[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-construction-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":60},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},73,"construction-law-nl","Construction Law","NL","2026-07-08T16:54:31.329Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-03-04T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122926","Burgerlijk Wetboek","art. 6:102",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122927","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 210-216",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"122943","art. 6:171",[34,45,52],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"1002","ECLI:NL:GHDHA:2026:2023","ecli-nl-ghdha-2026-2023","","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.351.028\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F667474 \u002F HA ZA 23-906\n\nArrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSelecta Infrastructuur B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nappellante in principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker, kantoorhoudend in Houten,\n\ntegen\n\nDelta Infratechniek B.V.,\n\ngevestigd in Rijssen,\n\ngeïntimeerde in principaal hoger beroep,\n\nappellante in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.J. Ligtenbarg, kantoorhoudend in Velp.\n\nHet hof noemt partijen hierna Selecta en Delta.\n\n1. De zaak in het kort1.1. Selecta heeft van Delta opdracht gekregen een glasvezelnetwerk aan te leggen. In het kader daarvan heeft zij boorwerkzaamheden verricht in de omgeving van het Leppa Akwadukt in Friesland. Daarbij heeft zij een folielaag in de bodem, toebehorend aan Rijkswaterstaat, doorboord. Dit heeft de uitstroom van bodemwater en het wegspoelen van zand en grond tot gevolg gehad. Het gaat in deze zaak om de vraag of Selecta jegens Delta is tekortgeschoten en de door Delta als gevolg van dit voorval geleden en nog te lijden schade moet vergoeden.1.2. De rechtbank heeft de door Selecta gevorderde verklaringen voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure grotendeels toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 19 december 2024, waarmee Selecta in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024 (niet gepubliceerd);\n\nde memorie van grieven van Selecta, met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord in het principaal appel tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel appel van Delta, met producties;\n\nde memorie van antwoord in het incidenteel appel van Selecta.3. Feitelijke achtergrond3.1. Nu daarover geen discussie bestaat, gaat het hof uit van de door de rechtbank in haar vonnis van 2 oktober 2024 vastgestelde feiten, met een gering aantal aanpassingen en toevoegingen. Het gaat in deze zaak om het volgende.3.2. Delta is een vennootschap binnen het concern van Delta Rijssen Holding B.V.. Binnen de groep geeft Delta opdracht tot de aanleg van glasvezelnetwerken. De eigendom van die glasvezelnetwerken berust na de aanleg bij Delta Rijssen Glasvezel Investeringen B.V., al dan niet indirect, via projectvennootschappen.3.3. Selecta is een aannemingsbedrijf. Delta en Selecta werken regelmatig samen sinds 2013.3.4. Op 14 mei 2020 hebben Delta (aangeduid als Opdrachtgever) en Selecta (aangeduid als Aannemer) een raamovereenkomst gesloten. In de raamovereenkomst staat, voor zover relevant:\n\n“5a. De Aannemer is gehouden de aanleg van de glasvezel netwerken goed en deugdelijk, naar de bepalingen van deze overeenkomst en met inachtneming van de voor de aan te leggen glasvezel netwerken van belang zijnde of toepasselijke wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, uit te voeren.\n\n5b. Tot de verplichtingen van de Aannemer behoort het verkrijgen van de benodigde vergunningen, instemmingen, beschikkingen, meldingen, toestemmingen en ontheffingen voor het aan te leggen glasvezel netwerk. Opdrachtgever zal Aannemer (juridisch) ondersteunen bij het formaliseren en verkrijgen van de vereiste\u002Fbenodigde toestemmingen.\n\n5c. De Aannemer stelt zich voor de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte van de ligging van bestaande kabels en leidingen.\n\n5d. De Aannemer is verplicht de Opdrachtgever bij het aangaan of het tijdens het uitvoeren van deze overeenkomst te waarschuwen voor fouten of gebreken in de door hem voorgeschreven plannen, tekeningen, berekeningen of uitvoeringsvoorschriften, voor tekortkomingen in de door hem gegeven orders of aanwijzingen, alsmede voor gebreken in door de Opdrachtgever ter beschikking gestelde zaken, voor zover de Aannemer deze onvolkomenheden kende of had behoren te kennen.\n\n5e. De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van de aanleg van de glasvezel netwerken is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers.”3.5. Een van de projecten, waartoe Delta onder de raamovereenkomst opdracht heeft gegeven, is de aanleg van een glasvezelnetwerk ten noorden van Heerenveen in onder meer de dorpen Akkrum, Aldeboam, Haskerdijken, Luinjeberd, Nes en Tjalleberd alsmede het gebied tussen en rondom deze dorpen.3.6. In het uitvoeringsgebied van dit project bevindt zich het Leppa Akwadukt, dat nabij Akkrum de A32 overspant. Het Leppa Akwadukt en de omringende grond zijn eigendom van Rijkswaterstaat.3.7. Partijen hebben nadere afspraken over dit project vastgelegd in een projectovereenkomst van 9 februari 2021. In artikel 1 van deze projectovereenkomst is ‘het Werk’ omschreven. Artikel 2 gaat over de aanneemsom. In dit artikel staat voor zover van belang het volgende:\n\n“De overeengekomen aanneemsom is inclusief:\n\n- (…)\n\n- Verkrijgen vereiste vergunningen, ontheffingen, beschikkingen, meldingen en toestemmingen in het kader van het ontwerp en de aanleg van het glasvezel netwerk\n\n(…)\n\nDe overeengekomen aanneemsom is exclusief:\n\n- (…)\n\n- (…)\n\n- De kosten van de vergunning en uitvoering van vergunning plichtige boringen\n\n(…)\n\nMateriaal, POP stations, vergunning plichtige boringen en gemeentelijke leges worden verzorgd door de Opdrachtgever. (…)”\n\nIn artikel 4a van de projectovereenkomst staat dat de afspraken in de raamovereenkomst (voor het overige) volledig van toepassing zijn.3.8. Op 3 mei 2021 heeft Selecta bij de gemeente Heerenveen een vergunning aangevraagd voor het uitvoeren van graaf- en boorwerkzaamheden. Die vergunning is haar op 11 mei 2021 verleend.3.9. Delta heeft Selecta per e-mail van 13 juli 2021 als volgt bericht:\n\n“Wij hebben zoals te doen gebruikelijk bij de start van een project oriëntatieklics opgevraagd voor Heerenveen Noord. In de bijlage vinden jullie per klic de Eis-Voorzorgsmaatregelen. Gaan jullie pro-actief in gesprek met deze partijen? Daarnaast is een overzicht van partijen opgenomen die in de grond actief zijn. In de map ‘selecta en delta’ zijn de oriëntatieklics en onderliggende bestanden daarnaast te vinden. (…).”\n\nRijkswaterstaat was een van de partijen die stond vermeld op de lijst die als bijlage bij deze e-mail was gevoegd.3.10. Selecta heeft op 30 november 2021 een KLIC-melding (voluit: Kabels en Leidingen Informatie Centrum, dat is een graafmelding bij het kadaster) gedaan. Zij heeft in reactie op die graafmelding twee standaardbrieven van Rijkswaterstaat ontvangen, waarin onder meer staat:\n\n“In de situatie, waar het om werkzaamheden in een risicovol gebied gaat, ontvangt u geen tekening. Dit kan voorkomen bij werkzaamheden in de buurt van stormvloedkeringen, zeeweringen, dijken, rivieren of verkeerscentrales. Voor de exacte ligging van deze k&l binnen dit gebied (of aanvullende informatie) dient u contact op te nemen met de postbus (mailadres)AreaalgeqevensNN@rws.nl . Geeft u hierbij duidelijk aan om welke locatie dit gaat (b.v. situatieschets, straatnaam, Google maps plaatje en\u002Fof coördinaten).