekking tot esfenvaleraat. Artikel 44, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening verplicht dan tot intrekking en niet slechts tot “meenemen in een lopende herbeoordeling” zoals het Ctgb schrijft.\n\n3.9. Het Ctgb stelt dat voor de stof esfenvaleraat het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm inderdaad aanzienlijk is, met het jaar 2021 als duidelijke uitschieter. Met betrekking tot overschrijdingen van de toelatingsnorm is een structureel patroon te zien in monitoringsgegevens van de Bestrijdingsmiddelenatlas. Voor de periode 2020-2022 zijn er aanwijzingen dat gewasbeschermingsmiddelen voor de specifieke teelt van graszaad aan deze structurele overschrijding hebben bijgedragen. Momenteel is de integrale herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat volgens artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening in uitvoering, na hernieuwde goedkeuring van de stof, waarbij ook de meetgegevens opnieuw zijn geëvalueerd. Omdat deze herbeoordeling hetzelfde effect op het toegelaten gebruik heeft als een herbeoordeling volgens artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening (en kan, indien dit uit de beoordeling volgt, leiden tot dezelfde aanpassingen van het gebruik, voor wat betreft het toelatingscriterium) is het naar het oordeel van het Ctgb weinig zinvol om daar bovenop nog een herbeoordeling volgens artikel 44 van gewasbeschermingsverordening te starten. Het Ctgb onderneemt immers al actie om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat te herzien op basis van het toelatingscriterium.\n\n3.10. Het College kan het Ctgb volgen in zijn keuze om naast de herbeoordeling op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening niet ook een herbeoordeling op grond van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening te starten. Het College betrekt hierbij dat de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening zich, net als artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening op de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen richt. Het betreft hier dan ook eenzelfde beoordeling met eenzelfde effect.\n\nTussenconclusie\n\n3.11. Het College is van oordeel dat het Ctgb op toereikende gronden heeft besloten geen gebruik te maken van zijn in artikel 44, eerste lid, eerste volzin, van gewasbeschermingsverordening neergelegde herbeoordelingsbevoegdheid.\n\nIntrekking van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen omdat de normen van de Kaderrichtlijn Water worden overschreden?\n\n4.1. Het College zal hierna beoordelen of het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine omdat de normen van de Kaderrichtlijn Water in het oppervlaktewater zouden zijn overschreden. De milieuorganisaties hebben dit verzoek gebaseerd op artikel 44, eerste lid, tweede volzin, van de gewasbeschermingsmiddelenverordening.\n\n4.2. In artikel 44, eerste lid, tweede volzin, staat dat een lidstaat (lees: Ctgb) een toelating herziet wanneer hij concludeert dat het mogelijk is dat de doelstellingen zoals bepaald in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, en onder b, i, en artikel 7, leden 2 en 3, van Kaderrichtlijn Water niet kunnen worden verwezenlijkt.\n\n4.3. Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, van de Kaderrichtlijn Water gaat over oppervlaktewateren. Hierin wordt bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedsbeheerplan omschreven maatregelenprogramma voor oppervlaktewateren, de lidstaten overeenkomstig artikel 16, eerste en achtste lid, de nodige maatregelen ten uitvoer leggen, met de bedoeling de verontreiniging door zogenaamde prioritaire stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. In bijlage I van Richtlijn 2013\u002F39staat een lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid. Cypermethrin komt op deze lijst voor, abamectine en esfenvaleraat niet.\n\n4.4. Anders dan artikel 44, eerste lid, eerste volzin, is de tweede volzin dwingender geformuleerd. Deze volzin schrijft voor wat het Ctgb moet doen als hij concludeert dat het mogelijk is dat de daarin bedoelde doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water niet kunnen worden verwezenlijkt. In dat geval herziet het Ctgb de toelating. Dat de Uniewetgever heeft beoogd dit onderscheid te maken tussen de eerste en tweede volzin wordt bevestigd door andere taalversies. In de Franse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten de toelating “peuvent réexaminer”en in de tweede volzin staat dat een lidstaat een toelating “réexamine”. In de Engelse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten een toelating “may review” en in de tweede volzin “shall review”. In de Duitse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten “können eine Zulassung jederzeit ändern” en in de tweede volzin dat de lidstaat “überprüft die Zulassung”. In tegenstelling tot de rechterlijke beoordeling in het kader van de eerste volzin, ligt de in de tweede volzin bedoelde herziening in volle omvang ter beoordeling voor aan de rechter omdat het hier een verplichting betreft van het Ctgb.\n\nCypermethrin\n\n4.5. De milieuorganisaties wijzen erop dat de Kaderrichtlijn Water zich met verplichtingen tot de lidstaten richt. Voor prioritaire stoffen, zoals cypermethrin, bestaat een verplichting om de verontreiniging van oppervlaktewateren met die stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van (prioritaire) stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. Dat volgt uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, van de Kaderrichtlijn Water. Het Ctgb is bij uitstek de partij die voor Nederland is aangewezen en de middelen heeft om aan deze verplichting te voldoen. Nu de milieuorganisaties het Ctgb erop hebben gewezen dat cypermethrin in veel hogere concentraties voorkomt dan volgens de Kaderrichtlijn Water aanvaardbaar is in Nederlands oppervlaktewater, kan het Ctgb niet werkeloos blijven toezien dat deze situatie voortduurt. Uit de Bestrijdingsmiddelenatlas blijkt dat Cypermethrin in 2018 tot en met 2022 ieder jaar op verscheidene plaatsen in Nederlands oppervlaktewater werd aangetroffen in concentraties die een veelvoud zijn van de norm die volgens de Kaderrichtlijn Water voor die stof nog aanvaardbaar is. Cypermethrin is een chemisch gewasbeschermingsmiddel, andere toepassingen dan gebruik in landbouw en tuinbouw zijn er niet. Als het in ontoelaatbare hoeveelheden in oppervlaktewateren wordt aangetroffen, zonder dat precies kan worden vastgesteld van welk perceel het afkomstig is, vormt dat juist een reden om het gebruik in heel Nederland te beëindigen, aldus de milieuorganisaties.\n\n4.6. Het College stelt voorop en onderschrijft daarmee het standpunt van het Ctgb dat voor het ingrijpen in een toelating relevant is of de overschrijding van de normen uit de Kaderrichtlijn Water uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeit uit het normale gebruik van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Dit betekent dat een overschrijding per geval moet worden geanalyseerd om de redenen voor de overschrijding te begrijpen, omdat de overschrijding ook kan komen door verkeerd gebruik door particulieren of door gebruik voor andere doeleinden, namelijk als biocide of diergeneesmiddel.\n\n4.7. Het Ctgb heeft de overschrijdingen (volgens de Bestrijdingsmiddelenatlas) onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat er geen aanknopingspunten zijn dat de overschrijdingen worden veroorzaakt door het normale gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen volgens de gebruiksvoorschriften. Hierbij heeft het Ctgb betrokken dat cypermethrin een hoge sorptie aan de bodem heeft en alleen nog als granulaat en voor gebruik in opslag is toegelaten. Bij deze gebruikstypen wordt geen dan wel weinig emissie naar het oppervlaktewater verwacht. Granulaat is bovendien pas vanaf 2022 toegelaten, zodat het gebruik hiervan ook geen aanwijzing kan zijn voor het jarenlange aantreffen van de stof. Het gebruik van het middel met een toelating in koolzaad is inmiddels beëindigd. Het is volgens het Ctgb dan ook weinig zinvol om nog bestaande toelatingen van middelen op basis van cypermethrin in te trekken. Daarbij is volgens het Ctgb van belang dat de stof cypermethrin niet uitsluitend als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast. Er zijn twee middeltoelatingen op basis van alfa-cypermethrin als biocide, namelijk als insecticide in pluimveebedrijven (voor professioneel en niet-professioneel gebruik). Ook wordt cypermethrin gebruikt als diergeneesmiddel voor schapen. In de Bestrijdingsmiddelenatlas wordt cypermethrin echter gepresenteerd als een groepsstof. Dat betekent dat verschillende chemische vormen van cypermethrin niet altijd door alle laboratoria apart kunnen worden gemeten en dat alle vormen van cypermethrin hieronder vallen. Daarnaast zijn volgens het Ctgb de correlaties concentraties met landgebruik niet goed te duiden. Het College overweegt dat deze analyse van het Ctgb – zoals de milieuorganisaties ook stellen – onzekerheden bevat over de oorzaken van te hoge concentraties cypermethrin in het oppervlaktewater. Maar de milieuorganisaties hebben de door het Ctgb gesignaleerde (ernstige) twijfels of die overschrijding aan het normale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is te wijten niet kunnen wegnemen. Gelet op de beschikbare gegevens en de gemotiveerde uiteenzetting van het Ctgb dat de betreffende gewasbeschermingsmiddelen vanwege de stofeigenschap en het type gebruik naar verwachting niet of nauwelijks in het oppervlaktewater terecht zullen komen, kan het College het Ctgb in zijn conclusie volgen dat de overschrijding van de normen uit de Kaderrichtlijn Water niet uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeit uit het normale gebruik van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stof cypermethrin.\n\nAbamectine en esfenvaleraat\n\n4.8. De milieuorganisaties voeren aan dat abamectine en esfenvaleraat specifiek verontreinigende stoffen zijn, die de ecologische toestand van een waterlichaam mede bepalen, als bedoeld in de Kaderrichtlijn Water. Dat de milieuorganisaties hun verzoek hebben gedaan in verband met overschrijdingen van normen in oppervlaktewater, zou het Ctgb er niet van hoeven te weerhouden om te onderzoeken of grondwater en water voor drinkwaterwinning mogelijk in gevaar komen door het gebruik van abamectine en esfenvaleraat.\n\n4.9. Het College stelt vast dat op het moment van de besluitvorming van het Ctgb abamectine en esfenvaleraat geen prioritaire stoffen waren. Het Ctgb is voor deze stoffen terecht niet toegekomen aan een herziening van de toelating als bedoeld in artikel 44, eerste lid, tweede volzin, van de gewasbeschermingsverordening. Het verzoek van de milieuorganisaties was namelijk beperkt tot normoverschrijdingen in het oppervlaktewater. De bepalingen van de Kaderrichtlijn Water, die in de tweede volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening worden genoemd, hebben wat betreft oppervlaktewater alleen betrekking op prioritaire stoffen.\n\n4.10. Wat betreft toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met esfenvaleraat, heeft het Ctgb, zoals in 3.9 vermeld, aangegeven dat er een herbeoordeling plaats vindt op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening. Het College merkt in dat verband nog het volgende op. Artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening verwijst net als de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, naar de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen. Eén van de vereisten van artikel 29 in samenhang bezien met artikel 4, derde lid, aanhef en onder e, van de gewasbeschermingsverordening is dat een gewasbeschermingsmiddel geen onaanvaardbare effecten mag hebben op het milieu. Het College brengt onder de aandacht dat Advocaat Generaal Kokott in haar conclusie van 5 juni 2025 (ECLI:EU:C:2025:422) in de procedure voor interne herziening van de goedkeuring van cypermethrin heeft geschreven dat de schending van milieukwaliteitsnormen van de Kaderrichtlijn Water een sterke aanwijzing kan vormen voor onaanvaardbare effecten op het milieu. Bij een eventueel beroep tegen de besluitvorming over de herbeoordeling in het kader van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening, kan de rechter bij de toetsing van het besluit (ook) dit vereiste betrekken.\n\nTussenconclusie\n\n4.11. Het College is van oordeel dat het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine vanwege overschrijding van de normen van de Kaderrichtlijn Water in het oppervlaktewater.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\n5.1. De milieuorganisaties hebben het College samen verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In deze zaak geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn maximaal twee jaar is. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk, tenzij er sprake is van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten, maar daar is in dit geval geen sprake van. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het Ctgb is ontvangen en loopt door tot de datum waarop het College uitspraak heeft gedaan.\n\n5.2. Het Ctgb heeft het bezwaarschrift op 14 juni 2023 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn, afgerond met dertien maanden overschreden. De milieuorganisaties hebben daarom recht op € 1.500,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan het Ctgb als aan het College toe te rekenen.\n\n5.3. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Ctgb en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van twee maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb het Ctgb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 230,77 (2\u002F13 x € 1.500,-) aan de milieuorganisaties en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.269,23 (11\u002F13 x € 1.500,-).\n\nSlotsom\n\n6 Het beroep is ongegrond. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n7.1. In de overschrijding van de redelijke termijn ziet het College aanleiding het Ctgb en de Staat te veroordelen in de kosten van de milieuorganisaties in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan het Ctgb als aan het College is toe te rekenen, zullen het Ctgb en de Staat ieder voor de helft in de proceskosten van de milieuorganisaties worden veroordeeld (€ 233,50).\n\n7.2. Het Ctgb hoeft de overige proceskosten niet te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt het Ctgb tot betaling aan de milieuorganisaties van een immateriële schadevergoeding van € 230,77;\n\n- veroordeelt de Staat tot betaling aan de milieuorganisaties van een immateriële schadevergoeding van € 1.269,23;\n\n- veroordeelt het Ctgb in de door de milieuorganisaties in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 233,50;\n\n- veroordeelt de Staat in de door de milieuorganisaties in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 233,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. C.T. Aalbers en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. J.H. de Wildt w.g. A.C. van Helvoort\n\nRichtlijn 2000\u002F60\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.\n\n Richtlijn 2013\u002F39\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000\u002F60\u002FEG en Richtlijn 2008\u002F105\u002FEG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:315","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:11.469Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":52,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":46,"updatedAt":55},"763","ECLI:NL:CBB:2026:314","ecli-nl-cbb-2026-314","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F426\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 op het hoger beroep van:\n [naam 1] B.V., te [vestigingsplaats]\n\n(gemachtigde: [naam 2] )\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024, kenmerk 23\u002F4659, in het geding tussen\n\n [naam 1]\n\nen\n\nde minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportvoorheen: de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport\n\n(gemachtigde: mr. D.W. Gerritsen)\n\nProcesverloop in hoger beroep\n\n [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:2908).\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen.\n\nInleiding\n\n1.1. In het kader van het festival Dutch Valley 2022 is [naam 1] door de festivalorganisator ingehuurd om diverse biertappunten te verzorgen, waaronder een biertappunt in de zogenoemde Hip Hop tent. [naam 1] beschikte over de ontheffing voor het schenken van zwak-alcoholhoudende drank, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Alcoholwet (ontheffing). Die ontheffing gold voor het gehele festivalterrein voor in totaal vijftien biertappunten, waaronder dus een in de Hip Hop tent. De organisator van het festival beschikte over de evenementenvergunning. De organisator verkocht festivalmunten waarmee bezoekers hun consumpties in de Hip Hop tent betaalden. Op het gehele festivalterrein gold een door de festivalorganisator ingesteld en aangeduid rookverbod.\n\n1.2. Op 14 augustus 2022 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit de Hip Hop tent geïnspecteerd op naleving van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw), waaronder het handhaven van het rookverbod. In het van die inspectie door een van hen opgemaakte rapport van bevindingen van 9 december 2022, beschrijft de inspecteur dat hij heeft gezien dat meerdere mensen sigaretten en e-sigaretten (vapes) rookten, dat zij niet op het rookverbod werden aangesproken en dat er sigarettenpeuken op de grond lagen.\n\n2 De minister heeft [naam 1] met een besluit van 17 januari 2023 (boetebesluit) een boete van € 600,- opgelegd, omdat [naam 1] op 14 augustus 2022 in de Hip Hop tent het rookverbod niet heeft gehandhaafd, waartoe zij op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw verplicht was. Met het besluit op bezwaar van 26 mei 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard en de boete in stand gelaten.\n\nUitspraak van de rechtbank\n\n3 De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister [naam 1] terecht als overtreder van de in het bestreden besluit vermelde overtreding heeft aangemerkt en de boete van € 600,- heeft mogen opleggen. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.\n\nStandpunten van partijen\n\n4.1. Zoals op zitting is besproken handhaaft [naam 1] alleen de hoger beroepsgrond dat zij geen overtreder is. Zij erkent dat het rookverbod in de Hip Hop tent niet werd gehandhaafd, maar betoogt dat de organisator van het festival dat had moeten doen. Die heeft het rookverbod ingesteld en aangeduid op het festivalterrein en had het moeten handhaven. Dit volgt uit de afspraken tussen [naam 1] en de festivalorganisator. [naam 1] is van mening dat zij alleen leverancier is van de biertappunten en het barpersoneel en stelt dat zij verder geen zeggenschap had.\n\n4.2. De minister heeft verzocht om de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.\n\nWettelijk kader\n\n5 Het van toepassing zijnde wettelijke kader is vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n6.1. Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten en licht dit hieronder toe.\n\n6.2. De boete is aan [naam 1] opgelegd, omdat zij in de hoedanigheid van exploitant van een horeca-inrichting gehouden was tot het handhaven van het rookverbod en zij dit heeft nagelaten. Dat deze verplichting op de exploitant van de horeca-inrichting rust, volgt uit artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw. Tussen partijen is niet in geschil dat het festivalterrein een horeca-inrichting is. Ook staat niet ter discussie dat de Hip Hop tent een lokaliteit is van die inrichting waarin het horecabedrijf werd uitgeoefend. Vaststaat ook dat het rookverbod op 14 augustus 2022 niet werd gehandhaafd in de Hip Hop tent.