[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-asylum-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":159},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},37,"asylum-law-nl","Asylum Law","NL","2026-07-08T16:53:25.948Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},17,{"min":18,"max":19},"2025-11-06T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121817","Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens","art. 3",1,[27,37,46,53,60,67,74,82,89,96,103,111,118,126,135,144,151],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"1174","ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","ecli-nl-rbdha-2026-18651","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20086\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het verzoek, gelijktijdig met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20085.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:08.085Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"1549","ECLI:NL:RBDHA:2026:17231","ecli-nl-rbdha-2026-17231","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.13119\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Aly).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 14 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Hij is opgegroeid in Aleppo. Daar heeft hij tot 2014 gewoond, toen hij naar Turkije is vertrokken. In 2023 is hij naar Nederland gekomen. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is in 2013 ontvoerd door Al Nusra. Leden van de inlichtingendiensten hebben bij eisers ouders en schoonouders thuis gevraagd waar eiser is. Eiser vreest daarnaast voor de algemene situatie in Syrië en vreest dat de dienstplicht opnieuw wordt ingevoerd. Tot slot heeft eiser in Nederland deelgenomen aan demonstraties en wil hij dat bij terugkeer naar Syrië weer doen.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\neisers deelname aan demonstraties;\n\ndat eiser is ontvoerd door Al Nusra;\n\neisers vrees voor de algemene situatie; en,\n\neisers vrees voor militaire dienst.\n\n4. Verweerder heeft in het bestreden besluit eerst beoordeeld of eisers asielmotieven geloofwaardig zijn. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, zijn deelname aan demonstraties en de ontvoering geloofwaardig. Eisers vrees voor de algemene situatie en voor de militaire dienst kan verweerder niet op geloofwaardigheid beoordelen, omdat het relaas op die punten gaat om een toekomstige vrees. Verweerder heeft vervolgens voor alle asielmotieven beoordeeld of eiser daarom een gegronde vrees heeft voor vervolgingof een reëel risico op ernstige schadeloopt bij terugkeer naar Syrië. Volgens verweerder is dat niet het geval, omdat niet is gebleken dat hij nu wordt gezocht of in de negatieve belangstelling staat. Er is nu in Syrië geen dienstplicht en er zijn geen indicaties dat die weer ingevoerd zal worden. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en voor eiser gelden geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft eisers politieke overtuiging niet juist beoordeeld. Hij erkent het huidige regime niet, neemt in Nederland deel aan demonstraties en zou ook bij een eventuele terugkeer in Syrië deelnemen aan demonstraties. Verweerder heeft ook onvoldoende gemotiveerd dat in Syrië en Aleppo sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser loopt – ook bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld – wel degelijk een verhoogd risico om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld in Syrië. Voor eiser gelden individuele risicoverhogende omstandigheden omdat hij eerder is ontvoerd en nog altijd wordt gezocht. Daarbij wordt hij als afvallige te zien. Verder is eiser principieel tegen het dragen van wapens en wil hij het huidige regime niet dienen, zodat hij ervoor te vrezen heeft dat de dienstplicht weer wordt ingevoerd. Ook zal hij bij terugkeer worden gezien als landverrader omdat hij uit Syrië is gevlucht. Verweerder heeft ook niet deugdelijk beoordeeld of eiser bij terugkeer terecht komt in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM en het verbod of refoulement.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\n7. Als een vreemdeling zijn politieke overtuiging als asielmotief naar voren brengt, moet verweerder beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van een politieke overtuiging. Een politieke overtuiging kan bestaan uit een opvatting, gedachte of mening, gericht tegen de autoriteiten van het land van herkomst. Het hoeft hier niet te gaan om een diepgewortelde politieke overtuiging. Als er sprake is van een politieke overtuiging, moet verweerder in de beoordeling van de asielaanvraag in ieder geval meewegen wat de sterkte is van de politieke overtuiging, op welke wijze de vreemdeling uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging, of aannemelijk is dat de vreemdeling er ook na terugkeer uiting aan zal geven, en of hij eerder problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten. Dit alles blijkt uit het beleid van verweerder.\n\n7.1.. Verweerder heeft eisers deelname aan demonstraties geloofwaardig geacht. Daarmee is niet in geschil dat eiser in Syrië ten tijde van het vorige regime heeft deelgenomen aan demonstraties en dat hij in 2025 in Nederland heeft deelgenomen aan demonstraties gericht tegen het nieuwe regime.Eiser heeft daarbij tijdens het nader gehoor aangegeven dat hij een politieke overtuiging heeft en het huidige regime niet erkent.Desgevraagd heeft hij verklaard dat hij bij terugkeer naar Syrië weer zou gaan demonstreren. Eiser heeft dus opvattingen gericht tegen de autoriteiten in Syrië naar voren gebracht en handelt daar in de praktijk naar door te demonstreren. Hiermee valt hij binnen de reikwijdte van het hierboven beschreven beleid rondom politieke overtuigingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft.\n\n7.2.. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn betoog ter zitting dat geen politieke overtuiging aangenomen hoefde te worden omdat eiser er vaag over heeft verklaard. Eiser heeft namelijk concreet aangegeven dat hij aan demonstraties deelneemt en het regime niet erkent. In het licht van die verklaringen was het juist aan verweerder om verder door te vragen om in kaart te brengen waar eisers politieke overtuiging precies uit bestaat. Als gevolg van het niet aannemen van een politieke overtuiging, heeft verweerder ook niet voldoende op individuele basis beoordeeld wat eisers politieke activiteiten bij terugkeer zouden zijn en wat voor risico hij daarom zou lopen. Dit klemt temeer vanwege eisers verklaring in beroep dat zijn politieke overtuiging door de jaren heen sterker is geworden en zijn sterk geformuleerde verwerping van het regime.\n\n7.3.. Daar komt bij dat verweerder – ook buiten het kader van de politieke overtuiging –niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen problemen zou ondervinden als hij bij terugkeer zou deelnemen aan demonstraties. Verweerder heeft deze stelling gebaseerd op een passage uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026, waarin staat dat er regelmatig kleinschalige demonstraties plaatsvinden in Syrië.De demonstraties waar verweerder op doelt, gaan met name over concrete arbeidsomstandigheden. Dat dergelijke kleinschalige demonstraties plaatsvinden, betekent niet dat het ook mogelijk is om op principieel niveau tegen de regering te demonstreren. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder daarom niet zonder meer op basis van deze passage aannemen dat het in Syrië veilig is om te demonstreren.\n\n8. Het beroep is alleen al vanwege het voorgaande gegrond. De rechtbank komt daarom niet toe aan de andere gronden van eiser. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op de asielaanvraag van eiser. Verweerder zal in die nieuwe beoordeling ook moeten meenemen wat op dat moment de meest actuele situatie is in Syrië met betrekking tot het willekeurige geweld en de humanitaire omstandigheden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank draagt verweerder op om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser.\n\n9.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 3 maart 2026;\n\ndraagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening dient te worden gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Zie paragraaf C2\u002F3.2.5.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).\n\n Zie pagina 6, 14 en 15 van het verslag nader gehoor.\n\n Zie pagina 6 van het verslag gehoor aanmeldfase en pagina 6 en 14 van het verslag nader gehoor.\n\n Zie pagina 125 van het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026.\n\n 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17231","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:26.558Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":52},"1522","ECLI:NL:RBDHA:2026:17229","ecli-nl-rbdha-2026-17229","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.13024\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Aly).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 27 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Yessin als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 2007. Hij komt uit [plaats] . Hij heeft Syrië in 2024 verlaten en vervolgens in Turkije verbleven totdat hij naar Nederland kwam. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Allereerst heeft hij het land verlaten vanwege de oorlog en de onveiligheid. Daarnaast vreest eiser voor zijn vader. Zijn ouders zijn acht jaar geleden gescheiden en eisers vader heeft sindsdien het gezin bedreigd en mishandeld. Eiser vreest dat zijn vader hem zal opeisen en zal dwingen te werken en zijn salaris af te staan. Eiser vreest tot slot gedwongen gerekruteerd te worden door gewapende groeperingen.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en\n\neisers problemen met zijn vader; en\n\neisers vrees voor gedwongen rekrutering door gewapende groeperingen; en\n\nde algemene onveilige situatie in Syrië.\n\n4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, uitgaand van [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum. Eisers problemen met zijn vader vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft namelijk geen oprechte inspanning geleverd om die gebeurtenissen met documenten te onderbouwen. Daarnaast vormen eisers verklaringen over de problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel, nu eiser er pas in het nader gehoor over heeft verklaard, zijn verklaringen vaag en summier zijn gebleven, en niet duidelijk is waarop eiser baseert dat zijn vader hem nu zoekt. Verweerder heeft eisers vrees voor gedwongen rekrutering en vanwege de algemene veiligheidssituatie niet op geloofwaardigheid beoordeeld, omdat beide een vrees betreffen. Er zijn volgens verweerder geen aanknopingspunten dat eiser gedwongen gerekruteerd zal worden. Op basis van de algemene onveilige situatie in Syrië heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en voor eiser gelden geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is verweerder ten onrechte uitgegaan van [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum, in plaats van [geboortedatum 2] 2008. Eiser heeft met een uittreksel van het bevolkingsregister en een uittreksel uit de burgerlijke stand onderbouwd dat hij in 2008 is geboren. Verweerder heeft daarnaast eisers problemen met zijn vader ten onrechte ongeloofwaardig geacht en daarbij eisers referentiekader miskend. Eiser is namelijk laaggeschoold, op jonge leeftijd uit Syrië vertrokken en heeft veel meegemaakt. Verweerder heeft daarnaast het landenbeleid over Syrië ondeugdelijk gemotiveerd wat betreft de situatie van willekeurig geweld. Er is sprake van een instabiele situatie en zeer slechte humanitaire omstandigheden. Dat blijkt onder andere uit het nieuwe Algemeen Ambtsbericht over Syrië van januari 2026. Verweerder heeft ook niet deugdelijk beoordeeld of eiser bij terugkeer, gelet op de humanitaire omstandigheden, terecht komt in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nDe geboortedatum van eiser\n\n7. Ter zitting is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vluchtelingenniet op eiser van toepassing is, omdat hij hoe dan ook niet jonger dan vijftien was ten tijde van zijn eerste asielaanvraag. Dat is dus niet langer in geschil. Wel heeft eiser aangegeven dat het voor hem belangrijk is dat zijn leeftijd juist wordt geregistreerd. De rechtbank zal daarom beoordelen of verweerder mocht uitgaan van [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum.\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht uitgegaan van [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum van eiser. Dit is namelijk de geboortedatum die eiser bij zijn asielaanvraag heeft opgegeven. Verweerder hoeft de geregistreerde datum vervolgens alleen aan te passen, als een betrokkene documenten overlegt die onderbouwen dat de opgegeven geboortedatum niet klopt. Dit heeft eiser niet gedaan. Het uittreksel uit het bevolkingsregister geldt niet als identificerend document en kan daarom niet eisers geboortedatum onderbouwen.\n\nEisers problemen met zijn vader\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers problemen met zijn vader als ongeloofwaardig aanmerken. Eiser heeft namelijk wisselend verklaard over wanneer de problemen zijn ontstaan en over het contact met zijn vader. Eiser heeft ook tijdens het aanmeldgehoor de problemen met zijn vader niet genoemd, maar deze pas in het nader gehoor naar voren laten komen. Omdat het gaat om een belangrijk onderdeel van eisers relaas, mocht verweerder van eiser wel verwachten dat hij het direct naar voren zou brengen. Eisers verklaringen zijn ook vaag en summier als het gaat om de mishandelingen en dreigementen en niet is onderbouwd dat eisers vader hem nu nog zoekt. Deze tegenwerpingen mocht verweerder ook maken gelet op eisers referentiekader. Het gaat namelijk om concrete gebeurtenissen die eiser zelf heeft meegemaakt, zodat meer consistentie van hem mag worden verwacht dan hij nu heeft gegeven. Eiser heeft ook op zitting wisselend verklaard over wanneer de bedreigingen zijn begonnen. Ook de geluidsopnames die eiser op zitting heeft laten horen, maken de problemen met zijn vader niet geloofwaardig. Eiser heeft namelijk niet kunnen onderbouwen dat de berichten van eisers vader komen.\n\nReëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld\n\n10. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.\n\n Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en\u002Fof in stand worden gehouden door het handelen en\u002Fof nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.\n\n10.1.. \n\nVerweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van januari 2026 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.\n\n Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] , het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 8 (september 2025) en 20 (juni 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats] . Er waren 33 incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook 275.380 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats] .\n\n10.2.. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende de verschillende beschikbare bronnen betrokken in de besluitvorming en in het verweerschrift. Naast het meest recente ambtsbericht heeft verweerder namelijk de EUAA Country Guidance over Syriëen informatie van het IOM gemotiveerd betrokken bij zijn beoordeling. Eiser heeft hier geen landeninformatie tegenover gesteld die tot een andere conclusie leidt. Eiser heeft erop gewezen dat de situatie in Syrië instabiel is, maar niet gewezen op veranderingen in de situatie sinds het einde van de verslagperiode van het Algemeen Ambtsbericht die de beoordeling anders maken.\n\n10.3.. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit januari 2026, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft verweerder op dit punt geen verschillende of inherent tegenstrijdige standpunten ingenomen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats] in het bijzonder veroorzaken en\u002Fof in stand houden.\n\n10.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] .\n\n10.5.. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat hij een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\nHet arrest Sufi en Elmi\n\n11. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.\n\n11.1.. \n\nDaarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.\n\n- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.\n\n11.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Een beoordeling in dit kader ontbreekt namelijk in het geheel in het bestreden besluit.\n\n11.3.. Het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is in het verweerschrift hersteld. Verweerder heeft er namelijk op gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verweerder heeft gemotiveerd dat deze lat van toepassing is, omdat ‘de huidige humanitaire omstandigheden thans niet hoofdzakelijk worden veroorzaakt door actuele doelbewuste handelingen van een overheid of andere actor, maar vooral door de nasleep van jarenlang conflict, economische ontwrichting, beschadigde infrastructuur en algemene armoede.’\n\n11.4.. Verweerder heeft zich vervolgens in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een schrijnende humanitaire situatie in strijd met het arrest Sufi en Elmi. De rechtbank volgt verweerder in deze beoordeling. Hiertoe vindt de rechtbank van belang dat eiser een gezonde jongvolwassen man is en dat hij nog familie heeft wonen in zijn herkomstgebied. Dat zij in een ontheemdenkamp wonen, is onvoldoende om tot een schending van het arrest Sufi en Elmi te concluderen. Eiser kan werken en zelfstandigheid voor zichzelf creëren. Er is niet gebleken van andere omstandigheden die hem bijzonder kwetsbaar maken. Voor zover eiser in dit kader op zijn problemen met zijn vader heeft gewezen, geldt dat die zien op gericht geweld en daarnaast niet geloofwaardig zijn en dus niet maken dat eiser een verhoogd risico loopt bij terugkeer.\n\n11.5.. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 11.3 t\u002Fm 11.5 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.\n\n12.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 2 maart 2026;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Zie paragraaf A3\u002F6.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).\n\n Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.\n\n EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025.\n\n EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.\n\n Uitspraak van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.\n\n Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.\n\n 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17229","2026-07-13T00:29:25.274Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":57,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":59},"666","ECLI:NL:RBDHA:2026:17225","ecli-nl-rbdha-2026-17225","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.12332\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. K. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Aly).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 31 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Hij heeft Syrië in 2017 verlaten, toen een aantal jaar in Turkije gewoond en is in 2023 naar Nederland gekomen. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is onder het vorige regime gedeserteerd. Daarnaast heeft hij problemen gekregen met Al Nusra, omdat zij auto’s van eisers familie wilden stelen. Al Nusra heeft eiser tweeënhalf jaar gevangen genomen. Eiser verwacht daar nog steeds problemen van, omdat Al Nusra nu is opgegaan in Hayat Tahrir Al Sham (HTS), dat de macht heeft in eisers herkomstgebied.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en\n\neisers problemen met HTS.\n\n4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers problemen met HTS vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder wijst erop dat eiser deze problemen niet met documenten heeft onderbouwd. Eiser heeft daarnaast ongerijmd verklaard over deze problemen en de aanleiding voor zijn vertrek. Zijn verklaringen in het nader gehoor verschillen van zijn verklaringen tijdens het aanmeldgehoor. Volgens verweerder heeft eiser op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht allereerst eisers problemen met HTS niet ongeloofwaardig achten. Op basis van zijn verklaringen moet hem het voordeel van de twijfel worden gegeven. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen risico loopt vanwege het willekeurige geweld in Syrië. Omdat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, moest verweerder beoordelen of voor eiser individuele omstandigheden gelden die het risico verhogen dat hij slachtoffer wordt van dat geweld. Voor eiser zijn die omstandigheden dat hij met het voormalige regime wordt geassocieerd en dat hij geen bescherming kan krijgen van de huidige autoriteiten. Verweerder heeft ook niet deugdelijk beoordeeld of eiser bij terugkeer terecht komt in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM in het licht van het arrest Sufi en Elmi.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nEisers problemen met HTS\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers problemen met HTS ongeloofwaardig vinden. De rechtbank vindt hiertoe van belang dat eiser in het gehoor bij de AVIM en tijdens zijn aanmeldgehoor bij de IND – beide in 2023 – niets heeft gezegd over deze problemen. Eiser heeft toen juist verklaard dat hij problemen had met het toenmalige regime. Toen hem tijdens het aanmeldgehoor werd gevraagd waarom hij Syrië heeft verlaten, heeft eiser alleen aangegeven dat hij gevaar loopt vanwege zijn desertie. Eiser heeft vervolgens tijdens het nader gehoor in februari 2026 naar voren gebracht dat hij tweeënhalf jaar is vastgehouden door Al Nusra. Dit is een dusdanig belangrijke gebeurtenis in eisers asielrelaas, dat verwacht mocht worden dat hij hier vanaf het begin over verklaarde. Eisers betoog dat het aanmeldgehoor kort was en dat eiser dacht dat hij dacht dat hij dit aspect pas in het nader gehoor naar voren moest brengen, doet hier niet aan af. Tijdens het aanmeldgehoor is namelijk de open vraag aan eiser gesteld wat de redenen waren voor zijn vertrek. Dat eiser een gebeurtenis die zo sterk in de kern van zijn asielrelaas ligt, op dat moment niet zou benoemen, is niet aannemelijk. Daar komt bij dat eiser ook in het aanmeldgehoor is bevraagd over de machthebbers in zijn woonomgeving en of hun aanwezigheid effect had op eisers dagelijks leven. Ook hier had eiser gelegenheid gehad om te verklaren over zijn problemen met Al Nusra.\n\nReëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld\n\n8. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verduidelijkt dat hij niet betwist dat in Rif-Damascus\u002FDouma sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.De vraag die bij de rechtbank voorligt, is daarom of verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van het willekeurige geweld.\n\n8.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat voor eiser dergelijke individuele risicoverhogende omstandigheden gelden. Eiser heeft in dit kader opnieuw gewezen op zijn problemen met HTS. Hij stelt dat hij vanwege die problemen wordt gezien als aanhanger van het vorige regime en dat hij geen bescherming kan inroepen van de huidige autoriteiten. Eisers problemen met HTS zien echter op gericht geweld en kunnen om die reden niet gelden als individuele risicoverhogende omstandigheden in dit kader. Daar komt bij dat de problemen, zoals hierboven besproken, niet geloofwaardig zijn. Uit de aangevoerde landeninformatie volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat HTS iedereen die zich niet bij hen heeft aangesloten, als aanhanger van het vorige regime ziet. Ook in die informatie bestaat dus geen aanleiding voor de conclusie dat HTS naar eiser op zoek zou zijn. Ook dat eiser lange tijd uit Syrië afwezig is geweest, is niet voldoende om aan te nemen dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\nTerugkeerbesluit\n\n9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.\n\n9.1.. \n\nDaarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.\n\n- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.\n\n9.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Een beoordeling in dit kader ontbreekt namelijk in het geheel in het bestreden besluit.