\n\nGraag willen wij u erop attenderen dat u over een vergunning\u002Fmelding op grond van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken\u002FWaterwet moet beschikken om binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat werkzaamheden uit te voeren. Meer informatie vindt u op de volgende links: (…).”3.11. En ook:\n\n“Kritisch Gebied\n\nOp basis van de door u verstrekte informatie bevindt uw melding zich in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat. Gelieve contact op te nemen met de desbetreffende regio.”3.12. Op 21 december 2021 heeft Selecta in het kader van de opdracht van Delta boorwerkzaamheden uitgevoerd nabij het Leppa Akwadukt. Selecta beschikte op dat moment niet over een vergunning van Rijkswaterstaat als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).3.13. Bij die werkzaamheden heeft Selecta een folielaag in de bodem, die toebehoorde aan Rijkswaterstaat, op een of meerdere plaatsen doorboord. De folie dient ertoe de zandlaag waarop het Leppa Akwadukt is gebouwd te stabiliseren en te behoeden voor wegspoelen. Als gevolg van de doorboring is een mengsel van bodemwater, zand en grond door de folielaag gedrongen en naar de evenwijdig aan de A32 liggende secundaire weg gestroomd. Rijkswaterstaat heeft terstond noodmaatregelen getroffen, zoals bronbemaling, om de uitstroom van bodemwater en het wegspoelen van zand en grond te beperken. Het is niet duidelijk wanneer de definitieve herstelmaatregelen zullen zijn voltooid.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Delta heeft gevorderd, verkort weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, (III) een verklaring voor recht dat Selecta toerekenbaar is tekortgeschoten onder de projectovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde raamovereenkomst, (IV) een verklaring voor recht dat Selecta aansprakelijk is voor de schade die Delta heeft geleden en nog zal lijden en veroordeling van Selecta tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat, (V) een verklaring voor recht dat Selecta op grond van de projectovereenkomst en de raamovereenkomst gehouden is om Delta te vrijwaren voor alle aanspraken van derden, waaronder doch niet uitsluitend van aanspraken van Rijkswaterstaat en (VI) een verklaring voor recht dat Selecta op grond van die vrijwaring gehouden is om alle bedragen die Delta betaalt en\u002Fof moet betalen ter zake de schade van Rijkswaterstaat binnen vijf dagen na een verzoek daartoe aan Delta te vergoeden.4.2. Aan deze vorderingen heeft Delta ten grondslag gelegd, samengevat, dat Selecta is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die volgen uit (onder meer) artikelen 5a, 5b, 5c en 5d van de raamovereenkomst en op grond van art. 6:74 BW aansprakelijk is voor de schade die Delta lijdt. Delta doet in dit verband een beroep op de verplichting tot vrijwaring die ingevolge artikel 5e van de raamovereenkomst op Selecta rust.4.3. Selecta betwist dat zij is tekortgeschoten. Selecta erkent dat voor de werkzaamheden die zij op 20 december 2021 op de schadelocatie heeft uitgevoerd een vergunning van Rijkswaterstaat nodig was. Zij meent echter dat het ontbreken van die vergunning niet aan haar kan worden toegerekend, omdat a) Delta steevast het initiatief nam en voorafgaand aan deze werkzaamheden niet aan haar heeft gevraagd om een vergunning aan te vragen bij Rijkswaterstaat, b) zij niet wist en niet hoefde te begrijpen dat zich daar een onderdeel van een waterstaatswerk bevond, c) zij niet uit ervaring wist dat in de omgeving van aquaducten folie in de ondergrond kan liggen, d) er ter plaatse geen waarschuwingsbordjes aanwezig waren die de aanwezigheid van folie in de ondergrond markeerden, terwijl dit bij andere aquaducten die bij Rijkswaterstaat in beheer zijn, wel het geval is en e) zij over een vergunning van de gemeente Heerenveen beschikte voor de werkzaamheden ter plaatse van de schadelocatie. Selecta doet evenals Delta een beroep op artikel 5e van de raamovereenkomst; volgens haar gaat het om een bepaling die haar aansprakelijkheid beperkt. Subsidiair heeft Selecta aangevoerd dat de schade deels voor rekening van Delta moet blijven, omdat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan Delta zijn toe te rekenen. In dit verband heeft Selecta erop gewezen dat partijen zijn overeengekomen dat Selecta geen ‘vergunning plichtige boringen’ zou uitvoeren.4.4. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 oktober 2024 de hiervoor onder 4.1 weergegeven vorderingen grotendeels toegewezen. Zij heeft overwogen dat Selecta in strijd heeft gehandeld met artikel 5a en artikel 5b van de raamovereenkomst en dat deze tekortkoming toerekenbaar is. Selecta heeft daadwerkelijk een graafmelding gedaan en dat wijst erop dat zij dit tot haar taak rekende. Zij heeft de twee brieven die zij van Rijkswaterstaat ontving, waarin duidelijk stond dat zij een vergunning nodig had, genegeerd. Selecta komt geen beroep toe op artikel 5e van de raamovereenkomst, omdat die bepaling niet kan worden aangemerkt als een ten behoeve van Selecta overeengekomen beperking van de aansprakelijkheid, maar als een bepaling die beoogt Delta in staat te stellen eventuele aanspraken van derden op Selecta af te wenden. Het beroep van Selecta op eigen schuld (artikel 6:101 en artikel 6:102 BW) gaat volgens de rechtbank niet op. Selecta heeft niet voldoende toegelicht dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan Delta kan worden toegerekend. Voor zover Delta al enige fout heeft gemaakt, is de ernst daarvan zo gering dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Selecta geheel in stand blijft.4.5. Alleen de vordering van Delta tot een verklaring voor recht dat Selecta op grond van de verplichting tot vrijwaring die volgt uit artikel 5e van de raamovereenkomst gehouden is om binnen vijf dagen betalingsverzoeken van Delta te voldoen, is door de rechtbank afgewezen, omdat deze te ver strekt en onvoldoende steun vindt in de raamovereenkomst.4.6. Selecta is in de proceskosten veroordeeld.5. Beoordeling in hoger beroep5.1. Selecta heeft hoger beroep ingesteld. Zij vordert vernietiging van het vonnis van 2 oktober 2024 en veroordeling van Delta in de proceskosten.5.2. \n\nDelta heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar vordering onder VI (zie onder 4.5 hiervoor).\n\nPrincipaal hoger beroep5.3. Selecta heeft voorafgaand aan de genummerde grieven een overzicht van volgens haar relevante feiten en omstandigheden opgenomen. In dat overzicht zijn geen zelfstandige bezwaren opgenomen tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof zal op deze feiten en omstandigheden, voor zover relevant, ingaan bij het bespreken van de grieven.5.4. Grief 1ziet op r.o. 4.9 van het vonnis. Selecta is van mening dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten of Delta grondroerder was. Volgens Selecta was Delta bij de uitvoering van de opdracht als hoofdaannemer aan te merken en dus tevens als grondroerder in de zin van artikel 1 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON). Daarom rustte op Delta een eigen verantwoordelijkheid voor wat betreftallegrondroerende werkzaamheden van het project. Selecta stelt in dit verband dat Delta op grond van artikel 2 WIBON verplicht was om voor aanvang van de grondroerende werkzaamheden een graafmelding te doen en onderzoek te verrichten naar de precieze ligging van de ondergrondse kabels.5.5. Het hof overweegt als volgt. Het doet er in de contractuele verhouding tussen Delta en Selecta niet toe of Delta wel of niet als grondroerder in de zin van de WIBON en\u002Fof als hoofdaannemer is aan te merken in het kader van de door Selecta verrichte werkzaamheden. Of Delta als zodanig is aan te merken kan wél van belang zijn in de verhouding tussen Delta en derden als Rijkswaterstaat die Delta tot schadevergoeding willen aanspraken en daarbij een beroep doen op verplichtingen die voor grondroerders uit de WIBON volgen. In de verhouding tussen Selecta en Delta echter gaat het erom of Selecta is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen die volgen uit de tussen partijen gesloten projectovereenkomst en raamovereenkomst en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de schade van