[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":51,"total":16,"page":25,"limit":147},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},11,{"min":18,"max":19},"2026-03-04T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,36,39,42,45,48],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122943","Burgerlijk Wetboek","art. 6:171",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123597","art. 7:57",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122926","art. 6:102",{"provisionId":33,"code":34,"article":35,"count":25},"122927","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 210-216",{"provisionId":37,"code":23,"article":38,"count":25},"124158","art. 95 lid 1",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"124159","art. 6:119 lid 1",{"provisionId":43,"code":23,"article":44,"count":25},"124160","art. 3:84",{"provisionId":46,"code":23,"article":47,"count":25},"124480","art. 6:237",{"provisionId":49,"code":23,"article":50,"count":25},"124482","art. 7:412",[52,63,71,80,88,95,104,113,122,130,139],{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":57,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":61,"updatedAt":62},"1002","ECLI:NL:GHDHA:2026:2023","ecli-nl-ghdha-2026-2023","","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.351.028\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F667474 \u002F HA ZA 23-906\n\nArrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSelecta Infrastructuur B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nappellante in principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker, kantoorhoudend in Houten,\n\ntegen\n\nDelta Infratechniek B.V.,\n\ngevestigd in Rijssen,\n\ngeïntimeerde in principaal hoger beroep,\n\nappellante in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.J. Ligtenbarg, kantoorhoudend in Velp.\n\nHet hof noemt partijen hierna Selecta en Delta.\n\n1. De zaak in het kort1.1. Selecta heeft van Delta opdracht gekregen een glasvezelnetwerk aan te leggen. In het kader daarvan heeft zij boorwerkzaamheden verricht in de omgeving van het Leppa Akwadukt in Friesland. Daarbij heeft zij een folielaag in de bodem, toebehorend aan Rijkswaterstaat, doorboord. Dit heeft de uitstroom van bodemwater en het wegspoelen van zand en grond tot gevolg gehad. Het gaat in deze zaak om de vraag of Selecta jegens Delta is tekortgeschoten en de door Delta als gevolg van dit voorval geleden en nog te lijden schade moet vergoeden.1.2. De rechtbank heeft de door Selecta gevorderde verklaringen voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure grotendeels toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 19 december 2024, waarmee Selecta in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024 (niet gepubliceerd);\n\nde memorie van grieven van Selecta, met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord in het principaal appel tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel appel van Delta, met producties;\n\nde memorie van antwoord in het incidenteel appel van Selecta.3. Feitelijke achtergrond3.1. Nu daarover geen discussie bestaat, gaat het hof uit van de door de rechtbank in haar vonnis van 2 oktober 2024 vastgestelde feiten, met een gering aantal aanpassingen en toevoegingen. Het gaat in deze zaak om het volgende.3.2. Delta is een vennootschap binnen het concern van Delta Rijssen Holding B.V.. Binnen de groep geeft Delta opdracht tot de aanleg van glasvezelnetwerken. De eigendom van die glasvezelnetwerken berust na de aanleg bij Delta Rijssen Glasvezel Investeringen B.V., al dan niet indirect, via projectvennootschappen.3.3. Selecta is een aannemingsbedrijf. Delta en Selecta werken regelmatig samen sinds 2013.3.4. Op 14 mei 2020 hebben Delta (aangeduid als Opdrachtgever) en Selecta (aangeduid als Aannemer) een raamovereenkomst gesloten. In de raamovereenkomst staat, voor zover relevant:\n\n“5a. De Aannemer is gehouden de aanleg van de glasvezel netwerken goed en deugdelijk, naar de bepalingen van deze overeenkomst en met inachtneming van de voor de aan te leggen glasvezel netwerken van belang zijnde of toepasselijke wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, uit te voeren.\n\n5b. Tot de verplichtingen van de Aannemer behoort het verkrijgen van de benodigde vergunningen, instemmingen, beschikkingen, meldingen, toestemmingen en ontheffingen voor het aan te leggen glasvezel netwerk. Opdrachtgever zal Aannemer (juridisch) ondersteunen bij het formaliseren en verkrijgen van de vereiste\u002Fbenodigde toestemmingen.\n\n5c. De Aannemer stelt zich voor de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte van de ligging van bestaande kabels en leidingen.\n\n5d. De Aannemer is verplicht de Opdrachtgever bij het aangaan of het tijdens het uitvoeren van deze overeenkomst te waarschuwen voor fouten of gebreken in de door hem voorgeschreven plannen, tekeningen, berekeningen of uitvoeringsvoorschriften, voor tekortkomingen in de door hem gegeven orders of aanwijzingen, alsmede voor gebreken in door de Opdrachtgever ter beschikking gestelde zaken, voor zover de Aannemer deze onvolkomenheden kende of had behoren te kennen.\n\n5e. De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van de aanleg van de glasvezel netwerken is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers.”3.5. Een van de projecten, waartoe Delta onder de raamovereenkomst opdracht heeft gegeven, is de aanleg van een glasvezelnetwerk ten noorden van Heerenveen in onder meer de dorpen Akkrum, Aldeboam, Haskerdijken, Luinjeberd, Nes en Tjalleberd alsmede het gebied tussen en rondom deze dorpen.3.6. In het uitvoeringsgebied van dit project bevindt zich het Leppa Akwadukt, dat nabij Akkrum de A32 overspant. Het Leppa Akwadukt en de omringende grond zijn eigendom van Rijkswaterstaat.3.7. Partijen hebben nadere afspraken over dit project vastgelegd in een projectovereenkomst van 9 februari 2021. In artikel 1 van deze projectovereenkomst is ‘het Werk’ omschreven. Artikel 2 gaat over de aanneemsom. In dit artikel staat voor zover van belang het volgende:\n\n“De overeengekomen aanneemsom is inclusief:\n\n- (…)\n\n- Verkrijgen vereiste vergunningen, ontheffingen, beschikkingen, meldingen en toestemmingen in het kader van het ontwerp en de aanleg van het glasvezel netwerk\n\n(…)\n\nDe overeengekomen aanneemsom is exclusief:\n\n- (…)\n\n- (…)\n\n- De kosten van de vergunning en uitvoering van vergunning plichtige boringen\n\n(…)\n\nMateriaal, POP stations, vergunning plichtige boringen en gemeentelijke leges worden verzorgd door de Opdrachtgever. (…)”\n\nIn artikel 4a van de projectovereenkomst staat dat de afspraken in de raamovereenkomst (voor het overige) volledig van toepassing zijn.3.8. Op 3 mei 2021 heeft Selecta bij de gemeente Heerenveen een vergunning aangevraagd voor het uitvoeren van graaf- en boorwerkzaamheden. Die vergunning is haar op 11 mei 2021 verleend.3.9. Delta heeft Selecta per e-mail van 13 juli 2021 als volgt bericht:\n\n“Wij hebben zoals te doen gebruikelijk bij de start van een project oriëntatieklics opgevraagd voor Heerenveen Noord. In de bijlage vinden jullie per klic de Eis-Voorzorgsmaatregelen. Gaan jullie pro-actief in gesprek met deze partijen? Daarnaast is een overzicht van partijen opgenomen die in de grond actief zijn. In de map ‘selecta en delta’ zijn de oriëntatieklics en onderliggende bestanden daarnaast te vinden. (…).”\n\nRijkswaterstaat was een van de partijen die stond vermeld op de lijst die als bijlage bij deze e-mail was gevoegd.3.10. Selecta heeft op 30 november 2021 een KLIC-melding (voluit: Kabels en Leidingen Informatie Centrum, dat is een graafmelding bij het kadaster) gedaan. Zij heeft in reactie op die graafmelding twee standaardbrieven van Rijkswaterstaat ontvangen, waarin onder meer staat:\n\n“In de situatie, waar het om werkzaamheden in een risicovol gebied gaat, ontvangt u geen tekening. Dit kan voorkomen bij werkzaamheden in de buurt van stormvloedkeringen, zeeweringen, dijken, rivieren of verkeerscentrales. Voor de exacte ligging van deze k&l binnen dit gebied (of aanvullende informatie) dient u contact op te nemen met de postbus (mailadres)AreaalgeqevensNN@rws.nl . Geeft u hierbij duidelijk aan om welke locatie dit gaat (b.v. situatieschets, straatnaam, Google maps plaatje en\u002Fof coördinaten).\n\nGraag willen wij u erop attenderen dat u over een vergunning\u002Fmelding op grond van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken\u002FWaterwet moet beschikken om binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat werkzaamheden uit te voeren. Meer informatie vindt u op de volgende links: (…).”3.11. En ook:\n\n“Kritisch Gebied\n\nOp basis van de door u verstrekte informatie bevindt uw melding zich in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat. Gelieve contact op te nemen met de desbetreffende regio.”3.12. Op 21 december 2021 heeft Selecta in het kader van de opdracht van Delta boorwerkzaamheden uitgevoerd nabij het Leppa Akwadukt. Selecta beschikte op dat moment niet over een vergunning van Rijkswaterstaat als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).3.13. Bij die werkzaamheden heeft Selecta een folielaag in de bodem, die toebehoorde aan Rijkswaterstaat, op een of meerdere plaatsen doorboord. De folie dient ertoe de zandlaag waarop het Leppa Akwadukt is gebouwd te stabiliseren en te behoeden voor wegspoelen. Als gevolg van de doorboring is een mengsel van bodemwater, zand en grond door de folielaag gedrongen en naar de evenwijdig aan de A32 liggende secundaire weg gestroomd. Rijkswaterstaat heeft terstond noodmaatregelen getroffen, zoals bronbemaling, om de uitstroom van bodemwater en het wegspoelen van zand en grond te beperken. Het is niet duidelijk wanneer de definitieve herstelmaatregelen zullen zijn voltooid.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Delta heeft gevorderd, verkort weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, (III) een verklaring voor recht dat Selecta toerekenbaar is tekortgeschoten onder de projectovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde raamovereenkomst, (IV) een verklaring voor recht dat Selecta aansprakelijk is voor de schade die Delta heeft geleden en nog zal lijden en veroordeling van Selecta tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat, (V) een verklaring voor recht dat Selecta op grond van de projectovereenkomst en de raamovereenkomst gehouden is om Delta te vrijwaren voor alle aanspraken van derden, waaronder doch niet uitsluitend van aanspraken van Rijkswaterstaat en (VI) een verklaring voor recht dat Selecta op grond van die vrijwaring gehouden is om alle bedragen die Delta betaalt en\u002Fof moet betalen ter zake de schade van Rijkswaterstaat binnen vijf dagen na een verzoek daartoe aan Delta te vergoeden.4.2. Aan deze vorderingen heeft Delta ten grondslag gelegd, samengevat, dat Selecta is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die volgen uit (onder meer) artikelen 5a, 5b, 5c en 5d van de raamovereenkomst en op grond van art. 6:74 BW aansprakelijk is voor de schade die Delta lijdt. Delta doet in dit verband een beroep op de verplichting tot vrijwaring die ingevolge artikel 5e van de raamovereenkomst op Selecta rust.4.3. Selecta betwist dat zij is tekortgeschoten. Selecta erkent dat voor de werkzaamheden die zij op 20 december 2021 op de schadelocatie heeft uitgevoerd een vergunning van Rijkswaterstaat nodig was. Zij meent echter dat het ontbreken van die vergunning niet aan haar kan worden toegerekend, omdat a) Delta steevast het initiatief nam en voorafgaand aan deze werkzaamheden niet aan haar heeft gevraagd om een vergunning aan te vragen bij Rijkswaterstaat, b) zij niet wist en niet hoefde te begrijpen dat zich daar een onderdeel van een waterstaatswerk bevond, c) zij niet uit ervaring wist dat in de omgeving van aquaducten folie in de ondergrond kan liggen, d) er ter plaatse geen waarschuwingsbordjes aanwezig waren die de aanwezigheid van folie in de ondergrond markeerden, terwijl dit bij andere aquaducten die bij Rijkswaterstaat in beheer zijn, wel het geval is en e) zij over een vergunning van de gemeente Heerenveen beschikte voor de werkzaamheden ter plaatse van de schadelocatie. Selecta doet evenals Delta een beroep op artikel 5e van de raamovereenkomst; volgens haar gaat het om een bepaling die haar aansprakelijkheid beperkt. Subsidiair heeft Selecta aangevoerd dat de schade deels voor rekening van Delta moet blijven, omdat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan Delta zijn toe te rekenen. In dit verband heeft Selecta erop gewezen dat partijen zijn overeengekomen dat Selecta geen ‘vergunning plichtige boringen’ zou uitvoeren.4.4. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 oktober 2024 de hiervoor onder 4.1 weergegeven vorderingen grotendeels toegewezen. Zij heeft overwogen dat Selecta in strijd heeft gehandeld met artikel 5a en artikel 5b van de raamovereenkomst en dat deze tekortkoming toerekenbaar is. Selecta heeft daadwerkelijk een graafmelding gedaan en dat wijst erop dat zij dit tot haar taak rekende. Zij heeft de twee brieven die zij van Rijkswaterstaat ontving, waarin duidelijk stond dat zij een vergunning nodig had, genegeerd. Selecta komt geen beroep toe op artikel 5e van de raamovereenkomst, omdat die bepaling niet kan worden aangemerkt als een ten behoeve van Selecta overeengekomen beperking van de aansprakelijkheid, maar als een bepaling die beoogt Delta in staat te stellen eventuele aanspraken van derden op Selecta af te wenden. Het beroep van Selecta op eigen schuld (artikel 6:101 en artikel 6:102 BW) gaat volgens de rechtbank niet op. Selecta heeft niet voldoende toegelicht dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan Delta kan worden toegerekend. Voor zover Delta al enige fout heeft gemaakt, is de ernst daarvan zo gering dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Selecta geheel in stand blijft.4.5. Alleen de vordering van Delta tot een verklaring voor recht dat Selecta op grond van de verplichting tot vrijwaring die volgt uit artikel 5e van de raamovereenkomst gehouden is om binnen vijf dagen betalingsverzoeken van Delta te voldoen, is door de rechtbank afgewezen, omdat deze te ver strekt en onvoldoende steun vindt in de raamovereenkomst.4.6. Selecta is in de proceskosten veroordeeld.5. Beoordeling in hoger beroep5.1. Selecta heeft hoger beroep ingesteld. Zij vordert vernietiging van het vonnis van 2 oktober 2024 en veroordeling van Delta in de proceskosten.5.2. \n\nDelta heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar vordering onder VI (zie onder 4.5 hiervoor).\n\nPrincipaal hoger beroep5.3. Selecta heeft voorafgaand aan de genummerde grieven een overzicht van volgens haar relevante feiten en omstandigheden opgenomen. In dat overzicht zijn geen zelfstandige bezwaren opgenomen tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof zal op deze feiten en omstandigheden, voor zover relevant, ingaan bij het bespreken van de grieven.5.4. Grief 1ziet op r.o. 4.9 van het vonnis. Selecta is van mening dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten of Delta grondroerder was. Volgens Selecta was Delta bij de uitvoering van de opdracht als hoofdaannemer aan te merken en dus tevens als grondroerder in de zin van artikel 1 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON). Daarom rustte op Delta een eigen verantwoordelijkheid voor wat betreftallegrondroerende werkzaamheden van het project. Selecta stelt in dit verband dat Delta op grond van artikel 2 WIBON verplicht was om voor aanvang van de grondroerende werkzaamheden een graafmelding te doen en onderzoek te verrichten naar de precieze ligging van de ondergrondse kabels.5.5. Het hof overweegt als volgt. Het doet er in de contractuele verhouding tussen Delta en Selecta niet toe of Delta wel of niet als grondroerder in de zin van de WIBON en\u002Fof als hoofdaannemer is aan te merken in het kader van de door Selecta verrichte werkzaamheden. Of Delta als zodanig is aan te merken kan wél van belang zijn in de verhouding tussen Delta en derden als Rijkswaterstaat die Delta tot schadevergoeding willen aanspraken en daarbij een beroep doen op verplichtingen die voor grondroerders uit de WIBON volgen. In de verhouding tussen Selecta en Delta echter gaat het erom of Selecta is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen die volgen uit de tussen partijen gesloten projectovereenkomst en raamovereenkomst en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de schade van Delta. Voor de beantwoording van die vraag is niet van belang of Delta grondroerder en\u002Fof hoofdaannemer is, nog daargelaten dat Delta in de verhouding Delta-Selecta evident opdrachtgever is en in die verhouding op Selecta de verantwoordelijkheid rustte om benodigde vergunningen aan te vragen. Grief 1 faalt derhalve.5.6. Grief 2is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.2 tot en met 4.5 van het vonnis dat Selecta toerekenbaar tekort is geschoten. Deze grief slaagt niet, om de hiernavolgende redenen.5.7. Selecta erkent dat zij een graafmelding heeft gedaan bij Rijkswaterstaat en dat zij naar aanleiding daarvan twee brieven heeft ontvangen van Rijkswaterstaat met de hiervoor onder 3.10 en 3.11 weergegeven tekst. Het hof is van oordeel dat de tekst van die brieven voor Selecta aanleiding gaf om op zijn minst voor mogelijk te houden dat een vergunning van Rijkswaterstaat nodig was voor het boren op de plek waar zij ook daadwerkelijk zou gaan boren, óók als de brieven niet specifiek betrekking hadden op de boring op de schadelocatie maar tevens op eventuele andere locaties in de zogeheten graafpolygoon. Selecta had navraag kunnen en moeten doen bij Rijkswaterstaat, waartoe de brief ‘Bijlage bij graafmelding’ ook uitnodigt. In weerwil van deze brieven heeft Selecta geen nader onderzoek verricht en geen vergunning bij Rijkswaterstaat aangevraagd. Door toch te boren en schade te veroorzaken, heeft Selecta in strijd gehandeld met artikel 5a, 5b en 5c van de raamovereenkomst.5.8. Het hof volgt dan ook niet het standpunt van Selecta dat zij niet toerekenbaar is tekortgeschoten omdat zij er niet op bedacht hoefde te zijn dat zij voor het boren op de schadelocatie een vergunning nodig had. De brieven van Rijkswaterstaat zijn duidelijk. In één van de brieven staat “Op basis van de door u verstrekte informatie bevindt uw melding zich in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat.”Daarom kon Selecta niet zonder navraag te doen, ervan uitgaan dat de brieven van Rijkswaterstaat alleen gingen over de grond direct onder het Leppa Akwadukt. Zij kon niet aannemen dat de vergunning van de gemeente Heerenveen volstond en dat de afstand tussen de boorplek en het aquaduct zo groot was dat het boren niet in grond toebehorend aan Rijkswaterstaat zou plaatsvinden. Evenmin komt, gelet op de brieven van Rijkswaterstaat, betekenis toe aan het feit dat er ter plaatse van het folie geen waarschuwingsbordjes waren en dat Selecta geen ervaring had met het boren in de nabijheid van aquaducten.5.9. Dat Selecta op grond van artikel 2a van de projectovereenkomst geen verantwoordelijkheid droeg voor de uitvoering van ‘vergunning plichtige boringen’ (dat zijn zwaardere boringen met een grotere diameter en waarbij meer voorwerk nodig is), en dat Delta verantwoordelijk was voor dergelijke boringen, is niet van belang. Artikel 2a van de projectovereenkomst laat immers onverlet dat Selecta, bij boringen die zij wél uitvoert in het kader van de met Delta overeengekomen werkzaamheden, over de benodigde vergunning(en) moet beschikken. Dit volgt uit artikel 4a van de projectovereenkomst, op grond waarvan artikel 5a, 5b en 5c van de raamovereenkomst op de projectovereenkomst van toepassing zijn. Het hof volgt bovendien het standpunt van Delta dat de schadeveroorzakende boring niet een ‘vergunning plichtige boring’ in de zin van artikel 2a betrof. De ‘vergunning plichtige boring’ waarvoor Delta de verantwoordelijkheid droeg, betrof de boring exact onder het aquaduct (randnummer 29 memorie van antwoord, randnummer 2.19 memorie van grieven, alsmede productie 15 bij de memorie van grieven). De schadeveroorzakende boring van Selecta vond op enige afstand van het aquaduct plaats.5.10. Het hof behandelt hier ook de bij randnummer 2.33 van de memorie van grieven opgenomen stelling van Selecta dat de e-mail van Delta van 13 juli 2021 (zie 3.9 hiervoor) slechts het verzoek inhield om contact op te nemen met de partijen die een zogenoemde Eis-voorzorgsmaatregel hadden opgelegd. Deze stelling gaat niet op. In die e-mail staat de zin “Daarnaast is een overzicht van partijen opgenomen die in de grond actief zijn.”. Dat overzicht vermeldt onder andere Rijkswaterstaat Noord-Nederland. Naar het oordeel van het hof heeft Delta hiermee aan Selecta duidelijk gemaakt dat zij in het kader van haar werkzaamheden voor het project ten noorden van Heerenveen rekening moest houden met mogelijke belangen van Rijkswaterstaat.5.11. Het hof verwerpt in dit kader ten slotte het standpunt van Selecta dat er een waarschuwingsplicht op Delta rustte. Het hof kan dat – niet of onvoldoende toegelichte – standpunt niet rijmen met de verplichtingen die uit hoofde van de raamovereenkomst op Selecta rustten, met de inhoud van de e-mail van Delta van 13 juli 2021 aan Selecta, met het feit dat Selecta op 30 november 2021 zelf een KLIC-melding heeft gedaan en evenmin met het feit dat Selecta naar aanleiding van die graafmelding (waarschuwende) brieven van Rijkswaterstaat heeft ontvangen.5.12. Grief 3houdt in dat de rechtbank in r.o. 4.7 van het vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 5e van de raamovereenkomst geen beperking van aansprakelijkheid behelst.Grief 4klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de schade is te wijten aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van Selecta.5.13. Bij de uitleg van artikel 5e van de raamovereenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het gaat hier om een overeenkomst tussen commerciële partijen (die zich, kort gezegd, bezig houden met de aanleg van glasvezelnetwerken). Daarom komt groot gewicht toe aan de taalkundige betekenis van de woorden van artikel 5e.5.14. Voor het leesgemak geeft het hof de tekst van artikel 5e nog eens weer:\n\n“5e. De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van de aanleg van de glasvezel netwerken is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers.”5.15. Grief 3 faalt omdat artikel 5e van de raamovereenkomst Selecta uitdrukkelijk een verplichting oplegt tot vrijwaring van Delta voor aanspraken tot schadevergoeding van derden (“De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever (…)”). De omschrijving “nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers” duidt niet op een (impliciete) beperking van aansprakelijkheid, maar juist op een omvangrijke vrijwaringsverplichting ten gunste van Delta omdat reeds een verkeerde handeling (met schade als gevolg) een verplichting tot vrijwaring kan doen ontstaan.5.16. Grief 4 faalt eveneens. Uit artikel 5e volgt als gezegd een omvangrijke vrijwaringsverplichting voor aanspraken van derden (als Rijkswaterstaat). Het hof is van oordeel dat op zijn minst sprake is geweest van een verkeerde handeling. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is Selecta in strijd met de raamovereenkomst gaan boren in kritisch gebied, nadat zij door Rijkswaterstaat was gewaarschuwd om daarover eerst met Rijkswaterstaat contact op te nemen..5.17. Grief 5voert aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep van Selecta op artikel 6:101 en artikel 6:102 BW heeft verworpen. Delta heeft immers evenmin onderkend dat een vergunning van Rijkswaterstaat vereist was, of wist dat wel maar heeft verzuimd om Selecta hiervan op de hoogte te brengen. Volgens Selecta is sprake van eigen schuld en\u002Fof medeschuld en behoort de schade in de interne draagplicht tussen Delta en Selecta voor een deel voor rekening van Delta te blijven.5.18. Ook deze grief faalt. Het was niet de taak van Delta om ten behoeve van de boring op de schadelocatie een vergunning aan te vragen. Uit artikel 5b van de raamovereenkomst volgt dat het tot de verplichtingen van Selecta behoort om benodigde vergunningen te verkrijgen. In de praktijk deed Selecta dat ook; Delta heeft bij akte ten behoeve van de mondelinge behandeling van 11 september 2024 een viertal vergunningsaanvragen van Selecta in de procedure gebracht (producties 26 t\u002Fm 29). Selecta heeft op 3 mei 2021 zelf een vergunning bij de gemeente Heerenveen aangevraagd, die haar op 11 mei 2021 is verleend (r.o. 2.7 vonnis). Voor de boring op de schadelocatie was het ook Selecta zelf die een graafmelding bij Rijkswaterstaat heeft gedaan. Het lag dus op de weg van Selecta om een vergunning aan te vragen, temeer na de ontvangst van de brieven van Rijkswaterstaat.5.19. Dat, zoals Selecta verder aanvoert ter onderbouwing van grief 5, de schade niet zou zijn ontstaan als Delta tijdig een onderaannemer had ingeschakeld voor het uitvoeren van de ‘vergunning plichtige boring’ waarmee de Boarn zou worden gekruist, omdat Selecta dan op de hoogte zou zijn gebracht van de folielaag in de grond, doet niet ter zake. Dit was, zoals Delta terecht heeft aangevoerd, een andere boring, op een andere plek en met een andere boortechniek. Het hof ziet onvoldoende verband tussen het door Selecta veronderstelde verzuim van Delta om tijdig een vergunning aan te vragen voor het boren onder de Boarn en de beslissing van Selecta om op enige afstand daarvan zonder vergunning te boren in grond van Rijkswaterstaat.5.20. Voor zover Selecta bedoelt dat Delta wist dat Selecta zonder de vereiste vergunning van Rijkswaterstaat zou gaan boren op de schadelocatie, en haar dus had moeten waarschuwen, heeft Selecta die stelling onvoldoende toegelicht.5.21. Grief 6klaagt over het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 dat Delta voldoende belang heeft bij haar vorderingen onder III, IV en V van het petitum. Selecta wijst erop dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist is dat aannemelijk is dat schade is geleden of zal worden geleden. Rijkswaterstaat heeft Delta nog niet tot schadevergoeding aangesproken, en een eigenaar van een zonnepark die volgens Delta schade zou hebben geleden evenmin. Als Selecta al een verplichting heeft om Delta te vrijwaren, zou deze beperkt moeten zijn tot hetgeen waartoe Delta wordt veroordeeld. Delta kan niet een verklaring voor recht vorderen tot vrijwaring voor aanspraken van een onbeperkt aantal en niet nader gespecificeerde derden.5.22. Grief 7voert in het verlengde van grief 6 aan dat de rechtbank ten onrechte Selecta heeft veroordeeld om Delta te vrijwaren vooralleaanspraken van derden, waaronderaansprakenvan Rijkswaterstaat. Het gaat er volgens Selecta om of Deltagehoudenis deze aanspraken te vergoeden. De verklaring voor recht tot vrijwaring had daarom moeten worden begrensd tot ten hoogste datgene waartoe Delta jegens Rijkswaterstaat wordt veroordeeld.5.23. Ook deze grieven falen. Duidelijk is dat er schade is ontstaan door het doorboren van de folielaag bij het Leppa Akwaduct (zie onder meer productie 13 bij de akte overlegging producties van Delta). Het is bepaald niet denkbeeldig dat Rijkswaterstaat en eventuele andere derden op enig moment de schade proberen te verhalen op Delta als opdrachtgever van Selecta. Het hof acht het dus aannemelijk dat Delta schade zal lijden. De door de rechtbank uitgesproken verklaringen voor recht gaan niet te ver. Deze zijn beperkt tot de schade die het gevolg is van het doorboren van de folie van Rijkswaterstaat nabij het Leppa Akwadukt. Daarmee is de eventuele schadevergoedingsplicht van Selecta voldoende ingekaderd.5.24. De slotsom luidt dat geen van de grieven in het principaal hoger beroep doel treft.5.25. \n\nSelecta heeft in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan. Zij heeft de namen van een groot aantal personen genoemd en daarbij in zijn algemeenheid vermeld over welke aspecten van het in deze procedure aan de orde zijnde project deze personen iets zouden kunnen verklaren, bijvoorbeeld “de communicatie tijdens de bouwvergaderingen”. Selecta heeft echter geen specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander dan het hierboven weergegeven oordeel kunnen leiden. Haar bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.\n\nIncidenteel hoger beroep5.26. Grief 1van Delta – haar enige grief – noemt het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 van het vonnis dat de vordering onder punt VI van het petitum niet kan worden toegewezen onbegrijpelijk. Volgens Delta vloeit deze vordering simpelweg voort uit de verplichting tot vrijwaring die op Selecta rust. Delta acht de gevorderde termijn van vijf dagen alleszins redelijk, maar kan leven met een door het hof te bepalen langere termijn. In een reguliere vrijwaringsprocedure moet de partij die moet vrijwaren het verschuldigde bedrag binnen twee dagen na betekening van het vonnis voldoen aan de gevrijwaarde partij. Delta biedt aan om de directeur van Delta te laten verklaren over de bedoelingen van partijen met betrekking tot de contractueel overeengekomen verplichting tot vrijwaring.5.27. Deze grief faalt. De termijn van vijf dagen vindt geen grondslag in de tussen Delta en Selecta gesloten overeenkomst(en). De vergelijking met de vrijwaringsprocedure (art. 210-216 Rv) gaat niet op. Het gaat hier om een contractuele verplichting tot vrijwaring; Selecta is niet betrokken in een door Rijkswaterstaat tegen Delta gestarte gerechtelijke procedure waarin schadevergoeding wordt gevorderd. Ten slotte kan ervan uitgegaan worden dat Delta voldoende uit de voeten kan met de door de rechtbank toegewezen vorderingen. Daarmee kan zij haar schade op Selecta verhalen, zo nodig in een volgende gerechtelijke procedure. In zoverre mist Delta dus belang bij de gevorderde verklaring voor recht.5.28. \n\nHet hof passeert het bewijsaanbod van Delta als niet ter zake dienend. Beslissend is wat in artikel 5e van de raamovereenkomst staat en hoe Selecta deze bepaling heeft mogen begrijpen. Delta heeft niet duidelijk gemaakt dat haar directeur iets kan verklaren dat tot een andere uitleg van artikel 5e kan leiden.\n\nConclusie en proceskosten5.29. De conclusie is dat noch het hoger beroep van Selecta, noch het hoger beroep van Delta slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Selecta als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Delta zal worden veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.5.30. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Delta in het principaal hoger beroep op:\n\ngriffierecht € 827,-\n\nsalaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)\n\nnakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.306,-5.31. De proceskosten van Selecta in het incidenteel hoger beroep worden begroot op € 645,- aan salaris advocaat (1 punt × 0,5 × tarief II).5.32. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024;\n\nveroordeelt Selecta in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van Delta tot op heden begroot op € 2.306, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Selecta deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als Selecta niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Selecta de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Selecta deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;\n\nveroordeelt Delta in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Selecta tot op heden begroot op € 645,-;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;\n\nDit arrest is gewezen door mrs. K. Engel, D.A. Schreuder en F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2023","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.376Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":67,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":61,"updatedAt":70},"751","ECLI:NL:GHDHA:2026:2200","ecli-nl-ghdha-2026-2200","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.355.114\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11307689 \\ CV EXPL 24-23450\n\nArrest van 30 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\nMonuta [naam] B.V.,\n\ngevestigd in Capelle aan den IJssel,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. C.A.M.H. Vink, kantoorhoudend in 's-Hertogenbosch,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats,\n\ngeïntimeerde,\n\nniet verschenen.\n\nHet hof noemt partijen hierna Monuta en [geïntimeerde] .1. De zaak in het kort1.1. Monuta vordert in deze zaak betaling van een openstaande factuur voor de in opdracht van [geïntimeerde] verzorgde uitvaart van zijn moeder. [geïntimeerde] is niet verschenen. De kantonrechter heeft geconstateerd dat sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument die op afstand of buiten de verkoopruimte is gesloten. Daarop heeft de kantonrechter ambtshalve onderzocht of Monuta aan haar informatieverplichting uit hoofde van art. 6:230m lid 1 BW heeft voldaan. De kantonrechter oordeelde dat Monuta niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan de verplichting de consument informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van het recht van ontbinding (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Met toepassing sanctierichtlijn heeft de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] is verminderd met 25%. De kantonrechter heeft 75% van de gevorderde hoofdsom, kosten, rente en proceskosten toegewezen.1.2. In hoger beroep voert Monuta aan dat uit de aard van de overeenkomst, de aard van de geleverde diensten en zaken, en de wettelijke termijn waarbinnen een overledene moet zijn gecremeerd of begraven volgt dat [geïntimeerde] geen recht van ontbinding had, zodat Monuta ook geen informatieplicht had. Zij meent daarom dat de kantonrechter ten onrechte haar vordering niet volledig heeft toegewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter.1.3. De grief dat de kantonrechter ten onrechte niet de gevorderde contractuele rente heeft toegewezen en de proceskosten verkeerd heeft berekend, slaagt wel. Op dit punt wordt het bestreden vonnis vernietigd.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. \n\nHet verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 21 februari 2025, waarmee Monuta in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 december 2024, met bijlagen.2.2. \n [geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.3. Feitelijke achtergrond3.1. Monuta is een onderneming die zich, onder meer, bezighoudt met het (doen) verzorgen van uitvaarten.3.2. Op 21 maart 2023 heeft Monuta aan [geïntimeerde] een offerte\u002Fkostenbegroting met algemene voorwaarden gestuurd voor het verzorgen van de uitvaart van zijn overleden moeder.3.3. Bij e-mail van 22 maart 2023 heeft [geïntimeerde] zich hiermee akkoord verklaard. In de offerte\u002Fkostenbegroting is bepaald dat [geïntimeerde] (de toepasselijkheid van) de Algemene Voorwaarden van de Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaarondernemingen (hierna: de algemene voorwaarden) aanvaardt.3.4. Monuta heeft de uitvaart, die plaatsvond op 27 maart 2023, overeenkomstig de opdracht verzorgd.3.5. Monuta heeft [geïntimeerde] hiervoor een factuur gedateerd 26 april 2023 gestuurd van € 4.632,10. Op grond van de algemene voorwaarden bedroeg de betalingstermijn twee weken. Ondanks herhaalde aanmaningen, sommaties en ingebrekestellingen is de factuur onbetaald gebleven.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Monuta heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen aan haar € 5.713,71 met rente en kosten te betalen.4.2. \n [geïntimeerde] is (ook in eerste aanleg) niet verschenen en tegen hem is verstek verleend.4.3. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen tot een bedrag van € 4.323,11, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.474,08 vanaf 27 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening en [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten.4.4. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de overeenkomst is gesloten op afstand of buiten de verkoopruimte tussen een handelaar en een consument. Bij of voorafgaand aan het sluiten van deze overeenkomsten moet de handelaar bepaalde informatie aan de consument verstrekken en deze informatie bevestigen op een duurzame gegevensdrager, aldus de kantonrechter. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, beslist dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan een aantal informatieverplichtingen is voldaan. Het gaat dan om de informatie waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt als deze niet wordt gegeven en om de informatie waaraan extra gewicht moet worden toegekend. Dit zijn de essentiële informatieverplichtingen. De Hoge Raad heeft ook beslist dat de rechter de overeenkomst geheel of gedeeltelijk moet vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n verplichting, aldus de kantonrechter.4.5. De kantonrechter heeft verder overwogen dat op grond van artikel 6:230m lid 1 onderdeel h BW de consument erop moet worden gewezen dat hij of zij het recht heeft om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. De kantonrechter oordeelde dat Monuta niet heeft aangetoond dat aan deze informatieverplichting is voldaan en dat deze bepaling daarom was geschonden. Met toepassing van de door de rechtbanken opgestelde sanctierichtlijn heeft de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] is verminderd met 25%, en een bedrag van € 3.474,08 aan hoofdsom (75% van € 4.632,10), € 571,62 aan buitengerechtelijke kosten en € 277,41 aan vervallen wettelijke rente toegewezen.5. Beoordeling in hoger beroepGrieven5.1. Monuta is het niet eens met het vonnis van de kantonrechter en heeft daartegen drie grieven aangevoerd.5.2. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat art. 6:230m onder h BW is geschonden en tegen de vermindering van de vordering met 25% overeenkomstig de sanctierichtlijn. Monuta stelt dat, hoewel haar specifieke dienstverlening niet expliciet in de wet is opgenomen, het gelet op het doel en de achtergrond van het ontbindingsrecht en de genoemde uitzonderingen daarop, overeenkomsten tot uitvaartverzorging behoren te zijn uitgezonderd van het ontbindingsrecht. In dit verband wijst zij op de uitzonderingen van art. 6:230p onder d, e en f BW en verder op de Wet op de Lijkbezorging die bepaalt dat de uitvaart maximaal zes dagen na het overlijden moet plaatsvinden. [geïntimeerde] heeft Monuta daarom verzocht om direct voor hem aan de slag te gaan. Er moest van alles geregeld, gereserveerd, gemaakt en besteld worden: opbaring en laatste verzorging van de overledene, het kiezen tussen begraven of cremeren, het bepalen van de locatie en de datum van de uitvaart, het versturen van rouwkaarten, het opstellen van een rouwadvertentie, het uitkiezen van een uitvaartkist, het regelen van het rouwvervoer en het vormgeven van de uitvaartdienst. Uit de aard van de overeenkomst, de aard van de geleverde diensten en zaken en de wettelijke termijn waarbinnen een overledene moet zijn gecremeerd of begraven volgt dat [geïntimeerde] geen ontbindingsrecht had. Daarom is art. 6:230m lid 1 onder h niet geschonden en bestond geen aanleiding voor het opleggen van een sanctie, aldus Monuta. De vordering is volgens haar ten onrechte met toepassing van de sanctierichtlijn met 25% verminderd.5.3. Grief 2 is gericht tegen de vermindering door de kantonrechter van de (toegewezen) buitengerechtelijke kosten en de (wettelijke) rente met 25% en grief 3 is gericht tegen de vermindering van de proceskostenveroordeling met 25%. Monuta voert aan dat, omdat geen sprake is van schending van de informatieplicht art. 6:230m lid 1 onder h BW, op de nevenvorderingen en de proceskosten eveneens ten onrechte een vermindering is toegepast.5.4. In grief 3 wordt verder nog geklaagd: - dat onder 2.12 van het bestreden vonnis het griffierecht ten onrechte is vastgesteld op € 496 (vordering met een waarde van € 2.500-€ 5.000) in plaats van € 524 (vordering met een waarde van € 5.000-€ 12.500); - dat onder 2.12 het salaris van de gemachtigde ten onrechte is vastgesteld op € 271 (hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten tot en met € 5.000) in plaats van € 339 (hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten tot en met € 10.000); en - dat ten onrechte zonder nadere motivering de subsidiair gevorderde wettelijke rente in plaats van de primair gevorderde contractuele rente van 7% per jaar is toegewezen. Informatieplichten ex art. 6:230m lid 1BW; toetsingskader5.5. Monuta stelt dat de overeenkomst tussen Monuta en [geïntimeerde] moet worden aangemerkt als een overeenkomst tussen een handelaar en een consument die buiten de verkoopruimte is gesloten. Dat is niet betwist, zodat het hof daarvan uitgaat. In een dergelijk geval moet de handelaar op grond van artikel 6:230m BW op een duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekken over een aantal voor de consument belangrijke zaken. In zijn prejudiciële beslissing van 12 november 2021 heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of is voldaan aan de in artikel 6:230m lid 1 sub a, b, c, e, f, g, h, o en p BW neergelegde essentiële informatieplichten. Als aan één of meer van dergelijke essentiële precontractuele informatieverplichtingen niet is voldaan, moet de rechter een doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sanctie toepassen. Als sprake is van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten kan de rechter als sanctie de overeenkomst geheel of gedeeltelijk vernietigen. Bij gedeeltelijk vernietigen van de overeenkomst moet worden gedacht aan vermindering van de betalingsverplichting van de consument.Ontbindingsrecht; uitzonderingen5.6. \n\nOp grond van art. 6:230o lid 1, aanhef en onder a, BW kan de consument een op afstand of een buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomst tot het verrichten van diensten zonder opgave van redenen ontbinden tot een termijn van veertien dagen is verstreken vanaf de dag waarop de overeenkomst is gesloten. Voor het geval dat een ontbindingsrecht bestaat, heeft de handelaar de verplichting de consument informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Art. 6:230p BW voorziet in enkele uitzonderingen op het ontbindingsrecht (ook wel aangeduid als herroepingsrecht) in verband met de aard van de betrokken dienst of zaak. In de considerans van Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU betreffende consumentenrechten worden die uitzonderingen als volgt toegelicht:\n\n‘(49) Bepaalde uitzonderingen op het herroepingsrecht moeten mogelijk zijn, zowel toe voor op afstand als voor buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten. Het is mogelijk dat een herroepingsrecht, bijvoorbeeld gezien de aard van de betrokken goederen of diensten, niet op zijn plaats is. Dat is bijvoorbeeld het geval voor overeenkomsten van speculatieve aard betreffende wijn die pas langere tijd na sluiting van een overeenkomst wordt geleverd, en waarbij de waarde afhangt van schommelingen van de markt (‘vin en primeur’). Het herroepingsrecht mag ook niet gelden voor volgens specificaties van de consument vervaardigde goederen of die duidelijk voor een specifieke persoon bestemd zijn, zoals op maat gemaakte gordijnen, noch voor de levering van bijvoorbeeld brandstof die, door zijn aard zelf, een goed is dat na levering niet meer te scheiden is van de andere goederen. Het toekennen van een herroepingsrecht aan de consument kan ook niet passend zijn in het geval van bepaalde diensten waarbij de sluiting van de overeenkomst impliceert dat er capaciteit wordt gereserveerd, waarvoor de handelaar bij de uitoefening van een herroepingsrecht mogelijk geen bestemming meer kan vinden. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer hotelkamers, vakantiewoningen of plaatsen voor culturele of sportieve evenementen worden gereserveerd.\n\n(50) Enerzijds moeten consumenten over een herroepingsrecht beschikken, ook als zij hebben verzocht om verrichting van de dienst voor het verstrijken van de herroepingstermijn. Anderzijds dient de handelaar, indien de consument zijn herroepingsrecht uitoefent, ook te kunnen rekenen op een passende betaling voor de dienst die hij heeft verricht. Bij de berekening van het evenredige bedrag dient te worden uitgegaan van de in de overeenkomst vastgestelde prijs, tenzij de consument kan aantonen dat die totale prijs zelf onevenredig is; in dat geval dient het te betalen bedrag te worden berekend op basis van de marktwaarde van de geleverde dienst. De marktwaarde moet worden vastgesteld door vergelijking met de prijs van een gelijkwaardige dienst, uitgevoerd door andere handelaren op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst. Daarom moet de consument het verzoek dat een dienst vóór het verstrijken van de herroepingstermijn wordt verricht uitdrukkelijk formuleren en, bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, op een duurzame gegevensdrager. Van zijn kant dient de handelaar de consument op een duurzame gegevensdrager te informeren over de verplichting om de pro rata kosten voor de reeds verrichte dienst te betalen. Bij overeenkomsten die zowel op goederen als op diensten betrekking hebben, dienen de in deze richtlijn opgenomen voorschriften inzake het terugzenden van goederen te gelden voor de goederenaspecten en dient de vergoedingsregeling voor diensten te gelden voor de dienstenaspecten.’