[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-asylum-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":57,"limit":58},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},43,"asylum-nl","Asylum","NL","2026-07-08T16:53:39.819Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-11-06T00:00:00.000Z","2025-11-27T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,49],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"384","ECLI:NL:RBDHA:2025:22742","ecli-nl-rbdha-2025-22742","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\n zaaknummers: NL25.47417 en NL25.47421uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [eiser], V-nummer: [v-nummer 1] , eiser,[eiseres], V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres,\n\ntezamen aangeduid als eisers,\n\n(gemachtigde: mr. B. Manawi),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: C.A. van Es).\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft op 30 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres heeft op 6 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 24 september 2025 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als niet-ontvankelijk.\n\n1.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, T. Yilihamu als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1996. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 2002. Eisers hebben de Chinese nationaliteit en zij behoren tot de Oeigoeren. Eisers zijn op religieuze wijze met elkaar getrouwd. Eiser is uit China vertrokken om in vrijheid te kunnen studeren. Eiseres is uit China vertrokken, omdat haar familie zich niet veilig voelde in China. Eiser heeft van 2014 tot 2025 rechtmatig in Turkije verbleven. Eiseres heeft van april 2016 tot 2025 rechtmatig in Turkije verbleven. Eisers stellen dat zij zijn weg gegaan uit Turkije, omdat hun verblijfsvergunning is ingetrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Verweerder vindt dat Turkije voor eisers als veilig derde land kan worden beschouwd. Eisers hebben allereerst een band met Turkije. Ook is het volgens verweerder aannemelijk dat eisers opnieuw tot Turkije zullen worden toegelaten. Bovendien is niet gebleken dat Turkije voor eisers niet veilig is. Gelet hierop, heeft verweerder de aanvraag van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Ook dienen eisers onmiddellijk te vertrekken naar Turkije en is er een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.\n\nWat vinden eisers in beroep?\n\n4. Allereerst heeft verweerder ten onrechte de verkeerde toetsingsvolgorde gehanteerd. Verweerder had volgens Afdelingsjurisprudentieeerst moeten nagaan of Turkije in algemene zin veilig is, waarna kan worden onderzocht of de vreemdeling een zodanige band heeft dat het voor hem kan worden aangemerkt als veilig derde land. Uit Afdelingsjurisprudentie volgt dat verweerder zelf actief en aan de hand van actuele, objectieve en verifieerbare informatiebronnen moet onderzoeken of een land aan de in artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit genoemde beginselen voldoet, voordat het kan worden aangemerkt als veilig derde land. Door enkel passages te herhalen uit ambtsberichten voor 2021 heeft verweerder dit onvoldoende gedaan. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eisers een band hebben met Turkije. Ook betekent eerder verblijf in Turkije niet dat eisers daardoor ook daadwerkelijk bescherming kunnen krijgen. Verder heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat de toelating tot Turkije aannemelijk is. Verweerder heeft in strijd met Afdelingsjurisprudentie geen concreet onderzoek verricht naar de toelatingspraktijk van Turkije. Bovendien hebben eisers verklaard dat hun gegevens niet langer zichtbaar zijn in het Turkse digitale registratiesysteem en dat Oeigoeren zonder vergunning worden gedetineerd en uitgezet. Daarnaast heeft verweerder miskent dat de situatie van Oeigoeren in Turkije sinds 2017 is verslechterd, zoals blijkt uit de overgelegde brief van VluchtelingenWerk (VWN) Nederland. Tot slot zijn het terugkeerbesluit en het inreisverbod onzorgvuldig en disproportioneel, nu de asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n4.1.. Ten aanzien van eiseres wordt nog het volgende aangevoerd. Verweerders redenering dat er meer documenten overgelegd hadden moeten worden is onzorgvuldig zonder te specificeren welke stukken er ontbreken of waarom de overlegde documenten onvoldoende zijn. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiseres zelf informatie kan opvragen bij de Turkse autoriteiten, nu zij heeft aangevoerd dat zij niet langer toegang heeft tot het systeem.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nToetsingskader\n\n6. Verweerder kan op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. Met het IB 2024\u002F26 staat vast dat verweerder Turkije in zijn algemeenheid niet als een veilig derde land aanmerkt. In geschil is of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat Turkije voor eisers wel als veilig derde land aan te merken is.\n\n6.1.. Verweerder kan in een concreet geval beoordelen of een land voor de specifieke vreemdeling een veilig derde land is. Aan die tegenwerping moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen. Verweerder moet bepaalde informatiebronnen over de algemene situatie in een bepaald land bij zijn oordeel betrekken, en het door hem verrichte onderzoek en de daarop gebaseerde beoordeling ook inzichtelijk maken. Uit dit onderzoek moet blijken dat een vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zal worden behandeld. Als verweerder aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk heeft gemotiveerd dat een vreemdeling in het derde land volgens de hiervoor bedoelde beginselen wordt behandeld, kan hij dit alleen tegenwerpen als die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan.Bovendien kan verweerder alleen tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land.\n\n6.2.. Verweerder moet aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van die vreemdeling, redenen aandragen waarom toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan die vreemdeling om met tegenbewijs te komen door voldoende twijfel te zaaien dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn of haar geval niet aanwezig zijn.Daarnaast is het aan de vreemdeling om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten tot het veilige derde land, tenzij niet van hem of haar kan worden verlangd dat hij of zij opnieuw probeert toegang tot en verblijf in dat land te krijgen.\n\n6.3.. Een inhoudelijke beoordeling van de situatie in een bepaald land is overbodig indien niet kan worden geoordeeld dat de band van een vreemdeling met dat land zodanig is dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan of aannemelijk is dat die vreemdeling niet wordt toegelaten tot dat land. Verweerder dient die vragen te beantwoorden voordat wordt toegekomen aan de vraag of die vreemdeling in dat land wordt behandeld overeenkomstig de vereisten waaraan een veilig derde land moet voldoen.\n\nMocht verweerder Turkije als veilig derde land aanmerken voor eisers?\n\n7. Allereerst volgt de rechtbank het standpunt van eisers niet dat verweerder ten onrechte een verkeerde toetsingsvolgorde heeft gehanteerd. Volgens eisers blijkt uit Afdelingsjurisprudentiedat verweerder eerst had moeten nagaan of Turkije in algemene zin veilig is, waarna kan worden onderzocht of de vreemdeling een zodanige band heeft dat het voor hem kan worden aangemerkt als veilig derde land. Gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen, is dit standpunt van eisers niet juist. 7.1. Verweerder mocht zich verder op het standpunt stellen dat de verblijfsvergunning van eisers niet is ingetrokken. Door eisers is namelijk niet aangetoond dat zij geen verblijfsrecht meer zouden hebben, terwijl zij wel in de gelegenheid zijn gesteld om dit te onderbouwen. Verweerder heeft daarbij mogen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eisers enige inspanning hebben verricht om alsnog aan documenten te komen. Eisers hebben aangevoerd dat het moeilijk voor hen was om aan documenten te komen, omdat zij in bewaring zitten en omdat eiseres laaggeletterd is. Verweerder heeft mogen vinden dat van eisers mag worden verwacht dat zij meer documenten hadden overgelegd om hun verblijfsrecht in Turkije aan te tonen, ook al zitten eisers in bewaring en is eiseres laaggeletterd. Eisers hadden namelijk hulp kunnen inschakelen van hun familie dan wel hun gemachtigde. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit van eiseres uiteengezet welke documenten er van eiseres verwacht konden wordenen tijdens het gehoor is haar uitgelegd wat het belang hiervan is.Het standpunt van eiseres dat de motivering van verweerder onzorgvuldig is zonder te specificeren wat er van haar mag worden verwacht, volgt de rechtbank dan ook niet. Daarnaast is niet gebleken dat eisers te vrezen hebben voor de Turkse autoriteiten. Zij hebben ook niet aangevoerd dat zij problemen hebben met de Turkse autoriteiten. Eisers hadden zich dus ook tot de Turkse autoriteiten kunnen wenden om informatie te verkrijgen over hun verblijfsstatus.\n\nBand met Turkije7.2.. Gelet op Afdelingsjurisprudentiekan een band worden aangenomen wanneer een vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond. Niet in geschil is dat eisers geruime tijd in Turkije hebben verbleven. Eiser heeft namelijk van 2014 tot 2025 in Turkije verbleven en eiseres van april 2016 tot 2025. Niet is gebleken dat eisers gedurende hun verblijf in Turkije niet mee hebben kunnen draaien in de Turkse maatschappij. Zo spreekt eiser Turks en heeft hij ook gestudeerd. Eisers hebben de mogelijkheid gehad om deel te nemen aan de Turkse samenleving en zij hebben toegang gehad tot voorzieningen. Het standpunt van eisers dat eerder verblijf in Turkije niet betekent dat eisers daardoor ook daadwerkelijk bescherming kunnen krijgen, volgt de rechtbank niet. Voor het vaststellen van een zodanige band dat het voor een vreemdeling redelijk zou zijn om naar dat land te gaan, is niet van belang of die vreemdeling ook daadwerkelijk bescherming kan krijgen.\n\n7.3.. Het standpunt van eisers dat verblijf van familie in het derde land geen reden is om een band met dat land aan te nemen, volgt de eveneens rechtbank niet. Gelet op Afdelingsjurisprudentiekan verblijf van familie in het derde land juist bijdragen aan het vaststellen van de band met dat land. Verweerder heeft dit dus mogen betrekken in zijn beoordeling.\n\n7.4.. \n\nGelet op het voorgaande, is de rechtbank daarom van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat voor eisers sprake is van een zodanige band met Turkije dat het voor hen redelijk zou zijn om naar Turkije te gaan.