Delta. Voor de beantwoording van die vraag is niet van belang of Delta grondroerder en\u002Fof hoofdaannemer is, nog daargelaten dat Delta in de verhouding Delta-Selecta evident opdrachtgever is en in die verhouding op Selecta de verantwoordelijkheid rustte om benodigde vergunningen aan te vragen. Grief 1 faalt derhalve.5.6. Grief 2is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.2 tot en met 4.5 van het vonnis dat Selecta toerekenbaar tekort is geschoten. Deze grief slaagt niet, om de hiernavolgende redenen.5.7. Selecta erkent dat zij een graafmelding heeft gedaan bij Rijkswaterstaat en dat zij naar aanleiding daarvan twee brieven heeft ontvangen van Rijkswaterstaat met de hiervoor onder 3.10 en 3.11 weergegeven tekst. Het hof is van oordeel dat de tekst van die brieven voor Selecta aanleiding gaf om op zijn minst voor mogelijk te houden dat een vergunning van Rijkswaterstaat nodig was voor het boren op de plek waar zij ook daadwerkelijk zou gaan boren, óók als de brieven niet specifiek betrekking hadden op de boring op de schadelocatie maar tevens op eventuele andere locaties in de zogeheten graafpolygoon. Selecta had navraag kunnen en moeten doen bij Rijkswaterstaat, waartoe de brief ‘Bijlage bij graafmelding’ ook uitnodigt. In weerwil van deze brieven heeft Selecta geen nader onderzoek verricht en geen vergunning bij Rijkswaterstaat aangevraagd. Door toch te boren en schade te veroorzaken, heeft Selecta in strijd gehandeld met artikel 5a, 5b en 5c van de raamovereenkomst.5.8. Het hof volgt dan ook niet het standpunt van Selecta dat zij niet toerekenbaar is tekortgeschoten omdat zij er niet op bedacht hoefde te zijn dat zij voor het boren op de schadelocatie een vergunning nodig had. De brieven van Rijkswaterstaat zijn duidelijk. In één van de brieven staat “Op basis van de door u verstrekte informatie bevindt uw melding zich in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat.”Daarom kon Selecta niet zonder navraag te doen, ervan uitgaan dat de brieven van Rijkswaterstaat alleen gingen over de grond direct onder het Leppa Akwadukt. Zij kon niet aannemen dat de vergunning van de gemeente Heerenveen volstond en dat de afstand tussen de boorplek en het aquaduct zo groot was dat het boren niet in grond toebehorend aan Rijkswaterstaat zou plaatsvinden. Evenmin komt, gelet op de brieven van Rijkswaterstaat, betekenis toe aan het feit dat er ter plaatse van het folie geen waarschuwingsbordjes waren en dat Selecta geen ervaring had met het boren in de nabijheid van aquaducten.5.9. Dat Selecta op grond van artikel 2a van de projectovereenkomst geen verantwoordelijkheid droeg voor de uitvoering van ‘vergunning plichtige boringen’ (dat zijn zwaardere boringen met een grotere diameter en waarbij meer voorwerk nodig is), en dat Delta verantwoordelijk was voor dergelijke boringen, is niet van belang. Artikel 2a van de projectovereenkomst laat immers onverlet dat Selecta, bij boringen die zij wél uitvoert in het kader van de met Delta overeengekomen werkzaamheden, over de benodigde vergunning(en) moet beschikken. Dit volgt uit artikel 4a van de projectovereenkomst, op grond waarvan artikel 5a, 5b en 5c van de raamovereenkomst op de projectovereenkomst van toepassing zijn. Het hof volgt bovendien het standpunt van Delta dat de schadeveroorzakende boring niet een ‘vergunning plichtige boring’ in de zin van artikel 2a betrof. De ‘vergunning plichtige boring’ waarvoor Delta de verantwoordelijkheid droeg, betrof de boring exact onder het aquaduct (randnummer 29 memorie van antwoord, randnummer 2.19 memorie van grieven, alsmede productie 15 bij de memorie van grieven). De schadeveroorzakende boring van Selecta vond op enige afstand van het aquaduct plaats.5.10. Het hof behandelt hier ook de bij randnummer 2.33 van de memorie van grieven opgenomen stelling van Selecta dat de e-mail van Delta van 13 juli 2021 (zie 3.9 hiervoor) slechts het verzoek inhield om contact op te nemen met de partijen die een zogenoemde Eis-voorzorgsmaatregel hadden opgelegd. Deze stelling gaat niet op. In die e-mail staat de zin “Daarnaast is een overzicht van partijen opgenomen die in de grond actief zijn.”. Dat overzicht vermeldt onder andere Rijkswaterstaat Noord-Nederland. Naar het oordeel van het hof heeft Delta hiermee aan Selecta duidelijk gemaakt dat zij in het kader van haar werkzaamheden voor het project ten noorden van Heerenveen rekening moest houden met mogelijke belangen van Rijkswaterstaat.5.11. Het hof verwerpt in dit kader ten slotte het standpunt van Selecta dat er een waarschuwingsplicht op Delta rustte. Het hof kan dat – niet of onvoldoende toegelichte – standpunt niet rijmen met de verplichtingen die uit hoofde van de raamovereenkomst op Selecta rustten, met de inhoud van de e-mail van Delta van 13 juli 2021 aan Selecta, met het feit dat Selecta op 30 november 2021 zelf een KLIC-melding heeft gedaan en evenmin met het feit dat Selecta naar aanleiding van die graafmelding (waarschuwende) brieven van Rijkswaterstaat heeft ontvangen.5.12. Grief 3houdt in dat de rechtbank in r.o. 4.7 van het vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 5e van de raamovereenkomst geen beperking van aansprakelijkheid behelst.Grief 4klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de schade is te wijten aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van Selecta.5.13. Bij de uitleg van artikel 5e van de raamovereenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het gaat hier om een overeenkomst tussen commerciële partijen (die zich, kort gezegd, bezig houden met de aanleg van glasvezelnetwerken). Daarom komt groot gewicht toe aan de taalkundige betekenis van de woorden van artikel 5e.5.14. Voor het leesgemak geeft het hof de tekst van artikel 5e nog eens weer:\n\n“5e. De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van de aanleg van de glasvezel netwerken is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers.”5.15. Grief 3 faalt omdat artikel 5e van de raamovereenkomst Selecta uitdrukkelijk een verplichting oplegt tot vrijwaring van Delta voor aanspraken tot schadevergoeding van derden (“De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever (…)”). De omschrijving “nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers” duidt niet op een (impliciete) beperking van aansprakelijkheid, maar juist op een omvangrijke vrijwaringsverplichting ten gunste van Delta omdat reeds een verkeerde handeling (met schade als gevolg) een verplichting tot vrijwaring kan doen ontstaan.5.16. Grief 4 faalt eveneens. Uit artikel 5e volgt als gezegd een omvangrijke vrijwaringsverplichting voor aanspraken van derden (als Rijkswaterstaat). Het hof is van oordeel dat op zijn minst sprake is geweest van een verkeerde handeling. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is Selecta in strijd met de raamovereenkomst gaan boren in kritisch gebied, nadat zij door Rijkswaterstaat was gewaarschuwd om daarover eerst met Rijkswaterstaat contact op te nemen..5.17. Grief 5voert aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep van Selecta op artikel 6:101 en artikel 6:102 BW heeft verworpen. Delta heeft immers evenmin onderkend dat een vergunning van Rijkswaterstaat vereist was, of wist dat wel maar heeft verzuimd om Selecta hiervan op de hoogte te brengen. Volgens Selecta is sprake van eigen schuld en\u002Fof medeschuld en behoort de schade in de interne draagplicht tussen Delta en Selecta voor een deel voor rekening van Delta te blijven.5.18. Ook deze grief faalt. Het was niet de taak van Delta om ten behoeve van de boring op de schadelocatie een vergunning aan te vragen. Uit artikel 5b van de raamovereenkomst volgt dat het tot de verplichtingen van Selecta behoort om benodigde vergunningen te verkrijgen. In de praktijk deed Selecta dat ook; Delta heeft bij akte ten behoeve van de mondelinge behandeling van 11 september 2024 een viertal vergunningsaanvragen van Selecta in de procedure gebracht (producties 26 t\u002Fm 29). Selecta heeft op 3 mei 2021 zelf een