\n\nGeldt een uitzondering voor de overeenkomst tot uitvaartverzorging?5.7. In deze zaak is aan de orde of [geïntimeerde] het recht had de overeenkomst met Monuta tot verzorging van de uitvaart van zijn moeder binnen veertien dagen na het sluiten daarvan (zonder opgave van redenen) te ontbinden. In dat geval had Monuta de verplichting [geïntimeerde] informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Vast staat dat Monuta geen informatie over een (eventueel) ontbindingsrecht heeft verstrekt.5.8. In art. 6:230p BW, waarin is geregeld in welke gevallen de consument geen recht van ontbinding van de overeenkomst heeft, wordt de overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart niet genoemd, zoals Monuta ook erkent. In dit verband wijst zij op wel genoemde overeenkomsten waarvoor het ontbindingsrecht niet geldt. Naar Monuta stelt, heeft de consument geen recht van ontbinding bij een consumentenkoop betreffende de levering van volgens specificaties van de consument vervaardigde zaken, die niet geprefabriceerd zijn en die worden vervaardigd op basis van een individuele keuze of beslissing van de consument, of die duidelijk voor een specifiek persoon bestemd zijn (art. 6:230p, aanhef en onder f, 1°, BW), zonder dit verder toe te lichten. Monuta wijst ook nog op de uitzondering van art. 6:230p, aanhef en onder e, BW dat bepaalt dat de consument geen recht van ontbinding heeft bij een overeenkomst tot het verrichten van diensten die strekt tot, onder meer, de terbeschikkingstelling van accommodatie anders dan voor woondoeleinden, van autoverhuurdiensten en van catering, indien in de overeenkomst een bepaald tijdstip of een bepaalde periode van nakoming is voorzien. Ook bij deze verwijzing ontbreekt een toelichting. Het hof onderkent dat de overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart elementen van de verschillende, in deze bepalingen genoemde typen overeenkomsten bevat en dat in zoverre sprake is van een gemengde overeenkomst. Naar het oordeel van het hof kan dit niet ertoe toe leiden dat, zonder dat de wet hierin voorziet, voor een overeenkomst tot uitvaartverzorging het ontbindingsrecht in zijn geheel komt te vervallen. De totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten.5.9. \n\nMonuta beroept zich verder op art. 6:230p, aanhef en onder d, BW dat luidt:\n\n‘De consument heeft geen recht van ontbinding bij:\n\n[…]\n\nd. een overeenkomst tot het verrichten van diensten, na nakoming van de overeenkomst, en voor zover de overeenkomst voor de consument een betalingsverplichting inhoudt, indien: 1° de nakoming is begonnen met uitdrukkelijke voorafgaande instemming van de consument; en 2° de consument heeft verklaard afstand te doen van zijn recht van ontbinding zodra de handelaar de overeenkomst is nagekomen’.\n\n Deze bepaling voorziet in een generiekeuitzondering voor overeenkomsten tot het verrichten van diensten.De consument heeft dus wel een ontbindingsrecht, maar dit vervalt als de overeenkomst volledig is nagekomen tijdens de termijn van veertien dagen waarbinnen kan worden ontbonden. Bij betaalde dienstverlening moet bovendien aan twee voorwaarden zijn voldaan: de consument moet hebben ingestemd met de uitvoering van de dienst tijdens de ontbindingstermijn én de consument moet uitdrukkelijk hebben verklaard dat hij afstand doet van het ontbindingsrecht nadat de dienst volledig zal zijn verricht. Monuta stelt, onder verwijzing naar alle diensten genoemd in de kostenbegroting, dat [geïntimeerde] haar heeft verzocht om direct voor hem aan de slag te gaan. Voor zover deze stelling zo moet worden begrepen dat de eerste voorwaarde is vervuld, heeft Monuta die stelling niet onderbouwd. Volgens de hiervoor geciteerde overweging 50 moet de consument het verzoek dat een dienst vóór het verstrijken van de herroepingstermijn wordt verricht immers uitdrukkelijk formuleren en, bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, op een duurzame gegevensdrager. Wat daarvan zij, daarnaast geldt als voorwaarde dat de consument uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij afstand doet van het ontbindingsrecht nadat de dienst volledig zal zijn verricht. Ontbreekt deze verklaring, dan kan de consument alsnog gebruik maken van zijn ontbindingsrecht. Monuta heeft hierover niets gesteld, zodat moet worden aangenomen dat deze voorwaarde niet is vervuld en dat het recht tot ontbinding in stand is gebleven. De conclusie is dan ook dat Monuta haar verplichting om [geïntimeerde] informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van recht tot ontbinding, niet is nagekomen.5.10. Het voorgaande wordt niet anders vanwege het voorschrift in de Wet op de Lijkbezorging dat de uitvaart maximaal zes dagen na het overlijden moet plaatsvinden. Het ligt op de weg van de uitvaartondernemer, in dit geval Monuta, om als voorwaarde voor het beginnen met de uitvoering van de overeenkomst, van de consument te verlangen dat hij zijn uitdrukkelijk voorafgaande toestemming met uitvoering binnen de ontbindingstermijn (schriftelijke) bevestigt en een verklaring ondertekent waarmee hij afstand doet van zijn ontbindingsrecht. Voor de uitvaartondernemer is dit een simpele handeling die ook niet anderszins bezwaarlijk voorkomt.5.11. Hieruit volgt dat grief 1 ongegrond is. Hetzelfde geldt voor de grieven 2 en 3, voor zover deze laatstgenoemde grief is gericht tegen de vermindering van de proceskostenveroordeling met 25%, die (wat betreft grief 3: in zoverre) geen zelfstandige betekenis hebben. Proceskostenveroordeling en rente in eerste aanleg5.12. Grief 3 is wel gegrond voor zover daarin wordt opgekomen tegen de toewijzing van de contractuele rente in plaats van de wettelijke rente.5.13. In artikel 9.4 van de algemene voorwaarden dat bij niet tijdige betaling, de uitvaartverzorger gerechtigd is rente in rekening te brengen met een maximum van 7% per jaar. Het hof acht dit percentage niet onevenredig hoog. Ter vergelijking: de wettelijke rente bedroeg in 2023 tot 1 juli 4% en vanaf 1 juli 6%, in 2024 6% en in 2025 7%. Van een onredelijk bezwarend beding is dus geen sprake. Dan valt niet in te zien waarom de primair gevorderde contractuele rente niet toewijsbaar is. Het hof zal alsnog de contractuele rente van 7% over de hoofdsom toewijzen.5.14. Grief 3 slaagt niet voor zover daarin wordt betoogd dat het griffierecht ten onrechte is vastgesteld op € 496 (zaken met een vordering of een verzoek van een waarden van meer dan € 2.500 en niet meer dan € 5.000, terwijl dit – volgens Monuta – het tarief voor vorderingen tussen de € 5.000 en € 10.000 had moeten zijn. Monuta stelt niet dat bij haar in eerste aanleg meer in rekening is gebracht dan het bedrag dat de kantonrechter heeft toegewezen aan vergoeding voor door haar betaald griffierecht. Het hof zal wel het salaris gemachtigde opnieuw begroten naar het tarief voor zaken met een geldwaarde tussen de € 5.000 en € 10.000.5.15. Het hof zal de proceskosten in eerste aanleg opnieuw (correct) vaststellen: kosten dagvaarding € 153,66 griffierecht € 496 salaris gemachtigde € 339 nakosten € 135 +totaal € 1.123,66Ambtshalve toetsing schending informatieplichten en onredelijke bedingen5.16. \n\nVoor het overige heeft het hof geen schending van informatieplichten of onredelijk bezwarende bedingen geconstateerd.\n\nConclusie en proceskosten5.17. De conclusie is dat het hoger beroep van Monuta wat betreft de toegewezen rente en de proceskostenveroordeling slaagt. Op dit punt zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof het dictum opnieuw formuleren.5.18. Omdat de grieven slechts op een ondergeschikt punt slagen, ziet het hof aanleiding de kosten van het hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.6. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 november 2024 en,\n\nopnieuw rechtdoende,\n\nveroordeelt [geïntimeerde] om aan Monuta tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 4.323,11, vermeerderd met de contractuele rente van 7% per jaar over € 3.474,08 vanaf 27 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;\n\nveroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg, die aan de kant van Monuta worden begroot op € 1.123,66;\n\ncompenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\nverklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het anders of meer gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mr. C.J. Verduyn, mr. A.J.P. Schild en mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.\n\nTweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 520, nr. 3, p. 40.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2200","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.470Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":61,"updatedAt":79},"1806","ECLI:NL:RBDHA:2026:17173","ecli-nl-rbdha-2026-17173","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F691842 \u002F HA ZA 25\u002F823\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nDE BLOKWEG VASTGOED B.V.te Bergschenhoek\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat: mr. T.J. van Veen,\n\ntegen\n\n1. [gedaagden sub 1] te [woonplaats],\n\n2. [gedaagden sub 2]te [woonplaats],\n\ngedaagden in conventie,\n\neisers in reconventie,\n\nadvocaat: mr. K.W. Janssen.\n\nPartijen worden hierna ‘De Blokweg’ en ‘[gedaagden]’ genoemd.\n\n1. Samenvatting\n\n1.1.. De Blokweg heeft een kassencomplex gekocht van [gedaagden] die gedeeltelijk is geplaatst op een strook grond die deel uitmaakt van het woonperceel van [gedaagden] Tussen partijen is in geschil of deze strook grond aan De Blokweg is verkocht en geleverd. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, omdat – samengevat – bij het sluiten van de koopovereenkomst een gemeenschappelijke partijbedoeling bestond om de kassen met ondergrond in eigendom over te dragen aan De Blokweg. Dat partijen bij de verkoop en levering niet expliciet hebben benoemd dat tot deze ondergrond ook een strook van het woonperceel van [gedaagden] behoorde, aangezien zij zich daar niet van bewust waren, doet daar niet aan af. Dat betekent dat De Blokweg eigenaar is geworden van de betreffende ondergrond. [gedaagden] worden veroordeeld medewerking te verlenen aan de aanpassing van de openbare registers aan de huidige eigendomsverhoudingen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 9 september 2025 met producties 1 tot en met 7;\n\nde conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 7;\n\nde conclusie van antwoord in reconventie met producties 8 en 9.\n\n2.2.. Op 19 mei 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Daarbij waren partijen aanwezig c.q. vertegenwoordigd, bijgestaan door hun advocaten.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. De Blokweg exploiteert een glastuinbouwbedrijf.\n\n3.2.. De Blokweg heeft, als koper, op 12 november 2012 een koopovereenkomst gesloten met [gedaagden] met betrekking tot een aantal percelen grond met daarop een kassencomplex, tegen een koopsom van € 2.700.000,-. In de tussen partijen gesloten schriftelijke koopovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Voornoemde ondergetekenden komen overeen: verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt:\n\nhet perceel tuinland, kadastraal bekend [kadastrale kenmerken] en [kadastraal kenmerk] gedeeltelijk (bijlage 2), (…) inclusief de hierop gestichte opstallen, glasopstanden en installaties, plaatselijk bekend [adres] te [plaats], (…).”\n\n3.3.. Ten aanzien van het gedeeltelijk in de verkoop betrokken [perceel 1] is in de koopovereenkomst in artikel 5.16 onder meer het volgende opgenomen:\n\n“de nieuwe grens bij het perceel kadastraal bekend [kadastraal kenmerk], gedeeltelijk ligt op de kasvoet van de gevel terplaatse. De eigendom van de kasvoet en gevel komt bij de notariële levering bij koper.”\n\n3.4.. \n [gedaagden] waren en zijn eigenaar (gebleven) van (onder meer) het aan de hiervoor bedoelde percelen grenzende perceel met – destijds – [perceel 2]. Op dat perceel is hun woonhuis gelegen. [perceel 2] ligt ten zuiden van [perceel 1], zoals zichtbaar is in de hiernaast weergegeven uitsnede uit een bij de koopovereenkomst gevoegd kaartje. Daarop is ook zichtbaar dat [perceel 1] om [perceel 2] heen loopt (zowel ten noorden als ten oosten daarvan ligt). De hiervoor bedoelde ‘nieuwe grens’ ligt op het gedeelte ten oosten van [perceel 2]: tot waar het kassencomplex ligt (inclusief kasvoet en gevel) wordt overgedragen (groen gearceerd), de rest van het perceel (niet groen gearceerd) blijft bij verkoper.\n\n3.5.. In de koopovereenkomst is verder onder meer het volgende opgenomen:\n\n“5.20.2 Wanneer koper c.q. diens rechtsopvolgers, een nieuwe kas bouwen op het verkochte en geen gebruik maken van de strook grond (…) ten noorden van perceel (…) [perceel 2], heeft verkoper c.q. diens rechtsopvolgers een recht van koop op deze strook tegen € 55,-- per m2 k.k. exclusief BTW.”\n\n3.6.. De levering heeft plaatsgevonden op 26 november 2012. In de notariële akte van levering is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Levering, Registergoed\n\nVerkoper heeft bij voornoemde koopovereenkomst aan koper verkocht en levert op grond daarvan (in eigendom) aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst, van verkoper heeft gekocht en bij deze (in eigendom) aanvaardt:\n\nDe percelen tuinland, kadastraal bekend [kadastrale kenmerken] (…); en\n\neen gedeelte van het perceel kadastraal bekend [kadastraal kenmerk], dit gedeelte is ongeveer groot achtennegentig are twaalf centiare;\n\n(…);\n\ninclusief de hierop gestichte opstallen, glasopstanden en installaties, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats], (…).\n\n(…)\n\nNieuwe grens\n\nDe nieuwe grens bij het perceel met nummer [kadastraal kenmerk] ligt op de kasvoet van de gevel ter plaatse. De eigendom van de kasvoet en gevel komt bij de koper. Partijen verklaren exact te weten waar de nieuwe te vormen erfgrens gelegen zal zijn zodat zij verder geen kaartje aan willen hechten of een nog gedetailleerdere omschrijving van deze nieuwe te vormen erfgrens nodig achten.”\n\n3.7.. In 2014 is bij een meting door het kadaster vastgesteld dat het kassencomplex ten hoogte van [perceel 1] oversteekt op [perceel 2]. Het betreft een strook grond van ongeveer 27 meter breed en 2 meter diep.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. De Blokweg vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair\n\n- [gedaagden] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledig medewerking te verlenen aan aanpassing van de openbare registers aldus dat daarin de eigendomssituatie van de percelen op 26 november 2012 kadastraal bekend [perceel 1] en [perceel 2], aldus zal worden weergegeven dat de eigendom tot en met de kasvoet van de gevels van de thans aanwezige kassen berust bij De Blokweg alsmede voor zover nodig volledig medewerking te verlenen aan de kadastrale splitsing van voormelde percelen;\n\nSubsidiair\n\n- [gedaagden] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledig medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte van eigendomsoverdracht aan De Blokweg zodanig dat de eigendom van de percelen op 26 november 2012 kadastraal bekend [perceel 1] en [perceel 2], tot en met de kasvoet van de gevels van de thans aanwezige kassen zal komen te berusten bij De Blokweg;\n\nPrimair en subsidiair\n\nZulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] voormelde medewerking niet verlenen met een maximum van € 500.000,00;\n\n [gedaagden] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van De Blokweg in de proceskosten.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nIn reconventie\n\n4.4.. \n [gedaagden] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair\n\n- De Blokweg veroordeelt om de op de grond van [gedaagden] geplaatste kas, binnen 28 dagen na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank naar redelijkheid te bepalen termijn, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag met een maximum van € 25.000,-, dat De Blokweg geen of geen volledige uitvoering geeft aan hetgeen waartoe zij veroordeeld wordt;\n\nSubsidiair\n\n- Voor recht verklaart dat De Blokweg in het geval van verbouwing, sloop of verkoop van de kas gelegen op [perceel 2], het op [perceel 2] aanwezige gedeelte van de kas dient te verwijderen en de grond schoon dient op te leveren en ter beschikking aan [gedaagden] dient te stellen;\n\n4.5.. De Blokweg concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.\n\n4.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie en in reconventie\n\n5.1.. De rechtbank ziet aanleiding om de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk te bespreken.\n\n5.2.. De Blokweg stelt – samengevat – dat het bij het aangaan van de koopovereenkomst de bedoeling van partijen was om de kassen met de daarbij behorende ondergrond tot en met de kasvoet van de gevel in eigendom over te dragen aan De Blokweg. Partijen hebben daarbij niet geconstateerd dat een gedeelte van de verkochte kassen zich bevond op [perceel 2]. Nu [perceel 2] in zoverre gedeeltelijk aan hem is verkocht en geleverd, vordert De Blokweg primair – samengevat – dat [gedaagden] meewerken aan een correcte weergave hiervan in de openbare registers.\n\n5.3.. \n [gedaagden] betwisten dat de betreffende strook van [perceel 2] aan De Blokweg is verkocht en geleverd. In de tekst van de koopovereenkomst wordt dit perceel niet genoemd als over te dragen perceel. Daarnaast is uit de tekst van de koopovereenkomst af te leiden dat dit perceel eigendom van [gedaagden] blijft. Verder is er bij de koopovereenkomst een kaart gevoegd waarop de over te dragen grond is gearceerd. Uit die kaart blijkt dat de strook grond van [perceel 2] waar de kas op is geplaatst, niet is gearceerd en dus geen deel uitmaakte van de koopovereenkomst. Ook is er met betrekking tot [perceel 2] geen door partijen ondertekend kadastraal bericht bij de koopovereenkomst gevoegd, terwijl dit met betrekking tot alle over te dragen percelen wel is gedaan. [gedaagden] voeren tot slot aan dat partijen zijn overeengekomen dat wanneer de kas zou worden gesloopt, de nieuwe kas tot aan de erfgrens van [perceel 2] zou mogen worden gebouwd en dat, indien niet tot aan de erfgrens wordt gebouwd, [gedaagden] de onbebouwde grond van [perceel 1] in zoverre van de Blokweg zouden mogen kopen. Een dergelijke koopoptie is volgens [gedaagden] niet te verenigen met de door De Blokweg gegeven uitleg van de koopovereenkomst.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat de strook grond van [perceel 2], voor zover die zich onder de kas bevindt, door [gedaagden] is verkocht aan De Blokweg. Daarvoor is van belang dat [gedaagden] ter zitting – samengevat – hebben verklaard dat zij met de verkoop beoogd hebben het gehele kassencomplex te verkopen en op dat moment niet wisten dat deze voor een deel op [perceel 2] stond. Ook namens De Blokweg is ter zitting verklaard dat De Blokweg beoogde het gehele kassencomplex te kopen en er op dat moment geen wetenschap bestond van de perceelsoverschrijding. Ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bestond er dus een gemeenschappelijke partijbedoeling om de gehele kas met ondergrond te verkopen aan De Blokweg. Bij het vaststellen van de inhoud van de overeenkomst is die gemeenschappelijke partijbedoeling leidend. Aan uitleg van de overeenkomst (aan de hand van onder meer de tekst van de overeenkomst), wordt dan niet toegekomen.\n\n5.5.. Met de gemeenschappelijke partijbedoeling om de kas met ondergrond, die gedeeltelijk tot [perceel 2] behoort, in eigendom over te dragen aan De Blokweg is – anders dan [gedaagden] impliceren – niet onverenigbaar dat partijen een koopoptie zijn overeengekomen met betrekking tot een deel van [perceel 1] in geval de kas wordt afgebroken. Partijen hebben immers beiden verklaard dat zij zich er niet van bewust waren dat de kas gedeeltelijk op [perceel 2] ligt. Uit de koopoptie kan dus niet worden afgeleid dat partijen bewust het gedeelte van het kassencomplex dat op [perceel 2] ligt van de koop hebben willen uitsluiten.\n\n5.6.. De vervolgvraag is of de betreffende strook grond ook aan De Blokweg is geleverd. Bij de beantwoording van die vraag komt het aan op de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak.\n\n5.7.. Hoewel in de notariële akte, evenals in de koopovereenkomst, [perceel 2] niet als (gedeeltelijk) over te dragen perceel is genoemd – wat logisch is nu partijen in de veronderstelling verkeerden dat de kas niet op dat perceel lag – is de rechtbank van oordeel dat het gedeelte van [perceel 2] waarop de kas ligt ook is geleverd. In de omschrijving van het verkochte in de akte verwijst immers ook naar ‘de gestichte opstallen, glasopstanden en installaties, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats]’, en het is niet in geschil dat het gehele kassencomplex zowel voor als na de verkoop en levering plaatselijk bekend was als ‘[adres]’. Bovendien blijkt uit de hiervoor onder 3.6 (slot) weergegeven passage over de nieuwe erfgrens op [perceel 1] dat partijen hebben afgezien van een nauwkeurige omschrijving of aangehechte kaart omdat voor hen duidelijk was wat wel en wat niet werd geleverd: het kassencomplex. Mede in dat licht volgt uit de leveringsakte genoegzaam dat het gehele kassencomplex tot het geleverde behoort.\n\n5.8.. Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt voor het geval dat de betreffende strook grond niet rechtsgeldig aan De Blokweg zou zijn geleverd. In dat geval heeft De Blokweg zich terecht beroepen op verkrijgende verjaring door bezit te goeder trouw gedurende een onafgebroken periode van 10 jaar. Vaststaat dat De Blokweg de betreffende strook in bezit heeft genomen op 26 november 2012 (de datum van levering van het kassencomplex). [gedaagden] hebben de stelling van De Blokweg dat sprake is van bezit te goeder trouw onvoldoende betwist, in het licht van het feit dat partijen er beide vanuit gingen dat aan De Blokweg het gehele kassencomplex was geleverd en het – in die situatie - aan een gebrek in de levering is te wijten dat De Blokweg niet het eigendom heeft verkregen. Gesteld noch gebleken is dat het bezit van De Blokweg teniet is gegaan voor ommekomst van de verjaringstermijn van 10 jaar, zodat deze in dat geval is voltooid.\n\n5.9.. De primaire vordering van De Blokweg zal worden toegewezen. [gedaagden] zullen - samengevat - worden veroordeeld medewerking te verlenen aan de aanpassing van de openbare registers aan de huidige eigendomsverhoudingen. De aan deze veroordeling te verbinden dwangsom zal worden gematigd zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.10.. Nu de grond onder het kassencomplex niet aan [gedaagden] toebehoort, zal hun primaire vordering tot verwijdering van de kassen worden afgewezen.