\n\nToelating tot Turkije\n\n8. Verweerder heeft mogen vinden dat het aannemelijk is dat eisers worden toegelaten tot Turkije. Gelet op hetgeen overwogen onder 7.1., mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat de verblijfsvergunningen van eisers niet zijn ingetrokken en dat zij dus nog geldig verblijfsrecht hebben. Verweerder heeft dit dus mogen betrekken bij de beoordeling of eisers worden toegelaten tot Turkije. Verweerder heeft daarnaast mogen betrekken dat eisers een Chinees paspoort hebben en dat eisers hebben verklaard dat familie al eerder toegelaten is tot Turkije. Gelet op Afdelingsjurisprudentie, heeft verweerder zich ook op het standpunt mogen stellen dat eisers al eerder zijn toegelaten tot Turkije en dat het mede daardoor aannemelijk is dat eisers opnieuw zullen worden toegelaten tot Turkije. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2. hoeft verweerder alleen aannemelijk te maken dat eisers in beginsel worden toegelaten tot Turkije en dat heeft hij gedaan. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat zij niet worden toegelaten en daar zijn zij niet in geslaagd. Daarnaast is niet gebleken dat er door eisers inspanningen zijn verricht om alsnog te worden toegelaten tot Turkije, hetgeen wel van eisers mag worden verwacht.\n\n8.1.. Verder heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eisers nog steeds in de digitale systemen van Turkije kunnen. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dan wel onderbouwd dat zij niet meer kunnen inloggen in deze digitale systemen. Gelet op hetgeen onder 7.1. overwogen, heeft verweerder in zijn beoordeling over toelating tot Turkije niet ten onrechte niet meegenomen dat de verblijfsstatus van eiser is ingetrokken en dat zijn gegevens zouden zijn verdwenen.\n\n8.2.. Het standpunt van eisers dat verweerder zich niet had mogen beroepen op informatie afkomstig van Turkse overheidssites, omdat deze bronnen niet onafhankelijk zijn, volgt de rechtbank niet. De Turkse overheidssites geven namelijk informatie over de toelating tot Turkije. Verweerder heeft dit daarom mogen betrekken bij zijn beoordeling. Verder hebben eisers aangevoerd dat uit een bron uit het Ambtsbericht blijkt dat de Turkse overheid zich niet welwillend zouden opstellen om Oeigoeren weer toe te laten.De rechtbank is het met verweerder eens dat uit één bron niet kan worden geconcludeerd dat eisers niet zullen worden toegelaten tot Turkije.\n\n8.3.. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat eisers in beginsel tot het grondgebied van Turkije zullen worden toegelaten en dat eisers niet hebben aangetoond dat dit niet het geval is.\n\nIs Turkije voor eisers een veilig derde land?\n\n9. Uit hetgeen eisers in beroep naar voren hebben gebracht over Turkije en de situatie van Oeigoeren kan niet worden afgeleid dat eisers in Turkije niet zullen worden behandeld overeenkomstig de beginselen genoemd in artikel 3.106a van het Vb 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn besluitvorming, onder verwijzing naar landeninformatie van Turkije, voldoende gemotiveerd dat ten aanzien van Turkije aan deze voorwaarden wordt voldaan. Verweerder heeft daarbij gebruik gemaakt van actuele informatie, waaronder het meest recente ambtsbericht van Turkije van 2025. Eisers standpunt dat dit ambtsbericht onvoldoende inzichtelijk is, omdat er gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke bronnen, volgt de rechtbank niet. De Afdeling heeft namelijk eerder overwogen dat een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming in asielzaken van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.Voor zover mogelijk en wanneer het verantwoord is dienen de bronnen uit het ambtsbericht dus openbaar te zijn. Hieruit volgt echter niet dat verweerder niet van de informatie van het ambtsbericht uit mag gaan, wanneer in het ambtsbericht onder andere gebruik is gemaakt van vertrouwelijke bronnen. Bovendien hebben eisers met de enkele stelling dat het ambtsbericht niet inzichtelijk is door verwijzing naar vertrouwelijke bronnen, onvoldoende aangetoond dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht Turkije waarnaar verweerder heeft verwezen.\n\n9.1.. Daarnaast is het non-refoulement beginsel ten aanzien van eisers in de periode dat zij in Turkije woonden gerespecteerd door de Turkse autoriteiten en hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat dit nu anders zal zijn. Hoewel eisers erop wijzen dat in de afgelopen jaren in Turkije wel incidenten zijn geweest met Oeigoeren die zijn uitgezet, acht de rechtbank dit onvoldoende om de algemene situatie als onveilig te beoordelen, gelet op het aantal personen waarop die incidenten zagen in verhouding tot het grote aantal Oeigoeren dat in Turkije verblijft. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers geen argumenten hebben aangedragen waarom Turkije specifiek voor hen niet veilig is. Zo heeft eiser verklaard dat hij in Turkije nooit door de Chinese autoriteiten is benaderden heeft eiseres verklaard dat zij in Turkije nooit problemen heeft gehad met de Chinese autoriteiten.De informatie uit de brief van VWN maakt het voorgaande niet anders, nu de door eiser aangevoerde passages uit deze brief enkel van één persoon komen. Ten aanzien van het uitleveringsverdrag tussen China en Turkije overweegt de rechtbank tot slot dat Turkije dit verdrag tot op heden niet heeft geratificeerd. Er zijn daarnaast geen indicaties dat het in de toekomst geratificeerd gaat worden en dit is eveneens niet door eisers in beroep aangevoerd.\n\n10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvragen op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daarom ook op goede gronden een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 6 mei 2024, (ECLI:NL:RVS:2024:1879).\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:122.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling, van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3378, ECLI:NL:RVS:2017:3379, ECLI:NL:RVS:2017:3380 en ECLI:NL:RVS:2017:3381 en de uitspraak van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480.\n\n Uitspraak van de Afdeling, van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1879.\n\n Voornemen eiseres, 18 september 2025, pagina 2.\n\n Gehoorverslag nader gehoor, pagina 6.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379, r.o. 6.1.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379, r.o. 6.1.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4358, r.o. 3.2.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 101.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025.\n\n Zie uitspraak van de Afdeling, van 1 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3795, r.o. 2.1.\n\n Gehoorverslag nader gehoor eiser, pagina 12.\n\n Gehoorverslag nader gehoor eiseres, pagina 15.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22742","2025-12-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:27.079Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"380","ECLI:NL:RBDHA:2025:23344","ecli-nl-rbdha-2025-23344","2025-11-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.35417\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Deniz).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser komt uit Turkije. Hij is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Per 1 december 2023 is het Nederlandse beleid voor asielaanvragen van Gülen-aanhangers strenger geworden. Per 1 juli 2024 is het beleid voor groepen zoals Gülen-aanhangers, nog strenger geworden. De asielaanvraag van eiser is ruim voor beide beleidswijzigingen ingediend. De rechtbank oordeelt dat beide wijzigingen in het beleid niet onredelijk zijn. Ook mocht verweerder bij de beslissing op de asielaanvraag uitgaan van het nieuwe beleid. Op grond van de informatie over Turkije en de individuele situatie van eiser mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten.\n\n1.2.. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 is het verloop van deze procedure weergegeven. Vanaf 3 zijn de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en het bestreden besluit zelf beschreven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 13 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vwingediend. Hij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 2005. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 de aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting op 29 oktober 2024. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. A.T.M. Vroom-van Berckel deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nDaarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.3.. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van twee andere Turkse vreemdelingen tegen de beslissing op hun asielaanvragen.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.\n\n3.1.. Eisers vader was betrokken bij de Gülen-beweging. Zijn vader werd na de couppoging in 2016 ontslagen. Eiser zelf heeft op scholen gezeten die gelieerd waren aan de Gülen-beweging. Eisers school werd in 2016 gesloten. Eiser is toen naar meerdere staatsscholen gegaan. Daar werd hij gediscrimineerd door de docenten en de leerlingen. Eisers psychische toestand is daardoor verslechterd. Hij raakte sociaal geïsoleerd. Familieleden namen afstand van eiser en zijn gezin vanwege het risico te worden beschuldigd van terrorisme als zij met eiser en zijn vader in verband zouden worden gebracht. Zijn vader is strafrechtelijk vervolgd door de Turkse autoriteiten. Hij heeft enige tijd in de gevangenis gezeten. Hij is vrijgesproken van de aanklachten en dat is in december 2023 in cassatie bevestigd.\n\n3.2.. Na de couppoging en de gevangenneming van zijn vader is eiser actiever geworden voor de Gülen-beweging. Hij is doorgegaan met deelname aan bijeenkomsten (sobhets). Ook is hij omgegaan met jongens van wie de vaders ook gevangen waren gezet. Hij heeft verder geld doen toekomen aan zijn vader toen die in detentie zat in 2017.\n\n3.3.. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije zal worden opgepakt omdat hij met de Gülen-beweging in verband kan worden gebracht. Ook is eiser in Nederland actief betrokken bij de Gülen-beweging en gaat hij naar bijeenkomsten. Eiser vreest dat de Turkse inlichtingendienst in Nederland actief is en daarom weet wie hij is.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n4.1.. Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Hij acht echter eisers vrees om opgepakt te worden of gediscrimineerd te worden niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser als Gülen-aanhanger valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc.Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat volgens verweerder niet in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten.4.3.. Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.\n\nGeschilpunten partijen\n\n5. Eiser heeft in beroep geageerd tegen twee wijzigingen in het beleid van verweerder ten aanzien van Turkije ten nadele van hem. Het betreft een wijziging per 1 december 2023 en één per 1 juli 2024. Volgens eiser zijn beide wijzigingen in strijd met het recht. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder niet tijdig heeft besloten op zijn aanvraag. Als verweerder dat wel had gedaan, waren beide beleidswijzigingen niet van toepassing geweest en had eiser internationale bescherming gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij, ook als rekening wordt gehouden met de beide beleidswijzigingen, recht heeft op internationale bescherming.