[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-child-protection-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":110},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},34,"child-protection-nl","Child Protection","NL","2026-07-08T16:53:25.882Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},10,{"min":18,"max":19},"2026-03-03T00:00:00.000Z","2026-05-29T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124539","Burgerlijk Wetboek","art. 1:275 lid 2",1,[27,38,45,52,61,68,76,85,94,103],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1938","ECLI:NL:RBDHA:2026:17507","ecli-nl-rbdha-2026-17507","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705561 \u002F FA RK 26-5048\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter\n\nWijziging voorlopige voogdij\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),\n\nhierna te noemen: [minderjarige].\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nin het BRP geregistreerd als geëmigreerd,\n\nStichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,\n\nzijnde de voorlopige voogdes.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nLeger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,\n\nzijnde de beoogde voogdes.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 21 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank – met wijziging van de beschikking van 9 april 2026 met zaaknummer C\u002F09\u002F702234 \u002F FA RK 26-3043 – het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] in plaats van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.1.2.. De kinderrechter neemt nu ook de voornoemde beschikking van 21 mei 2026 mee in de beoordeling.\n\n1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n [naam 1] namens de Raad;\n\n [naam 2] namens Stichting Jeugdbescherming west Zuid Holland;\n\n [naam 3] namens Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering.\n\n1.4.. De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen.\n\n1.5.. De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoek strekt tot wijziging van de voorlopige voogdij over [minderjarige], in die zin dat wordt verzocht het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] in plaats van Stichting Jeugdbescherming West Zuid Holland en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Bij beschikking van 9 april 2026 is Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] (zaaknummer C\u002F09\u002F702234 \u002F FA RK 26-3043). Op grond van artikel 1:241 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de maatregel worden ingetrokken of gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft bevolen, tenzij een verzoek om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht. In dat geval beslist de rechter bij wie dit verzoek aanhangig is. De kinderrechter stelt vast dat de Raad op 28 april 2026 heeft verzocht om een voorziening in het gezag over [minderjarige]. Dat verzoek zal worden behandeld bij door een rechter van team Familie van de rechtbank Den Haag. Het is in het belang van [minderjarige] dat er zo spoedig mogelijk inhoudelijk op het verzoek wordt beslist, omdat er op dit moment feitelijk niet tot nauwelijks invulling wordt gegeven aan de voorlopige voogdijmaatregel. Aangezien het bij team Familie niet mogelijk is om verzoekschriften op zeer korte termijn inhoudelijk te behandelen en de aard van dit verzoek geen uitstel duldt, heeft de kinderrechter noodzaak gezien alsnog op dit verzoek te beslissen.\n\n4.2.. Uit het verzoekschrift en de mondelinge toelichting ter zitting volgt dat Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland de afgelopen periode niet tot nauwelijks betrokken is geweest bij [minderjarige] vanwege personeelstekort. Het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering is bereid en heeft iemand beschikbaar om de voorlopige voogdij uit te voeren. Aangezien het dringend en onmiddellijk noodzakelijk is dat de belangen van [minderjarige] worden behartigd en de noodzakelijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] kunnen worden genomen, is de kinderrechter van oordeel dat de voorlopige voogdij beter belegd kan worden bij het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad dan ook toewijzen.\n\n4.3.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.4.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nmet wijziging van de beschikking van 9 april 2026 met zaaknummer C\u002F09\u002F702234 \u002F FA RK 26-3043:\n\n5.1.. belast het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met de voorlopige voogdij over [minderjarige] in plaats van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;5.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door\n\nmr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2025.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17507","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:46.367Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"1931","ECLI:NL:RBDHA:2026:17486","ecli-nl-rbdha-2026-17486","RECHTBANK DEN HAAG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummers: I. C\u002F09\u002F698273 \u002F FA RK 26-697\n\n II. C\u002F09\u002F698787 \u002F JE RK 26-172\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de meervoudige kamer\n\nI. Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij;\n\nII. Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.\n\nIn de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,regio Haaglanden (I),\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nen\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden (II),\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek I:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [grootmoeder vaderszijde],\n\nhierna te noemen: de grootmoeder vaderszijde\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. J.A. Hoste te Den Haag,\n\nde gecertificeerde instelling.\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek II:\n\nde moederende grootmoeder vaderszijdevoornoemd.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 6 maart 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (bij de grootmoeder vaderszijde) verlengd tot 31 mei 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van de meervoudige kamer op 12 mei 2026, zodat het verzoek gecombineerd behandeld kon worden met het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging en het benoemen van de voogdij (C\u002F09\u002F698273 FA RK 26-697). De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift (I) met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026;\n\nhet verzoekschrift (II) met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026;\n\nhet gezinsplan van de gecertificeerde instelling van 5 februari 2026, ontvangen op 6 februari 2026;\n\nde beschikking van 6 maart 2026;\n\nhet verweerschrift van de grootmoeder vaderszijde met zelfstandig verzoek van 6 mei 2026;\n\nde concept-vaststellingsovereenkomst van de mediation van 7 mei 2026, overlegd ter zitting van 12 mei 2026;\n\nde bereidverklaring van de grootmoeder vaderszijde van 12 mei 2026, overlegd ter zitting van 12 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde grootmoeder vaderszijde met haar advocaat;\n\n [naam 1] namens de Raad;\n\n- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.\n\n1.3.. De moeder is niet verschenen. De moeder is wel juist opgeroepen. In het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand bij gezagsbeëindiging is op 16 februari 2026 mr. J. Gravesteijn (op dat moment de voorkeursadvocaat van de moeder) toegevoegd aan de moeder, nadat hij te kennen heeft gegeven bereid te zijn de moeder bij te staan. Op 8 april 2026 heeft mr. J. Gravesteijn de rechtbank bericht zich te onttrekken in de zaken C\u002F09\u002F698273 (het verzoek tot gezagsbeëindiging) en C\u002F09\u002F698787 (het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling). Desgevraagd heeft mr. J. Gravesteijn de rechtbank telefonisch toegelicht dat hij voordat hij zich onttrok de moeder een maand de tijd had gegeven om een nieuwe advocaat te vinden, zodat er een warme overdracht kon plaatsvinden. Nu er zich geen nieuwe advocaat stelde heeft de rechtbank op 28 april 2026 de moeder een brief gestuurd, waarin zij er op werd gewezen dat zij recht heeft op juridische bijstand en dat zij hiervoor zelf een advocaat kon benaderen of de rechtbank kon vragen om een (nieuwe) advocaat aan te wijzen. De moeder diende dit zo snel als mogelijk aan de rechtbank door te geven. De moeder heeft naar aanleiding van de brief niets aan de rechtbank laten weten. Een uur voor aanvang van de zitting heeft de moeder gebeld naar de rechtbank en te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn, omdat zij niet naar de rechtbank durfde te komen zonder een advocaat. Een advocaat had haar niet teruggebeld en die zou zij vandaag gaan bellen. Ter zitting heeft de rechtbank telefonisch contact met de moeder opgenomen en haar naar haar standpunt gevraagd. Gezien het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid en nu de moeder de mogelijkheid tot rechtsbijstand heeft gehad, heeft de rechtbank alles afwegende besloten de behandeling van de verzoeken niet aan te houden. Desgevraagd door de voorzitter heeft de moeder laten weten geen behoefte te hebben de zitting verder telefonisch bij te wonen.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] is erkend door de vader, [de vader] .\n\n2.2.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij de grootmoeder vaderszijde en verblijft uit hoofde van een contactregeling met de moeder een aantal nachten per week bij de moeder.\n\n2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 mei 2026.\n\n2.5.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 31 mei 2026.\n\n2.6.. De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 19 januari 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.\n\n2.7.. De grootmoeder vaderszijde heeft zich bij brief van 12 mei 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.\n\n3. Het verzoek\n\nVerzoek I: gezagsbeëindiging en benoeming voogdij\n\n3.1.. De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De moeder kampt met jarenlange verslavingsproblematiek en is in het verleden wisselend beschikbaar geweest voor [minderjarige] . Sinds 2022 is er sprake van een machtiging tot uithuisplaatsing en sindsdien verblijft [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde. Ondanks de ondertoezichtstelling en de ingezette hulpverlening, is het niet gelukt om te komen tot een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder is niet in staat om de volledige zorg over [minderjarige] te dragen en het lukt haar onvoldoende – door de terugvallen in middelengebruik die zij heeft – een structurele stabiele factor te zijn in het leven van [minderjarige] . In januari 2025 heeft de gecertificeerde instelling bepaald dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal opgroeien. Het perspectief ligt volgens de gecertificeerde instelling bij de grootmoeder vaderszijde. De moeder kan dit opvoedperspectief niet goed begrijpen, omdat het volgens haar juist het afgelopen jaar – waarmee de moeder doelt op 2025 – beter gaat. De Raad ziet dat het vanaf december 2025 opnieuw minder goed gaat met de moeder, waarbij er twee incidenten zijn geweest waarbij de moeder weer is teruggevallen in haar middelengebruik. Gelet op de terugkerende zorgen over het persoonlijk functioneren van de moeder zal [minderjarige] volgens de Raad ernstig bedreigd worden in zijn ontwikkeling als hij volledig teruggeplaatst zou worden bij de moeder. Daarbij is de Raad van mening dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Zoals reeds genoemd verblijft [minderjarige] al sinds 2022 bij de oma vaderszijde en ligt het perspectief niet meer bij de moeder. De Raad heeft niet de verwachting dat de moeder de volledige verzorging voor [minderjarige] zal kunnen dragen. Daarnaast is het op dit moment voor [minderjarige] onduidelijk waar hij op de langere termijn mag opgroeien en ervaart hij last van de onzekerheid over zijn opvoedplek.\n\n3.3.. De Raad ziet het belang van de voortzetting van het verblijf bij de grootmoeder vaderszijde, maar vindt het op dit moment te vroeg om de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde te beleggen. De grootmoeder vaderszijde is namelijk voornemens om naar [land] te verhuizen. Die wens is al lange tijd bekend bij de gecertificeerde instelling. Als de voogdij bij de grootmoeder zal komen te liggen, dan zal ook [minderjarige] naar [land] verhuizen en zal de hulpverlening wegvallen. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Daarbij heeft [minderjarige] op dit moment een uitgebreide zorgregeling met de moeder en die zal dan worden beperkt. De Raad heeft in dat licht ook zorgen over het grillige en ambivalente contact tussen de moeder en de grootmoeder vaderszijde. Als hij in [land] verblijft zou de grootmoeder vaderszijde het contact tussen de moeder en [minderjarige] zelfstandig kunnen stoppen. Het is belangrijk dat een gecertificeerde instelling hierin nog ondersteuning kan bieden. Verder is het van belang dat er nog toezicht kan worden gehouden op het contact tussen [minderjarige] en de vader. De vader is bekend met agressie- en verslavingsproblematiek en is in december 2025 vrij gekomen uit detentie, waarna er opnieuw een incident heeft plaatsgevonden bij de moeder. Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling deze situatie met de vader kan vormgeven. Als [minderjarige] in [land] verblijft is het zicht volledig weg. De Raad is zich bewust van het feit dat dit een complex besluit is, nu haar advies inhoudt dat [minderjarige] niet mee naar [land] kan en de grootmoeder hierdoor of niet naar [land] kan verhuizen of [minderjarige] in een neutraal pleeggezin terecht zal komen, wat voor hem ook heel ingrijpend zal zijn. Desondanks is de Raad van mening dat er op dit moment nog te veel risico’s en drempels zijn voor het beleggen van de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde en daarmee de verhuizing naar [land] . Volgens de Raad is het op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] dat de gecertificeerde instelling wordt belast met de voogdij. De gecertificeerde instelling kan zich voor de hiervoor genoemde punten inzetten – waarbij het van belang is dat er meer regie wordt gepakt dan de afgelopen periode – en zij kunnen vervolgens zelf inschatten wanneer het mogelijk wél passend is dat de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde wordt belegd. Ter zitting heeft de Raad benadrukt dat zij niet van mening is dat de voogdij nooit naar de grootmoeder vaderszijde zou kunnen, maar dat het daarvoor op dit moment volgens de Raad nog te vroeg is.\n\nVerzoek II: verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n3.4.. De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] – als het verzoek tot gezagsbeëindiging wordt afgewezen – in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. De gecertificeerde instelling stelt daartoe als volgt. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is nog onverminderd aanwezig. Deze bedreiging is met name gelegen in de aanhoudende onzekerheid over zijn toekomst, de complexe dynamiek tussen de betrokken volwassenen en de blijvende zorgen over het persoonlijke functioneren van de moeder. Ondanks de ingezette hulpverlening is de moeder structureel onvoldoende in staat om een duurzame, stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving te bieden. Het blijft daarom nodig dat de gecertificeerde instelling regie blijft voeren om de belangen van [minderjarige] te bewaken, escalaties te voorkomen, afstemming tussen de betrokkenen te blijven faciliteren en te blijven onderzoeken welke route en verblijfplaats het minst schadelijk zijn voor zijn ontwikkeling. Daarbij is het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat de plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde wordt gecontinueerd. Er zijn op dit moment geen alternatieven die minder belastend zijn en hij ervaart een voor hem vertrouwde, veilige en stabiele opvoedomgeving bij de grootmoeder. Een plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin is op dit moment voor [minderjarige] zeer onwenselijk en schadelijk voor zijn emotionele ontwikkeling en gevoel van veiligheid. Binnen de plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde kan zorgvuldig gezocht worden naar een toekomstperspectief dat recht doet aan ieders belang.\n\n4. De standpunten\n\nVerzoek I\n\n4.1.. De moeder heeft telefonisch medegedeeld achter de concept-vaststellingsovereenkomst te staan die ter zitting is ingediend door de grootmoeder vaderszijde. Daarnaast wil de moeder absoluut niet dat de gecertificeerde instelling de voogdij krijgt. De afgelopen maanden is er geen contact geweest met de jeugdbeschermer en de moeder ziet haar andere dochter – waarvan haar gezag is beëindigd – niet meer. De moeder wil daarom niet dat de gecertificeerde instelling de voogdij krijgt over [minderjarige] , omdat zij dan denkt dat zij nog een kind – in haar eigen woorden – kwijt is. Dan wil de moeder liever dat de grootmoeder vaderszijde de voogdij krijgt, als zij een goede contactregeling met [minderjarige] heeft en hem elke maand ziet.\n\n4.2.. Door en namens de grootmoeder vaderszijde is verweer gevoerd tegen het benoemen van de gecertificeerde instelling als voogd. De grootmoeder vaderszijde verzoekt op basis van artikel 1:275 lid 2 BW om te worden belast met de voogdij (en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren). [minderjarige] verblijft al sinds zijn geboorte in de weekenden bij de grootmoeder vaderszijde. Vanaf 2021 is de grootmoeder pleegouder geworden en de afgelopen drieënhalf jaar draagt de grootmoeder de dagelijkse zorg over [minderjarige] . Volgens de grootmoeder heeft zij haar wens om naar [land] te verhuizen al in 2023 kenbaar gemaakt bij de gecertificeerde instelling. Op dat moment was er nog sprake van een plan voor terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Door de gecertificeerde instelling is toen aangegeven dat er een tweesporenbeleid zou gaan gelden, één gericht op terugplaatsing bij de moeder en als dit niet mogelijk was, een verblijf van [minderjarige] bij de grootmoeder vaderszijde in [land] . In 2023 heeft de grootmoeder vaderszijde haar huis verkocht en in 2024 is het huis in [land] gekocht. Omdat er nog steeds sprake was van een mogelijke terugkeer van [minderjarige] naar de moeder, is [minderjarige] in [plaats 2] naar school gegaan. Toen het perspectief niet meer bij de moeder lag is besloten om [minderjarige] in [plaats 2] op school te laten. Dit om te voorkomen dat [minderjarige] , gezien zijn kwetsbaarheid en grote behoefte aan structuur, twee keer in korte tijd van school zou moeten wisselen – één keer in Nederland en één keer bij vertrek naar [land] . Om dit te faciliteren is de grootmoeder vaderszijde tijdelijk verhuisd naar [plaats 1] . Tijdens het perspectiefonderzoek is onderzocht of een neutraal pleeggezin passend is voor [minderjarige] , maar dit wordt door de gecertificeerde instelling niet passend geacht. Ook de pleegzorgbegeleider en de systeemtherapeut hebben te kennen gegeven dat het heel belangrijk is dat [minderjarige] bij de grootmoeder blijft, nu dit de stabiele persoon is in zijn leven. De Raad heeft naar voren gebracht dat hun voornaamste bezwaar is dat de hulpverlening wegvalt, maar op dit moment regelen de moeder en de grootmoeder vaderszijde bijna alles onderling. De grootmoeder vaderszijde heeft één keer per jaar een huisbezoek van de pleegzorgbegeleider en daarnaast houdt zij de gecertificeerde instelling op de hoogte als de contactmomenten anders lopen dan gepland. Daarnaast hebben de betrokken instanties ook aangegeven dat zij verwachten dat de grootmoeder – als zij hulp nodig heeft – deze hulpverlening goed zal weten te vinden in [land] . Verder heeft de grootmoeder vaderszijde de afgelopen jaren – ook de afgelopen maanden toen de jeugdbeschermer was uitgevallen – het contact tussen [minderjarige] en de moeder altijd gefaciliteerd. Door de instanties wordt de regie voor het contact tussen [minderjarige] en de moeder al jarenlang grotendeels bij de grootmoeder vaderszijde gelegd. Het was daarbij steeds aan de grootmoeder vaderszijde om te bepalen of het contact met de moeder op dat moment verantwoord en veilig was. Het verwijt van de Raad dat de grootmoeder vaderszijde eventueel zelf het contact zou kunnen stoppen, heeft haar diep gekwetst. Zij heeft zich juist de afgelopen jaren maximaal ingespannen om het contact met de moeder vorm te geven, hoe ingewikkeld het soms ook was, en heeft laten zien dat zij goed met de moeder afspraken kan maken. Door grootmoeder vaderszijde met de voogdij te belasten wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Daarnaast kan [minderjarige] door de voogdijbenoeming meeverhuizen naar [land] , zodat de huidige opvoedsituatie, waarin [minderjarige] een stabiele hechtingsrelatie met de grootmoeder heeft opgebouwd, kan worden gecontinueerd. Ter zitting heeft de grootmoeder vaderszijde een door haar en de moeder ondertekende vaststellingsovereenkomst overgelegd die is opgesteld naar aanleiding van een gesprek met een mediator. In deze overeenkomst staat dat de moeder instemt met het eenhoofdig gezag bij de grootmoeder vaderszijde én met de verhuizing van [minderjarige] naar [land] mét een maandelijkse weekendregeling met de moeder en nog een aantal extra afspraken over dit contact. De grootmoeder vaderszijde zal zich tot het uiterste inspannen om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te blijven waarborgen. In dit licht verzoekt de grootmoeder aan de rechtbank om te bepalen dat [minderjarige] en de moeder minimaal eenmaal per maand contact hebben, waarbij de grootmoeder vaderszijde en [minderjarige] naar Nederland zullen reizen, tenzij de moeder die betreffende maand naar [land] komt. Ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de vader heeft de grootmoeder vaderszijde ter zitting naar voren gebracht dat zij de afgelopen jaren al heeft moeten kiezen voor [minderjarige] , door haar eigen zoon de deur te wijzen en niet bij haar te laten slapen, ondanks dat hij geen eigen woning heeft. Zij heeft de ontwikkeling van [minderjarige] altijd boven die van [minderjarige] vader gezet en zal dit ook blijven doen. Als het in niet in het belang van [minderjarige] is om contact te hebben met de vader, dan zal er ook geen contact plaatsvinden.\n\n4.3.. De gecertificeerde instelling kan instemmen met het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet meer bij de moeder en de aanvaardbare termijn is verstreken. De gecertificeerde instelling ziet dat het ten aanzien van het benoemen van de voogdij gaat om een zeer complexe situatie. In januari 2025 heeft de gecertificeerde instelling bepaald dat het perspectief van [minderjarige] bij de grootmoeder ligt. Op dat moment is het plan ontstaan dat [minderjarige] mee kan verhuizen naar [land] , zodat hij bij een voor hem veilige en vertrouwde opvoeder kan opgroeien, zonder de ingrijpende plaatsing in een neutraal pleeggezin. Na overleg met de Centrale Autoriteit lijkt de enige aangewezen route om [minderjarige] met de grootmoeder vaderszijde mee te laten verhuizen dat zij als pleegouder de voogdij krijgt. De Raad heeft daarentegen, nadat zij onderzoek heeft gedaan, aangegeven dat zij dit niet in belang van [minderjarige] acht. De gecertificeerde instelling ziet de door de Raad genoemde risico’s ook, maar ziet daarnaast ook veel mogelijkheden bij de grootmoeder vaderszijde. Dit maakt dat er sprake is van een heel ingewikkeld dilemma. Daarbij benadrukt de gecertificeerde instelling dat volgens hen een plaatsing in een neutraal pleeggezin onwenselijk is. Desondanks zien zij ook de ambivalentie in het contact tussen de moeder en grootmoeder vaderszijde en is de rol van de vader nog niet heel duidelijk uitgekristalliseerd. Dit zou de komende periode dan nog verder uitgezocht moeten worden. Daarentegen ziet de gecertificeerde instelling dat het ook belangrijk is dat er een keuze wordt gemaakt over het verblijf, nu juist de onzekerheid over zijn toekomst als een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] wordt gezien.\n\nVerzoek II\n\nDe moeder en de grootmoeder vaderszijde hebben zich niet over dit verzoek uitgelaten.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:\n\na. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of\n\nb. de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.\n\n5.3.. De rechtbank overweegt in dit geval als volgt. De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en de beëindiging van het gezag van de moeder een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het privé- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] is enkele dagen na zijn geboorte (voorlopig) onder toezicht gesteld – waarna de ondertoezichtstelling tot op heden telkens is verlengd – en sinds 2022 is er sprake van een formele uithuisplaatsing bij de grootmoeder vaderszijde. Ondanks de kinderbeschermingsmaatregelen is het de afgelopen jaren niet gelukt om te komen tot een daadwerkelijke duurzame en structurele verbetering voor [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder kampt met complexe problematiek in haar persoonlijk functioneren en de rechtbank constateert dat er sprake is van een hardnekkig patroon waarin de moeder lijkt te profiteren van de hulpverlening, haar leven beter op orde heeft en dan alsnog terugvalt in haar (verslavings-)problematiek. Hoewel de rechtbank ziet dat de moeder nu gedeeltelijk de verzorging en opvoeding draagt over haar oudste twee kinderen (van 13 en 15 jaar), constateert de rechtbank ook dat deze kinderen een andere opvoedingsbehoefte hebben en de vader van deze kinderen een stabiele factor vormt in hun leven. Bij een onrustige periode in het leven van de moeder kan deze vader de kinderen opvangen en hij kan ook de moeder in het algemeen ontlasten doordat de kinderen elke week in het weekend bij hem verblijven. Hiertegenover staat dat de vader van [minderjarige] een (extra) trigger lijkt te zijn voor (de problematiek van) de moeder. Dit zorgt voor extra spanning bij de moeder en heeft een aantal maanden geleden nog tot een heftig incident geleid dat opnieuw impact heeft gehad op [minderjarige] (en zijn veiligheidsgevoel). De rechtbank is van oordeel dat de moeder [minderjarige] op dit moment nog steeds een onvoldoende veilige en stabiele opvoedomgeving kan bieden – die hij gezien zijn jonge leeftijd en kwetsbaarheid wel nodig heeft – en dat hij hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij deelt de rechtbank, gelet op het patroon van de afgelopen jaren, de verwachting van de Raad en de gecertificeerde instelling dat de moeder ook in de nabije toekomst onvoldoende in staat zal zijn om zelfstandig de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging over [minderjarige] te dragen.