\n\n6.3. De vraag die in hoger beroep centraal staat, is of [naam 1] de exploitant van de horeca-inrichting is. Volgens [naam 1] blijkt uit de onderlinge afspraken dat de festivalorganisator de exploitant van de horeca-inrichting is. Met de rechtbank is het College van oordeel dat [naam 1] de exploitant van de horeca-inrichting is en dat zij het rookverbod had moeten handhaven. Hiertoe overweegt het College als volgt. Vaststaat dat [naam 1] de aanvrager en houder is van de ontheffing. Deze ontheffing gold voor het hele festivalterrein, waaronder ook het tappunt in de Hip Hop tent. Zonder deze ontheffing is het niet mogelijk om de horeca-inrichting te exploiteren. [naam 1] verkocht in de Hip Hop tent tegen betaling drankjes, waaronder bier, voor consumptie ter plaatse. Dat de organisator van het festival haar niet betaalde per consumptie, maar voor de dienst als geheel en dat bezoekers hun consumpties betaalden met festivalmunten maakt, anders dan [naam 1] betoogt, niet dat zij slechts leverancier van de bar en het barpersoneel was. Ook de afspraak dat de festivalorganisator beveiligers zou inhuren die op het festivalterrein, waaronder de Hip Hop tent, het rookverbod zouden handhaven, maakt niet dat [naam 1] niet de exploitant is van de Hip Hop tent. De hoedanigheid van exploitant van de Hip Hop tent verschuift niet van [naam 1] naar de festivalorganisator omdat zij een afspraak over het handhaven van het rookverbod in de Hip Hop tent hebben gemaakt. Deze afspraak, en de gestelde omstandigheid dat [naam 1] geen zeggenschap had over de beveiligers, ontslaan haar niet van de op haar als exploitant rustende verplichting om ervoor te zorgen dat in de Hip Hop tent het rookverbod wordt gehandhaafd.\n\n6.4. Uit het vorenstaande volgt dat [naam 1] als exploitant van de Hip Hop tent wettelijk verplicht was om daar het rookverbod te handhaven. Dat [naam 1] met de organisator is overeengekomen dat die het rookverbod in de Hip Hop tent zou handhaven, wat ook blijkt uit de omstandigheid dat zij de opgelegde boete aan hem heeft doorbelast, heeft niet tot het resultaat geleid dat het rookverbod in de Hip Hop tent daadwerkelijk werd gehandhaafd. Dat komt voor rekening en risico van [naam 1] op wie de wettelijke verplichting tot het handhaven van het rookverbod in de Hip Hop tent rustte. Zij is in het bestreden besluit terecht als overtreder aangemerkt en de minister was daarom bevoegd om haar een boete op te leggen.\n\n6.5. Dat de minister naar eigen zeggen ook de organisator van het festival had kunnen beboeten voor het niet handhaven van het rookverbod op het festivalterrein maakt niet dat [naam 1] met betrekking tot de Hip Hop tent geen overtreder is van de verplichting om daar het rookverbod te handhaven. De organisator en [naam 1] hebben beiden een eigen verantwoordelijkheid bij het handhaven van het rookverbod.\n\n6.6. De situatie dat de organisator van het festival over de ontheffing beschikt en de exploitant is van het festivalterrein als horeca-inrichting, doet zich hier niet voor. Dat was wel het geval in de zaak die tot de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:5336) heeft geleid, waarnaar [naam 1] ter ondersteuning van haar standpunt verwijst. Aan die uitspraak komt daarom niet de betekenis toe die [naam 1] daar in dit geding aan toegekend wil zien.\n\nSlotsom\n\n7 Het hoger beroep slaagt niet. Het College zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.\n\n8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. A. van Gijzen en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.M. Smorenburg w.g. J.W.E. Pinckaers\n\nBIJLAGE WETTELIJK KADER\n\nTabaks- en rookwarenwet\n\nArtikel 1\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: [..]\n\nhoreca-inrichting: a. inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet; [..]\n\nArtikel 10 1 In de navolgende gevallen is de navolgende persoon of het navolgende orgaan verplicht tot het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod: [..] e. in een horeca-inrichting: de exploitant van die horeca-inrichting; [..]\n\nAlcoholwet\n\nArtikel 1\n\n1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: [..] – lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;\n\n– horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse; [..]\n\n– inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;\n\n[..]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:314","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.997Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":62},"1230","ECLI:NL:CBB:2026:319","ecli-nl-cbb-2026-319","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F30\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1], handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] (onderneming)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 20 april 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een voorschot verleend van € 7.318,44.\n\nMet het besluit van 2 september 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de onderneming vastgesteld op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot van € 6.903,90 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De onderneming heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de onderneming mocht vaststellen op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de onderneming, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de onderneming\n\n3 De onderneming is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Hierdoor komt de onderneming in ernstige financiële problemen. Zij doet ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. De onderneming voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de subsidie zou worden vastgesteld op een bedrag, gelijk aan het aan haar toegekende voorschot van € 7.318,44. Zij heeft haar bedrijfsvoering en financiële planning daarop afgestemd. Ook voert zij aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, omdat de plotselinge terugvordering grote consequenties heeft voor de onderneming en deze onder grote druk zet. Daarnaast voert zij aan dat er sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad doordat de minister de tegemoetkoming onjuist en misleidend heeft berekend, zodat ondernemers onverwacht grote bedragen moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de onderneming financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. De minister heeft de onderneming al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat de tegemoetkoming lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Ook heeft de minister geen toezegging of andere uitlating gedaan of gedraging verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar tegemoetkoming zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. Tot slot is er geen sprake van een onrechtmatige overheidsdaad, omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de onderneming, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de onderneming is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 20.909,82. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn het verleningsbesluit staat daarnaast de volgende passage:\n\n“Het definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023, zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 414,54. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De onderneming heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de onderneming onvoldoende wordt gecompenseerd voor de hoge energieprijzen. Het College merkt voor de volledigheid op dat het de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De onderneming heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De onderneming heeft aangevoerd dat de plotselinge terugvordering ernstige financiële consequenties heeft en de onderneming onder grote druk zet. Het College oordeelt dat zij deze omstandigheden alleen heeft gesteld en niet met stukken heeft onderbouwd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de ondernemingen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de onderneming dat bedrag niet nodig heeft gehad waar het voor bedoeld was, namelijk om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen. De onderneming heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen betalingsregeling. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nBeroep op het vertrouwensbeginsel\n\n8 Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet de onderneming in ieder geval aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de onderneming in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Daar is in dit geval geen sprake van. Het College volgt de minister in zijn standpunt dat geen toezegging of andere uitlating is gedaan of gedraging is verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar subsidie zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. De minister heeft er terecht op gewezen dat in het verleningsbesluit staat vermeld dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen door de ontwikkeling van de energieprijzen.\n\n9 Uit het voorgaande (onder 5-8) volgt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en dus ook niet van een onrechtmatige overheidsdaad. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen nadere bespreking.\n\nConclusie\n\n10 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n11 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de onderneming betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-onderneming zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-onderneming of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:319","2026-07-13T00:29:11.197Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":67,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":69},"1232","ECLI:NL:CBB:2026:318","ecli-nl-cbb-2026-318","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F118\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 2 november 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een tegemoetkoming van maximaal € 12.767,65 verleend.\n\nMet het besluit van 30 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de vennootschap vastgesteld op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot van € 4.450,62 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 januari 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Zij stelt dat de aanvraag door een tussenpersoon is gedaan en dat de vennootschap geen financieel voordeel heeft gehad omdat de voorschotten niet door haar zijn gehouden of gebruikt. Bovendien zijn haar energiekosten niet gedaald en is zij hoge energiekosten blijven betalen, ondanks de omstandigheid dat de onderneming niet volledig operationeel was vanwege ernstige gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar. De directeur-eigenaar van de vennootschap is lange tijd niet in staat geweest om actief te zijn binnen het bedrijf en heeft op 9 januari 2025 een hartoperatie ondergaan. Hierdoor is het niet mogelijk voor de vennootschap om het ontvangen voorschot volledig terug te betalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft de vennootschap al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Dat de vennootschap voor het indienen van de aanvraag een derde heeft ingeschakeld is geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan zou moeten worden afgeweken van de bepalingen uit de TEK. De vennootschap heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van de onderneming in gevaar is of dat de vennootschap het met de minister overeengekomen bedrag niet zou kunnen terugbetalen. Dat de directeur-eigenaar van de vennootschap op leeftijd is en gezondheidsproblemen heeft, maakt ook niet dat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde voorschot onevenwichtig is. Bovendien heeft de minister de mogelijkheid geboden om ruime terugbetalingsregelingen te treffen en is zij altijd in contact gebleven met de aanvragers over de ontwikkelingen.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit het verweerschrift blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister ook bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de vennootschap is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 12.767,65. Als uw\n\nsubsidiabele kosten hoger zijn dan € 160.000, dan is uw subsidiebedrag\n\nbegrensd op € 160.000.\n\nU ontvangt een voorschot van 35% van de subsidie vóór begrenzing op het\n\nmaximale subsidiebedrag van € 160.000. Het voorschot zelf is ook begrensd\n\nop € 160.000.\n\nHet definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 18,06. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. Het College vat het beroep van de vennootschap op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022 enorm gestegen energieprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. Dat de energiekosten van de vennootschap hoog bleven door het in 2021 afgesloten vaste energiecontract en de onderneming van de vennootschap grotendeels niet operationeel was vanwege gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar is geen omstandigheid die de terugvordering onevenwichtig maakt. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is. Ook is niet gebleken dat de voorschotten niet door de vennootschap zijn gehouden of gebruikt, zodat ook dit geen bijzondere omstandigheid oplevert die de minister zou noodzaken af te wijken van de bepalingen uit de TEK. De keuze om een intermediair in te schakelen voor het indienen van de aanvraag is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nConclusie\n\n8 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n9 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:318","2026-07-13T00:29:11.301Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":74,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":76},"1233","ECLI:NL:CBB:2026:317","ecli-nl-cbb-2026-317","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummers: 25\u002F383 en 25\u002F384\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen\n\n [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. S. Piron)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 februari 2025 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de verzoeken van de ondernemer tot herziening van de besluiten van 9 maart 2022 en 10 mei 2022 tot afwijzing van de subsidieaanvragen op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor respectievelijk het vierde kwartaal (Q4) van 2021 en het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen.\n\nMet de besluiten van 10 april 2025 (bestreden besluiten) heeft de minister het daartegen\n\ndoor de ondernemer gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe ondernemer heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe ondernemer heeft nadere stukken ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en de gemachtigde van de minister.\n\nInleiding\n\n1.1. De ondernemer heeft op 24 december 2021 en 30 maart 2022 aanvragen gedaan voor TVL-subsidie voor respectievelijk Q4 van 2021 (voor zaak 25\u002F383) en Q1 van 2022 (voor zaak 25\u002F384). Op 9 maart 2022 (voor zaak 25\u002F383) en 10 mei 2022 (voor zaak 25\u002F384) heeft de minister deze aanvragen afgewezen (subsidiebesluiten), omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De ondernemer heeft geen bezwaar gemaakt tegen de subsidiebesluiten.\n\n1.2. Op 26 november 2024 heeft de ondernemer verzocht om herziening van de subsidiebesluiten (herzieningsverzoeken). De minister heeft de herzieningsverzoeken afgewezen. Dat de ondernemer wel in aanmerking zou komen voor de TVL-subsidies, behoorde al eerder bekend te zijn en had hij daarom al eerder moeten inbrengen. Een gegrond beroep in een eerder subsidiekwartaal werkt bovendien niet door in latere kwartalen. De minister heeft de bezwaren van de ondernemer tegen de afwijzingsbesluiten ongegrond verklaard omdat er geen sprake is van relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Ook is er geen sprake van een kennelijke misslag of van bijzondere feiten en omstandigheden die maken dat de afwijzing van de herzieningsverzoeken evident onredelijk zou zijn.\n\n1.3. De vraag die in deze zaken voorligt is of de minister de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen.\n\nWettelijk kader\n\n2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nStandpunten van partijen\n\n3 De ondernemer is het niet eens met de afwijzing van de herzieningsverzoeken. Hij voert aan dat er wel sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Op 21 maart 2023 heeft het College hem in het gelijk gesteld in een beroep over een subsidie voor Q1 van 2021 op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKB-ondernemingen COVID-19 (SVL) (ECLI:NL:CBB:2023:145; de uitspraak van 21 maart 2023). Hieruit volgt dat hij wel degelijk in aanmerking komt voor TVL-subsidie. Daardoor is er ook sprake van een kennelijke misslag in de subsidiebesluiten, omdat overduidelijk is dat de TVL-subsidies moesten worden verleend. Bovendien had de minister de subsidiebesluiten moeten herzien, in overeenstemming met zijn eigen herzieningspraktijk voor gevallen waarin onjuiste SBI-codes ten onrechte niet zijn gecorrigeerd na een toegekend bezwaar in eerdere periodes. Verder is door de minister ten onrechte geen rekening gehouden met zijn medische situatie en andere persoonlijke en zakelijke omstandigheden tijdens de coronacrisis. Hij is op 14 februari 2021 met spoed opgenomen in het ziekenhuis vanwege hartproblemen en heeft hierna nog veel last gehad van fysieke en psychische klachten. Het is daarom ook evident onredelijk om de herzieningsverzoeken af te wijzen.\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen. Er is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De uitspraak van 21 maart 2023 levert geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op. In die uitspraak ging het over SVL voor subsidieperiode Q1 van 2021 en daaruit volgt niet dat de ondernemer recht zou hebben op TVL-subsidie voor andere kwartalen. In die zaak had de minister een fout gemaakt die niet met een intrekking van het besluit mocht worden hersteld. Dat betekent niet dat er daarom wel recht op TVL-subsidie zou bestaan voor de subsidieperiodes Q4 van 2021 en Q1 van 2022. De uitspraak van 21 maart 2023 verandert niets aan het feit dat die subsidieaanvragen terecht zijn afgewezen. Indien geen sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid, hanteert de minister bij de TVL het vaste uitgangspunt om bij verzoeken om herziening overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Alleen als er sprake is van een evidente onredelijkheid of van een kennelijke misslag ziet de minister dan aanleiding om te herzien. In deze procedure is de minister niet gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag of dat er bijzondere omstandigheden zijn die het afwijzingsbesluit evident onredelijk maken. De persoonlijke en overige omstandigheden geven geen aanleiding om het afwijzingsbesluit te herzien. Deze zaak valt ook niet onder de categorale uitzonderingsgrond voor onjuiste SBI-codes die ten onrechte niet zijn gecorrigeerd. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat de TVL-aanvragen voor Q4 van 2021 en Q1 van 2022 niet zijn afgewezen vanwege een onjuiste SBI-code. Deze categorale uitzonderingsgrond gold alleen voor twee specifieke TVL-subsidieperiodes (Q4 van 2020 en Q1 van 2021) en dus niet voor de voor deze zaak relevante subsidieperiodes (Q4 van 2021 en Q1 van 2022).