\n\n5.1.. Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissing.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten van partijen. Eerst zal de rechtbank toetsen of de twee beleidswijzigingen niet onredelijk zijn. Daarna zal de rechtbank oordelen over het standpunt dat eiser internationale bescherming moet krijgen omdat verweerder eerder had moeten beslissen op zijn aanvraag. Tenslotte zal worden ingegaan op de vraag of eiser op grond van zijn individuele omstandigheden een asielvergunning had moeten krijgen.\n\n6.1.. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.\n\nIs de strengere toets voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 december 2023\n\n7. De groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije werd als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdelingen het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe de volgende passage opgenomen:\n\n“Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.”\n\nDe passage leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen.\n\n7.1.. Het hiervoor geciteerde beleid is per 1 december 2023 vervallen.Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 (hierna: AAB 2023) blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülen-beweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.\n\nIs de wijziging niet onredelijk?\n\n8. Volgens eiser is de wijziging van het beleid per 1 december 2023 onterecht omdat deze in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag deze wijziging niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder bestrijdt dit.\n\n8.1.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daartoe het volgende.\n\n8.2.. Eiser heeft gesteld dat niet van de informatie in het AAB 2023 mag worden uitgegaan. Volgens eiser is het AAB 2023 beïnvloed door de onjuiste wijze van verkrijging daarvan, gezien de vraagstelling in de zogenoemde ‘Terms of Reference’ van 28 april 2023. Dit heeft eiser echter onvoldoende onderbouwd. Er is gevraagd om algemene en concrete informatie. De concreet gevraagde informatie betreft ook Gülenisten en rechtsbescherming van hen en anderen. Dit acht de rechtbank voldoende. De informatie in het AAB 2023 kan dus worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in Turkije per 1 december 2023.\n\n8.3.. Het AAB 2023 bevat weinig concrete informatie en er zijn meerdere voorbehouden in gemaakt. Zo staat er dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van (vermeende) Gülenisten in Turkije, dat de informatie over hun situatie schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard was, dat het onduidelijk was hoeveel arrestanten er in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd, als ook dat de bronnen de gestelde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet nader konden onderbouwen met concrete gegevens. De informatie die echter wél concreet in het AAB 2023 staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de per 1 december 2023 gewijzigde tekst van het beleid en daarop gegeven toelichting te dragen. Volgens de landeninformatie komt vervolging van Gülenisten nog steeds op grote schaal voor. Het AAB 2023 vermeldt daarover dat gedurende de voorgaande twee verslagperiodes met regelmaat arrestaties op grotere of kleine schaal plaatsvonden van Gülenisten en dat deze situatie hetzelfde is gebleven. Uit de landeninformatie kan evenwel niet worden afgeleid dat de situatie voor Gülenisten dusdanig is dat – ook bij het ontbreken van geringe indicaties – vrij snel een risico op vervolging moet worden aangenomen. Dit zou in feite neerkomen op het aannemen van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet in het AAB 2023, maar ook in de door eiser ingebrachte informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Daarbij is van belang dat er in Turkije volgens het AAB 2023 meer rechterlijke bescherming voor Gülen-aanhangers is dan voorheen. De verschillende criteria die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock-app, gelden volgens het AAB 2023 nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Gewezen wordt op diverse uitspraken van het Turkse Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie.\n\n8.4.. De door eiser ingebrachte landeninformatie wijkt in essentie niet af van de informatie in het AAB 2023. Eiser beroept zich op een stuk van J. Vande Lanotte.Daarin staat dat de vermindering in het aantal gerechtelijke acties en detenties deels te verklaren valt door de omstandigheid dat veel mensen zijn veroordeeld of zijn gevlucht. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Volgens Vande Lanotte zijn de kansen op vervolging niet afgenomen en gaat het nog steeds om 3000 à 4000 zaken per jaar. Dit laatste aantal acht de rechtbank, gezien de in het AAB 2023 vermelde cijfers, laag. Het bevestigt dan ook dat de intensiteit van de vervolging is afgenomen, zoals het AAB 2023 vermeldt, en niet dat de kansen op vervolging niet zijn afgenomen, zoals Vande Lanotte schrijft en eiser stelt. Volgens de Finse informatie over Turkijewaarop eiser zich beroept, is nog steeds sprake van dezelfde vervolgingscriteria die eerder golden. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Verder staat in de Finse informatie dat Turkse rechters geen uitvoering geven aan uitspraken van hogere rechters, er nog steeds sprake is van extreme willekeur voor vervolging en worden personen voor een tweede keer vervolgd, ondanks eerdere vrijspraak. Deze informatie stemt ook overeen met het AAB 2023. Daarin staat namelijk dat gezien de omvang van de Gülen-beweging in het verleden niet altijd duidelijk was hoe de Turkse autoriteiten beslisten welke Gülen-aanhangers dienden te worden opgepakt, dat het beantwoorden van de vraag welke Gülenisten het meeste risico liepen werd bemoeilijkt door meerdere omstandigheden en dat mensen, ondanks de ontwikkelingen in de rechtsgang, nog steeds relatief makkelijk konden worden verdacht van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging.Dit alles wijst erop dat Gülenisten nog steeds het doelwit zijn van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten als ook dat onduidelijk is op welke gronden zij dat zijn. Het doet echter niet af aan de in de vorige paragraaf vermelde verbeterde rechtsbescherming door hogere rechterlijke instanties. Het leidt er ook niet toe dat sprake is van groepsvervolging van Gülenisten.\n\n8.5.. Na de zitting is het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AAB 2025) gepubliceerd. Partijen hebben hier inhoudelijk op gereageerd. Het beeld in het AAB 2025 is voor wat betreft Gülenisten niet relevant gewijzigd ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Zo staat in het AAB 2025 dat de situatie omschreven in AAB 2023 voortduurt. De aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van Gülenisten waren relatief laag in vergelijking met de situatie vóór 2020. Volgens Turkse overheidsgegevens over juli 2024 zette de dalende trend in aantallen arrestaties en detenties door: van 19.252 in juli 2022 naar 13.251 in juli 2024. Ook het aantal opgepakte Gülenisten nam af: van 22.458 in 2021 naar 9.639 in 2023. Anderzijds blijkt uit het AAB 2025 dat de vervolging van Gülenisten doorging. Mensen konden nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Bronnen omschrijven de vervolging als extreem willekeurig en onvoorspelbaar.De criteria die werden gebruikt voor vervolging, zoals het hebben van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock-app, bleven ook van kracht.Daarbij komt dat sommige lagere rechtbanken, ondanks de aanscherpingen in de rechtspraak van het gebruik van de criteria, de uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden. Er werd aldus niet eenduidig omgegaan met Gülenzaken.Deze onzekerheid doet echter niet af aan de afname van de vervolging van Gülenisten. Er blijkt uit deze informatie niet dat het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvoor zijn de aantallen van vervolgde Gülenisten nu te laag.\n\n8.6.. De rechtbank concludeert dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming diende te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is, mede gezien de Turkse rechtsbescherming, niet zo hoog dat vrees op vervolging gegrond is of een reëel risico op ernstige schade wordt gelopen alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger. Gezien de over Turkije bekende informatie behoeft per 1 december 2023 geen verdergaande bescherming te worden geboden aan mogelijke of werkelijke Gülen-aanhangers dan uit dit beleid volgt.\n\n8.7.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de wijziging van risicogroep\u002Fkwetsbare minderheidsgroep naar risicoprofiel per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 juli 2024\n\n9. Volgens het landenbeleid ten aanzien van Turkije, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit als ook heden, is de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” aangemerkt als een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc. Vóór 1 juli 2024 gold dat sprake was van een risicogroep in de zin van paragraaf C2\u002F3.2.\n\n9.1.. De beleidswijziging geldt ten aanzien van alle gevallen waarvoor verweerder vóór 1 juli 2024 het begrip risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep hanteerde. Volgens de toelichting op de beleidswijzigingkonden binnen het oude groepenbeleid zowel groepen die groot als groepen die een kleiner risico liepen worden aangewezen, terwijl voor beide groepen dezelfde lagere bewijslast gold. Tevens gold de lagere bewijslast voor alle vreemdelingen die behoorden tot de betreffende groep, los van hun positie binnen deze groep, ook al kon het risico blootgesteld te worden aan vervolging\u002Fernstige schade binnen diezelfde groep verschillen. Gewenst was om meer gewicht te geven aan de individuele beoordeling, aldus de toelichting. Naar aanleiding hiervan is paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc ingevoerd.Daarin staat nu dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen, aldus staat in paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc.\n\nIs de wijziging van het beleid per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\n10. Volgens eiser is de vervanging van het begrip ‘risicogroep’ in risicoprofiel in strijd met het recht, in het bijzonder het Europese recht. Eiser doet een beroep op arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mensen een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.Daarnaast voert eiser aan dat de beleidswijziging in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag de wijziging per 1 juli 2024 niet aan eiser worden tegengeworpen.\n\n10.1.. Verweerder heeft dit alles bestreden. Het beleidsmatige voordeel voor vreemdelingen op grond van het beleid voor 1 juli 2024 is volgens verweerder weggenomen. De bewijslastverdeling is echter niet gewijzigd, aldus verweerder.\n\n10.2.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daarbij het volgende.