vergunning bij de gemeente Heerenveen aangevraagd, die haar op 11 mei 2021 is verleend (r.o. 2.7 vonnis). Voor de boring op de schadelocatie was het ook Selecta zelf die een graafmelding bij Rijkswaterstaat heeft gedaan. Het lag dus op de weg van Selecta om een vergunning aan te vragen, temeer na de ontvangst van de brieven van Rijkswaterstaat.5.19. Dat, zoals Selecta verder aanvoert ter onderbouwing van grief 5, de schade niet zou zijn ontstaan als Delta tijdig een onderaannemer had ingeschakeld voor het uitvoeren van de ‘vergunning plichtige boring’ waarmee de Boarn zou worden gekruist, omdat Selecta dan op de hoogte zou zijn gebracht van de folielaag in de grond, doet niet ter zake. Dit was, zoals Delta terecht heeft aangevoerd, een andere boring, op een andere plek en met een andere boortechniek. Het hof ziet onvoldoende verband tussen het door Selecta veronderstelde verzuim van Delta om tijdig een vergunning aan te vragen voor het boren onder de Boarn en de beslissing van Selecta om op enige afstand daarvan zonder vergunning te boren in grond van Rijkswaterstaat.5.20. Voor zover Selecta bedoelt dat Delta wist dat Selecta zonder de vereiste vergunning van Rijkswaterstaat zou gaan boren op de schadelocatie, en haar dus had moeten waarschuwen, heeft Selecta die stelling onvoldoende toegelicht.5.21. Grief 6klaagt over het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 dat Delta voldoende belang heeft bij haar vorderingen onder III, IV en V van het petitum. Selecta wijst erop dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist is dat aannemelijk is dat schade is geleden of zal worden geleden. Rijkswaterstaat heeft Delta nog niet tot schadevergoeding aangesproken, en een eigenaar van een zonnepark die volgens Delta schade zou hebben geleden evenmin. Als Selecta al een verplichting heeft om Delta te vrijwaren, zou deze beperkt moeten zijn tot hetgeen waartoe Delta wordt veroordeeld. Delta kan niet een verklaring voor recht vorderen tot vrijwaring voor aanspraken van een onbeperkt aantal en niet nader gespecificeerde derden.5.22. Grief 7voert in het verlengde van grief 6 aan dat de rechtbank ten onrechte Selecta heeft veroordeeld om Delta te vrijwaren vooralleaanspraken van derden, waaronderaansprakenvan Rijkswaterstaat. Het gaat er volgens Selecta om of Deltagehoudenis deze aanspraken te vergoeden. De verklaring voor recht tot vrijwaring had daarom moeten worden begrensd tot ten hoogste datgene waartoe Delta jegens Rijkswaterstaat wordt veroordeeld.5.23. Ook deze grieven falen. Duidelijk is dat er schade is ontstaan door het doorboren van de folielaag bij het Leppa Akwaduct (zie onder meer productie 13 bij de akte overlegging producties van Delta). Het is bepaald niet denkbeeldig dat Rijkswaterstaat en eventuele andere derden op enig moment de schade proberen te verhalen op Delta als opdrachtgever van Selecta. Het hof acht het dus aannemelijk dat Delta schade zal lijden. De door de rechtbank uitgesproken verklaringen voor recht gaan niet te ver. Deze zijn beperkt tot de schade die het gevolg is van het doorboren van de folie van Rijkswaterstaat nabij het Leppa Akwadukt. Daarmee is de eventuele schadevergoedingsplicht van Selecta voldoende ingekaderd.5.24. De slotsom luidt dat geen van de grieven in het principaal hoger beroep doel treft.5.25. \n\nSelecta heeft in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan. Zij heeft de namen van een groot aantal personen genoemd en daarbij in zijn algemeenheid vermeld over welke aspecten van het in deze procedure aan de orde zijnde project deze personen iets zouden kunnen verklaren, bijvoorbeeld “de communicatie tijdens de bouwvergaderingen”. Selecta heeft echter geen specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander dan het hierboven weergegeven oordeel kunnen leiden. Haar bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.\n\nIncidenteel hoger beroep5.26. Grief 1van Delta – haar enige grief – noemt het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 van het vonnis dat de vordering onder punt VI van het petitum niet kan worden toegewezen onbegrijpelijk. Volgens Delta vloeit deze vordering simpelweg voort uit de verplichting tot vrijwaring die op Selecta rust. Delta acht de gevorderde termijn van vijf dagen alleszins redelijk, maar kan leven met een door het hof te bepalen langere termijn. In een reguliere vrijwaringsprocedure moet de partij die moet vrijwaren het verschuldigde bedrag binnen twee dagen na betekening van het vonnis voldoen aan de gevrijwaarde partij. Delta biedt aan om de directeur van Delta te laten verklaren over de bedoelingen van partijen met betrekking tot de contractueel overeengekomen verplichting tot vrijwaring.5.27. Deze grief faalt. De termijn van vijf dagen vindt geen grondslag in de tussen Delta en Selecta gesloten overeenkomst(en). De vergelijking met de vrijwaringsprocedure (art. 210-216 Rv) gaat niet op. Het gaat hier om een contractuele verplichting tot vrijwaring; Selecta is niet betrokken in een door Rijkswaterstaat tegen Delta gestarte gerechtelijke procedure waarin schadevergoeding wordt gevorderd. Ten slotte kan ervan uitgegaan worden dat Delta voldoende uit de voeten kan met de door de rechtbank toegewezen vorderingen. Daarmee kan zij haar schade op Selecta verhalen, zo nodig in een volgende gerechtelijke procedure. In zoverre mist Delta dus belang bij de gevorderde verklaring voor recht.5.28. \n\nHet hof passeert het bewijsaanbod van Delta als niet ter zake dienend. Beslissend is wat in artikel 5e van de raamovereenkomst staat en hoe Selecta deze bepaling heeft mogen begrijpen. Delta heeft niet duidelijk gemaakt dat haar directeur iets kan verklaren dat tot een andere uitleg van artikel 5e kan leiden.\n\nConclusie en proceskosten5.29. De conclusie is dat noch het hoger beroep van Selecta, noch het hoger beroep van Delta slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Selecta als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Delta zal worden veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.5.30. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Delta in het principaal hoger beroep op:\n\ngriffierecht € 827,-\n\nsalaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)\n\nnakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.306,-5.31. De proceskosten van Selecta in het incidenteel hoger beroep worden begroot op € 645,- aan salaris advocaat (1 punt × 0,5 × tarief II).5.32. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024;\n\nveroordeelt Selecta in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van Delta tot op heden begroot op € 2.306, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Selecta deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als Selecta niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Selecta de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Selecta deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;\n\nveroordeelt Delta in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Selecta tot op heden begroot op € 645,-;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;\n\nDit arrest is gewezen door mrs. K. Engel, D.A. Schreuder en F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2023","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.376Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":49,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":51},"987","ECLI:NL:RBDHA:2026:16974","ecli-nl-rbdha-2026-16974","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 26\u002F3963 en SGR 26\u002F4309\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaken tussen\n [verzoeker] VOF e.a., te [plaats] , verzoekers\n\n(gemachtigde: mr. P.J.L.J. Duijsens),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, het college\n\n(gemachtigde: mr. P.M.J. de Haan).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting [derde-partij], te [plaats] (vergunninghoudster).