\n\n5.11.. Ook de subsidiaire vordering van [gedaagden] zal worden afgewezen. [gedaagden] hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd dat partijen hebben afgesproken dat de kas in geval van verbouwing, sloop of verkoop zou worden verwijderd van [perceel 2]. Het bestaan van deze afspraak is door De Blokweg betwist en in het licht van die betwisting onvoldoende door [gedaagden] onderbouwd.\n\n5.12.. \n [gedaagden] zijn in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Blokweg in conventie worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 122,16\n\n- griffierecht € 714,00\n\n- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten X tarief II ad € 653,00)\n\n- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.290,16\n\n5.13.. \n [gedaagden] zijn in reconventie eveneens in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] in reconventie worden begroot op:\n\n- salaris advocaat € 326,50 (0,5 punt X tarief II ad € 653,00)\n\n- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 474,50\n\n5.14.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagden] om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledige medewerking te verlenen aan de aanpassing van de openbare registers, waarbij de eigendomssituatie van de percelen op 26 november 2012 kadastraal bekend [kadastraal kenmerk] en [perceel 2], aldus zal worden weergegeven dat de eigendom tot en met de kasvoet van de gevels van de thans aanwezige kassen berust bij De Blokweg alsmede, voor zover nodig, volledige medewerking te verlenen aan de kadastrale splitsing van deze percelen;\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagden] om aan De Blokweg een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop zij niet aan de hoofdveroordeling heeft voldaan, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van De Blokweg van € 2.290,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen;\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af;\n\nin reconventie\n\n6.5.. wijst de vorderingen van [gedaagden] af;\n\n6.6.. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van De Blokweg van € 474,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen;\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.7.. veroordeelt [gedaagden] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n6.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n Vgl. HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:957 (Vereniging Albert Heijn Franchisenemers c.s.\u002FAlbert Heijn Franchising c.s.).\n\n HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17173","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:39.852Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":84,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":61,"updatedAt":87},"1306","ECLI:NL:GHDHA:2026:1974","ecli-nl-ghdha-2026-1974","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.356.553\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11382184 \\ CV EXPL 24-3697\n\nArrest van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nLoodgieters- en Verwarmingsbedrijf Wijngaarden B.V.,\n\ngevestigd in Alphen aan den Rijn,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. R.H. Steensma, kantoorhoudend in Rotterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nniet verschenen.\n\nHet hof noemt partijen hierna Wijngaarden B.V. en [geïntimeerde] .\n\n1. De zaak in het kort1.1. Wijngaarden B.V. vordert in dit geding de terugbetaling van een geldlening die zij heeft verstrekt aan [geïntimeerde] , toen hij een werknemer van haar was. De kantonrechter heeft de geldlening aangemerkt als een overeenkomst van consumentenkrediet. Gelet daarop was het aan Wijngaarden B.V. te stellen en te onderbouwen dat zij voorafgaand aan het sluiten van de geldlening aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan en dat de kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. Omdat Wijngaarden B.V. dat niet heeft gedaan, heeft de kantonrechter haar vordering afgewezen.1.2. In hoger beroep betoogt Wijngaarden B.V. dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de geldlening kwalificeert als een overeenkomst van consumentenkrediet. Het hof is het echter met de kantonrechter eens en nu namens Wijngaarden B.V. ook in hoger beroep is nagelaten een andere grondslag voor haar vordering aan te voeren, bekrachtigt het hof het bestreden vonnis.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 26 juni 2025, waarmee Wijngaarden B.V. in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025 (hierna: het bestreden vonnis);\n\nde memorie van grieven van Wijngaarden B.V., met bijlagen.2.2. \n [geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Aan hem is verstek verleend.3. Feitelijke achtergrond3.1. Op of omstreeks 20 december 2023 is tussen Wijngaarden B.V., als werkgever, en [geïntimeerde] , als werknemer, een geldleningsovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 50.000,00 met een jaarlijks rentepercentage van zeven procent (hierna: de geldlening).3.2. Volgens de geldlening mag Wijngaarden B.V. – indien [geïntimeerde] het bedrag dat hij onder de geldlening verschuldigd is niet tijdig betaalt – de onder de geldlening verschuldigde bedragen inhouden van zijn (eerstvolgende) salaris.3.3. De arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] met Wijngaarden B.V. is op enig moment na de totstandkoming van de geldlening geëindigd.3.4. \n [geïntimeerde] heeft niet voldaan aan zijn betalingsverplichtingen onder de geldlening.4. Procedure bij de kantonrechter4.1. Wijngaarden B.V. heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 51.979,28.4.2. \n [geïntimeerde] is niet verschenen en de kantonrechter heeft aan hem verstek verleend.4.3. Bij rolbeslissing van 5 december 2024 heeft de kantonrechter Wijngaarden B.V. in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of het geschil valt onder één van de categorieën als genoemd in artikel 93 sub c Rv en over zijn voornemen de zaak te verwijzen naar team handel van de rechtbank Den Haag.4.4. In haar akte uitlaten na rolbeslissing heeft Wijngaarden B.V. bericht dat de zaak volgens haar wel onder artikel 93 sub c Rv valt omdat de geldlening ‘enkel en alleen door partijen is aangegaan in het kader van hun arbeidsovereenkomst’ en dat Wijngaarden B.V. zich verder refereert aan het oordeel van de kantonrechter.4.5. Bij rolbeslissing van 13 maart 2025 heeft kantonrechter geoordeeld dat de vordering uit hoofde van de geldleningsovereenkomst geen vordering betreffende een arbeidsovereenkomst is, maar dat de kantonrechter wel bevoegd is om kennis te nemen van deze zaak indien de geldlening valt te kwalificeren als een overeenkomst van consumentenkrediet als bedoeld in artikel 7:57 BW. Wijngaarden B.V. is daarop in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.4.6. In reactie daarop heeft Wijngaarden B.V. gemeld dat dat de geldlening volgens haar geen overeenkomst is van consumentenkrediet.4.7. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de geldlening kwalificeert als een overeenkomst van consumentenkrediet en de vorderingen van Wijngaarden B.V. afgewezen omdat Wijngaarden B.V. niet had gesteld en onderbouwd dat zij voorafgaand aan het sluiten van de geldlening aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan en dat ‘de kredietwaardigheidstoets’ is uitgevoerd, voor het verstrekken van de geldlening.5. Beoordeling in hoger beroep5.1. Wijngaarden B.V. bestrijdt met haar twee grieven – die zich lenen voor gezamenlijke behandeling – het oordeel van de kantonrechter dat de geldlening kwalificeert als een overeenkomst van consumentenkrediet. Wijngaarden B.V. wil dat het hof haar vorderingen alsnog toewijst.5.2. Volgens Wijngaarden B.V. is zij geen kredietgever in de zin van artikel 7:57 BW omdat zij de lening als werkgever heeft verstrekt aan [geïntimeerde] (als werknemer). De terugbetaling van de lening liep synchroon met de salarisbetalingen. Daarmee is de lening een onherroepelijk onderdeel geworden van de arbeidsovereenkomst, aldus Wijngaarden B.V.5.3. Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld.5.4. Artikel 7:57 lid 1 onder c BW definieert een (consumenten-)kredietovereenkomst als een overeenkomst “waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten respectievelijk goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt”.5.5. Artikel 7:58 lid 2 onder f BW maakt een uitzondering voor “kredietovereenkomsten waarbij het krediet als nevenactiviteit door een werkgever rentevrij of tegen een jaarlijks kostenpercentage dat lager is dan gebruikelijk op de markt, aan zijn werknemers wordt toegekend, en die niet aan het publiek in het algemeen worden aangeboden”.5.6. De door Wijngaarden B.V. verstrekte lening valt binnen de in artikel 7:57 lid 1 onder c BW gegeven definitie van een consumentenkredietovereenkomst. De omstandigheid dat Wijngaarden B.V. niet alleen geldgever, maar toen ook de werkgever was van [geïntimeerde] , maakt niet dat zij in dit geval niet als een ‘kredietgever’ in de zin van deze bepaling (zie ook art. 7:57 lid 1 onder b BW) kan worden beschouwd. De wet voorziet immers in een regeling voor werkgevers die tevens krediet hebben verstrekt. In artikel 7:58 lid 2 onder f BW wordt de werkgever genoemd voor wie een uitzondering wordt gemaakt van de verplichtingen van onder meer art. 7:60 BW zolang het gaat om kredietovereenkomsten die werkgevers aan werknemers (als nevenactiviteit) verstrekken tegen een kostenpercentage dat lager is dan gebruikelijk is op de markt.5.7. Wijngaarden B.V. voert niet aan dat de door haar als werkgeefster aan [geïntimeerde] verstrekte geldlening tegen een jaarlijks kostenpercentage is verstrekt dat lager is dan gebruikelijk op de markt. Het rentepercentage van zeven procent valt ook op voorhand niet als kostenpercentage te beschouwen dat ‘lager dan gebruikelijk is op de markt’.5.8. De conclusie is dat het oordeel van de kantonrechter dat de geldlening een overeenkomst van consumentenkrediet is, voor juist moet worden gehouden.5.9. Voor zover Wijngaarden B.V. verder nog klaagt dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te kunnen reageren op de ‘kennelijk bij de kantonrechter levende gedachte’ dat sprake zou kunnen zijn van een overeenkomst van consumentenkrediet, geldt dat Wijngaarden B.V. in elk geval in hoger beroep in de gelegenheid is geweest om – in haar memorie van grieven – haar standpunt daarover toe te lichten.5.10. \n\nGelet op al het voorgaande falen beide grieven. Terzijde wordt nog opgemerkt dat door de kantonrechter reeds is overwogen dat Wijngaarden B.V. naast de geldleningsovereenkomst geen andere grondslag heeft aangevoerd voor haar vordering. Vastgesteld wordt dat Wijngaarden B.V. ook in hoger beroep geen andere grondslag heeft aangevoerd voor haar vordering tot (terug) betaling en het hof staat het niet vrij die ambtshalve te geven.\n\nConclusie en proceskosten5.11. De conclusie is dat het hoger beroep van Wijngaarden B.V. niet slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en Wijngaarden B.V. als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.6. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het bestreden vonnis;\n\nveroordeelt Wijngaarden B.V. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, H.J. van Harten en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1974","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.067Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":86,"fullText":92,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":61,"updatedAt":94},"1090","ECLI:NL:RBDHA:2026:18518","ecli-nl-rbdha-2026-18518","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F699338 \u002F HA ZA 26-156\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 16 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\nZORGBOODSCHAP B.V.te Sassenheim,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in voorwaardelijke reconventie,\n\nhierna: Zorgboodschap,\n\nadvocaat: mr. M. Teekens,\n\ntegen\n\nEETGEMAK B.V.te Katwijk,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiseres in voorwaardelijke reconventie,\n\nhierna: Eetgemak,\n\nadvocaten: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté en mr. T. Minovic.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 16 december 2025, met producties 1 tot en met 22;\n\nde conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 1 tot en met 3;\n\nde conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met producties 23 t\u002Fm 32;\n\nhet tussenvonnis van 29 april 2026, waarin een mondelinge behandeling is bevolen.\n\n1.2.. Op 16 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen:\n\nde heer [naam 1] (gevolmachtigde) namens Zorgboodschap, bijgestaan door mr. Teekens voornoemd en mr. D.I. Klein Hesseling;\n\nde heren [naam 2] (bestuurder), [naam 3] (commissaris) en [naam 4] (oud-CEO) namens Eetgemak, bijgestaan door mr. I.M. Brafine en mr. D.H. Tilanus (waarnemend voor de advocaten voornoemd).\n\n1.3.. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling, mede aan de hand van de overgelegde pleitnota’s, hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank, na een schorsing, in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan op grond van artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het ter zitting verhandelde.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. \n\nPartijen werken sinds langere tijd met elkaar samen. Deze samenwerking houdt, in de kern genomen, in dat Eetgemak maaltijden of maaltijdcomponenten produceert en levert aan Zorgboodschap en dat Zorgboodschap deze distribueert aan haar eindklanten (zorginstellingen). Zorgboodschap treedt daarbij op als contracthouder met de eindklant. Een uitzondering vormt de samenwerking met Florence, in die zin dat Eetgemak met Florence wel een rechtstreekse contractuele relatie heeft en maaltijden rechtstreeks produceert voor Florence. Voorheen verzorgde Zorgboodschap in opdracht van Eetgemak in dit kader wel nog diverse diensten, zoals de orderverwerking, logistiek en facturering. Medio 2025 heeft Eetgemak aan Zorgboodschap echter laten weten dat zij per\n\n29 september 2025 overgaat tot directe levering aan Florence, dus zonder verdere afname van de diensten van Zorgboodschap. Ook heeft Eetgemak aan Zorgboodschap laten weten dat zij overgaat tot een productiestop aan een aantal klanten. Zorgboodschap heeft tegen deze wijzigingen in de samenwerking bezwaar gemaakt. Nadat overleg tussen partijen niet tot een oplossing heeft geleid, heeft Zorgboodschap Eetgemak eind september 2025 aansprakelijk gesteld voor haar schade op grond van (opzettelijk) toerekenbaar tekortschieten en daaruit voortvloeiend onrechtmatig handelen. In deze procedure is in dit verband een verklaring voor recht gevraagd met verwijzing naar de schadestaatprocedure.\n\n2.2.. Vast staat dat tussen partijen geen mondelinge of schriftelijke samenwerkingsovereenkomst bestaat waarin de verplichtingen van partijen over en weer zijn vastgelegd. Ook staat vast dat de samenwerking tussen partijen niet exclusief is. Partijen hebben hierover op enig moment wel gesproken, maar deze gesprekken hebben niet tot een overeenkomst geleid. De samenwerking tussen partijen heeft dus een flexibel karakter en tussen partijen gelden alleen de ‘day-to-day’ afspraken.\n\n2.3.. Tussen partijen is in geschil of hun samenwerkingsrelatie kwalificeert als een duurovereenkomst. Het antwoord op deze vraag kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Ook als ervan wordt uitgegaan dat sprake is van een duurovereenkomst, gaat het om de vraag wat er tussen partijen is afgesproken. Dat er gedurende een bepaalde termijn door Eetgemak zou worden geleverd en\u002Fof dat er een volumeafspraak is gemaakt, is door Eetgemak betwist en in het licht daarvan onvoldoende door Zorgboodschap onderbouwd. Dit betekent dat, ook als sprake zou zijn van een duuroverkomst, die overeenkomst volgens vaste rechtspraak kan worden opgezegd. Dat is hier ook gebeurd. Het feit dat dit slechts een gedeeltelijke opzegging betrof maakt dit niet anders. Een overeenkomst kan namelijk ook gedeeltelijk worden beëindigd. Of de overeenkomst tussen partijen al dan niet moet worden aangemerkt als een aannemingsovereenkomst maakt daarbij niet uit. Ook als sprake zou zijn van aanneming van werk, volgt uit die overeenkomst niet dat partijen hebben afgesproken dat een bepaald volume zou worden geleverd. Ook dan geldt dat tussen partijen slechts is geregeld dat door Eetgemak van tijd tot tijd maaltijden zouden worden geleverd en dat niet is gebleken dat er verdere afspraken tussen partijen gelden.\n\n2.4.. Zoals gezegd kan een duurovereenkomst worden opgezegd. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat, zoals hier ook is gevorderd, een schadevergoeding moet worden betaald. Zorgboodschap heeft in dit geval echter onvoldoende onderbouwd dat er aanleiding is voor het voldoen van een schadevergoeding door Eetgemak. Voor de stelling van Zorgboodschap dat er tussen partijen ‘back-to-back’ afspraken zijn gemaakt op grond waarvan voor Eetgemak wel een leveringsverplichting of volumeafspraak gold voor de duur van de verplichtingen van Zorgboodschap richting haar eindklanten, zijn in het dossier onvoldoende aanknopingspunten te vinden en Eetgemak heeft dit betwist, zodat van dergelijke afspraken niet kan worden uitgegaan. Dit betekent dat Eetgemak, voor zover er sprake is van een duurovereenkomst, de samenwerking (tussentijds) heeft mogen opzeggen zonder daarbij schadeplichtig te zijn.\n\n2.5.. In het voorgaande is er veronderstellenderwijs van uitgegaan dat er een duurovereenkomst tussen partijen bestaat. Als van een dergelijke overeenkomst geen sprake zou zijn, mocht Eetgemak de samenwerking (gedeeltelijk) sowieso eenzijdig beëindigen.\n\n2.6.. Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen sprake is van een tekortkoming onder een (duur)overeenkomst, aangezien die overeenkomst rechtmatig is beëindigd.\n\n2.7.. Zorgboodschap heeft zich ook beroepen op zorgvuldigheidsverplichtingen die in het kader van de bestendige samenwerkingsrelatie op Eetgemak zouden rusten. Onduidelijk is echter op welke concrete verplichtingen Zorgboodschap hiermee doelt, buiten de eisen van redelijkheid en billijkheid die hiervoor al zijn meegenomen. Dat daarnaast nog een andere zorgvuldigheidsverplichting voor Eetgemak geldt, is door Eetgemak betwist en onvoldoende door Zorgboodschap onderbouwd. Er kan dus ook geen tekortkoming onder een zorgverplichting worden aangenomen.\n\n2.8.. Omdat Eetgemak niet is tekortgeschoten, is ook geen sprake van een onrechtmatige daad. Voor zover Zorgboodschap heeft betoogd dat ook buiten het gestelde toerekenbaar tekortschieten sprake is van een onrechtmatige daad is dat betoog onvoldoende onderbouwd. Hierbij overweegt de rechtbank dat Zorgboodschap haar stelling dat Eetgemak de samenwerking niet (gedeeltelijk) had mogen beëindigen onvoldoende handen en voeten heeft gegeven. Daarbij speelt mee dat partijen bewust geen exclusiviteit hebben afgesproken. Dat Zorgboodschap onder deze omstandigheden niet kon verwachten dat Eetgemak tot beëindiging zou overgaan is onvoldoende toegelicht.\n\n2.9.. Met betrekking tot Florence geldt dat het bestaan van de door Zorgboodschap gestelde compensatieafspraak (in die zin dat Zorgboodschap hoe dan ook aanspraak kon maken op 25% van de door Eetgemak behaalde omzet) door Eetgemak gemotiveerd is betwist. Volgens haar betrof deze vergoeding slechts een vergoeding voor de door Zorgboodschap in het kader van de relatie met Florence geleverde diensten. In het licht van deze betwisting heeft Zorgboodschap onvoldoende onderbouwd dat Eetgemak op andere wijze, dus los van de geleverde diensten, nog een vergoeding aan haar verschuldigd is. Nu de diensten die in dit kader van Zorgboodschap werden afgenomen zijn gestopt, is Eetgemak niet langer gehouden de voorheen voor die diensten afgesproken vergoeding aan Zorgboodschap te betalen. Dat de compensatievergoeding een andere regeling inhield, is de rechtbank niet duidelijk geworden.\n\n2.10.. De slotsom is dat alle vorderingen in conventie worden afgewezen. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de vordering in reconventie. Die vordering is namelijk ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank tot toewijzing van de vorderingen in conventie zou komen.\n\n2.11.. Zorgboodschap is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Eetgemak worden begroot op een bedrag van € 2.209 (€ 714 aan griffierecht en € 1.306 (2 punten x € 653) aan salaris advocaat en € 189 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n2.12.. Aangezien de rechtbank niet toekomt aan de reconventie, is er geen aanleiding om een proceskostenveroordeling in reconventie uit te spreken.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. wijst de vorderingen van Zorgboodschap af;\n\n3.2.. veroordeelt Zorgboodschap in de proceskosten van € 2.209, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als Zorgboodschap niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n3.3.. veroordeelt Zorgboodschap tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n3.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze mondelinge uitspraak is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 29 juni 2026.\n\nWAARVAN PROCES-VERBAAL","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18518","2026-07-13T00:29:03.507Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":61,"updatedAt":103},"1901","ECLI:NL:GHDHA:2026:942","ecli-nl-ghdha-2026-942","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.342.473\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F09\u002F652830\u002FHA ZA 23-751\n\nArrest van 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\nwonend in [woonplaats],\n\nappellant,\n\nadvocaat: mr. I.N.A. Denninger, kantoorhoudend in Haarlem,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nkantoorhoudend in [kantoorplaats],\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. L.C. Dufour, kantoorhoudend in Amsterdam.\n\nHet hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].