\n\n10.3.. Onder het voorheen geldende beleid voor risicogroepen kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook in dat beleid bleef dus het individualiseringsvereiste van toepassing. Het behoren tot een risicogroep betekende niet zonder meer dat de aanvrager in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook in het huidige beleid leidt het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, niet zonder meer tot verlening van een verblijfsvergunning.\n\n10.4.. De rechtbank begrijpt het huidige beleid zó, dat eerst gekeken wordt of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarna vervolgens de individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. In beide gevallen speelt het individualiseringsvereiste dus een doorslaggevende rol. Wat betreft de stelling van eiser dat de bewijslast met het nieuwe beleid zwaarder is geworden, overweegt de rechtbank dat de op eiser rustende bewijslast niet volgt uit het beleid maar uit het Unierecht. Die bewijslast is niet aangepast met het nieuwe beleid. Wel is het zo dat in het beleid dat ten tijde van de aanvraag van eiser gold, gevergd werd dat geringe indicaties aannemelijk werden gemaakt die de vrees voor vervolging rechtvaardigde. Het beleid vergt thans meer dan geringe indicaties. Dit betekent dat vanuit beleidsmatig oogpunt een zwaardere bewijslast geldt. Maar de vreemdeling moet nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk maken dat - ook al behoort hij tot een door verweerder aangemerkte risicoprofiel - een gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\n10.5.. Het standpunt van eiser dat de beleidswijziging specifiek ten aanzien van Turkije onredelijk is, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser dient meer dan geringe indicaties aan te voeren om aannemelijk te maken dat hij terecht vreest voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De landeninformatie wijst er niet op zich al op dat los van de individuele omstandigheden hieraan wordt voldaan. De landeninformatie over Turkije biedt immers geen aanleiding om te oordelen dat eisers vrees voor vervolging terecht is of dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger (zie 8.3 tot en met 8.5 hiervoor).\n\n10.6.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?\n\n11. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben besloten op zijn aanvraag, beide beleidswijzigingen niet van toepassing zijn geweest en zou hij een positieve beslissing hebben gekregen. Daarom mogen de beide beleidswijzigingen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Verweerder heeft dit bestreden.\n\n11.1.. Eiser gaat ervan uit dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 december 2023. Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de aanvraag door drukte is blijven liggen. Ook het feit dat verweerder laat, en pas na een beleidswijziging, op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.\n\n11.2.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van de twee beleidswijzigingen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser op grond van zijn individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?\n\n12. Eiser stelt dat hij – uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader – gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hij wijst in dat kader op zijn persoonlijke situatie, het feit dat hij onder een risicoprofiel valt en de landeninformatie over Turkije.\n\n12.1.. De rechtbank begrijpt, mede gelet op het ter zitting gestelde, dat verweerder stelt dat er bij terugkeer weliswaar een kans is op vervolging of enig risico bestaat op ernstige schade, maar dat die kans of dat risico niet zo hoog is dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zal worden.\n\n12.2.. De rechtbank volgt verweerder. Niet aannemelijk is dat eiser opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten of de reële kans loopt om opnieuw daarin te komen staan vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De algemene informatie over Turkije en de daaruit blijkende situatie voor Gülenisten is onvoldoende ernstig om aan te nemen dat eiser door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging alleen al in de persoonlijke problemen zal geraken. Ter toelichting dient het volgende.\n\n12.3.. Eiser valt onder een risicoprofiel. Dit betekent dat, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast in beginsel geheel blijft rusten op eiser.\n\n12.4.. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er geen indicaties zijn dat er een onderzoek loopt naar eiser of dat hij wordt gezocht door de Turkse autoriteiten. Dat hij op Gülenscholen heeft gezeten, is onvoldoende. Uit landeninformatie blijkt dat sommigen hierdoor in de problemen zijn geraakt, maar niet dat iedereen wordt vervolgd of een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft hierbij terecht tegengeworpen dat eisers oudere broer, die ook op Gülen-scholen heeft gezeten en wiens naam ook stond vermeld op de tenlastelegging van eisers vader, geen problemen heeft ondervonden met de Turkse overheid. Dat eiser naar eigen zeggen actiever was voor de beweging dan zijn broer, maakt dit niet anders. Niet gebleken is verder dat de Turkse overheid op de hoogte is of moet zijn van eisers actieve deelname aan sobhets.\n\n12.5.. Dat eisers vader strafrechtelijk is vervolgd en enige tijd in de gevangenis heeft gezeten, betekent niet dat eiser gegronde vrees heeft voor of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege de Turkse autoriteiten. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat dit volgens landeninformatiewel geldt voor familieleden van hooggeplaatste Gülenisten, terwijl eisers vader dat niet is. Uit die landeninformatie blijkt ook dat eiser als familielid van een vermeende Gülenist in het maatschappelijk verkeer en de arbeidsmarkt problemen kan ondervinden. Dit stemt overeen met de verklaringen van eiser zelf over zijn sociale problemen. Het is echter onvoldoende om vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Daarbij is relevant dat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, eiser wel toegang had tot onderwijs en zorg.\n\n12.6.. Dat eiser geld heeft overgemaakt aan zijn vader toen hij in detentie zat, is ook niet genoeg. Weliswaar staat in het AAB 2025 dat onder andere burgers die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en\u002Fof hun familieleden hielpen, in de negatieve belangstelling stonden van de Turkse overheid. De Turkse autoriteiten verdachten personen die gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun families ondersteunden van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.Echter, het is al een aantal jaren geleden dat dit is gebeurd en niet gebleken is dat de Turkse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn.\n\n12.6.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een asielvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.N. Parlevliet, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n NL24.35417 (de zoon van eiser) en NL24.32341.\n\n Zie NL24.35416.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.\n\n WBV 2021\u002F16 van 4 augustus 2021.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van 28 november 2023, 2023-2024, 19637, nr. 3177, en Nota Landenbeleid Turkije van 11 augustus 2023, 4839506.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 november 2023, WBV 2023\u002F24, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant 2023, 30427.\n\n Nota van 11 augustus 2023, hiervoor aangehaald.\n\n “Is there a changing trend in the persecution of the (alleged) members of the Gülen movement?”, 1 juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.2.\n\n AAB 20223, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n “Turkey; Individuals associated with the Gülen movement; The Finnish Immigration Service’s fact-finding mission to Ankara and Istanbul 2 – 6 October 2023”, juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2025, p. 50.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.4.\n\n Paragraaf C7\u002F34.3 Vc.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van maart 2024, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 321.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024\u002F12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Arrest van 15 januari 2015, A.A. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD001803911, arrest van 15 januari 2015, A.F. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD008008613, arrest van 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804.\n\n Arrest van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248.\n\n AAB 2025, p. 52.\n\n AAB 2025, p. 49.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23344","2025-12-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.894Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"383","ECLI:NL:RBDHA:2025:23341","ecli-nl-rbdha-2025-23341","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.35416\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Deniz).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser komt uit Turkije. Hij is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. Daardoor heeft hij eerder in Turkije in de gevangenis gezeten, maar hij is vrijgesproken. Hij is daarna naar Nederland gekomen en heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Per 1 december 2023 is het Nederlandse beleid voor asielaanvragen van Gülen-aanhangers strenger geworden. Per 1 juli 2024 is het beleid voor groepen zoals Gülen-aanhangers, nog strenger geworden. De asielaanvraag van eiser is ruim voor beide beleidswijzigingen ingediend. De rechtbank oordeelt dat beide wijzigingen in het beleid niet onredelijk zijn. Ook mocht verweerder bij de beslissing op de asielaanvraag uitgaan van het nieuwe beleid. Op grond van de informatie over Turkije en de individuele situatie van eiser mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen. Eerder is eiser namelijk vrijgesproken in verband met zijn activiteiten voor de Gülen-beweging. Er zijn nu geen aanwijzingen dat hij opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten.\n\n1.2.. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 is het verloop van deze procedure weergegeven. Vanaf 3 zijn de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en het bestreden besluit zelf beschreven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 13 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vwingediend. Hij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 1977. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting op 29 oktober 2024. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. A.T.M. Vroom-van Berckel deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nDaarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.3.. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van twee andere Turkse vreemdelingen tegen de beslissing op hun asielaanvragen.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.