\n\nBeoordeling van het beroep\n\n5.1. Bij een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In dat geval toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In dat geval toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd.\n\n5.2. In dit geval heeft de minister de herzieningsverzoeken afgewezen, omdat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het College zal toetsen of dit standpunt van de minister terecht is.\n\n5.3. Het is vaste rechtspraak dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 2 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:217). Uit de uitspraak van 21 maart 2023 over de SVL voor subsidieperiode Q1 van 2021 volgt overigens niet dat de ondernemer in aanmerking komt voor TVL-subsidie voor andere subsidieperiodes. Verder is niet gebleken van nieuwe feiten en of veranderde omstandigheden die de ondernemer niet eerder had kunnen inbrengen in een bezwaar tegen de subsidiebesluiten. Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de ondernemer aan zijn herzieningsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan de afwijzing van de verzoeken om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit in beginsel dragen. Dit is anders als de weigering door het bestuursorgaan om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is.\n\n5.4. In aanvulling op de hiervoor genoemde uitspraak luidt het beleid van de minister voor herziening in verband met een kennelijke misslag als volgt. De minister komt terug op een besluit als op het moment van het nemen van het besluit sprake was van een kennelijke misslag in het besluit. Dat is het geval als sprake is van een overduidelijk onjuist besluit, dat wil zeggen dat het in één oogopslag en zonder enig nader onderzoek duidelijk is. Dat is in deze zaak niet het geval. Niet is gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag. Zoals de minister heeft toegelicht, is hier ook niet de categorale uitzonderingsgrond voor onjuiste SBI-codes van toepassing.\n\n5.5. Voor het oordeel dat de weigering om een eerder besluit te herzien evident onredelijk is, moeten zich bijzondere feiten en\u002Fof omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat de minister in het geval van de onderneming minder belang heeft mogen hechten aan overwegingen van rechtszekerheid en doelmatig bestuur dan aan het financiële belang van de onderneming. Van zulke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Daarbij is van belang dat de ondernemer de mogelijkheid heeft gehad om tegen de subsidiebesluiten rechtsmiddelen in te stellen en dat niet heeft gedaan. Dit moet voor zijn rekening en risico komen. Een herzieningsprocedure is niet bedoeld om alsnog een bezwaarprocedure te kunnen doorlopen. In dit licht acht het College het afwijzingsbesluit ook niet evident onredelijk. De minister heeft de herzieningsverzoeken van de onderneming daarom terecht afgewezen.\n\nSlotsom\n\n6 De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:6\n\n1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.\n\n2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:317","2026-07-13T00:29:11.351Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":81,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":83},"1235","ECLI:NL:CBB:2026:316","ecli-nl-cbb-2026-316","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F56\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 30 november 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen.\n\nMet het besluit van 23 april 2024 heeft de minister het bezwaar van de vennootschap tegen het afwijzingsbesluit gegrond verklaard en een tegemoetkoming van maximaal € 236.514,58 verleend.\n\nMet het besluit van 10 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming subsidie van de vennootschap vastgesteld op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot van € 78.407,63 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 10 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens de vennootschap en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. Bij de verlening heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van modelprijzen over 2023. Die modelprijs sluit niet aan bij de werkelijke energiekosten van de vennootschap en dat levert strijd op met het evenredigheidsbeginsel. Vanwege haar variabele energiecontract vielen haar energiekosten veel hoger uit dan de modelprijzen. Ook zijn haar administratieve lasten vanwege de procedure over de tegemoetkoming enorm opgelopen, tot wel €15.450,-. Bovendien leidt de toepassing van modelprijzen tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit ondernemingen met vaste energiecontracten bevoordeelt ten opzichte van ondernemingen met variabele energiecontracten. De gehanteerde modelprijzen zijn gebaseerd op gemiddelde prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Hiermee wordt de situatie van zakelijke energiecontracten en de specifieke omstandigheden van de vennootschap genegeerd, zodat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het verbod van willekeur. Verder heeft de minister de subsidiabele periode ten onrechte laten ingaan op 1 november 2022 omdat de energieprijzen in september en oktober 2022 juist het hoogst waren. Hierdoor wordt de effectiviteit van de regeling beperkt, omdat ondernemingen zoals zij een piek in verbruik en kosten hebben ervaren in de maanden voor 1 november 2022.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is daarom geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er is ook geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De vaststelling volgt uit de berekeningsmethodiek van de TEK en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd. Omdat de minister de TEK juist heeft toegepast en de berekeningsmethode van de TEK op zichzelf niet onevenredig is, is er ook geen sprake van een gebrekkige motivering of willekeur.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd bij de verlening. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In de verlening in de beslissing op bezwaar van 23 april 2024 is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Op grond van de berekening is het maximaal berekende verleningsbedrag\n\n€ 236.514,58. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn deze beslissing staat daarnaast de volgende passage:\n\n“De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel zijn\n\ninmiddels bekend. Het definitieve subsidiebedrag valt voor u lager uit. Ik heb u\n\ntijdens het telefoongesprek van 14 maart 2024 hierover geïnformeerd.”\n\nDeze beslissing bevat de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat deze beslissing een besluit is als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 3.042,48. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De vennootschap heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de vennootschap onvoldoende wordt gecompenseerd door de hoge energieprijzen. Ook het standpunt dat het rekenen met modelprijzen voor het jaar 2023 tot onredelijke uitkomsten leidt, omdat de werkelijk betaalde prijzen voor energie (veel) hoger lagen en dat de ingangsdatum van de subsidiabele periode ten onrechte op 1 november 2022 is bepaald, beschouwt het College als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken. De TEK biedt geen ruimte om voor ondernemers met variabele contracten af te wijken van de modelprijen voor 2023.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022, met name in september en oktober 2022, enorm gestegen energieprijzen. Zij had in de relevante periode ook vanwege haar variabele energiecontract aanzienlijk hogere energiekosten dan de modelprijzen, die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd. De keuze voor een variabel energiecontract is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. Bovendien is het geen bijzondere omstandigheid waarmee de vennootschap zich voldoende onderscheidt van andere vennootschapen die te maken hebben gekregen met een lagere vaststelling. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat de modelprijs voor 2023 voor alle ondernemers is toegepast en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd, zodat geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen en het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook niet kan slagen.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen terugbetalingsregeling van de terugvordering. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n8 Uit het voorgaande (onder 5-7) blijkt dat de minister de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld en dat de vaststelling en daaraan gekoppelde terugvordering niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of gelijkheidsbeginsel. De minister heeft zijn besluitvorming ook voldoende gemotiveerd, zodat verder geen sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel of verbod van willekeur.\n\nConclusie\n\n9 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n10 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:316","2026-07-13T00:29:11.426Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":88,"fullText":89,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":46,"updatedAt":92},"2015","ECLI:NL:GHDHA:2026:2161","ecli-nl-ghdha-2026-2161","2026-07-01T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-25\u002F88bisUitspraak van 1 juli 2026 ter herstel van de uitspraak van 10 juni 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: F.J. Manzoni)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\ngedaan ter verbetering van de uitspraak van dit Hof van 10 juni 2026, nr. BK-25\u002F88, inzake het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de\n\nRechtbank) van 21 januari 2025, nummer SGR 24\u002F51.\n\nDe uitspraak in het hoger beroep\n\n1.1.. Het Hof heeft in deze zaak op 10 juni 2026 uitspraak gedaan. Nadien heeft het Hof ambtshalve geconstateerd dat de uitspraak fouten bevat die moeten worden hersteld.\n\n1.2.1.. Het Hof heeft in die uitspraak, gelet op artikel 8:109, lid 2, Algemene wet bestuursrecht, bij vergissing in het procesverloop vermeld dat ter zake het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht van € 579 is geheven.\n\n1.2.2.. Het Hof heeft in die uitspraak bij vergissing in overweging 6.3 vermeld dat de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579 aan belanghebbende dient te vergoeden.\n\n1.2.3.. Het Hof heeft in die uitspraak bij vergissing in het dictum vermeld dat hij de Inspecteur opdraagt het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 579 te vergoeden.\n\n1.2.4.. Naar het oordeel van het Hof is sprake van kennelijke fouten die zich lenen voor herstel door middel van de onderhavige hersteluitspraak.\n\n1.3.. Herstel van deze misslagen brengt mee dat:\n\nde in het procesverloop opgenomen zin “Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven.” komt te vervallen;\n\noverweging 6.3 als volgt wordt aangepast: “6.3. Omdat de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 579.”\n\nhet dictum als volgt wordt aangepast. De zin “draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 579 te vergoeden.” wordt vervangen door de zin: “draagt de Inspecteur op het griffierecht van € 579 te voldoen.”.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof herstelt de uitspraak van 10 juni 2026, nr. BK-25\u002F88, op de hiervoor onder 1.3 vermelde wijze.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, L.D.M.A. Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra W. de Wit\n\nDe beslissing is op 1 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2161","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.950Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":97,"fullText":98,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":46,"updatedAt":100},"962","ECLI:NL:CBB:2026:310","ecli-nl-cbb-2026-310","2026-06-29T00:00:00.000Z","beslissing\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F957\n\nbeslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen\n [naam] , te [vestigingsplaats] (stichting)\n\nen\n\nde minister (nu: de staatssecretaris) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur\n\n(gemachtigde: mr. W.J.C. Goorden)\n\nProcesverloop\n\nDe stichting heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 24 november 2025.\n\nDe minister heeft de vertrouwelijke versie van een gedingstuk ingezonden en meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van een aantal gegevens in dit stuk.\n\nHet betreft (delen van) het volgende stuk:\n\n- het rapport van bevindingen van 28 maart 2025 en de daarbij behorende bijlagen (rapport van bevindingen).\n\nDe stichting heeft bij brief van 18 juni 2026 gereageerd op het verzoek van de minister.\n\nOverwegingen\n\n1. Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van de Awb heeft het College mr. W.J.A.M. van Brussel opgedragen om als rechter-commissaris deze beslissing te nemen. De minister heeft vermeld dat in de ongelakte versie van het rapport van bevindingen de namen en woonadressen van kopers van honden zijn opgenomen. Daarnaast bevat de ongelakte versie volgens de minister onder meer namen van de honden, de nummers van de certificaten van deze honden, de chipnummers van deze honden en de data van vertrek van deze honden. Op basis van deze informatie over de hond kan de identiteit van de koper eenvoudig worden achterhaald. De minister doet wat deze gegevens betreft een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de kopers. De vertrouwelijkheid van de gegevens dient volgens hem te worden geëerbiedigd, omdat openbaarmaking van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor de koper zal kunnen leiden en ook een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer\n\n van de koper tot gevolg zal kunnen hebben, terwijl kennisneming van deze informatie door de stichting niet noodzakelijk is om haar belangen naar behoren te kunnen bepleiten.\n\n2 De stichting heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen het verzoek van de minister om alleen de gelakte documenten aan de stichting te verstrekken.\n\n3 Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een betrokkene onevenredig schaden.\n\n4 De rechter-commissaris heeft kennisgenomen van het, door de minister als vertrouwelijk ingediende, rapport van bevindingen, de daarbij gegeven motivering van zijn verzoek en de reactie daarop van de stichting. De rechter-commissaris is van oordeel dat de door de minister aangevoerde gronden in dit geval voldoende gewichtige redenen bevatten om de door haar verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd te achten en overweegt daartoe het volgende.\n\n5 Het rapport van bevindingen bevat persoonsgegevens en gegevens die herleidbaar zijn tot personen. Deze gegevens moeten in dit geval vertrouwelijk blijven, omdat onbeperkte kennisneming van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor betrokkenen zal kunnen leiden en een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer tot gevolg zal kunnen hebben. Daarnaast wordt de stichting door de beperkte kennisneming van het rapport van bevindingen niet beperkt in haar mogelijkheden om haar standpunten toereikend te kunnen bepleiten. De rechter-commissaris weegt daarbij mee dat de stichting heeft laten weten er geen bezwaar tegen te hebben dat deze (persoons)gegevens voor haar niet inzichtelijk zijn.\n\n6 Het College kan alleen met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van het rapport van bevindingen uitspraak doen. De Stichting heeft wel laten weten geen bezwaar te hebben tegen het verzoek van de minister, maar dat is iets anders dan het geven van toestemming. De stichting wordt daarom verzocht om binnen twee weken na heden schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van het rapport van bevindingen uitspraak doet op het beroep.\n\nBeslissing\n\nDe rechter-commissaris:\n\n- beslist dat de gevraagde beperking van de kennisneming van het rapport van bevindingen gerechtvaardigd is.\n\n- verzoekt de stichting om binnen twee weken na de verzending van deze beslissing schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van het rapport van bevindingen uitspraak doet op het beroep.\n\nDeze beslissing is genomen op 29 juni 2026 door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier.\n\nw.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. F.J.J. van West de Veer","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:310","2026-07-13T00:28:56.702Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":105,"fullText":106,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":46,"updatedAt":108},"1217","ECLI:NL:RBDHA:2026:17345","ecli-nl-rbdha-2026-17345","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F4253\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. A.M.C. Marius - van Eeghen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Den Haag\n\n(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] B.V.en[derde-partij 2] B.V., beiden gevestigd te [plaats] (belanghebbenden),\n\n(gemachtigde: mr. J.C.W. van Eekeren)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om tegemoetkoming in planschade. Eisers zijn het niet eens met die afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wordt vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat eisers geen tegemoetkoming in planschade krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n2. Eisers wonen in een appartementencomplex, op het adres [adres 1] . Zij hebben op 14 juli 2020 een aanvraag ingediend om tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro. Zij stellen schade te ondervinden in de vorm van waardevermindering van hun woning door wijziging van het planologisch regime. Het planologisch regime is gewijzigd door het besluit van 23 april 2023 waarin het college in afwijking van de beheersverordening Vlietzone een omgevingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van een windturbine op het terrein [adres 2] (de omgevingsvergunning). Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 december 2015is deze omgevingsvergunning onherroepelijk geworden. De windturbine waarvoor de omgevingsvergunning is verleend staat op circa 600 meter afstand van de zuidoostgevel van het gebouw waarvan de woning van eisers deel uitmaakt.\n\n2.1.. Het college heeft Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) opdracht gegeven om een advies uit te brengen met betrekking tot de aanvraag van eisers.\n\n2.2.. Voorafgaand aan het door SAOZ uitbrengen van een concept-advies hebben belanghebbenden Langhout & Wiarda (Langhout) gevraagd een deskundigenadvies te geven over de aanvraag om tegemoetkoming in planschade. Langhout heeft dat advies in de brief van 8 juni 2021 gegeven. Langhout adviseert daarin de aanvraag van eisers om tegemoetkoming in planschade af te wijzen.\n\n2.3.. SAOZ heeft op 2 maart 2022 een conceptadvies uitgebracht. In dat conceptadvies heeft SAOZ geadviseerd geen tegemoetkoming in planschade toe te kennen. SAOZ komt tot de conclusie dat de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning ten aanzien van eisers heeft geleid tot een planologisch nadeliger positie. Er is slechts sprake van een zeer beperkte invloed op het uitzicht en de omgevingskarakteristiek. Daaruit is in beginsel voor tegemoetkoming vatbare schade in de vorm van waardevermindering van de woning voortgevloeid. De waardevermindering van de woning is getaxeerd op € 3.000,-. Daarvan moet het normaal maatschappelijk risico worden afgetrokken. Dat is in dit geval een aftrek van 4% en dus een bedrag van € 7.600,-. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het bedrag van € 3.000,-, wat leidt tot een tegemoetkoming van nihil.\n\n2.4.. Eisers en belanghebbenden hebben op het conceptadvies van SAOZ gereageerd.\n\n2.5.. Belanghebbenden hebben in de bezwaarfase een nader deskundigenadvies van Langhout van 31 maart 2022 ingebracht. Daarin sluit Langhout zich aan bij de conclusie van SAOZ dat de tegemoetkoming in planschade nihil is.\n\n2.6.. Op 28 mei 2022 heeft SAOZ een definitief planschadeadvies uitgebracht, waarin zij haar advies handhaaft.\n\n2.7.. Het college heeft in het besluit van 29 september 2022 het advies van SAOZ overgenomen en de aanvraag om tegemoetkoming in planschade afgewezen. In het bestreden besluit is dit besluit gehandhaafd.\n\n2.8.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.9.. Eisers hebben e-mails van 20 augustus 2025 en van 19 december 2025 ingediend met opmerkingen van een door hen ingeschakelde deskundige, ir. J.F.C. Kupers.\n\n2.10.. Belanghebbenden hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.11.. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, namens het college mr. M.W. van Amerongen, bijgestaan door mr. D.S. Krijgsman, en namens belanghebbenden hun gemachtigde en [naam] .\n\n2.12.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen inzicht te geven in de gemaakte berekening van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementencomplex van eisers op 30 meter hoogte en een nieuwe berekening te overleggen van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementencomplex van eisers, uitgaande van de beoordelingshoogtes van 22 en 24 meter. Daarbij dient het college aan te geven met welk akoestisch model deze berekeningen zijn gemaakt (hetzelfde model dat Pondera heeft gebruikt of een ander model) en welke relevante invoergegevens voor die berekening zijn gebruikt.\n\n2.13.. Met de e-mail van 12 februari 2026 hebben belanghebbenden een notitie van Haskoning van 2 februari 2026 ingediend.\n\n2.14.. In de e-mail van 13 februari 2026 heeft het college een reactie ingediend.\n\n2.15.. In de brief van 26 februari 2026 hebben eisers gereageerd op de reacties van het college en belanghebbenden.\n\n2.16.. Nadat geen van de partijen desgevraagd hebben verklaard gebruik te willen maken van hun recht op een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOvergangsrecht\n\n3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels voor overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Dit betekent dat in dit geval de Wro nog van toepassing is.\n\nHet juridisch kader\n\n4. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade moet worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Alleen als realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden.\n\n4.1.. Daarbij geldt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.\n\n4.2.. SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Het college mag dan ook in beginsel uitgaan van het door SAOZ uitgebrachte advies als dat advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de in dat advies gevolgde redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. De rechtbank zal dit beoordelen aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.\n\nUitzicht\n\n5. Eisers voeren aan dat ten onrechte wordt geconcludeerd dat ten aanzien van het uitzicht sprake is van een zeer beperkte invloed van de aanwezigheid van de turbine. Er is sprake van aanzienlijke visuele hinder. De zichtbaarheid van de windturbine vanaf het balkon is een storende factor, zeker tijdens een gesprek.\n\n5.1.. SAOZ heeft geconstateerd – en eisers hebben dit niet betwist – dat vanuit hun woonkamer nauwelijks zicht is op de windturbine. Aan de orde is dan ook slechts het zicht op de windturbine vanaf het balkon van de woning van eisers. Dat het uitzicht vanaf het balkon door de aanwezigheid van de windturbine wordt beperkt, wordt door SAOZ onderkend. SAOZ heeft in haar advies wel vermeld dat het zicht op de windturbine vanaf het balkon slechts vanuit een heel schuine kijkhoek wordt beperkt en ook dat er een ruime afstand is tussen de woning van eisers en de windturbine. SAOZ – en in navolging daarvan het college – heeft dit planologisch nadeel dan ook als zeer beperkt aangemerkt en geconcludeerd dat het uitzicht niet zozeer in kwantitatieve maar voornamelijk in kwalitatieve zin is beperkt.\n\n5.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van de schadefactor uitzicht sprake is van een planologisch nadeel. Enkel is in geschil hoe zwaar dit planologisch nadeel moet worden aangemerkt, waarbij SAOZ – en in navolging daarvan het college – dit nadeel als veel minder zwaar aanmerkt dan eisers.\n\n5.3.. Naar het oordeel van de rechtbank mag het college afgaan op het advies van SAOZ. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat het nadeel als veel zwaarder moet worden aangemerkt niet een tegenonderzoek van een deskundige overgelegd. Er is dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van SAOZ op dit punt. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nGeluidhinder\n\n6. Voorafgaand aan het uitbrengen van het concept-advies van SAOZ heeft Langhout op verzoek van belanghebbenden in haar advies het volgende vermeld. Pondera heeft in haar geluidsonderzoek wel de woning Park Vronesteyn 28 betrokken maar niet de woning van eisers. Gelet op de gemeten geluidsbelasting bij die woning moet voor juist worden gehouden, dat vanwege de hogere ligging van het appartement van eisers de geluidsbelasting vergelijkbaar is aan die van Park Vronesteyn 28, maar in ieder geval niet van dien aard is dat planologisch nadeel is opgetreden ten opzichte van de voorheen bestaande en maximaal ingevulde planologische omgeving. Tussen de windturbine en de woning van eisers bevindt zich een groot bedrijventerrein, waarbinnen bedrijven tot en met milieucategorie 4 zijn toegestaan, en ook wegen, waaronder de A4 en spoorwegen en een spoorwegemplacement. Uitgaande van een maximale invulling van deze voor het geluid relevante bestemmingen wordt al uitgegaan van een hoge geluidsbelasting ten aanzien van de woning van eisers. Indien de gemeten geluidswaarden worden gecumuleerd, treedt als gevolg daarvan in de dagperiode een toename op van circa 0,6 dB en in de nachtperiode een toename van 1 dB. Deze toenames zijn niet waarneembaar, aangezien eerst bij een verschil van tenminste 5 dB sprake is van een duidelijk waarneembaar verschil en dus sprake is van nadeel. Verder blijkt uit vaste rechtspraak dat piekgeluiden bij windturbines bij de planologische vergelijking buiten beschouwing dienen te blijven. Ten tijde van de opname op 3 juni 2021 na de ochtendspits was de windturbine niet hoorbaar. Het referentieniveau van het omgevingsgeluid werd volledig bepaald door auto- en treinverkeer, aldus Langhout.\n\n6.1.. SAOZ heeft er in haar advies ten aanzien van geluid op gewezen dat bij verzoeken om tegemoetkoming in planschade rekening moet worden gehouden met de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) op het gebied van geluidhinder. Op grond van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit dient de geluidhinder van een windturbine te voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. Klachten van omwonenden over feitelijke geluidoverlast kunnen in dit kader niet in de beoordeling worden meegenomen. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat tussen de woning van eisers en de windturbine een gebied met een bedrijfsbestemming is gelegen die intensieve gebruiksmogelijkheden biedt. Door Pondera is een akoestisch onderzoek gedaan. Dat onderzoek, dat andere huisnummers in het appartementencomplex betreft, is van 21 augustus 2012. In het rapport naar aanleiding van het onderzoek wordt geconcludeerd dat bij alle toetspunten de geluidnormen niet worden overschreden. SAOZ heeft geconstateerd dat in het onderzoek van Pondera geen aandacht is besteed aan de geluidbelasting op het hoger gelegen appartement van eisers. SAOZ heeft daarom aan de gemeente om een aanvulling op dat onderdeel gevraagd. De gemeente heeft die aanvulling gevraagd aan een deskundige, namelijk de Omgevingsdienst Haaglanden. Op 12 november 2021 heeft SAOZ van de Omgevingsdienst Haaglanden die aanvulling ontvangen. Daaruit blijkt dat de gevraagde locatie in het rekenmodel is ingevoerd, en dat daaruit volgt dat de berekende waarde van Park Vronesteyn 28 op 5 meter hoogte overeenkomt met de berekende waarde bij de woning van eisers op 30 meter hoogte. SAOZ concludeert dat de geluidbelasting van de windturbine gedurende de dag-, avond- en nachtperiode beduidend lager is dan de uit het Activiteitenbesluit voortvloeiende toegestane geluidbelasting van het tussengelegen bedrijventerrein en dat de cumulatieve geluidbelasting met maximaal 2,5 dB in de nachtperiode is toegenomen. Eerst bij toename van 5 dB is sprake van een duidelijk waarneembaar verschil, zodat er in planologisch opzicht geen sprake is van een relevante waarneembare toename van geluidhinder.\n\n6.2.. Eisers zijn het niet eens met hetgeen SAOZ ten aanzien van de geluidhinder opmerkt. Volgens hen moet worden uitgegaan van feitelijk nadeel. De windturbine zorgt voor geluidhinder, vooral in de nacht, omdat er dan geen andere geluiden zijn. Vanwege de geluidhinder van de windturbine moeten eisers in de slaapkamer met gesloten ramen slapen en hebben zij daarom airconditioning aangelegd. De kosten van aanschaf, onderhoud en elektriciteit van de airconditioning zijn onderdeel van de geleden schade. SAOZ heeft daarover niets opgemerkt. Verder vermeldt het SAOZ-advies dat de geluidbelasting door de windturbine bij de huizen op nummer 30 en 24a gelijk is aan die bij de woning van eisers, die zich op de 7e en 8e etage bevindt. Doordat de woning van eisers hoger ligt dan die woningen, wordt het geluid niet verminderd door bouwwerken en bomen en struiken. Er is nooit onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ter hoogte van het appartement van eisers. SAOZ had moeten toelichten waarom de rekenresultaten in de tabel van Pondera op pagina 15 van het advies hetzelfde zijn als de resultaten op pagina 16. SAOZ concludeert ten onrechte dat er geen sprake is van een relevante waarneembare toename van geluid. Volgens SAOZ blijkt uit rechtspraak van de Afdeling dat een toename van geluid met maximaal 5 dB aanvaardbaar is, maar die regel moet binnen de context van de in die rechtspraak aan de orde zijnde casus worden gezien, aldus eisers.\n\n6.3.. Eisers hebben een e-mail van 20 augustus 2025 overgelegd van een door hen ingeschakelde deskundige, ir. J.F.C. Kupers (Kupers). Daarin vermeldt Kupers dat bij flats bij een dergelijke geluidmeting een beoordelingspunt van 1,5 meter boven de vloer van de betreffende woning moet worden aangehouden. Verder is onduidelijk of in het rapport van Pondera en in de aanvullende berekening is uitgegaan van de maximale planologische invulling van het bestemmingsplan. Ten slotte constateert de Adviescommissie bezwaarschriften dat de cumulatieve geluidbelasting met 2,5 dB(A) toeneemt. Dat is fysisch bijna een verdubbeling en dat is voor het menselijk oor waarneembaar. Deze toename betreft een jaargemiddelde over alle windrichtingen. Volgens Kupers is de geluidsbelasting bij wind van de windturbine in de richting van de woning doorgaans 5 tot 10 dB(A) hoger dan het jaargemiddelde.\n\n6.4.. Verder hebben eisers een e-mail van 19 december 2025 toegestuurd, waarin Kupers toelicht welke effecten een rol kunnen spelen bij een geluidberekening en dat in rekenmodellen wordt uitgegaan van een gestandaardiseerde overdracht van geluid. Die effecten zijn (1) gebouwen, die op lagere hoogte geluid kunnen afschermen maar op grotere hoogte niet (2) geluidsdemping door vegetatie, (3) windeffecten, (4) temperatuuropbouw in de luchtlagen en (5) bodemreflectie van geluid. In de rekenmodellen wordt rekening gehouden met de effecten (1), (2) en (5). Met de variabele effecten (3) en (4) wordt geen rekening gehouden. Verder merkt Kupers op dat Lden een jaargemiddelde maat is, waarbij met de effecten (1), (2) en (3) rekening wordt gehouden, en waarbij een standaard weerprofiel gehanteerd wordt. Windturbines produceren echter onder meer laagfrequent geluid. De impact daarvan op de geluidbelasting kan bij (3) en (4) groot zijn. Lden-normen zijn daarvoor volgens Kupers niet bruikbaar.\n\n6.5.. Ten aanzien van de e-mails van Kupers overweegt de rechtbank dat daarin alleen algemene opmerkingen worden gemaakt. Kupers heeft niet zelf een tegenonderzoek verricht en een rapport daarvan ingediend, zodat er in beginsel geen aanleiding is om ten aanzien van het geluid het rapport van SAOZ en de na schorsing van het onderzoek ter zitting ingediende nadere berekening niet te volgen. Eisers hebben weliswaar gesteld dat de rechtbank een onafhankelijke deskundige onderzoek moet laten verrichten, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Indien eisers het niet eens zijn met het advies van de SAOZ en het onderzoek van Pondera dat daarin is betrokken, hadden eisers zelf een deskundige onderzoek kunnen laten doen. Dat eisers dat hebben nagelaten is voor hun eigen rekening en risico.\n\n6.6.. Wel is de rechtbank van oordeel dat uit het advies van SAOZ niet blijkt van inzicht in de berekening die is gemaakt ten aanzien van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementengebouw op 30 meter hoogte en dat ten onrechte niet is gerekend met de beoordelingshoogtes voor de woon- en slaapkamer van eisers op (afgerond) 22 respectievelijk 24 meter. Ook blijkt daaruit niet met welk akoestisch model de berekeningen zijn gemaakt en welke relevante invoergegevens voor die berekening zijn gemaakt. Gelet daarop kleeft een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient wegens dat motiveringsgebrek te worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\n6.7.. \n\nNa schorsing van het onderzoek ter zitting hebben het college en belanghebbenden het akoestisch rapport van Pondera van 1 december 2015 en een notitie met een nadere geluidberekening van Haskoning ingediend. In die laatste notitie is het volgende geconcludeerd:\n\n“De geluidbelasting ter plaatse van het flatgebouw waar [adres 1] zich bevindt is berekend op meerder[e] beoordelingshoogtes, waaronder +22, +24 en +30 m t.o.v. het maaiveld. De geluidbelasting bedraagt maximaal 34 dB Lnight en 41 dB Lden. Dat is minstens 6 dB lager dan de normstelling die geldt voor de windturbine op het terrein van CEVA\u002FProDelta van 41 dB Lnight en 47 dB Lden.\n\nHet verschil tussen de geluidbelasting op +5 meter en +30 meter bedraagt 0,35 dB. Een verschil van minder dan 1 dB is niet of nauwelijks hoorbaar. Door de afronding is er echter wel een verschil in de berekende waarde in hele dB’s. Dit verschil wordt niet toegeschreven aan minder afscherming door begroeiing of bebouwing, deze is immers vanuit worst-case uitgangspunten niet opgenomen in het oorspronkelijke rekenmodel, maar aan een kortere afstand tussen bron en ontvanger. De kortere afstand tussen bron en ontvanger (een toetspunt op 22 m hoogte is dichterbij de bron op 94 m hoogte dan een toetspunt op 5 m hoogte) zorgt ervoor dat het geluid een kortere afstand hoeft te overbruggen en leidt daarmee tot een beperkt hogere geluidbelasting.”\n\n6.8.. De omgevingsdienst voegt hieraan in opdracht van het college toe dat uit de invoergegevens van het rekenmodel blijkt dat in een worst-case scenario bij een maximale waarde van een windturbine de cumulatieve geluidbelasting nooit met meer dan 2 dB toeneemt. De conclusie in het rapport van SAOZ dat in planologisch opzicht geen sprake is van een relevante waarneembare toename van de geluidhinder wordt daarmee volgens het college bevestigd.\n\n6.9.. Eisers voeren in reactie op deze geluidsberekeningen aan dat nog niet duidelijk is in hoeverre is voldaan aan de vraagpunten in het proces-verbaal van schorsing. Volgens eisers heeft Haskoning ten onrechte geen rekening gehouden met wat door Kupers is opgemerkt over de maximale planologische invulling, de windrichting, afscherming van geluid bij laagbouw en vegetatie en bouwwerken tot 15 meter hoog, windeffecten, temperatuuropbouw, luchtlagen, bodemreflectie en dergelijke. Ook is geen aandacht besteed aan de feitelijke hinder die eisers ondervinden van het laagfrequente pulsgeluid van de bladen van de windturbine. Met de bestaande normen voor het pulsgeluid is geen rekening gehouden. Lden waarden, zoals in dit rekenmodel zijn gebruikt en zijn gepresenteerd in het SAOZ-advies, zijn niet bruikbaar.\n\n6.10.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de indiening van de aanvullende berekeningen het motiveringsgebrek in het bestreden besluit voor wat betreft het aspect geluid hersteld. In reactie op wat eisers over de aanvullende berekeningen naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank als volgt.\n\n6.11.. Zoals onder het juridisch kader al is overwogen, is in het kader van een planschadeverzoek niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daarvan heeft plaatsgevonden. Het betoog van eisers dat het gaat om de feitelijke toename van de geluidhinder kan dan ook niet slagen.\n\n6.12.. Verder overweegt de rechtbank dat het college op grond van vaste rechtspraak bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een windpark mag aansluiten bij de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde geluidnormen.Het betoog van eisers biedt geen grond om daarover in het kader van een verzoek om een tegemoetkoming in planschade anders te oordelen. SAOZ sluit dan ook terecht aan bij die normen. Daarnaast gelden voor de zogenoemde piekgeluiden van windturbines geen normen, dus die hoefden niet beoordeeld te worden.6.13.. Verder overweegt de rechtbank dat uit de nieuwe berekening blijkt dat de gemeten geluidsbelastingen van 34 dB Lnight en 41 Lden voldoen aan de normen in het Activiteitenbesluit van 41 dB Lnight en 47 dB Lden. Lden is een 24 uurs norm die ook jaargemiddeld geldt. In de rechtspraak is geaccepteerd dat bij geluidoverlast in relatie tot planschade wordt uitgegaan van gemiddelden.Voor zover eisers betogen dat Lden-waarden niet bruikbaar zijn omdat niet moet worden uitgegaan van een jaargemiddelde, slaagt dat betoog dan ook niet. Omdat uitgegaan mag worden van een jaargemiddelde geluidsbelasting, hoeft naar het oordeel van de rechtbank in de berekening geen rekening te worden gehouden met specifieke windeffecten of de temperatuuropbouw in de luchtlagen. Met de afschermende werking van gebouwen, de geluidsdemping door vegetatie en de bodemreflectie wordt, zoals Kupers zelf al opmerkt, in het rekenmodel rekening gehouden. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze aspecten op een onjuiste manier zijn gemodelleerd.6.14.. Berekend is dat de cumulatieve geluidbelasting nooit met meer dan 2 dB toeneemt. Uit vaste rechtspraak volgt dat eerst een toename van 5 dB goed waarneembaar is en dat in dat geval pas sprake is van relevant planologisch nadeel.Dit geldt in het algemeen en is niet per casus verschillend. In dit geval is de toename nooit meer dan 2 dB, en dus ruimschoots minder dan 5 dB. Er is dan ook terecht geconcludeerd dat ten aanzien van het aspect geluid geen sprake is van relevant planologisch nadeel. De stelling dat de gemeten toename ook al waarneembaar is, ook al is het geen toename van 5 dB, kan gelet op het voorgaande niet slagen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het gaat om de toename van de cumulatieve geluidsbelasting ten opzichte van de maximale planologische mogelijkheden, niet ten opzichte van de feitelijke situatie vóór plaatsing van de windturbine.