\n\n9.3.. Het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is in het verweerschrift deels hersteld. Verweerder heeft er namelijk op gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verweerder heeft op basis van het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025 gemotiveerd dat deze lat van toepassing is, omdat ‘de huidige humanitaire omstandigheden thans niet hoofdzakelijk worden veroorzaakt door actuele doelbewuste handelingen van een overheid of andere actor, maar vooral door de nasleep van jarenlang conflict, economische ontwrichting, beschadigde infrastructuur en algemene armoede.’\n\n9.4.. Ondanks dat het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 al beschikbaar was toen het besluit en het voornemen werden uitgebracht, heeft verweerder het nieuwe Ambtsbericht op beide momenten niet meegenomen. De rechtbank ziet ook hierin een motiveringsgebrek, omdat verweerder de meest actuele informatie bij zijn beoordeling moet betrekken. De rechtbank volgt verweerder echter in zijn betoog ter zitting dat uit het nieuwe Algemeen Ambtsbericht geen wezenlijk ander beeld blijkt wat betreft de humanitaire situatie, die de beoordeling voor eiser anders zou maken.\n\n9.5.. Verweerder heeft zich vervolgens in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een schrijnende humanitaire situatie in strijd met het arrest Sufi en Elmi. De rechtbank volgt verweerder in deze beoordeling. Hiertoe vindt de rechtbank van belang dat eiser een gezonde volwassen man is en dat hij nog familie heeft wonen in zijn herkomstgebied. Er is niet gebleken van andere omstandigheden die hem bijzonder kwetsbaar maken. Voor zover eiser in dit kader op zijn problemen met HTS heeft gewezen, geldt ook hier dat die niet geloofwaardig zijn en dus niet maken dat eiser een verhoogd risico loopt bij terugkeer.\n\n9.6.. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 9.3 t\u002Fm 9.6 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.\n\n10.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 4 maart 2026;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).\n\n Uitspraak van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.\n\n Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.\n\n 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17225","2026-07-13T00:28:42.021Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":64,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":66},"840","ECLI:NL:RBDHA:2026:17223","ecli-nl-rbdha-2026-17223","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.9230 en NL26.9231\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiseres], V-nummer: [v-nummer] , eiseres\u002Fverzoekster (hierna: eiseres)\n\n(gemachtigde: mr. M. van Werven),\n\nende minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Aly).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening. Eiseres heeft op 6 oktober 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 februari 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2004. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij is geboren en opgegroeid in [plaats] in het zuiden van Somalië. In 2017 is zij ontvoerd, verkracht en mishandeld door twee mannen. Zij heeft medische klachten overgehouden aan de verkrachting. Daarna wilde haar vader haar uithuwelijken. Eiseres vreest voor die uithuwelijking en dat ze daarvoor herbesneden zal worden. In Somalië heeft zij geen familie meer, omdat haar ouders zijn overleden en zij geen contact heeft met haar broers. Griekenland heeft in 2021 aan eiseres een asielvergunning verleend.\n\n3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;\n\nde verkrachting en de daaruit voortvloeiende problemen; en,\n\ndat eiseres een alleenstaande vrouw is.\n\n4. Verweerder heeft als eerste beoordeeld of de asielmotieven van eiseres geloofwaardig zijn. Verweerder vindt de nationaliteit van eiseres geloofwaardig, maar haar herkomst en identiteit niet. Eiseres heeft allereerst zonder goede verklaring geen identificerende documenten overgelegd. Daarnaast blijkt uit een taalanalyse van bureau TOELTdat de spraak van eiseres niet tot Zuid-Somalië, maar tot Noord-Somalië te herleiden is. Ook dat eiseres is verkracht, vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiseres heeft daar namelijk vaag over verklaard en haar verklaringen wijken af van wat zij er in haar asielprocedure in Griekenland over heeft verteld. Verweerder gaat er ook niet vanuit dat eiseres een alleenstaande vrouw is, omdat zij vaag en wisselend heeft verklaard over het hebben van zussen. Ook is niet onderbouwd dat eiseres heeft geprobeerd contact op te nemen met haar broers of wat de reden is dat het contact nog niet is gelukt. Daarnaast kan aan de overlijdensakte van haar moeder beperkte bewijswaarde worden gehecht. Voor alle drie de asielmotieven wijst verweerder er verder op dat eiseres niet zo snel mogelijk asiel heeft aangevraagd. Nu de asielmotieven niet geloofwaardig zijn, heeft eiseres volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zinen loopt zij geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.Verweerder wijst de aanvraag van eiseres af als kennelijk ongegrond omdat zij verweerder heeft misleid over waar zij vandaan komt.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft in het besluit allereerst onvoldoende kenbaar rekening gehouden met het referentiekader van eiseres, waaronder haar medische klachten en de verkrachting die zij heeft meegemaakt. Verweerder heeft verder ten onrechte op basis van de taalanalyse geconcludeerd dat de herkomst van eiseres niet geloofwaardig is. De taalanalyse bevat tekortkomingen. Dat blijkt uit de namens eiseres uitgevoerde contra-expertise. Als het besluit niet moet worden vernietigd vanwege de tekortkomingen in de taalanalyse, moet de zaak worden aangehouden in afwachting van het antwoord op prejudiciële vragen van de zittingsplaats Haarlem.Anders dan verweerder heeft gesteld, heeft eiseres ook niet wisselend verklaard over het verlies van haar identiteitsdocumenten. Wat betreft de verkrachting heeft verweerder onvoldoende meegenomen wat de impact is van het trauma op de verklaringen van eiseres. Verweerder was verplicht om een forensisch medisch onderzoek op te starten naar de gevolgen van de verkrachting. Ook mag verweerder niet aan eiseres tegenwerpen dat zij niet zo snel mogelijk asiel heeft aangevraagd. Daarnaast moest verweerder ervan uitgaan dat eiseres een alleenstaande vrouw is, nu zij geen familieleden meer heeft. Zij bevindt zich daarom in een kwetsbare positie. Verweerder heeft al met al onvoldoende een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt, door niet alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 in samenhang te beoordelen. Verweerder heeft ook onzorgvuldig beoordeeld of eiseres als vrouw behoort tot een sociale groep. In de Lower Shabelle is daarnaast sprake van willekeurig geweld. Omdat eiseres een vrouw is zonder ondersteunend netwerk, loopt zij meer risico daar slachtoffer van te worden. Tot slot mocht verweerder de aanvraag niet afwijzen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres verweerder niet heeft misleid en heeft verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd omdat eiseres internationale bescherming heeft in Griekenland.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank geeft eiseres gelijk op het punt dat aan haar geen terugkeerbesluit mocht worden opgelegd. De andere beroepsgronden van eiseres slagen niet, zodat de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres blijft staan. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\nDe geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiseres\n\nBetrekken Grieks asieldossier\n\n7. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of en in hoeverre verweerder de inhoud van het Griekse asieldossier moest betrekken bij de beoordeling van de asielmotieven van eiseres. In het informatiebericht 2026\u002F1wordt bepaald dat voor Griekse statushouders geldt dat de verleende internationale bescherming niet hoeft te worden overgenomen bij een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag in een andere lidstaat. Verweerder dient in dat geval zelf de asielelementen inhoudelijk en volledig te beoordelen, met een onderzoek naar de actuele stand van zaken. Hierbij dient verweerder ten volle de beslissing van de andere lidstaat om internationale bescherming te verlenen bij de beoordeling te betrekken. Dit geldt ook voor de elementen die hieraan ten grondslag zijn gelegd. Hiervoor dient verweerder de informatie op te vragen bij de Griekse autoriteiten. Ten behoeve van een inhoudelijke beoordeling kan het visum of het asieldossier worden opgevraagd bij een andere lidstaat, waarvoor toestemming van de vreemdeling vereist is.\n\n7.1.. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank conform het informatiebericht 2026\u002F1 gehandeld door de asielmotieven van eiseres zelfstandig te beoordelen gelet op de actuele situatie in Somalië en op basis van de eigen verklaringen van eiseres. Ook heeft verweerder de verklaringen van eiseres in Griekenland kenbaar betrokken bij de beoordeling van haar asielaanvraag in Nederland en zijn deze meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder heeft de mogelijkheid om de asielaanvraag van eiseres af te wijzen, ondanks dat de aanvraag in Griekenland in het verleden is ingewilligd, onder de voorwaarde dat hier een volledige inhoudelijke beoordeling aan vooraf is gegaan. Dat is in het geval van eiseres gebeurd. Het ligt op de weg van eiseres om omstandigheden aan te dragen waaruit volgt dat zij in haar belangen is geschaad en dat tijdens haar gehoren in Griekenland onvoldoende procedurele waarborgen in acht zijn genomen. Hiervan is niet gebleken.\n\n7.2.. Omdat het voorgaande ook volgt uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter,ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van prejudiciële vragen van de zittingsplaats Haarlem over de verplichting van lidstaten om eerdere beschermingsbeslissingen van andere lidstaten volledig mee te wegen.\n\n8. De rechtbank gaat hierna in op de gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling en zal, waar relevant, per asielmotief bespreken hoe verweerder het Griekse dossier heeft betrokken bij de beoordeling.\n\nDe identiteit en herkomst van eiseres en de taalanalyse\n\n9. Verweerder twijfelt aan de herkomst van eiseres en heeft op 22 januari 2025 een taalanalyse laten opmaken door TOELT. TOELT heeft hierin geconcludeerd dat eiseres eenduidig niet is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië. TOELT merkt in haar rapport op dat eiseres veel woorden gebruikt die niet gangbaar zijn in Zuid-Somalië en dat haar uitspraak niet overeenkomt met die van enig Zuid-Somalische taalvariant. Verder wordt opgemerkt dat het niet aannemelijk is dat eiseres langere tijd in Zuid-Somalië heeft verbleven zoals gesteld en dat het Somalisch van eiseres volledig overeenkomt met het Somalisch zoals het gangbaar is in Noord-Somalië. Eiseres heeft een contra-expertise ingebracht van Verified van 16 september 2025 waarin wordt gesteld dat de conclusies van TOELT tekortkomingen bevatten en dat TOELT niet goed heeft onderbouwd dat het dialect van eiseres Noord-Somalisch is. TOELT heeft met een weerwoord van 30 oktober 2025 gereageerd op de ingebrachte contra-expertise.\n\n9.1.. Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechtervolgt dat het bestuursorgaan mag afgaan op het advies van een deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.\n\n9.2.. De rechtbank is van oordeel dat de taalanalyse van TOELT is aan te merken als advies van een deskundige dat op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het rapport is op objectieve wijze opgesteld door een deskundig linguïst verbonden aan TOELT en de conclusies in het rapport zijn inzichtelijk opgebouwd. Het rapport van de contra-expert heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aanleiding gegeven voor verweerder om zich te vergewissen van de zorgvuldigheid van het rapport van TOELT. Verweerder heeft daartoe een weerwoord laten opstellen door TOELT. Hierin is TOELT inhoudelijk ingegaan op de opmerkingen en conclusies van de contra-expert. TOELT heeft onder verwijzing naar literatuur nader onderbouwd dat er geen sprake is van taalgebruik dat eiseres specifiek in Zuid-Somalië zou plaatsen. TOELT is daarbij specifiek ingegaan op de door Verified genoemde voorbeelden uit het woordgebruik van eiseres. Verder wordt besproken dat niet is gebleken dat eiseres haar taalgebruik heeft aangepast op dat van de interviewer (‘taalaccomodatie’) en dat de taalanalist van TOELT voldoende gekwalificeerd is om het onderzoek uit te voeren. TOELT heeft er daarnaast op gewezen dat in de contra-expertise geen conclusie wordt getrokken over de herkomst van eiseres. Met het inhoudelijke weerwoord van TOELT heeft verweerder voldaan aan zijn vergewisplicht en voldoende gemotiveerd dat de contra-expertise niet kan afdoen aan de conclusies van de taalanalyse van TOELT. Verweerder heeft daarom de conclusies van TOELT ten grondslag mogen leggen aan de beoordeling van de geloofwaardigheid van de identiteit en herkomst van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de identiteit en herkomst van eiseres niet geloofwaardig zijn, omdat haar verklaringen dat zij uit Zuid-Somalië komt, niet overeenkomen met het TOELT-rapport.\n\nDe gestelde verkrachting en het referentiekader van eiseres\n\n10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook de verkrachting en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig mogen vinden. De rechtbank vindt hiertoe van belang dat de verklaringen die eiseres hierover heeft afgelegd in Griekenland, sterk afwijken van haar verklaringen in Nederland. Die afwijkingen zien op kernpunten van het relaas. Eiseres heeft bijvoorbeeld in Griekenland verklaard dat zij de daders niet kende, maar in Nederland verklaard dat dit wel het geval was. Ook heeft eiseres erg wisselend verklaard over de omstandigheden van de verkrachting, namelijk of de daders haar vanuit huis hebben meegenomen, of dat zij in een tuktuk langsreden toen eiseres buiten liep. Ook over de tijdlijn rondom haar uithuwelijking heeft eiseres in Griekenland en in Nederland anders verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank houden de hierboven besproken tegenwerpingen ook stand in het licht van het referentiekader van eiseres. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verduidelijkt dat de grond over het referentiekader alleen ziet op de invloed van de gestelde verkrachting op eiseres’ verklaringen. De rechtbank is het met eiseres eens dat verweerder in de besluitvorming rekening moet worden houden met het referentiekader en dat ervaren seksueel geweld in dat kader relevant kan zijn. In het geval van eiseres geldt echter dat zij wisselend heeft verklaard over onderdelen van haar relaas waarover ook in het licht van het gestelde seksueel geweld meer consistente verklaringen mogen worden verwacht. Daaronder valt de kern van de omstandigheden van de verkrachting en gebeurtenissen die er ver na liggen. Verweerder heeft geen verschillen op detailniveau tegengeworpen, maar erop gewezen dat eiseres op de hoofdlijnen sterk wisselend heeft verklaard. Ook heeft het gehoor zorgvuldig plaatsgevonden. Eiseres heeft voldoende ruimte gekregen om te vertellen, er zijn regelmatig pauzes genomen en aan eiseres is duidelijk gemaakt wat van haar verwacht werd. Verweerder heeft dus in de besluitvorming voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiseres. Vanwege de sterk wisselende verklaringen van eiseres, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om een forensisch medisch onderzoek aan te bieden.\n\nAlleenstaande vrouw\n\n11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres ook niet aannemelijk gemaakt dat zij een alleenstaande vrouw is. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij in het geheel geen contact meer heeft of kan hebben met haar broers. Ook uit het dossieroverzicht van VluchtelingenWerk Nederland dat eiseres kort voor zitting heeft overgelegd, blijkt niet dat het niet mogelijk is om contact met haar broers te krijgen. Uit dat stuk blijkt weliswaar dat eiseres contact heeft gezocht met het Rode Kruis om haar broers te zoeken, maar er blijkt ook uit dat eiseres niet is verschenen op haar afspraak met het Rode Kruis. Dat eiseres nadien wel een afspraak heeft gehad, is niet onderbouwd. Ook blijkt niet uit de stukken dat Rode Kruis haar niet verder kan helpen of dat er geen andere wegen voor haar openstaan. Dat eiseres stelt geen contact te hebben met haar broers, heeft verweerder dan ook onvoldoende mogen vinden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer naar Somalië geen netwerk meer heeft. Eiseres heeft verder een foto van een overlijdensakte van haar moeder overgelegd, maar ook daaraan valt niet de conclusie te verbinden dat eiseres een alleenstaande vrouw is. De rechtbank volgt verweerder er namelijk in dat het gaat om een kopie, zodat de echtheid en inhoud ervan niet vastgesteld kunnen worden. Verweerder heeft daarom terecht de conclusie mogen trekken dat het ongeloofwaardig is dat eiseres dient te worden gezien als een alleenstaande vrouw. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nNiet zo snel mogelijk asiel aangevraagd\n\n12. Bovenop de hierboven per asielmotief besproken tegenwerpingen, mocht verweerder in het kader van alle drie de asielmotieven aan eiseres tegenwerpen dat zij niet zo snel mogelijk asiel heeft aangevraagd. Eiseres is namelijk op 20 september 2022 Nederland ingereisd en heeft zich op 6 oktober 2022 gemeld voor asiel. De rechtbank ziet in het dossier geen steun voor de stelling van eiseres dat de datum van 20 september 2022 is genoteerd zonder dat zij dat heeft verklaard. Verweerder mocht er in dat kader op wijzen dat eiseres, als dit niet klopte, dit al bij de correcties en aanvullingen had kunnen aangeven en dat niet heeft gedaan.\n\nTussenconclusie over de geloofwaardigheid van de asielmotieven\n\n13. Op basis van het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de drie asielmotieven van eiseres niet geloofwaardig zijn.\n\nBehoren tot een sociale groep\n\n14. Uit het arrest K en L van het Hof van Justitievolgt dat vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, kunnen behoren tot een bepaalde sociale groep overeenkomstig artikel 10, eerste lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn.‘Vereenzelviging’ houdt in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten, wat veronderstelt dat zij haar eigen levenskeuzes kan maken, die bepalend zijn voor haar identiteit.Gelet op deze rechtspraak, volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat alleen al het zijn van vrouw in Somalië betekent dat eisers behoort tot een sociale groep. Eiseres heeft in geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat in haar geval sprake is van vereenzelviging. Zij heeft hiertoe wel de gelegenheid gehad in de gehoren, in de zienswijze, de gronden van beroep en ter zitting. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet gebleken dat eiseres deel uitmaakt van de sociale groep van vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen.\n\nWillekeurig geweld in Somalië\n\n15. Uit het beleid van verweerdervolgt dat verweerder aanneemt dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn in een aantal regio’s in het zuiden en het midden van Somalië. Nu – zoals hierboven besproken – niet geloofwaardig is dat eiseres uit Zuid-Somalië komt, is voor haar situatie ook niet relevant dat in die regio sprake is van willekeurig geweld. Het beroep van eiseres op artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn slaagt dan ook niet.\n\nDe kennelijk-ongegrondverklaring\n\n16. Nu is gebleken dat de herkomst die eiseres heeft gesteld, niet overeenkomt met haar dialect, mocht verweerder haar aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond omdat zij verweerder heeft misleid over haar herkomst.\n\nHet terugkeerbesluit\n\n17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder (nog) geen terugkeerbesluit had mogen opleggen aan eiser. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in een uitspraak van 6 november 2025geoordeeld dat verweerder geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en daarmee heeft onderzocht of de Griekse autoriteiten de aan eiser toegekende vluchtelingenstatus mogelijk zullen intrekken. Nu verweerder hier in deze zaak (nog) niet aan heeft voldaan zal de rechtbank het terugkeerbesluit vernietigen en verweerder opdragen de uitkomst van zijn beoordeling conform het arrest QYalsnog te delen met de Griekse autoriteiten. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen wat de reactie van de Griekse autoriteiten op zijn beslissing betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit.\n\n17.1.. De rechtbank constateert dat met de vernietiging van het terugkeerbesluit een situatie ontstaat die onverenigbaar is met artikel 45 van de Vw 2000. Daarin is immers bepaald dat het besluit waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, geldt als een terugkeerbesluit. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zou het echter in strijd zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit het Unierecht als de minister een terugkeerbesluit zou opleggen zonder dat hij de uitkomst van zijn beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en zij hebben bevestigd dat zij de vluchtelingenstatus van eiseres zullen intrekken. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 6 lid 1 en 2 van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 45 van de Vw 2000 in dit geval buiten toepassing moet worden gelaten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. Het beroep is gegrond omdat verweerder aan eiseres geen terugkeerbesluit mocht opleggen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin voor zover daarin is beslist dat eiseres moet terugkeren naar Somalië. De rechtbank laat het bestreden besluit voor het overige in stand. Dat betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n18.1.. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n18.2.. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres haar proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 12 februari 2026 voor zover daarin is beslist dat eiseres moet terugkeren naar Somalië;\n\nbepaalt dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nTegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.\n\n Team Onderzoek en Expertise Land en Taal.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3626.\n\n Zie Informatiebericht 2026\u002F1 Beoordeling statushouders Griekenland van de IND.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en van 17 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1494).\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3420, r.o. 5.1.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 11 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:487 (K en L)\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2475) onder 1.5.\n\n Zie paragraaf C7\u002F30.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:21083.\n\n Arrest van het Hof van 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524 (QY).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17223","2026-07-13T00:28:50.592Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":71,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":73},"1468","ECLI:NL:RBDHA:2026:17227","ecli-nl-rbdha-2026-17227","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.12423\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Aly).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 29 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Makadan als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Hij komt uit [plaats]. Tussen 2007 en 2010 heeft hij in Saoedi-Arabië gewoond en gewerkt. Daarna is hij teruggekeerd naar Syrië en in 2015 is hij vertrokken naar Turkije. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Maliki rechtsschool. Daarnaast is hij tien dagen vastgehouden door IS toen hij Syrië wilde verlaten. Zij hebben hem de keuze gegeven om ofwel voor 45 dagen een religieuze heropvoedingscursus te volgen, ofwel veroordeeld te worden. Eiser heeft gezegd dat hij de cursus zou volgen, maar is vervolgens gevlucht.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en\n\ndat eiser de Maliki rechtsschool volgt; en\n\neisers problemen met [naam] en een rechter vanwege zijn aanhouding door IS.\n\n4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, net als dat hij de Maliki rechtsschool volgt. Eisers problemen vanwege zijn aanhouding door IS vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens verweerder heeft eiser niet onderbouwd dat de personen met wie hij problemen heeft, onderdeel zijn van IS of nu deel uitmaken van het huidige regime. Eisers verklaringen zijn daarnaast gebaseerd op vermoedens en komen niet overeen met openbare informatie over IS en landeninformatie over Syrië. Volgens verweerder heeft eiser op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn religie geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is niet gebleken dat eiser problemen heeft gehad of heeft te verwachten vanwege zijn religie. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht allereerst eisers problemen met IS niet ongeloofwaardig achten. Verweerder heeft eisers relaas teruggebracht tot problemen met enkele personen, terwijl het erom gaat dat hij problemen heeft met IS als geheel. Eisers verklaringen zijn ook, anders dan verweerder stelt, voldoende concreet en wel in lijn met beschikbare landeninformatie. Vanwege zijn problemen met IS, loopt eiser het risico bij terugkeer herkend en vervolgd te worden. Verweerder heeft daarnaast het landenbeleid over Syrië ondeugdelijk gemotiveerd wat betreft de situatie van willekeurig geweld. Er is sprake van een instabiele situatie en zeer slechte humanitaire omstandigheden. Dat blijkt onder andere uit het nieuwe Algemeen Ambtsbericht over Syrië van januari 2026. Verweerder heeft ook niet deugdelijk beoordeeld of eiser bij terugkeer, gelet op de humanitaire omstandigheden, terecht komt in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit twee motiveringsgebreken bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nEisers problemen met IS\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder concluderen dat eiser zijn problemen met IS niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder mocht erop wijzen dat de problemen die eiser verwacht, gebaseerd zijn op vermoedens. Zo zijn er geen indicaties waaruit volgt dat eiser op dit moment gezocht wordt door IS. Eisers stelling dat er een video van hem is gemaakt, heeft hij niet onderbouwd. Sinds 2013 is er ook veel gewijzigd in de situatie in Syrië en rondom IS. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gebeurtenissen van destijds nu nog tot problemen leiden. Hoewel de rechtbank eiser erin kan volgen dat zijn gestelde problemen zien op IS als geheel, en niet alleen op de mannen met wie hij eerder problemen heeft gehad, maakt dit niet dat aannemelijk is dat hij nu gezocht wordt. Ook mocht verweerder erop wijzen dat eisers verklaringen niet overeenkomen met recente landeninformatie over de verhoudingen tussen IS en de overgangsregering. Eisers verwijzing naar het UNHCR-rapport van mei 2026maakt deze beoordeling niet anders. Uit dat rapport volgt dat IS (aangeduid als Da’esh) soms aanvallen richt op burgers, waaronder mensen die weigeren islamitische belasting te betalen, clanleiders en medewerkers van de overheid die in verband worden gebracht met de SDF. Er is echter niet gebleken dat dit geldt voor eiser.\n\nReëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld\n\n8. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.\n\n Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en\u002Fof in stand worden gehouden door het handelen en\u002Fof nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.\n\n8.1.. De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte is ingegaan op de 15c-situatie in Aleppo, in plaats van in [plaats]. Uit het dossier blijkt dat alleen [plaats] aangemerkt kan worden als relevant terugkeergebied voor eiser en ook ter zitting heeft verweerder niet aan kunnen geven waarom is ingegaan op de situatie in Aleppo. De rechtbank constateert in die zin een gebrek in het bestreden besluit. Verweerder heeft in het voornemen en in het verweerschrift wel een beoordeling gemaakt op basis van de actuele situatie in [plaats]. Daarom blijft de afwijzing van de asielaanvraag staan ondanks het geconstateerde gebrek. De rechtbank legt dat hieronder verder uit.\n\n8.2.. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van mijnen. Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats], het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 64 (december 2025) en 103 (augustus 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats]. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats], maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 84.577 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats].\n\n8.3.. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit januari 2026, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en in [plaats] in het bijzonder veroorzaken en\u002Fof in stand houden.\n\n8.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats].\n\n8.5.. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat hij een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Niet is onderbouwd dat er problemen volgen uit eisers geloof in de Maliki rechtsschool. Eisers problemen met IS zien op gericht geweld en kunnen om die reden niet gelden als individuele risicoverhogende omstandigheden in dit kader. Daar komt bij dat de problemen, zoals hierboven besproken, niet geloofwaardig zijn. Ook dat eiser lange tijd uit Syrië afwezig is geweest, is niet voldoende om aan te nemen dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\nTerugkeerbesluit\n\n9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.\n\n9.1.. \n\nDaarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.\n\n- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.\n\n9.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Een beoordeling in dit kader ontbreekt namelijk in het geheel in het bestreden besluit.\n\n9.3.. Het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is in het verweerschrift hersteld. Verweerder heeft er namelijk op gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verweerder heeft gemotiveerd dat deze lat van toepassing is, omdat ‘de huidige humanitaire omstandigheden thans niet hoofdzakelijk worden veroorzaakt door actuele doelbewuste handelingen van een overheid of andere actor, maar vooral door de nasleep van jarenlang conflict, economische ontwrichting, beschadigde infrastructuur en algemene armoede.’\n\n9.4.. Verweerder heeft zich vervolgens in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een schrijnende humanitaire situatie in strijd met het arrest Sufi en Elmi. De rechtbank volgt verweerder in deze beoordeling. Hiertoe vindt de rechtbank van belang dat eiser een gezonde volwassen man is en dat hij nog familie – namelijk een broer en drie zussen – heeft wonen in zijn herkomstgebied. Ook mocht verweerder erop wijzen dat eiser eerder heeft gewerkt en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet opnieuw een bestaan zal kunnen opbouwen. Er is niet gebleken van andere omstandigheden die hem bijzonder kwetsbaar maken.\n\n9.5.. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van motiveringsgebreken. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 8.2 t\u002Fm 8.5 en 9.3 t\u002Fm 9.5 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.\n\n10.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 27 februari 2026;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n UNHCR International Protection Considerations with Regard to Asylum-Seekers from the Syrian Arab Republic, mei 2026, pagina 72.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).\n\n Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.\n\n EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.\n\n Uitspraak van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.\n\n Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.\n\n 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17227","2026-07-13T00:29:22.489Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":79,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":81},"1360","ECLI:NL:RBDHA:2026:17207","ecli-nl-rbdha-2026-17207","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.46477\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. K. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D. Gigengack).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 20 augustus 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2002. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië gevaar loopt vanwege de onveilige situatie daar. Eiser komt uit Aleppo. Hij heeft Syrië in 2014 verlaten en vervolgens tot 2024 in Turkije verbleven. In Turkije heeft eiser problemen gekregen met de broer van zijn (voormalige) vriendin. Hij heeft eiser met een mes aangevallen en verspreid dat eiser een aanhanger is van Assad. Omdat eiser dezelfde achternaam heeft als een bekende aanhanger van Assad, vreest hij te meer dat hij ook zo gezien zal worden.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\neisers vrees voor de algemene situatie in Syrië; en\n\neisers problemen met familie van zijn voormalige vriendin.\n\n4. Verweerder vindt niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft met de broer van zijn voormalige vriendin in Turkije. Eiser heeft namelijk geen stukken overgelegd die onderbouwen dat hij aangifte heeft gedaan van het steekincident. Ook een video waaruit zou blijken dat de broer van eisers voormalige vriendin hem heeft bedreigd, heeft eiser niet overgelegd terwijl dit wel verwacht mocht worden. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder wisselend en summier verklaard over de gebeurtenissen. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser wel geloofwaardig. Volgens verweerder heeft eiser echter geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en voor eiser gelden geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden. Verweerder wijst de aanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder is ten onrechte niet ingegaan op eisers aanbod om de bedreigingsvideo alsnog op te sturen en heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom geen forensisch medisch onderzoek is aangeboden. Verweerder heeft daarmee de samenwerkingsplicht geschonden. Wat betreft de aangifte in Turkije verkeert eiser in bewijsnood, omdat hij die niet terug kan halen. Verweerder heeft ook ten onrechte tegengeworpen dat eiser inconsistent heeft verklaard over het steekincident en heeft ten onrechte niet aangenomen dat er sprake is van een toegerekende politieke overtuiging. Ook heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd waar het gaat om de veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft miskend dat de situatie volatiel is en heeft zich niet voldoende op gezaghebbende bronnen gebaseerd. Tot slot mocht verweerder de aanvraag niet afdoen als kennelijk ongegrond.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nDe geloofwaardigheid van eisers problemen met de broer van zijn vriendin\n\n7. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers problemen met de broer van zijn (ex-)vriendin op goede gronden ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder mocht er allereerst op wijzen dat eiser zonder goede verklaring onvoldoende documenten heeft gegeven met betrekking tot de aangifte en de bedreiging. Anders dan eiser heeft betoogd, had hij voldoende de gelegenheid om de video van de bedreiging bij verweerder over te leggen. Voor zover onduidelijk was hoe dat moest, was het aan eiser en zijn gemachtigde om verweerder hier concreet naar te vragen. Verweerder was ook niet gehouden om een forensisch medisch onderzoek uit te laten voeren. Verweerder mocht zich ook op het standpunt stellen dat eisers verklaringen over de problemen summier en wisselend zijn en op belangrijke punten gebaseerd op aannames. Hoewel de rechtbank verweerder er niet in kan volgen dat eiser inconsistent heeft verklaard over wanneer hij de pijn van de messteek voelde, mocht verweerder over de gebeurtenis als geheel en over de aanleiding daarvan wel meer gedetailleerde verklaringen verwachten van eiser. Tot slot mocht verweerder aan eiser tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag pas een maand na aankomst in Nederland heeft gedaan.\n\nReëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld\n\n8. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.\n\n Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en\u002Fof in stand worden gehouden door het handelen en\u002Fof nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.\n\n8.1.. Verweerder heeft het besluit van 22 september 2025 gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025, dat op dat moment het meest recente ambtsbericht was. Verweerder heeft daarnaast in de besluitvorming meegenomen: de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025, waarin hij het landenbeleid over Syrië nader toelicht, de EUAA Country Focus Syria van juli 2025, data van de UNHCR van 16 mei 2025 en 14 juli 2025 over terugkeerders naar Syrië, en updates van Syria Weekly over de periode juli 2025. Met het verweerschrift van 22 mei 2026 heeft verweerder deze beoordeling op verzoek van de rechtbank geactualiseerd onder verwijzing naar het inmiddels meest recente Algemeen Ambtsbericht van januari 2026. Verweerder heeft hierbij ook data betrokken van de UNHCR, ACLED, EUAA en het UK Home Office. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft verweerder zich in de besluitvorming hiermee gebaseerd op gezaghebbende en actuele bronnen.\n\n8.2.. \n\nVerweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de veiligheidssituatie redelijk is verbeterd en dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven.Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.\n\n Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Aleppo, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Aleppo onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Aleppo. Verder waren er in Aleppo meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Aleppo, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad Aleppo tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Aleppo.\n\n8.3.. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict.Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Aleppo in het bijzonder veroorzaken en\u002Fof in stand houden.\n\n8.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo.\n\n8.5.. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat het feit dat hij een naam deelt met een bekend Assad-aanhanger, niet maakt dat eiser een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mocht vinden dat eiser verder geen relevante persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\nTerugkeerbesluit\n\n9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.\n\n9.1.. \n\nDaarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.\n\n- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.\n\n9.2.. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd.Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.\n\n10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij een dergelijk risico loopt, omdat hij al lang weg is uit Syrië en daar geen familie heeft wonen. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets.\n\nKennelijk ongegrond\n\n11. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers aanvraag ook kennelijk ongegrond verklaren omdat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd. Eiser heeft namelijk ruim een maand nadat hij Nederland is ingereisd, asiel aangevraagd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n12.1.. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).\n\n Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.\n\n Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025.\n\n Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.\n\n EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.\n\n Uitspraak van 23 februari 2026, noot 12, r.o. 7.4.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.\n\n Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.\n\n Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394\u002F25).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17207","2026-07-13T00:29:17.759Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":86,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":88},"1380","ECLI:NL:RBDHA:2026:17209","ecli-nl-rbdha-2026-17209","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.60871 en NL25.60872\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser] , V-nummer: 2950751735, eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. K. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D. Gigengack).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 27 mei 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Na de zitting is gebleken dat eiser wel naar de rechtbank is gekomen, maar aankwam nadat de behandeling van zijn zaak was afgelopen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Eiser komt uit [plaats] . Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië gevaar loopt vanwege de onveilige situatie daar. Daarnaast is hij als christen kwetsbaar en heeft hij beperkt zicht vanwege een oogafwijking. Eiser uit zich ook op sociale media tegen mensenrechtenschendingen door berichten te delen.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en\n\ndat eiser christen is.\n\n4. Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Volgens verweerder heeft eiser echter geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en voor eiser gelden geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden. Uit eisers verklaringen en beschikbare landeninformatie volgt volgens verweerder niet dat hij individuele problemen heeft ondervonden of zal ondervinden omdat hij christen is. Verweerder heeft ook aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft vanwege zijn activiteit op sociale media. Ook dat maakt volgens verweerder echter niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft, omdat het niet gaat om een sterke overtuiging en omdat eisers bereik beperkt is.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft de onderdelen van eisers asielrelaas onvoldoende in samenhang beoordeeld. Wat betreft eisers religie heeft verweerder zijn verklaringen en de gevaarlijke situatie voor christenen in Syrië niet zwaar genoeg gewogen. Eiser heeft naast staatsactoren, ook andere actoren te vrezen als christen. Ook vanwege zijn politieke overtuiging en uitingen op sociale media kan eiser wel degelijk in de negatieve aandacht komen. Daarnaast moest verweerder nader onderzoek doen naar eisers slechte zicht en de invloed daarvan op zijn kwetsbaarheid. Ook heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd waar het gaat om de veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht wat de huidige veiligheidssituatie is en hoe eisers individuele omstandigheden het risico voor hem vergroten. Verweerder mocht aan eiser ook geen terugkeerbesluit opleggen, omdat dat in strijd is met het verbod op refoulement.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nEisers christelijke geloofsovertuiging\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging omdat hij christen is. De rechtbank vindt allereerst van belang dat uit de beschikbare landeninformatie niet volgt dat er sprake is van systematische vervolging van christenen in Syrië. In het bestreden besluit heeft verweerder dit gemotiveerd uiteengezet op basis van het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025. Ter zitting heeft verweerder terecht betoogd dat uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 geen wezenlijk ander beeld naar voren komt.Hoewel de ambtsberichten melding maken van incidenten van geweld tegen christenen, waaronder ook een aantal van de gebeurtenissen die eiser heeft benoemd, volgt de rechtbank verweerder in zijn betoog dat uit de beschikbare landeninformatie niet het beeld naar voren komt dat het geweld een systematische vorm aanneemt. De rechtbank ziet op basis van deze informatie geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder christenen in Syrië moest aanmerken als risicoprofiel. Eiser heeft ook niet gewezen op individuele problemen die maken dat voor hem moet worden aangenomen dat hij bij terugkeer problemen zal ondervinden vanwege zijn geloof. Verweerder heeft op goede gronden geconcludeerd dat eiser in het verleden de vrijheid had om zijn geloof te praktiseren zoals hij dat wenste en heeft erop mogen wijzen dat er ook in de huidige situatie geen persoonlijke aanwijzingen zijn dat eiser problemen heeft te verwachten. De algemene informatie waarop eiser heeft gewezen, is daartoe niet voldoende.\n\nPolitieke overtuiging\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen persoonlijke problemen heeft ondervonden of heeft te verwachten vanwege zijn politieke uitingen op sociale media. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser een klein bereik heeft op sociale media en dat er geen indicaties zijn van negatieve aandacht die verder gaan dan negatieve commentaren die niet tot bepaalde personen te herleiden zijn. Daar komt bij dat eiser geen eigen berichten plaatst, maar verspreidt wat anderen plaatst en dat die berichten doorgaans na een dag ook weer verdwijnen. Eisers stelling dat hij in de negatieve belangstelling kankomen te staan vanwege zijn activiteiten, is onvoldoende concreet om er een andere conclusie aan te verbinden. Uit het dossier komen tot slot geen andere manieren naar voren waarop eiser zijn politieke overtuiging uit.\n\nReëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld\n\n9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.\n\n Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en\u002Fof in stand worden gehouden door het handelen en\u002Fof nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.\n\n9.1.. Verweerder heeft het besluit van 10 december 2025 gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025, dat op dat moment het meest recente ambtsbericht was. Verweerder heeft daarnaast in de besluitvorming de bijbehorende beslisnota en de brief van de Minister van Asiel en Migratie van 10 juni 2025 aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië meegenomen. Verder heeft verweerder gewezen op data uit de Country of Origin Query Syria van 1 oktober 2025 en de EUAA Country Focus Syria van juli 2025. Met het verweerschrift van 22 mei 2026 heeft verweerder deze beoordeling op verzoek van de rechtbank geactualiseerd onder verwijzing naar het inmiddels meest recente Algemeen Ambtsbericht van januari 2026. Verweerder heeft hierbij ook data betrokken van de UNHCR, ACLED, EUAA en het UK Home Office.\n\n9.2.. \n\nVerweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.\n\n Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] , het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 2 (november 2025) en 17 (juli 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats] . Verder waren er in [plaats] vier incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats] .\n\n9.3.. \n\nWat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict.Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.\n\n Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats] in het bijzonder veroorzaken en\u002Fof in stand houden. Eiser heeft naar voren gebracht dat er volgens UNICEF significante uitdagingen zijn voor terugkeerders door de voortdurende situatie, maar hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat partijen bij het huidige gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in stand houden. Ook uit de informatie van de EUAA, volgt niet een dergelijk verband.\n\n9.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] .\n\n9.5.. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoewel eiser een visuele beperking heeft, volgt uit de toelichting die gemachtigde ter zitting heeft gegeven dat eiser voldoende kan zien om zichzelf te redden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt in eisers geval niet uit zijn visuele beperking dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mocht vinden dat eiser verder geen persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\nTerugkeerbesluit\n\n10. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.\n\n10.1.. \n\nDaarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.\n\n- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.\n\n10.2.. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd.Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.\n\n10.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Verweerder voldoende beoordeeld in welke situatie eiser bij terugkeer zal komen. Verweerder heeft namelijk vastgesteld dat eiser in [plaats] familieleden heeft bij wie hij terecht kan en dat hij in het verleden heeft gestudeerd en gewerkt, zodat aannemelijk is dat hij ook nu in staat zal zijn zichzelf, met hulp van zijn familie, te handhaven. Ook in dit kader is niet gebleken dat eisers gezichtsaandoening zal betekenen dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n11.1.. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n11.2.. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nTegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Zie pagina 91 en 98-103 van het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).\n\n Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.\n\n Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.\n\n EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.\n\n Uitspraak van 23 februari 2026, noot 12, r.o. 7.4.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.\n\n Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.\n\n Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394\u002F25).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17209","2026-07-13T00:29:18.901Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":93,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":95},"1392","ECLI:NL:RBDHA:2026:17210","ecli-nl-rbdha-2026-17210","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.60520\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. K. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D. Gigengack).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 14 december 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser komt uit Damascus ([plaats]). In 2015 heeft hij Syrië verlaten en vervolgens heeft hij tot 2023 in Turkije gewoond. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië gevaar loopt vanwege de onveilige situatie daar.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en\n\neisers vrees voor de algemene onveilige situatie in Syrië.\n\n4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Eisers vrees voor de algemene situatie heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Eiser heeft namelijk ongeacht die geloofwaardigheid, volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en er gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden. Dat eiser heeft gedeserteerd, maakt niet dat hij gevaar loopt omdat de dienstplicht nu niet meer bestaat. Dat eiser op sociale media kritische posts heeft geplaatst, heeft hij niet onderbouwd en er zijn geen indicaties dat hij daarom problemen heeft ervaren of zal ervaren.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht de geloofwaardigheid van eisers vrees vanwege de algemene situatie in Syrië niet in het midden laten. Als gevolg van die beoordelingswijze heeft verweerder onvoldoende betrokken dat eiser is gedeserteerd, is gediscrimineerd en komt uit een oppositiegebied. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat eiser geen gevaar loopt vanwege zijn desertie en heeft miskend dat eisers wens om niet in het leger te dienen aangemerkt moet worden als een gewetensbezwaar en een politieke overtuiging. Eiser loopt extra risico omdat hij zich online heeft geuit tegen de huidige regering. Daar komt bij dat eiser geen documenten heeft en zich daarom wel zal moeten melden bij de autoriteiten bij terugkeer. Ook heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd waar het gaat om de veiligheidssituatie in Syrië. Onder andere in Damascus, waar eiser vandaan komt, vindt nog steeds geweld plaats. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd wat de huidige veiligheidssituatie is en hoe eisers individuele omstandigheden het risico voor hem vergroten. Verweerder mocht aan eiser ook geen terugkeerbesluit opleggen, omdat dat in strijd is met het verbod op refoulement.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nHet in het midden laten van de geloofwaardigheid\n\n7. Wanneer verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden laat, moet het er bij de rechterlijke toetsing voor gehouden worden dat verweerder de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Zo lang verweerder alle verklaringen van eiser over zijn asielmotieven als uitgangspunt neemt, leidt de pilotwerkwijze in algemene zin niet tot een onzorgvuldige beoordeling van het asielrelaas.De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder heeft kunnen concluderen dat het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is om een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade aan te nemen.\n\nActiviteiten op sociale media en desertie\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen persoonlijke problemen heeft gehad of heeft te verwachten vanwege zijn uitingen op sociale media. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser een bericht heeft geplaatst dat na 24 uur weer is verdwenen, dat eiser zich nu niet online uitlaat en dat niet is gebleken dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn eerdere activiteiten. Ook dat eiser onder het vorige regime is gedeserteerd, maakt niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft er in dat kader op mogen wijzen dat dit heeft plaatsgevonden onder een regime dat nu niet meer aan de macht is, dat er nu geen dienstplicht meer is en dat er geen indicaties zijn dat groeperingen ervan op de hoogte zijn of er op een negatieve manier belangstelling voor hebben. In hetgeen eiser hierover naar voren heeft gebracht, hoefde verweerder ook geen aanleiding te zien om eiser aan te merken als gewetensbezwaarde of om de desertie aan te merken als politieke overtuiging.\n\nReëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld\n\n9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.\n\n Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en\u002Fof in stand worden gehouden door het handelen en\u002Fof nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.\n\n9.1.. Verweerder heeft het voornemen en het besluit van 9 december 2025 gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025, dat op dat moment het meest recente ambtsbericht was. Verweerder heeft daarnaast in de besluitvorming de bijbehorende beslisnota van het Ministerie van Asiel en Migratie en de brief van de Minister van Asiel en Migratie van 10 juni 2025 aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië meegenomen. Verder heeft verweerder gewezen op data uit de EUAA Country Focus Syria van juli 2025. Met het verweerschrift van 26 mei 2026 heeft verweerder deze beoordeling op verzoek van de rechtbank geactualiseerd onder verwijzing naar het inmiddels meest recente Algemeen Ambtsbericht van januari 2026. Verweerder heeft hierbij ook data betrokken van de UNHCR, ACLED, EUAA en het UK Home Office.\n\n9.2.. \n\nVerweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.\n\n Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Damascus, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat Damascus onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 2 (november 2025) en 17 (juli 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Damascus. Verder waren er in Damascus vier incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Damascus, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Damascus.\n\n9.3.. \n\nWat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict.Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.\n\n Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Damascus in het bijzonder veroorzaken en\u002Fof in stand houden.\n\n9.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Damascus.\n\n9.5.. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mocht vinden dat eiser geen persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat eiser is gedeserteerd, geldt niet als zo een omstandigheid. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat de desertie onder het oude regime was, er nu geen sprake meer is van een dienstplicht, en dat er geen indicaties zijn dat er groeperingen van op de hoogte zijn geraakt.\n\nTerugkeerbesluit\n\n10. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.\n\n10.1.. \n\nDaarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.\n\n- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.\n\n10.2.. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd.Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.\n\n10.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Verweerder heeft voldoende beoordeeld in welke situatie eiser bij terugkeer zal komen. Verweerder heeft er in dit kader op mogen wijzen dat eiser in Damascus familieleden heeft bij wie hij terecht kan. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n11.1.. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).\n\n Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.\n\n Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.\n\n EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.\n\n Uitspraak van 23 februari 2026, noot 12, r.o. 7.4.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.\n\n Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.\n\n Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394\u002F25).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17210","2026-07-13T00:29:19.421Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":100,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":102},"1405","ECLI:NL:RBDHA:2026:17211","ecli-nl-rbdha-2026-17211","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.39441\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser\n\n [eiseres 1], V-nummer: [V-nummer 2], eiseres 1\n\n [eiseres 2], V-nummer: [V-nummer 3], eiseres 2\n\n [eiseres 3], V-nummer: [V-nummer 4], eiseres 3\n\n [eiseres 4], V-nummer: [V-nummer 5], eiseres 4\n\nhierna tezamen te noemen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. K. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D. Gigengack).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvraag. Eisers hebben op 18 oktober 2022 aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres 1, eiseres 2, de gemachtigde van eisers, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. De ouders van het gezin (eiser en eiseres 1), komen oorspronkelijk uit [plaats]. Zij hebben lange tijd in de Verenigde Arabische Emiraten gewoond en hun drie meerderjarige dochters (eiseressen 2, 3 en 4) zijn daar geboren. Eisers leggen aan hun asielaanvragen ten grondslag dat zij in Syrië gevaar lopen vanwege de onveilige situatie daar.\n\n3. Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers; en\n\nde vrees van eisers voor de algemene onveilige situatie in Syrië.\n\n4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Eisers’ vrees voor de algemene situatie heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Eisers hebben namelijk ongeacht die geloofwaardigheid, volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolgingen zij lopen geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eisers geen individuele omstandigheden die maken dat zij daar slachtoffer van zullen worden.\n\nWat vinden eisers in beroep?\n\n5. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Dat het lang heeft geduurd voordat er op de aanvragen is beslist, mag allereerst niet in het nadeel van eisers uitvallen. Eisers kunnen daarnaast een doelwit van vervolging zijn omdat zij christelijk zijn. Ook heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd waar het gaat om de actuele veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft ook de bijzondere omstandigheden van eisers die hen extra kwetsbaar maken, niet voldoende meegewogen. Eisers wijzen op hun langdurige afwezigheid uit Syrië, hun christelijke identiteit, de kwetsbaarheid van de dochters als jonge vrouwen en de medische situatie van eiseres 4, die autisme heeft. Verweerder mocht aan eisers ook geen terugkeerbesluit opleggen, omdat dat in strijd is met het verbod op refoulement. Verweerder heeft daarbij het belang van het kind en het recht op familie-, privé- en gezinsleven onvoldoende meegewogen in het besluit. Tot slot moet verweerder eisers aanvullend horen na de val van het regime van Assad.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en zal het bestreden besluit vernietigen. Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\n7. De grond dat verweerder eisers aanvullend had moeten horen, slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder niet op basis van de gehoren uit 2023 concluderen wat in de huidige situatie de risico’s zijn voor eisers. De nader gehoren van eisers hebben plaatsgevonden in november 2023. Tijdens de gehoren is het nagenoeg alleen gegaan over de vrees van eisers vanwege de oorlogssituatie. Op dat moment was de situatie in Syrië echter heel anders dan nu. Daar komt bij dat de ouders van het gezin al ruim dertig jaar weg zijn uit Syrië en dat de dochters er nooit hebben gewoond. In de zienswijze hebben eisers ook verschillende individuele omstandigheden en mogelijke redenen voor vrees benoemd. Zo hebben eisers gewezen op de medische situatie van eiseres 4, die is gediagnosticeerd met autisme. Ook hebben zij genoemd dat de dochters Syrië niet kennen omdat zij er nooit hebben gewoond, en daarnaast als jonge vrouwen extra kwetsbaar zijn. Eisers hebben ook aangegeven dat zij ontvoeringen vrezen door gewapende groeperingen, omdat zij als terugkeerders als rijk gezien worden. Daarin speelt volgens eisers mee dat christenen oververtegenwoordigd zijn als doelwit van dit type ontvoeringen. Over al de hiervoor genoemde omstandigheden bestaat op dit moment onduidelijkheid, die er naar het oordeel van de rechtbank aan in de weg staat een terugkeerbesluit op te leggen. Het is nu namelijk niet duidelijk in welke situatie eisers terechtkomen bij terugkeer naar Syrië en of zij nu bepaalde actoren te vrezen hebben. Verweerder moet eisers aanvullend horen over de combinatie van de veranderingen in Syrië en de door eisers naar voren gebrachte omstandigheden. Verweerder zal vervolgens aan de hand van die aanvullende gehoren moeten beoordelen hoe de genoemde omstandigheden zich verhouden tot de actuele situatie in Syrië en het risico dat eisers lopen om slachtoffer te worden van willekeurig of gericht geweld. De rechtbank vindt het aanvullend horen ook van belang in het kader van het arrest Sufi en Elmi, waaruit volgt dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.\n\n7.1.. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog dat een aanvullend gehoor niet nodig is omdat eisers al lang weg zijn uit Syrië en al in de zienswijze hun omstandigheden naar voren hebben kunnen brengen. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting terecht betoogd dat de zienswijze een volledig gehoor niet kan vervangen. De rechtbank zal ook niet, zoals verweerder heeft verzocht, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. De rechtbank kan met de op dit moment beschikbare informatie namelijk niet beoordelen of de aanvraag van eisers mocht worden afgewezen en of aan hen een terugkeerbesluit mocht worden opgelegd. Het is aan verweerder om, zoals hierboven besproken, een nieuw besluit te nemen op basis van de aanvullende gehoren.\n\n8. Gelet op het voorgaande komt verweerder niet toe aan de andere gronden van eisers.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n9.1.. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283. Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17211","2026-07-13T00:29:19.827Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":107,"fullText":108,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":110},"1953","ECLI:NL:RBDHA:2026:17201","ecli-nl-rbdha-2026-17201","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.5999\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. N. Birrou),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 19 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft problemen gekregen met zijn familie omdat hij homoseksueel is en in Algerije een relatie had met een man. Daarnaast heeft eiser problemen met de Algerijnse autoriteiten omdat hij een jaar lang voor een drugsbende heeft gewerkt.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\neisers problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid; en\n\neisers problemen vanwege zijn werkzaamheden bij een drugsbende.\n\n4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid en zijn werkzaamheden voor een drugsbende niet. Eisers verklaringen over beide motieven vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hij heeft ook geen oprechte inspanning geleverd zijn problemen vanwege de drugsbende te staven, omdat hij niet heeft geprobeerd documenten die daarover gaan te achterhalen. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend, nu hij al in 2023 in Nederland is aangetroffen en toen nadrukkelijk de gelegenheid heeft gekregen om asiel aan te vragen. Daar komt bij dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd omdat hij aliassen heeft opgegeven en al lange tijd bewust illegaal in Europa verblijft. Eiser heeft daarom geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zinen hij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.Verweerder wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser hem heeft misleid over zijn identiteit en de aanvraag alleen heeft ingediend om zijn uitzetting of overdracht te verijdelen of uit te stellen.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met eisers culturele achtergrond en het feit dat hij langdurig in detentie zit. Daarnaast duurde het gehoor lang en moest er van tolk gewisseld worden. Al die omstandigheden hebben invloed op eisers verklaringen. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende meegenomen dat eiser het risico loopt om slachtoffer te worden van eergerelateerd geweld en dat hij in detentie het gevaar loopt om mishandeld te worden, ook vanwege zijn gerichtheid. Aan eiser mag niet worden tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag laat heeft ingediend en de aanvraag mag niet kennelijk ongegrond worden verklaard vanwege de complexiteit van de zaak.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\n7. Eisers betoog dat het gehoor niet zorgvuldig is verlopen of te belastend was, slaagt niet. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat het gehoor niet uitzonderlijk lang was – namelijk minder dan zes uur inclusief pauzes – en dat eiser aan het einde heeft aangegeven dat hij het goed vond gaan. Ook de omstandigheid dat er van tolk gewisseld moest worden omdat de eerste tolk ziek werd, maakt niet dat het gehoor onzorgvuldig is verlopen. Eiser heeft namelijk over beide tolken aangegeven dat hij hen goed kon verstaan en uit het gehoorverslag blijkt ook niet op een andere manier dat de wissel invloed heeft gehad op de kwaliteit van het gehoor.\n\n8. Nu niet is gebleken dat er problemen waren tijdens het gehoor, mocht verweerder van eiser samenhangende en aannemelijke verklaringen verwachten over zijn asielmotieven.\n\n8.1.. Over de seksuele gerichtheid mocht verweerder tegenwerpen dat eiser geen inzicht kon geven in de ontdekking daarvan, in zijn eerdere relatie en in hoe het leven als homoseksuele man in Algerije was. Verweerder heeft hierbij voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader door toe te lichten dat van eiser wel verwacht mocht worden dat hij inzicht gaf in zijn eigen ervaringen en gevoelens. Zo mocht verweerder van eiser verwachten dat hij er in enige mate over heeft nagedacht hoe het is om homoseksueel te zijn in een maatschappij waar dat niet wordt geaccepteerd. Eiser heeft daarnaast, ook gelet op zijn referentiekader, weinig kennis over de LHBTI-gemeenschap.\n\n8.2.. Wat betreft de drugsbende mocht verweerder aan eiser tegenwerpen dat hij heeft verklaard over een document dat dit asielmotief zou onderbouwen, maar dat hij geen pogingen heeft ondernomen om dat document (weer) te verkrijgen. Daar komt bij dat verweerder erop mocht wijzen dat uit niets is gebleken dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat of heeft gestaan en dat zijn verklaringen hierover dus gebaseerd zijn op aannames en vermoedens.\n\n9. Het betoog dat de late asielaanvraag niet aan eiser mag worden tegengeworpen, slaagt niet. Verweerder mocht namelijk van iemand die stelt internationale bescherming nodig te hebben, verwachten dat hij zich zou laten informeren over de mogelijkheden om asiel aan te vragen. Dit geldt te meer nu eiser in 2023 al nadrukkelijk de kans heeft gehad om zich in Ter Apel te melden om een asielaanvraag te doen. Tot slot mocht verweerder vinden dat eiser niet in grote lijnen geloofwaardig is vanwege de valse informatie die hij heeft gegeven en het gebrek aan pogingen zijn verblijf te legaliseren. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder mocht vinden dat eisers asielmotieven niet geloofwaardig zijn. Nu eisers gestelde problemen en seksuele gerichtheid niet aannemelijk zijn, is er ook geen reden het risico op eergerelateerd geweld of een samenloop van risico’s in detentie in Algerije te beoordelen. Verweerder mocht gelet op het voorgaande concluderen dat eiser bij terugkeer naar Algerije geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en dat hij niet heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin.\n\n10. Eiser heeft niet betwist dat hij verweerder heeft misleid over zijn identiteit of dat hij zijn aanvraag heeft ingediend om een uitzetting te verijdelen. Dat zijn zaak complex is – wat daar ook van zij – maakt niet dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n11.1.. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en f, van de Vw 2000.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17201","2026-07-13T00:29:47.112Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":107,"fullText":115,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":117},"1941","ECLI:NL:RBDHA:2026:17200","ecli-nl-rbdha-2026-17200","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.5990 en NL26.5991\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 11 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. A.K.E. van den Heuvel als waarnemer van de gemachtigde van eiser, F. den Hengst als tolk, en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij op zijn achtste uit Albanië is vertrokken en vervolgens in Duitsland problemen heeft gekregen met de Albanese maffia. Eiser heeft daarnaast verklaard dat zijn vriendin in verwachting is van hun eerste kind.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\neisers gestelde problemen.\n\n4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig en heeft eisers problemen daarom niet inhoudelijk beoordeeld. Eiser heeft namelijk zonder goede verklaring geen identificerende documenten overgelegd en zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend. Hij heeft daarnaast vals verklaard over zijn verblijf in Duitsland, laat niet merken dat hij Albanees spreekt en heeft geen kennis van Albanië, ondanks dat hij stelt dat hij daar tot zijn achtste jaar heeft gewoond. Volgens verweerder kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. Verweerder heeft de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit, identiteitsdocumenten heeft vernietigd of weggemaakt, kennelijk inconsequent en tegenstrijdig heeft verklaard, zijn aanvraag alleen heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen en niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning vanwege gezinsleven met zijn vriendin of kind, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij een relatie heeft of dat zijn vriendin zwanger is.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat verweerder er voor het onderzoek naar eisers identiteit niet mee mocht volstaan zijn vingerafdrukken in de systemen Eurodac en EU-vis na te gaan. Verweerder moest ook bij de Duitse autoriteiten navragen of eiser daar is geregistreerd om een andere reden dan vanwege een eerdere asiel- of visumaanvraag en of daar identiteitsdocumenten zijn ingenomen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet aannemelijk zijn. Allereerst mocht verweerder erop wijzen dat het primair aan eiser is om zijn identiteit te onderbouwen. Verweerder mocht vervolgens aan eiser tegenwerpen dat hij zonder goede verklaring onvoldoende documenten heeft gegeven. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij verschillende identificerende documenten uit Tunesië en Albanië heeft, maar heeft geweigerd deze over te leggen. Verweerder mocht zich ook op het standpunt stellen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen omdat eiser niet weet te verklaren over Albanië en vals heeft verklaard dat hij in Duitsland politiek asiel heeft gekregen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder uitgebreider navraag moest doen bij de Duitse autoriteiten. Verweerder heeft namelijk gecontroleerd of eiser een asielstatus of visum heeft (gehad) in Duitsland. Nu eiser tijdens het aanmeldgehoor zelf heeft verklaard dat hij in Duitsland geen (andere vorm van) legaal verblijf heeft gehad, heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien voor een verdere uitvraag. Ter zitting heeft verweerder nog benoemd dat de vreemdelingenpolitie in eisers strafrechtelijke procedure navraag heeft gedaan bij de Spaanse, Duitse en Italiaanse autoriteiten. Daaruit is gebleken dat eiser daar niet bekend is. Deze navraag was in het kader van deze asielprocedure echter onverplicht. Eisers betoog dat het niet zorgvuldig is dat hier geen stukken van aan het dossier zijn toegevoegd, slaagt daarom niet. Verweerder mocht ook concluderen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat hij niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, omdat hij heeft geprobeerd zich met valse documenten in te schrijven bij de gemeente.