\n\n3.1.. Eiser is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. In Turkije heeft hij lesgegeven op een zogenoemde Gülen-school. Hij was ook adjunct-directeur van die school. Daarnaast was hij plaatsvervangend bestuurder bij een onderwijsvakbond die gelieerd was aan de Gülen-beweging. Eiser had een bankrekening bij de bank Aysa en zijn kinderen gingen naar Gülen-scholen.\n\n3.1.. Na de couppoging in Turkije in 2016 hebben hij en zijn kinderen problemen ondervonden. Eiser is door de autoriteiten beschuldigd van betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Hij is in september 2016 ontslagen. In oktober 2016 is hij gearresteerd, waarna hij zes dagen op het politiebureau werd vastgehouden in slechte omstandigheden. Zijn huis is doorzocht. Daarna heeft eiser ongeveer 9 maanden in de gevangenis gezeten. In juli 2017 is hij vrijgelaten in afwachting van zijn proces. De politie is meerdere keren bij eiser thuis aan de deur gekomen. Eiser is ook meerdere keren ondervraagd en hij moest regelmatig naar de rechtbank vanwege de tegen hem ingestelde rechtszaak. Eiser is uiteindelijk vrijgesproken van de aanklachten vanwege gebrek aan bewijs. Het hoger beroep tegen de vrijspraak is afgewezen. Het beroep in cassatie is in december 2023 ook afgewezen.\n\n3.2.. Eiser had een uitreisverbod tot de opheffing daarvan op 11 november 2022. Hij heeft vervolgens op 29 november 2022 een paspoort verkregen dankzij het feit dat zijn echtgenote een staatsambtenaar is. Op 13 januari 2023 is hij samen met één van zijn zonen naar Nederland gevlucht. Eisers echtgenote is in Turkije achtergebleven.\n\n3.3.. Eiser vreest opnieuw te worden vervolgd. Volgens hem zijn na de vrijspraak aan zijn dossier stukken toegevoegd die tot een nieuwe strafzaak tegen hem kunnen leiden. Ook is de politie, toen hij al in Nederland was, bij zijn huis in Turkije langs geweest.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging en de rechtszaken die tegen hem hebben gelopen.\n\n4.1.. Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Hij acht echter eisers vrees om opnieuw problemen te krijgen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser als Gülen-aanhanger valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc.Volgens verweerder heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat niet meer in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten, aldus verweerder.4.2.. Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.\n\nGeschilpunten partijen\n\n5. Eiser heeft in beroep geageerd tegen twee wijzigingen in het beleid van verweerder ten aanzien van Turkije ten nadele van hem. Het betreft een wijziging per 1 december 2023 en één per 1 juli 2024. Volgens eiser zijn beide wijzigingen in strijd met het recht. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder niet tijdig heeft besloten op zijn aanvraag. Als verweerder dat wel had gedaan, waren beide beleidswijzigingen niet van toepassing geweest en had eiser internationale bescherming gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij, ook als rekening wordt gehouden met de beide beleidswijzigingen, recht heeft op internationale bescherming.\n\n5.1.. Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissing.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten van partijen. Eerst zal de rechtbank toetsen of de twee beleidswijzigingen niet onredelijk zijn. Daarna zal de rechtbank oordelen over het standpunt dat eiser internationale bescherming moet krijgen omdat verweerder eerder had moeten beslissen op zijn aanvraag. Tenslotte zal worden ingegaan op de vraag of eiser op grond van zijn individuele omstandigheden een asielvergunning had moeten krijgen.6.1.. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.\n\nIs de strengere toets voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 december 2023\n\n7. De groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije werd als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdelingen het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe de volgende passage opgenomen:\n\n“Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.”\n\nDe passage leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen.\n\n7.1.. Het hiervoor geciteerde beleid is per 1 december 2023 vervallen.Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 (hierna: AAB 2023) blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülen-beweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.\n\nIs de wijziging niet onredelijk?\n\n8. Volgens eiser is de wijziging van het beleid per 1 december 2023 onterecht omdat deze in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag deze wijziging niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder bestrijdt dit.\n\n8.1.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daartoe het volgende.\n\n8.2.. Eiser heeft gesteld dat niet van de informatie in het AAB 2023 mag worden uitgegaan. Volgens eiser is het AAB 2023 beïnvloed door de onjuiste wijze van verkrijging daarvan, gezien de vraagstelling in de zogenoemde ‘Terms of Reference’ van 28 april 2023. Dit heeft eiser echter onvoldoende onderbouwd. Er is gevraagd om algemene en concrete informatie. De concreet gevraagde informatie betreft ook Gülenisten en rechtsbescherming van hen en anderen. Dit acht de rechtbank voldoende. De informatie in het AAB 2023 kan dus worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in Turkije per 1 december 2023.\n\n8.3.. Het AAB 2023 bevat weinig concrete informatie en er zijn meerdere voorbehouden in gemaakt. Zo staat er dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van (vermeende) Gülenisten in Turkije, dat de informatie over hun situatie schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard was, dat het onduidelijk was hoeveel arrestanten er in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd, als ook dat de bronnen de gestelde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet nader konden onderbouwen met concrete gegevens. De informatie die echter wél concreet in het AAB 2023 staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de per 1 december 2023 gewijzigde tekst van het beleid en daarop gegeven toelichting te dragen. Volgens de landeninformatie komt vervolging van Gülenisten nog steeds op grote schaal voor. Het AAB 2023 vermeldt daarover dat gedurende de voorgaande twee verslagperiodes met regelmaat arrestaties op grotere of kleine schaal plaatsvonden van Gülenisten en dat deze situatie hetzelfde is gebleven. Uit de landeninformatie kan evenwel niet worden afgeleid dat de situatie voor Gülenisten dusdanig is dat – ook bij het ontbreken van geringe indicaties – vrij snel een risico op vervolging moet worden aangenomen. Dit zou in feite neerkomen op het aannemen van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet in het AAB 2023, maar ook in de door eiser ingebrachte informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Daarbij is van belang dat er in Turkije volgens het AAB 2023 meer rechterlijke bescherming voor Gülen-aanhangers is dan voorheen. De verschillende criteria die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock -app, gelden volgens het AAB 2023 nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Gewezen wordt op diverse uitspraken van het Turkse Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie.\n\n8.4.. De door eiser ingebrachte landeninformatie wijkt in essentie niet af van de informatie in het AAB 2023. Eiser beroept zich op een stuk van J. Vande Lanotte.Daarin staat dat de vermindering in het aantal gerechtelijke acties en detenties deels te verklaren valt door de omstandigheid dat veel mensen zijn veroordeeld of zijn gevlucht. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Volgens Vande Lanotte zijn de kansen op vervolging niet afgenomen en gaat het nog steeds om 3000 à 4000 zaken per jaar. Dit laatste aantal acht de rechtbank, gezien de in het AAB 2023 vermelde cijfers, laag. Het bevestigt dan ook dat de intensiteit van de vervolging is afgenomen, zoals het AAB 2023 vermeldt, en niet dat de kansen op vervolging niet zijn afgenomen, zoals Vande Lanotte schrijft en eiser stelt. Volgens de Finse informatie over Turkijewaarop eiser zich beroept, is nog steeds sprake van dezelfde vervolgingscriteria die eerder golden. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Verder staat in de Finse informatie dat Turkse rechters geen uitvoering geven aan uitspraken van hogere rechters, er nog steeds sprake is van extreme willekeur voor vervolging en worden personen voor een tweede keer vervolgd, ondanks eerdere vrijspraak. Deze informatie stemt ook overeen met het AAB 2023. Daarin staat namelijk dat gezien de omvang van de Gülen-beweging in het verleden niet altijd duidelijk was hoe de Turkse autoriteiten beslisten welke Gülen-aanhangers dienden te worden opgepakt, dat het beantwoorden van de vraag welke Gülenisten het meeste risico liepen werd bemoeilijkt door meerdere omstandigheden en dat mensen, ondanks de ontwikkelingen in de rechtsgang, nog steeds relatief makkelijk konden worden verdacht van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging.Dit alles wijst erop dat Gülenisten nog steeds het doelwit zijn van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten als ook dat onduidelijk is op welke gronden zij dat zijn. Het doet echter niet af aan de in de vorige paragraaf vermelde verbeterde rechtsbescherming door hogere rechterlijke instanties. Het leidt er ook niet toe dat sprake is van groepsvervolging van Gülenisten.\n\n8.5.. Na de zitting is het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AAB 2025) gepubliceerd. Partijen hebben hier inhoudelijk op gereageerd. Het beeld in het AAB 2025 is voor wat betreft Gülenisten niet relevant gewijzigd ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Zo staat in het AAB 2025 dat de situatie omschreven in AAB 2023 voortduurt. De aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van Gülenisten waren relatief laag in vergelijking met de situatie vóór 2020. Volgens Turkse overheidsgegevens over juli 2024 zette de dalende trend in aantallen arrestaties en detenties door: van 19.252 in juli 2022 naar 13.251 in juli 2024. Ook het aantal opgepakte Gülenisten nam af: van 22.458 in 2021 naar 9.639 in 2023. Anderzijds blijkt uit het AAB 2025 dat de vervolging van Gülenisten doorging. Mensen konden nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Bronnen omschrijven de vervolging als extreem willekeurig en onvoorspelbaar.De criteria die werden gebruikt voor vervolging, zoals het hebben van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock -app, bleven ook van kracht.Daarbij komt dat sommige lagere rechtbanken, ondanks de aanscherpingen in de rechtspraak van het gebruik van de criteria, de uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden. Er werd aldus niet eenduidig omgegaan met Gülenzaken.Deze onzekerheid doet echter niet af aan de afname van de vervolging van Gülenisten. Er blijkt uit deze informatie niet dat het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvoor zijn de aantallen van vervolgde Gülenisten nu te laag.