\n\n5.4.. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het voor [minderjarige] van groot belang is dat hij duidelijkheid krijgt over waar hij gaat opgroeien. Hoewel de gecertificeerde instelling begin 2025 al heeft bepaald dat niet meer actief wordt gewerkt aan een terugplaatsing bij de moeder, blijft er onzekerheid over zijn verblijfsplek bestaan. Er blijft onduidelijkheid voor [minderjarige] of hij met de grootmoeder kan meeverhuizen naar [land] – welk voornemen ook bij hem al langer bekend was – of dat hij toch in Nederland zal blijven met het gevolg dat hij dan in een neutraal pleeggezin zal moeten worden geplaatst. Ondanks zijn jonge leeftijd krijgt [minderjarige] de onrust over zijn verblijfsplek in de toekomst mee. Hij laat ook bepaalde kindsignalen zien die mogelijk te herleiden zijn naar deze onduidelijkheid, zoals onder meer opstandig gedrag. Gelet op het feit dat het niet meer de verwachting is dat de moeder de opvoeding en verzorging kan dragen, in combinatie met de onrust en onduidelijkheid die [minderjarige] zelf ervaart, is de rechtbank van oordeel dat de zogenoemde aanvaardbare termijn – de termijn hoe lang een kind onduidelijkheid kan ervaren over zijn toekomstperspectief – is verstreken. De maatregelen van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank niet langer passend. Uit het systeem van de wet volgt immers dat deze maatregelen niet geëigend zijn als terugplaatsing niet meer aan de orde is. Dat verhoudt zich niet tot de tijdelijkheid van die maatregelen, die er in beginsel op gericht zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen. Daarbij is de rechtbank er ook niet van overtuigd dat het de moeder gaat lukken – gelet op haar persoonlijk problematiek en de complexe relaties met de grootmoeder vaderszijde en de vader – om in het vrijwillig kader zelfstandig de hulp vorm te geven die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen. Volgens de rechtbank is er op dit moment dan ook geen minder ingrijpende maatregel mogelijk en wordt aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals gesteld in artikel 8 EVRM, voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder dan ook toewijzen.\n\nBenoeming voogdij\n\n5.5.. Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, moet de rechtbank een voogd over [minderjarige] benoemen. De Raad heeft verzocht om de gecertificeerde instelling te belasten met de voogdij en de grootmoeder vaderszijde heeft een zelfstandig verzoek gedaan om haar met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Zowel de gecertificeerde instelling als de grootmoeder vaderszijde hebben zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.\n\n5.6.. De rechtbank constateert dat los van de vraag wie gezagsbeslissingen over [minderjarige] mag nemen, het bepalen van de voogdij in de huidige situatie ook van grote invloed is op de vraag waar [minderjarige] de komende jaren zal opgroeien en verblijven. Immers, mocht de grootmoeder vaderszijde de voogdij over [minderjarige] verkrijgen dan zal [minderjarige] in de aankomende zomer met de grootmoeder verhuizen naar [land] . Mocht de voogdij bij de gecertificeerde instelling komen te liggen dan is het niet mogelijk dat [minderjarige] met de grootmoeder meeverhuist. Dit zal betekenen dat een neutraal pleeggezin voor [minderjarige] gevonden zal moeten worden.\n\n5.7.. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de het het meest in het belang is van [minderjarige] als de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde wordt belegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In beginsel heeft het de voorkeur dat de voogdij wordt belegd bij een natuurlijk persoon, te weten degene die met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige is belast. Per slot van rekening weet doorgaans de dagelijkse verzorger en opvoeder wat het meest in het belang van het kind is en kan daarop snel acteren. Sinds de geboorte van [minderjarige] is de grootmoeder vaderszijde actief betrokken in het leven van [minderjarige] en zij heeft al die jaren (eerst gedeeltelijk) een verzorgende en opvoedende rol gehad voor [minderjarige] . De afgelopen jaren heeft de grootmoeder vaderszijde daarbij laten zien de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en keuzes gemaakt – onder meer in het vormgeven van het contact met de vader, het uitstellen van de verhuizing naar [land] en het tijdelijk verhuizen naar [plaats 1] , zodat [minderjarige] op zijn huidige school kon blijven – die het belang van [minderjarige] hebben gediend. Dit is bewonderingswaardig, omdat deze keuzes ook ingrijpend zijn geweest voor de grootmoeder vaderszijde zelf. De grootmoeder vaderszijde heeft zich daarnaast telkens ingezet om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te waarborgen en ervoor te zorgen dat deze contactregeling veilig verloopt. De grootmoeder vaderszijde heeft vanuit de verschillende hulpverleningsinstanties ook de regie gekregen over dit contact en de rechtbank stelt vast dat dit de afgelopen jaren goed is verlopen en dat er geen stukken of signalen zijn waaruit blijkt dat de gecertificeerde instelling hierop moest ingrijpen. De rechtbank ziet dat er soms sprake was van ambivalentie in het contact tussen de moeder en de grootmoeder vaderszijde, maar ziet ook dat het contact telkens weer werd hersteld. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat de grootmoeder vaderszijde in staat is om de juiste gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen.\n\n5.8.. Vervolgens komt de vraag aan de orde of het in het belang van [minderjarige] is dat hij meeverhuist naar [land] , nu dit in de huidige situatie verbonden is aan het beleggen van de voogdij bij grootmoeder vaderszijde. Anders dan de Raad is de rechtbank van oordeel dat dit wel in het belang is van [minderjarige] , mede gelet op de andere realistische alternatieven. Duidelijk is dat de grootmoeder vaderszijde in het instabiele leven dat [minderjarige] heeft gekend, de afgelopen jaren een zeer belangrijk en stabiel hechtingsfiguur voor hem is geweest. De rechtbank vindt het van het grootste belang dat de grootmoeder vaderszijde deze rol voor [minderjarige] kan blijven vervullen. Daarbij ziet de rechtbank dat de grootmoeder vaderszijde al jarenlang het plan heeft om naar [land] te verhuizen en dit ook al jaren geleden kenbaar heeft gemaakt aan de gecertificeerde instelling. De rechtbank stelt vast dat de grootmoeder vaderszijde de verhuizing zorgvuldig en doordacht heeft voorbereid. Zo is er een huis met een kamer voor [minderjarige] , is er een school gevonden en is hij al bekend met de verblijfplaats in [land] – hij heeft zelfs al een vriendje – doordat hij hier al meermaals is geweest. De rechtbank is van oordeel dat een plaatsing in een neutraal pleeggezin een nog ingrijpender inbreuk zal zijn in het leven van [minderjarige] . Naast de veranderingen die hij dan ook hoogstwaarschijnlijk mee zal maken in de vorm van een nieuwe school en een nieuw huis, zal hij dan ook te maken krijgen met nieuwe (hoofd)opvoeders en zal hij de grootmoeder vaderszijde als hechtingsfiguur moeten missen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de situatie op dit moment – los van de verhuizing naar [land] – ook tijdelijk is. De grootmoeder is immers tijdelijk verhuisd naar [plaats 1] om dichter in de buurt van de school van [minderjarige] in [plaats 2] te zijn, wat in zal houden dat ook indien zij in Nederland zou blijven, mogelijk op korte termijn grote veranderingen zullen plaatsvinden ten aanzien van zijn verblijfsplaats en school (en daaruit volgend mogelijk ook ten aanzien van het contact met de moeder).\n\n5.9.. De rechtbank is zich er verder van bewust dat de verhuizing naar [land] betekent dat [minderjarige] minder contact zal hebben met de moeder. De rechtbank begrijpt dat dit ook een grote impact heeft op de moeder. Desondanks acht de rechtbank het belang van [minderjarige] dat zijn grootmoeder vaderszijde als hoofdopvoeder betrokken blijft op dit moment zwaarder wegen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging mee dat de moeder zelf duidelijk te kennen heeft gegeven niet te willen dat [minderjarige] naar een neutraal pleeggezin gaat en dat de voogdij bij de gecertificeerde instelling komt te liggen. De moeder heeft daarbij ook een (concept) vaststellingsovereenkomst getekend, waarin onder meer staat dat de moeder kan instemmen met een verhuizing van [minderjarige] naar [land] en met het eenhoofdig gezag bij de grootmoeder vaderszijde, mits er een duidelijke contactregeling is, die in deze vaststellingsovereenkomst is vastgelegd. De rechtbank kan in de onderhavige procedure het verzoek van de grootmoeder vaderszijde om een zorgregeling (conform de vaststellingsovereenkomst) vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] niet toewijzen, maar de rechtbank heeft kennis genomen van de regeling in de vaststellingsovereenkomst en kan deze regeling onderschrijven. De rechtbank is van oordeel dat deze regeling tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] . De moeder heeft een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] en het is van groot belang voor zijn ontwikkeling dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder op structurele basis wordt voortgezet. De rechtbank heeft gezien het verloop van de contactregeling in de afgelopen jaren – waarin de grootmoeder vaderszijde heeft aangetoond dit contact ondanks soms uitdagende omstandigheden telkens te kunnen faciliteren – voldoende vertrouwen dat de grootmoeder vaderszijde in samenspraak met de moeder in staat is om dit contact vorm te geven en uit te voeren.\n\n5.10.. Eén van de voornaamste bezwaren die de Raad naar voren heeft gebracht voor de verhuizing naar [land] is het wegvallen van de hulpverlening. Uit het onderzoek van de Raad volgt echter dat zowel de regressietherapeut als de pleegzorgbegeleider te kennen hebben gegeven dat zij verwachten dat de grootmoeder vaderszijde in staat is om zelf hulp te vinden in [land] als zij die nodig heeft. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de huidige hulpverlening op dit moment minimaal is en slechts bestaat uit (beperkte) pleegzorgbegeleiding en de betrokkenheid van een jeugdbeschermer. Dit contact ziet met name – zoals naar voren gebracht door de grootmoeder vaderszijde en niet weersproken door de gecertificeerde instelling – op de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] , waarin de grootmoeder vaderszijde zelf de regie heeft. Daarnaast heeft de Raad zorgen over het contact tussen de vader en [minderjarige] en het gebrek aan toezicht hierop. De rechtbank stelt vast dat het de afgelopen jaren met de aanwezigheid van de gecertificeerde instelling niet is gelukt om tot een vaste contactregeling te komen, mede door de problematiek en detentie van de vader. Recent is opnieuw geprobeerd om tot contactherstel te komen, maar dit is niet van de grond gekomen. Op dit moment zit de vader opnieuw in detentie. De rechtbank erkent dat er risico’s zullen zijn in dit contact, maar heeft er voldoende vertrouwen in dat de grootmoeder vaderszijde hierin de belangen van [minderjarige] voorop zal stellen, zoals zij altijd heeft gedaan.\n\nRekening en verantwoording vermogen van [minderjarige]\n\n5.11.. De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de grootmoeder vaderszijde die tot voogdes wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] .Dit betekent dat zij de grootmoeder vaderszijde op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de pleegmoeder vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.5.12.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.13.. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank acht het gezien de behoefte aan duidelijkheid van [minderjarige] niet in zijn belang dat hij nog langer onzekerheid ervaart over zijn verblijfplek. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat de verhuizing nog deze zomer kan plaatsvinden, zodat [minderjarige] na de zomervakantie direct kan starten op zijn nieuwe school, en de overgang van Nederland naar [land] op de minst ingrijpende wijze voor hem kan plaatsvinden. Het voorgaande weegt volgens de rechtbank zwaarder dan het risico dat [minderjarige] na een eventueel andersluidende beslissing in hoger beroep weer terug zal moeten verhuizen naar Nederland.