\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers aanvraag ook kennelijk ongegrond verklaren. In de beroepsgronden heeft eiser de verschillende redenen die verweerder hiervoor heeft gegeven niet bestreden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n9.1.. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n9.2.. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nTegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d, e, f en h, van de Vw 2000.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17200","2026-07-13T00:29:46.514Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":122,"fullText":123,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":125},"1982","ECLI:NL:RBDHA:2026:17202","ecli-nl-rbdha-2026-17202","2026-04-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.6014 en NL26.6015\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 15 januari 2026 opnieuw een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Fajr als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2008. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft problemen met jongens uit zijn buurt omdat zijn vader een imam is en de jongens adviseerde het juiste pad te volgen. Zijn vader is door deze jongens mishandeld en gepest. Ook heeft een man geprobeerd eiser te verkrachten en zijn buurtbewoners hiervan op de hoogte geraakt.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\neisers problemen met jongens uit zijn buurt.3.1.. Verweerder heeft de poging tot verkrachting niet aangemerkt als asielmotief omdat deze gebeurtenis geen verband houdt met een vervolgingsgrond uit het Vluchtelingenverdragof met artikel 3 van het EVRM.\n\n3.2.. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser deels geloofwaardig. Eiser heeft namelijk onvoldoende documenten overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen en heeft verschillende geboortedata opgegeven in Frankrijk, Zwitserland en Nederland. Verweerder vindt ook eisers problemen met de jongens uit zijn buurt niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en omdat eiser geen documenten heeft overgelegd terwijl hij wel heeft verklaard dat zijn vader aangifte heeft gedaan. Eiser heeft daarnaast zonder goede verklaring niet zo snel mogelijk asiel aangevraagd. Hij kan ook in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij verschillende geboortedata heeft opgegeven, in een eerdere procedure met onbekende bestemming is vertrokken en in meerdere lidstaten waar hij is geweest geen asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft daarom geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin en hij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft de conclusie dat eiser meerderjarig is, op onvoldoende onderzoek gebaseerd. Daarnaast heeft verweerder de poging tot verkrachting ten onrechte niet als asielmotief aangemerkt. Eiser loopt hierdoor gevaar in Algerije omdat hem homoseksualiteit wordt toegedicht door buurtbewoners die hiervan op de hoogte zijn.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiser deels gelijk krijgt, maar dat de afwijzing van zijn aanvraag blijft staan. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\nDe leeftijd van eiser\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom de identiteit van eiser deels geloofwaardig is en waarom hij uitgaat van [geboortedatum 2] 2008 als geboortedatum. Verweerder en de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers hebben leeftijdsschouwen uitgevoerd en allebei geconcludeerd dat er twijfel bestond over de opgegeven leeftijd. Verweerder moest daarom nader onderzoek naar eisers leeftijd doen. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit nader onderzoek heeft gedaan en alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar heeft meegewogen. Verweerder heeft namelijk navraag gedaan bij Zwitserland over de leeftijd die daar is geregistreerd. De Zwitserse autoriteiten hebben aangegeven dat uit forensisch onderzoek volgt dat eiser op [datum] 2024 tenminste 16,9 jaar oud was. Omdat niet vastgesteld kon worden dat eiser op dat moment al meerderjarig was, hebben de Zwitserse autoriteiten hem als minderjarige beschouwd en als geboortedatum [geboortedatum 3] 2007 vastgesteld. Verweerder heeft in zijn conclusie gewicht mogen toekennen aan deze informatie uit Zwitserland, omdat daaraan een forensisch leeftijdsonderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog ter zitting dat verweerder zich niet op de Zwitserse informatie mocht baseren omdat het onderliggende onderzoek niet inzichtelijk is. Niet is gebleken dat eiser het onderzoek niet kon opvragen of daartoe vergeefse pogingen heeft gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank dat het aan eiser is om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusies van dit onderzoek aan te voeren en dat het hier gaat om persoonlijke, medische gegevens, waarover eiser zelf kon beschikken. Ook de kopie van een geboorteakte geldt niet als concreet uitgangspunt voor twijfel aan de conclusies uit Zwitserland, omdat daar geen biometrische gegevens op staan en er op grond daarvan dus niet kan worden vastgesteld dat de akte over eiser gaat. Verweerder mocht er ook op wijzen dat eiser niet op een andere manier pogingen heeft ondernomen om zijn identiteit met documenten te onderbouwen. Nu uit het forensisch onderzoek volgt dat eiser op het moment van zijn huidige asielaanvraag in ieder geval de leeftijd van 18 jaar had bereikt, mocht verweerder concluderen dat de door eiser gestelde geboortedatum van [geboortedatum 1] 2008 niet kan kloppen. Verweerder mocht op basis van het forensisch onderzoek van de Zwitserse autoriteiten de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2008 aanhouden.\n\nDe poging tot verkrachting\n\n7. Dat verweerder de poging tot verkrachting niet als asielmotief heeft aangemerkt, is naar het oordeel van de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit. Volgens Werkinstructie 2024\u002F6 van verweerder moeten als asielmotieven worden aangemerkt ‘de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming.’Tijdens het nader gehoor is naar voren gekomen dat de poging tot verkrachting één van de redenen is dat eiser asielbescherming heeft aangevraagd en verweerder heeft daar als zodanig vervolgvragen over gesteld.Eiser heeft ook, heel begrijpelijk, verklaard dat hij zich schaamt voor deze gebeurtenis. De stelling van verweerder tijdens de zitting dat het geen asielmotief is, omdat het een commuun delict is en de gebeurtenis geen verband houdt met één van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag of met artikel 3 van het EVRM, kan de rechtbank niet begrijpen. Verweerder moest de gestelde poging tot verkrachting waarover eiser heeft verklaard en die voor hem een reden vormde om asiel aan te vragen aanmerken als asielmotief en moest deze op geloofwaardigheid beoordelen. De vragen of de vrees van een vreemdeling vanwege een geloofwaardig geachte gebeurtenis plausibel is en of deze ook zwaarwegend is omdat er een reëel risico uit volgt op vervolging dan wel ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM komen daarna pas aan de orde.\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt, anders dan eiser stelt, uit zijn verklaringen niet dat hij toegedichte homoseksualiteit als asielmotief naar voren heeft willen brengen. In reactie op de vraag waar eiser voor vreest, heeft hij niet benoemd dat zijn vrees ermee samenhangt dat zijn omgeving hem als homoseksueel zal zien. Hij heeft alleen verklaard dat hij bang is voor de dader. Eisers betoog in beroep dat het asielmotief als zodanig moest worden aangemerkt, slaagt dus niet.\n\n9. De rechtbank ziet aanleiding om – ondanks het hiervoor geconstateerde gebrek – de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten op grond van het volgende.Hoewel verweerder de poging tot verkrachting ten onrechte niet als asielmotief heeft aangemerkt, heeft verweerder in het bestreden besluit wel beoordeeld of te verwachten is dat eiser bij terugkeer problemen zal krijgen vanwege deze gebeurtenis. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat niet aannemelijk is dat de poging tot verkrachting – ongeacht de geloofwaardigheid daarvan – tot verdere problemen heeft geleid of zal leiden. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser na de poging tot verkrachting nog 2,5 maand in Algerije heeft gewoond. Het was voor hem ook geen directe reden om Algerije te verlaten. Niet is gesteld of gebleken dat eiser in Algerije of sinds hij is vertrokken, problemen heeft gehad met zijn familie, buurtbewoners of de autoriteiten. Eiser heeft daarnaast gesteld dat de dader is verdwenen en dat hij ook geen aangifte heeft gedaan. Gelet op het voorgaande is voor de rechtbank duidelijk dat het niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden als de poging tot verkrachting wel als asielmotief was aangemerkt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is gegrond vanwege een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het besluit, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag blijft staan.\n\n10.1.. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n10.2.. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nTegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie pagina 3 van Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n Zie pagina 10 en 11 van het verslag nader gehoor.\n\n Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17202","2026-07-13T00:29:48.331Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":130,"fullText":131,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":133,"parsedAt":35,"updatedAt":134},"384","ECLI:NL:RBDHA:2025:22742","ecli-nl-rbdha-2025-22742","2025-11-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\n zaaknummers: NL25.47417 en NL25.47421uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [eiser], V-nummer: [v-nummer 1] , eiser,[eiseres], V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres,\n\ntezamen aangeduid als eisers,\n\n(gemachtigde: mr. B. Manawi),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: C.A. van Es).\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft op 30 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres heeft op 6 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 24 september 2025 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als niet-ontvankelijk.\n\n1.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, T. Yilihamu als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1996. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 2002. Eisers hebben de Chinese nationaliteit en zij behoren tot de Oeigoeren. Eisers zijn op religieuze wijze met elkaar getrouwd. Eiser is uit China vertrokken om in vrijheid te kunnen studeren. Eiseres is uit China vertrokken, omdat haar familie zich niet veilig voelde in China. Eiser heeft van 2014 tot 2025 rechtmatig in Turkije verbleven. Eiseres heeft van april 2016 tot 2025 rechtmatig in Turkije verbleven. Eisers stellen dat zij zijn weg gegaan uit Turkije, omdat hun verblijfsvergunning is ingetrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Verweerder vindt dat Turkije voor eisers als veilig derde land kan worden beschouwd. Eisers hebben allereerst een band met Turkije. Ook is het volgens verweerder aannemelijk dat eisers opnieuw tot Turkije zullen worden toegelaten. Bovendien is niet gebleken dat Turkije voor eisers niet veilig is. Gelet hierop, heeft verweerder de aanvraag van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Ook dienen eisers onmiddellijk te vertrekken naar Turkije en is er een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.\n\nWat vinden eisers in beroep?\n\n4. Allereerst heeft verweerder ten onrechte de verkeerde toetsingsvolgorde gehanteerd. Verweerder had volgens Afdelingsjurisprudentieeerst moeten nagaan of Turkije in algemene zin veilig is, waarna kan worden onderzocht of de vreemdeling een zodanige band heeft dat het voor hem kan worden aangemerkt als veilig derde land. Uit Afdelingsjurisprudentie volgt dat verweerder zelf actief en aan de hand van actuele, objectieve en verifieerbare informatiebronnen moet onderzoeken of een land aan de in artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit genoemde beginselen voldoet, voordat het kan worden aangemerkt als veilig derde land. Door enkel passages te herhalen uit ambtsberichten voor 2021 heeft verweerder dit onvoldoende gedaan. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eisers een band hebben met Turkije. Ook betekent eerder verblijf in Turkije niet dat eisers daardoor ook daadwerkelijk bescherming kunnen krijgen. Verder heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat de toelating tot Turkije aannemelijk is. Verweerder heeft in strijd met Afdelingsjurisprudentie geen concreet onderzoek verricht naar de toelatingspraktijk van Turkije. Bovendien hebben eisers verklaard dat hun gegevens niet langer zichtbaar zijn in het Turkse digitale registratiesysteem en dat Oeigoeren zonder vergunning worden gedetineerd en uitgezet. Daarnaast heeft verweerder miskent dat de situatie van Oeigoeren in Turkije sinds 2017 is verslechterd, zoals blijkt uit de overgelegde brief van VluchtelingenWerk (VWN) Nederland. Tot slot zijn het terugkeerbesluit en het inreisverbod onzorgvuldig en disproportioneel, nu de asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n4.1.. Ten aanzien van eiseres wordt nog het volgende aangevoerd. Verweerders redenering dat er meer documenten overgelegd hadden moeten worden is onzorgvuldig zonder te specificeren welke stukken er ontbreken of waarom de overlegde documenten onvoldoende zijn. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiseres zelf informatie kan opvragen bij de Turkse autoriteiten, nu zij heeft aangevoerd dat zij niet langer toegang heeft tot het systeem.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nToetsingskader\n\n6. Verweerder kan op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. Met het IB 2024\u002F26 staat vast dat verweerder Turkije in zijn algemeenheid niet als een veilig derde land aanmerkt. In geschil is of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat Turkije voor eisers wel als veilig derde land aan te merken is.\n\n6.1.. Verweerder kan in een concreet geval beoordelen of een land voor de specifieke vreemdeling een veilig derde land is. Aan die tegenwerping moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen. Verweerder moet bepaalde informatiebronnen over de algemene situatie in een bepaald land bij zijn oordeel betrekken, en het door hem verrichte onderzoek en de daarop gebaseerde beoordeling ook inzichtelijk maken. Uit dit onderzoek moet blijken dat een vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zal worden behandeld. Als verweerder aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk heeft gemotiveerd dat een vreemdeling in het derde land volgens de hiervoor bedoelde beginselen wordt behandeld, kan hij dit alleen tegenwerpen als die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan.Bovendien kan verweerder alleen tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land.\n\n6.2.. Verweerder moet aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van die vreemdeling, redenen aandragen waarom toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan die vreemdeling om met tegenbewijs te komen door voldoende twijfel te zaaien dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn of haar geval niet aanwezig zijn.Daarnaast is het aan de vreemdeling om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten tot het veilige derde land, tenzij niet van hem of haar kan worden verlangd dat hij of zij opnieuw probeert toegang tot en verblijf in dat land te krijgen.\n\n6.3.. Een inhoudelijke beoordeling van de situatie in een bepaald land is overbodig indien niet kan worden geoordeeld dat de band van een vreemdeling met dat land zodanig is dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan of aannemelijk is dat die vreemdeling niet wordt toegelaten tot dat land. Verweerder dient die vragen te beantwoorden voordat wordt toegekomen aan de vraag of die vreemdeling in dat land wordt behandeld overeenkomstig de vereisten waaraan een veilig derde land moet voldoen.\n\nMocht verweerder Turkije als veilig derde land aanmerken voor eisers?\n\n7. Allereerst volgt de rechtbank het standpunt van eisers niet dat verweerder ten onrechte een verkeerde toetsingsvolgorde heeft gehanteerd. Volgens eisers blijkt uit Afdelingsjurisprudentiedat verweerder eerst had moeten nagaan of Turkije in algemene zin veilig is, waarna kan worden onderzocht of de vreemdeling een zodanige band heeft dat het voor hem kan worden aangemerkt als veilig derde land. Gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen, is dit standpunt van eisers niet juist. 7.1. Verweerder mocht zich verder op het standpunt stellen dat de verblijfsvergunning van eisers niet is ingetrokken. Door eisers is namelijk niet aangetoond dat zij geen verblijfsrecht meer zouden hebben, terwijl zij wel in de gelegenheid zijn gesteld om dit te onderbouwen. Verweerder heeft daarbij mogen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eisers enige inspanning hebben verricht om alsnog aan documenten te komen. Eisers hebben aangevoerd dat het moeilijk voor hen was om aan documenten te komen, omdat zij in bewaring zitten en omdat eiseres laaggeletterd is. Verweerder heeft mogen vinden dat van eisers mag worden verwacht dat zij meer documenten hadden overgelegd om hun verblijfsrecht in Turkije aan te tonen, ook al zitten eisers in bewaring en is eiseres laaggeletterd. Eisers hadden namelijk hulp kunnen inschakelen van hun familie dan wel hun gemachtigde. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit van eiseres uiteengezet welke documenten er van eiseres verwacht konden wordenen tijdens het gehoor is haar uitgelegd wat het belang hiervan is.Het standpunt van eiseres dat de motivering van verweerder onzorgvuldig is zonder te specificeren wat er van haar mag worden verwacht, volgt de rechtbank dan ook niet. Daarnaast is niet gebleken dat eisers te vrezen hebben voor de Turkse autoriteiten. Zij hebben ook niet aangevoerd dat zij problemen hebben met de Turkse autoriteiten. Eisers hadden zich dus ook tot de Turkse autoriteiten kunnen wenden om informatie te verkrijgen over hun verblijfsstatus.\n\nBand met Turkije7.2.. Gelet op Afdelingsjurisprudentiekan een band worden aangenomen wanneer een vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond. Niet in geschil is dat eisers geruime tijd in Turkije hebben verbleven. Eiser heeft namelijk van 2014 tot 2025 in Turkije verbleven en eiseres van april 2016 tot 2025. Niet is gebleken dat eisers gedurende hun verblijf in Turkije niet mee hebben kunnen draaien in de Turkse maatschappij. Zo spreekt eiser Turks en heeft hij ook gestudeerd. Eisers hebben de mogelijkheid gehad om deel te nemen aan de Turkse samenleving en zij hebben toegang gehad tot voorzieningen. Het standpunt van eisers dat eerder verblijf in Turkije niet betekent dat eisers daardoor ook daadwerkelijk bescherming kunnen krijgen, volgt de rechtbank niet. Voor het vaststellen van een zodanige band dat het voor een vreemdeling redelijk zou zijn om naar dat land te gaan, is niet van belang of die vreemdeling ook daadwerkelijk bescherming kan krijgen.\n\n7.3.. Het standpunt van eisers dat verblijf van familie in het derde land geen reden is om een band met dat land aan te nemen, volgt de eveneens rechtbank niet. Gelet op Afdelingsjurisprudentiekan verblijf van familie in het derde land juist bijdragen aan het vaststellen van de band met dat land. Verweerder heeft dit dus mogen betrekken in zijn beoordeling.\n\n7.4.. \n\nGelet op het voorgaande, is de rechtbank daarom van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat voor eisers sprake is van een zodanige band met Turkije dat het voor hen redelijk zou zijn om naar Turkije te gaan.\n\nToelating tot Turkije\n\n8. Verweerder heeft mogen vinden dat het aannemelijk is dat eisers worden toegelaten tot Turkije. Gelet op hetgeen overwogen onder 7.1., mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat de verblijfsvergunningen van eisers niet zijn ingetrokken en dat zij dus nog geldig verblijfsrecht hebben. Verweerder heeft dit dus mogen betrekken bij de beoordeling of eisers worden toegelaten tot Turkije. Verweerder heeft daarnaast mogen betrekken dat eisers een Chinees paspoort hebben en dat eisers hebben verklaard dat familie al eerder toegelaten is tot Turkije. Gelet op Afdelingsjurisprudentie, heeft verweerder zich ook op het standpunt mogen stellen dat eisers al eerder zijn toegelaten tot Turkije en dat het mede daardoor aannemelijk is dat eisers opnieuw zullen worden toegelaten tot Turkije. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2. hoeft verweerder alleen aannemelijk te maken dat eisers in beginsel worden toegelaten tot Turkije en dat heeft hij gedaan. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat zij niet worden toegelaten en daar zijn zij niet in geslaagd. Daarnaast is niet gebleken dat er door eisers inspanningen zijn verricht om alsnog te worden toegelaten tot Turkije, hetgeen wel van eisers mag worden verwacht.\n\n8.1.. Verder heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eisers nog steeds in de digitale systemen van Turkije kunnen. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dan wel onderbouwd dat zij niet meer kunnen inloggen in deze digitale systemen. Gelet op hetgeen onder 7.1. overwogen, heeft verweerder in zijn beoordeling over toelating tot Turkije niet ten onrechte niet meegenomen dat de verblijfsstatus van eiser is ingetrokken en dat zijn gegevens zouden zijn verdwenen.\n\n8.2.. Het standpunt van eisers dat verweerder zich niet had mogen beroepen op informatie afkomstig van Turkse overheidssites, omdat deze bronnen niet onafhankelijk zijn, volgt de rechtbank niet. De Turkse overheidssites geven namelijk informatie over de toelating tot Turkije. Verweerder heeft dit daarom mogen betrekken bij zijn beoordeling. Verder hebben eisers aangevoerd dat uit een bron uit het Ambtsbericht blijkt dat de Turkse overheid zich niet welwillend zouden opstellen om Oeigoeren weer toe te laten.De rechtbank is het met verweerder eens dat uit één bron niet kan worden geconcludeerd dat eisers niet zullen worden toegelaten tot Turkije.\n\n8.3.. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat eisers in beginsel tot het grondgebied van Turkije zullen worden toegelaten en dat eisers niet hebben aangetoond dat dit niet het geval is.\n\nIs Turkije voor eisers een veilig derde land?\n\n9. Uit hetgeen eisers in beroep naar voren hebben gebracht over Turkije en de situatie van Oeigoeren kan niet worden afgeleid dat eisers in Turkije niet zullen worden behandeld overeenkomstig de beginselen genoemd in artikel 3.106a van het Vb 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn besluitvorming, onder verwijzing naar landeninformatie van Turkije, voldoende gemotiveerd dat ten aanzien van Turkije aan deze voorwaarden wordt voldaan. Verweerder heeft daarbij gebruik gemaakt van actuele informatie, waaronder het meest recente ambtsbericht van Turkije van 2025. Eisers standpunt dat dit ambtsbericht onvoldoende inzichtelijk is, omdat er gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke bronnen, volgt de rechtbank niet. De Afdeling heeft namelijk eerder overwogen dat een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming in asielzaken van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.Voor zover mogelijk en wanneer het verantwoord is dienen de bronnen uit het ambtsbericht dus openbaar te zijn. Hieruit volgt echter niet dat verweerder niet van de informatie van het ambtsbericht uit mag gaan, wanneer in het ambtsbericht onder andere gebruik is gemaakt van vertrouwelijke bronnen. Bovendien hebben eisers met de enkele stelling dat het ambtsbericht niet inzichtelijk is door verwijzing naar vertrouwelijke bronnen, onvoldoende aangetoond dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht Turkije waarnaar verweerder heeft verwezen.