\n\n8.6.. De rechtbank concludeert dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming diende te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is, mede gezien de Turkse rechtsbescherming, niet zo hoog dat vrees op vervolging gegrond is of een reëel risico op ernstige schade wordt gelopen alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger. Gezien de over Turkije bekende informatie behoeft per 1 december 2023 geen verdergaande bescherming te worden geboden aan mogelijke of werkelijke Gülen-aanhangers dan uit dit beleid volgt.\n\n8.7.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de wijziging van risicogroep\u002Fkwetsbare minderheidsgroep naar risicoprofiel per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 juli 2024\n\n9. Volgens het landenbeleid ten aanzien van Turkije, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit als ook heden, is de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” aangemerkt als een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc. Vóór 1 juli 2024 gold dat sprake was van een risicogroep in de zin van paragraaf C2\u002F3.2.\n\n9.1.. De beleidswijziging geldt ten aanzien van alle gevallen waarvoor verweerder vóór 1 juli 2024 het begrip risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep hanteerde. Volgens de toelichting op de beleidswijzigingkonden binnen het oude groepenbeleid zowel groepen die groot als groepen die een kleiner risico liepen worden aangewezen, terwijl voor beide groepen dezelfde lagere bewijslast gold. Tevens gold de lagere bewijslast voor alle vreemdelingen die behoorden tot de betreffende groep, los van hun positie binnen deze groep, ook al kon het risico blootgesteld te worden aan vervolging\u002Fernstige schade binnen diezelfde groep verschillen. Gewenst was om meer gewicht te geven aan de individuele beoordeling, aldus de toelichting. Naar aanleiding hiervan is paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc ingevoerd.Daarin staat nu dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen, aldus staat in paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc.\n\nIs de wijziging van het beleid per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\n10. Volgens eiser is de vervanging van het begrip ‘risicogroep’ in risicoprofiel in strijd met het recht, in het bijzonder het Europese recht. Eiser doet een beroep op arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mensen een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.Daarnaast voert eiser aan dat de beleidswijziging in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag de wijziging per 1 juli 2024 niet aan eiser worden tegengeworpen.\n\n10.1.. Verweerder heeft dit alles bestreden. Het beleidsmatige voordeel voor vreemdelingen op grond van het beleid voor 1 juli 2024 is volgens verweerder weggenomen. De bewijslastverdeling is echter niet gewijzigd, aldus verweerder.\n\n10.2.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daarbij het volgende.\n\n10.3.. Onder het voorheen geldende beleid voor risicogroepen kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook in dat beleid bleef dus het individualiseringsvereiste van toepassing. Het behoren tot een risicogroep betekende niet zonder meer dat de aanvrager in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook in het huidige beleid leidt het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, niet zonder meer tot verlening van een verblijfsvergunning.\n\n10.4.. De rechtbank begrijpt het huidige beleid zó, dat eerst gekeken wordt of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarna vervolgens de individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. In beide gevallen speelt het individualiseringsvereiste dus een doorslaggevende rol. Wat betreft de stelling van eiser dat de bewijslast met het nieuwe beleid zwaarder is geworden, overweegt de rechtbank dat de op eiser rustende bewijslast niet volgt uit het beleid maar uit het Unierecht. Die bewijslast is niet aangepast met het nieuwe beleid. Wel is het zo dat in het beleid dat ten tijde van de aanvraag van eiser gold, gevergd werd dat geringe indicaties aannemelijk werden gemaakt die de vrees voor vervolging rechtvaardigde. Het beleid vergt thans meer dan geringe indicaties. Dit betekent dat vanuit beleidsmatig oogpunt een zwaardere bewijslast geldt. Maar de vreemdeling moet nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk maken dat - ook al behoort hij tot een door verweerder aangemerkte risicoprofiel - een gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\n10.5.. Het standpunt van eiser dat de beleidswijziging specifiek ten aanzien van Turkije onredelijk is, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser dient meer dan geringe indicaties aan te voeren om aannemelijk te maken dat hij terecht vreest voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De landeninformatie wijst er niet op zich al op dat los van de individuele omstandigheden hieraan wordt voldaan. De landeninformatie over Turkije biedt immers geen aanleiding om te oordelen dat eisers vrees voor vervolging terecht is of dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger (zie 8.3 tot en met 8.5 hiervoor).\n\n10.6.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?\n\n11. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben besloten op zijn aanvraag, beide beleidswijzigingen niet van toepassing zijn geweest en zou hij een positieve beslissing hebben gekregen. Daarom mogen de beide beleidswijzigingen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Verweerder heeft dit bestreden.\n\n11.1.. Eiser gaat ervan uit dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 december 2023. Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de aanvraag door drukte is blijven liggen. Ook het feit dat verweerder laat, en pas na een beleidswijziging, op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.\n\n11.2.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van de twee beleidswijzigingen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser op grond van zijn individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?\n\n12. Eiser stelt dat hij – uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader – gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hij wijst in dat kader op zijn persoonlijke situatie, het feit dat hij onder een risicoprofiel valt en de landeninformatie over Turkije. Eiser heeft verder gewezen op zijn eerdere ervaringen in Turkije, dat bepaalde stukken niet zijn meegenomen in de strafrechtelijke procedure, dat hij als verdachte verhoord is op 23 maart 2022 over zijn werkzaamheden voor de vakbond, dat in mei 2024 de politie navraag naar hem heeft gedaan en bij hem thuis is geweest en dat er een nieuw opsporingsdossier over hem bestaat. Ter zitting heeft eiser zich beroepen op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n12.1.. De rechtbank begrijpt, mede gelet op het ter zitting gestelde, dat verweerder stelt dat er bij terugkeer weliswaar een kans is op vervolging of enig risico bestaat op ernstige schade, maar dat die kans of dat risico niet zo hoog is dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zal worden.\n\n12.2.. De rechtbank volgt verweerder. Niet aannemelijk is dat eiser opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten of de reële kans loopt om opnieuw daarin te komen staan vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De algemene informatie over Turkije en de daaruit blijkende situatie voor Gülenisten is onvoldoende ernstig om aan te nemen dat eiser door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging alleen al in de persoonlijke problemen zal geraken. Daarbij is het volgende van belang.\n\n12.3.. Eiser valt onder een risicoprofiel. Dit betekent dat, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast in beginsel geheel blijft rusten op eiser.\n\n12.4.. Eiser is strafrechtelijk vervolgd vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De rechtbank volgt dat dit in beginsel een aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is.Daarbij is met name van belang dat eiser gedurende een aantal jaren onderworpen is geweest aan strafrechtelijk onderzoek vanwege vermeende betrokkenheid bij de Gülen-beweging, hij meerdere keren is verhoord, gedurende zes dagen in slechte omstandigheden in een politiecel verbleef en ongeveer negen maanden in de gevangenis heeft gezeten. De vervolging van eiser was echter op het hoogtepunt van de repressie van Gülenisten in Turkije. Er zijn reeds daarom goede redenen om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Daarnaast is eiser tijdens de procedure vrijgelaten. De Turkse rechtbank heeft hem nadien vrijgesproken en in beroep en in cassatie is die uitspraak bevestigd. Daarom volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de bewijslast niet is omgedraaid.\n\n12.5.. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat eisers werkzaamheden voor de vakbond en de school zijn meegenomen in de afgeronde strafrechtelijke procedure tegen eiser. Dit laat onverlet dat eiser, zoals hij stelt, mogelijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten is blijven staan vanwege zijn werkzaamheden binnen de Gülen-beweging. Dat eiser, zoals hij heeft gesteld in overeenstemming met landeninformatie,daarna geen nieuw werk heeft kunnen vinden, wijst hierop. Uit landeninformatie blijkt echter niet dat eiser, hoewel hij is vrijgesproken, opnieuw in de problemen kan geraken. Het AAB 2025 geeft slechts aan dat niet duidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw het risico lopen op problemen met de Turkse autoriteiten.\n\n12.6.. Verweerder heeft echter terecht tegengeworpen dat eiser op 30 augustus 2024 zelf heeft gesteld dat er geen strafzaak tegen hem loopt.De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat toch een nieuw strafrechtelijk onderzoek naar hem is gestart dan wel de kans groot is dat een nieuwe strafprocedure tegen hem wordt opgestart. Dat hij in maart 2022 is verhoord door de politie, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser volgens zijn verklaringen vaker is ondervraagd door de politie, los van zijn detentie in 2016 en 2017, zonder meer problemen te krijgen. Het beroep van eiser ter zitting in dit verband op een bepaalde bijlage die bij de zienswijze zou zijn ingediend, faalt. Dat stuk vermeldt eisers naam en het nummer 2021\u002F28279. Dit is volgens eiser het nummer van zijn nieuwe opsporingsdossier. Het stuk is echter in de Turkse taal opgesteld en er is geen vertaling ingebracht. Daardoor kan de rechtbank de precieze inhoud niet vaststellen. Anders dan eiser heeft gesteld, is het niet aan verweerder of de rechtbank om die vertaling te produceren. Ook het beroep van eiser op volgens hem belastende stukken die zijn gedagtekend na de beslissing op het hoger beroep tegen eisers vrijspraak (15 september 2020), faalt. Niet duidelijk is dat het Turkse Hof van Cassatie ze niet heeft meegenomen bij de beoordeling van de eerdere vrijspraak, terwijl eiser wel heeft gesteld dat de Turkse rechtbank ze aan het Hof had gestuurd. Dat in Nederland dergelijke informatie in cassatie niet wordt meegenomen, leidt in ieder geval niet tot die conclusie. Eiser heeft zich ook beroepen op zijn verklaring over een huisbezoek op 28 mei 2024. Eiser was al in Nederland toen twee politieagenten bij zijn huis in Turkije langs zijn geweest om naar hem te vragen in het kader van een sociaal onderzoek naar eiser. Meer informatie is hier niet over bekend. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat dit huisbezoek niet betekent dat men op zoek was naar eiser in verband met betrokkenheid bij de Gülen-beweging.12.7.. Uit de Finse landeninformatie over Turkije waarop eiser zich heeft beroepen, blijkt dat bewijs dat in een strafprocedure is gebruikt, niet nogmaals kan worden gebruikt in een volgende strafprocedure, maar dat iemand wel voor een tweede keer voor eenzelfde misdrijf kan worden vervolgd. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, betreft dit echter algemene informatie over de situatie in Turkije. Het heeft geen betrekking op eiser in persoon. Het standpunt van eiser dat verweerder te veel waarde hecht aan de legale uitreis van Turkije naar Nederland zonder het ondervinden van problemen, faalt ook. Weliswaar blijkt, zoals eiser terecht heeft gesteld, uit het AAB 2023 dat zelfs tijdens een lopende strafrechtelijke procedure legaal kan worden uitgereisd. Dit onderbouwt echter niet dat eiser in de negatieve aandacht staat.\n\n12.8.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een asielvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n NL24.35417 (de zoon van eiser) en NL24.32341.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.\n\n WBV 2021\u002F16 van 4 augustus 2021.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van 28 november 2023, 2023-2024, 19637, nr. 3177, en Nota Landenbeleid Turkije van 11 augustus 2023, 4839506.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 november 2023, WBV 2023\u002F24, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant 2023, 30427.\n\n Nota van 11 augustus 2023, hiervoor aangehaald.\n\n “Is there a changing trend in the persecution of the (alleged) members of the Gülen movement?”, 1 juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.2.\n\n AAB 20223, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n “Turkey; Individuals associated with the Gülen movement; The Finnish Immigration Service’s fact-finding mission to Ankara and Istanbul 2 – 6 October 2023”, juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2025, p. 50.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.4.\n\n Paragraaf C7\u002F34.3 Vc.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van maart 2024, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 321.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024\u002F12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Arrest van 15 januari 2015, A.A. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD001803911, arrest van 15 januari 2015, A.F. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD008008613, arrest van 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804.\n\n Arrest van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n AAB 2025, p. 51-52.\n\n AAB 2025, p. 52.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 9.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23341","2026-07-13T00:28:27.022Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":31,"updatedAt":56},"379","ECLI:NL:RBDHA:2025:24317","ecli-nl-rbdha-2025-24317","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.45166 (beroep) en NL25.45167 (voorlopige voorziening)\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A. de Graaf).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. Eiser heeft op 1 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n1.2.. Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op\n\n30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen T. Ahmad.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001, heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de jezidi bevolkingsgroep. Hij heeft – kort samengevat – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Irak discriminatie heeft ondervonden vanwege zijn jezidi etniciteit en geloofsovertuiging. Zo heeft hij verklaard dat hij gediscrimineerd werd als hij werkt zocht en dat hij zijn producten uit zijn winkel soms niet kon verkopen. Eiser is in 2014 gevlucht uit [plaats] voor IS en heeft sindsdien verbleven in het ontheemdenkamp [kampnaam] in de Koerdische Autonome Regio in Irak (KAR). In [plaats] is eiser twee keer benaderd door groeperingen die hem wilde rekruteren. Eiser stelt dat hij bij terugkeer geen werk kan vinden en dat hij vreest voor ontvoering of rekrutering door de strijdende partijen in de regio. Ten slotte worden er (online) haatuitingen verspreid over de jezidi’s. Eiser heeft op 30 augustus 2022 in Griekenland asiel aangevraagd en op 10 oktober 2022 heeft hij daar een verblijfsvergunning gekregen op de grond van vluchtelingschap omdat hij jezidi is. Op 28 december 2022 is eiser Nederland ingereisd en op 1 januari 2023 heeft hij zijn huidige asielaanvraag ingediend.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\ndiscriminatie vanwege zijn jezidi achtergrond; en\n\npogingen tot rekrutering door de PKKen al-Hashd al Shaabi.\n\n3.1.. Verweerder vindt alle asielmotieven geloofwaardig. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdragof een reëel risico op ernstige schade looptbij terugkeer naar Irak.\n\n3.2.. Zo heeft verweerder ten aanzien van het vluchtelingschap tegengeworpen dat de jezidi’s in Irak niet in zijn algemeenheid worden onderworpen aan groepsvervolging en voor hen op grond van het huidige landenbeleid momenteel geen risicoprofiel geldt. Ook heeft verweerder tegengeworpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de discriminatie die hij heeft ervaren tot dusdanige ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheden heeft geleid dat het onmogelijk was voor hem om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Dat eiser in Griekeland een vluchtelingenstatus heeft gekregen, betekent niet dat hij deze in Nederland ook moet krijgen. Verweerder heeft een eigen beoordeling mogen verrichten.\n\n3.3.. Ook het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak is niet aannemelijk gemaakt nu de humanitaire situatie in het kamp niet zodanig is dat die een 3 EVRMschending oplevert en eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt op ernstige schade. Verder heeft eiser ook zijn vrees voor gedwongen rekrutering niet aannemelijk gemaakt.\n\n3.4.. Het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: artikel 15c Kri) slaagt volgens verweerder niet, nu er conform het beleid op dit moment enkel sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld in de regio’s Diyala, Duhok, Erbil en Ninewa in Irak. Van individuele omstandigheden die maken dat eiser bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld risico loopt als bedoeld artikel 15c Kri is niet gebleken.\n\n3.5.. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Ook heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Irak, met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Als jezidi heeft eiser bij terugkeer, anders dan verweerder stelt, wel een gegronde vrees voor vervolging en loopt hij een reëel risico op ernstige schade. Hij betoogt dat hij vanaf jonge leeftijd structureel is vernederd, gediscrimineerd en sociaal uitgesloten vanwege zijn jezidi-achtergrond. In 2014 is hij persoonlijk getroffen door de IS-aanval in [plaats]. De opeenstapeling van deze ervaringen heeft zijn situatie onhoudbaar gemaakt en leidt ertoe dat zijn huidige vrees mede gebaseerd is op de voortdurende dreiging tegen jezidi’s. Eiser stelt dat hij zijn geloof niet zonder gevaar kan uiten en dat van hem niet mag worden verwacht dat hij zijn geloofsovertuiging bij terugkeer verborgen houdt. Daarnaast beschouwt verweerder het tentenkamp [kampnaam] ten onrechte als een normale woon- of verblijfplaats. Eiser wijst erop dat hij daar noodgedwongen sinds 2014 onder mensonwaardige omstandigheden verbleef, afhankelijk van humanitaire hulp en geconfronteerd met discriminatie, zodat het kamp niet kan gelden als een duurzaam vestigingsalternatief. Terugkeer naar [plaats] is volgens eiser ook niet mogelijk, nu deze regio ernstig verwoest is, het er nog steeds onveilig is door de aanwezigheid van actieve IS-cellen en er geen effectieve bescherming voor jezidi’s beschikbaar is. Verder voert eiser aan dat verweerder recente landeninformatie, UNHCR-richtlijnen en vergelijkbare jurisprudentie, waaruit blijkt dat jezidi’s nog steeds als kwetsbare minderheidsgroep worden beschouwd, ten onrechte onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. Ook gaat verweerder eraan voorbij dat aan eiser in Griekenland al internationale bescherming is toegekend, wat bevestigt dat er sprake is van beschermingsbehoefte. Tot slot heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser zich niet direct na aankomst heeft gemeld, nu eiser hiervoor een verschoonbare reden heeft gegeven.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nMocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging?\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar de Irak geen gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nJezidi’s in het algemeen\n\n7. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gevonden dat het enkel zijn van jezidi geen gegronde vrees voor vervolging oplevert. Hierbij heeft verweerder kunnen wijzen op het gewijzigde beleid naar aanleiding van het meest recente ambtsbericht. Niet is gebleken dat jezidi’s omwille hun geloof of etniciteit het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Bovendien wordt jezidisme officieel erkend in Irak als godsdienst en worden jezidi’s niet actief ervan weerhouden hun geloof te uiten.Daar komt bij dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij specifiek gevaar loopt vanwege het feit dat hij jezidi is.\n\nDiscriminatie als daad van vervolging\n\n8. De discriminatie waar eiser als jezidi slachtoffer van is geweest in Irak wordt door verweerder erkend. Verweerder verwijst in dit kader naar de weigering van sommige personen om producten van eiser te kopen, verbale beledigingen, het langdurig ophouden bij controleposten, belemmeringen bij het vinden van werk en het meer moeten betalen en langer moeten wachten voor zorg en het verkrijgen van officiële documenten. Desalniettemin heeft verweerder tegen kunnen werpen dat hieruit niet blijkt dat eiser dusdanig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat de discriminatie als vervolging moet worden aangemerkt. Eiser heeft immers onderwijs kunnen volgen, zijn werk in de bouw en landbouw kunnen uitoefenen en uiting kunnen geven aan zijn geloof. Ook had eiser bewegingsvrijheid om naar andere plaatsen te gaan, heeft hij identificerende documenten van de Iraakse autoriteiten kunnen krijgenen heeft hij toegang gehad tot medische zorg. Hoewel uit de door eiser ingebrachte informatie in zijn algemeenheid blijkt van moeilijkheden voor de jezidi-bevolking in Irak, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk zulke zwaarwegende problemen heeft ondervonden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren wegens zijn etniciteit en geloof.