\n\n(gemachtigde: mr. drs. H.J.M. van Schie)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over (1) een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woon-zorg verblijf met 7 studio’s aan de [adres 1] en (2) een besluit waarbij ambtshalve maatwerkvoorschriften zijn opgesteld ten aanzien van de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de openlucht’. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.\n\nDe voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekers exploiteren aan de [adres 2] een tuinbouwbedrijf en een caravanstalling in de aanwezige kassen. Op 21 juli 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor genoemd bouwplan. De gronden waarop het bouwplan betrekking heeft grenzen aan de noordoost zijde aan de percelen van verzoekers.\n\nBij afzonderlijke besluiten van 6 mei 2026 heeft het college vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor zowel een technische bouwactiviteit als een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit voor het hiervoor genoemde bouwplan.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26\u002F3963).\n\nMet het besluit van 1 mei 2026 heeft het college op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ambtshalve maatwerkvoorschriften opgesteld ten aanzien van de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de openlucht’ voor de percelen gelegen ten noorden van [adres 1] . Verzoekers hebben hiertegen eveneens bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26\u002F4309).\n\nVerzoekers hebben tweemaal verzocht de bouw van de woon-zorgverblijven bij wijze van ordemaatregel stil te leggen. De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken afgewezen.\n\nHet college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers hebben nadere stukken overgelegd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door hun gemachtigde, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 6] .\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nZaak SGR 26\u002F4309\n\n3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college met het bestreden besluit van\n\n1 mei 2026 het volgende maatwerkvoorschrift heeft gesteld:\n\n“Binnen een afstand van 25 meter vanaf de zuidelijke perceelsgrens van de percelen aangeduid kadastraal als [kadastraal nummer 1] , [kadastraal nummer 2] , [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 4] , over een breedte van 50 meter gerekend vanaf de zuidwestelijke punt van perceel [kadastraal nummer 2] , mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast door middel van spuiten”.\n\nAangezien de in dit voorschrift genoemde percelen geen deel uitmaken van het bedrijf van verzoekers, geen eigendom zijn van verzoekers, niet worden geëxploiteerd door verzoekers, maar door een ander bedrijf en daarnaast het voorschrift geen toestemming en ook geen verplichting inhoudt voor verzoekers om een haag te plaatsen, heeft dit besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen rechtsgevolgen voor verzoekers. Verzoekers hebben er daarom geen belang bij om tegen dit besluit op te komen. De bezwaren van verzoekers tegen dit besluit zullen daarom naar verwachting niet-ontvankelijk worden verklaard. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.\n\nZaak SGR 26\u002F3963\n\nOmvang van het verzoek\n\n4. Blijkens het verzoekschrift richt het verzoek zich tegen de omgevingsvergunning voor de (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit en niet tegen de vergunning voor de technische bouwactiviteit. Aangezien geen verzoeksgronden zijn aangevoerd tegen de omgevingsvergunning die is verleend voor de technische bouwactiviteit, zal de voorzieningenrechter het verzoek, voor zover zich dat tegen dit besluit richt, afwijzen.\n\nSpoedeisend belang\n\n5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n6. Verzoekers vrezen dat door de korte afstand tussen hun bedrijf en de voorziene woon-zorgfunctie een reëel risico bestaat dat toekomstige bewoners hinder zullen ondervinden van de bedrijfsactiviteiten en als gevolg daarvan beperkingen voor de bedrijfsvoering. Gebleken is dat vergunninghoudster reeds is gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. Uit het overgelegde overzicht van de uit te voeren werkzaamheden van\n\n20 mei 2026 blijkt dat nog tot en met 15 oktober 2026 werkzaamheden plaatsvinden.\n\nDe eventuele nadelige gevolgen van de verleende omgevingsvergunning voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van verzoekers kunnen zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter pas voordoen na de ingebruikname van de woon-zorg verblijven. Op de zitting heeft vergunninghoudster verklaard dat hiervan pas eind december 2026 sprake zal zijn. Het college heeft in zijn e-mailbericht van 27 mei 2026 aangegeven dat de beslissing op bezwaar naar verwachting over 5 tot 6 maanden zal worden genomen. Op de zitting heeft het college bevestigd dat de beslissing op bezwaar vóór december 2026 wordt verwacht en aangegeven dat de hoorzitting in bezwaar naar verwachting op 24 juni 2026 zal worden gehouden. Dit betekent dat de beslissing op bezwaar naar alle waarschijnlijkheid zal zijn genomen voordat de woon-zorg verblijven in gebruik worden genomen. Daarnaast hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het stilleggen van de bouwactiviteiten, omdat die geen nadelige gevolgen hebben voor hun bedrijfsvoering.\n\nGelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat een voldoende spoedeisend belang ontbreekt.\n\nEvident onrechtmatig?\n\n7. Omdat voldoende spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoekers gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en\u002Fof het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.\n\n8. Over de stelling van verzoekers dat in dit geval een verplichte advisering door de gemeenteraad geldt stelt de voorzieningenrechter vast dat de gemeenteraad van Wassenaar een lijst van gevallen heeft opgesteld - Lijst verzwaard adviesrecht en verplichte participatie gemeente Wassenaar 2023 - waarin hij het recht heeft om advies te geven over de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zoals bedoeld in artikel 16.15a, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Het betreft onder meer (1) buitenplanse activiteiten, die strijdig zijn met beleidskaders, onafhankelijk van de omvang en impact van de activiteit (algemeen beginsel) en (2) een aantal specifieke categorieën, waaronder het bouwen van nieuw op te richten woonzorggebouwen of het uitbreiden van bestaande woonzorggebouwen, voor zover sprake is van een functieverandering naar deze maatschappelijke woonzorgfunctie, indien het bruto vloeroppervlak van 1.500 m2 wordt overschreden (categorie 5).\n\nNu verzoekers niet de categorie hebben genoemd op grond waarvan verplichte advisering door de raad is voorgeschreven, is het bestreden besluit naar voorlopig oordeel reeds hierom niet evident onrechtmatig. Voor zover verzoekers zich beroepen op categorie 5 van de lijst van gevallen is deze niet van toepassing, omdat de oppervlakte van het bouwplan minder dan 1500 m2 bedraagt.\n\n9. Ten aanzien van de stelling dat het college onvoldoende heeft onderzocht of als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van verzoekers een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd stelt de voorzieningenrechter voorop dat bij de boordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet alleen rekening moet worden gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden.\n\n10. Het college stelt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht dat in de Notitie gezondheidsrisico blootstelling aan Gewasbeschermingsmiddelen van Adromi Groep (Adromi) van 10 november 2025, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is uitgegaan van een maximale planologische invulling van de percelen van verzoekers. In paragraaf 2.4.3 en 7.2.2 van deze notitie wordt ingegaan op de huidige exploitatiewijze van het bedrijf van verzoekers en de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de nieuwe woon- zorgfunctie. In paragraaf 7.2.3. van deze notitie zijn maatregelen voorgesteld in de situatie waarin de gronden waarop zich nu kassen bevinden worden geëxploiteerd als boomgaard. Adromi heeft geadviseerd dat reeds in de huidige feitelijke situatie in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen het gebied langs de bebouwing, 3 meter in zuidelijke richting en circa 13 meter in oostelijke richting, wordt afgebakend middels een afrastering of vergelijkbare voorziening, waarin regulier menselijk verblijf is uitgesloten. Deze gronden mogen alleen betreden worden in het kader van onderhoud (tuin en gebouw). In de noordoostelijke hoek van de bebouwing mogen geen te openen delen of inlaat van balansventilatie worden gesitueerd.\n\nIn de toekomstige situatie dat de kassen op het naastgelegen perceel van verzoekers worden gesloopt en die gronden worden geëxploiteerd als boomgaard wordt geadviseerd om een meegroeiende windhaag van 3,5 m hoog te plaatsen over de gehele lengte van het perceel met een over lengte van 25 meter om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Overeenkomstig deze adviezen heeft het college in het bestreden besluit de door Adromi voorgestelde maatregelen als voorschrift 6 opgenomen. De stellingen van verzoekers dat Adromi uitgaat van een verkeerd beeld van de spuitfrequentie en spuittechnieken bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op hun percelen, volgt de voorzieningenrechter niet, gelet op de beschrijving van het maximaal teeltscenario op pagina 10 van de notitie van Adromi. Hiermee heeft het college naar voorlopig oordeel voldoende onderbouwd dat als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door verzoekers een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd in de woon-zorgverblijven en hun bedrijfsvoering niet onevenredig wordt belemmerd. Het bestreden besluit is dan ook niet evident onrechtmatig op basis van wat is aangevoerd ten aanzien van dit aspect.\n\n11. In de ruimtelijke motivering van BJZ.nu van december 2025, die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter evident onvoldoende rekening gehouden met de bedrijfsbelangen van verzoekers ten aanzien van de milieuaspecten geur en geluid. Verzoekers hebben gemotiveerd gesteld dat er in verband met de exploitatie van hun bedrijf wel degelijk geluid- en geuraspecten spelen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit, in navolging van de ruimtelijke motivering ten onrechte niet op deze milieuaspecten is ingegaan. Evenmin is in de ruimtelijke motivering uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden voor de percelen van verzoekers en de gevolgen daarvan voor de milieuaspecten geur en geluid. Daarmee heeft het college onvoldoende onderbouwd dat vanwege de milieuaspecten geur en geluid een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het bestreden besluit is naar voorlopig oordeel in zoverre dan ook evident onrechtmatig.\n\n12. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat dit gebrek hangende de bezwaarprocedure kan worden hersteld. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen, omdat de woon-zorgverblijven nog niet in gebruik zijn en naar alle waarschijnlijkheid voor die ingebruikname een besluit op bezwaar zal zijn genomen.\n\n13. In de overige gronden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de bestreden besluiten niet worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16974","2026-07-13T00:28:57.636Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":56,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":43,"updatedAt":59},"1015","ECLI:NL:RBDHA:2026:4761","ecli-nl-rbdha-2026-4761","RECHTBANK Den Haag\n\nTem handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684656 \u002F HA ZA 25-382\n\nVonnis van 4 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser] , te [woonplaats 1] ,\n\n2. [eiseres], te [woonplaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] c.s.,\n\nadvocaat: mr. N.C. Ing, te Zoetermeer,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] B.V., te [vestigingsplaats] ,\n\n2. [gedaagde 2], te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , tezamen: [gedaagden] c.s.,\n\nadvocaat: mr. J. Bouwman-Treffers, te Honselersdijk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\n- de dagvaarding van 16 april 2025, met de producties 1 tot en met 20;\n\n- de conclusie van antwoord, met de productie 1 tot en met 4;\n\n- de akte overlegging nadere producties van [eisers] c.s., met de producties 21 tot en met 25;\n\n- een beter leesbare versie van productie 8 van [eisers] c.s.;\n\n- de producties 5 en 6 van [gedaagden] c.s.\n\n1.2.. Op 19 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak nader toegelicht, pleitaantekeningen overgelegd, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is voorgevallen.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. Op 3 januari 2020 heeft [gedaagde 2] de vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. (hierna [bedrijfsnaam] ) opgericht, met een geplaatst kapitaal van € 1.200. [gedaagde 1] was (tot het faillissement van [bedrijfsnaam] ) enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] .\n\n2.2.. Begin februari 2021 is tussen [bedrijfsnaam] en [eisers] c.s. een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten voor de verbouwing van hun woning (hierna: de woning). Op deze overeenkomst (hierna: de overeenkomst) zijn de algemene voorwaarden van [bedrijfsnaam] van toepassing. De projectleider van de verbouwing was [projectleider] (hierna: [projectleider] ), werknemer van [bedrijfsnaam] . [eisers] c.s. werden ondersteund door een architecte\u002F bouwbegeleidster.\n\n2.3.. \n [eisers] c.s. en [bedrijfsnaam] zijn een aanneemsom van € 441.273,57, inclusief BTWovereengekomen, welke in 18 termijnen zou worden voldaan. Overeengekomen is dat deze termijnen een voorschot inhielden op de uit te voeren werkzaamheden en dat deze termijnen ongeveer gelijk zouden lopen met de stand van het werk. Meerwerk zou apart tussendoor worden afgerekend en aan het einde zou nog een laatste meer- en minderfactuur worden opgesteld.\n\n2.4.. In februari 2021 zijn de werkzaamheden aan de woning gestart. Tot en met 5 oktober 2021 hebben [eisers] c.s. de termijnfacturen 1 tot en met 15 (€ 381.048,95) voldaan.\n\n2.5.. \n\nOp 4 oktober 2025 hebben [eisers] c.s. een termijnfactuur van € 26.476,42 (termijn 16) ontvangen. [eisers] heeft hierover contact opgenomen met [gedaagde 2] , omdat deze factuur volgens [eisers] geen gelijke tred hield met de voortgang van de werkzaamheden. [gedaagde 2] stelde zich op het standpunt dat de factuur betaald moest worden en dat anders de werkzaamheden zouden worden gestaakt. Op voorstel van [gedaagde 2] hebben [eisers] c.s. de factuur in twee gedeelten betaald, namelijk op 10 oktober 2021\n\n€ 13.238,21 en op 26 oktober 2021 nogmaals € 13.238,21.\n\n2.6.. Naar aanleiding van de ontvangst van een nieuwe termijnfactuur van € 26.476,42 (termijn 17) heeft [eisers] op 15 november 2021 wederom contact gehad met [gedaagde 2] . [eisers] stelde zich op het standpunt dat de woning eerst wind- en waterdicht zou moeten zijn, voordat deze factuur betaald zou worden.\n\n2.7.. Bij e-mail van 17 november 2021 heeft [gedaagde 2] [eisers] c.s. verzocht om termijnfactuur 17 te betalen. [gedaagde 2] heeft hierover geschreven:\n\n“In de bijlage de aangepaste planning zoals jullie gisteren hebben besproken.\n\nHier wil ik gelijk op inhaken m.b.t. de facturatie. Afgelopen week is er een termijn uitgegaan en dat zou inhouden dat hierna nog één termijn en verrekening meer- en minder werk moet worden gerekend.\n\nOm een hele lange discussie hierover te moeten voeren is zonde van onze tijd en ik wil dan ook het volgende doen.\n\n Termijn 17 zoals verstuurd.\n\n Facturatie meer- en minderwerk (+\u002F- € 7.879,21, exclusief BTW) na de 1e oplevering (na 13-12). Deze kan iets afwijken omdat er een post met een verrekenbare aantal in is verwerkt (MM-13). Hier rekenen we daadwerkelijke aantallen af\n\n Laatste termijn (€ 22.063,68 inclusief BTW) na oplevering en overdracht.”