\n\n9.1.. Daarnaast is het non-refoulement beginsel ten aanzien van eisers in de periode dat zij in Turkije woonden gerespecteerd door de Turkse autoriteiten en hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat dit nu anders zal zijn. Hoewel eisers erop wijzen dat in de afgelopen jaren in Turkije wel incidenten zijn geweest met Oeigoeren die zijn uitgezet, acht de rechtbank dit onvoldoende om de algemene situatie als onveilig te beoordelen, gelet op het aantal personen waarop die incidenten zagen in verhouding tot het grote aantal Oeigoeren dat in Turkije verblijft. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers geen argumenten hebben aangedragen waarom Turkije specifiek voor hen niet veilig is. Zo heeft eiser verklaard dat hij in Turkije nooit door de Chinese autoriteiten is benaderden heeft eiseres verklaard dat zij in Turkije nooit problemen heeft gehad met de Chinese autoriteiten.De informatie uit de brief van VWN maakt het voorgaande niet anders, nu de door eiser aangevoerde passages uit deze brief enkel van één persoon komen. Ten aanzien van het uitleveringsverdrag tussen China en Turkije overweegt de rechtbank tot slot dat Turkije dit verdrag tot op heden niet heeft geratificeerd. Er zijn daarnaast geen indicaties dat het in de toekomst geratificeerd gaat worden en dit is eveneens niet door eisers in beroep aangevoerd.\n\n10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvragen op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daarom ook op goede gronden een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 6 mei 2024, (ECLI:NL:RVS:2024:1879).\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:122.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling, van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3378, ECLI:NL:RVS:2017:3379, ECLI:NL:RVS:2017:3380 en ECLI:NL:RVS:2017:3381 en de uitspraak van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480.\n\n Uitspraak van de Afdeling, van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1879.\n\n Voornemen eiseres, 18 september 2025, pagina 2.\n\n Gehoorverslag nader gehoor, pagina 6.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379, r.o. 6.1.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379, r.o. 6.1.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4358, r.o. 3.2.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 101.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025.\n\n Zie uitspraak van de Afdeling, van 1 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3795, r.o. 2.1.\n\n Gehoorverslag nader gehoor eiser, pagina 12.\n\n Gehoorverslag nader gehoor eiseres, pagina 15.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22742","2025-12-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.079Z",{"id":136,"ecli":137,"slug":138,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":139,"fullText":140,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":141,"sourceTimestamp":142,"parsedAt":35,"updatedAt":143},"383","ECLI:NL:RBDHA:2025:23341","ecli-nl-rbdha-2025-23341","2025-11-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.35416\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Deniz).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser komt uit Turkije. Hij is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. Daardoor heeft hij eerder in Turkije in de gevangenis gezeten, maar hij is vrijgesproken. Hij is daarna naar Nederland gekomen en heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Per 1 december 2023 is het Nederlandse beleid voor asielaanvragen van Gülen-aanhangers strenger geworden. Per 1 juli 2024 is het beleid voor groepen zoals Gülen-aanhangers, nog strenger geworden. De asielaanvraag van eiser is ruim voor beide beleidswijzigingen ingediend. De rechtbank oordeelt dat beide wijzigingen in het beleid niet onredelijk zijn. Ook mocht verweerder bij de beslissing op de asielaanvraag uitgaan van het nieuwe beleid. Op grond van de informatie over Turkije en de individuele situatie van eiser mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen. Eerder is eiser namelijk vrijgesproken in verband met zijn activiteiten voor de Gülen-beweging. Er zijn nu geen aanwijzingen dat hij opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten.\n\n1.2.. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 is het verloop van deze procedure weergegeven. Vanaf 3 zijn de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en het bestreden besluit zelf beschreven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 13 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vwingediend. Hij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 1977. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting op 29 oktober 2024. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. A.T.M. Vroom-van Berckel deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nDaarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.3.. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van twee andere Turkse vreemdelingen tegen de beslissing op hun asielaanvragen.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.\n\n3.1.. Eiser is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. In Turkije heeft hij lesgegeven op een zogenoemde Gülen-school. Hij was ook adjunct-directeur van die school. Daarnaast was hij plaatsvervangend bestuurder bij een onderwijsvakbond die gelieerd was aan de Gülen-beweging. Eiser had een bankrekening bij de bank Aysa en zijn kinderen gingen naar Gülen-scholen.\n\n3.1.. Na de couppoging in Turkije in 2016 hebben hij en zijn kinderen problemen ondervonden. Eiser is door de autoriteiten beschuldigd van betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Hij is in september 2016 ontslagen. In oktober 2016 is hij gearresteerd, waarna hij zes dagen op het politiebureau werd vastgehouden in slechte omstandigheden. Zijn huis is doorzocht. Daarna heeft eiser ongeveer 9 maanden in de gevangenis gezeten. In juli 2017 is hij vrijgelaten in afwachting van zijn proces. De politie is meerdere keren bij eiser thuis aan de deur gekomen. Eiser is ook meerdere keren ondervraagd en hij moest regelmatig naar de rechtbank vanwege de tegen hem ingestelde rechtszaak. Eiser is uiteindelijk vrijgesproken van de aanklachten vanwege gebrek aan bewijs. Het hoger beroep tegen de vrijspraak is afgewezen. Het beroep in cassatie is in december 2023 ook afgewezen.\n\n3.2.. Eiser had een uitreisverbod tot de opheffing daarvan op 11 november 2022. Hij heeft vervolgens op 29 november 2022 een paspoort verkregen dankzij het feit dat zijn echtgenote een staatsambtenaar is. Op 13 januari 2023 is hij samen met één van zijn zonen naar Nederland gevlucht. Eisers echtgenote is in Turkije achtergebleven.\n\n3.3.. Eiser vreest opnieuw te worden vervolgd. Volgens hem zijn na de vrijspraak aan zijn dossier stukken toegevoegd die tot een nieuwe strafzaak tegen hem kunnen leiden. Ook is de politie, toen hij al in Nederland was, bij zijn huis in Turkije langs geweest.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging en de rechtszaken die tegen hem hebben gelopen.\n\n4.1.. Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Hij acht echter eisers vrees om opnieuw problemen te krijgen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser als Gülen-aanhanger valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc.Volgens verweerder heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat niet meer in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten, aldus verweerder.4.2.. Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.\n\nGeschilpunten partijen\n\n5. Eiser heeft in beroep geageerd tegen twee wijzigingen in het beleid van verweerder ten aanzien van Turkije ten nadele van hem. Het betreft een wijziging per 1 december 2023 en één per 1 juli 2024. Volgens eiser zijn beide wijzigingen in strijd met het recht. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder niet tijdig heeft besloten op zijn aanvraag. Als verweerder dat wel had gedaan, waren beide beleidswijzigingen niet van toepassing geweest en had eiser internationale bescherming gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij, ook als rekening wordt gehouden met de beide beleidswijzigingen, recht heeft op internationale bescherming.\n\n5.1.. Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissing.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten van partijen. Eerst zal de rechtbank toetsen of de twee beleidswijzigingen niet onredelijk zijn. Daarna zal de rechtbank oordelen over het standpunt dat eiser internationale bescherming moet krijgen omdat verweerder eerder had moeten beslissen op zijn aanvraag. Tenslotte zal worden ingegaan op de vraag of eiser op grond van zijn individuele omstandigheden een asielvergunning had moeten krijgen.6.1.. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.\n\nIs de strengere toets voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 december 2023\n\n7. De groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije werd als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdelingen het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe de volgende passage opgenomen:\n\n“Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.”\n\nDe passage leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen.\n\n7.1.. Het hiervoor geciteerde beleid is per 1 december 2023 vervallen.Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 (hierna: AAB 2023) blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülen-beweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.\n\nIs de wijziging niet onredelijk?\n\n8. Volgens eiser is de wijziging van het beleid per 1 december 2023 onterecht omdat deze in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag deze wijziging niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder bestrijdt dit.\n\n8.1.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daartoe het volgende.\n\n8.2.. Eiser heeft gesteld dat niet van de informatie in het AAB 2023 mag worden uitgegaan. Volgens eiser is het AAB 2023 beïnvloed door de onjuiste wijze van verkrijging daarvan, gezien de vraagstelling in de zogenoemde ‘Terms of Reference’ van 28 april 2023. Dit heeft eiser echter onvoldoende onderbouwd. Er is gevraagd om algemene en concrete informatie. De concreet gevraagde informatie betreft ook Gülenisten en rechtsbescherming van hen en anderen. Dit acht de rechtbank voldoende. De informatie in het AAB 2023 kan dus worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in Turkije per 1 december 2023.\n\n8.3.. Het AAB 2023 bevat weinig concrete informatie en er zijn meerdere voorbehouden in gemaakt. Zo staat er dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van (vermeende) Gülenisten in Turkije, dat de informatie over hun situatie schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard was, dat het onduidelijk was hoeveel arrestanten er in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd, als ook dat de bronnen de gestelde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet nader konden onderbouwen met concrete gegevens. De informatie die echter wél concreet in het AAB 2023 staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de per 1 december 2023 gewijzigde tekst van het beleid en daarop gegeven toelichting te dragen. Volgens de landeninformatie komt vervolging van Gülenisten nog steeds op grote schaal voor. Het AAB 2023 vermeldt daarover dat gedurende de voorgaande twee verslagperiodes met regelmaat arrestaties op grotere of kleine schaal plaatsvonden van Gülenisten en dat deze situatie hetzelfde is gebleven. Uit de landeninformatie kan evenwel niet worden afgeleid dat de situatie voor Gülenisten dusdanig is dat – ook bij het ontbreken van geringe indicaties – vrij snel een risico op vervolging moet worden aangenomen. Dit zou in feite neerkomen op het aannemen van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet in het AAB 2023, maar ook in de door eiser ingebrachte informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Daarbij is van belang dat er in Turkije volgens het AAB 2023 meer rechterlijke bescherming voor Gülen-aanhangers is dan voorheen. De verschillende criteria die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock -app, gelden volgens het AAB 2023 nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Gewezen wordt op diverse uitspraken van het Turkse Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie.\n\n8.4.. De door eiser ingebrachte landeninformatie wijkt in essentie niet af van de informatie in het AAB 2023. Eiser beroept zich op een stuk van J. Vande Lanotte.Daarin staat dat de vermindering in het aantal gerechtelijke acties en detenties deels te verklaren valt door de omstandigheid dat veel mensen zijn veroordeeld of zijn gevlucht. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Volgens Vande Lanotte zijn de kansen op vervolging niet afgenomen en gaat het nog steeds om 3000 à 4000 zaken per jaar. Dit laatste aantal acht de rechtbank, gezien de in het AAB 2023 vermelde cijfers, laag. Het bevestigt dan ook dat de intensiteit van de vervolging is afgenomen, zoals het AAB 2023 vermeldt, en niet dat de kansen op vervolging niet zijn afgenomen, zoals Vande Lanotte schrijft en eiser stelt. Volgens de Finse informatie over Turkijewaarop eiser zich beroept, is nog steeds sprake van dezelfde vervolgingscriteria die eerder golden. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Verder staat in de Finse informatie dat Turkse rechters geen uitvoering geven aan uitspraken van hogere rechters, er nog steeds sprake is van extreme willekeur voor vervolging en worden personen voor een tweede keer vervolgd, ondanks eerdere vrijspraak. Deze informatie stemt ook overeen met het AAB 2023. Daarin staat namelijk dat gezien de omvang van de Gülen-beweging in het verleden niet altijd duidelijk was hoe de Turkse autoriteiten beslisten welke Gülen-aanhangers dienden te worden opgepakt, dat het beantwoorden van de vraag welke Gülenisten het meeste risico liepen werd bemoeilijkt door meerdere omstandigheden en dat mensen, ondanks de ontwikkelingen in de rechtsgang, nog steeds relatief makkelijk konden worden verdacht van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging.Dit alles wijst erop dat Gülenisten nog steeds het doelwit zijn van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten als ook dat onduidelijk is op welke gronden zij dat zijn. Het doet echter niet af aan de in de vorige paragraaf vermelde verbeterde rechtsbescherming door hogere rechterlijke instanties. Het leidt er ook niet toe dat sprake is van groepsvervolging van Gülenisten.\n\n8.5.. Na de zitting is het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AAB 2025) gepubliceerd. Partijen hebben hier inhoudelijk op gereageerd. Het beeld in het AAB 2025 is voor wat betreft Gülenisten niet relevant gewijzigd ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Zo staat in het AAB 2025 dat de situatie omschreven in AAB 2023 voortduurt. De aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van Gülenisten waren relatief laag in vergelijking met de situatie vóór 2020. Volgens Turkse overheidsgegevens over juli 2024 zette de dalende trend in aantallen arrestaties en detenties door: van 19.252 in juli 2022 naar 13.251 in juli 2024. Ook het aantal opgepakte Gülenisten nam af: van 22.458 in 2021 naar 9.639 in 2023. Anderzijds blijkt uit het AAB 2025 dat de vervolging van Gülenisten doorging. Mensen konden nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Bronnen omschrijven de vervolging als extreem willekeurig en onvoorspelbaar.De criteria die werden gebruikt voor vervolging, zoals het hebben van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock -app, bleven ook van kracht.Daarbij komt dat sommige lagere rechtbanken, ondanks de aanscherpingen in de rechtspraak van het gebruik van de criteria, de uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden. Er werd aldus niet eenduidig omgegaan met Gülenzaken.Deze onzekerheid doet echter niet af aan de afname van de vervolging van Gülenisten. Er blijkt uit deze informatie niet dat het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvoor zijn de aantallen van vervolgde Gülenisten nu te laag.\n\n8.6.. De rechtbank concludeert dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming diende te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is, mede gezien de Turkse rechtsbescherming, niet zo hoog dat vrees op vervolging gegrond is of een reëel risico op ernstige schade wordt gelopen alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger. Gezien de over Turkije bekende informatie behoeft per 1 december 2023 geen verdergaande bescherming te worden geboden aan mogelijke of werkelijke Gülen-aanhangers dan uit dit beleid volgt.\n\n8.7.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de wijziging van risicogroep\u002Fkwetsbare minderheidsgroep naar risicoprofiel per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 juli 2024\n\n9. Volgens het landenbeleid ten aanzien van Turkije, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit als ook heden, is de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” aangemerkt als een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc. Vóór 1 juli 2024 gold dat sprake was van een risicogroep in de zin van paragraaf C2\u002F3.2.\n\n9.1.. De beleidswijziging geldt ten aanzien van alle gevallen waarvoor verweerder vóór 1 juli 2024 het begrip risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep hanteerde. Volgens de toelichting op de beleidswijzigingkonden binnen het oude groepenbeleid zowel groepen die groot als groepen die een kleiner risico liepen worden aangewezen, terwijl voor beide groepen dezelfde lagere bewijslast gold. Tevens gold de lagere bewijslast voor alle vreemdelingen die behoorden tot de betreffende groep, los van hun positie binnen deze groep, ook al kon het risico blootgesteld te worden aan vervolging\u002Fernstige schade binnen diezelfde groep verschillen. Gewenst was om meer gewicht te geven aan de individuele beoordeling, aldus de toelichting. Naar aanleiding hiervan is paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc ingevoerd.Daarin staat nu dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen, aldus staat in paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc.\n\nIs de wijziging van het beleid per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\n10. Volgens eiser is de vervanging van het begrip ‘risicogroep’ in risicoprofiel in strijd met het recht, in het bijzonder het Europese recht. Eiser doet een beroep op arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mensen een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.Daarnaast voert eiser aan dat de beleidswijziging in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag de wijziging per 1 juli 2024 niet aan eiser worden tegengeworpen.\n\n10.1.. Verweerder heeft dit alles bestreden. Het beleidsmatige voordeel voor vreemdelingen op grond van het beleid voor 1 juli 2024 is volgens verweerder weggenomen. De bewijslastverdeling is echter niet gewijzigd, aldus verweerder.\n\n10.2.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daarbij het volgende.\n\n10.3.. Onder het voorheen geldende beleid voor risicogroepen kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook in dat beleid bleef dus het individualiseringsvereiste van toepassing. Het behoren tot een risicogroep betekende niet zonder meer dat de aanvrager in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook in het huidige beleid leidt het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, niet zonder meer tot verlening van een verblijfsvergunning.\n\n10.4.. De rechtbank begrijpt het huidige beleid zó, dat eerst gekeken wordt of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarna vervolgens de individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. In beide gevallen speelt het individualiseringsvereiste dus een doorslaggevende rol. Wat betreft de stelling van eiser dat de bewijslast met het nieuwe beleid zwaarder is geworden, overweegt de rechtbank dat de op eiser rustende bewijslast niet volgt uit het beleid maar uit het Unierecht. Die bewijslast is niet aangepast met het nieuwe beleid. Wel is het zo dat in het beleid dat ten tijde van de aanvraag van eiser gold, gevergd werd dat geringe indicaties aannemelijk werden gemaakt die de vrees voor vervolging rechtvaardigde. Het beleid vergt thans meer dan geringe indicaties. Dit betekent dat vanuit beleidsmatig oogpunt een zwaardere bewijslast geldt. Maar de vreemdeling moet nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk maken dat - ook al behoort hij tot een door verweerder aangemerkte risicoprofiel - een gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\n10.5.. Het standpunt van eiser dat de beleidswijziging specifiek ten aanzien van Turkije onredelijk is, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser dient meer dan geringe indicaties aan te voeren om aannemelijk te maken dat hij terecht vreest voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De landeninformatie wijst er niet op zich al op dat los van de individuele omstandigheden hieraan wordt voldaan. De landeninformatie over Turkije biedt immers geen aanleiding om te oordelen dat eisers vrees voor vervolging terecht is of dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger (zie 8.3 tot en met 8.5 hiervoor).\n\n10.6.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?\n\n11. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben besloten op zijn aanvraag, beide beleidswijzigingen niet van toepassing zijn geweest en zou hij een positieve beslissing hebben gekregen. Daarom mogen de beide beleidswijzigingen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Verweerder heeft dit bestreden.\n\n11.1.. Eiser gaat ervan uit dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 december 2023. Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de aanvraag door drukte is blijven liggen. Ook het feit dat verweerder laat, en pas na een beleidswijziging, op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.\n\n11.2.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van de twee beleidswijzigingen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser op grond van zijn individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?\n\n12. Eiser stelt dat hij – uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader – gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hij wijst in dat kader op zijn persoonlijke situatie, het feit dat hij onder een risicoprofiel valt en de landeninformatie over Turkije. Eiser heeft verder gewezen op zijn eerdere ervaringen in Turkije, dat bepaalde stukken niet zijn meegenomen in de strafrechtelijke procedure, dat hij als verdachte verhoord is op 23 maart 2022 over zijn werkzaamheden voor de vakbond, dat in mei 2024 de politie navraag naar hem heeft gedaan en bij hem thuis is geweest en dat er een nieuw opsporingsdossier over hem bestaat. Ter zitting heeft eiser zich beroepen op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n12.1.. De rechtbank begrijpt, mede gelet op het ter zitting gestelde, dat verweerder stelt dat er bij terugkeer weliswaar een kans is op vervolging of enig risico bestaat op ernstige schade, maar dat die kans of dat risico niet zo hoog is dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zal worden.\n\n12.2.. De rechtbank volgt verweerder. Niet aannemelijk is dat eiser opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten of de reële kans loopt om opnieuw daarin te komen staan vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De algemene informatie over Turkije en de daaruit blijkende situatie voor Gülenisten is onvoldoende ernstig om aan te nemen dat eiser door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging alleen al in de persoonlijke problemen zal geraken. Daarbij is het volgende van belang.\n\n12.3.. Eiser valt onder een risicoprofiel. Dit betekent dat, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast in beginsel geheel blijft rusten op eiser.\n\n12.4.. Eiser is strafrechtelijk vervolgd vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De rechtbank volgt dat dit in beginsel een aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is.Daarbij is met name van belang dat eiser gedurende een aantal jaren onderworpen is geweest aan strafrechtelijk onderzoek vanwege vermeende betrokkenheid bij de Gülen-beweging, hij meerdere keren is verhoord, gedurende zes dagen in slechte omstandigheden in een politiecel verbleef en ongeveer negen maanden in de gevangenis heeft gezeten. De vervolging van eiser was echter op het hoogtepunt van de repressie van Gülenisten in Turkije. Er zijn reeds daarom goede redenen om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Daarnaast is eiser tijdens de procedure vrijgelaten. De Turkse rechtbank heeft hem nadien vrijgesproken en in beroep en in cassatie is die uitspraak bevestigd. Daarom volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de bewijslast niet is omgedraaid.