\n\n1. De zaak in het kort1.1. \n [geïntimeerde] is advocaat. Hij heeft [appellant] bijgestaan in een procedure, waarin aan [appellant] een bedrag is toegewezen. Deze zaak gaat over de vraag of [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten door niet tijdig conservatoir en\u002Fof executoriaal beslag te leggen op vermogensbestanddelen van de wederpartij van [appellant]. Daarnaast is aan de orde of [appellant] facturen van [geïntimeerde] moet betalen. Volgens [appellant] is de prijsafspraak in de vorm van alleen een uurtarief niet transparant, is daarmee sprake van een oneerlijk beding en dient dit ertoe te leiden dat de betalingsverplichting van [appellant] geheel vervalt.1.2. Het hof komt tot het oordeel dat een kans om tijdig executoriaal beslag te laten leggen op een aantal in aanbouw zijnde woonboten door [geïntimeerde] ten onrechte niet is benut. Het staat echter nog niet vast dat deze woonboten in de relevante periode nog in of bij de werkplaats lagen. [appellant] krijgt de gelegenheid dit te bewijzen.1.3. Wat betreft de prijsafspraak komt het hof tot het oordeel dat deze voldoende transparant was. Ook is ten aanzien van de kosten voldaan aan de informatieplicht, omdat duidelijk is hoe de prijs moet worden berekend.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 23 mei 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 april 2024;\n\nde memorie van grieven van [appellant], met bijlage;\n\nde memorie van antwoord van [geïntimeerde], met bijlagen.2.2. Op 27 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.3. Feitelijke achtergrond3.1. \n [appellant] is consument. Hij heeft in 2019 via een obligatielening in totaal € l50.000 uitgeleend aan Houseboats Invest B.V. (hierna Houseboats) ten behoeve van de bouw van zogenoemde watervilla’s, een soort woonboten bestemd voor de verhuur (in de stukken ook wel aangeduid als houseboats). Houseboats vormde samen met andere partijen waaronder Youmanitas Projects C.V. (hierna: Youmanitas) een samenstel van entiteiten dat was gericht op het drijven van de onderneming die watervilla’s bouwt en verkoopt. Het hof zal deze groep ook aanduiden als de Houseboats groep. Youmanitas was de eigenaar van de (in aanbouw zijnde) watervilla’s. Stichting Youmanitas Energy Farms was de beherend vennoot van Youmanitas. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) was de uiteindelijk belanghebbende bij de bij het project betrokken juridische entiteiten.3.2. \n\nDe overeengekomen rentebedragen werden niet of niet op tijd aan [appellant] betaald. In april 2021 verleende [appellant] aan [geïntimeerde] de opdracht om als zijn advocaat de door [appellant] uitgeleende bedragen met rente en kosten op Houseboats te verhalen. In de door [geïntimeerde] opgestelde en door [appellant] ondertekende opdrachtbevestiging staat onder meer:\n\n“U heeft mij, [geïntimeerde], advocaat te Den Haag, (...), op 7-4-2021 de opdracht verstrekt om aan u juridische bijstand te verlenen ter zake: (...)(...)Algemene voorwaarden1. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] toepasselijk. De toepasselijke algemene voorwaarden zijn als bijlage aan deze opdrachtbevestiging gehecht.”3.3. \n\nIn de aangehechte algemene voorwaarden staat onder meer:\n\n“1. [geïntimeerde] jr is een eenmanszaak van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] jr neemt met zijn eenmanszaak deel aan de samenwerking met Deen Advocaten(...)15. Alle vorderingsrechten of andere bevoegdheden uit welke hoofd ook jegens Deen Advocaten vervallen in ieder geval één jaar na het moment waarop de opdrachtgever en of derden bekend werden of redelijkerwijs bekend konden zijn met het bestaan van deze rechten of bevoegdheden.(...)17. Niet alleen Deen Advocaten, maar ook alle personen die bij de uitvoering van enige opdracht van opdrachtgever zijn ingeschakeld, kunnen op deze algemene voorwaarden een beroep doen.”3.4. In mei 2021 heeft [geïntimeerde] namens [appellant] een verzoekschrift voor het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Het verzoek strekte tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Houseboats, Smit Holding B.V. en Youmanitas op drie bankrekeningen bij drie verschillende banken. De rechtbank Amsterdam liet op 20 mei 2021 weten dat de voorzieningenrechter niet bereid was verlof te verlenen, omdat de obligatieovereenkomst nog niet was ontbonden en omdat de onderbouwing van de groepsaansprakelijkheid onvoldoende was om ook Smit Holding B.V. en Youmanitas aansprakelijk te kunnen achten. De rechtbank Amsterdam deelde mee dat er een aangepast verzoekschrift kon worden ingediend. [geïntimeerde] heeft geen aangepast verzoekschrift ingediend.3.5. \n [geïntimeerde] heeft op 21 mei 2021 namens [appellant] een ontbindingsbrief naar Houseboats gestuurd. Op 7 juni 2021 heeft [geïntimeerde] namens [appellant] een (herhaalde) sommatie tot betaling aan Houseboats gestuurd en op diezelfde dag ook een dagvaarding betekend aan Houseboats, Youmanitas, Smit Holding B.V., Stichting Youmanitas Energy Farms en [betrokkene 1]. Namens alle gedaagden stelde zich een advocaat, die zich daarna weer heeft onttrokken. Op 24 november 2021 sprak de rechtbank een vonnis op tegenspraak uit waarin alle gedaagden hoofdelijk zijn veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van het geleende bedrag, inclusief rente en (proces)kosten. Vanwege het ontbreken van verweer is het vonnis gemotiveerd als ware het een verstekvonnis.3.6. \n\nDit vonnis heeft [geïntimeerde] op 25 november 2021 doorgestuurd naar [appellant]. Naar aanleiding van het vonnis is er telefonisch contact geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant]. Op 26 november 2021 heeft [geïntimeerde] de deurwaarder gemaild met het verzoek het vonnis ten uitvoer te leggen. De deurwaarder stuurde als reactie een verhaalsformulier. [geïntimeerde] heeft dit formulier ingevuld en onder vermelding van de veroordeelde partijen en samen met KvK-uittreksels van de Houseboats groep teruggestuurd. In het verhaalsformulier staat onder meer:\n\n“VERHAALSINFORMATIE SCHULDENAAR\u002FSCHULDENAREN(...)Overige verhaalsmogelijkheden: Er zouden een aantal watervilla’s door Houseboats Invest in aanbouw zijn. Het adres waar deze zich bevinden is nog niet bekend maar daar wordt aan gewerkt.”3.7. Een kopie van het formulier heeft [geïntimeerde] op 20 december 2021 naar [appellant] gestuurd. De deurwaarder heeft in opdracht van [geïntimeerde] het vonnis op 29 november 2021 betekend aan het huisadres van [betrokkene 1]. Tussen 1 december 2021 en 17 januari 2022 heeft de deurwaarder onder diverse banken en de belastingdienst beslag gelegd. De beslagen troffen geen doel.3.8. \n\nRond 16 februari 2022 is gebleken dat de watervilla’s lagen bij een zekere [betrokkene 2]. Op 16 februari 2022 heeft de deurwaarder onder [betrokkene 2] op de watervilla’s executoriaal beslag gelegd ten laste van alle in het vonnis veroordeelde partijen. Op 1 maart 2022 werd Youmanitas failliet verklaard. Daarmee vervielen alle ten laste Youmanitas gelegde beslagen. De deurwaarder heeft op 7 maart 2022 opnieuw beslag gelegd bij één van de banken ten laste van de overige in het vonnis van 24 november 2021 hoofdelijk veroordeelde partijen. Ook dit beslag trof geen doel. Op 9 maart 2022 berichtte de deurwaarder aan [geïntimeerde] dat verdere executie zinloos leek. In het bericht stond:\n\n“Ik adviseer u het faillisement aan te vragen diverse ebslagen geen effect. Ik ben diverse weekenden op zoek naar de boten geweest. De boten zouden in pandrecht toebehoren aan de aan [betrokkene 1] gelieerde failliete B.V.”3.9. Uit het faillissementsverslag van de curator van Youmanitas van 17 januari 2023 volgt dat de curator de watervilla’s heeft verkocht aan een derde voor een bedrag van € 50.000.3.10. \n [geïntimeerde] heeft [appellant] op 9 januari 2023 verzocht om de deurwaarderskosten van € 4.320,48 te betalen. Op 16 februari 2023 stuurde hij een betalingsherinnering. Diezelfde dag heeft Oomen, de inmiddels nieuwe advocaat van [appellant], aan [geïntimeerde] vragen gesteld over het dossier van [appellant]. [geïntimeerde] heeft deze vragen beantwoord. Op 14 april 2023 heeft Oomen namens [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor door [appellant] gestelde beroepsfouten. [geïntimeerde] heeft op 26 april 2023 op deze aansprakelijkstelling gereageerd en aansprakelijkheid van de hand gewezen. Op 14 augustus 2023 is de dagvaarding betekend. Daarna heeft [geïntimeerde] op 9 oktober 2023 een factuur van € 3.847,80 voor zijn werkzaamheden van april 2021 tot en met april 2023 naar [appellant] gestuurd.4. Procedure bij de rechtbank4.1. \n [appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd (na vermindering van eis) dat de rechtbank (i) [geïntimeerde] veroordeelt om aan [appellant] te betalen al hetgeen [appellant] in geld te vorderen heeft uit hoofde van het vonnis van 24 november 2021 (tussen [appellant] en de Houseboats groep) en (ii) voor recht verklaart dat [geïntimeerde] niets meer te vorderen heeft van [appellant] in verband met de gelegde bankbeslagen en het beslag onder de belastingdienst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.4.2. \n [appellant] legde samengevat aan zijn vordering ten grondslag dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld, door niet de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Bij adequaat handelen van [geïntimeerde] zou op de drie watervilla’s (1) conservatoir beslag zijn gelegd of in elk geval (2) executoriaal beslag gelegd zijn vóór 17 december 2021, de datum waarop de eerste watervilla werd getransporteerd vanuit Havelte. Ook zou hij (3) [appellant] dan de kans hebben gegeven om de onzekerheid die [geïntimeerde] stelde te hebben over de situering van de watervilla’s weg te nemen, zodat hij per direct de deurwaarder alsnog correct had kunnen instrueren. In alle drie de gevallen zou tijdig beslag zijn gelegd op de watervilla’s en zouden deze zonder verdere discussies executoriaal verkocht zijn ruim vóór het faillissement van Youmanitas in maart 2022. Nu dit niet is gebeurd, heeft [appellant] schade geleden: in totaal zou de opbrengst van de watervilla’s na tijdige beslaglegging en veiling zonder meer genoeg zijn geweest om de volledige vordering uit hoofde van het vonnis van 24 november 2021 te verhalen, aldus [appellant]. Hoe dan ook is sprake van een gemiste kans om verhaal op de watervilla’s te nemen, zodat [appellant] in ieder geval recht heeft op een kansschadevergoeding.4.3. \n [geïntimeerde] voerde gemotiveerd verweer en vorderde in reconventie betaling van de door hem voor [appellant] betaalde deurwaarderskosten ten bedrage van € 4.320,48, en een bedrag van € 8.168,28 aan openstaande declaraties. [geïntimeerde] legde aan die vordering ten grondslag dat dit kosten zijn voor verrichtingen waarvoor [appellant] opdracht heeft gegeven.4.4. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en in reconventie [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 7.130,62 met de wettelijke rente over dat bedrag berekend met ingang van drie dagen na betekening van het vonnis, en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.4.5. De rechtbank kwam kort samengevat op de volgende gronden tot dit oordeel.4.5.1. \n [geïntimeerde] is niet tekortgeschoten door geen conservatoir beslag te leggen. Volgens [geïntimeerde] heeft hij met [appellant] de keuze besproken om af te zien van het conservatoir beslag en de daarmee samenhangende strategische overwegingen, waarna is besloten het conservatoire beslag niet door te zetten. Deze gang van zaken is door [appellant] onvoldoende weersproken.4.5.2. Het verwijt dat [geïntimeerde] niet voor 17 december 2021 executoriaal beslag heeft laten leggen op de watervilla’s wordt door de rechtbank verworpen. [appellant] heeft onvoldoende betwist dat de focus nietlag op het verhaal van de vordering op de watervilla’s, maar op verhaal op de ingelegde gelden. Ook heeft [appellant] onvoldoende betwist dat hij op de hoogte was van de bankbeslagen. [appellant] had [geïntimeerde] erop moeten wijzen dat dit niet de bedoeling was. Daarvan is niets gebleken. [appellant] heeft verder onvoldoende betwist dat er tussen 24 november 2021 en 20 december 2021 veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant] en dat het leggen van bankbeslagen in overleg met [appellant] is gedaan. Het is bovendien niet komen vast te staan dat de watervilla’s tot 17 december 2021 daadwerkelijk in Havelte waren en dat [geïntimeerde] dat wist.4.5.3. De deurwaarderskosten en de facturen van [geïntimeerde] voor zover betrekking hebbend op handelingen verricht voor de sluiting van het dossier op 17 februari 2023 komen voor vergoeding in aanmerking, in totaal een bedrag van € 7.130,62.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. \n [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof zijn vordering alsnog toewijst en de vordering in reconventie van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg en de kosten van het hoger beroep.5.2. \n [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.6. Beoordeling in hoger beroepHet beroep van [geïntimeerde] op het in de algemene voorwaarden opgenomen vervalbeding wordt verworpen6.1. \n\n [geïntimeerde] deed in eerste aanleg een beroep op de in artikel 15 van de toepasselijke algemene voorwaarden opgenomen vervaltermijn van één jaar. Artikel 15 luidt als volgt:\n\n“Alle vorderingsrechten of andere bevoegdheden uit welke hoofd ook jegens Deen Advocaten vervallen in ieder geval één jaar na het moment waarop de opdrachtgever en of derden bekend werden of redelijkerwijs bekend konden zijn met het bestaan van deze rechten of bevoegdheden”6.2. \n\nIn artikel 17 van de algemene voorwaarden staat:\n\n“Niet alleen Deen Advocaten, maar ook alle personen die bij de uitvoering van enige opdracht van een opdrachtgever zijn ingeschakeld, kunnen op deze algemene voorwaarden een beroep doen.”6.3. De rechtbank oordeelde op dit punt, dat [geïntimeerde] zich op deze voorwaarden kan beroepen, ook al vermelden deze voorwaarden Deen advocaten. Uit artikel 1 van de algemene voorwaarden blijkt namelijk dat [geïntimeerde] deelneemt aan de samenwerking met Deen advocaten en artikel 17 van die voorwaarden brengt mee dat [geïntimeerde] zich kan beroepen op de vervaltermijn van artikel 15. De rechtbank heeft vervolgens echter in het midden gelaten of het vervalbeding onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar is, omdat zij oordeelde dat de vorderingen van [appellant] op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar zijn.6.4. Omdat een van de grieven van [appellant] slaagt (zie hierna), brengt de devolutieve werking van het appel mee dat door de geïntimeerde in eerste aanleg gevoerde verweren die toen zijn verworpen of niet behandeld, alsnog aan de orde moeten komen. Het beroep op het vervalbeding is het verweer van de verste strekking: als dat slaagt, zijn de vorderingen van [appellant] vervallen. Het hof zal dit verweer daarom als eerste behandelen. Daarbij moet het hof ook de stellingen betrekken die [appellant] in eerste aanleg op dit punt heeft ingenomen. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat [appellant] grieven had moeten aanvoeren tegen het oordeel dat de voorwaarden van toepassing zijn en ook in hoger beroep opnieuw aan de orde had moeten stellen dat de desbetreffende voorwaarden vernietigbaar zijn. Dat is niet juist. Het vonnis van de eerste aanleg heeft gezag van gewijsde voor zover het gaat om overwegingen waartegen niet is gegriefd, maar uitsluitend voor zover het dictum op die overwegingen steunt. Omdat het dictum in dit geval nu juist niet steunt op de overwegingen van de rechtbank over de algemene voorwaarden, behoefde [appellant] tegen deze overwegingen geen grieven te richten (vgl. HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779).6.5. Het hof verenigt zich wat betreft de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] met de overwegingen van de rechtbank (rov. 4.3) en maakt deze tot de zijne. [appellant] heeft in hoger beroep niet nader toegelicht dat en waarom de voorwaarden niet van toepassing zouden zijn op de overeenkomst tussen hem en [geïntimeerde].6.6. \n [appellant] heeft wel aangevoerd dat het vervalbeding onredelijk bezwarend dan wel oneerlijk is. [appellant] is consument en beroept zich op de vernietigbaarheid van het beding, primair met een beroep op art. 6:236 onder g BW (zwarte lijst), subsidiair op art. 6:237 onder h BW (grijze lijst) en meer subsidiair op de algemene norm ex art. 6:233 onder a BW. Het al na een jaar laten vervallen van een claim verstoort volgens [appellant] ernstig het contractuele evenwicht, zeker gelet op het feit dat mr. [geïntimeerde] verzekerd is (en ook moet zijn) voor dergelijke claims. Namens [geïntimeerde] is hiertegen in gebracht dat het voor beroepsbeoefenaren van belang is om na afronding van hun werkzaamheden in een bepaalde kwestie niet nog lange tijd later met claims te worden geconfronteerd. Als redenen daarvoor noemt hij: dossiers en mailboxen worden geschoond en (extern) gearchiveerd, de herinneringen aan een zaak worden minder scherp, advocaten stappen over naar een andere verzekeraar met mogelijke in- en uitloopdiscussies tot gevolg en collega's met wie is samengewerkt aan een zaak stappen over en raken zo uit beeld.6.7. Het hof oordeelt als volgt. Bedingen in algemene voorwaarden die een wettelijke verjarings- of vervaltermijn waarbinnen de wederpartij enig recht moet geldend maken, verkorten tot een verjarings- onderscheidenlijk vervaltermijn van minder dan een jaar, staan op de zogenoemde zwarte lijst onder artikel 6:236 sub g BW. In dit geval gaat het echter om een vervaltermijn van een jaar, dus dit artikel is niet van toepassing. Uit jurisprudentie volgt dat bedingen die een wettelijke vervaltermijn verkorten tot een vervaltermijn van één jaar of meer, niet vallen onder artikel 6:236 sub g noch onder artikel 6:237 sub h BW, en wat hun inhoud betreft alleen getoetst kunnen worden aan de open norm van art. 6:233 sub a BW. Alle andere contractuele vervalbedingen, waaronder vervalbedingen die de factoeen wettelijke verjaringstermijn vervangen, vallen onder art. 6:237 onder h BW (vgl. HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:531, JOR 2020, 192 mt.nt. Spanjaard, en de in die noot genoemde vindplaatsen). Voorts volgt uit de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1698) van art. 6:237 BW dat bedingen die betrekking hebben op gevallen waarin de wet het verval van rechten aan een door een partij binnen een “binnen bekwame tijd” te verrichten handeling verbindt, zoals artikel 6:89 BW, óók worden bestreken door art. 6:236 onder h BW.6.8. Naar het oordeel van het hof vervangt het contractuele vervalbeding uit artikel 15 van de algemene voorwaarden de klachttermijn van artikel 6:89 BW. Ingevolge de parlementaire geschiedenis valt het beding daarmee onder art. 6:236 onder h BW. Het hof merkt op dat ook wanneer het vervalbeding niet geacht moet worden de klachttermijn van artikel 6:89 BW te vervangen omdat in het vervalbeding niet wordt gesproken van een klachtplicht, het beding wordt bestreken door artikel 6:237 onder h BW. In dat geval vervangt het contractuele vervalbeding immers (feitelijk) de wettelijke verjaringstermijn.6.9. Naar het oordeel van het hof valt het beding gezien het voorgaande hoe dan ook onder artikel 6:237 sub h BW en wordt het dus vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Dit brengt mee dat [geïntimeerde] omstandigheden naar voren moet brengen die maken dat het vervalbeding (toch) niet onredelijk bezwarend is. [geïntimeerde] heeft hierover aangevoerd dat hij er belang bij heeft om niet met late claims te worden geconfronteerd omdat informatie over de zaak na verloop van een jaar verloren kan zijn gegaan. Het hof vindt dit argument onvoldoende om het beding niet onredelijk bezwarend te achten.6.10. Van een advocaat mag immers worden verwacht dat hij op een zorgvuldige wijze dossier houdt en vastlegt welke afspraken met een cliënt zijn gemaakt en welke procesbeslissingen op welke gronden zijn genomen. Belangrijke afspraken dienen bij voorkeur schriftelijk aan de cliënt te worden bevestigd, en in ieder geval te worden neergelegd in een telefoonnotitie. Dat een dossier binnen een jaar al zou kunnen zijn geschoond, zoals [geïntimeerde] suggereert, sluit niet aan bij de op een advocaat rustende bewaarplicht van dossiers gedurende vijf jaar (vergelijk artikel 7:412 BW). Tegenover het belang van [geïntimeerde] om niet met late claims te worden geconfronteerd staat bovendien het belang van een cliënt als [appellant], die heeft vertrouwd op de juridische juistheid van de door zijn advocaat verstrekte adviezen. De onbekendheid van [appellant] met de materie was immers de reden dat hij een advocaat in de arm nam. Daarmee verhoudt zich niet een vervaltermijn van slechts een jaar in het geval van een beroepsfout. Van een consument als [appellant] (voormalig vrachtwagenchauffeur) kan ook niet worden verwacht dat hij bedacht is op de consequenties van een vervalbeding als het onderhavige.6.11. Ten overvloede overweegt het hof dat het verval van recht in artikel 15 van de algemene voorwaarden niet is gekoppeld aan enig nalaten van de cliënt. Bij letterlijke lezing vervalt de vordering na een jaar, ook als binnen dat jaar is geklaagd of zelfs een vordering aanhangig is gemaakt. Een dergelijk beding vormt een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en plichten van de gebruiker ([geïntimeerde]) en de wederpartij die consument is ([appellant]).6.12. \n\nDe slotsom is dat het vervalbeding in artikel 15 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is en dat [geïntimeerde] daarom geen beroep op dat artikel toekomt. Het hof hoeft daarom niet te beoordelen wanneer de in artikel 15 van de algemene voorwaarden neergelegde vervaltermijn in dit geval is gaan lopen.\n\nHet beroep van [geïntimeerde] op de klachtplicht slaagt niet6.13. \n [geïntimeerde] heeft ook een beroep gedaan op de klachtplicht van artikel 6:89 BW. Volgens [geïntimeerde] is namens [appellant] op 16 februari 2023 voor het eerst een brief aan hem gestuurd met klachten; dat is bijna anderhalf jaar na het vonnis van de rechtbank van 21 november 2021 in de zaak tegen Youmanitas c.s. en bijna een jaar na het faillissement van Youmanitas op 1 maart 2022. [geïntimeerde] is, zo stelt hij, door deze late klacht in zijn belangen geschaad. Door de overstap naar een andere softwareleverancier in mei 2022 zijn een deel van de e-mails van voor die tijd verloren gegaan. Ook registraties van (telefoon)notities zijn hierdoor verloren gegaan. Daarnaast is er WhatsApp belgeschiedenis verdwenen. Ten slotte was er, als [appellant] eerder had geklaagd, wellicht nog een mogelijkheid geweest om het vonnis van 21 november 2021 tegen de andere veroordeelden ten uitvoer te leggen.6.14. De ratio van artikel 6:89 BW is bescherming van de schuldenaar tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten. De lengte van de termijn die beschikbaar is voor het te verrichten onderzoek is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang zijn de aard en waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt, en de deskundigheid van de schuldeiser. Bij dit alles is in belangrijke mate mede bepalend of de belangen van de schuldenaar zijn geschaad, en zo ja, in hoeverre. Als die belangen niet zijn geschaad, zal er niet spoedig voldoende reden zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten.6.15. Aan de hand van deze maatstaven komt het hof tot het oordeel dat de klacht van [appellant] niet te laat was. Het hof verwijst naar de overwegingen hierboven over het beroep van [geïntimeerde] op de vervaltermijn. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht dat hij door het tijdstip van de klacht in zijn belangen is geschaad. Het ligt op de weg van een advocaat om zodanig dossier te houden dat hij ook na (ruim) een jaar kan nagaan welke adviezen zijn gegeven en wat daaraan ten grondslag lag. Daaraan voegt het hof toe, dat een probleem met software of het overschrijven van belgeschiedenis in de risicosfeer van [geïntimeerde] ligt, en niet in die van [appellant]. Verder geldt dat [appellant] mag afgaan op de juistheid van de door [geïntimeerde] gegeven juridische adviezen en ligt het voor de hand dat hij niet meteen kon doorzien of [geïntimeerde] een fout had gemaakt.6.16. \n\nHet argument dat er, als [appellant] eerder had geklaagd, wellicht nog een mogelijkheid was geweest om het vonnis tegen de andere veroordeelden ten uitvoer te leggen maakt het voorgaande niet anders. [geïntimeerde] doet geen beroep op feitelijke omstandigheden die het bestaan van een alternatieve verhaalmogelijkheid aannemelijk maken. Ook legt [geïntimeerde] niet uit waarom na het vonnis, toen hij nog optrad voor [appellant], niet is geprobeerd van deze alternatieve verhaalmogelijkheden gebruik te maken.\n\n [geïntimeerde] had na het vonnis executoriaal beslag moeten laten leggen in Havelte6.17. De grieven II t\u002Fm IV gaan over de vraag of [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt. Concreet verwijt [appellant] [geïntimeerde] dat hij geen conservatoir beslag heeft laten leggen op de watervilla’s en dat hij, toen het vonnis was verkregen, niet aan de deurwaarder opdracht heeft gegeven om executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s. Volgens [appellant] lagen de watervilla’s tot in ieder geval 17 en 18 december 2021 in Havelte en was dat ook bij [geïntimeerde] bekend, althans had dat moeten zijn.6.18. Het hof sluit zich aan bij het door de rechtbank in haar vonnis van 10 april 2024 in rov. 4.5 weergegeven toetsingskader: [geïntimeerde] moet als advocaat de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk handelend, redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. [appellant] heeft (in de toelichting op grief 1) opgemerkt dat onvoldoende rekening is gehouden met de gedragsregels, die kleuring geven aan het toetsingskader. In het bijzonder wijst [appellant] op de informatieplicht van de advocaat (gedragsregel 16) en de plicht van de advocaat om bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken te maken over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren. Het hof zal ingaan op de informatieplicht en de plicht duidelijke afspraken te maken voor zover dat voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] relevant is.6.19. Grief II heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] geen beroepsfout heeft gemaakt door geen conservatoir beslag te leggen op de watervilla’s.6.20. Deze grief slaagt niet. Van belang is dat niet de contractuele wederpartij van [appellant], Houseboats, de eigenaar van de watervilla’s was, maar Youmanitas. [geïntimeerde] heeft in mei 2021 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de rechtbank. Dat verlof is echter niet gegeven zoals volgt uit een e-mail van de rechtbank van 20 mei 2021. Daarin staat onder meer dat de groepsaansprakelijkheid in het voorliggende verzoekschrift onvoldoende is onderbouwd. [appellant] heeft in zijn grief niet toegelicht, dat de aansprakelijkheid van Youmanitas voor de vordering die [appellant] had op Houseboats op dat moment zodanig onderbouwd kon worden dat het verlof zou zijn gegeven. Dit volgt ook niet uit het vonnis in de bodemprocedure: dat vonnis is, hoewel op tegenspraak gewezen, feitelijk een verstekvonnis en zonder nadere toelichting valt ook niet zonder meer in te zien dat inderdaad sprake was van groepsaansprakelijkheid.6.21. Het was uitgaande van de stand van zaken op dat moment daarom een goed verdedigbare keuze om eerst in te zetten op de bodemprocedure, en het conservatoire beslag niet door te zetten. Uit de eigen stellingen van [appellant] (hij had zijn hele vermogen in het project gestoken) volgt immers dat zijn financiële middelen om aan de procedure te besteden beperkt waren, zodat keuzes gemaakt moesten worden. Hoewel [geïntimeerde] deze keuze(s) onvoldoende heeft vastgelegd – hij heeft geen telefoonnotities, e-mails of brieven overgelegd waaruit blijkt dat en hoe hij deze keuze met [appellant] heeft besproken – is het ook gelet op de stand van zaken op dat moment waarbij er procesrechtelijke keuzes moesten worden gemaakt, onvoldoende aannemelijk dat [appellant] erop had aangedrongen dat het conservatoire beslag zou zijn voortgezet.6.22. Dat ligt anders met betrekking tot het executoriale beslag. Toen met het toewijzende vonnis van 24 november 2021 een titel was verkregen, ook tegen Youmanitas als eigenaar van de watervilla’s, was snel handelen vereist. De omstandigheid dat geen rentebetalingen meer werden gedaan, vormde immers een belangrijke aanwijzing dat de Houseboats groep haar verplichtingen niet meer kon nakomen. Ook het feit dat in de bodemprocedure geen verweer werd gevoerd, wees daarop. Dit maakt het ook onaannemelijk dat er enig positief saldo zou zijn op bekende bankrekeningen van de Houseboats groep. Het lag daarom voor de hand om met het toewijzende vonnis van 24 november 2021 in ieder geval te proberen executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s en niet alleen op de bankrekeningen.6.23. \n\nDat de watervilla’s de meest voor de hand liggende mogelijkheid waren om (een deel van) het toegewezen bedrag te executeren volgt ook uit de brief van [geïntimeerde] die hij schreef aan mr. Oomen op 13 maart 2023, naar aanleiding van vragen die mr. Oomen stelde namens [appellant]. [geïntimeerde] schreef:\n\n“Toen de heer [appellant] bij mij kwam was House Boats Invest al lang en breed gestopt met het nakomen van haar (financiële) verplichtingen. Bovendien bereikte ons via verscheidene kanalen het bericht dat House Boats Invest geen liquide middelen meer had. Vanaf het begin van de zaak leek mij de enige reële manier voor de heer [appellant] om zijn schade te verhalen een beslag op eventueel nog aanwezige houseboats. Dit heb ik de heer [appellant] vaak uitgelegd. Destijds echter, kon niemand mij vertellen of deze houseboats nog bestonden, of zij werkelijk eigendom waren van House Boats Invest B.V. en waar zij zich dan wel bevonden.”6.24. \n [geïntimeerde] heeft hierover gesteld, dat hij de brief van 13 maart 2023 schreef terwijl hij de feiten uit het dossier niet helder voor ogen had. Het hof gaat daaraan voorbij. [geïntimeerde] licht onvoldoende toe welke feiten hij onvoldoende voor ogen had. De brief van 13 maart 2023 sluit juist goed aan bij de in deze zaak vaststaande feiten.6.25. \n [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat hij ten tijde van het toewijzende vonnis van 24 november 2021 niet wist waar de watervilla’s waren en dat [appellant] hem dat ook niet kon vertellen. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de watervilla’s aanvankelijk werden gebouwd op het adres [adres]. [geïntimeerde] betwist ook niet dat dit adres hem bekend was. Dat de watervilla’s ten tijde van het toewijzende vonnis van 24 november 2021 daar al waren weggehaald, volgt niet uit hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. [geïntimeerde] verwijst naar een nieuwbrief van Houseboats van 5 juli 2021, waarin staat dat productiefaciliteit te Havelte is verkocht en dat de nieuwe pandeigenaar deze faciliteit op termijn zelf wil gaan gebruiken. In de nieuwsbrief staat echter niet per wanneer dat zal zijn. Ook overigens heeft [geïntimeerde] geen feiten gesteld waaruit onomstotelijk volgt dat de watervilla’s vóór 24 november 2021 waren weggehaald in Havelte.6.26. Ten tijde van het vonnis van 24 november 2021 was het adres in Havelte de bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vestigingsplaats van Houseboats. Dat vonnis had dus door de deurwaarder daar betekend kunnen worden, in plaats van aan het woonadres van bestuurder [betrokkene 1]. Dan had – zonder (veel) extra kosten te maken, omdat het vonnis hoe dan ook betekend moest worden – door de deurwaarder kunnen worden onderzocht of de watervilla’s daar nog lagen. Dat het te duur was om de deurwaarder naar de watervilla’s te laten zoeken, volgt het hof dus niet. [geïntimeerde] heeft bovendien de deurwaarder op een gegeven moment kennelijk wel degelijk opdracht gegeven om naar de watervilla’s te zoeken, hetgeen de deurwaarder, zo volgt uit diens e-mail van 10 januari 2022, kort voor die datum heeft gedaan. Daar heeft de deurwaarder ook kosten voor in rekening gebracht, die [geïntimeerde] wil doorbelasten aan [appellant]. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht wanneer deze opdracht (in overleg met [appellant]) aan de deurwaarder is gegeven en waarom dat niet meteen na het verkrijgen van het vonnis is gedaan.6.27. Het standpunt van [geïntimeerde] dat hij geen beslag kon laten leggen op de watervilla’s omdat hij niet kon weten waar de watervilla’s lagen, wordt gezien het voorgaande verworpen. Er was wel degelijk reden om aan te nemen dat de watervilla’s kort na het verkrijgen van het veroordelend vonnis nog in Havelte lagen. Er was bovendien een makkelijke manier (het laten betekenen van het vonnis aldaar) om daar achter te komen. Dat [appellant] (in deze executoriale fase) alleen beslag wilde leggen op bankrekeningen en niet op de watervilla’s, zoals [geïntimeerde] stelt, wordt door [appellant] betwist. Deze stelling van [geïntimeerde] is ook niet aannemelijk gezien het doel van [appellant] om – in ieder geval een deel – van het door hem uitgeleende geld terug te krijgen. Het is daarbij voor [appellant] niet relevant of dit gebeurt door een beslag op de watervilla’s en een daarop volgende executoriale verkoop daarvan, of door een beslag op een bankrekening. Voor zover [appellant] zou hebben gedacht dat een beslag op de watervilla’s ertoe zou leiden dat hij zelf eigenaar van de watervilla’s zou worden, heeft [geïntimeerde] hem hierover kennelijk onvoldoende voorgelicht. Er is bovendien geen enkele vastlegging in het dossier waaruit volgt dat hierover overleg met [appellant] heeft plaatsgevonden, zoals telefoonnotities of e-mails. De verhaalsinformatie waaruit blijkt dat alleen executoriaal beslag is gelegd onder banken, heeft [appellant] pas op 20 december 2021 gekregen.6.28. De conclusie uit het voorgaande is dus dat een redelijk bekwaam, redelijk handelend advocaat ervoor had gezorgd dat in de eerste weken na het toewijzend vonnis van 24 november 2021 met bekwame spoed een poging werd gedaan om executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s. Als dat was gelukt, moet er van uit gegaan worden dat – anders dan in de huidige situatie – de watervilla’s executoriaal verkocht hadden kunnen worden nog voor het faillissement van Youmanitas op 1 maart 2022. In zoverre slagen de grieven II t\u002Fm IV.6.29. Voor het oordeel dat [appellant] door het nalaten van [geïntimeerde] schade heeft geleden, moet wel vaststaan dat de watervilla’s in die eerste weken na het vonnis daadwerkelijk nog in Havelte lagen. De bewijslast rust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellant], die zich beroept op de rechtsgevolgen van deze stelling. Zoals gezegd zijn er geen sluitende aanwijzingen dat de watervilla’s op of rond 24 november 2021 niet meer in Havelte waren. Tussen partijen is niet in geschil dat de watervilla’s rond 16 februari 2022 zijn opgedoken bij een zekere [betrokkene 2]. Het staat echter ook nog niet vast dat de villa’s tot die tijd in Havelte zijn gebleven. [appellant] heeft een e-mail van [betrokkene 2] aan een kantoorgenoot van Oomen overgelegd, waarin [betrokkene 2] verklaart dat het transport van de watervilla’s plaatsvond op 17 en 18 december 2021. Uit dat mailbericht blijkt echter niet waar de watervilla’s toen vandaan kwamen. [appellant] heeft te bewijzen aangeboden dat de watervilla’s tot 17 of 18 december 2021 in Havelte waren, in of buiten de werkplaats aan de Oeveraseweg en zal worden toegelaten tot het leveren van dit bewijs.6.30. Als [appellant] slaagt in dit bewijs, zal nog moeten worden vastgesteld wat de omvang van de schade is die [appellant] heeft geleden doordat geen executoriaal beslag is gelegd. Dat bedrag moet in dat geval worden vastgesteld door een schatting van de opbrengst van de executieverkoop verminderd met de aan die verkoop verbonden deurwaarderskosten. Vooruitlopend op de beoordeling hiervan merkt het hof op dat als uitgangspunt bij de vaststelling daarvan kan dienen het bedrag waarvoor de curator de watervilla’s heeft verkocht, zijnde € 50.000,-. Bij de huidige stand van zaken heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat de watervilla’s bij een executoriale verkoop meer zouden hebben opgebracht. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat de waarde van de watervilla’s substantieel was, onder verwijzing naar een in opdracht van Youmanitas opgemaakt taxatierapport, maar dat verhoudt zich niet tot de beperkte opbrengst bij verkoop door de curator. Dat de waarde ten tijde van die verkoop door de curator aanzienlijk zou zijn teruggelopen door beschadigingen of juridische onduidelijkheid over het eigenaarschap van de watervilla’s, acht het hof onvoldoende toegelicht. Daarbij komt nog dat een executoriale verkoop door een deurwaarder een (aanzienlijk) drukkend effect heeft op de opbrengst. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt onvoldoende toegelicht dat de opbrengst, bij verkoop door een deurwaarder, lager zou zijn geweest dan de door de curator gerealiseerde opbrengst.6.31. In het geval [appellant] slaagt in het bewijs zal het hof, in het kader van het vaststellen van de schade, nog moeten ingaan op het beroep op eigen schuld dat [geïntimeerde] heeft gedaan. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] de schade aan zichzelf te wijten, doordat hij een zeer ondoordachte investeringsbeslissing heeft genomen. Die stelling slaagt niet. Dat sprake was van een ondoordachte investeringsbeslissing is juist, maar daar gaat deze zaak niet over. In deze zaak is die beslissing een gegeven en gaat het er om of [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt die ertoe heeft geleid dat [appellant] de schade die van die beslissing het gevolg is niet (gedeeltelijk) op de Houseboats groep heeft kunnen verhalen.6.32. \n\n [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat de schade het gevolg is van aan [appellant] toerekenbare omstandigheden, doordat [appellant] na het beëindigen van de relatie met [geïntimeerde] onvoldoende moeite heeft gedaan om het toewijzend vonnis van 24 november 2021 te verhalen op de andere veroordeelden, waaronder bestuurder [betrokkene 1]. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van dit verweer rusten op [geïntimeerde]. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat sprake was van reële verhaalsmogelijkheden bij de veroordeelden op andere vermogensbestanddelen dan de watervilla’s. Als [appellant] slaagt in het hem opgedragen bewijs zal bij het vaststellen van de schade dus geen rekening worden gehouden met deze door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden.\n\nDe declaraties van [geïntimeerde]6.33. Met grief V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de reconventionele vordering van [geïntimeerde] – na enkele correcties – kon worden toegewezen. Volgens [appellant] dient de rechter – desnoods ambtshalve – de (on)eerlijkheid van een prijsbeding te beoordelen (artikel 3 lid 1 van de richtlijn oneerlijke bedingen) en in dat kader (eerst) of het beding voldoende transparant is, omdat de prijs een kernbeding betreft (artikel 4 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen). [appellant] verwijst daarbij naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna HvJEU) (HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14). Volgens [appellant] is het tussen hem en [geïntimeerde] afgesproken prijsbeding (een uurtarief) onvoldoende transparant. Weliswaar heeft [appellant] afgesproken dat maandelijks werd gefactureerd, maar dat heeft [geïntimeerde] niet gedaan. [appellant] had geen zicht op de tijdsbesteding door [geïntimeerde] en deze heeft [appellant] ook nooit geïnformeerd dat de kosten van de zaak konden oplopen tot meer dan € 9.500,-, aldus [appellant]. Het beding is volgens [appellant] ook oneerlijk, zodat het prijsbeding vernietigd moet worden. Dit brengt mee dat alle bedragen die [appellant] aan [geïntimeerde] heeft voldaan moet terugbetalen, aldus nog steeds [appellant].6.34. \n [geïntimeerde] betwist dat sprake is van een oneerlijk beding. [appellant] wist voldoende van procedures en de daarbij horende kosten en werd daarover ook door derden geadviseerd. Het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde] hem tussentijds geen declaraties heeft gestuurd is volgens [geïntimeerde] ongepast, omdat dit de afspraak was. Tijdens de zitting heeft [geïntimeerde] hierover opgemerkt dat het er gewoon niet van gekomen was. [geïntimeerde] beroept zich verder op artikel 10 van de algemene voorwaarden, waarin staat dat klachten over facturen binnen 30 dagen na de dagtekening van de factuur schriftelijk moeten worden ingediend. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Artikel 11 bepaalt verder dat kosten van derden, zoals deurwaarders, voor rekening komen van de opdrachtgever, aldus [geïntimeerde].6.35. \n\nHet hof overweegt als volgt. In de opdrachtbevestiging van [geïntimeerde] staat over de financiële afspraken onder meer het volgende:\n\n2. Het standaard honorarium bedraagt € 150,— per uur, exclusief omzetbelasting en exclusief belaste en onbelaste verschotten. Verschotten zijn de voor u door mij gedane uitgaven, zoals griffierecht, deurwaarderskosten, reis- en verblijfkosten en bureaukosten (porti, telefoon, telefax, fotokopieën en dergelijke). De bureaukosten bedragen 3% van het geldende uurtarief.3. In dit geval komen wij overeen een vast tarief van €150,- exclusief omzetbelasting en exclusief belaste en onbelaste verschotten tot een maximum van 10 declarabele uren en exclusief4. griffierechten. Indien ik meer dan 10 uur aan uw zaak dien te besteden breng ik u mijn standaard uurtarief als hiervoor genoemd onder punt 2 in rekening.5. [geïntimeerde] is gerechtigd opdrachtgever een voorschot in rekening te brengen. Het betaalde voorschot zal worden verrekend met de eerste declaratie.6. U ontvangt van mij per maand een declaratie voor dc door mij verrichte werkzaamheden inclusief de door mij voor u gedane uitgaven.7. De declaraties dienen door u binnen 14 dagen te zijn voldaan, zonder aftrek, korting of verrekening.6.36. Tussen partijen staat verder vast dat [geïntimeerde] bij aanvang van de werkzaamheden een voorschot van € 1.500,- in rekening heeft gebracht. Tussentijds heeft hij verder geen declaraties verzonden. Op 9 oktober 2023 heeft hij een declaratie gezonden voor de werkzaamheden over de periode april 2021 tot en met april 2023.6.37. Artikel 10 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde], waarin staat dat klachten over facturen binnen 30 dagen na dagtekening daarvan kenbaar moeten worden gemaakt, staat er niet aan in de weg dat het hof (zo nodig ambtshalve) toetst of sprake is van oneerlijk beding. Een ander oordeel zou op onaanvaardbare wijze de werking van het Europese consumentenrecht doorkruisen. Het gaat hier ook niet om een klacht over de inhoud van de factuur als zodanig, maar om het toetsen van de bepalingen van de overeenkomst die ten grondslag liggen aan de factuur.6.38. Het afgesproken uurtarief is een kernbeding. Kernbedingen waarover niet is onderhandeld hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als deze niet transparant zijn (zie artikel 6:231 sub a BW en artikel 4 lid 2 van de richtlijn 93\u002F13\u002FEEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna: de Richtlijn). Er is niet gebleken dat over dit beding is onderhandeld; [geïntimeerde] heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij voor [appellant], omdat [appellant] weinig geld had, zijn vaste lage tarief heeft toegepast, waarover niet is onderhandeld.6.39. In zijn arrest van 12 januari 2023 oordeelde het HvJEU dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder heeft het HvJEU overwogen dat een dienstverlener als [geïntimeerde], voordat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die een consument zoals [appellant] in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.6.40. Het hof moet de transparantie van het tussen [appellant] en [geïntimeerde] overeengekomen beding beoordelen naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst (vlg. HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773). Het gaat bij die beoordeling niet om de vraag of het beding (dat al dan niet transparant is) ook daadwerkelijk is nagekomen. De overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] bevat een verbintenis om met redelijke tussenpozen, namelijk maandelijks, tussentijdse facturen te sturen. Naar het oordeel van het hof is een prijsbeding als het onderhavige, waarbij is overeengekomen dat maandelijks tussentijdse facturen zullen worden gestuurd, voldoende transparant. Daarbij betrekt het hof dat in een zaak als de onderhavige zeer lastig te voorspellen is hoeveel uren daaraan uiteindelijk in totaal besteed moeten worden. Hoeveel werk [geïntimeerde] aan de zaak zou moeten besteden, zou immers sterk afhangen van de houding van de wederpartij. Een voorspelling daarvan vooraf voegt daarom niet zoveel toe aan het maandelijks tussentijds declareren.6.41. Ten overvloede overweegt het hof dat als toch zou moeten worden geoordeeld dat het beding niet transparant is, dit niet automatisch betekent dat het ook oneerlijk is. Of het beding oneerlijk is, moet namelijk worden getoetst aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Een gebrek aan transparantie is één van die omstandigheden. In dit geval geldt dat [geïntimeerde] een zeer redelijk uurtarief heeft gehanteerd: € 150,- ligt ruim onder hetgeen gebruikelijk is in de commerciële advocatuur. Verder is niet aannemelijk dat [appellant] de overeenkomst niet had willen sluiten als [geïntimeerde] meer informatie had gegeven over de te verwachten totale kosten. Het was voor [appellant] immers zeer belangrijk om een poging te doen om het aan Houseboats uitgeleende geld via een procedure terug te krijgen. Hierbij komt, zoals hiervoor al overwogen, dat het ramen van de totale kosten in dit geval niet goed mogelijk was. Dit leidt het hof tot de conclusie dat (ook) geen sprake is van een oneerlijk beding.6.42. Daarmee is de (ambtshalve) toetsing nog niet voltooid: het hof moet ook beoordelen of bij het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen zoals neergelegd in artikel 6:230l onder c of 6:230m onder e BW. Omdat de hiervoor genoemde artikelen gelijkluidend zijn, hoeft het hof niet vast te stellen of het gaat om een overeenkomst gesloten op afstand of buiten de verkoopruimte, of een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte.6.43. De genoemde artikelen schrijven voor, dat de handelaar de consument vóór het aangaan van de overeenkomst informatie verstrekt over de totale prijs van de diensten of, als de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend. In dit geval geldt dat de prijs redelijkerwijs niet vooraf kon worden berekend omdat niet voorspelbaar was hoeveel uren aan de zaak zouden moeten worden besteed. Wel bevat de overeenkomst de manier waarop de prijs moet worden berekend, namelijk het uurtarief vermeerderd met BTW vermenigvuldigd met het aantal bestede uren (vgl. conclusie Wissink vóór HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:1856). De overeenkomst vermeldt ook dat de deurwaarderskosten zullen worden doorberekend. Het hof is van oordeel dat daarmee aan de informatieplicht is voldaan.6.44. De conclusie uit al het voorgaande is dat er geen aanleiding is om de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] te vernietigen en ook niet om een korting toe te passen op de door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen.6.45. Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Het feit dat [geïntimeerde], anders dan overeengekomen, niet maandelijks tussentijds heeft gedeclareerd, vormt een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Een dergelijke tekortkoming kan een grondslag vormen voor schadevergoeding. Dat schade is geleden zal het geval kunnen zijn als de wederpartij van de advocaat aannemelijk kan maken dat hij, als tussentijds was gedeclareerd, aanleiding had gezien om de opdracht aan de advocaat te beëindigen vanwege het oplopen van de kosten. In deze zaak is hierop geen beroep gedaan.6.46. \n [appellant] heeft ten aanzien van de facturen van [geïntimeerde] wel een beroep gedaan op een opschortingsrecht en aangevoerd dat de openstaande facturen verrekend moeten worden met de verschuldigde schadevergoeding. Het hof geeft een bewijsopdracht en zal alle verdere beslissingen aanhouden. Het beroep op het opschortingsrecht hoeft het hof daarom nu niet te behandelen. Op het beroep op verrekening zal zo nodig in het eindarrest worden ingegaan.7. Conclusie7.1. De conclusie uit het voorgaande is dat het hof [appellant] toelaat tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17\u002F18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres].7.2. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.8. Beslissing\n\nHet hof:\n\nlaat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17\u002F18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres];\n\nbepaalt dat, als [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. Schreuder, op 19 juni 2026 om 09:00 uur;\n\nbepaalt dat, als één der partijen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak, opgeeft verhinderd te zijn op de genoemde datum en daarbij de verhinderdata van beide partijen in de maanden juni tot en met oktober van 2026 opgeeft, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;\n\ndeelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat het niet nodig is deze voor het getuigenverhoor over te leggen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mr. D.A. Schreuder, mr. R.G.C. Veneman en mr. L.M. van Bochove en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:942","2026-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.557Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":109,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":111,"parsedAt":61,"updatedAt":112},"1897","ECLI:NL:GHDHA:2026:874","ecli-nl-ghdha-2026-874","2026-04-28T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.345.952\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F653229 \u002F HA ZA 23-175\n\nArrest van 28 april 2026\n\nin de zaak van de hierna bij naam genoemde 19 appellanten (na intrekking van het hoger beroep door vijf appellanten, genoemd in de appeldagvaarding onder nummers 1, 4, 5, 15 en 21):\n\n1. [appellant] , wonend in [woonplaats] ,\n\n2. [appellant 1] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n3. [appellant 2] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n4. [appellant 3] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n5. [appellant 4] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n6. [appellant 5] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n7. [appellant 6] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n8. [appellant 7] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n9. [appellant 8] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n10. [appellant 9 ] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n11. [appellant 10] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n12. [appellant 11] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n13. [appellant 12] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n14. [appellant 13] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n15. [appellant 15] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n16. [appellant 16] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n17. [appellant 17] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n18. [appellant 18] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n19. [appellant 19] ,wonend in [woonplaats] ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. R.J.C. Bindels, kantoorhoudend in Utrecht,\n\ntegen\n\nSTICHTING HOGESCHOOL ROTTERDAM,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. H.T. Verhaar, kantoorhoudend in Amsterdam.\n\nHet hof noemt voormelde 19 bij naam genoemde appellanten hierna: de Studenten, dan wel ieder afzonderlijk bij hun achternaam (en\u002Fof met het nummer uit de appeldagvaarding). Het hof noemt geïntimeerde hierna: Hogeschool Rotterdam.1. De zaak in het kort1.1. Deze zaak gaat over studievertraging die de Studenten hebben opgelopen bij hun studie ‘Bachelor Medische Hulpverlening’ (hierna: BMH) aan Hogeschool Rotterdam. Dit komt volgens de Studenten doordat Hogeschool Rotterdam niet heeft gezorgd voor voldoende stageplaatsen. Daarom vorderen ze schadevergoeding, waarvan de omvang bepaald moet worden in een andere procedure (de schadestaatprocedure). Hogeschool Rotterdam heeft de vordering betwist. Volgens Hogeschool Rotterdam hebben de Studenten om andere redenen studievertraging opgelopen. De rechtbank heeft dit verweer gevolgd en de vorderingen afgewezen.1.2. Het hof vernietigt het vonnis en wijst een gedeelte van de vorderingen toe. De schadevordering van elf studenten moet worden onderzocht in de schadestaatprocedure. De vorderingen van de overige acht studenten wijst het hof in dit arrest af.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 31 mei 2024, waarmee de Studenten (en de vijf appellanten in de appeldagvaarding genummerd 1, 4, 5, 15 en 21) in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2024;\n\nde memorie van grieven van de Studenten (en genoemde vijf appellanten), met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord van Hogeschool Rotterdam, met bijlagen;\n\nde akte van de oorspronkelijke appellanten 1, 4, 5, 15 en 21, waarbij deze hun hoger beroep hebben ingetrokken; en\n\nde antwoordakte, waarbij Hogeschool Rotterdam zich akkoord heeft verklaard met de intrekking.2.2. Het hof zal in dit hoger beroep volstaan met het bespreken van de zaak van de Studenten, aangezien de overige vijf appellanten inmiddels niet meer bij deze procedure zijn betrokken.3. Feitelijke achtergrond3.1. De opleiding BMH is een nieuwe opleiding in de zorg. Deze is bij Hogeschool Utrecht (HU) en Hogeschool Nijmegen Arnhem (HAN) van start gegaan in september 2010. Hogeschool Rotterdam biedt sinds september 2012 de opleiding BMH aan, dit met instemming van de betreffende staatssecretaris, en deze is van overheidswege gefinancierd. Het gaat om een hbo-opleiding met een tweejarige basisopleiding en daarna specialisatie in acute zorg (ambulancezorg\u002Fspoedeisende hulp), chirurgie\u002Foperatieve zorg of anesthesie (de laatste twee specialisaties zijn vanaf studiejaar 2021 uit het curriculum gehaald).3.2. De met de BMH-opleiding te verwerven functie (hierna: BMH-er) is nog niet (definitief) ingebed in de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (hierna: Wet BIG). Dit betekent dat nog niet is voorzien in een BIG-registratie van de BMH-er (ex artikel 3 Wet BIG) en dat een BMH-er niet zelfstandig de zogenaamde ‘voorbehouden handelingen’ (handelingen zonder toezicht en tussenkomst van een arts) mag verrichten. Een BMH-er mag onder de vlag van artikel 35 Wet BIG wel in opdracht van en onder toezicht van een zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar medische handelingen verrichten.3.3. De BMH-opleiding leidt op tot een breed basisberoep met een eigen deskundigheid in de specialisatie (veelal de spoedeisende zorg). Het gaat om een bachelors-opleiding van vier jaar, die 240 studiepunten omvat (dus 60 studiepunten per jaar). Sinds de start van de BMH-opleiding in 2012 is deze op onderdelen aangepast.3.4. In het eerste en tweede studiejaar lopen studenten communicatieve en oriënterende stages. In het derde en vierde jaar moeten de studenten praktijkstages lopen die een aanzienlijke hoeveelheid studiepunten omvatten. Om voor de derdejaars stages in aanmerking te komen moeten de studenten voldoende (theoretische) kennis en vaardigheden in huis hebben (hierna ook: de drempel).3.5. Feitelijk is (tijdige) invulling van de praktijkstages niet steeds voor alle ingeschreven studenten mogelijk gebleken wegens schaarste aan stageplekken.3.6. Voorafgaand aan de start van deze opleidingen (bij de HAN en de HU) en ook later nog zijn diverse onderzoeken gedaan, onder meer in 2007 ‘Arbeidsmarktonderzoek naar de behoefte aan een hbo-opleiding Medische Hulpverlening’ (productie 4 bij inleidende dagvaarding) en in 2009 naar de ‘Macrodoelmatigheid van de bacheloropleiding Medische Hulpverlening’ (productie 5 bij inleidende dagvaarding) om de wenselijkheid en de haalbaarheid ervan te onderzoeken. Hieruit kwam (kort samengevat) naar voren dat, mede in verband met de vergrijzing, grote tekorten in de gezondheidszorg dreigen, dat er in beginsel behoefte aan en ruimte is voor een dergelijke hbo-opleiding, maar dat harde cijfers ontbreken. Deze rapporten noemen ook mogelijke knelpunten, zoals: (i) de beperkt beschikbare opleidingsmogelijkheden binnen de ziekenhuizen voor de BMH-er, mede gelet op de ontoereikende financiering ervan, (ii) de ontbrekende inbedding in de Wet BIG, waardoor na afstuderen (nog) geen voorbehouden handelingen zelfstandig mogen worden verricht (anders dan bij verpleegkundigen), zodat de meerwaarde van de betreffende BMH-ers door het ‘werkveld’ minder groot zou kunnen worden ingeschat, (iii) de noodzaak van het creëren van voldoende draagvlak in het werkveld. De opleiding moet volgens de benaderde informanten veel investeren in afstemming met vertegenwoordigers van het werkveld om de opleiding qua opzet en inhoud te laten aansluiten bij de eisen die in de praktijk aan medische hulpverleners worden gesteld én om voldoende draagvlak voor de opleiding te verwerven.3.7. De Beroepsvereniging van zorgprofessionals is in haar brief van 25 maart 2010 sceptisch over de nieuwe BMH-opleiding (a) omdat de afgestudeerden niet BIG-geregistreerd zijn, (b) de studenten naar verwachting een aantal praktische vaardigheden en competenties onvoldoende zullen gaan beheersen, terwijl zij (c) meer verwacht van verdere ontwikkeling van een post-hbo-opleiding voor verpleegkundigen.3.8. Bij een evaluatie in 2012 (versie oktober 2012) in opdracht van de HU komen sterktes en zwaktes van de BMH-opleiding naar voren (‘Kritische Reflectie Bacheloropleiding Medische Hulpverlening t.b.v. interne audit 2012’, (productie 9 inleidende dagvaarding, bladzijde 8 e.v.). Zo worden als zwaktes genoemd (a) een dreigend tekort aan stageplaatsen, mede als gevolg van subsidie voor andere opleidingen vanuit het Fonds Ziekenhuisopleidingen en (b) onzekerheid over de juridische positionering van de BMH-er.3.9. De HU noemt dit laatste in haar brief van 26 februari 2014 aan de minister van VWS een voorname oorzaak van het gebrek aan stageplaatsen en dringt aan op urgente behandeling van de juridische inbedding van de BMH-opleiding in de Wet BIG. Het Landelijk Platform BMH, waartoe de HAN, de HU en Hogeschool Rotterdam behoren, doet in juni 2014 hetzelfde.3.10. Inmiddels is aanpassing van de Wet BIG en de daarbij behorende regelgeving in gang gezet. Totdat dit geregeld is, kunnen afgestudeerde BMH-ers slechts werken onder verantwoordelijkheid van een zelfstandig bevoegde BIG-geregistreerde. Het kabinet heeft in 2022 besloten dat, wanneer bepaalde voorwaarden voor de BIG-registratie zijn vervuld, drie differentiaties van BMH zullen worden opgenomen in de Wet BIG (namelijk ambulancezorg, spoedeisende hulp en cardiodiagnostiek\u002F interventiecardiologie).3.11. De Studenten hebben de BMH-opleiding gevolgd (of zijn daar nog mee bezig) aan Hogeschool Rotterdam en zijn niet binnen de nominale tijd van vier jaar afgestudeerd.4. Procedure bij de rechtbank4.1. De Studenten (tezamen met anderen die niet (meer) in hoger beroep procederen) hebben Hogeschool Rotterdam gedagvaard en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd: I. een verklaring voor recht dat Hogeschool Rotterdam onzorgvuldig jegens hen heeft gehandeld; II. Hogeschool Rotterdam te veroordelen tot schadevergoeding wegens dit onzorgvuldig handelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; III. Hogeschool Rotterdam te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten, eveneens nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; met veroordeling van Hogeschool Rotterdam in de proceskosten.4.2. \n\nVolgens de Studenten hebben zij studievertraging opgelopen door een schaarste aan stageplekken. Dit stage-tekort komt met name doordat de opleiding niet is ingebed in de Wet BIG, waardoor BMH-ers niet zelfstandig (voorbehouden) handelingen mogen verrichten en feitelijk niet nuttig kunnen worden ingezet binnen de medische wereld. Daardoor staat het werkveld terughoudend tegenover de BMH-opleiding en worden stages vrijwel niet aangeboden. Hier komt bij dat het gebrek aan stageplaatsen het gevolg is van bestaande ‘in-service’-opleidingen (binnen de ziekenhuizen). Voorts is onzorgvuldig gehandeld omdat de Studenten, na het afronden van de BMH-opleiding, een maatschappelijk waardeloos diploma hebben omdat zij geen BIG-registratie voor deze opleiding krijgen en er daarom voor hen geen passende plek op de arbeidsmarkt beschikbaar is.\n\nHogeschool Rotterdam had de Studenten van begin af aan hierover moeten informeren en hiervoor moeten waarschuwen. Hogeschool Rotterdam is, aldus nog steeds de Studenten, de onderwijsovereenkomsten niet deugdelijk nagekomen en\u002Fof heeft onrechtmatig jegens hen gehandeld. De Studenten houden Hogeschool Rotterdam aansprakelijk voor de schade die zij hierdoor lijden.4.3. Hogeschool Rotterdam heeft betwist dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van de onderwijsovereenkomsten of onzorgvuldig en\u002Fof onrechtmatig jegens de Studenten heeft gehandeld. Verder heeft zij betwist dat, voor zover bij de Studenten daadwerkelijk sprake is van ongebruikelijke studievertragingen, deze vertragingen het gevolg zijn van stage-tekorten, zodat er (telkens) geen schade is geleden die in causaal verband staat met de door de Studenten gestelde tekortkomingen van Hogeschool Rotterdam.4.4. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en onder meer de Studenten veroordeeld in de proceskosten. Kort samengevat is de rechtbank tot dit oordeel gekomen omdat de Studenten tegenover het uitvoerige (causaliteits)verweer van Hogeschool Rotterdam hun stelling dat de studievertraging is veroorzaakt door schaarste aan stageplekken (veronderstellenderwijs daarvan uitgaande) onvoldoende gemotiveerd hebben gehandhaafd.4.5. Daarnaast hebben de Studenten hun stelling dat zij geen passend werk hebben kunnen vinden vanwege het ontbreken van de mogelijkheid van BIG-registratie, onvoldoende onderbouwd, zodat zij niet hebben voldaan aan hun stelplicht, en hebben zij in strijd met art. 21 Rv gezwegen over alle vertraging veroorzakende feiten en omstandigheden, aldus nog steeds de rechtbank.5. Procedure bij het hof5.1. De Studenten zijn in hoger beroep gekomen van het vonnis. Zij vorderen bij het hof hetzelfde als bij de rechtbank. Zij hebben meerdere grieven tegen het vonnis gericht. Hogeschool Rotterdam heeft de grieven gemotiveerd bestreden.5.2. Hun grieven 1 en 2 bevatten klachten over de afwijzing van hun vorderingen op de grondslag stage-schaarste, zoals weergegeven in overwegingen 3.1 t\u002Fm 3.10 van het vonnis. Het hof zal deze twee grieven hierna samen bespreken.5.3. Grief 3 gaat over het gebrek aan mogelijkheden tot het vinden van passend werk voor [naam 1] (oorspronkelijk appellante nummer 4) wegens het ontbreken van de mogelijkheid tot BIG-registratie.5.4. Grief 4 gaat over de proceskostenveroordeling en heeft geen zelfstandige betekenis.6. Beoordeling in hoger beroepGrief 3 (BIG-registratie)6.1. \n\nDeze grief 3 betrof moeilijkheden bij het vinden van passend werk voor [naam 1] wegens het ontbreken van de mogelijkheid tot BIG-registratie. Aangezien [naam 1] haar hoger beroep heeft ingetrokken, is het belang aan deze grief komen te ontvallen. Het verwijt aan Hogeschool Rotterdam dat de Studenten door het gebrek aan inbedding in de Wet BIG geen passend werk hebben kunnen vinden, is dus in hoger beroep niet meer aan de orde, althans is behalve voor [naam 1] niet toegelicht. De grief treft daarom geen doel.\n\nDe grieven 1 en 2 (stage-schaarste)Stage-schaarste en toerekenbare tekortkoming (algemeen)6.2. \n\nHet hof stelt het volgende voorop. De Studenten hebben allen een vierjarige onderwijsovereenkomst gesloten met Hogeschool Rotterdam. Onderdeel daarvan is onder meer het volgen van verplichte stages in het derde en vierde studiejaar, waarvoor studiepunten worden toegekend. Op grond van artikel 7.4 lid 2 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) wordt een opleiding zodanig ingericht dat een student in staat is het aantal studiepunten te behalen waarop de studielast voor een studiejaar is gebaseerd (in dit geval 60 studiepunten).\n\nAls enerzijds gesteld en niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken staat vast dat de BMH-opleiding door diverse oorzaken te kampen heeft (gehad) met een tekort aan geschikte, tijdige, stageplaatsen voor BMH-studenten; er was schaarste aan stageplekken. In zoverre heeft Hogeschool Rotterdam niet steeds kunnen voldoen aan haar hoofdverplichting om haar studenten in staat te stellen telkens hun jaarlijkse studiepunten te behalen; dus om de studenten in staat te stellen om zonder noemenswaardige studievertraging de studie binnen vier jaren af te ronden.6.3. Het komt voor risico van Hogeschool Rotterdam wanneer zij haar verplichtingen uit haar onderwijsovereenkomst wegens schaarste aan stageplekken niet kan waarmaken. Dit geldt temeer, nu Hogeschool Rotterdam voorafgaande aan de start van de opleiding signalen heeft gekregen (zie onder meer de weergave bij de feiten) dat het vinden van voldoende stageplaatsen om diverse redenen op problemen zou kunnen stuiten. In dit verband noemt het hof het gegeven dat Hogeschool Rotterdam voorafgaande aan de start van de opleiding wist dat de BIG-registratie nog niet mogelijk was (en dat zij op wijziging hiervan slechts indirect invloed zou kunnen uitoefenen, aangezien aanpassing van de wet tot de verantwoordelijkheid van de overheid behoort) en wist dat dit belemmerend zou kunnen werken op het beschikbaar stellen van stageplaatsen. Er is geen aanwijzing dat zij alle Studenten hiervoor voldoende duidelijk en tijdig heeft gewaarschuwd.6.4. De omstandigheid dat Hogeschool Rotterdam zich naar haar zeggen meer dan voldoende heeft ingespannen om uiteindelijk stageplaatsen te regelen ontslaat haar niet van haar verantwoordelijkheid voor de overeengekomen studieduur, ook niet nu zij naar haar zeggen met deze opleiding tegemoetkwam aan een maatschappelijk probleem.6.5. Voor zover Hogeschool Rotterdam niet heeft voldaan aan de verplichting de opleiding zodanig in te richten dat de student de mogelijkheid heeft om zijn studie in vier jaar af te ronden, is zij tegenover de betrokken student tekortgeschoten in haar verplichting uit de onderwijsovereenkomst en haar verplichting op grond van art. 7.4 lid 2 WHW. Deze tekortkoming is ook toerekenbaar aan Hogeschool Rotterdam (behoudens bij bijzondere omstandigheden, die in deze procedure niet zijn gesteld of gebleken). De Studenten hebben naast wanprestatie ook een beroep gedaan op onrechtmatige daad. Uitgangspunt is dat een enkele tekortkoming in de nakoming van een verbintenis niet als zodanig grond oplevert voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt een handeling die wanprestatie oplevert, tevens als een onrechtmatige daad beschouwd waarop artikel 6:162 BW van toepassing is. Deze samenloop doet zich voor wanneer onafhankelijk van een toerekenbare tekortkoming sprake is van een onrechtmatige daad, terwijl die onrechtmatige daad wel verband houdt met de contractuele verhouding. Daarvan is hier geen sprake. Causaal verband met de schade6.6. Zoals Hogeschool Rotterdam terecht aanvoert (en de Studenten erkennen) kan schade die is veroorzaakt door het gebrek aan studievoortgang (mede) veroorzaakt zijn door omstandigheden die niet voor rekening komen van Hogeschool Rotterdam. De gestelde tekortkoming van Hogeschool Rotterdam betreft immers de stage-schaarste tijdens de studie. Vertragingen die Studenten tijdens hun studie hebben opgelopen door andere oorzaken dan gebrek aan stageplaatsen (bijvoorbeeld vertraging door het niet direct halen van tentamens of door te kiezen voor een studieonderbreking) komen niet voor vergoeding door Hogeschool Rotterdam in aanmerking. Op de Studenten rust de stelplicht (en bij betwisting de bewijslast) dat de studievertraging in hun geval is veroorzaakt door schaarste aan stageplaatsen.6.7. \n\nHogeschool Rotterdam heeft in eerste aanleg en hoger beroep de schadevordering gemotiveerd betwist. Zij heeft (per Student) gedetailleerd en onderbouwd betoogd dat de studievertraging van de betrokken Studenten niet was gelegen in schaarste aan stageplekken, maar in tal van andere, niet voor haar rekening komende, omstandigheden, zoals onvoldoende studieresultaten, niet reageren op sollicitatieoproepen, uitschrijven bij de BMH-opleiding, overstappen naar een andere opleiding, mentale klachten, ziekte, ontoereikende interesse en de Covid-19 pandemie. De Studenten hebben in eerste aanleg op dit uitvoerige verweer van Hogeschool Rotterdam slechts (te) beperkt gereageerd. De Studenten hebben in hoger beroep (ter herstel van verzuim) deels wél inhoudelijk gereageerd en (deels) nader gesteld waarom zij studievertraging (mede) door stage-schaarste opliepen. Gelet op het partijdebat, te weten wat partijen enerzijds hebben aangevoerd en anderzijds wel of juist niet (voldoende onderbouwd) hebben betwist, komt het hof tot het oordeel dat bij na te noemen Studenten de gestelde studievertraging nietis veroorzaakt doordat de Hogeschool Rotterdam geen (tijdige) stageplaats voor hen beschikbaar had (stage-schaarste), maar door andere omstandigheden. Dat betekent dat zij de schade door hun studievertraging niet op Hogeschool Rotterdam kunnen verhalen. Hun schadevergoedingsvordering zal het hof dus afwijzen.