[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-benefits-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":52},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},86,"benefits-law-nl","Benefits Law","NL","2026-07-08T16:55:44.327Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2025-09-19T00:00:00.000Z","2026-06-17T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121835","Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen","",1,[27,37,44],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"2006","ECLI:NL:RBDHA:2026:17191","ecli-nl-rbdha-2026-17191","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F1385\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n de staatssecretaris van Defensie, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.H.G. In de Braekt),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. [(ex-)werknemer] , (ex-)werknemer van eiser, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 27 juni 2025 heeft eiser verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werknemer op de WIA-uitkering.\n\n1.1.. Eiser heeft op 6 februari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op het verzoek om een herbeoordeling.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiser heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 16 september 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 17 november 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het herbeoordelingsverzoek heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiser heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen twee weken na deze uitspraak, alsnog een beslissing te nemen.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een tekort aan in te zetten verzekeringsartsen.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv spreekt in het verweerschrift van 20 februari 2026 de hoop uit dat binnen vier maanden een besluit op het herbeoordelingsverzoek kan worden genomen, maar vermeldt ook dat het zeer goed mogelijk is dat het Uwv dit jaar niet meer in staat is een beslissing te nemen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n6. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\n- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17191","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:49.620Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":43},"2008","ECLI:NL:RBDHA:2026:17192","ecli-nl-rbdha-2026-17192","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3754\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. L.C.J. Schobbers),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 13 augustus 2025 heeft het Uwv bepaald dat eiseres per 29 mei 2025 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 5 mei 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 12 maart 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 8 mei 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen om alsnog een besluit op bezwaar te nemen.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een groot tekort aan verzekeringsartsen.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv verzoekt de rechtbank de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraken van 30 juli 2025 in overweging te nemen.Die rechtbank geeft het Uwv bij een beroep niet tijdig beslissen een termijn van 30 weken voor werknemersberoepen om alsnog een besluit bekend te maken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen.\n\n5.1.. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.\n\n6. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat op dit moment niet kan worden aangegeven wanneer het besluit op bezwaar kan worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat al bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n7. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden.Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nUitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\n De uitspraken van de rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17192","2026-07-13T00:29:49.704Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":48,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":35,"updatedAt":51},"426","ECLI:NL:RBDHA:2025:28003","ecli-nl-rbdha-2025-28003","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F8337\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen\n [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nDe bestreden uitspraak op bezwaar\n\nDe uitspraak van verweerder van 11 september 2024 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2022 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.\n\nZitting\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2025.\n\nEiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nverklaart het bezwaar ongegrond;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser heeft aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2022 gedaan naar een verzamelinkomen van € 15.417, bestaande uit € 15.417 aan belastbaar inkomen uit werk en woning.\n\nDe waarde van de door eiser in zijn aangifte verantwoorde bezittingen en schulden resulteren in een rendementsgrondslag van € 39.433. Met inachtneming van het heffingvrije vermogen van € 50.650 is de grondslag sparen en beleggen nihil.\n\nMet dagtekening van 10 juni 2023 is de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2022 (de aanslag) opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Het inkomen uit sparen en beleggen is daarbij dan ook gesteld op nihil.\n\n2. Eiser had over het jaar 2022 een voorschot huurtoeslag ontvangen van € 4.024. Dit voorschot was gebaseerd op de over het jaar 2021 aan hem toegekende huurtoeslag. Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de inspecteur van de Belastingdienst\u002FToeslagen de zorg- en huurtoeslag voor eiser over het jaar 2022 vastgesteld op nihil en is eiser aangezegd dat hij het aan hem uitbetaalde voorschot van € 4.024 dient terug te betalen (de Beschikking).\n\n3. Bij brief van 13 september 2023 heeft eiser bij de Dienst Toeslagen bezwaar tegen de Beschikking gemaakt. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar ter behandeling doorgezonden aan verweerder. De reden daarvoor is dat het bij de beoordeling van het bezwaar aankomt op een vraag die in het domein van verweerder is gelegen,te weten die naar de hoogte van de rendementsgrondslag.\n\n4. Verweerder heeft bij uitspraak van 11 september 2024 het bezwaar als kennelijk nietontvankelijk van de hand gewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat, nu in de aanslag geen inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen, eiser niet beter kan worden van zijn bezwaar.\n\nGeschil\n\n5. Het standpunt van eiser is dat verweerder de Wet rechtsherstel box 3 onjuist heeft toegepast, door niet de voor zijn geval gunstigste methode te kiezen van de twee methodes waarin die wet voorziet. Ter zitting heeft hij daaraan, subsidiair, een beroep toegevoegd op het vertrouwen dat hij heeft ontleend aan mededelingen op de website van de Belastingdienst.\n\n6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, om dezelfde reden als waarom hij het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. Met betrekking tot het materiële geschilpunt is zijn standpunt dat de Beschikking berust op een correcte vaststelling van de rendementsgrondslag en dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel moeten falen.\n\nBeoordeling\n\n7. Eiser heeft zijn bezwaar tegen de Beschikking in zijn brief van 13 september 2013 geformuleerd als volgt:\n\n“Bij deze maak ik bezwaar tegen de door u aan mij opgelegde definitieve aanslag over ad 2022 ad. € 4.024 terug te betalen huurtoeslag”\n\nMet de Beschikking is de aanspraak van eiser op huurtoeslag vastgesteld op nihil, wat ertoe leidt dat eiser het door hem ontvangen voorschot dient terug te betalen. Blijkens de hiervoor geciteerde bewoording is dat, waartegen eiser in bezwaar is opgekomen.\n\nVerweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op grond van een overweging die betrekking heeft op een andere beschikking dan de Beschikking, te weten de aanslag. Van bezwaar tegen de aanslag kan eiser inderdaad niet beter worden, maar dat is niet waartegen hij is opgekomen. Zijn bezwaar is gericht tegen de Beschikking en dat kon hem bij gegrondverklaring (wel degelijk) in een betere positie brengen.\n\nVerweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden heeft de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigd.\n\n8. Bij vernietiging van de uitspraak op bezwaar doet de rechtbank wat verweerder had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar ongegrond had moeten verklaren. Onderstaand legt zij uit waarom.\n\n9. Eiser had over het jaar 2021 huurtoeslag ontvangen. Dat hem over het jaar 2022 huurtoeslag is ontzegd, is volgens hem terug te voeren op verandering in de wetgeving die is gevolgd op het zogenaamde kerstarrest.Eiser heeft daarbij het oog op de Wet rechtsherstel box 3 (de Wet rechtsherstel). Deze wet regelt dat het box 3-inkomen wordt bepaald op de voet van de voor de belanghebbende meest gunstige van een van twee methodes; te weten die van de Wet IB 2001 en de alternatieve berekeningswijze waarin de Wet rechtsherstel voorziet.Dat aan eiser met de Beschikking huurtoeslag over 2022 is ontzegd, komt volgens hem doordat niet de voor hem meest gunstige van beide methoden is toegepast.\n\n10. Het standpunt van eiser berust op een misvatting. Dat hij wel over 2021 aanspraak had op huurtoeslag maar niet over 2022, wordt naar de overtuiging van de rechtbank erdoor veroorzaakt dat zijn vermogen in de loop van 2021 is toegenomen, waardoor hij per begin 2022 over een te groot vermogen beschikt om aanspraak te kunnen maken op bepaalde toeslagen. Dit wordt in de volgende twee overwegingen uitgelegd.\n\n11. In artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) is bepaald bij welk vermogen geen aanspraak (meer) kan worden gemaakt op bepaalde toeslagen. Deze bepaling is per 1 januari 2001 gewijzigd. Die wijzing heeft niet met de Wet rechtsherstel te maken, maar met de verhoging van het heffingvrije vermogen (artikel 5.5 Wet IB 2001).\n\nTot 1 januari 2021 bepaalde artikel 7, derde lid, van de AWIR dat geen recht op huurtoeslag bestond zodra over voordeel uit sparen en beleggen belasting werd geheven. Dat is het geval zodra het vermogen (de grondslag sparen en beleggen) uitgaat boven het heffingvrije vermogen. In 2020 bedroeg het heffingvrije vermogen € 30.846. Het komt er dus op neer dat zodra het vermogen uitging boven dat dat bedrag geen recht op huurtoeslag bestond.\n\nMet ingang van 1 januari 2001 heeft de wetgever het heffingvrije vermogen verhoogd, van € 30.846 in 2020 tot € 50.000 in 2021. Het effect daarvan zou zijn dat ineens aanspraak op huurtoeslag zou bestaan bij een vermogen van bijna € 20.000 méér. Dat heeft de wetgever niet gewild. Hij heeft daarom artikel 7, derde lid, van de AWIR gewijzigd; en wel zó dat niet langer bepalend is of belasting in box 3 wordt geheven, maar of het vermogen uitgaat boven een bedrag dat correspondeert met het heffingvrije vermogen naar het niveau van voor 2021. De verandering van dit artikellid strekte er dus toe, te voorkomen dat voor wat betreft de aanspraak op bepaalde toeslagen materieel iets zou veranderen.\n\n12. Voor het jaar 2022 is het in artikel 7, derde lid, van de AWIR genoemde bedrag vanaf wanneer geen recht meer bestaat op toeslagen gesteld op € 31.747.