\n\nAfwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n5.14.. Door het beëindigen van het gezag van de moeder komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en zij zal dit verzoek afwijzen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nbeëindigt het ouderlijk gezag van\n\n- [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1992 in [geboorteplaats 2] ;\n\nover de minderjarige:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;\n\n6.2.. \n\nbenoemt tot voogdes over voornoemde minderjarige:\n\n- [grootmoeder vaderszijde] ,geboren op [geboortedatum 3] 1973 in [geboorteplaats 2] ;\n\n6.3.. bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van voornoemde minderjarige;\n\n6.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.5.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. T.E.F. Reijnders en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.\n\n Artikel 1:276, eerste lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17486","2026-07-13T00:29:46.103Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":51},"1936","ECLI:NL:RBDHA:2026:17504","ecli-nl-rbdha-2026-17504","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F706017 \u002F JE RK 26-926\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] ,\n\nhierna tezamen ook te noemen: de kinderen.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\nStichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Op 29 mei 2026 heeft mr. S. van der Harg, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de gecertificeerde instelling tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;\n\nde gecertificeerde instelling gemachtigd is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;\n\nde behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nhet mondelinge verzoek van de Raad op 29 mei 2026;\n\nhet schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.\n\n2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.\n\n2.3.. De kinderen wonen bij de moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.\n\n4.2.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daartoe overweegt de kinderrechter dat er grote zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen. De kinderen zijn gisteren (28 mei 2026) van huis weggelopen en naar de basisschool van [minderjarige 2] gegaan, waarna ze hebben aangegeven zich thuis niet veilig te voelen. De kinderen zijn vervolgens op het politiebureau gesproken door medewerkers van Veilig Thuis en het Crisis Interventie Team (CIT). Beide kinderen hebben aangegeven mishandeld en bedreigd (onder andere met de dood) te worden door de vader. Zij durven niet terug naar huis (bij de moeder), omdat zij zich ook onveilig voelen in het netwerk. De vader zit op dit moment vast voor verhoor vanwege een aangifte van mishandeling door de meerderjarige zus van de kinderen. Gelet op de forse zorgen die er zijn over de veiligheid van de kinderen, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat er met spoed een jeugdbeschermer betrokken raakt bij het gezin. Ook is een langere uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk, zodat goed kan worden onderzocht hoe de opvoedsituatie van de kinderen eruit ziet en wat er nodig is om de kinderen veilig terug te laten keren naar huis. De kinderrechter zal het spoedverzoek daarom toewijzen.4.3.. De beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n4.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;\n\n5.2.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;5.3.. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. \n\nhoudt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van\n\n8 juni 2026om09.00 uur;\n\n5.5.. gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:\n\nde Raad;\n\nde moeder en de aan haar toe te wijzen advocaat;\n\nde vader;\n\nde gecertificeerde instelling;\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een kindgesprek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17504","2026-07-13T00:29:46.301Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":56,"fullText":57,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":36,"updatedAt":60},"521","ECLI:NL:RBDHA:2026:17469","ecli-nl-rbdha-2026-17469","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummers: C\u002F09\u002F692121 \u002F JE RK 25-1662 en C\u002F09\u002F705647 \u002F FA RK 26-5095\n\nDatum uitspraak: 28 mei 2026\n\nBeschikking van de meervoudige kamer\n\nBeëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij\n\nAfwijzing aangehouden verzoek machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaken van\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\nhierna te noemen de gecertificeerde instelling,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming ’sGravenhage,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover de minderjarige\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbende aan:\n\n [de moeder], hierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. A. Ramsaroep uit Den Haag.\n\nDe rechtbank merkt in de zaak van de Raad ook als belanghebbenden aan:\n\nmr. K. Moene, hierna te noemen de bijzondere curator,\n\nen\n\nde gecertificeerde instellingvoornoemd.\n\nDe rechtbank betrekt de Raadin de zaak van de gecertificeerde instelling voor het inwinnen van advies.\n\n1. Het (verdere) verloop van de procedure(s)\n\n1.1.. Bij beschikking van 14 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 22 mei 2026. Het verzoektot de machtiging tot uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden en voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Aan de Raad is verzocht een adviesrapport uit te brengen ten behoeve van deze zitting.\n\n1.2.. Bij beschikking van 26 februari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg aansluitend verleend tot 1 juni 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden en de verdere behandeling is bepaald op 28 mei 2026 bij de meervoudige kamer van deze rechtbank.\n\n1.3.. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank een briefrapportage van de gecertificeerde instelling ontvangen van 12 mei 2025 met twee bijlagen.\n\n1.4.. Op 21 mei 2026 heeft de rechtbank het verzoekvan de Raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag ontvangen, met zeven bijlagen, waaronder het rapport van 20 mei 2026.\n\n1.5.. Op 28 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling en het verzoek van de Raad gecombineerd behandeld. Daarbij waren aanwezig:\n\n [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\n [naam 3] namens de Raad;\n\nde advocaat van de moeder;\n\nde bijzondere curator;\n\n [minderjarige] .\n\n1.6.. De moeder is niet in persoon bij de zitting aanwezig geweest. De advocaat heeft de reden daarvoor medegedeeld en namens de moeder tijdens de zitting haar standpunt naar voren gebracht. De advocaat heeft daarbij zijn spreekaantekeningen overgelegd.\n\n1.7.. Op 27 mei 2026 heeft de kinderrechter, tevens voorzitter van de meervoudige kamer, apart met [minderjarige] gesproken over hoe het met haar gaat en wat zij vindt van de verzoeken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met goedvinden van [minderjarige] , samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] is erkend door [naam 4] .\n\n2.2.. Bij beschikking van 26 augustus 2025 is bepaald dat de moeder eenhoofdig is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] woont sinds augustus 2026 bij de ouders van haar vriend (hierna: haar schoonouders), samen met haar vriend en hun dochtertje, dat op [datum] 2025 is geboren.\n\n2.4.. Bij beschikking van 22 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 november 2026 en de huidige machtiging tot uithuisplaatsing verleend.\n\n2.5.. Bij beschikking van 19 maart 2026 heeft de kantonrechter in deze rechtbank de bijzondere curator benoemd.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1.. Het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling strekt tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (te weten bij de schoonouders) voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\n3.2.. De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen en de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogd. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling van de rechtbank\n\n4.1.. De rechtbank beoordeelt eerst het verzoek van de Raad, omdat beëindiging van het gezag een verderstrekkende kinderbeschermingsmaatregel is dan het kader waarbinnen een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend (ondertoezichtstelling).\n\n4.2.. Beëindiging van ouderlijk gezag op verzoek van de Raad is een kinderbeschermingsmaatregel. Het doel daarvan is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is of als de ouder het gezag misbruikt.Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. De rechtbank beoordeelt ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.\n\n4.3.. In het geval van [minderjarige] en de moeder is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag is voldaan en dat de inmenging van deze maatregel in het privé- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] gerechtvaardigd is. De rechtbank legt hierna uit waarom.\n\n4.4.. De relatie tussen de moeder en [minderjarige] is complex en staat al langere tijd ernstig onder druk. De moeder is het oneens met keuzes die [minderjarige] heeft gemaakt ten aanzien van haar geloof en haar relatie en maakt zich naar eigen zeggen zorgen dat [minderjarige] in een slechte situatie is beland waarvan zij de gevolgen niet kan overzien. Op die zorgen zal de rechtbank later terugkomen. Voor het oordeel over het gezag is voor de rechtbank van belang hoe de moeder haar rol als gezaghebbende ouder vervult. Het beeld dat de Raad hierover heeft geschetst, gesteund door de gecertificeerde instelling, is door de moeder niet met concrete argumenten weerlegd. Wel is namens de moeder naar voren gebracht dat zij een andere visie heeft, samenhangend met haar zorgen, maar dat zij zich erbij neerlegt als haar ouderlijk gezag wordt beëindigd. Zij hoopt dat [minderjarige] daarmee geholpen is en rust krijgt.\n\n4.5.. De rechtbank overweegt daarom als volgt. Sinds [minderjarige] ervoor gekozen heeft de relatie met de vader van haar dochtertje te herstellen heeft de moeder haar handen van [minderjarige] afgetrokken en geen verantwoordelijkheid meer genomen als gezaghebbende ouder. [minderjarige] is toen met haar dochtertje bij haar schoonouders gaan wonen (augustus 2025). Vast staat dat dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal gaan wonen. Ze willen dat allebei niet. De moeder heeft duidelijk gemaakt dat [minderjarige] thuis niet meer welkom is. De moeder heeft ook niet vrijwillig meegewerkt aan belangrijke zaken die nodig zijn als [minderjarige] niet thuis kan wonen, zoals inschrijvingen (voor de huisarts) en het verlenen van toestemming (voor vakanties). Daarnaast kan door toedoen van de moeder [minderjarige] niet over haar bankrekening beschikken en geen nieuwe rekening openen. Dat is de reden geweest voor de benoeming van de bijzondere curator door de kantonrechter. Ook is er kinderbijslag van de rekening van [minderjarige] (bedoeld voor haar dochtertje) gehaald door de moeder. Ter zitting is daarover namens de moeder verklaard dat zij dit geld wilde veiligstellen en heeft bewaard voor haar kleindochter, maar eerder heeft zij gezegd dat zij daarmee een mobiele telefoon heeft verrekend. Wat de reden ook is, de moeder heeft [minderjarige] financieel klem gezet. [minderjarige] heeft daar veel last van en het zorgt enkel voor verdere verwijdering van elkaar. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat de moeder niet in het belang van [minderjarige] handelt en schade toebrengt aan de ontwikkeling en toekomst van [minderjarige] . Het is een verdrietige constatering dat [minderjarige] – als kind en jonge moeder – niet kan rekenen op haar moeder en daarmee een belangrijke steunfiguur in haar leven mist.4.6.. Voor de rechtbank is duidelijk dat de moeder de verzorging en opvoeding van [minderjarige] feitelijk niet draagt en dat ook niet meer zal doen.Daarnaast is de rechtbank ook van oordeel dat de moeder, anders dan zij stelt, bewust op een kwalijke manier met haar gezagspositie omgaat omdat ze het oneens is met de keuze van [minderjarige] voor haar relatie en geloofsovertuiging. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van misbruik van gezag.In het licht van de zorgen die de moeder zegt te hebben is haar handelen ook onbegrijpelijk voor de rechtbank. Door haar weigerachtige houding en het financieel klemzetten moet [minderjarige] juist steunen op haar schoonfamilie, die door de moeder wordt beticht van slechte intenties.