\n\n6.15.. Ten aanzien van het repeterend geluid van de wieken overweegt de rechtbank dat de omgevingsdienst in opdracht van het college inzicht heeft gegeven in de berekening van de cumulatieve geluidsbelasting. Die berekening is uitgevoerd conform de methode beschreven in hoofdstuk 4 van het Reken- en meetvoorschrift windturbines.Die methode berekent de gecumuleerde geluidsbelasting rekening houdend met de verschillen in dosis-effectrelaties van de verschillende geluidsbronnen, waarbij voor het geluid van windturbines geldt dat dit geluid, bij gelijke geluidbelasting, hinderlijker is dan industrie- en wegverkeersgeluid. Om de grotere hinderlijkheid van windturbinegeluid uit te drukken, is berekend welke geluidbelasting vanwege industrie en wegverkeer evenveel hinder veroorzaakt als de geluidbelasting vanwege de windturbine. Om de totale geluidhinder in de situatie na de planologische wijziging te bepalen is dus de berekende geluidbelasting van de windturbine verhoogd. Uit het voorgaande volgt dat in de berekende geluidbelasting ter plaatse van de woning van eisers tevens het specifieke karakter en de mate van hinderlijkheid van het geluid van windturbines is verdisconteerd.Het betoog van eisers ten aanzien van het pulsgeluid van de windturbine slaagt dan ook niet.\n\n6.16.. Voor zover eisers stellen dat onduidelijk is of in het onderzoek rekening is gehouden met de maximale planologische invulling, slaagt dat betoog niet. Op p. 30 van het advies van SAOZ is overwogen dat de geluidbelasting van de windturbine gedurende de dag-, avond- en nachtperiode beduidend lager is dan de in het Activiteitenbesluit toegestane geluidbelasting van het tussengelegen bedrijventerrein. Daaruit blijkt dat wel degelijk rekening is gehouden met de maximale planologische invulling van de omgeving.\n\n6.17.. De rechtbank concludeert, gelet op het bovenstaande, dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het geluid van de windturbine niet leidt tot relevant planologisch nadeel. Het motiveringsgebrek in het bestreden besluit is hersteld met de nadere berekeningen die door het college en belanghebbende zijn overgelegd. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of de kosten van de door eisers aangelegde airconditioning moeten worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van het nadeel.\n\nGezondheid\n\n7. Eisers voeren aan dat de Adviescommissie bezwaarschriften ten onrechte de gezondheidsaspecten in het midden laat omdat die niet zijn komen vast te staan voor eisers. Dat windturbines nadelig zijn voor de gezondheid van mensen staat inmiddels wel vast. Hierover zijn veel onderzoeken bekend, onder meer van het RIVM en de Gezondheidsraad. Aan die onderzoeken mag volgens eisers niet voorbij gegaan worden.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat in vaste rechtspraak van de Afdeling is overwogen dat alleen de ten tijde van de inwerkingtreding van de desbetreffende planologische maatregel objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime van belang zijn.Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. In de planologische vergelijking wordt slechts rekening gehouden met zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel, indien voor die zorgen aanwijzingen zijn te vinden in wetenschappelijke informatie die op de peildatum beschikbaar was.\n\n7.2.. Eisers hebben de door hen gestelde nadelige invloed van windturbines op hun gezondheid niet aangetoond door het overleggen van onderzoeken door deskundigen waaruit dit blijkt. De enkele stelling dat er onderzoeken zijn waaruit dit blijkt is niet voldoende. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nTaxatie\n\n8. Eisers voeren aan dat hun appartement voor de mutatie in goede staat verkeerde en dat de taxatie op een waarde van € 190.000,- op de peildatum dan ook te laag is. Ook ligt het balkon op de 8e etage en is het onjuist om maisonnettes als één etage aan te merken. Volgens de NVM neemt de waarde van een appartement toe indien het op een hogere etage ligt. Verder achten eisers de drie door taxateur Punt gehanteerde referentie-objecten niet vergelijkbaar. [adres 3] is niet vergelijkbaar, omdat deze een veel eenvoudiger keuken en badkamer heeft. Verder is de waardedaling na mutatie van € 3.000,- niet onderbouwd. Volgens eisers is de waardedaling eerder circa € 25.000,-, wat ertoe leidt dat wel een tegemoetkoming in planschade moet worden toegekend.\n\n8.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat, wanneer het betoog ziet op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, de juistheid van het taxatierapport in beginsel slechts met vrucht kan worden bestreden met een onderbouwd tegenrapport van een onafhankelijke taxateur, waaruit blijkt dat het taxatierapport onjuist is. Voorbeelden van betogen die zien op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, zijn betogen die er toe strekken dat in aanmerking genomen vergelijkingstransacties niet representatief zijn, dat andere vergelijkingstransacties ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten of dat ten onrechte al dan niet is gecorrigeerd vanwege gewijzigde economische omstandigheden. Onvoldoende is een - niet met een tegenrapport onderbouwd - betoog van de betrokkene of diens gemachtigde dat ziet op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur. De betrokkene zelf, of diens gemachtigde in zijn hoedanigheid van gemachtigde, kunnen immers niet als onafhankelijke taxateur worden aangemerkt.\n\n8.2.. Hetgeen eisers naar voren hebben gebracht ziet op aspecten die de specifieke deskundigheid van een taxateur betreffen. Zij hebben die stellingen niet onderbouwd met een tegenrapport van een onafhankelijke taxateur. Gelet daarop is er geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport van de taxateur. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het bestreden besluit berust ten aanzien van het aspect geluid niet op een draagkrachtige motivering. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien het college met de aanvullende reactie het motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Dat betekent dat eisers geen tegemoetkoming in planschade krijgen.\n\n9.1.. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Toegekend wordt een bedrag van € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na schorsing van het onderzoek ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:3693\n\n Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690.\n\n Zie de in voetnoot 2 vermelde overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3713.\n\n Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:423.\n\n Bijlage 4 bij de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.\n\n Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:437.\n\n Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.\n\n Zie de overzichtsuitspraak van 6 augustus 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17345","2026-07-13T00:29:10.542Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":105,"fullText":113,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":46,"updatedAt":115},"899","ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","ecli-nl-rbdha-2026-17366","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F1234\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Teylingen, het college\n\n(gemachtigde: mr. T. Janssens).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor het splitsen van de woning aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 12 juni 2025 heeft het college geweigerd verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor een reeds gerealiseerde splitsing van de woning aan de [adres] in [plaats] . Met het bestreden besluit van 12 januari 2026 heeft het college deze weigering in stand gelaten. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1. Verzoeker heeft het verzoek aangevuld en nadere stukken overgelegd.\n\n2.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3. Verzoeker heeft hierop schriftelijk gereageerd.\n\n2.4. Het college heeft een nadere reactie ingediend.\n\n2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVoorgeschiedenis\n\n3. Verzoeker is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] . Hij heeft deze woning gesplitst in twee woningen, die worden verhuurd.\n\n3.1. Het college heeft met het besluit van 28 maart 2024 verzoeker een last onder dwangsom opgelegd om de zonder omgevingsvergunning uitgevoerde splitsing van deze woning ongedaan te maken en de illegale bewoning hiervan door meerdere huishoudens te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. Verzoeker heeft hiertegen rechtsmiddelen aangewend. Met de uitspraak van 1 december 2025 van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit besluit onherroepelijk geworden.\n\n3.2. Nadat het college had beslist op de bezwaren van verzoeker tegen de last onder dwangsom, heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de woningsplitsing alsnog te legaliseren. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd en deze weigering met het bestreden besluit in stand gelaten. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld (zaak SGR 26\u002F1237).\n\nOmvang van het verzoek\n\n4. In het inleidende verzoekschrift is vermeld dat het verzoek strekt tot schorsing van de opgelegde last onder dwangsomp. Uit de inhoud van het aanvullende verzoekschrift, de door verzoeker ingediende nadere stukken en zijn toelichting op de zitting, is de voorzieningenrechter echter gebleken dat het verzoek strekt tot schorsing van het besluit tot weigering van de alsnog aangevraagde omgevingsvergunning. Verzoeker heeft toegelicht dat hij met het verzoek wil bereiken dat het college voorlopig niet overgaat tot invordering van verbeurde dwangsommen.\n\n4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker dit doel van zijn verzoek niet kan bereiken met de enkele schorsing van het weigeringsbesluit. Ook bij schorsing van dat besluit beschikt verzoeker immers nog niet over een omgevingsvergunning, zodat sprake blijft van een illegale situatie. Daarom neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoeker beoogt dat hij tot de uitspraak in de beroepsprocedure over de geweigerde omgevingsvergunning, wordt aangemerkt als ware hij in het bezit van die vergunning.\n\nSpoedeisend belang\n\n5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n5.1. \n\nDe weigering van de omgevingsvergunning levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. Deze weigering heeft geen onomkeerbare gevolgen.\n\nVoor zover verzoeker vreest dat de weigering van de omgevingsvergunning hem blootstelt aan mogelijke invordering van verbeurde dwangsommen, is dat ook onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. De verbeurte van dwangsommen en de invordering daarvan is het rechtstreekse gevolg van de onherroepelijke last onder dwangsom, niet van de weigering van de omgevingsvergunning.\n\n5.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college vooralsnog geen invorderingsbesluit heeft genomen. Mocht het college daartoe alsnog overgaan, dan kan verzoeker daartegen desgewenst rechtsmiddelen aanwenden. Als verzoeker vindt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien, dan kan hij dat in die procedure naar voren brengen. De wens om te voorkomen dat het college een invorderingsbesluit neemt, levert echter een onvoldoende spoedeisend belang op in deze zaak. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat de wens om toekomstige invordering van verbeurde dwangsommen te voorkomen, betrekking heeft op een louter financieel belang. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijk belang in beginsel onvoldoende om een spoedeisend belang aan te ontlenen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Verzoeker heeft een onvoldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5796","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","2026-07-13T00:28:53.641Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":120,"fullText":121,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":46,"updatedAt":124},"342","ECLI:NL:CBB:2026:289","ecli-nl-cbb-2026-289","2026-06-23T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 26\u002F153\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 op het verzoek van\n [naam 1] , te [woonplaats] (verzoekster),\n\nom herziening van de uitspraak van het College 20 januari 2026, zaaknummer 24\u002F86.\n\nProcesverloop\n\nMet de uitspraak van 20 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:18) heeft het College het beroep van verzoekster tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 8 december 2023 ongegrond verklaard.\n\nVerzoekster heeft verzocht om herziening van de bestreden uitspraak.\n\nDe staatssecretaris heeft een reactie en een nadere reactie ingediend.\n\nDe zitting was op 19 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van de staatssecretaris, mr. P.M.M. van Bennekom. Ook hebben deelgenomen namens de staatssecretaris: de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] , beiden dierenartsen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op Schiphol.\n\nOverwegingen\n\nWettelijk kader\n\n1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:\n\na. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,\n\nb. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en\n\nc. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.\n\nDe uitspraak van 20 januari 2026\n\n2.1. Met zijn uitspraak van 20 januari 2026 heeft het College geoordeeld dat de staatssecretaris de kat en de twee honden van verzoekster op 9 augustus 2023 op Schiphol in beslag mocht nemen en dat de daarmee gemoeide kosten ter hoogte van € 967,33 op verzoekster verhaald mochten worden, omdat de dieren niet beschikten over een naar behoren ingevuld identificatiedocument waardoor niet was voldaan aan de eisen met betrekking tot de rabiësvaccinatie en de titreringstest op rabiësantilichamen.\n\n2.2. Daartoe heeft het College overwogen dat uit Verordening (EU) nr. 576\u002F2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (Verordening 576\u002F2013) volgt dat de vaccinatiegeschiedenis in het diergezondheidscertificaat had moeten worden opgenomen (‘het meecertificeren van de vaccinatiegeschiedenis’). Dit was niet gebeurd. De staatssecretaris was daarmee in beginsel bevoegd om de dieren op grond van Verordening 576\u002F2013 in quarantaine te plaatsen. Het College heeft ook geoordeeld dat de inbeslagname niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. In dat kader had verzoekster onder meer gesteld dat de NVWA de regels met betrekking tot rabiës te streng toepaste, en dat het in quarantaine plaatsen van haar dieren niet noodzakelijk was, omdat zij met andere documentatie kon aantonen dat haar dieren aan de regels voldeden.\n\nVerzoek\n\n3.1. Verzoekster heeft na de uitspraak informatie ontvangen van de NVWA naar aanleiding van een door haar ingediend verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Deze informatie bestaat uit overzichten van aantallen en redenen voor weigering van honden en katten op basis van Verordening 576\u002F2013 op Schiphol over de jaren 2020-2024. Uit de overzichten blijkt hoeveel dieren, die niet voldeden aan de eisen uit Verordening 576\u002F2013, zijn teruggestuurd naar het land van herkomst, in quarantaine zijn geplaatst of doorgelaten. Verzoekster heeft deze informatie meermaals opgevraagd, maar uiteindelijk pas in 2026 ontvangen.\n\n3.2. Met deze nieuwe cijfers wil verzoekster haar in beroep ingenomen standpunt onderbouwen dat de NVWA te streng handhaaft, dan wel strenger is gaan handhaven en dat het in quarantaine plaatsen van haar dieren niet noodzakelijk was, omdat zij documentatie had waaruit de hele vaccinatiegeschiedenis van haar dieren bleek. Uit de door verzoekster ontvangen gegevens blijkt volgens verzoekster immers dat er in 2023 (het jaar waarin haar kat en twee honden op Schiphol in beslag waren genomen) in 85 gevallen dieren zijn aangehouden op Schiphol, omdat de vaccinatiegeschiedenis niet was meegecertificeerd. Van die 85 gevallen zouden alleen de dieren van verzoekster in quarantaine zijn geplaatst. In 2022 was het totaal aantal gevallen 35 waarin de vaccinatiegeschiedenis niet was meegecertificeerd. In dat jaar zijn in vier gevallen de dieren toen in quarantaine geplaatst, maar volgens verzoekster waren er in die gevallen ook andere omissies zoals een verkeerd paspoort of een pas na vaccinatie geplaatste chip.\n\n3.3. Volgens de staatssecretaris moet het verzoek worden afgewezen omdat geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.\n\nBeoordeling door het College\n\n4.1. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening strekt er in beginsel toe een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoeker redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Het rechtsmiddel herziening is ook niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om stukken ter onderbouwing van een standpunt, die in een eerdere procedure hadden kunnen worden ingebracht, alsnog in te brengen en op die manier het debat te heropenen.\n\n4.2. Het College is van oordeel dat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb en overweegt daartoe als volgt.\n\n4.3. Duidelijk is dat verzoekster het niet eens is met de manier waarop de douane en de NVWA op Schiphol de Europese rabiësregelgeving handhaven. Volgens verzoekster wordt de dieren nodeloos leed aangedaan terwijl het niet meecertificeren van de vaccinatiegeschiedenis geen risico voor de volksgezondheid met zich meebrengt. Verzoekster was het daarom niet eens met de quarantainemaatregel die haar dieren is opgelegd. In de uitspraak waar het herzieningsverzoek op ziet, heeft het College – kort gezegd – geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd was om de quarantainemaatregel op te leggen en dat de staatssecretaris hier niet van af had hoeven zien. De reden hiervoor was niet gelegen in de manier van handhaven van de staatssecretaris (NVWA) (waar de door verzoekster overgelegde informatie over gaat), maar in Verordening 576\u002F2013. Die schrijft namelijk voor dat de vaccinatiegeschiedenis meegecertificeerd moet zijn, en als dat niet zo is (wat niet tussen partijen in geschil was), welke maatregelen er moeten worden genomen om het betreffende dier de toegang tot de Europese Unie te weigeren. Het opleggen van quarantaine is één van de op te leggen maatregelen, naast het terugsturen van het dier naar het land van herkomst of het euthanaseren van het dier. Kortom, het gevaar van rabiës, de handhaving van de rabiësregelgeving op Schiphol en de consequenties ervan voor de dieren zijn punten geweest die aan de orde zijn gekomen in de beroepsprocedure van verzoekster, maar het zijn geen punten geweest die doorslaggevend waren voor de uitkomst van de procedure. De uitkomst volgde uit de toets aan de Europese regelgeving. Hoewel dus wel sprake is van nieuwe feiten (de cijfers gaan over de periode van vóór de uitspraak van het College en ze waren niet bekend bij verzoekster en konden dat naar het oordeel van het College ook redelijkerwijs niet zijn), hadden deze feiten, als zij eerder bekend waren geweest, niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. Er wordt dus niet voldaan aan de eisen van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, waardoor het verzoek moet worden afgewezen. Ten overvloede overweegt het College dat tijdens de zitting is vastgesteld dat niet alleen in het geval van verzoekster de dieren in quarantaine zijn geplaatst. In 2023 is dat ook gebeurd in zeven andere gevallen. Ook heeft de staatssecretaris toegelicht onder welke omstandigheden dieren waarvan de vaccinatiegeschiedenis niet was meegecertificeerd, toch zijn doorgelaten. Vaststaat dat verzoeksters dieren niet aan deze voorwaarde voldeden.