\n\nHet vermogen van eiser bestond per 1 januari 2022 voor € 9.220 uit effecten en voor € 84.073 uit een onroerende zaak, tot het bedrag van € 69.451 waren gefinancierd met leningen. De rendementsgrondslag van eiser was daarmee € 39.433, dus te veel om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Dat eiser in 2021 wel, maar in 2022 niet voor huurtoeslag in aanmerking komt, komt – zoals ter zitting is besproken – vrijwel zeker doordat de effecten en het vastgoed gedurende 2021 met ten minste € 7.591 in waarde zijn gestegen, waardoor het vermogen van eiser per 1 januari 2022 met dat bedrag boven de grens van artikel 7, derde lid, AWIR uitgaat.\n\n13. Dat in 2021 wel maar in 2022 geen recht op huurtoeslag bestond, kan in ieder geval niet worden verklaard door de Wet rechtsherstel en\u002Fof de manier waarop verweerder die heeft toegepast. Die wet regelt namelijk niets dat van invloed kan zijn op het recht op huurtoeslag.\n\n14. De Wet rechtsherstel regelt het volgende.\n\nHet belaste voordeel uit sparen en beleggen is het forfaitaire rendementspercentage, vermenigvuldigd met de grondslag sparen en beleggen.De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag, voor zover deze uitgaat boven – of anders gezegd: verminderd met – het heffingvrije vermogen.De rendementsgrondslag is waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden voor zover die schulden uitgaan boven de drempel van € 3.200.\n\nMet de Wet rechtsherstel beoogde de wetgever het box 3-stelsel in overeenstemming te brengen met het ‘kerstarrest’.Daartoe is een alternatieve methode geïntroduceerd voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, die alleen wordt toegepast als deze voor de belanghebbende gunstiger uitpakt dan de berekening volgens de Wet IB 2001 zelf.\n\nHet verschil tussen de alternatieve methode en die van de Wet IB 2001 is alleen gelegen in de hoogte van het forfaitaire rendement. De wet rechtsherstel laat de rendementsgrondslag geheel ongemoeid: ook bij toepassing van de alternatieve methode is de rendementsgrondslag het saldo van de bezittingen en de schulden.\n\n15. Dan komt de rechtbank nu toe aan de vraag of de Beschikking juist is. Daaromtrent overweegt zij als volgt.\n\nArtikel 7, derde lid, van de AWIR bepaalt voor het jaar 2022, voor zover relevant:\n\n“Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 31.747 (...)”\n\nVoor de vraag naar aanspraak op huurtoeslag komt het derhalve aan op de hoogte van de rendementsgrondslag.\n\nEiser heeft aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een rendementsgrondslag van nihil, wat bij het vaststellen van de aanslag is overgenomen. De vaststelling in de Beschikking dat eiser geen aanspraak heeft op huurtoeslag bouwt daarop voort. Eiser heeft niet aangevoerd dat de rendementsgrondslag op een ander bedrag moet worden vastgesteld dan volgens zijn aangifte en de opgelegde aanslag IB\u002FPVV. De rechtbank beoordeelt de Beschikking daarom als juist.\n\n16. Eiser beroept zich subsidiair op het vertrouwen dat hij heeft ontleend, en stelt ook te hebben mogen ontlenen aan de navolgende mededelingen op de website van de Belastingdienst:\n\n“2 methodes om uw box 3-inkomen te berekenen\n\nDe oude methode gaat uit van een fictieve verdeling van vermogensbestanddelen.\n\nDe nieuwe methode berekenen we volgens het Rechtsherstel.\n\nOude methode box 3-inkomen – hoe werkt dat?\n\nVoor de jaren 2021 en 2022 berekenen wij uw box 3-inkomen met de oude en de nieuwe methode. Vervolgens passen wij de meest gunstige methode toe op uw definitieve aanslag\n\ninkomstenbelasting. Ook als u over de periode 2017-2022 rechtsherstel hebt gehad, passen wij de meest gunstige methode toe.\n\nDe basis is uw inkomen uit vermogen\n\nDe basis voor de oude methode is uw inkomen uit vermogen. Dit noemen wij de grondslag sparen en beleggen. Dat is de waarde van uw vermogen (uw bezittingen min uw schulden) min uw heffingsvrij vermogen. U gaat daarbij uit van de situatie op 1 januari van het jaar waarover u aangifte doet.”\n\nDeze passage kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet zo worden gelezen als eiser dat doet. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.\n\nSlotsom\n\n17. Omdat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard (zie r.o. 7), is het beroep gegrond en dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat de Beschikking naar het oordeel van de rechtbank juist is (r.o. 8 tot en met 15) en het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt (r.o. 16), verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond.\n\n18. Niet is gebleken dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gehad. Daarom bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.\n\nDe griffier is verhinderd te ondertekenen\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Artikel 8a, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR).\n\n HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.\n\n De Wet rechtsherstel box 3 is ingevoerd op 21 december 2022 en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2017.\n\n Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.\n\n Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.\n\n Artikel 5.3, eerste lid en derde lid, letter f, Wet IB 2001; in zowel 2021 als 2022).\n\n Wat overigens niet is gelukt; zie HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid20b946068984449ba7c944bd283450b1) en ECLI:NL:HR:2024:705 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fide9bd3d3e2a5b408796f3b52de4a8729f), alsmede HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid20b946068984449ba7c944bd283450b1).\n\n Tekst 2022.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28003","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.290Z",20]