\n\n4.7.. De onderliggende zorgen van de moeder maken het oordeel van de rechtbank over het gezag niet anders. De rechtbank hecht eraan deze zorgen wel te bespreken, mede omdat deze aanleiding zijn geweest voor de kinderrechter om de Raad om advies te vragen.4.8.. Kort gezegd is volgens de moeder sprake van een afhankelijkheidsrelatie van [minderjarige] ten opzichte van haar vriend, tevens de vader van hun dochtertje, en zijn familie. De moeder heeft [minderjarige] zien veranderen en keuzes zien maken die zij niet op een andere manier kan verklaren. Die afhankelijkheid zou onder meer blijken uit een Islamitisch huwelijk gesloten op haar 14e verjaardag (in 2024). De moeder is het er daarom niet mee eens dat [minderjarige] onder toeziend oog van de gecertificeerde instelling bij de schoonouders verblijft.4.9.. De kinderrechter heeft deze zorgen serieus genomen en op basis van de verklaringen geoordeeld dat de signalen van een religieuze huwelijksvoltrekking tijdens de minderjarigheid van [minderjarige] moeten worden onderzocht. De signalen waren onder meer verklaringen over een ceremoniële setting in het bijzijn van een Imam en een foto op de 14e verjaardag van [minderjarige] en haar vriend met een document voor zich dat [minderjarige] in haar bezit zou hebben. Op verzoek van de kinderrechter heeft de Raad onderzoek gedaan naar de situatie van [minderjarige] om advies te kunnen geven over de machtiging tot uithuisplaatsing.\n\n4.9.. Op basis van zijn onderzoek heeft de Raad niets kunnen vinden dat erop duidt dat hier sprake is van een Islamitisch huwelijk, een gedwongen huwelijk of een gedwongen kindhuwelijk. Aan geen van de formele vereisten daarvoor is voldaan. De signalen berusten volgens de Raad op misverstanden. [minderjarige] en haar vriend hebben -in aanwezigheid van een vriend- op haar 14e verjaardag hun verkering naar elkaar uitgesproken, met een zelf gemaakt document. Dit is weggegooid toen [minderjarige] de relatie voor de geboorte van het dochtertje heeft verbroken. Ook is, aldus de Raad, niet gebleken van een gedwongen of ongewenste afhankelijkheid van [minderjarige] ten opzichte van haar vriend en schoonouders. Evenals de gecertificeerde instelling ziet de Raad geen aanleiding om de bedoelingen van de schoonouders in twijfel te trekken. Zij bieden haar geborgenheid en veiligheid en ondersteunen haar op alle gebieden, met oog en ruimte voor haar ontwikkeling als adolescent. Ze gaat weer volledig naar school en pakt samen met haar vriend de verzorging van hun dochtertje goed op. De slotsom is dat het juist fijn is voor [minderjarige] dat zij door dit gezin is opgevangen, nu zij geen steun vindt bij haar moeder.\n\n4.10.. De rechtbank constateert dat de zorgen over een vermeend kindhuwelijk voldoende zijn weggenomen door het rapport van de Raad. De beschikbare informatie wijst niet uit dat het religieuze huwelijk heeft plaatsgevonden. Overigens zou het nietig zijn als dat wel het geval was. Verder worden de zorgen van de moeder over een gedwongen of onwenselijke afhankelijkheidspositie van [minderjarige] ten opzichte van haar schoonfamilie niet door de feiten gesteund. De vrees dat [minderjarige] in een situatie zit waar zij niet uit kan komen is voldoende weggenomen door het onderzoek van de Raad. Daarbij merkt de rechtbank op dat de relatie tussen [minderjarige] en haar vriend eerder een periode verbroken geweest, en ook toen zijn er geen zorgen ontstaan over dwang vanuit of (negatieve) beïnvloeding door (de familie van) haar vriend. Tot slot zijn er veiligheidsafspraken gemaakt door de gecertificeerde instelling met de schoonouders om risico’s weg te nemen, zoals de afspraak dat indien de relatie tussen [minderjarige] en haar vriend zou uit gaan, zij met het dochtertje bij de schoonouders kan blijven wonen en hij zal verhuizen. Feit is dat zij nu ook samen ouders zijn en de zorg dragen voor hun dochtertje, over wie overigens geen zorgen bestaan.\n\n4.11.. Uit het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie, voor zover dat aan haar oordeel is onderworpen, dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in het gezin van haar schoonouders op dit moment in haar belang is.4.12.. Door de beëindiging van het gezag van de moeder moet de rechtbank een voogd over [minderjarige] benoemen die voortaan de gezagsbeslissingen neemt.De gecertificeerde instelling heeft verklaard dat te willen doen en de rechtbank vindt dat in het belang van [minderjarige] . De jeugdbeschermers hebben [minderjarige] intensief gesteund in de afgelopen maanden. Daardoor is het [minderjarige] gelukt om ondanks de onrust positieve stappen te zetten, zoals op school en ten aanzien van haar eigen moederschap. De rechtbank heeft het vertrouwen dat de gecertificeerde instelling de belangen van [minderjarige] zal behartigen en in het bijzonder oog zal houden voor de kwetsbare positie van [minderjarige] in relatie tot haar moeder en schoonfamilie. Bovendien draagt de gecertificeerde instelling ook de voogdij over het dochtertje.\n\n4.13.. Bij de benoeming van de voogdij zal de rechtbank bepalen dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] .Dat betekent dat zij de gecertificeerde instelling op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.4.14.. De beslissing tot beëindiging van het ouderlijk gezag wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n4.15.. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat.\n\n4.16.. Als gevolg van de beslissing over het gezag, de voogdij en de uitvoerbaarheid bij voorraad is er geen belang meer bij een beslissing op het aangehouden verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing. Voor de volledigheid zal de rechtbank dat verzoek voor het overige afwijzen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. \n\nbeëindigt het ouderlijk gezag van de moeder\n\n [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\n over de minderjarige\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\n5.2.. \n\nbenoemt tot voogd over voornoemde minderjarige\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\n5.3.. bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van voornoemde minderjarige;5.4.. wijst het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling over de machtiging tot uithuisplaatsing af;5.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. R.G. de Lange-Tegelaar, mr. M.H. Rochat en mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.\n\nDe beslissing is schriftelijk vastgesteld op 25 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 810, eerste lid, Rv.\n\n Zaaknummer C\u002F09\u002F692121 \u002F JE RK 25-1662\n\n Zaaknummer C\u002F09\u002F705647 \u002F FA RK 26-5095.\n\n Zaaknummer 12118647 EJ26-71285, pro forma aangehouden tot 19 september 2026.\n\n Artikel 1:266, eerste lid, BW.\n\n Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.\n\n Artikel 1:266, eerste lid, sub a, BW.\n\n Artikel 1:266, eerste lid, sub b, BW.\n\n Artikel 1:275, eerste lid, BW.\n\n Artikel 1:276, eerste lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17469","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.578Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":56,"fullText":65,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":36,"updatedAt":67},"604","ECLI:NL:RBDHA:2026:17468","ecli-nl-rbdha-2026-17468","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F704951 \u002F JE RK 26-804\n\nDatum uitspraak: 28 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats\n\nin de zaak van\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [de pleegoma],\n\nhierna te noemen: de pleegoma,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader, bijgestaan door een tolk in de Hongaarse taal;\n\n- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.\n\n- de pleegoma.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] verblijft in een pleeggezin.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 9 oktober 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De gecertificeerde instelling verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] verblijft bij haar pleegoma en haar twee zusjes verblijven in een gezinshuis. [minderjarige] heeft al langer de wens om bij haar zusjes te wonen. De afgelopen periode is met alle betrokkenen, zowel de gezinshuisouders, de pleegoma als de jeugdbeschermer, besloten dat dit ook in het belang is van [minderjarige] . Voor de gecertificeerde instelling weegt het belang van family life en de situatie dat de zussen samen kunnen opgroeien zwaar. Dit is essentieel voor de identiteitsontwikkeling van een kind, het gevoel van verbondenheid en emotionele stabiliteit. Daarnaast heeft [minderjarige] aangegeven dat zij zich eenzaam voelt bij pleegoma. De gezinshuisouders (en de betrokken gedragswetenschapper) hebben realistisch zicht op de risico’s die de overplaatsing met zich meebrengt. Dit risico ligt met name in de verzorgende rol die [minderjarige] op zich kan nemen ten opzichte van haar zusjes – zij heeft eerder parentificatie laten zien – en de verandering in de gezinsdynamiek in het gezinshuis. Het is daarom belangrijk dat de overplaatsing plaatsvindt met een duidelijke opbouw, met intensieve begeleiding en duidelijk afspraken over de rollen, grenzen en verwachtingen. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat de afgelopen periode de opbouw boven verwachting goed is verlopen. Verder is het van belang dat de pleegoma, nu zij een belangrijk hechtingsfiguur is voor [minderjarige] , een structurele rol blijft behouden in het leven van [minderjarige] door vaste contactmomenten en logeerweekenden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De vader kan instemmen met de wijziging van het verblijf. Hij vindt het heel fijn dat de drie kinderen samen gaan verblijven in één huis.\n\n4.2.. De pleegoma heeft naar voren gebracht dat zij kan instemmen met het verzoek. Het belangrijkste voor de pleegoma is dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zij op de plek is, waar zij het allerliefste is. De afgelopen periode heeft [minderjarige] al veel in het gezinshuis verbleven en op dit moment is er ongeveer een 50\u002F50 verdeling tussen het gezinshuis en de pleegoma. Als [minderjarige] in het gezinshuis verblijft, zal zij wel nog één keer in de drie weken een weekend naar de pleegoma toe gaan, als de gezinshuisouders hun ‘vrije weekend’ hebben. Daarnaast is [minderjarige] altijd welkom om langs te komen.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] gedurende ten minste één jaar door de pleegoma wordt opgevoed en verzorgd, waardoor er op grond van artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek toestemming van de kinderrechter vereist is om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen.\n\n5.2.. Uit de toelichting op het verzoek en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat het de bedoeling is dat [minderjarige] niet langer bij de pleegoma zal wonen, maar in het gezinshuis, waar ook haar twee zusjes wonen, zal gaan verblijven. Hoewel dit niet met zoveel woorden door de gecertificeerde instelling is verzocht, zal de kinderrechter, nu er sprake is van een andere categorie machtiging, het verzoek zo opvatten dat tegelijkertijd wordt verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening.\n\n5.3.. De kinderrechter zal toestemming geven voor de wijziging van het verblijf van [minderjarige] en zal in het verlengde daarvan een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor een gezinsgerichte voorziening tot het einde van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.4.. \n [minderjarige] heeft tegen zowel de pleegoma als de jeugdbeschermer de wens geuit dat zij graag bij haar zusjes wil wonen en opgroeien. Dit heeft zij ook aan de kinderrechter verteld. Uit de stukken volgt dat de pleegoma ziet dat [minderjarige] zich eenzaam voelt en moeite heeft met aansluiting bij haar leeftijdsgenoten. Net als de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] haar ontwikkeling is dat zij in het gezinshuis gaat verblijven. De zusjes hebben bij een uithuisplaatsing recht op family life en dienen in principe samen geplaatst te worden, tenzij er sterke contra-indicaties zijn voor het samen plaatsen van de kinderen. De kinderrechter is van oordeel dat deze contra-indicaties bij [minderjarige] niet aan de orde zijn. Net als de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van mening dat de overplaatsing kan bijdragen aan de identiteits- en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast hebben alle betrokkenen, zowel de gezinshuisouders, de pleegoma en de gecertificeerde instelling dezelfde (positieve) visie over de overplaatsing en erkennen zij ook de risico’s die dit met zich meebrengt. Het is goed om te horen dat de gefaseerde opbouw naar het gezinshuis tot nu toe positief (en zelfs boven verwachting) verloopt. De kinderrechter heeft er voldoende vertrouwen in dat alle betrokken partijen steeds zorgvuldig blijven monitoren wat er nodig is voor [minderjarige] , of haar zusjes, om de plaatsing in goede banen te leiden. Daarbij is het ook zeer helpend dat het contact tussen de gezinshuisouders en de pleegoma goed is en er korte lijntjes zijn tussen hen. Verder heeft de overplaatsing geen dusdanige invloed op het contact tussen [minderjarige] en de vader en heeft de vader uitdrukkelijk aangegeven achter het samen plaatsen van de kinderen te staan. Ter zitting heeft de kinderrechter de vader nog wel op het hart gedrukt dat het ontzettend belangrijk is – zoals zij ook in de vorige beschikking heeft opgeschreven – dat hij de bezoekafspraken met [minderjarige] nakomt. [minderjarige] heeft de kinderrechter namelijk verteld dat zij er veel last van heeft als de vader zijn afspraken afzegt. De kinderrechter doet hierom nogmaals een uitdrukkelijk beroep op de vader om de bezoekafspraken na te komen. Ten slotte is het positief, nu de pleegoma een stabiel hechtingsfiguur is voor [minderjarige] , dat de pleegoma ook na de overplaatsing nog structureel betrokken blijft in het leven van [minderjarige] . Gelet op het voorgaande is kinderrechter van oordeel dat de overplaatsing het meest in het belang van [minderjarige] is.