\n\n12.5.. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat eisers werkzaamheden voor de vakbond en de school zijn meegenomen in de afgeronde strafrechtelijke procedure tegen eiser. Dit laat onverlet dat eiser, zoals hij stelt, mogelijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten is blijven staan vanwege zijn werkzaamheden binnen de Gülen-beweging. Dat eiser, zoals hij heeft gesteld in overeenstemming met landeninformatie,daarna geen nieuw werk heeft kunnen vinden, wijst hierop. Uit landeninformatie blijkt echter niet dat eiser, hoewel hij is vrijgesproken, opnieuw in de problemen kan geraken. Het AAB 2025 geeft slechts aan dat niet duidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw het risico lopen op problemen met de Turkse autoriteiten.\n\n12.6.. Verweerder heeft echter terecht tegengeworpen dat eiser op 30 augustus 2024 zelf heeft gesteld dat er geen strafzaak tegen hem loopt.De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat toch een nieuw strafrechtelijk onderzoek naar hem is gestart dan wel de kans groot is dat een nieuwe strafprocedure tegen hem wordt opgestart. Dat hij in maart 2022 is verhoord door de politie, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser volgens zijn verklaringen vaker is ondervraagd door de politie, los van zijn detentie in 2016 en 2017, zonder meer problemen te krijgen. Het beroep van eiser ter zitting in dit verband op een bepaalde bijlage die bij de zienswijze zou zijn ingediend, faalt. Dat stuk vermeldt eisers naam en het nummer 2021\u002F28279. Dit is volgens eiser het nummer van zijn nieuwe opsporingsdossier. Het stuk is echter in de Turkse taal opgesteld en er is geen vertaling ingebracht. Daardoor kan de rechtbank de precieze inhoud niet vaststellen. Anders dan eiser heeft gesteld, is het niet aan verweerder of de rechtbank om die vertaling te produceren. Ook het beroep van eiser op volgens hem belastende stukken die zijn gedagtekend na de beslissing op het hoger beroep tegen eisers vrijspraak (15 september 2020), faalt. Niet duidelijk is dat het Turkse Hof van Cassatie ze niet heeft meegenomen bij de beoordeling van de eerdere vrijspraak, terwijl eiser wel heeft gesteld dat de Turkse rechtbank ze aan het Hof had gestuurd. Dat in Nederland dergelijke informatie in cassatie niet wordt meegenomen, leidt in ieder geval niet tot die conclusie. Eiser heeft zich ook beroepen op zijn verklaring over een huisbezoek op 28 mei 2024. Eiser was al in Nederland toen twee politieagenten bij zijn huis in Turkije langs zijn geweest om naar hem te vragen in het kader van een sociaal onderzoek naar eiser. Meer informatie is hier niet over bekend. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat dit huisbezoek niet betekent dat men op zoek was naar eiser in verband met betrokkenheid bij de Gülen-beweging.12.7.. Uit de Finse landeninformatie over Turkije waarop eiser zich heeft beroepen, blijkt dat bewijs dat in een strafprocedure is gebruikt, niet nogmaals kan worden gebruikt in een volgende strafprocedure, maar dat iemand wel voor een tweede keer voor eenzelfde misdrijf kan worden vervolgd. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, betreft dit echter algemene informatie over de situatie in Turkije. Het heeft geen betrekking op eiser in persoon. Het standpunt van eiser dat verweerder te veel waarde hecht aan de legale uitreis van Turkije naar Nederland zonder het ondervinden van problemen, faalt ook. Weliswaar blijkt, zoals eiser terecht heeft gesteld, uit het AAB 2023 dat zelfs tijdens een lopende strafrechtelijke procedure legaal kan worden uitgereisd. Dit onderbouwt echter niet dat eiser in de negatieve aandacht staat.\n\n12.8.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een asielvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n NL24.35417 (de zoon van eiser) en NL24.32341.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.\n\n WBV 2021\u002F16 van 4 augustus 2021.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van 28 november 2023, 2023-2024, 19637, nr. 3177, en Nota Landenbeleid Turkije van 11 augustus 2023, 4839506.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 november 2023, WBV 2023\u002F24, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant 2023, 30427.\n\n Nota van 11 augustus 2023, hiervoor aangehaald.\n\n “Is there a changing trend in the persecution of the (alleged) members of the Gülen movement?”, 1 juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.2.\n\n AAB 20223, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n “Turkey; Individuals associated with the Gülen movement; The Finnish Immigration Service’s fact-finding mission to Ankara and Istanbul 2 – 6 October 2023”, juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2025, p. 50.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.4.\n\n Paragraaf C7\u002F34.3 Vc.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van maart 2024, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 321.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024\u002F12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Arrest van 15 januari 2015, A.A. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD001803911, arrest van 15 januari 2015, A.F. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD008008613, arrest van 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804.\n\n Arrest van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n AAB 2025, p. 51-52.\n\n AAB 2025, p. 52.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 9.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23341","2025-12-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.022Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":139,"fullText":148,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":149,"sourceTimestamp":142,"parsedAt":35,"updatedAt":150},"380","ECLI:NL:RBDHA:2025:23344","ecli-nl-rbdha-2025-23344","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.35417\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Deniz).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser komt uit Turkije. Hij is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Per 1 december 2023 is het Nederlandse beleid voor asielaanvragen van Gülen-aanhangers strenger geworden. Per 1 juli 2024 is het beleid voor groepen zoals Gülen-aanhangers, nog strenger geworden. De asielaanvraag van eiser is ruim voor beide beleidswijzigingen ingediend. De rechtbank oordeelt dat beide wijzigingen in het beleid niet onredelijk zijn. Ook mocht verweerder bij de beslissing op de asielaanvraag uitgaan van het nieuwe beleid. Op grond van de informatie over Turkije en de individuele situatie van eiser mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten.\n\n1.2.. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 is het verloop van deze procedure weergegeven. Vanaf 3 zijn de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en het bestreden besluit zelf beschreven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 13 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vwingediend. Hij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 2005. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 de aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting op 29 oktober 2024. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. A.T.M. Vroom-van Berckel deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nDaarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.3.. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van twee andere Turkse vreemdelingen tegen de beslissing op hun asielaanvragen.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.\n\n3.1.. Eisers vader was betrokken bij de Gülen-beweging. Zijn vader werd na de couppoging in 2016 ontslagen. Eiser zelf heeft op scholen gezeten die gelieerd waren aan de Gülen-beweging. Eisers school werd in 2016 gesloten. Eiser is toen naar meerdere staatsscholen gegaan. Daar werd hij gediscrimineerd door de docenten en de leerlingen. Eisers psychische toestand is daardoor verslechterd. Hij raakte sociaal geïsoleerd. Familieleden namen afstand van eiser en zijn gezin vanwege het risico te worden beschuldigd van terrorisme als zij met eiser en zijn vader in verband zouden worden gebracht. Zijn vader is strafrechtelijk vervolgd door de Turkse autoriteiten. Hij heeft enige tijd in de gevangenis gezeten. Hij is vrijgesproken van de aanklachten en dat is in december 2023 in cassatie bevestigd.\n\n3.2.. Na de couppoging en de gevangenneming van zijn vader is eiser actiever geworden voor de Gülen-beweging. Hij is doorgegaan met deelname aan bijeenkomsten (sobhets). Ook is hij omgegaan met jongens van wie de vaders ook gevangen waren gezet. Hij heeft verder geld doen toekomen aan zijn vader toen die in detentie zat in 2017.\n\n3.3.. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije zal worden opgepakt omdat hij met de Gülen-beweging in verband kan worden gebracht. Ook is eiser in Nederland actief betrokken bij de Gülen-beweging en gaat hij naar bijeenkomsten. Eiser vreest dat de Turkse inlichtingendienst in Nederland actief is en daarom weet wie hij is.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n4.1.. Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Hij acht echter eisers vrees om opgepakt te worden of gediscrimineerd te worden niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser als Gülen-aanhanger valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc.Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat volgens verweerder niet in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten.4.3.. Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.\n\nGeschilpunten partijen\n\n5. Eiser heeft in beroep geageerd tegen twee wijzigingen in het beleid van verweerder ten aanzien van Turkije ten nadele van hem. Het betreft een wijziging per 1 december 2023 en één per 1 juli 2024. Volgens eiser zijn beide wijzigingen in strijd met het recht. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder niet tijdig heeft besloten op zijn aanvraag. Als verweerder dat wel had gedaan, waren beide beleidswijzigingen niet van toepassing geweest en had eiser internationale bescherming gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij, ook als rekening wordt gehouden met de beide beleidswijzigingen, recht heeft op internationale bescherming.\n\n5.1.. Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissing.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten van partijen. Eerst zal de rechtbank toetsen of de twee beleidswijzigingen niet onredelijk zijn. Daarna zal de rechtbank oordelen over het standpunt dat eiser internationale bescherming moet krijgen omdat verweerder eerder had moeten beslissen op zijn aanvraag. Tenslotte zal worden ingegaan op de vraag of eiser op grond van zijn individuele omstandigheden een asielvergunning had moeten krijgen.\n\n6.1.. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.\n\nIs de strengere toets voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 december 2023\n\n7. De groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije werd als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdelingen het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe de volgende passage opgenomen:\n\n“Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.”\n\nDe passage leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen.\n\n7.1.. Het hiervoor geciteerde beleid is per 1 december 2023 vervallen.Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 (hierna: AAB 2023) blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülen-beweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.\n\nIs de wijziging niet onredelijk?\n\n8. Volgens eiser is de wijziging van het beleid per 1 december 2023 onterecht omdat deze in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag deze wijziging niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder bestrijdt dit.\n\n8.1.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daartoe het volgende.\n\n8.2.. Eiser heeft gesteld dat niet van de informatie in het AAB 2023 mag worden uitgegaan. Volgens eiser is het AAB 2023 beïnvloed door de onjuiste wijze van verkrijging daarvan, gezien de vraagstelling in de zogenoemde ‘Terms of Reference’ van 28 april 2023. Dit heeft eiser echter onvoldoende onderbouwd. Er is gevraagd om algemene en concrete informatie. De concreet gevraagde informatie betreft ook Gülenisten en rechtsbescherming van hen en anderen. Dit acht de rechtbank voldoende. De informatie in het AAB 2023 kan dus worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in Turkije per 1 december 2023.\n\n8.3.. Het AAB 2023 bevat weinig concrete informatie en er zijn meerdere voorbehouden in gemaakt. Zo staat er dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van (vermeende) Gülenisten in Turkije, dat de informatie over hun situatie schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard was, dat het onduidelijk was hoeveel arrestanten er in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd, als ook dat de bronnen de gestelde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet nader konden onderbouwen met concrete gegevens. De informatie die echter wél concreet in het AAB 2023 staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de per 1 december 2023 gewijzigde tekst van het beleid en daarop gegeven toelichting te dragen. Volgens de landeninformatie komt vervolging van Gülenisten nog steeds op grote schaal voor. Het AAB 2023 vermeldt daarover dat gedurende de voorgaande twee verslagperiodes met regelmaat arrestaties op grotere of kleine schaal plaatsvonden van Gülenisten en dat deze situatie hetzelfde is gebleven. Uit de landeninformatie kan evenwel niet worden afgeleid dat de situatie voor Gülenisten dusdanig is dat – ook bij het ontbreken van geringe indicaties – vrij snel een risico op vervolging moet worden aangenomen. Dit zou in feite neerkomen op het aannemen van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet in het AAB 2023, maar ook in de door eiser ingebrachte informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Daarbij is van belang dat er in Turkije volgens het AAB 2023 meer rechterlijke bescherming voor Gülen-aanhangers is dan voorheen. De verschillende criteria die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock-app, gelden volgens het AAB 2023 nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Gewezen wordt op diverse uitspraken van het Turkse Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie.\n\n8.4.. De door eiser ingebrachte landeninformatie wijkt in essentie niet af van de informatie in het AAB 2023. Eiser beroept zich op een stuk van J. Vande Lanotte.Daarin staat dat de vermindering in het aantal gerechtelijke acties en detenties deels te verklaren valt door de omstandigheid dat veel mensen zijn veroordeeld of zijn gevlucht. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Volgens Vande Lanotte zijn de kansen op vervolging niet afgenomen en gaat het nog steeds om 3000 à 4000 zaken per jaar. Dit laatste aantal acht de rechtbank, gezien de in het AAB 2023 vermelde cijfers, laag. Het bevestigt dan ook dat de intensiteit van de vervolging is afgenomen, zoals het AAB 2023 vermeldt, en niet dat de kansen op vervolging niet zijn afgenomen, zoals Vande Lanotte schrijft en eiser stelt. Volgens de Finse informatie over Turkijewaarop eiser zich beroept, is nog steeds sprake van dezelfde vervolgingscriteria die eerder golden. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Verder staat in de Finse informatie dat Turkse rechters geen uitvoering geven aan uitspraken van hogere rechters, er nog steeds sprake is van extreme willekeur voor vervolging en worden personen voor een tweede keer vervolgd, ondanks eerdere vrijspraak. Deze informatie stemt ook overeen met het AAB 2023. Daarin staat namelijk dat gezien de omvang van de Gülen-beweging in het verleden niet altijd duidelijk was hoe de Turkse autoriteiten beslisten welke Gülen-aanhangers dienden te worden opgepakt, dat het beantwoorden van de vraag welke Gülenisten het meeste risico liepen werd bemoeilijkt door meerdere omstandigheden en dat mensen, ondanks de ontwikkelingen in de rechtsgang, nog steeds relatief makkelijk konden worden verdacht van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging.Dit alles wijst erop dat Gülenisten nog steeds het doelwit zijn van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten als ook dat onduidelijk is op welke gronden zij dat zijn. Het doet echter niet af aan de in de vorige paragraaf vermelde verbeterde rechtsbescherming door hogere rechterlijke instanties. Het leidt er ook niet toe dat sprake is van groepsvervolging van Gülenisten.\n\n8.5.. Na de zitting is het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AAB 2025) gepubliceerd. Partijen hebben hier inhoudelijk op gereageerd. Het beeld in het AAB 2025 is voor wat betreft Gülenisten niet relevant gewijzigd ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Zo staat in het AAB 2025 dat de situatie omschreven in AAB 2023 voortduurt. De aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van Gülenisten waren relatief laag in vergelijking met de situatie vóór 2020. Volgens Turkse overheidsgegevens over juli 2024 zette de dalende trend in aantallen arrestaties en detenties door: van 19.252 in juli 2022 naar 13.251 in juli 2024. Ook het aantal opgepakte Gülenisten nam af: van 22.458 in 2021 naar 9.639 in 2023. Anderzijds blijkt uit het AAB 2025 dat de vervolging van Gülenisten doorging. Mensen konden nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Bronnen omschrijven de vervolging als extreem willekeurig en onvoorspelbaar.De criteria die werden gebruikt voor vervolging, zoals het hebben van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock-app, bleven ook van kracht.Daarbij komt dat sommige lagere rechtbanken, ondanks de aanscherpingen in de rechtspraak van het gebruik van de criteria, de uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden. Er werd aldus niet eenduidig omgegaan met Gülenzaken.Deze onzekerheid doet echter niet af aan de afname van de vervolging van Gülenisten. Er blijkt uit deze informatie niet dat het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvoor zijn de aantallen van vervolgde Gülenisten nu te laag.\n\n8.6.. De rechtbank concludeert dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming diende te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is, mede gezien de Turkse rechtsbescherming, niet zo hoog dat vrees op vervolging gegrond is of een reëel risico op ernstige schade wordt gelopen alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger. Gezien de over Turkije bekende informatie behoeft per 1 december 2023 geen verdergaande bescherming te worden geboden aan mogelijke of werkelijke Gülen-aanhangers dan uit dit beleid volgt.\n\n8.7.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de wijziging van risicogroep\u002Fkwetsbare minderheidsgroep naar risicoprofiel per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 juli 2024\n\n9. Volgens het landenbeleid ten aanzien van Turkije, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit als ook heden, is de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” aangemerkt als een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc. Vóór 1 juli 2024 gold dat sprake was van een risicogroep in de zin van paragraaf C2\u002F3.2.\n\n9.1.. De beleidswijziging geldt ten aanzien van alle gevallen waarvoor verweerder vóór 1 juli 2024 het begrip risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep hanteerde. Volgens de toelichting op de beleidswijzigingkonden binnen het oude groepenbeleid zowel groepen die groot als groepen die een kleiner risico liepen worden aangewezen, terwijl voor beide groepen dezelfde lagere bewijslast gold. Tevens gold de lagere bewijslast voor alle vreemdelingen die behoorden tot de betreffende groep, los van hun positie binnen deze groep, ook al kon het risico blootgesteld te worden aan vervolging\u002Fernstige schade binnen diezelfde groep verschillen. Gewenst was om meer gewicht te geven aan de individuele beoordeling, aldus de toelichting. Naar aanleiding hiervan is paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc ingevoerd.Daarin staat nu dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen, aldus staat in paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc.\n\nIs de wijziging van het beleid per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\n10. Volgens eiser is de vervanging van het begrip ‘risicogroep’ in risicoprofiel in strijd met het recht, in het bijzonder het Europese recht. Eiser doet een beroep op arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mensen een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.Daarnaast voert eiser aan dat de beleidswijziging in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag de wijziging per 1 juli 2024 niet aan eiser worden tegengeworpen.\n\n10.1.. Verweerder heeft dit alles bestreden. Het beleidsmatige voordeel voor vreemdelingen op grond van het beleid voor 1 juli 2024 is volgens verweerder weggenomen. De bewijslastverdeling is echter niet gewijzigd, aldus verweerder.\n\n10.2.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daarbij het volgende.\n\n10.3.. Onder het voorheen geldende beleid voor risicogroepen kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook in dat beleid bleef dus het individualiseringsvereiste van toepassing. Het behoren tot een risicogroep betekende niet zonder meer dat de aanvrager in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook in het huidige beleid leidt het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, niet zonder meer tot verlening van een verblijfsvergunning.\n\n10.4.. De rechtbank begrijpt het huidige beleid zó, dat eerst gekeken wordt of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarna vervolgens de individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. In beide gevallen speelt het individualiseringsvereiste dus een doorslaggevende rol. Wat betreft de stelling van eiser dat de bewijslast met het nieuwe beleid zwaarder is geworden, overweegt de rechtbank dat de op eiser rustende bewijslast niet volgt uit het beleid maar uit het Unierecht. Die bewijslast is niet aangepast met het nieuwe beleid. Wel is het zo dat in het beleid dat ten tijde van de aanvraag van eiser gold, gevergd werd dat geringe indicaties aannemelijk werden gemaakt die de vrees voor vervolging rechtvaardigde. Het beleid vergt thans meer dan geringe indicaties. Dit betekent dat vanuit beleidsmatig oogpunt een zwaardere bewijslast geldt. Maar de vreemdeling moet nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk maken dat - ook al behoort hij tot een door verweerder aangemerkte risicoprofiel - een gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\n10.5.. Het standpunt van eiser dat de beleidswijziging specifiek ten aanzien van Turkije onredelijk is, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser dient meer dan geringe indicaties aan te voeren om aannemelijk te maken dat hij terecht vreest voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De landeninformatie wijst er niet op zich al op dat los van de individuele omstandigheden hieraan wordt voldaan. De landeninformatie over Turkije biedt immers geen aanleiding om te oordelen dat eisers vrees voor vervolging terecht is of dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger (zie 8.3 tot en met 8.5 hiervoor).\n\n10.6.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?\n\n11. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben besloten op zijn aanvraag, beide beleidswijzigingen niet van toepassing zijn geweest en zou hij een positieve beslissing hebben gekregen. Daarom mogen de beide beleidswijzigingen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Verweerder heeft dit bestreden.\n\n11.1.. Eiser gaat ervan uit dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 december 2023. Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de aanvraag door drukte is blijven liggen. Ook het feit dat verweerder laat, en pas na een beleidswijziging, op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.\n\n11.2.