\n\nSlotsom\n\n5 Het verzoek om herziening moet worden afgewezen.\n\n6 Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nHet College wijst het verzoek om herziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van R. Hosseinollahi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\nw.g. C. de Kruif w.g. R. Hosseinollahi","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:289","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.260Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":129,"fullText":130,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":46,"updatedAt":133},"1939","ECLI:NL:RBDHA:2026:17190","ecli-nl-rbdha-2026-17190","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3582\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n Stichting [eiseres] , uit [plaats] , eiseres\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n(gemachtigde: mr. R. van Rooijen-van Os).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 17 december 2024 heeft het Uwv aan [(ex-)werkneemster] ,\n\n(ex-)werkneemster van eiseres, een gewijzigde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 29 april 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 13 januari 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 20 maart 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een groot tekort aan verzekeringsartsen.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv verzoekt de rechtbank de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraken van 30 juli 2025 te overwegen.Die rechtbank geeft het Uwv bij een beroep niet tijdig beslissen een termijn van 40 weken voor werkgeversberoepen om alsnog een besluit bekend te maken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen.\n\n5.1.. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.\n\n6. Het Uwv geeft in het verweerschrift aan geen termijn te kunnen geven waarbinnen een besluit op bezwaar kan worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n7. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17190","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.402Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":138,"fullText":139,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":140,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":46,"updatedAt":141},"959","ECLI:NL:CBB:2026:308","ecli-nl-cbb-2026-308","2026-06-15T00:00:00.000Z","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F526\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam 1] , te [woonplaats]\n\nen\n\nde Kamer van Koophandel (KvK), vertegenwoordigd door mr. J.P.M. van der Ende\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart zich onbevoegd;\n\ndraagt de griffier op om het griffierecht tot een bedrag van € 194,- aan [naam 1] terug te betalen.\n\nOverwegingen\n\n1. [naam 1] heeft aan de KvK gevraagd om ambtshalve over te gaan tot ontbinding van [naam 2] , maar hij is daarbij als schuldeiser geen belanghebbende. Zoals op de zitting is besproken, is artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek tot stand gekomen om misbruik van lege vennootschappen tegen te gaan en het handelsregister op te schonen. Dat zijn geen belangen die [naam 1] specifiek raken. De bepaling is niet opgenomen, zodat schuldeisers een verzoek tot ontbinding kunnen doen om via die weg vereffening af te dwingen en mogelijk alsnog betaald worden.\n\n2 Sterker nog, de wetsgeschiedenis maakt er juist melding van dat schuldeisers niet de gelegenheid krijgen om op te komen tegen een voornemen tot ontbinding, omdat zij in de vereffeningsfase positie kunnen innemen.Dat betekent dat [naam 1] geen rechtstreeks belang heeft bij deze procedure. Hij is daarom geen belanghebbende die een verzoek heeft gedaan als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om die reden zijn de brieven van de KvK hierover geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld.\n\n3 Dit leidt tot de conclusie dat het College niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Kamerstukken II 1991\u002F92, 22 482, nr. 3, blz. 6.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:308","2026-07-13T00:28:56.602Z",{"id":143,"ecli":144,"slug":145,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":146,"fullText":147,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":46,"updatedAt":149},"1380","ECLI:NL:RBDHA:2026:17209","ecli-nl-rbdha-2026-17209","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.60871 en NL25.60872\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser] , V-nummer: 2950751735, eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. K. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D. Gigengack).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 27 mei 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Na de zitting is gebleken dat eiser wel naar de rechtbank is gekomen, maar aankwam nadat de behandeling van zijn zaak was afgelopen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Eiser komt uit [plaats] . Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië gevaar loopt vanwege de onveilige situatie daar. Daarnaast is hij als christen kwetsbaar en heeft hij beperkt zicht vanwege een oogafwijking. Eiser uit zich ook op sociale media tegen mensenrechtenschendingen door berichten te delen.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en\n\ndat eiser christen is.\n\n4. Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Volgens verweerder heeft eiser echter geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en voor eiser gelden geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden. Uit eisers verklaringen en beschikbare landeninformatie volgt volgens verweerder niet dat hij individuele problemen heeft ondervonden of zal ondervinden omdat hij christen is. Verweerder heeft ook aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft vanwege zijn activiteit op sociale media. Ook dat maakt volgens verweerder echter niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft, omdat het niet gaat om een sterke overtuiging en omdat eisers bereik beperkt is.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft de onderdelen van eisers asielrelaas onvoldoende in samenhang beoordeeld. Wat betreft eisers religie heeft verweerder zijn verklaringen en de gevaarlijke situatie voor christenen in Syrië niet zwaar genoeg gewogen. Eiser heeft naast staatsactoren, ook andere actoren te vrezen als christen. Ook vanwege zijn politieke overtuiging en uitingen op sociale media kan eiser wel degelijk in de negatieve aandacht komen. Daarnaast moest verweerder nader onderzoek doen naar eisers slechte zicht en de invloed daarvan op zijn kwetsbaarheid. Ook heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd waar het gaat om de veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht wat de huidige veiligheidssituatie is en hoe eisers individuele omstandigheden het risico voor hem vergroten. Verweerder mocht aan eiser ook geen terugkeerbesluit opleggen, omdat dat in strijd is met het verbod op refoulement.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nEisers christelijke geloofsovertuiging\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging omdat hij christen is. De rechtbank vindt allereerst van belang dat uit de beschikbare landeninformatie niet volgt dat er sprake is van systematische vervolging van christenen in Syrië. In het bestreden besluit heeft verweerder dit gemotiveerd uiteengezet op basis van het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025. Ter zitting heeft verweerder terecht betoogd dat uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 geen wezenlijk ander beeld naar voren komt.Hoewel de ambtsberichten melding maken van incidenten van geweld tegen christenen, waaronder ook een aantal van de gebeurtenissen die eiser heeft benoemd, volgt de rechtbank verweerder in zijn betoog dat uit de beschikbare landeninformatie niet het beeld naar voren komt dat het geweld een systematische vorm aanneemt. De rechtbank ziet op basis van deze informatie geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder christenen in Syrië moest aanmerken als risicoprofiel. Eiser heeft ook niet gewezen op individuele problemen die maken dat voor hem moet worden aangenomen dat hij bij terugkeer problemen zal ondervinden vanwege zijn geloof. Verweerder heeft op goede gronden geconcludeerd dat eiser in het verleden de vrijheid had om zijn geloof te praktiseren zoals hij dat wenste en heeft erop mogen wijzen dat er ook in de huidige situatie geen persoonlijke aanwijzingen zijn dat eiser problemen heeft te verwachten. De algemene informatie waarop eiser heeft gewezen, is daartoe niet voldoende.\n\nPolitieke overtuiging\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen persoonlijke problemen heeft ondervonden of heeft te verwachten vanwege zijn politieke uitingen op sociale media. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser een klein bereik heeft op sociale media en dat er geen indicaties zijn van negatieve aandacht die verder gaan dan negatieve commentaren die niet tot bepaalde personen te herleiden zijn. Daar komt bij dat eiser geen eigen berichten plaatst, maar verspreidt wat anderen plaatst en dat die berichten doorgaans na een dag ook weer verdwijnen. Eisers stelling dat hij in de negatieve belangstelling kankomen te staan vanwege zijn activiteiten, is onvoldoende concreet om er een andere conclusie aan te verbinden. Uit het dossier komen tot slot geen andere manieren naar voren waarop eiser zijn politieke overtuiging uit.\n\nReëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld\n\n9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.\n\n Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en\u002Fof in stand worden gehouden door het handelen en\u002Fof nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.\n\n9.1.. Verweerder heeft het besluit van 10 december 2025 gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025, dat op dat moment het meest recente ambtsbericht was. Verweerder heeft daarnaast in de besluitvorming de bijbehorende beslisnota en de brief van de Minister van Asiel en Migratie van 10 juni 2025 aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië meegenomen. Verder heeft verweerder gewezen op data uit de Country of Origin Query Syria van 1 oktober 2025 en de EUAA Country Focus Syria van juli 2025. Met het verweerschrift van 22 mei 2026 heeft verweerder deze beoordeling op verzoek van de rechtbank geactualiseerd onder verwijzing naar het inmiddels meest recente Algemeen Ambtsbericht van januari 2026. Verweerder heeft hierbij ook data betrokken van de UNHCR, ACLED, EUAA en het UK Home Office.\n\n9.2.. \n\nVerweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.\n\n Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] , het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 2 (november 2025) en 17 (juli 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats] . Verder waren er in [plaats] vier incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats] .\n\n9.3.. \n\nWat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict.Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.\n\n Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats] in het bijzonder veroorzaken en\u002Fof in stand houden. Eiser heeft naar voren gebracht dat er volgens UNICEF significante uitdagingen zijn voor terugkeerders door de voortdurende situatie, maar hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat partijen bij het huidige gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in stand houden. Ook uit de informatie van de EUAA, volgt niet een dergelijk verband.\n\n9.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] .\n\n9.5.. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoewel eiser een visuele beperking heeft, volgt uit de toelichting die gemachtigde ter zitting heeft gegeven dat eiser voldoende kan zien om zichzelf te redden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt in eisers geval niet uit zijn visuele beperking dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mocht vinden dat eiser verder geen persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\nTerugkeerbesluit\n\n10. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.\n\n10.1.. \n\nDaarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.\n\n- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.\n\n10.2.. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd.Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.\n\n10.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Verweerder voldoende beoordeeld in welke situatie eiser bij terugkeer zal komen. Verweerder heeft namelijk vastgesteld dat eiser in [plaats] familieleden heeft bij wie hij terecht kan en dat hij in het verleden heeft gestudeerd en gewerkt, zodat aannemelijk is dat hij ook nu in staat zal zijn zichzelf, met hulp van zijn familie, te handhaven. Ook in dit kader is niet gebleken dat eisers gezichtsaandoening zal betekenen dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n11.1.. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n11.2.. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nTegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Zie pagina 91 en 98-103 van het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).\n\n Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.\n\n Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.\n\n EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.\n\n Uitspraak van 23 februari 2026, noot 12, r.o. 7.4.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.\n\n Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.\n\n Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394\u002F25).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17209","2026-07-13T00:29:18.901Z",{"id":151,"ecli":152,"slug":153,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":154,"fullText":155,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":46,"updatedAt":157},"1937","ECLI:NL:RBDHA:2026:17189","ecli-nl-rbdha-2026-17189","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3910\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n Stichting [eiseres] , uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. A. Staal),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 2 oktober 2025 heeft het Uwv besloten dat eiseres de tekortkoming(en) in haar re-integratieplichten voor werknemer [werknemer] nog niet heeft hersteld. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 11 mei 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 31 maart 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.\n\n3. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n3.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen vier weken, dan wel binnen een door de rechtbank redelijk vast te stellen termijn, alsnog een besluit op bezwaar af te geven.\n\n3.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een groot tekort aan verzekeringsartsen.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n3.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n3.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n4. Het Uwv verzoekt de rechtbank de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraken van 30 juli 2025 te overwegen.Die rechtbank geeft het Uwv bij een beroep niet tijdig beslissen een termijn van 40 weken voor werkgeversberoepen om alsnog een besluit bekend te maken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen.\n\n4.1.. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.\n\n5. Het Uwv geeft in het verweerschrift aan geen termijn te kunnen geven waarbinnen een besluit op bezwaar kan worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n6. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17189","2026-07-13T00:29:46.334Z",{"id":159,"ecli":160,"slug":161,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":154,"fullText":162,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":163,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":46,"updatedAt":164},"1934","ECLI:NL:RBDHA:2026:17188","ecli-nl-rbdha-2026-17188","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3737\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V ., uit [plaats] , eiseres\n\n( gemachtigde: [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 10 februari 2025 heeft het Uwv aan [(ex-)werkneemster] ,\n\n(ex-)werkneemster van eiseres, een gewijzigde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 4 mei 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 13 februari 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.\n\n3. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n3.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen een redelijke termijn alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken.\n\n3.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een grote toename van aanvragen en verzoeken om beoordeling. Daarbij is er een groot tekort aan verzekeringsartsen om deze beoordelingen uit te voeren.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n3.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n3.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n4. Het Uwv verzoekt de rechtbank om een beslistermijn te bepalen van ten minste vier maanden. Het Uwv heeft echter niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.\n\n5. Het Uwv geeft in het verweerschrift aan dat de afdeling op de hoogte is gebracht van dit directe beroep en dat is verzocht om de beoordeling met spoed op te pakken. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n6. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17188","2026-07-13T00:29:46.227Z",{"id":166,"ecli":167,"slug":168,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":154,"fullText":169,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":46,"updatedAt":171},"1933","ECLI:NL:RBDHA:2026:17187","ecli-nl-rbdha-2026-17187","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3841\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n Gemeente Alphen aan den Rijn, uit Alphen aan den Rijn, eiseres\n\n( gemachtigde: [gemachtigde 1] ) ,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde 2] ).\n\nInleiding\n\n1. [(ex-)werkneemster] , (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 21 november 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 11 mei 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op het herbeoordelingsverzoek.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 13 maart 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.\n\n3. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n3.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht het Uwv op te dragen om binnen een korte en concrete termijn, bij voorkeur van uiterlijk zes weken, alsnog een inhoudelijke beslissing te nemen op het verzoek om herbeoordeling.3.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een groot tekort aan verzekeringsartsen.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n3.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n3.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n4. Het Uwv verzoekt de rechtbank de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraken van 30 juli 2025 in overweging te nemen.Die rechtbank geeft het Uwv bij een beroep niet tijdig beslissen een termijn van 40 weken voor werkgeversberoepen om alsnog een besluit bekend te maken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen.\n\n4.1.. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.\n\n5. Het Uwv geeft aan dat er momenteel geen termijn kan worden gegeven waarbinnen een besluit op de aanvraag zal worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de benodigde medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n6. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden.Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het herbeoordelingsverzoek bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,\n\nr.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,\n\nr.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17187","2026-07-13T00:29:46.190Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":154,"fullText":176,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":177,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":46,"updatedAt":178},"1932","ECLI:NL:RBDHA:2026:17186","ecli-nl-rbdha-2026-17186","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3805\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. A. Dogan),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 14 maart 2025 heeft het Uwv bepaald dat eiseres per 15 mei 2025 niet meer in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 1 mei 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 9 december 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.\n\n3. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n3.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen om binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken.\n\n3.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een groot tekort aan verzekeringsartsen.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n3.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n3.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n4. Het Uwv verzoekt de rechtbank de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraken van 30 juli 2025 in overweging te nemen.Die rechtbank geeft het Uwv bij een beroep niet tijdig beslissen een termijn van 30 weken voor werknemersberoepen om alsnog een besluit bekend te maken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen.\n\n4.1.. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.\n\n5. Het Uwv geeft aan dat er momenteel geen termijn kan worden gegeven waarbinnen een besluit op bezwaar zal worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat al bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n6. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden.Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nUitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\n De uitspraken van de rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17186","2026-07-13T00:29:46.147Z",{"id":180,"ecli":181,"slug":182,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":183,"fullText":184,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":185,"sourceTimestamp":186,"parsedAt":46,"updatedAt":187},"1681","ECLI:NL:RBDHA:2026:11003","ecli-nl-rbdha-2026-11003","2026-05-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 23\u002F6629, 24\u002F2357 en 24\u002F32uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.R.D.D. Speelman)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, het college\n\n(gemachtigde: mr. J. dos Santos).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser (SGR 23\u002F6629), het buiten behandeling stellen van twee aanvragen om een omgevingsvergunning (SGR 24\u002F32) en het invorderen van een dwangsom (SGR 24\u002F2357). Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\nZaak SGR 23\u002F6629\n\n2. Op 23 november 2020 heeft een toezichthouder van de afdeling Veiligheid, Toezicht en Handhaving van de gemeente Leidschendam-Voorburg geconstateerd dat op de uitbouw van de woning aan de [adres 1] door eiser, eigenaar van de bovengelegen woning aan de Parkweg 85A, een dakterras met hekwerk is gerealiseerd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.\n\n2.1.. Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. De last strekt tot (1) het verwijderen en verwijderd houden van het hekwerk op de uitbouw bij de woning aan de [adres 1] , (2) het plaatsen van een valbeveiliging bij de deur die toegang geeft tot het dak en (3) het staken en gestaakt houden van het gebruik van het dak van de uitbouw als dakterras.2.2.. Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft het college de bezwaren van eiser tegen het opleggen van de last onder dwangsom ongegrond verklaard.\n\nZaak SGR 24\u002F322.3.. Op 15 oktober 2022 heeft eiser een omgevingsvergunning verzocht ter legalisatie van zijn dakterras.\n\n2.4.. Bij brief van 17 november 2022 heeft het college aan eiser meegedeeld dat het zijn verzoek om een omgevingsvergunning niet in behandeling kan nemen.\n\n2.5.. Op 17 februari 2023 heeft eiser opnieuw verzocht om een omgevingsvergunning ter legalisatie van zijn dakterras.\n\n2.6.. Bij brief van 27 februari 2023 heeft het college dit verzoek buiten behandeling gesteld onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2.7.. Bij besluit van 22 november 2023 heeft het college de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 17 november 2022 en 27 februari 2023 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nZaak SGR 24\u002F23572.8.. Bij brief van 13 december 2023 heeft het college aan eiser medegedeeld dat een toezichthouder tijdens een controle op 16 november 2023 heeft geconstateerd dat het gebruik van het dakterras niet is gestaakt.\n\n2.9.. Bij besluit van 8 februari 2024 heeft het college een dwangsom van € 1.500,- bij eiser ingevorderd.\n\nIn alle zaken2.10.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 24 augustus 2023, 22 november 2023 en 8 februari 2024. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.11.. De rechtbank heeft de zaken gevoegd en op 20 maart 2026 behandeld op zitting. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank eerst ingaan op de door eiser verzochte omgevingsvergunning (zaak 24\u002F32). Vervolgens zal het opleggen van de last onder dwangsom worden beoordeeld (zaak 23\u002F6629). Tot slot zal de rechtbank het invorderen van de dwangsom beoordelen (zaak 24\u002F2357).\n\nDe omgevingsvergunning (SGR 24\u002F32)\n\n4. Het college heeft de verzoeken van eiser om een omgevingsvergunning voor het dakterras niet in behandeling genomen. Volgens het college kunnen deze verzoeken niet worden aangemerkt als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, omdat eiser geen belanghebbende is. Het college stelt zich hiertoe op het standpunt dat het dakterras niet gerealiseerd kan worden, omdat eiser niet beschikt over de hiervoor vereiste privaatrechtelijke toestemming van zijn buren.\n\n5. Eiser betoogt dat hij wel belanghebbende is. Hij voert aan dat alle betrokken omwonenden op enig moment hebben ingestemd met de realisatie van het dakterras. Eiser verwijst hiertoe naar een proces-verbaal van een zitting bij de rechtbank Den Haag van 5 juli 2022,de splitsingsakte van 26 oktober 2022, de notulen van de vergadering van de Vereniging van Eigenaren (VvE) van 16 november 2022 en een door de omwonenden ondertekende brief van 23 november 2019. Verder voert eiser aan dat toestemming van de eigenaren van de naastgelegen woning [adres 2] niet nodig is, omdat een op de zij-erfgrens aanwezig privacyscherm ervoor zorgt dat er vanaf het dakterras geen zicht is op het naastgelegen erf. Voor zover ten aanzien van dit erf sprake zou zijn van een privaatrechtelijke belemmering, is die volgens eiser dan ook weggenomen.\n\n5.1.. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.\n\n5.3.. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij de beoordeling van de belanghebbendheid de hoofdregel geldt dat degene die een verzoek om vergunning indient, in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek om het verlenen van een vergunning betrekking heeft op gronden die bij een ander in eigendom zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. Als aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt omdat de rechthebbende hiervoor geen toestemming wil geven en er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit te verwezenlijken tegen de wens van de rechthebbende in, dan is de verzoeker geen belanghebbende. In dat geval is het verzoek om vergunning geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet. Eiser heeft in dit verband terecht gewezen op onder meer het proces-verbaal van een zitting bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2022, waaruit volgt dat de eigenaren van de woning aan de [adres 1] toestemming verlenen voor de aanleg en het gebruik van het reeds gerealiseerde dakterras op hun uitbouw. Ook in de akte van splitsing van 26 oktober 2022 wordt bevestigd dat de eigenaren van de uitbouw de aanwezigheid van het dakterras accepteren. Dat betekent dat niet aannemelijk is geworden dat het dakterras niet kan worden gelegaliseerd omdat de rechthebbenden op de uitbouw hiertegen bezwaar hebben. Het college heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat eiser geen belanghebbende is bij zijn verzoek om een omgevingsvergunning voor het dakterras.\n\n5.4.1.. \n\nVoor zover het college meent dat het dakterras te dicht op de erfgrens is gerealiseerd en dat hiervoor daarom de instemming van omwonenden is vereist, leidt dit niet tot een ander oordeel. De vraag of sprake is van privaatrechtelijke belangen van derden die eraan in de weg kunnen staan dat een omgevingsvergunning voor het dakterras wordt verleend, dient het college te beantwoorden bij de beoordeling van de aanvraag voor die omgevingsvergunning. Daartoe zal het college deze aanvraag dus eerst in behandeling moeten nemen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal het college acht moeten slaan op de door eiser overgelegde documenten waaruit volgens hem blijkt dat de betrokken omwonenden akkoord zijn met de realisatie van het dakterras.\n\nHet betoog van eiser slaagt.\n\n5.5.. De conclusie van het voorgaande is dat het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. De rechtbank zal het bestreden besluit van 22 november 2023 daarom vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.\n\nHet opleggen van de last onder dwangsom (SGR 23\u002F6629)\n\n6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór 1 januari 2024 een last onder dwangsom is opgelegd voor een gepleegde overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft de last onder dwangsom vóór 1 januari 2024 opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.\n\n7. Eiser betoogt dat het college de last onder dwangsom niet mocht opleggen, omdat – zo begrijpt de rechtbank het betoog van eiser – sprake is van concreet zicht op legalisatie van het dakterras. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat zowel de bewoners van de [adres 1] als de betrokken overige omwonenden geen bezwaar hebben tegen het dakterras.\n\n8. Het college stelt zich op het standpunt dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd. Volgens het college is sprake van een overtreding. Concreet zicht op legalisatie hiervan ontbreekt, nu het college niet bereid is de voor het dakterras vereiste omgevingsvergunning te verlenen.\n\n8.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding, nu het dakterras strijd oplevert met het bestemmingsplan en zonder de hiervoor vereiste omgevingsvergunning is gerealiseerd. Eiser heeft zijn beroepsgrond dat het dakterras kon worden gerealiseerd met gebruikmaking van een bouwvergunning die in 1980 is verleend ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal hierover daarom geen oordeel geven.\n\n8.2.. Het is vaste rechtspraak dat het algemeen belang gediend is met handhaving. Gelet op dit algemeen belang, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.\n\n8.3.. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Bij strijd met het bestemmingsplan bestaat concreet zicht op legalisatie, als er een ontvankelijke aanvraag is ingediend en het college bereid is de gevraagde afwijking van het bestemmingsplan toe te staan.Die situatie doet zich hier niet voor. In beginsel volstaat het feit dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken, namelijk als op voorhand duidelijk is dat het standpunt om niet mee te werken aan legalisatie rechtens niet houdbaar is. De weigering om planologische medewerking te verlenen moet zeer terughoudend worden getoetst.\n\n8.4.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat concreet zicht op legalisatie ontbreekt. Hierboven is onder 5.5 overwogen dat het college de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor het dakterras ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning was ingediend, kan eiser daarom niet worden tegengeworpen. Het college heeft verder ter zitting bevestigd dat – als de aanvraag om een omgevingsvergunning inhoudelijk zou zijn beoordeeld – de enige reden om géén omgevingsvergunning te verlenen zou zijn gelegen in het ontbreken van de toestemming van de omwonenden. Dat betekent dat het college zich op het standpunt stelt dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank is op voorhand niet zeker of dit standpunt van het college kan worden gevolgd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een privaatrechtelijke belemmering slechts in de weg kan staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan, als deze belemmering evident is. Dat wil zeggen dat zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van het dakterras de toestemming van een ander is vereist en die ander deze toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.Gelet op de door eiser overgelegde stukken waarmee hij zijn standpunt heeft onderbouwd dat de betrokken omwonenden op enig moment hebben ingestemd met de aanwezigheid van het dakterras, is naar het oordeel van de rechtbank twijfelachtig of sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter.\n\nHet betoog van eiser slaagt.\n\n8.5.. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de opgelegde last onder dwangsom onvoldoende duidelijk is waar het gaat om het staken en gestaakt houden van het gebruik van het dak van de uitbouw als dakterras. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.De rechtbank is van oordeel dat de last aan dit criterium voldoet, omdat het staken van het gebruik van het dakterras naar normaal spraakgebruik duidelijk is.\n\n8.6.. Gelet op wat is overwogen onder 8.4 is het beroep tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2023 gegrond. De rechtbank zal dit besluit vernietigen omdat het niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. Het college zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser moeten beslissen.\n\nDe invordering van de dwangsom (SGR 24\u002F2357)\n\n9. Bij besluit van 8 februari 2024 heeft het college bij eiser een dwangsom van € 1.500,- ingevorderd omdat eiser niet tijdig heeft voldaan aan de last om het gebruik van het dakterras te staken en gestaakt te houden (hierna: last 3).\n\n9.1.. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2023 is van rechtswege mede gericht tegen het invorderingsbesluit van 8 februari 2024. Dit volgt uit artikel 5:39, eerste lid, van de Awb.\n\n10. Onder verwijzing naar een rapport van een controle die is uitgevoerd op 16 november 2023, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiser niet tijdig aan last 3 heeft voldaan. Volgens het college was het gebruik van het dakterras ten tijde van de controle niet gestaakt.\n\n11. Eiser bestrijdt het standpunt van het college dat hij niet tijdig aan last 3 heeft voldaan.\n\n11.1.. Dit betoog van eiser slaagt. Uit het controlerapport en de daarbij gevoegde foto’s volgt dat het hekwerk rond het dakterras ten tijde van de controle was verwijderd en los op het dak lag. Verder is geconstateerd dat de schuifpui die toegang gaf tot het dakterras met een hangslot was afgesloten en is op de foto’s zichtbaar dat in de hoek van het dakterras tegen de woning aan wat tuinmeubilair is opgestapeld. Gelet op deze bevindingen van de toezichthouder en op de onweersproken toelichting van eiser ter zitting dat de huurders van de woning niet beschikten over de sleutel van het hangslot waarmee de schuifpui kon worden geopend, was naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de controle geen sprake van een overtreding van last 3. Het dakterras was op het moment van de controle niet als zodanig in gebruik en hiervoor – door de verwijdering van het hekwerk – ook niet meer geschikt. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser ook gehouden was tot verwijdering van de tegels op de uitbouw en tot het weghalen van het opgeslagen tuinmeubilair, volgt dit niet uit het handhavingsbesluit.\n\n11.2.. Het college heeft daarom ten onrechte aangenomen dat eiser niet heeft voldaan aan last 3 en is ten onrechte tot invordering van de dwangsom overgegaan.\n\n12. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de invorderingsbeschikking van 8 februari 2024 vernietigen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De beroepen van eiser zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. Het college zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 oktober 2022 (SGR 23\u002F6229) en op de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 17 november 2022 en 27 februari 2023 (SGR 24\u002F32).\n\n14. Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (2 punten voor het indienen van een beroepschrift in de zaken SGR 23\u002F6629 en 24\u002F32 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nIn zaak SGR 23\u002F6629:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 24 augustus 2023;\n\n- draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze\n\n uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- aan hem vergoedt.\n\nIn zaak SGR 24\u002F32:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 22 november 2023;\n\n- draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze\n\n uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- aan hem vergoedt.\n\nIn zaak SGR 24\u002F2357:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 8 februari 2024.\n\nIn alle zaken gezamenlijk:\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr., A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer 9144842\u002F21-50250.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1232.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1691.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5796.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1186.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1555.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11003","2026-05-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.258Z",{"id":189,"ecli":190,"slug":191,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":192,"fullText":193,"summary":32,"language":7,"source":43,"sourceUrl":194,"sourceTimestamp":195,"parsedAt":46,"updatedAt":196},"1605","ECLI:NL:GHDHA:2026:1886","ecli-nl-ghdha-2026-1886","2026-04-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-24\u002F965\n\nUitspraak van 16 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: A. Bakker)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 oktober 2024, nummer SGR 23\u002F2712.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 339.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende zaakbelastingen van de gemeente Rotterdam (de aanslag).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar afgewezen.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 12 mei 2025 en 11 juni 2025 nadere stukken overgelegd.