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verleent William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een gezinsgerichte voorziening;\n\n6.2.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 28 mei 2026 tot 9 oktober 2026, zijnde het einde van de ondertoezichtstelling.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17468","2026-07-13T00:28:38.913Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":56,"fullText":72,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":36,"updatedAt":75},"619","ECLI:NL:RBDHA:2026:15461","ecli-nl-rbdha-2026-15461","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705617 \u002F JE RK 26-883\n\nDatum uitspraak: 28 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nRaad voor de Kinderbeschermingte Den Haag,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [de minderjarige] ,\n\nadvocaat mr. mr. J. Looman uit Wassenaar.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder 1] ,\n\nhierna te noemen: [de moeder 1] ,\n\nen\n\n [de moeder 2] ,\n\nhierna te noemen: [de moeder 2] ,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nhierna ook tezamen te noemen: de ouders.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 4 juni 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met aanhouding van het overige deel van het verzoek.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 21 mei 2026 en de hierin genoemde stukken;\n\n- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 28 mei 2026.\n\n1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- [de minderjarige] met haar advocaat;\n\n- de ouders;\n\n- [naam 1] , namens de Raad;\n\n [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;\n\nde ambulante opvoedondersteuner van Impegno, [naam 3] , als toehoorder.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van haar advocaat, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De kinderrechter heeft op verzoek van [de minderjarige] de inhoud van het gesprek vertrouwelijk gehouden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de minderjarige] verblijft bij [instelling] .\n\n2.2.. De kinderrechter verwijst voor een weergave van de overige feiten naar de beschikking van 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de resterende duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.\n\n3.2.. Er zijn al langere tijd grote zorgen bestaan over de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] . [de minderjarige] vertoont fors zelfbepalend gedrag, loopt veelvuldig weg, houdt zich niet aan de afspraken en accepteert geen grenzen. Daarnaast zijn er signalen dat [de minderjarige] contacten heeft met meerderjarige mannen waarmee zij seksuele handelingen zou verrichten in ruil voor wiet en vapes en zijn er signalen dat zij zichzelf beschadigt. Aangezien de thuissituatie niet langer houdbaar was, verblijft [de minderjarige] sinds oktober 2025 bij Ipse de Bruggen. Bij Ipse de Bruggen, waar [de minderjarige] voorheen verbleef, zijn de zorgen de afgelopen periode echter steeds verder toegenomen. [de minderjarige] loopt ’s nachts steeds vaker weg en is dan nachten achtereen weg. Op die momenten is het onduidelijk met wie en waar zij is. [de minderjarige] brengt zichzelf in gevaarlijke en risicovolle situaties en zij lijkt vaker onder invloed te zijn van drugs en\u002Fof alcohol. Ook zijn er signalen dat in haar omgeving cocaïne wordt gebruikt. Er zijn tevens ernstige zorgen over haar sociale netwerk. [de minderjarige] en haar vriendje zouden samen een scooter hebben gestolen en zich hierop verplaatsen zonder helm en zonder rijbewijs. Ook zijn er zorgen dat [de minderjarige] beelden van zichzelf deelt op sociale media waarop zij seksuele handelingen uitvoert. Bij [de minderjarige] ontbreekt het aan probleeminzicht en zij is niet aanspreekbaar op haar gedrag. Hiernaast gaat zij ook niet meer naar school. De ouders zijn op dit moment wel bereid, maar niet, althans onvoldoende, in staat om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Ook op de open groep lukt het niet meer om [de minderjarige] te begrenzen in haar gedrag en haar veiligheid voldoende te waarborgen. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is nodig om zicht te houden op de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] , regie te voeren over de (in te zetten) hulpverlening voor [de minderjarige] en de ouders te ondersteunen bij de beslissingen die genomen moeten worden in [de minderjarige] haar belang. Daarnaast is een gesloten plaatsing noodzakelijk omdat dit op dit moment de enige manier is om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen en [de minderjarige] tot rust te laten komen en te stabiliseren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De advocaat van [de minderjarige] heeft naar voren gebracht dat hij de zorgen begrijpt. Beide moeders zijn erg betrokken en [de minderjarige] is een lief meisje en het is van belang dat zij weer rust en stabiliteit krijgen zodat een passend hulpverleningstraject kan worden gestart, om uiteindelijk weer tot de situatie te komen dat [de minderjarige] terug naar huis kan. Wel is het zorgelijk dat er zorgen worden uitgesproken over het rondgaan van filmpjes van [de minderjarige] waarop zij seksuele handelingen zou verrichten en dat [de minderjarige] mogelijk met meerderjarige mannen zou omgaan, terwijl er geen duidelijke bron voor deze zorgen in het rapport wordt vermeld en dat deze ook niet ter zitting kan worden genoemd. Dit is temeer vervelend omdat [de minderjarige] ontkent dat hier sprake van is.\n\n4.2.. De ouders hebben ingestemd met het verzoek. Zij maken zich zorgen om [de minderjarige] en hopen dat zij snel de hulp krijgt die zij nodig heeft.\n\n4.3.. De gecertificeerde instelling heeft zich achter het verzoek van de Raad geschaard.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.\n\n5.2.. De kinderrechter overweegt daartoe dat er al lange tijd ernstige zorgen zijn over de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] , en dat deze in de afgelopen periode zelfs fors zijn toegenomen. [de minderjarige] gaat niet naar school, loopt weg en is soms nachten lang weg waarbij onduidelijk is met wie en waar zij is. Ook gebruikt zij middelen en alcohol. Hoewel [de minderjarige] ontkent dat er sprake zou zijn van (seksueel) contact met meerderjarige mannen en filmpjes hiervan, lijken er in ieder geval sprake te zijn van situaties waar [de minderjarige] haar veiligheid en ontwikkeling in gevaar komen en waarvan het noodzakelijk is dat er meer zicht op komt en onderzoek naar gedaan wordt. De kinderrechter ziet dat de ouders liefdevol en betrokken zijn, maar dat de band tussen hen en [de minderjarige] verstoord is, en gunt het hen dat zij weer als gezin liefdevol contact kunnen hebben om zo toe te werken naar een veilige thuisplaatsing. Tot die tijd is het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken blijft en de noodzakelijke hulpverlening inzet voor [de minderjarige] . De komende periode is de gesloten plaatsing noodzakelijk met als doel de veiligheid te waarborgen, stabiliteit te creëren en passende behandeling mogelijk te maken.\n\n5.3.. Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de resterende duur van drie maanden en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.5.4.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 4 juni 2026 tot 21 augustus 2026;\n\n6.2.. verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 juni 2026 tot 21 augustus 2026;\n\n6.3.. verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15461","2026-06-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.559Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":80,"fullText":81,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":36,"updatedAt":84},"319","ECLI:NL:RBDHA:2026:17388","ecli-nl-rbdha-2026-17388","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2407\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701129\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Gezagsuitoefening\n\nBeschikking op het op 10 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.M. Siemerink-Looten in ‘s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 18 maart 2026 met bijlagen van de moeder.\n\nOp 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nDe vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\n [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder heeft verzocht om voor recht te verklaren dat zij gerechtigd is om [minderjarige] te laten inenten volgens het Rijksvaccinatieprogramma, althans om te bepalen dat de moeder [minderjarige] de reguliere inentingen mag laten toedienen door een arts, verbonden aan een consultatiebureau in Den Haag, waarbij het tempo van de vaccinaties wordt bepaald door deze of een andere daartoe bevoegde arts, althans de moeder toestemming te geven voor het laten toedienen van de reguliere vaccinaties bij [minderjarige] , als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe vader heeft geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nVervangende toestemming vaccinaties\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\nDe moeder stelt dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij wordt gevaccineerd volgens het vaccinatieprogramma van de Rijksoverheid, om (kinder)ziektes te voorkomen. Er is op dit moment geen contact tussen de ouders, mede door het lopende contactverbod. De advocaat van de moeder heeft de advocaat van de vader aangeschreven over de vaccinaties, maar ook via deze weg geen toestemming gekregen.\n\nDe vader heeft kort voor de zitting telefonisch aan de griffie laten weten dat hij al toestemming heeft gegeven voor de vaccinaties.\n\nUit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader niet op schrift heeft gezet dat hij toestemming geeft voor de vaccinatie van [minderjarige] , terwijl het consultatiebureau wel een schriftelijke verklaring wil zien waaruit de toestemming voor de inentingen blijkt. De moeder heeft daarom nog belang bij een beslissing op haar verzoek.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het in het belang en ter bescherming van kinderen noodzakelijk is dat zij volgens het van overheidswege opgestelde rijksvaccinatieprogramma worden gevaccineerd. Uit artikel 3 eerste lid van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), volgt dit ook, nu daarin is bepaald dat voor de rechtbank bij alle maatregelen betreffende kinderen het belang van het kind een eerste overweging vormt en in de regel de doorslag behoort te geven, Daarbij behoort ook het hanteren van het voorzorgsbeginsel, namelijk het meewegen van mogelijke risico’s bij het nemen van beslissingen over kinderen en deze risico’s zo mogelijk te verkleinen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen en toestemming verlenen om [minderjarige] te laten inenten volgens het rijksvaccinatieprogramma.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\ngeeft de moeder toestemming, welke die van de vader vervangt, om de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , te laten inenten volgens het rijksvaccinatieprogramma;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17388","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.226Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":89,"fullText":90,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":92,"parsedAt":36,"updatedAt":93},"1700","ECLI:NL:RBDHA:2026:17298","ecli-nl-rbdha-2026-17298","2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705130 \u002F JE RK 26-831\n\nDatum uitspraak: 26 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\n'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. C.M. Emeis uit Den Haag.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden Haaglanden,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 13 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 27 mei 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 13 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;\n\n- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 25 mei 2026.\n\n1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- [minderjarige] met haar advocaat;\n\n- [naam 1] namens de Raad;\n\n [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\neen pedagogisch medewerker vanuit [zorginstelling] is door de kinderrechter aangemerkt als informant.