\n\nNormale woon- of verblijfplaats\n\n9. Voor zover eiser aanvoert dat het ontheemdenkamp [kampnaam] niet als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdelingheeft bij uitspraak van 18 september 2012geoordeeld dat bij de beoordeling of in het land dan wel in voorkomend geval het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw, zich voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- of verblijfplaats had. Verder volgt uit die uitspraak dat bij beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling aldaar heeft verbleven. De omstandigheid dat de vreemdeling gevlucht is naar de plaats is niet van doorslaggevende betekenis.\n\n9.1.. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat de KAR kan worden aangemerkt als de normale woon- en verblijfplaats van eiser. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser de acht jaren voorafgaand aan zijn vertrek in de KAR heeft verbleven. Tijdens het achtjarige verblijf van eiser in het vluchtelingenkamp [kampnaam] in de KAR heeft hij op school gezeten, heeft hij zijn geloof kunnen uiten en was hij werkzaam in de landbouw en in de bouw. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het langdurige verblijf van eiser in de KAR voldoende blijk geeft van een band met deze plaats. Verder heeft verweerder zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat noch uit de jurisprudentie van de Afdeling, noch uit andere bronnen, zoals een door verweerder genoemde rapportagevan EUAA, volgt dat humanitaire omstandigheden een relevant criterium zijn bij het bepalen van de normale woon- of verblijfplaats. De beoordeling van de humanitaire omstandigheden staat los van de vraag waar de vreemdeling heeft gewoond en verbleven. Anders dan eiser meent, heeft verweerder de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp in de KAR dan ook niet hoeven betrekken bij de beantwoording van de vraag wat de normale woon- en verblijfplaats van eiser is.\n\n9.2.. Nu de KAR terecht is aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats van eiser behoeven de beroepsgronden die zien op de situatie in de regio Ninewa, waarin de plaats [plaats] ligt, geen bespreking.\n\nHaatberichten\n\n10. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder de ernst van haatuitingen en hoe deze het maatschappelijk isolement vergroten heeft miskend, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit zou blijken dat hij bij terugkeer persoonlijk te vrezen heeft vanwege de haatuitingen. Daar heeft verweerder bij mogen betrekken dat uit het algemeen ambtsbericht niet blijkt dat deze haatberichten in Irak daadwerkelijk hebben geleid tot geweld tegen jezidi’s. De rechtbank begrijp dat eiser, gezien ook zijn geschiedenis, bezorgd is over de mogelijke gevolgen van de haatuitingen, maar dit maakt niet dat verweerder op basis daarvan moest aannemen dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging.\n\nVluchtelingenstatus in Griekenland\n\n11. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het feit dat aan eiser in Griekenland vluchtelingenstatus is verleend, overweegt de rechtbank als volgt. Het feit dat eiser eerder in Griekenland beschermingsstatus heeft gekregen, betekent niet zonder meer dat verweerder gehouden is deze beoordeling over te nemen of zonder nadere inhoudelijke toetsing aan te nemen dat eiser nog steeds bescherming behoeft. Nederland kan en mag een eigen inhoudelijke beoordeling verrichten van de asielaanvraag naar de actuele individuele beschermingsbehoefte van de aanvrager. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit in het geval van eiser voldoende zorgvuldig en gemotiveerd gedaan.\n\nMocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade?\n\n12. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\nHumanitaire omstandigheden in kamp [kampnaam]\n\n13. Voor zover eiser aanvoert dat de omstandigheden in het tentenkamp waar hij verbleef kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. In het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 ziet de rechtbank een zorgelijk beeld naar voren komen over de humanitaire situatie in de kampen. Zo staat in dat ambtsbericht onder meer dat de kampen overbevolkt zijn, mensen verblijven in onderkomens die niet geschikt zijn voor langdurig verblijf en onvoldoende bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en brand, veel ontheemden moeite hadden om toegang te krijgen tot werk en dat met name in de kampen in Duhok veel mensen afhankelijk waren van humanitaire hulp.Tegelijkertijd staat in het algemeen ambtsbericht ook dat er – weliswaar beperkt – onderwijs, gezondheidszorg en basisvoorzieningen zijn, en dat ontheemden in de kampen in Duhok zich relatief vrij konden bewegen en daardoor toegang hadden tot diensten (voor zover beschikbaar) buiten de kampen. Verder volgt uit de verklaringen van eiser zelf dat hij heeft kunnen werken, onderwijs heeft kunnen volgen, toegang had tot medische zorg, reisdocumenten heeft kunnen aanvragen en vrij heeft kunnen reizen. Gelet daarop is de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp voor eiser niet zodanig dat verblijf daar een schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser, gelet op wat hij heeft meegemaakt en gelet op de situatie in het kamp, liever niet terugkeert naar Irak, is gelet op wat hiervoor is besproken geen sprake van een ‘minimum level of severity’. Van strijd met artikel 3 van het EVRM is daarom evenmin sprake.\n\nGedwongen rekrutering\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor gedwongen rekrutering door PKK of de al-Hashd al Shaabi niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat uit algemene landeninformatie niet blijkt van gedwongen rekrutering van volwassenen door het Iraakse leger of milities. Ook heeft verweerder in dat kader mogen wijzen op eisers eigen verklaringen waaruit blijkt dat de verzoeken tot aansluiting vrijblijvend waren en hij geen problemen heeft ondervonden nadat hij de twee eerdere verzoeken had geweigerd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de groepen alleen actief zijn in [plaats] en dat hij tijdens zijn verblijf in de KAR niet door hen benaderd is.\n\nArtikel 15 van de Kwalificatierichtlijn\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 15c Kri. Verweerder heeft in die conclusie mogen verwijzen naar het landgebonden beleid voor Irak waaruit blijkt dat in de regio’s [plaats] en Duhok in de KAR, waarin het kamp [kampnaam] ligt, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dat niet voldoet aan ‘the most extreme case of general violence’ zoals vereist in de meest uitzonderlijke situatie onder artikel 15c Kri. Met de bronnen die eiser in deze procedure heeft ingebracht is dat beeld niet weerlegd. Niet gebleken is van een verandering in de algehele situatie in [plaats] of de KAR die maakt dat nu van de meest uitzonderlijke artikel 15c Kri-situatie moet worden uitgegaan.\n\n15.1.. Ook heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat hij een verhoogd risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri. De door eiser genoemde omstandigheden, zoals zijn jezidische etniciteit en de discriminatie die hij daardoor heeft ervaren, zien namelijk op risicoverhogende factoren voor individueel gericht geweld en niet op een hoger risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Ook van andere individuele omstandigheden die dit risico op ernstige schade in de zin van artikel 15c Kri voor eiser verhogen is de rechtbank niet gebleken. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij niet meer risico loopt op willekeurig geweld dan anderen in zijn woonomgeving.\n\nMocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen als kennelijk ongegrond?\n\n16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrondnu eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser is op 28 december 2022 Nederland ingereisd en heeft op 1 januari 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Dat eiser aanvoert dat hij bij familieleden heeft verbleven omdat hij moe was en hij niet wist dat hij zich in Ter Apel moest aanmelden, heeft verweerder niet als verschoonbare reden hoeven aanmerken. Van iemand die om internationale bescherming verzoekt, mag in beginsel worden verwacht dat hij zijn asielwens onmiddellijk na aankomst in Nederland kenbaar maakt. Dat iemand moe is maakt niet dat hij zich niet zou kunnen melden. Daarnaast heeft verweerder mogen betrekken dat eiser via Schiphol is ingereisd en hij daar zijn asielverzoek kenbaar had kunnen maken. Bovendien heeft eiser zelf verklaard dat hij vanaf het moment van zijn vertrek uit Irak wist dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen.\n\n17. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser, onweersproken, gesteld dat haar vergelijkbare gevallen bekend zijn waarin het te laat indienen van de aanvraag niet door verweerder werd tegengeworpen. In die gevallen hadden betrokkenen ook eerst in Griekenland de vluchtelingenstatus verkregen en daarna in Nederland asiel aangevraagd. Zij hadden, wegens vermoeidheid, niet binnen twee dagen na aankomst hun asielaanvraag ingediend. In deze stelling ziet de rechtbank echter onvoldoende aanleiding af te wijken van het hiervoor overwogene.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.\n\n19. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen\n\nvan een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n20. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.\n\nDeze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Partiya Karkeren Kurdistan.\n\n Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.\n\n Zie het EUAA rapport Country Guidance: Iraq van november 2024.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor van 6 juli 2023, p. 10, en verslag van het nader gehoor van 7 februari 2025, p.15-16.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor, p. 5-8, 11, en verslag van het nader gehoor, p. 11.\n\n Verslag van het nader gehoor, p. 14.\n\n Idem, p. 16.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2012:357.\n\n EASO Practical Guide: Qualification for International Protection, April 2018, p. 12.\n\n European Union Agency for Asylum.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8940, rechtsoverweging 2.1.1.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524, r.o. 68-69.\n\n Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023, p. 92-93.\n\n Idem, p. 92-93.\n\n Idem, p. 36.\n\n Verslag van het nader gehoor, p. 19-20.\n\n Idem, p. 20.\n\n Verslag van het nader gehoor van 7 februari 2025, p. 17.\n\n Op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3891, r.o. 5.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor, p, 16.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24317","2025-12-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.850Z",1,20]