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n1.6.. Na afloop van de zitting zijn het Hof, onder meer via openbare gegevens van het zogenoemde WOZ-waardeloket (www.wozwaardeloket.nl), gegevens ter kennis gekomen waardoor twijfel is ontstaan over het bouwjaar van de woning. Hierin heeft het Hof aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Bij bericht van 1 december 2025 heeft het Hof, onder verwijzing naar de genoemde openbare gegevens, partijen verzocht het bouwjaar van de woning uiterlijk op 15 december 2025 met stukken te onderbouwen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Heffingsambtenaar op 10 december 2025 bij nader stuk (met bijlagen) gereageerd en het Hof inlichtingen verstrekt. Van de zijde van belanghebbende is binnen de termijn geen reactie ingekomen. Het Hof heeft belanghebbende vervolgens bij bericht van 18 december 2025 uitstel verleend tot 9 januari 2026 voor het verstrekken van de gevraagde inlichtingen. Belanghebbende heeft op 9 januari 2026 gereageerd op het verzoek van het Hof met het bericht dat hij wacht op de reactie van de Heffingsambtenaar omtrent het bouwjaar. Het Hof heeft belanghebbende bij bericht van 13 januari 2026 een afschrift van de door de Heffingsambtenaar op 10 december 2025 verstrekte inlichtingen toegezonden en in de gelegenheid gesteld daarop uiterlijk op 27 januari 2026 te reageren. Van de zijde van belanghebbende is binnen deze termijn geen reactie ingekomen. Het Hof heeft belanghebbende bij bericht van 29 januari 2026 een laatste uitstel voor een reactie verleend tot 12 februari 2026. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. Op 17 februari 2026 heeft het Hof partijen laten weten geen aanleiding te zien een nadere zitting te houden omdat het Hof zich voldoende voorgelicht acht, tenzij een van partijen uiterlijk op 3 maart 2026 kenbaar maakt dat hij op een zitting wil worden gehoord. Partijen hebben niet kenbaar gemaakt te willen worden gehoord. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten en partijen hierover op 5 maart 2026 bericht.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning betreft een twee-onder-een- kapwoning die is gelegen in de wijk [Wijk 1] . De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 131 m2 en staat op een perceel van 250 m2. Op het perceel staat een garage.\n\n2.2.. De Heffingsambtenaar heeft in beroep een taxatierapport en een matrix overgelegd. De matrix bevat gegevens van de woning en vijf, volgens de Heffingsambtenaar, met de woning vergelijkbare objecten (de vergelijkingsobjecten). Het taxatierapport bevat onder meer foto’s van het aanzicht en luchtfoto’s van de ligging van de woning en de vergelijkingsobjecten. Alle vergelijkingsobjecten zijn twee-onder-een-kapwoningen gelegen in de wijk [Wijk 1] in [woonplaats] . In de matrix zijn onder meer de volgende gegevens opgenomen:\n\nAdres\n\n [adres 1]\n\n [adres 2]\n\n [adres 3]\n\n [adres 4]\n\n [adres 5]\n\n [adres 6]\n\nBouwjaar\n\n1981\n\n2004\n\n2004\n\n2001\n\n2003\n\n2004\n\nGO (m2)\n\n131\n\n163\n\n174\n\n207\n\n209\n\n148\n\nPerceel\n\n250\n\n256\n\n306\n\n290\n\n335\n\n258\n\nVLOK\n\n3-1-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\nWOZ waarde\n\n€ 339.000\n\nVerkoopdatum\n\n13-1-2020\n\n18-1-2021\n\n17-2-2020\n\n31-3-2020\n\n14-9-2020\n\nKoopsom\n\n€ 650.000\n\n€ 740.000\n\n€ 772.500\n\n€ 640.000\n\n€ 625.000\n\nKoopsom op waardepeildatum\n\n€ 721.867\n\n€ 740.000\n\n€ 849.466\n\n€ 695.170\n\n€ 646.277\n\nWaardeverandering (%) naar waardepeildatum\n\n11,06\n\n0,00\n\n9,96\n\n8,62\n\n3,40\n\nGarage\u002Fparkeerplaats\n\n€ 22.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\nAanbouw\u002Fserre\n\n€ 0\n\n€ 39.684\n\n€ 86.077\n\n€ 31.747\n\nDakkapel\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 4.000\n\n€ 0\n\nOverige onderdelen\n\n-€ 64.000\n\n € 4.000\n\nGrondwaarde\n\n€ 124.468\n\n€ 144.880\n\n€ 171.460\n\n€ 163.240\n\n€ 185.380\n\n€ 145.960\n\nGrondprijs per m2\n\n€ 498\n\n€ 566\n\n€ 560\n\n€ 563\n\n€ 553\n\n€ 566\n\nHoofdgebouwwaarde na correctie\n\n€ 256.532\n\n€ 507.303\n\n€ 452.463\n\n€ 656.226\n\n€ 471.790\n\n€ 438.570\n\nPrijs opstal per m2\n\n€ 1.958\n\n€ 3.112\n\n€ 2.600\n\n€ 3.170\n\n€ 2.257\n\n€ 2.963\n\nCorrectie VLOK naar object belanghebbende\n\n€ 2.801\n\n€ 2.340\n\n€ 2.853\n\n€ 2.032\n\n€ 2.667\n\nOverige onderdelen betreft vrijstelling water verdedigingswerken\n\nUitgezonderd is 112 m2\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in beroep een WOZ-deskundigenrapport met daarin opgenomen een matrix overgelegd (de referentiematrix). In de referentiematrix is als bouwjaar van de woning 1981 vermeld en zijn drie objecten opgenomen die naar de mening van belanghebbende vergelijkbaar zijn met de woning, te weten [adres 7] (bouwjaar 1989), [adres 8] (bouwjaar 1987) en [adres 9] (bouwjaar 1989). Deze objecten zijn eveneens twee-onder-een-kapwoningen. Ze zijn gelegen in de wijk [Wijk 2] in [woonplaats] . In de referentiematrix wordt de waarde van de woning bepaald op € 268.237. Voorts heeft belanghebbende gegevens van [A B.V.] van de woningen in de referentiematrix en gegevens over de prijsontwikkeling vanaf de verkoop van die woningen tot aan de waardepeildatum van Vastgoedpro overgelegd.\n\n2.4.. Bij het nader stuk van 10 december 2025 heeft de Heffingsambtenaar gegevens uit het Stadsarchief overgelegd, te weten een Pandkaart, gegevens over de sloop van de voormalige woning in 1997 en bestektekeningen van de bouw van de woning uit 1997.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser:\n\n“Heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?\n\n(…)\n\n5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.[1] De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.[2]\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit het door verweerder overgelegde taxatierapport blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De vergelijkingsobjecten ( [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] ) zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type en gebruiksoppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten is hoger dan de vierkantemeterprijs van de woning.\n\n7. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Met de matrix heeft de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten zijn verdisconteerd. In de matrix heeft de heffingsambtenaar de waarde van de objectonderdelen vermeld. Het besluit is terzake voldoende gemotiveerd. Eiser heeft de juistheid van die objectkenmerken niet (gemotiveerd) betwist.\n\n7.1. Op de zitting heeft eiser verklaard dat de ligging van de woning aan of op een waterverdedigingswerk en nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen geen punten van geschil meer zijn. De rechtbank zal deze stellingen (en in combinatie daarmee het beroep op het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel) daarom verder niet bespreken. Eiser heeft zijn stelling dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, uitsluitend onderbouwd, door te wijzen op het verschil in bouwjaar waardoor met gebruikmaking van andere NEN-normen is gebouwd, hetgeen vooral tot verschil in de mogelijkheid tot energiebesparing leidt. Eiser heeft niet onderbouwd dat verweerder het onderhoudsniveau en het niveau van de voorzieningen van de woning anders had moeten waarderen dan hij heeft gedaan.\n\n7.2. In het door eiser overgelegde WOZ-deskundigenrapport wordt de waarde onderbouwd met verkoopcijfers van woningen die weliswaar een bouwjaar hebben dat meer overeenkomt met dat van de woning, maar die zijn gelegen in een andere wijk. De heffingsambtenaar heeft ter zitting uitgelegd dat de wijk waarin de woning van eiser ligt ( [Wijk 1] ) een ander waardeniveau heeft dan de wijk waarin de woningen zijn gelegen waarmee in het door eiser overgelegde taxatierapport wordt vergeleken ( [Wijk 2] ). De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de vergelijkingsobjecten in het taxatierapport van eiser daardoor minder goed bruikbaar zijn.\n\n7.3. Tot slot is in de matrix van de heffingsambtenaar sprake van een bandbreedte van € 76.111,- (door het verschil) tussen de vierkantemeterprijs van de woning en de gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten[3], waarin eventuele nadere verschillen, waaronder die in bouwjaar, geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n(…)\n\n[1] Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, blz. 44.\n\n[2] HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300\n\n[3] € 2.539 - € 1.958 * 131 = € 76.11.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In hoger beroep is in geschil of de Heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking naar een waarde van de woning van € 268.000 en dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nOp de zaak betrekking hebbende stukken – artikel 8:42 Awb\n\n5.1.. Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar heeft verzuimd de bouwtekeningen en de iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten over te leggen aan de Rechtbank en het Hof. Volgens belanghebbende is sprake van een schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij verzoekt het Hof daaraan de gevolgen te verbinden die het geraden voorkomen (artikel 8:31 Awb).\n\n5.2.. Tot de op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb over te leggen stukken behoren alle stukken die de Heffingsambtenaar ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. De verplichting tot overlegging van stukken strekt zich ook uit tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de Heffingsambtenaar zijn gekomen. Indien dergelijke stukken ter beschikking van de Heffingsambtenaar komen na afloop van de in artikel 8:42 Awb bedoelde termijn, dient hij deze alsnog onverwijld aan de rechter toe te zenden. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren niet slechts de stukken die de Heffingsambtenaar heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Daartoe behoren in beginsel ook stukken die de Heffingsambtenaar wel ter beschikking staan of hebben gestaan maar die hij niet heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Stukken die de Heffingsambtenaar wel heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit, maar die voor de beoordeling van de zaak door de rechter niet (langer) van belang zijn, behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2).\n\n5.3.. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, behoren de bouwtekeningen en de iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten in beginsel niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Dat is slechts anders indien de Heffingsambtenaar in het kader van de onderhavige procedure de bouwtekeningen en de iWOZ-kaarten heeft opgevraagd en ingezien. In die situatie behoren die stukken tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Daarnaast geldt dat, als belanghebbende gemotiveerd heeft gesteld dat de door de Heffingsambtenaar in de matrix genoemde gebruiksoppervlakten en objectkenmerken van de woning of de vergelijkingsobjecten onjuist zijn, en hij daarmee voldoende twijfel zaait, het in reactie daarop op de weg van de Heffingsambtenaar kan liggen om de gebruiksoppervlakten en objectkenmerken te controleren en (als gevolg daarvan) bijvoorbeeld bouwtekeningen, iWOZ-kaarten of ander bewijs in te brengen. Dat is hier niet aan de orde. De gemachtigde voert standaard in zijn (hoger)beroepschriften aan dat hij de gebruiksoppervlakte en de objectkenmerken bestrijdt bij gebrek aan wetenschap. Iedere verdere motivering ontbreekt, zodat hij daarmee niet de minste twijfel zaait dat de Heffingsambtenaar is uitgegaan van de juiste gebruiksoppervlakten en objectkenmerken van de woning en de vergelijkingsobjecten.\n\nWaarde van de woning\n\n5.4.. De waarde van de woning wordt volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, p. 43-44).\n\n5.5.. De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571 geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag of aan de bewijslast is voldaan de normale regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast gelden. Die regels brengen mee dat de rechter ten aanzien van de door een partij aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen in hoeverre die zijn bestreden en, zo ja, in hoeverre die door deze partij aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd (HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332). Indien de heffingsambtenaar niet het van hem verlangde bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt, dient de rechter de waarde op een door hem gekozen grondslag vast te stellen. Indien de belanghebbende een beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waarde van de onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het derhalve aan hem te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776).\n\n5.6.. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde een taxatierapport en een matrix overgelegd (zie 2.2). Uit de matrix volgt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Daarbij is verwezen naar de opbrengst behaald bij verkoop van de vergelijkingsobjecten rondom de waardepeildatum. Niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Voldoende is dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen.\n\n5.7.. Naar het oordeel van het Hof zijn de vergelijkingsobjecten vergelijkbaar met de woning. Alle vergelijkingsobjecten zijn twee-onder-een-kapwoningen met een garage die zijn gelegen in dezelfde wijk van [woonplaats] als de woning, [Wijk 1] . De percelen zijn van een vergelijkbare oppervlakte. Qua uitstraling zijn de vergelijkingsobjecten eveneens vergelijkbaar met de woning.\n\n5.8.. Met de verschillen in gebruiksoppervlakte en in staat tussen de vergelijkingsobjecten en de woning is in de matrix in voldoende mate rekening gehouden. Dit komt naar voren doordat de Heffingsambtenaar aparte waardes heeft toegekend aan de grond en aan de deelobjecten van de woning en de vergelijkingsobjecten, en aan de woning voor ligging factor 1 heeft toegekend vanwege geluidsoverlast en als gevolg van de ligging nabij een snelweg. Uit de matrix blijkt een prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de woning van € 1.958. Dit is lager dan de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van elk van de vergelijkingsobjecten (zie 2.2). Ten opzichte van het gemiddelde van de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de vergelijkingsobjecten is de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de woning € 581 lager. Dit is ruim voldoende om eventuele verschillen die nog niet zijn verdisconteerd in de aan de grond en de deelobjecten toegekende waardes te absorberen. De Heffingsambtenaar heeft met de gerealiseerde verkoopcijfers van de door hem gebezigde vergelijkingsobjecten aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.\n\n5.9.. Belanghebbende betwist dat de door de Heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten kunnen dienen ter onderbouwing van de beschikte waarde van de woning, omdat de woning uit het bouwjaar 1981 is, terwijl de vergelijkingsobjecten zijn gebouwd in de periode 2001-2004. Gelet op het grote verschil in NEN-regime en bouwfysische kwaliteit in 1981 ten opzichte van de periode 2001-2004 zijn de vergelijkingsobjecten volgens belanghebbende onvoldoende vergelijkbaar met de woning. Belanghebbende wijst erop dat de vereisten die bij het bouwen van een woning aan energie- en geluidsisolatie werden gesteld in het jaar 1981 aanzienlijk lager waren dan de vereisten die in de periode 2001-2004 golden. Daarnaast zijn de vergelijkingsobjecten gelegen in een rustigere omgeving dan de woning, aldus belanghebbende.\n\n5.10.. Uit de bijlagen bij het nader stuk van de Heffingsambtenaar van 10 december 2025 blijkt dat de woning is gebouwd in 1998. De door belanghebbende aangevoerde verschillen in NEN-regime en bouwfysische kwaliteit tussen woningen gebouwd in 1981 en woningen gebouwd in de periode 2001-2004 zijn daarom niet relevant. Gesteld noch gebleken is dat in dat opzicht sprake zou zijn van relevante verschillen tussen woningen gebouwd in 1998 en woningen gebouwd in de periode 2001-2004. Het betoog van belanghebbende faalt.\n\n5.11.. Belanghebbende stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met de ligging van de woning nabij een industriegebied en in een gebied met veel geluidsoverlast. Ter onderbouwing heeft belanghebbende een luchtfoto van de ligging van de woning overgelegd en afbeeldingen uit de Atlas Leefomgeving waaruit een geluidsniveau van 61-65 dB volgt, volgens belanghebbende het geluidsniveau van een klein opstijgend vliegtuig, terwijl de vergelijkingsobjecten zijn gelegen in een gebied met een geluidsniveau van 46-50 dB. De Heffingsambtenaar heeft de stelling van belanghebbende betwist door erop te wijzen dat de woning aan de voorzijde uitzicht heeft op groen, wel met zicht op enige kassen, en aan de achterkant is gelegen aan een park. De snelweg […] is op 1,3 km afstand van de woning gelegen. De Heffingsambtenaar heeft foto’s overgelegd ter onderbouwing van zijn verweer.\n\n5.12.. Het Hof is op basis van de door beide partijen overgelegde stukken van oordeel dat de Heffingsambtenaar met het toekennen van factor 1 voor ligging (zeer slecht, ondergemiddeld) aan de woning en factor 3 voor ligging (voldoende, gemiddeld) aan de vergelijkingsobjecten voldoende rekening heeft gehouden met de ligging van de woning. Factor 1 betekent dat de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte met 10% verminderd wordt vanwege de zeer slechte ligging. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat met een nog grotere waardevermindering rekening moet worden gehouden.\n\n5.13.. Belanghebbende heeft in zijn referentiematrix (zie 2.3) drie objecten opgenomen die naar zijn mening beter vergelijkbaar zijn met de woning, omdat ze in dezelfde periode als de woning zijn gebouwd. Deze objecten zijn gelegen in de wijk [Wijk 2] . De Heffingsambtenaar heeft hiertegen, met stukken onderbouwd en door belanghebbende onweersproken, ingebracht dat de gemiddelde prijs per vierkante meter van woningen in de wijk [Wijk 2] € 3.538 is terwijl dat voor woningen in [Wijk 1] € 4.380 is en dat de door belanghebbende aangedragen objecten op ruime afstand van de woning liggen. Het Hof is van oordeel dat de door belanghebbende aangedragen objecten vanwege het lagere prijsniveau in de wijk [Wijk 2] en de afstand tot de woning niet vergelijkbaar zijn met de woning en laat deze daarom buiten beschouwing. Daar komt nog bij dat inmiddels is komen vast te staan (zie 5.10) dat het bouwjaar van de woning 1998 is en dat de door belanghebbende gehanteerde objecten bouwjaren hebben variërend van 1987-1989. Reeds daarom zijn deze objecten niet geschikt om de waarde van de woning te bepalen.\n\n5.14.. Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten zijn geïndexeerd. Het Hof stelt vast dat de indexeringspercentages, voor zover van toepassing, zijn opgenomen in de matrix (zie 2.2), zodat belanghebbendes stelling feitelijke grondslag mist.\n\n5.15.. Belanghebbende heeft zijn stellingen dat de oppervlakte en de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten niet kloppen op geen enkele manier onderbouwd. Hij heeft derhalve niet voldaan aan zijn stelplicht.\n\nSlotsom\n\n5.16.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, R.A. Bosman en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nJ. Azmi Shenouda M.J.M. van der Weijden\n\nDe beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1886","2026-06-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.259Z",20]