\n\nDe vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast zij wel juist zijn opgeroepen.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover - in het bijzijn van haar advocaat en de pedagogisch medewerker - een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] .\n\n2.2.. Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 13 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.\n\n3.2.. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. Er zijn al langere tijd ernstige zorgen over [minderjarige] op meerdere leefgebieden. Sinds november 2025 onttrekt zij zich structureel aan toezicht vanuit haar ouders, school, hulpverlening en verblijfslocaties en laat zij zich onvoldoende begrenzen. [minderjarige] liep herhaaldelijk langdurig weg en geeft geen openheid over waar zij verbleef of met wie zij was. [minderjarige] is door de politie aangetroffen met een mes op zak. Er is een reëel risico dat [minderjarige] wordt beïnvloed, ingezet of uitgebuit door anderen. Zij is betrapt bij winkeldiefstallen en brandstichting en heeft zelf aangegeven drugs te hebben gedeald. [minderjarige] gaat al langere tijd niet naar school, onder meer doordat zij niet meer welkom is na meerdere dreigincidenten. Zij heeft geen passende dagbesteding en geen stabiel dag- en nachtritme. Er zijn zorgen over het eetgedrag, zelfbeeld, de emotieregulatie en het probleeminzicht van [minderjarige] . [minderjarige] doet suïcidale uitspraken en heeft aangegeven thuis mishandeld te worden, wat de vader en de moeder ontkennen. De moeder lijkt handelingsverlegen en onvoldoende in staat te zijn om [minderjarige] te begrenzen en haar veiligheid te waarborgen. Binnen het vrijwillig kader is er veel hulpverlening ingezet. Eerdere plaatsingen binnen het open kader hebben onvoldoende veiligheid geboden, omdat [minderjarige] daar weg is gelopen. Een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp is noodzakelijk om [minderjarige] in een veilige en beschermde setting tot rust te laten komen en te stabiliseren. Daarnaast moet onderzocht worden waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt en welke hulpverlening passend is zodat er toegewerkt kan worden naar een open setting. Het is belangrijk dat [minderjarige] open is over wat zij heeft meegemaakt en hulpverlening aanvaardt. Daarna kan er mogelijk gewerkt worden aan de relatie tussen [minderjarige] en haar ouders.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Door en namens [minderjarige] is ingestemd met de voorlopige ondertoezichtstelling. Zij vindt het goed dat er een jeugdbeschermer uitzoekt welke hulp zij nodig heeft en wat er ingezet kan worden. Namens [minderjarige] heeft de advocaat zich met betrekking tot de gesloten machtiging gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. [minderjarige] wil niet thuis wonen, maar begrijpt niet waarom zij gelijk gesloten geplaatst moet worden. Het gaat goed met haar en [minderjarige] gaat op [zorginstelling] elke dag naar school. Zij wil naar een open plek die goed bij haar past en [minderjarige] zal hier elke dag naar school gaan. [minderjarige] liep weg, omdat zij overdag niet naar school kon en thuis probleem had met haar ouders. [minderjarige] denkt dat een gesloten plaatsing averechts werkt, omdat zij geïrriteerd wordt als zij te weinig naar buiten kan om haar energie kwijt te raken. De advocaat heeft aangevuld dat als aan [minderjarige] te veel regels worden opgelegd en haar vrijheid te veel wordt beperkt, dit escalerend werkt.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. Er zijn zorgen over [minderjarige] op meerdere leefgebieden. Zo zijn er zorgen over haar wegloopgedrag, het netwerk van [minderjarige] en de risicovolle situaties waarin zij terecht komt. Daarnaast heeft [minderjarige] zorgelijke uitspraken gedaan over suïcide en wat zij heeft meegemaakt in de thuissituatie. Het is noodzakelijk dat er nader onderzocht wat er in de thuissituatie van [minderjarige] en tijdens de periodes dat zij weg is gelopen is gebeurd. Daarnaast is het noodzakelijk dat er met [minderjarige] wordt gesproken over waar haar gedrag vandaan komt en welke hulpverlening passend voor haar kan zijn. Het is positief dat [minderjarige] heeft aangegeven hulpverlening te willen en dagelijks weer naar school zou willen gaan. Het is noodzakelijk dat er de komende periode een jeugdbeschermer betrokken is die een band met [minderjarige] op kan bouwen, goed naar haar kan luisteren, en onderzoekt welke hulpverlening passend is.\n\n5.3.. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.\n\n5.4.. De vader en de moeder van [minderjarige] zijn momenteel niet in staat om haar te begrenzen en haar veiligheid te waarborgen. In het vrijwillig kader heeft [minderjarige] meermaals op open groepen verbleven, maar is zij hier steeds weggelopen. Er zijn grote zorgen over waar en met wie [minderjarige] dan is en in welke onveilige situaties zij zich begeeft. Hoewel [minderjarige] zelf aangeeft dat zij er altijd voor zorgt dat zij niet in onveilige situaties terecht komt, overziet zij de risico’s onvoldoende. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] binnen het gesloten kader veilig is en kan stabiliseren. Het is belangrijk dat zij hier passende ondersteuning, begeleiding en dagbesteding heeft. Het van belang dat [minderjarige] open is naar de jeugdbeschermer en de hulpverleners en dat zij laat zien dat zij zich aan de regels van de groep kan houden. [minderjarige] kan dan verdere vrijheden opbouwen en laten zien dat zij met verantwoordelijkheid om kan gaan zodat er toegewerkt kan worden naar een passende vervolgplek,\n\n5.5.. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht tot 13 augustus 2026. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 13 augustus 2026.5.6.. De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 27 mei 2026 tot 13 augustus 2026;\n\n6.2.. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 mei 2026 tot 13 augustus 2026.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 19 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17298","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.254Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":98,"fullText":99,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":36,"updatedAt":102},"1464","ECLI:NL:RBDHA:2026:15848","ecli-nl-rbdha-2026-15848","2026-05-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F704279 \u002F JE RK 26-735\n\nDatum uitspraak: 12 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over de afwijzing van een verzoek tot ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\n'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover:\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\nhierna te noemen: de (beoogde) gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 april 2026, mee in de beoordeling.\n\n1.2.. De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader;\n\n- de moeder;\n\n- [naam 1] , namens de Raad;\n\n- [naam 2] en [naam 3] , namens de (beoogde) gecertificeerde instelling.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met toestemming van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn met elkaar gehuwd.\n\n2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.3.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. \n\nDe Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De Raad maakt zich zorgen over de ingrijpende gebeurtenissen die de kinderen hebben meegemaakt in het verleden en over de individuele ontwikkeling van de kinderen. In het verleden zijn de kinderen blootgesteld aan de spanningen tussen de ouders, waarbij onder meer middelengebruik, huiselijk geweld, politiecontacten en de toeslagenaffaire een rol hebben gespeeld. De ouders hanteren verschillende opvoedstijlen, waardoor er een gebrek aan structuur en regelmaat is thuis. Beide ouders zijn belast met persoonlijke problematiek. De moeder is oververmoeid en heeft depressieve klachten. De vader komt in aanraking met politie en gebruikt middelen. De ouders zijn hierdoor minder beschikbaar voor de hulpverlening. De kinderen, die nu bij de moeder wonen, ondermijnen het gezag van de moeder en het lukt haar, mede vanwege de disbalans in haar draagkracht, niet om de kinderen hierop aan te spreken. De vader is qua opvoedstijl toegeeflijker dan de moeder. Hierdoor blijven de kinderen hun eigen gang gaan. Ten aanzien van [minderjarige 1] zijn er zorgen over zijn emotie- en agressieregulatie (onder meer richting zijn ex-vriendin die stelt te zijn mishandeld), uitval op school, middelengebruik, veelvuldige politiecontacten (wat heeft geleid de persoonsgerichte aanpak) en het zorgelijke netwerk waar hij zich in bevindt. Door deze problematiek stagneert [minderjarige 1] in zijn ontwikkeling. Ten aanzien van [minderjarige 2] zijn er zorgen over de manier waarop hij discussies aangaat op school, die eerder hebben geleid tot schorsingen, de vriendengroep waar hij mee optrekt die veel overlast in de buurt veroorzaakt en een aantal politiecontacten. De hulpverlening die tot nu toe is ingezet is onvoldoende toereikend gebleken om de zorgen rondom de kinderen af te wenden. De Raad ziet dat de ouders mee willen werken aan de hulpverlening en zich in willen zetten om de zorgen bij de kinderen weg te nemen. Toch is het de ouders niet gelukt zelfstandig het tij te keren. Voor het gezin zou intensieve gezinsbehandeling ingezet kunnen worden opdat de onderlinge communicatie verbeterd kan worden en de opvoedstijlen beter op elkaar afgestemd kunnen worden. De Raad vraagt zich echter af of deze hulpverlening van de grond gaat komen, aangezien het hele gezin hieraan moet meewerken en de moeder wegens overbelasting mogelijk onvoldoende kan meewerken en de medewerking van [minderjarige 1] ontbreekt.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De moeder vindt dat een ondertoezichtstelling te veel verplichtingen met zich meebrengt en is bang dat zij hierdoor nog meer overbelast raakt dan dat zij nu al is. De moeder zou graag willen dat [minderjarige 1] gemotiveerd raakt om aan zijn toekomst te werken. De moeder is bereid alle hulpverlening die binnen het vrijwillig kader wordt aangeboden te accepteren. De moeder maakt zich geen zorgen om [minderjarige 2] , nu zijn gedrag past bij zijn leeftijd en voortvloeit uit zijn pubertijd.\n\n4.2.. De vader vindt een ondertoezichtstelling voor de kinderen niet nodig. De vader heeft voldoende grip op de kinderen en kan de moeder ondersteunen. De voornaamste zorg die de aanleiding vormde om dit verzoek in te dienen, namelijk de interactie tussen [minderjarige 1] en zijn ex-vriendin, zijn niet meer aanwezig. Deze zorg was uiteindelijk ook de reden dat er een onderzoek werd ingesteld naar [minderjarige 2] . Een ondertoezichtstelling heeft volgens de vader geen meerwaarde.\n\n4.3.. De (beoogde) gecertificeerde instelling ziet dat er grote zorgen bestaan binnen het gezin. De gecertificeerde instelling trekt de haalbaarheid van de maatregel in twijfel. Om de zorgen binnen dit gezin weg te nemen wordt gedacht aan het inzetten van intensieve hulpverlening, waar zowel de ouders als de kinderen aan mee zullen moeten werken. De beoogde gecertificeerde instelling verwacht echter niet dat deze hulp van de grond gaat komen. De grootste zorgen liggen rondom [minderjarige 1] en hij moet vanwege zijn leeftijd toestemming geven voor het aangaan van hulpverlening. De verwachting is dat hij deze toestemming niet zal geven. De motivatie zal vanuit [minderjarige 1] zelf moeten komen en een jeugdbeschermer kan hier weinig in betekenen.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter moet beoordelen of aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW), wordt voldaan. De kinderrechter overweegt daarover het volgende.