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van de twee beleidswijzigingen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser op grond van zijn individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?\n\n12. Eiser stelt dat hij – uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader – gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hij wijst in dat kader op zijn persoonlijke situatie, het feit dat hij onder een risicoprofiel valt en de landeninformatie over Turkije.\n\n12.1.. De rechtbank begrijpt, mede gelet op het ter zitting gestelde, dat verweerder stelt dat er bij terugkeer weliswaar een kans is op vervolging of enig risico bestaat op ernstige schade, maar dat die kans of dat risico niet zo hoog is dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zal worden.\n\n12.2.. De rechtbank volgt verweerder. Niet aannemelijk is dat eiser opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten of de reële kans loopt om opnieuw daarin te komen staan vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De algemene informatie over Turkije en de daaruit blijkende situatie voor Gülenisten is onvoldoende ernstig om aan te nemen dat eiser door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging alleen al in de persoonlijke problemen zal geraken. Ter toelichting dient het volgende.\n\n12.3.. Eiser valt onder een risicoprofiel. Dit betekent dat, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast in beginsel geheel blijft rusten op eiser.\n\n12.4.. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er geen indicaties zijn dat er een onderzoek loopt naar eiser of dat hij wordt gezocht door de Turkse autoriteiten. Dat hij op Gülenscholen heeft gezeten, is onvoldoende. Uit landeninformatie blijkt dat sommigen hierdoor in de problemen zijn geraakt, maar niet dat iedereen wordt vervolgd of een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft hierbij terecht tegengeworpen dat eisers oudere broer, die ook op Gülen-scholen heeft gezeten en wiens naam ook stond vermeld op de tenlastelegging van eisers vader, geen problemen heeft ondervonden met de Turkse overheid. Dat eiser naar eigen zeggen actiever was voor de beweging dan zijn broer, maakt dit niet anders. Niet gebleken is verder dat de Turkse overheid op de hoogte is of moet zijn van eisers actieve deelname aan sobhets.\n\n12.5.. Dat eisers vader strafrechtelijk is vervolgd en enige tijd in de gevangenis heeft gezeten, betekent niet dat eiser gegronde vrees heeft voor of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege de Turkse autoriteiten. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat dit volgens landeninformatiewel geldt voor familieleden van hooggeplaatste Gülenisten, terwijl eisers vader dat niet is. Uit die landeninformatie blijkt ook dat eiser als familielid van een vermeende Gülenist in het maatschappelijk verkeer en de arbeidsmarkt problemen kan ondervinden. Dit stemt overeen met de verklaringen van eiser zelf over zijn sociale problemen. Het is echter onvoldoende om vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Daarbij is relevant dat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, eiser wel toegang had tot onderwijs en zorg.\n\n12.6.. Dat eiser geld heeft overgemaakt aan zijn vader toen hij in detentie zat, is ook niet genoeg. Weliswaar staat in het AAB 2025 dat onder andere burgers die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en\u002Fof hun familieleden hielpen, in de negatieve belangstelling stonden van de Turkse overheid. De Turkse autoriteiten verdachten personen die gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun families ondersteunden van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.Echter, het is al een aantal jaren geleden dat dit is gebeurd en niet gebleken is dat de Turkse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn.\n\n12.6.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een asielvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.N. Parlevliet, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n NL24.35417 (de zoon van eiser) en NL24.32341.\n\n Zie NL24.35416.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.\n\n WBV 2021\u002F16 van 4 augustus 2021.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van 28 november 2023, 2023-2024, 19637, nr. 3177, en Nota Landenbeleid Turkije van 11 augustus 2023, 4839506.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 november 2023, WBV 2023\u002F24, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant 2023, 30427.\n\n Nota van 11 augustus 2023, hiervoor aangehaald.\n\n “Is there a changing trend in the persecution of the (alleged) members of the Gülen movement?”, 1 juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.2.\n\n AAB 20223, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n “Turkey; Individuals associated with the Gülen movement; The Finnish Immigration Service’s fact-finding mission to Ankara and Istanbul 2 – 6 October 2023”, juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2025, p. 50.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.4.\n\n Paragraaf C7\u002F34.3 Vc.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van maart 2024, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 321.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024\u002F12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Arrest van 15 januari 2015, A.A. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD001803911, arrest van 15 januari 2015, A.F. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD008008613, arrest van 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804.\n\n Arrest van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248.\n\n AAB 2025, p. 52.\n\n AAB 2025, p. 49.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23344","2026-07-13T00:28:26.894Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":155,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":157,"parsedAt":35,"updatedAt":158},"379","ECLI:NL:RBDHA:2025:24317","ecli-nl-rbdha-2025-24317","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.45166 (beroep) en NL25.45167 (voorlopige voorziening)\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A. de Graaf).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. Eiser heeft op 1 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n1.2.. Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op\n\n30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen T. Ahmad.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001, heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de jezidi bevolkingsgroep. Hij heeft – kort samengevat – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Irak discriminatie heeft ondervonden vanwege zijn jezidi etniciteit en geloofsovertuiging. Zo heeft hij verklaard dat hij gediscrimineerd werd als hij werkt zocht en dat hij zijn producten uit zijn winkel soms niet kon verkopen. Eiser is in 2014 gevlucht uit [plaats] voor IS en heeft sindsdien verbleven in het ontheemdenkamp [kampnaam] in de Koerdische Autonome Regio in Irak (KAR). In [plaats] is eiser twee keer benaderd door groeperingen die hem wilde rekruteren. Eiser stelt dat hij bij terugkeer geen werk kan vinden en dat hij vreest voor ontvoering of rekrutering door de strijdende partijen in de regio. Ten slotte worden er (online) haatuitingen verspreid over de jezidi’s. Eiser heeft op 30 augustus 2022 in Griekenland asiel aangevraagd en op 10 oktober 2022 heeft hij daar een verblijfsvergunning gekregen op de grond van vluchtelingschap omdat hij jezidi is. Op 28 december 2022 is eiser Nederland ingereisd en op 1 januari 2023 heeft hij zijn huidige asielaanvraag ingediend.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\ndiscriminatie vanwege zijn jezidi achtergrond; en\n\npogingen tot rekrutering door de PKKen al-Hashd al Shaabi.\n\n3.1.. Verweerder vindt alle asielmotieven geloofwaardig. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdragof een reëel risico op ernstige schade looptbij terugkeer naar Irak.\n\n3.2.. Zo heeft verweerder ten aanzien van het vluchtelingschap tegengeworpen dat de jezidi’s in Irak niet in zijn algemeenheid worden onderworpen aan groepsvervolging en voor hen op grond van het huidige landenbeleid momenteel geen risicoprofiel geldt. Ook heeft verweerder tegengeworpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de discriminatie die hij heeft ervaren tot dusdanige ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheden heeft geleid dat het onmogelijk was voor hem om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Dat eiser in Griekeland een vluchtelingenstatus heeft gekregen, betekent niet dat hij deze in Nederland ook moet krijgen. Verweerder heeft een eigen beoordeling mogen verrichten.\n\n3.3.. Ook het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak is niet aannemelijk gemaakt nu de humanitaire situatie in het kamp niet zodanig is dat die een 3 EVRMschending oplevert en eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt op ernstige schade. Verder heeft eiser ook zijn vrees voor gedwongen rekrutering niet aannemelijk gemaakt.\n\n3.4.. Het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: artikel 15c Kri) slaagt volgens verweerder niet, nu er conform het beleid op dit moment enkel sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld in de regio’s Diyala, Duhok, Erbil en Ninewa in Irak. Van individuele omstandigheden die maken dat eiser bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld risico loopt als bedoeld artikel 15c Kri is niet gebleken.\n\n3.5.. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Ook heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Irak, met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Als jezidi heeft eiser bij terugkeer, anders dan verweerder stelt, wel een gegronde vrees voor vervolging en loopt hij een reëel risico op ernstige schade. Hij betoogt dat hij vanaf jonge leeftijd structureel is vernederd, gediscrimineerd en sociaal uitgesloten vanwege zijn jezidi-achtergrond. In 2014 is hij persoonlijk getroffen door de IS-aanval in [plaats]. De opeenstapeling van deze ervaringen heeft zijn situatie onhoudbaar gemaakt en leidt ertoe dat zijn huidige vrees mede gebaseerd is op de voortdurende dreiging tegen jezidi’s. Eiser stelt dat hij zijn geloof niet zonder gevaar kan uiten en dat van hem niet mag worden verwacht dat hij zijn geloofsovertuiging bij terugkeer verborgen houdt. Daarnaast beschouwt verweerder het tentenkamp [kampnaam] ten onrechte als een normale woon- of verblijfplaats. Eiser wijst erop dat hij daar noodgedwongen sinds 2014 onder mensonwaardige omstandigheden verbleef, afhankelijk van humanitaire hulp en geconfronteerd met discriminatie, zodat het kamp niet kan gelden als een duurzaam vestigingsalternatief. Terugkeer naar [plaats] is volgens eiser ook niet mogelijk, nu deze regio ernstig verwoest is, het er nog steeds onveilig is door de aanwezigheid van actieve IS-cellen en er geen effectieve bescherming voor jezidi’s beschikbaar is. Verder voert eiser aan dat verweerder recente landeninformatie, UNHCR-richtlijnen en vergelijkbare jurisprudentie, waaruit blijkt dat jezidi’s nog steeds als kwetsbare minderheidsgroep worden beschouwd, ten onrechte onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. Ook gaat verweerder eraan voorbij dat aan eiser in Griekenland al internationale bescherming is toegekend, wat bevestigt dat er sprake is van beschermingsbehoefte. Tot slot heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser zich niet direct na aankomst heeft gemeld, nu eiser hiervoor een verschoonbare reden heeft gegeven.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nMocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging?\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar de Irak geen gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nJezidi’s in het algemeen\n\n7. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gevonden dat het enkel zijn van jezidi geen gegronde vrees voor vervolging oplevert. Hierbij heeft verweerder kunnen wijzen op het gewijzigde beleid naar aanleiding van het meest recente ambtsbericht. Niet is gebleken dat jezidi’s omwille hun geloof of etniciteit het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Bovendien wordt jezidisme officieel erkend in Irak als godsdienst en worden jezidi’s niet actief ervan weerhouden hun geloof te uiten.Daar komt bij dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij specifiek gevaar loopt vanwege het feit dat hij jezidi is.\n\nDiscriminatie als daad van vervolging\n\n8. De discriminatie waar eiser als jezidi slachtoffer van is geweest in Irak wordt door verweerder erkend. Verweerder verwijst in dit kader naar de weigering van sommige personen om producten van eiser te kopen, verbale beledigingen, het langdurig ophouden bij controleposten, belemmeringen bij het vinden van werk en het meer moeten betalen en langer moeten wachten voor zorg en het verkrijgen van officiële documenten. Desalniettemin heeft verweerder tegen kunnen werpen dat hieruit niet blijkt dat eiser dusdanig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat de discriminatie als vervolging moet worden aangemerkt. Eiser heeft immers onderwijs kunnen volgen, zijn werk in de bouw en landbouw kunnen uitoefenen en uiting kunnen geven aan zijn geloof. Ook had eiser bewegingsvrijheid om naar andere plaatsen te gaan, heeft hij identificerende documenten van de Iraakse autoriteiten kunnen krijgenen heeft hij toegang gehad tot medische zorg. Hoewel uit de door eiser ingebrachte informatie in zijn algemeenheid blijkt van moeilijkheden voor de jezidi-bevolking in Irak, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk zulke zwaarwegende problemen heeft ondervonden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren wegens zijn etniciteit en geloof.\n\nNormale woon- of verblijfplaats\n\n9. Voor zover eiser aanvoert dat het ontheemdenkamp [kampnaam] niet als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdelingheeft bij uitspraak van 18 september 2012geoordeeld dat bij de beoordeling of in het land dan wel in voorkomend geval het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw, zich voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- of verblijfplaats had. Verder volgt uit die uitspraak dat bij beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling aldaar heeft verbleven. De omstandigheid dat de vreemdeling gevlucht is naar de plaats is niet van doorslaggevende betekenis.\n\n9.1.. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat de KAR kan worden aangemerkt als de normale woon- en verblijfplaats van eiser. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser de acht jaren voorafgaand aan zijn vertrek in de KAR heeft verbleven. Tijdens het achtjarige verblijf van eiser in het vluchtelingenkamp [kampnaam] in de KAR heeft hij op school gezeten, heeft hij zijn geloof kunnen uiten en was hij werkzaam in de landbouw en in de bouw. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het langdurige verblijf van eiser in de KAR voldoende blijk geeft van een band met deze plaats. Verder heeft verweerder zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat noch uit de jurisprudentie van de Afdeling, noch uit andere bronnen, zoals een door verweerder genoemde rapportagevan EUAA, volgt dat humanitaire omstandigheden een relevant criterium zijn bij het bepalen van de normale woon- of verblijfplaats. De beoordeling van de humanitaire omstandigheden staat los van de vraag waar de vreemdeling heeft gewoond en verbleven. Anders dan eiser meent, heeft verweerder de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp in de KAR dan ook niet hoeven betrekken bij de beantwoording van de vraag wat de normale woon- en verblijfplaats van eiser is.\n\n9.2.. Nu de KAR terecht is aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats van eiser behoeven de beroepsgronden die zien op de situatie in de regio Ninewa, waarin de plaats [plaats] ligt, geen bespreking.\n\nHaatberichten\n\n10. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder de ernst van haatuitingen en hoe deze het maatschappelijk isolement vergroten heeft miskend, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit zou blijken dat hij bij terugkeer persoonlijk te vrezen heeft vanwege de haatuitingen. Daar heeft verweerder bij mogen betrekken dat uit het algemeen ambtsbericht niet blijkt dat deze haatberichten in Irak daadwerkelijk hebben geleid tot geweld tegen jezidi’s. De rechtbank begrijp dat eiser, gezien ook zijn geschiedenis, bezorgd is over de mogelijke gevolgen van de haatuitingen, maar dit maakt niet dat verweerder op basis daarvan moest aannemen dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging.\n\nVluchtelingenstatus in Griekenland\n\n11. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het feit dat aan eiser in Griekenland vluchtelingenstatus is verleend, overweegt de rechtbank als volgt. Het feit dat eiser eerder in Griekenland beschermingsstatus heeft gekregen, betekent niet zonder meer dat verweerder gehouden is deze beoordeling over te nemen of zonder nadere inhoudelijke toetsing aan te nemen dat eiser nog steeds bescherming behoeft. Nederland kan en mag een eigen inhoudelijke beoordeling verrichten van de asielaanvraag naar de actuele individuele beschermingsbehoefte van de aanvrager. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit in het geval van eiser voldoende zorgvuldig en gemotiveerd gedaan.\n\nMocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade?\n\n12. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\nHumanitaire omstandigheden in kamp [kampnaam]\n\n13. Voor zover eiser aanvoert dat de omstandigheden in het tentenkamp waar hij verbleef kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. In het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 ziet de rechtbank een zorgelijk beeld naar voren komen over de humanitaire situatie in de kampen. Zo staat in dat ambtsbericht onder meer dat de kampen overbevolkt zijn, mensen verblijven in onderkomens die niet geschikt zijn voor langdurig verblijf en onvoldoende bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en brand, veel ontheemden moeite hadden om toegang te krijgen tot werk en dat met name in de kampen in Duhok veel mensen afhankelijk waren van humanitaire hulp.Tegelijkertijd staat in het algemeen ambtsbericht ook dat er – weliswaar beperkt – onderwijs, gezondheidszorg en basisvoorzieningen zijn, en dat ontheemden in de kampen in Duhok zich relatief vrij konden bewegen en daardoor toegang hadden tot diensten (voor zover beschikbaar) buiten de kampen. Verder volgt uit de verklaringen van eiser zelf dat hij heeft kunnen werken, onderwijs heeft kunnen volgen, toegang had tot medische zorg, reisdocumenten heeft kunnen aanvragen en vrij heeft kunnen reizen. Gelet daarop is de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp voor eiser niet zodanig dat verblijf daar een schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser, gelet op wat hij heeft meegemaakt en gelet op de situatie in het kamp, liever niet terugkeert naar Irak, is gelet op wat hiervoor is besproken geen sprake van een ‘minimum level of severity’. Van strijd met artikel 3 van het EVRM is daarom evenmin sprake.\n\nGedwongen rekrutering\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor gedwongen rekrutering door PKK of de al-Hashd al Shaabi niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat uit algemene landeninformatie niet blijkt van gedwongen rekrutering van volwassenen door het Iraakse leger of milities. Ook heeft verweerder in dat kader mogen wijzen op eisers eigen verklaringen waaruit blijkt dat de verzoeken tot aansluiting vrijblijvend waren en hij geen problemen heeft ondervonden nadat hij de twee eerdere verzoeken had geweigerd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de groepen alleen actief zijn in [plaats] en dat hij tijdens zijn verblijf in de KAR niet door hen benaderd is.\n\nArtikel 15 van de Kwalificatierichtlijn\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 15c Kri. Verweerder heeft in die conclusie mogen verwijzen naar het landgebonden beleid voor Irak waaruit blijkt dat in de regio’s [plaats] en Duhok in de KAR, waarin het kamp [kampnaam] ligt, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dat niet voldoet aan ‘the most extreme case of general violence’ zoals vereist in de meest uitzonderlijke situatie onder artikel 15c Kri. Met de bronnen die eiser in deze procedure heeft ingebracht is dat beeld niet weerlegd. Niet gebleken is van een verandering in de algehele situatie in [plaats] of de KAR die maakt dat nu van de meest uitzonderlijke artikel 15c Kri-situatie moet worden uitgegaan.\n\n15.1.. Ook heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat hij een verhoogd risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri. De door eiser genoemde omstandigheden, zoals zijn jezidische etniciteit en de discriminatie die hij daardoor heeft ervaren, zien namelijk op risicoverhogende factoren voor individueel gericht geweld en niet op een hoger risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Ook van andere individuele omstandigheden die dit risico op ernstige schade in de zin van artikel 15c Kri voor eiser verhogen is de rechtbank niet gebleken. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij niet meer risico loopt op willekeurig geweld dan anderen in zijn woonomgeving.\n\nMocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen als kennelijk ongegrond?\n\n16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrondnu eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser is op 28 december 2022 Nederland ingereisd en heeft op 1 januari 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Dat eiser aanvoert dat hij bij familieleden heeft verbleven omdat hij moe was en hij niet wist dat hij zich in Ter Apel moest aanmelden, heeft verweerder niet als verschoonbare reden hoeven aanmerken. Van iemand die om internationale bescherming verzoekt, mag in beginsel worden verwacht dat hij zijn asielwens onmiddellijk na aankomst in Nederland kenbaar maakt. Dat iemand moe is maakt niet dat hij zich niet zou kunnen melden. Daarnaast heeft verweerder mogen betrekken dat eiser via Schiphol is ingereisd en hij daar zijn asielverzoek kenbaar had kunnen maken. Bovendien heeft eiser zelf verklaard dat hij vanaf het moment van zijn vertrek uit Irak wist dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen.\n\n17. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser, onweersproken, gesteld dat haar vergelijkbare gevallen bekend zijn waarin het te laat indienen van de aanvraag niet door verweerder werd tegengeworpen. In die gevallen hadden betrokkenen ook eerst in Griekenland de vluchtelingenstatus verkregen en daarna in Nederland asiel aangevraagd. Zij hadden, wegens vermoeidheid, niet binnen twee dagen na aankomst hun asielaanvraag ingediend. In deze stelling ziet de rechtbank echter onvoldoende aanleiding af te wijken van het hiervoor overwogene.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.\n\n19. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen\n\nvan een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n20. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.\n\nDeze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Partiya Karkeren Kurdistan.\n\n Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.\n\n Zie het EUAA rapport Country Guidance: Iraq van november 2024.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor van 6 juli 2023, p. 10, en verslag van het nader gehoor van 7 februari 2025, p.15-16.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor, p. 5-8, 11, en verslag van het nader gehoor, p. 11.\n\n Verslag van het nader gehoor, p. 14.\n\n Idem, p. 16.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2012:357.\n\n EASO Practical Guide: Qualification for International Protection, April 2018, p. 12.\n\n European Union Agency for Asylum.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8940, rechtsoverweging 2.1.1.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524, r.o. 68-69.\n\n Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023, p. 92-93.\n\n Idem, p. 92-93.\n\n Idem, p. 36.\n\n Verslag van het nader gehoor, p. 19-20.\n\n Idem, p. 20.\n\n Verslag van het nader gehoor van 7 februari 2025, p. 17.\n\n Op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3891, r.o. 5.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor, p, 16.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24317","2025-12-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.850Z",20]