\n\n2.8.. Op 17 november 2021 was het saldo van de ING-rekening van [bedrijfsnaam] € 8,01 negatief.\n\n2.9.. Op 22 november 2021 hebben [eisers] c.s. termijnfactuur 17 betaald op deze ING-rekening.\n\n2.10.. Vervolgens heeft [gedaagde 2] op 23 november 2021 van de ING-rekening van [bedrijfsnaam] meerdere bedragen overgemaakt, onder meer een bedrag van € 12.876,82 aan [gedaagde 1] .\n\n2.11.. Op 25 november 2021 heeft [gedaagde 2] besloten het faillissement van [bedrijfsnaam] aan te vragen. Bij vonnis van 7 december 2021 is [bedrijfsnaam] in staat van faillissement verklaard.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eisers] c.s. vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI primair:[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van\n\n € 97.999,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nII subsidiair:[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van\n\n € 26.476,22 met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2021 tot aan de dag van algehele voldoening en € 26.476,22, met de wettelijke rente vanaf 22 november 2021 tot de dag van algehele voldoening;\n\nIII primair en subsidiair:[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n\nAan deze vorderingen hebben [eisers] c.s., samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagden] c.s. hebben als (middellijk) bestuurders onrechtmatig gehandeld jegens [eisers] c.s. In de eerste plaats wisten of behoorden [gedaagden] c.s. bij het aangaan van de overeenkomst te weten dat [bedrijfsnaam] niet aan haar verplichtingen jegens [eisers] c.s. zou kunnen voldoen en dat zij evenmin verhaal zou bieden. In de tweede plaats heeft [gedaagde 2] toegelaten dat [bedrijfsnaam] niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden. Hij heeft immers toegelaten dat door [eisers] c.s. betaalde termijnen die bestemd waren voor de verbouwing door [projectleider] voor andere doeleinden zijn gebruikt. [gedaagde 2] had als enige toegang tot de ING-rekening van [bedrijfsnaam] en had een waarborg moeten inbouwen om oneigenlijke besteding van de gelden te voorkomen.\n\nIn de derde plaats heeft [gedaagde 2] de termijnfacturen 16 en 17 laten betalen zonder dat deze opeisbaar waren en terwijl hij wist of had behoren te weten dat [bedrijfsnaam] hoogstwaarschijnlijk niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Bovendien heeft [gedaagde 2] het op 23 november 2021 ontvangen bedrag gebruikt om [gedaagde 2] Adviesgroep te betalen.\n\nTen slotte heeft [gedaagde 2] vanaf november 2021 steeds toezeggingen gedaan, die hij niet heeft kunnen waarmaken. Hij heeft beloftes gedaan en op zijn minst de indruk gewekt dat hij ervoor zou zorgen dat de woning zou worden afgebouwd. Hij heeft [eisers] c.s. vijf maanden aan het lijntje gehouden. Als gevolg hiervan hebben [eisers] c.s. schade geleden. De door [eisers] c.s. geleden schade bestaat in hoofdsom uit € 95.001,96, berekend als volgt:\n\n- kosten herstel van de woning en kosten resterende werkzaamheden: € 146.392,96\n\n- uitgekeerd bedrag CAR-verzekering: € 24.690,00 -\u002F-\n\n- bedrag dat nog niet aan [bedrijfsnaam] was betaald: € 26.701,00-\u002F-\n\nTotaal: € 95.001,96\n\nOver dit bedrag zijn [gedaagden] c.s. wettelijke rente verschuldigd. Om proces-economische redenen beperken [eisers] c.s. hun primaire vordering tot € 97.999,99.\n\nVoor zover [gedaagden] c.s. niet aansprakelijk zijn voor de volledige schade, geldt dat zij aansprakelijk tot het beloop van de termijnen 16 en 17.\n\n3.3.. \n [gedaagden] c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBestuurdersaansprakelijkheid?\n\n4.1.. Allereerst aan de orde is of [gedaagden] c.s. als (middellijk) bestuurders van [bedrijfsnaam] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor schade die [eisers] c.s. lijden ten gevolge van het niet geheel nakomen door [bedrijfsnaam] van de aannemingsovereenkomst. Die nakoming is niet meer mogelijk, omdat [bedrijfsnaam] in staat van faillissement verkeert.\n\n4.2.. De rechtbank stelt voorop dat, indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering zal evenwel naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek (BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n4.3.. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden.Dit wordt ook wel de Beklamel-norm genoemd.4.4.. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.\n\n4.5.. Verder bepaalt artikel 2:11 BW dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder tevens rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.\n\n4.6.. Op grond van de hoofdregel van het bewijsrecht (artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) is het aan [eisers] c.s. om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit het onrechtmatig handelen en de aansprakelijkheid van [gedaagden] c.s. kunnen volgen.\n\nIs aan de Beklamel-norm voor aansprakelijkheid voldaan?\n\n4.7.. \n\nTer onderbouwing van hun stelling dat [gedaagden] c.s. bij het aangaan van de overeenkomst wist of behoorde te weten dat [bedrijfsnaam] de overeenkomst niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden hebben [eisers] c.s. aangevoerd dat:\n\ni) [gedaagde 2] [bedrijfsnaam] heeft opgericht met een gering geplaatst kapitaal van € 1.200, zodat het vrijwel geen buffer had om eventuele tegenvallers op te vangen;\n\nii) [gedaagde 2] door het omvangrijke project bij [eisers] c.s. aan te nemen zonder een financiële buffer een groot risico heeft genomen, dat zich heeft verwezenlijkt.\n\n4.8.. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid kan niet worden verlangd dat een startend bedrijf een financiële buffer heeft. In dit geval is de overeenkomst met [eisers] c.s. ruim een jaar na de oprichting van [bedrijfsnaam] aangegaan, in welk jaar [bedrijfsnaam] als aannemer actief is geweest en zij, blijkens het overgelegde faillissementsverslag (productie 16 van [eisers] c.s.) een omzet van € 354.799 heeft behaald. Uit dit faillissementsverslag kan, anders dan [eisers] c.s. hebben gesteld, niet worden opgemaakt dat [bedrijfsnaam] in 2020 een verlies heeft geleden. In dat verslag is over 2020 immers een “Winst en verlies” van\n\n€ 23.778 vermeld. [eisers] c.s. hebben niet verder toegelicht hoe de financiële situatie van [bedrijfsnaam] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. Of die situatie vergde dat [bedrijfsnaam] een (grotere) financiële buffer had, kan dus niet zonder meer worden aangenomen. Ten slotte is van belang dat [bedrijfsnaam] bijna negen maanden lang heeft gewerkt aan de woning van [eisers] c.s. en in die periode - zoals [eisers] ter zitting heeft verklaard - ongeveer 70% van de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Reeds hieruit volgt dat het niet aannemelijk is dat bij het aangaan van de overeenkomst kon worden voorzien dat [bedrijfsnaam] niet in staat zou zijn de werkzaamheden te voltooien. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat niet aan de Beklamel-norm voor aansprakelijkheid is voldaan.\n\nHeeft [gedaagde 2] toegelaten dat [bedrijfsnaam] niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden?\n\n4.9.. Met betrekking tot het verwijt van [eisers] c.s., dat [gedaagde 2] heeft toegelaten dat van [eisers] c.s. ontvangen gelden die bestemd waren voor de verbouwing door [projectleider] voor andere doeleinden zijn gebruikt, wordt het volgende overwogen. [gedaagden] c.s. hebben betwist dat deze gelden oneigenlijk zijn besteed. Op dit punt hebben [eisers] c.s. geen nadere onderbouwing van hun stelling gegeven. Bovendien is van belang dat, zoals [gedaagden] c.s. onweersproken hebben aangevoerd, [bedrijfsnaam] in 2021 nog andere projecten had lopen en dat zij ook bedrijfskosten had. Hieruit volgt al dat de van [eisers] c.s. ontvangen gelden niet uitsluitend voor de verbouwing van de woning hoefden te worden gebruikt. Hierop strandt het verwijt van [eisers] c.s.\n\nMochten [gedaagden] c.s. betaling verlangen van de termijnfacturen 16 en 17?