\n\n5.2.. De kinderrechter constateert gelet op hetgeen uit het dossier en op de zitting naar voren is gekomen dat er ten aanzien van [minderjarige 1] sprake is van een ernstige bedreigde ontwikkeling. Deze ontwikkelingsbedreiging ligt in zorgen over de gestagneerde schoolgang, het middelengebruik, de veelvuldige politie- en justitie contacten en de emotie- en agressieregulatie problematiek. De kinderrechter ziet evenwel geen aanleiding om de verzochte ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] toe te wijzen en overweegt daartoe als volgt. De beoogde gecertificeerde instelling heeft – in lijn met het advies van de Raad – ter zitting aangegeven ter afwending van de zorgen binnen dit gezin intensieve hulpverlening (Multi-Dimensionele FamilieTherapie; MDFT) in te willen zetten. Om dergelijke hulpverlening te laten slagen moeten zowel de ouders als [minderjarige 1] – mede gelet op zijn leeftijd – hun toestemming danwel medewerking daaraan verlenen. Omdat [minderjarige 1] hiervoor nu niet openstaat en de moeder zich vanwege overbelasting op dit moment niet kan committeren aan dergelijke intensieve gezinsbehandeling, is de kinderrechter, net als de beoogde gecertificeerde instelling en de Raad stellen, van oordeel dat dergelijke hulpverlening op dit moment moeilijk is te realiseren. Daarbij geldt dat andere hulpverlening (zoals de inzet van een coach) niet alleen al eerder vrijwillig is ingezet en thans onvoldoende wordt geacht, maar dat [minderjarige 1] – gelet op zijn leeftijd – ook hieraan zijn medewerking moet verlenen. Verder is uit het dossier en hetgeen op de zitting is besproken gebleken dat de ouders zeer betrokken zijn bij de kinderen en zich actief inspannen om de kinderen te begeleiden en stimuleren naar een positieve (maatschappelijke) ontwikkeling. Zo zijn de ouders in gesprek met de school van [minderjarige 1] om ervoor te zorgen dat zijn schoolgang weer op gang komt en hij zijn diploma haalt, helpen zij hem mee bij het vinden van een passende stage, zorgen zij dat hij op tijd uit bed komt, dat hij ’s avonds niet op straat hangt en gaat hij mee met het werk van de vader (stratenmaker) voor dagbesteding zolang er geen stage en dagelijkse schoolgang is. Omdat [minderjarige 1] op dit moment beter naar de vader luistert dan naar de moeder, heeft de vader toegezegd een grotere rol op zich te willen nemen in de begeleiding van [minderjarige 1] . Daarbij weegt de kinderrechter mee dat op de zitting is gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders al geruime tijd goed is en dat de ouders in de zorg voor de kinderen eensgezind willen optrekken. De kinderrechter is onder deze omstandigheden van oordeel dat de ouders voldoende bereid en in staat moeten worden geacht, ondanks de grote zorgen die er zijn, om de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] weg te nemen. De kinderrechter realiseert zich dat zij hiermee een grote verantwoordelijkheid bij de ouders neerlegt, maar wil de ouders nog een laatste kans geven om samen met elkaar de zorgen rondom [minderjarige 1] aan te pakken. Het hanteren van dezelfde regels en structuur door de beide ouders richting [minderjarige 1] is hierbij van belang. Het is uiteindelijk aan [minderjarige 1] zelf, met de nodige ondersteuning vanuit de ouders en de hulpverlening binnen het vrijwillig kader, om de intrinsieke motivatie te vinden om zich te richten op zijn toekomst.\n\n5.3.. De kinderrechter ziet ten aanzien van [minderjarige 2] daarentegen geen ernstige ontwikkelingsbedreiging, die een vergaand middel van een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. Dit neemt niet weg dat de kinderrechter zich zorgen maakt over de ontwikkeling van [minderjarige 2] . Deze zorgen zien voornamelijk op de manier waarop [minderjarige 2] discussies aangaat op school en de overlastgevende groep waar [minderjarige 2] mee optrekt. Op dit moment is er binnen het vrijwillig kader een coach van [hulpverlener] nauw betrokken bij [minderjarige 2] . [minderjarige 2] ervaart steunt van zijn coach en zet voorzichtig positieve stappen. Dit coachings-traject kan binnen het vrijwillig kader voortgezet worden, mede ook omdat de ouders en [minderjarige 2] hier zelf voor openstaan. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat binnen het vrijwillig kader de huidige zorgen over [minderjarige 2] aangepakt kunnen worden, mede door ondersteuning vanuit zijn coach en de ouders, en hiermee afgewend kunnen worden.\n\n5.4.. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afwijzen.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. wijst het verzoek af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.E. van Reisen als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15848","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.310Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":107,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":36,"updatedAt":109},"1989","ECLI:NL:RBDHA:2026:15435","ecli-nl-rbdha-2026-15435","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F698388 \u002F KG ZA 26-85\n\nVonnis in kort geding van 3 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw]te [woonplaats 1],\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. drs. M. Erkens te Den Haag,\n\ntegen:\n\n [de man]te [woonplaats 2],\n\ngedaagde in conventie,\n\neiser in reconventie,\n\nadvocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties;\n\n- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;\n\n- de op 17 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de advocaat van de vrouw pleitnotities zijn overgelegd.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft met de kinderen in een kindgesprek gesproken.\n\n1.3.. Tijdens de zitting, waarbij naast partijen en hun advocaten ook een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig was, is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten in conventie en in reconventie\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. De ouders zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2005 tot [datum 2] 2025.\n\n2.2.. \n\nZij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:\n\no [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats],\n\no [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats].\n\n2.3.. De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n2.4.. \n\nDe ouders zijn een zorgregeling, inhoudende een co-ouderschap, overeengekomen.\n\nDeze zorgregeling is vastgelegd in een ouderschapsplan. Het ouderschapsplan is\n\nondertekend en vormt onderdeel van de echtscheidingsbeschikking van 24 september 2025. De kinderen verblijven momenteel volledig bij de man.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\nDe vrouw vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, dat:\n\n- de man wordt veroordeeld om de zorgregeling uit de beschikking van 24 september 2025 onverkort na te komen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor elke dag of elk dagdeel dat de man de regeling niet nakomt;\n\n- de kinderen - al dan niet voorlopig - onder toezicht worden gesteld van een gecertificeerde instelling,\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3.2.. Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Na het uiteengaan hebben partijen afspraken gemaakt over de zorgregeling en die vastgelegd in een ouderschapsplan dat is opgenomen in de beschikking van 24 september 2025. De vrouw stelt dat de man de zorgregeling niet nakomt. Zij heeft de kinderen sinds november 2025 niet meer gezien. De kinderen geven volgens de man aan niet meer naar hun moeder te willen. De vrouw is van mening dat de man de kinderen onvoldoende stimuleert om naar de vrouw te gaan en dat hij er niets aan doet om de weerstand die kennelijk bij de kinderen bestaat te doen afnemen. Verder maakt de vrouw zich grote zorgen om de emotionele ontwikkeling van de kinderen. Dat is de reden dat zij verzoekt de kinderen (voorlopig) onder toezicht te stellen, zodat de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek kan verrichten naar de huidige situatie.\n\n3.3.. De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n\nDe man vordert de zorgregeling zoals die is opgenomen in het ouderschapsplan\n\nvan 29 augustus 2025 op te schorten, totdat in een door één van de ouders op te starten\n\nbodemprocedure is beslist, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3.5.. Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De man maakt zich zorgen over het welzijn van de kinderen en is van mening dat de door de vrouw gestarte procedure een negatieve invloed op de kinderen heeft. De man heeft, sinds de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten, de volledige zorg voor de kinderen. De kinderen verzetten zich tegen contact met hun moeder. Verder is sprake van automutilatie bij [minderjarige 2]; [minderjarige 2] heeft in mei 2025 ook een suïcidepoging gedaan. Voor [minderjarige 2] is momenteel hulp vanuit de GGZ ingeschakeld. Voor [minderjarige 1] wordt deze hulp aangevraagd zodra de verhuizing van de man en zijn nieuwe partner naar [plaats] rond is. Volgens de man zijn de omstandigheden na het opstellen van het ouderschapsplan gewijzigd. De kinderen willen niet meer naar hun moeder. Om deze reden hebben partijen nadere afspraken gemaakt en is besproken dat zij de kinderen niet zullen dwingen. Dat de vrouw nu een kort gedingprocedure is gestart is in strijd met deze nadere afspraken. Omdat is gebleken dat bij de kinderen dusdanig veel weerstand tegen de vrouw bestaat dat zij niet meer naar haar toe willen, is de man van mening dat de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan moet worden opgeschort. Een voorlopige ondertoezichtstelling vindt de man niet nodig. De enige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen wordt veroorzaakt door de vrouw, nu zij de kinderen wil dwingen bij haar te komen.\n\n3.6.. De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nin conventie en in reconventie\n\n4.1.. Nu de vorderingen in conventie en reconventie met elkaar samen hangen zullen die hierna gezamenlijk worden besproken.\n\n4.2.. In geschil is of de kinderen weer een deel van de tijd bij de vrouw moeten gaan verblijven of dat de situatie dusdanig gewijzigd is, dat verblijf van de kinderen bij de vrouw op dit moment niet in het belang van de kinderen is.\n\n4.3.. Ter zitting is gebleken dat een onmiddellijke hervatting van de zorgregeling met de vrouw onder de gegeven omstandigheden niet mogelijk is. De kinderen laten momenteel grote weerstand zien tegen contact met hun moeder; zij hebben dat zelf ook tijdens het kindgesprek aangegeven. Het is van groot belang dat de kinderen hulp krijgen om de problemen die zij hebben op te lossen en het contact met hun moeder te herstellen. Vaststaat dat [minderjarige 2] al hulp ontvangt van de GGZ en dat het ook voor [minderjarige 1] van belang is dat zij zo spoedig mogelijk hulp gaat krijgen. De ouders moeten daarbij gezamenlijk optrekken en bezien welke hulp gepast is en snel kan worden gegeven. Het is vervolgens aan de ouders om in samenspraak met de hulpverlening te bezien wanneer en op welke wijze contactherstel kan plaatsvinden. De voorzieningenrechter gaat er daarbij van uit dat ook de man zich ten volle zal inspannen om de kinderen te stimuleren in het contact met de vrouw. Verder kan van hem worden gevergd de vrouw op de hoogte te houden van relevante informatie en ontwikkelingen die de kinderen betreffen, zeker zo lang de vrouw zelf geen contact met hen heeft.\n\n4.4.. De voorzieningenrechter volgt de Raad in het advies om, ten behoeve van een door de man te starten bodemprocedure tot wijziging van de zorgregeling, een raadsonderzoek te gelasten. Daarin zal moeten worden onderzocht welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is en kan tevens worden bekeken of een beschermingsmaatregel door de Raad nodig wordt geacht. Daarom zal in dit vonnis een raadsonderzoek worden gelast met dat doel. Het rapport van de Raad kan dan worden ingebracht in de bodemprocedure. De vader dient daartoe aan de Raad door te geven onder welk nummer de bodemprocedure gaat lopen zodra hij die procedure heeft opgestart. Voor een voorlopige ondertoezichtstelling ziet de voorzieningenrechter onvoldoende reden, net als de Raad. De situatie is weliswaar erg zorgelijk, maar niet dusdanig spoedeisend dat een onderzoek door de Raad niet kan worden afgewacht.\n\n4.5.. Dit alles leidt tot de slotsom dat de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen en die in reconventie zal worden toegewezen, met dien verstande dat zal worden bepaald dat de zorgregeling wordt geschorst zolang geen nadere afspraken tussen partijen zijn gemaakt of de bodemrechter meer of anders heeft beslist.\n\n4.6.. Nu deze zaak een geschil over een zorgregeling betreft zullen de kosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd, waarbij ieder de eigen proceskosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nin conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen af;\n\n5.2.. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\nin reconventie\n\n5.3.. schorst de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan van 29 augustus 2025 totdat partijen (al dan niet in samenspraak met de hulpverlening) nadere afspraken hebben gemaakt of de bodemrechter meer of anders heeft beslist;\n\n5.4.. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\nin conventie en reconventie:\n\n5.6.. gelast de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor onder 4.4. omschreven doel en daarover aan de rechtbank in de nog door de man aanhangig te maken bodemprocedure te rapporteren en advies uit te brengen;\n\n de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de advocaten van de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (de vrouw) en [telefoonnummer 2] (de man);\n\n gelast de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toe te sturen;\n\n5.7.. bepaalt dat de man de Raad direct op de hoogte zal brengen van de start van de bodemprocedure onder vermelding van het betreffende zaaknummer;\n\n=\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.\n\nPH","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15435","2026-07-13T00:29:48.789Z",20]