\n\n4.10.. Vervolgens is aan orde of [gedaagden] c.s. betaling hebben mogen verlangen van de termijnfacturen 16 en\u002Fof 17. Omdat deze facturen voorschotten inhielden op nog uit te voeren werkzaamheden, dient te worden beoordeeld of [gedaagden] c.s., toen zij de facturen lieten betalen, wisten of hebben behoren te weten dat [bedrijfsnaam] niet in staat zou zijn de daarop betrekking hebbende betreffende werkzaamheden uit te voeren en dat [bedrijfsnaam] geen verhaal zou bieden. Dat komt neer op een Beklameltoets.\n\n4.11.. \n [eisers] c.s. achten van belang dat de termijnfacturen nog niet verschuldigd waren gezien de stand van de werkzaamheden. Die enkele gestelde omstandigheid brengt echter niet mee dat [gedaagden] c.s. wist of behoorde te weten dat de bij die voorschotten behorende werkzaamheden niet zouden worden uitgevoerd en [bedrijfsnaam] geen verhaal zou bieden.\n\n4.12.. \n [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. hebben de termijnfactuur 16 in twee gedeelten laten betalen op 10 respectievelijk 26 oktober 2021. Over de financiële situatie van [bedrijfsnaam] in oktober 2021 hebben [eisers] c.s. niets gesteld. Wel staat vast dat [gedaagde 1] op 26 oktober 2021 nog een bedrag van € 62.000 heeft geleend aan [bedrijfsnaam] en dat [gedaagde 2] bijna een maand later het faillissement van [bedrijfsnaam] heeft aangevraagd. Uit de geldlening zou kunnen worden afgeleid dat [bedrijfsnaam] een liquiditeitstekort had, maar op zichzelf niet dat het faillissement van [bedrijfsnaam] onafwendbaar was. Kennelijk was er voor [gedaagde 2] Adviesgroep nog voldoende reden om [bedrijfsnaam] van aanvullende middelen te voorzien. De vrij gebruikelijke zekerheden die bij deze geldlening zijn bedongen, wijzen ook niet in de richting van een aanstaand faillissement. [eisers] c.s. hebben dan ook onvoldoende onderbouwd dat [gedaagden] c.s. eind oktober 2021 al wist of behoorde te weten dat de met (voorschot)factuur 16 gemoeide prestatie niet zou worden geleverd en [bedrijfsnaam] geen verhaal zou bieden.\n\n4.13.. Dat is anders ten aanzien van de termijnfactuur 17. [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. hebben die factuur laten betalen op 22 november 2021, drie dagen voordat [gedaagde 2] heeft besloten het faillissement van [bedrijfsnaam] aan te vragen. Gelet op dit zeer korte tijdsbestek moet ervan worden uitgegaan dat er op 22 november 2021 al sprake was van een zodanig penibele financiële situatie, dat het faillissement van [bedrijfsnaam] onafwendbaar, of op zijn minst zeer waarschijnlijk was. [gedaagden] c.s. hebben tenminste niet aangevoerd dat de situatie van [bedrijfsnaam] in dat tijdbestek (onvoorzien) wezenlijk is verslechterd. Als (middellijk) bestuurders moeten [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. worden geacht op de hoogte te zijn van het financiële reilen en zeilen van [bedrijfsnaam] . Gelet op de penibele financiële situatie en omdat algemeen bekend is dat concurrente crediteuren in een faillissement vrijwel altijd achter het net vissen, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. in die omstandigheden had moeten afzien van het laten betalen van voorschot factuur 17. In zoverre treft hun een ernstig verwijt jegens [eisers] c.s.\n\n4.14.. \n [gedaagden] c.s. hebben nog betoogd dat bestuurdersaansprakelijkheid niet kan worden aangenomen omdat [eisers] c.s. jegens [bedrijfsnaam] geen recht op terugbetaling van de termijnfacturen had. [gedaagden] c.s. beroepen zich op artikel 16.1 van de algemene voorwaarden, waarin is bepaald dat de overeenkomst wordt ontbonden als [bedrijfsnaam] in staat van faillissement wordt verklaard en op artikel 16.2, waarin is bepaald dat ingeval van ontbinding betaalde bedragen voor reeds uitgevoerde werkzaamheden niet worden gerestitueerd.\n\n4.15.. Dit betoog slaagt niet. Ontbinding van een wederkerige overeenkomst brengt een verbintenis tot ongedaanmaking van een door een partij ontvangen prestatie mee (artikel 6:171 BW). Bovendien hield de termijnfactuur 17 een voorschot in en zijn de daarop betrekking hebbende werkzaamheden niet uitgevoerd, zodat artikel 16.2 van de algemene voorwaarden niet van toepassing is.\n\nIs er tussen partijen een nieuwe overeenkomst tot stand gekomen?\n\n4.16.. Aan hun vordering op [gedaagde 2] hebben [eisers] c.s. ten slotte nog ten grondslag gelegd dat [gedaagde 2] , kort gezegd, vanaf eind november 2021 gedane toezeggingen niet heeft waargemaakt. Ter zitting is namens [eisers] c.s. verduidelijkt dat is bedoeld dat tussen partijen een nieuwe overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen, inhoudende dat [gedaagde 2] op zijn kosten zou zorgdragen voor het voltooien van de door [bedrijfsnaam] aangenomen werkzaamheden en dat [gedaagde 2] deze overeenkomst niet is nagekomen. [gedaagde 2] heeft betwist dat deze overeenkomst tot stand is gekomen. Volgens [gedaagde 2] heeft hij enkel [eisers] c.s. willen helpen aan een andere aannemer. Op [eisers] c.s. rust de bewijslast van het bestaan van de door hen gestelde nieuwe overeenkomst.\n\n4.17.. \n\nUitgangspunt in ons recht is dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding. Hierbij heeft te gelden dat het aanbod alle essentiële elementen van de te sluiten overeenkomst dient te bevatten om als aanbod te kunnen worden aangemerkt.\n\nHet antwoord op de vraag of een overeenkomst is tot stand gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen.\n\n4.18.. \n\n [eisers] c.s. hebben ter onderbouwing van hun stelling verwezen naar hun productie 22. Deze productie betreft een kopie van een aantal WhatsApp-berichten uit de periode 22 januari 2022 tot en met 2 mei 2022. Uit deze berichten maakt de rechtbank op er door [gedaagden] c.s. voorbereidingen zijn getroffen voor het verder afbouwen van de woning door één of meer derden en dat die werkzaamheden uiteindelijk niet zijn opgestart. De correspondentie biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat de kosten van het voltooien voor rekening van [gedaagde 2] zouden zijn. [gedaagde 2] heeft in zijn bericht van 2 mei 2022 juist duidelijk gemaakt dat hij die kosten niet zou dragen:\n\n“Ik snap dat het voor jullie belangrijk is allemaal, maar concrete afspraken zijn er helaas niet gemaakt. Wel de toezegging en de belofte dat ik jullie niet zal laten vallen en waar mogelijk jullie zal (blijven) ondersteunen. Ik had een beeld en idee van hoe het e.e.a. wilde aanvliegen maar door diverse zaken is dat helaas niet gelukt. Dit heb ik ook elke keer aangegeven. Ook heb ik elke keer aangegeven het wel volgens de regels te willen uitvoeren omdat ik geen problemen wil achteraf voor mezelf en ook niet voor jullie. Dit gezegd hebbende dat ik pas concreet invulling kan doen als ik weet welke koers verantwoord is. Ik ga om die reden geen belofte maken (financieel gezien) die ik niet kan verantwoorden of kan nakomen.”\n\nGelet op dit een en ander hebben [eisers] c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om te kunnen concluderen dat de door hen gestelde overeenkomst tot stand is gekomen. Hun vorderingen kunnen daarop dus niet worden gebaseerd.\n\nSlotsom\n\n4.19.. De slotsom is dat de vorderingen van [eisers] c.s. worden toegewezen tot een bedrag van € 26.476,42 (termijnfactuur 17), te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente.\n\nProceskosten\n\n4.20.. Partijen zijn over en weer op punten in het ongelijk gesteld. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [eisers] c.s. van € 26.476,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2021 tot de dag van algehele voldoening;\n\n5.2.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3.. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.\n\n 1554\n\n De bedragen in dit vonnis zijn steeds inclusief BTW.\n\nvgl. Hoge Raad 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NHB\u002FOosterhof.\n\n vgl. Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, Beklamel.\n\n vgl. Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger\u002FRoelofsen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4761","2026-03-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.163Z",20]