\n\nAfwijzing schadevergoeding gevorderd door Studenten (4) [appellant 3] , (6) [appellant 5] , (7) [appellant 6] , (10) [appellant 9 ] , (11) [appellant 10] , (13) [appellant 12] , (15) [appellant 15] en (19) [appellant 19] .6.8. Het hof zal hierna toelichten waarom na te noemen Studenten geen aanspraak hebben op schadevergoeding door Hogeschool Rotterdam. Hierbij noemt het hof de Student bij achternaam, terwijl, zoals eerder aangegeven, het nummer verwijst naar het appellantnummer op de appeldagvaarding. [appellant 3] (4).6.9. In eerst aanleg heeft [appellant 3] over haar vertraging alleen aangevoerd dat zij in 2015 met de BMH-opleiding is begonnen en deze naar verwachting in 2024 zal afronden.6.10. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord, voor zover van belang, gemotiveerd en gedocumenteerd betwist dat de studievertraging van [appellant 3] te maken heeft gehad met een tekort aan stageplaatsen. Hogeschool Rotterdam heeft in dit verband onder meer het volgende naar voren gebracht: • [appellant 3] is in studiejaar 2015-2016 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2019 zijn afgestudeerd. • [appellant 3] heeft in haar tweede studiejaar (2016-2017) studievertraging opgelopen als gevolg van persoonlijke omstandigheden [hof: blijkens de memorie van grieven wegens zwangerschap van [appellant 3] ]. • [appellant 3] heeft in haar derde studiejaar (2017-2018) studievertraging opgelopen als gevolg van ernstige mentale klachten en heeft in dat jaar niet voldaan aan de stagedrempel. • [appellant 3] had aan het einde van haar derde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 45 studiepunten (wat overeenkomt met een studiebelasting van negen maanden). • [appellant 3] kampte aan het einde van studiejaar 2018-2019, waarin zij bij een nominaal studieverloop zou zijn afgestudeerd, met een Theoretische Achterstand van 89 studiepunten (wat overeenkomt met een studiebelasting van ruim een jaar en vijf maanden). • [appellant 3] heeft zich in september 2019 uitgeschreven bij de BMH-opleiding en is toen overgestapt naar de Verpleegkundeopleiding.6.11. \n [appellant 3] heeft hier in hoger beroep (in bijlage 41), samengevat, als volgt op gereageerd: Zij is in september 2015 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Chirurgie\". Zij had in de zomer van 2019 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd stil komen te liggen. In haar derde jaar was voor [appellant 3] geen stage beschikbaar in verband met het stagetekort. Op aandringen van Hogeschool Rotterdam is zij in juli 2019 overgestapt naar de verkorte variant hbo-Verpleegkunde van drie jaar, waardoor zij op zijn vroegst in de zomer van 2022 haar hbo-diploma kan behalen en dus drie jaar studievertraging heeft. Hiervan komt één jaar voor eigen rekening en risico van [appellant 3] ; zij is in haar tweede jaar zwanger geraakt en moest hierdoor haar tweede jaar opnieuw doorlopen. De studievertraging - welke zuiver samenhangt met het stagetekort en de problematiek rondom de BMH-opleiding - komt dus neer op twee jaar.6.12. \n [appellant 3] heeft aldus het door Hogeschool Rotterdam geschetste studieverloop en de oorzaken daarvan in hoger beroep niet betwist. Zij heeft slechts gesteld dat in haar derde jaar geen stageplaats beschikbaar was wegens een tekort aan stageplaatsen. Zij heeft niet toegelicht waarom zij, ondanks haar ondermaatse studieresultaten en het niet behalen van de stagedrempel, wel in aanmerking zou zijn gekomen voor een stageplaats in haar derde en vierde jaar. Het hof gaat er daarom als niet, dan wel onvoldoende, weersproken van uit dat [appellant 3] niet in aanmerking kwam voor stages wegens onvoldoende studieresultaten. Onder deze omstandigheden valt Hogeschool Rotterdam hiervan geen verwijt te maken.6.13. \n [appellant 3] is vervolgens in 2019 overgestapt naar de opleiding Verpleegkunde. Vanaf dat moment viel zij niet meer onder de verantwoordelijkheid van Hogeschool Rotterdam. Los van de op het eerste gezicht logische overstap, is niet relevant dat de overstap op aandringen van Hogeschool Rotterdam is gedaan, omdat [appellant 3] daarvoor uiteindelijk kennelijk zelf heeft gekozen.6.14. \n\nHet voorgaande betekent dat [appellant 3] niet in aanmerking komt voor schadevergoeding wegens tekortkomingen van Hogeschool Rotterdam. Het hof zal deze vordering daarom aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 5] (6)6.15. In eerst aanleg heeft [appellant 5] in dit verband alleen aangevoerd dat zij in 2013 met de BMH-opleiding is begonnen en dat nog niet bekend is wanneer zij deze zal afronden.6.16. \n\nHogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord, samengevat, gemotiveerd en gedocumenteerd betwist dat de studievertraging van [appellant 5] te maken heeft gehad met een tekort aan stageplaatsen. Hogeschool Rotterdam heeft in dit verband het volgende naar voren gebracht: • [appellant 5] is in studiejaar 2013-2014 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2017 zijn afgestudeerd. [appellant 5] heeft zich per 31 augustus 2017 uitgeschreven bij de BMH-opleiding. • Voor [appellant 5] was tijdig een derdejaarsstage beschikbaar. • [appellant 5] voldeed in april 2017 aan de stagedrempel voor haar vierdejaarsstage. Op dat moment waren er ook daadwerkelijk vierdejaarsstages beschikbaar. • [appellant 5] heeft verschillende keren gesolliciteerd voor een vierdejaarsstage, maar naar aanleiding van deze sollicitaties geen stageplek bemachtigd. • [appellant 5] heeft zich in augustus 2017 uitgeschreven. Zij had op het moment van uitschrijven nog een Theoretische Achterstand van 23 studiepunten (hetgeen overeenkomt met een studiebelasting van ruim vier maanden).\n\nUit het hiervoor geschetste studieverloop volgt volgens Hogeschool Rotterdam dat [appellant 5] op het moment van uitschrijven al studievertraging had opgelopen die samenhangt met Theoretische Achterstanden. Zij voldeed in april 2017 aan de stagedrempel voor de vierdejaarsstage. Zij is bij sollicitaties verschillende keren afgewezen, hetgeen aan [appellant 5] zelf valt toe te rekenen. Bovendien is [appellant 5] al in augustus 2017 (en dus drie maanden na het voldoen aan de stagedrempel) gestopt met de BMH-opleiding. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat enig causaal verband bestaat tussen enige door [appellant 5] opgelopen studievertraging en de stageschaarste.6.17. \n [appellant 5] heeft bij memorie van grieven (ter herstel van verzuimen) (met name in bijlage 41) als volgt op dit verweer van Hogeschool Rotterdam gereageerd. Zij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Operatie assistent\". [appellant 5] had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie komen stil te liggen. In haar vierde jaar heeft [appellant 5] ruim zeven maanden gewacht op een stageplek. Doordat er geen (concreet) uitzicht was op een stageplek heeft [appellant 5] noodgedwongen haar studie in de zomer van 2017 moeten stopzetten.6.18. \n\nHet hof oordeelt als volgt. [appellant 5] is, hoewel zij daartoe zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad, niet ingegaan op het verweer van Hogeschool Rotterdam (i) dat tijdig een derdejaarsstage beschikbaar was en (ii) dat zij in april 2017 voldeed aan de stagedrempel voor haar vierdejaarsstage en er toen ook daadwerkelijk vierdejaarsstages beschikbaar waren. Evenmin heeft [appellant 5] gereageerd op het verweer van Hogeschool Rotterdam (iii) dat zij verschillende keren heeft gesolliciteerd voor een vierdejaarsstage, maar naar aanleiding van deze sollicitaties geen stageplek heeft bemachtigd. [appellant 5] heeft volstaan met de stelling dat de studie door gebrek aan stageplaatsen is komen stil te liggen. Dit is, gelet op het uitvoerige verweer van Hogeschool Rotterdam, onvoldoende. [appellant 5] heeft aldus haar stelling dat zij niet tijdig heeft kunnen afstuderen door gebrek aan stageplaatsen niet deugdelijk onderbouwd. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 5] reeds nu afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 6] (7)6.19. In eerste aanleg heeft [appellant 6] in verband met studievertraging alleen de startdatum genoemd, namelijk september 2013, en de (verwachte) einddatum 10 oktober 2022.6.20. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende aangevoerd als verweer tegen de stelling van [appellant 6] dat haar studievertraging aan Hogeschool Rotterdam te wijten is: • Voor [appellant 6] was in haar derde studiejaar (2015-2016) tijdig een derdejaarsstage (32 studiepunten) beschikbaar, waarvoor zij een onvoldoende heeft behaald. • [appellant 6] had aan het einde van haar vierde studiejaar (2016-2017) een Theoretische Achterstand van 43 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 8,6 maanden). • [appellant 6] heeft in haar vijfde studiejaar (2017-2018) zelf besloten om niet te solliciteren op beschikbare stages. • [appellant 6] had aan het einde van haar vijfde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 33 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 6,6 maanden). • [appellant 6] had aan het einde van haar zesde studiejaar (2018-2019) een Theoretische Achterstand van 11 studiepunten en aan het eind van haar zevende studiejaar een Theoretische Achterstand van 6 studiepunten. • [appellant 6] is in studiejaar 2020-2021 niet op gesprekken komen opdagen en heeft niet gereageerd op beschikbare stages. Zij is in dat jaar een andere opleiding gestart, die zij weer heeft gestaakt. • [appellant 6] is in studiejaar 2021-2022 afgewezen voor mogelijke stages op basis van haar curriculum vitae. Zij is vanwege persoonlijke omstandigheden niet naar een sollicitatiegesprek gegaan. • [appellant 6] heeft haar vierdejaarsstage in haar tiende studiejaar (2021-2022) op 15 juni 2022 gedaan, maar heeft daarna een onvoldoende gehaald voor haar eindassessment.6.21. \n [appellant 6] heeft dit verweer niet weersproken, hoewel ze daartoe zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad. Zij heeft in geen enkel opzicht gereageerd. Dit betekent dat vaststaat (i) dat er voor haar in haar derde studiejaar een stageplaats beschikbaar was, waarvoor ze een onvoldoende heeft gehaald, (ii) dat ze in de jaren daarna (forse) studieachterstanden heeft behouden, (iii) dat ze in haar vijfde studiejaar niet heeft gesolliciteerd op (kennelijk wel) beschikbare stages, (iv) dat ze in haar achtste studiejaar niet is komen opdagen op gesprekken en niet heeft gereageerd op beschikbare stages, (v) dat ze in haar negende studiejaar is afgewezen voor mogelijke stages wegens haar (ontoereikende) curriculum vitae, terwijl (vi) zij in haar tiende studiejaar haar vierdejaarsstage – die kennelijk wel beschikbaar was – heeft behaald.6.22. \n\nAl met al gaat het hof ervan uit dat aan [appellant 6] in haar derde studiejaar wel degelijk een stageplaats beschikbaar is gesteld, terwijl daarna slechte studieresultaten en andere (persoonlijke) omstandigheden tot de studievertraging hebben geleid en niet het gebrek aan stageplaatsen. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 6] aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 9 ] (10)6.23. In eerste aanleg heeft [appellant 9 ] in het kader van studievertraging slechts zijn studiestartdatum genoemd, namelijk september 2013, en dat de einddatum (nog) niet bekend is.6.24. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd als verweer tegen de stelling van [appellant 9 ] dat zijn studievertraging aan Hogeschool Rotterdam te wijten is: • [appellant 9 ] is, anders dan gesteld, in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. [appellant 9 ] heeft gedurende zijn studie 2,5 jaar (namelijk tussen 10 juli 2017 en oktober 2019) geen onderwijs gevolgd en niets van zich laten horen, en zich op 31 augustus 2020 uitgeschreven bij de BMH-opleiding. • Voor [appellant 9 ] was tijdig een derdejaarsstage beschikbaar, die niet is doorgegaan vanwege privéomstandigheden als gevolg waarvan [appellant 9 ] een lange periode in het buitenland heeft doorgebracht. • [appellant 9 ] heeft naast zijn BMH-opleiding een opleiding tot wijkverpleegkundige gevolgd, wat heeft geleid tot studievertraging die aan [appellant 9 ] zelf is toe te rekenen. • [appellant 9 ] had in studiejaar 2015-2016 (het jaar waarin hij zou zijn afgestudeerd bij een nominaal studieverloop) een Theoretische Achterstand van 81 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en vier maanden). • [appellant 9 ] had aan het eind van studiejaar 2016-2017 een Theoretische Achterstand van 74 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en bijna drie maanden). • [appellant 9 ] heeft in de studiejaren 2017-2018, 2018-2019 én 2019-2020 geen enkel studiepunt gehaald en had op het moment dat hij zich uitschreef bij de BMH-opleiding een Theoretische Achterstand van 74 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en bijna drie maanden). • Voor [appellant 9 ] heeft altijd een volledig studiejaar van 60 studiepunten aan onderwijs ter beschikking gestaan. Uit het hiervoor geschetste studieverloop volgt dat de door [appellant 9 ] opgelopen studievertraging samenhangt met persoonlijke omstandigheden. Voor [appellant 9 ] heeft bovendien altijd een volledig studiejaar aan onderwijs ter beschikking gestaan. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 9 ] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste.6.25. \n [appellant 9 ] heeft bij memorie van grieven (ter herstel van verzuimen) (in bijlage 41) als volgt op dit verweer van Hogeschool Rotterdam gereageerd. Hij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Anesthesie\". [appellant 9 ] had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van zijn studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 9 ] heeft tijdens zijn studie slechts 9 weken stage kunnen lopen (te weten de snuffelstages in jaar 1 en 2). Voor [appellant 9 ] was nimmer een derde- of vierdejaarsstage beschikbaar. Uit wanhoop (en op advies van Hogeschool Rotterdam) is [appellant 9 ] in het studiejaar 2020-2021 overgestapt naar de in-service opleiding tot anesthesiemedewerker. Op het moment van overstap moest [appellant 9 ] nog anderhalf jaar stage lopen om zijn BMH-diploma te kunnen behalen. [appellant 9 ] zou dan ook (in de meest rooskleurige hypothetische situatie) eerst in februari 2022 zijn diploma hebben kunnen behalen. [appellant 9 ] ziet zich dan ook geconfronteerd met een (minimale) afstudeervertraging van 54 maanden die zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen.6.26. \n\nTegenover de stelling van Hogeschool Rotterdam dat de derdejaarsstage wél beschikbaar was, maar niet is doorgegaan vanwege privé-omstandigheden, als gevolg waarvan [appellant 9 ] lange tijd in het buitenland verbleef, heeft hij slechts (ongemotiveerd) gesteld dat de stage niet beschikbaar was. Hij heeft niet bestreden dat hij langere tijd naar het buitenland is gegaan en drie studiejaren lang geen studiepunten haalde. Ook heeft hij niet bestreden dat hij naast zijn BMH-opleiding de opleiding wijkverpleegkundige heeft gevolgd en dat dat mede de studievertraging in de BMH-opleiding verklaart. Aldus heeft hij niet deugdelijk onderbouwd dat de studievertraging is veroorzaakt doordat er geen stageplek voor hem was. Dit betekent dat het hof zijn schadevordering zal afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 10] (11)6.27. In eerste aanleg heeft [appellant 10] over haar studievertraging alleen haar startdatum, september 2013, genoemd en aangegeven dat de einddatum (nog) niet bekend is.6.28. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd tegen de stelling van [appellant 10] dat haar studievertraging aan Hogeschool Rotterdam te verwijten is: * [appellant 10] is in studiejaar 2013-2014 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2017 zijn afgestudeerd. [appellant 10] heeft zich op 31 oktober 2016 uitgeschreven bij de BMH-opleiding. • [appellant 10] heeft zélf besloten haar derdejaarsstage pas in februari 2017 te lopen en heeft specifiek voor die periode gesolliciteerd. • [appellant 10] heeft een stageplaats geweigerd vanwege de reisafstand en is afgewezen na een andere sollicitatie. Daarnaast heeft [appellant 10] ervoor gekozen om niet te solliciteren naar beschikbare stages. • [appellant 10] is halverwege studiejaar 2016-2017, haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, gestopt met de BMH-opleiding. • [appellant 10] had op het moment van stoppen een Theoretische Achterstand van 64 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim een jaar), en er stond voor [appellant 10] op dat moment dus een volledig studiejaar aan onderwijs ter beschikking. Uit het hiervoor geschetste studieverloop volgt, aldus nog steeds Hogeschool Rotterdam, dat de door [appellant 10] opgelopen studievertraging samenhangt met persoonlijke keuzes en Theoretische Achterstanden die aan Karteler zelf zijn toe te rekenen. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat er enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 10] opgelopen studievertraging en de stageschaarste.6.29. \n [appellant 10] heeft bij memorie van grieven (ter herstel van verzuimen) (in bijlage 41) als volgt op dit verweer van Hogeschool Rotterdam gereageerd. Zij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Chirurgie\". Zij had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 10] kon in haar derde studiejaar geen stage lopen in verband met het stagetekort. [appellant 10] heeft haar volledige derde en vierde studiejaar tevergeefs gewacht op een derdejaarsstage. [appellant 10] is in haar vierde studiejaar gestopt met de BMH-opleiding omdat zij verdere vertraging en schade wilde voorkomen.6.30. \n\nHet hof overweegt dat [appellant 10] slechts met ‘blote stellingen’ (algemeenheden) heeft gereageerd op het verweer van Hogeschool Rotterdam. Zij is niet ingegaan op de stellingen van Hogeschool Rotterdam dat zij zélf heeft besloten haar derdejaarsstage pas in februari 2017 te lopen en ook specifiek voor die periode heeft gesolliciteerd, dat zij een stageplaats, die dus kennelijk wèl beschikbaar was, heeft geweigerd vanwege de reisafstand, dat zij is afgewezen na een andere sollicitatie en dat zij ervoor heeft gekozen om niet te solliciteren voor (wèl) beschikbare stages. Ten minste had van [appellant 10] gevergd mogen worden gemotiveerd toe te lichten dat en waarom het verweer van Hogeschool Rotterdam (kort samengevat dat zij door eigen keuzes geen stage liep) niet klopte. Aldus heeft [appellant 10] niet voldoende onderbouwd dat zij schade heeft gelede die werd veroorzaakt door een tekort aan stageplaatsen. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 10] terstond afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 12] (13)6.31. In eerste aanleg heeft [appellant 12] slechts haar studiestartdatum genoemd, namelijk september 2016, en de einddatum 28 september 2021.6.32. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd tegen de stelling van [appellant 12] dat zij door stage-schaarste vertraging heeft opgelopen: * [appellant 12] is in studiejaar 2016-2017 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2020 zijn afgestudeerd. [appellant 12] heeft haar vierdejaarsstage behaald op 25 augustus 2021 en is afgestudeerd in september 2021. [appellant 12] is dus afgestudeerd met een vertraging van 13 maanden. • [appellant 12] had aan het eind van studiejaar 2019-2020, haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 42 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 8,4 maanden). • [appellant 12] is verschillende keren afgewezen voor haar derdejaarsstage na door haar gevoerde sollicitatiegesprekken. • [appellant 12] heeft in de studiejaren 2019-2020 en 2020-2021 vertraging in haar stages opgelopen vanwege de Covid-19 pandemie, die niet aan Hogeschool Rotterdam kan worden toegerekend en waarvoor [appellant 12] reeds een vergoeding van het profileringsfonds heeft ontvangen. * [appellant 12] heeft het causaal verband tussen stage-schaarste en haar studievertragingen dan ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.6.33. \n [appellant 12] heeft hier in hoger beroep (in bijlage 41), samengevat, het volgende tegenovergesteld. Zij is in september 2016 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Chirurgie\". Zij zou in de zomer van 2020 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. Zij heeft haar gehele derde studiejaar moeten wachten op een stage. Aan haar is geen stagevervangend traject c.q. simulatieregeling aangeboden teneinde haar afstudeervertraging te kunnen beperken. Eerst in haar vierde studiejaar heeft zij een derdejaarsstage weten te bemachtigen. In februari 2021 heeft zij eindelijk kunnen starten met haar afstudeerstage. De afstudeerstage duurt zes maanden. Zij heeft voor het overige nominaal gestudeerd en ziet zich (bij afstuderen per 30 september 2021) geconfronteerd met een afstudeervertraging die zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen van dertien maanden.6.34. \n [appellant 12] heeft aldus niet bestreden dat zij (i) in haar vierde studiejaar een achterstand had van 42 studiepunten, dat zij (ii) verschillende keren is afgewezen voor stageplekken voor haar derdejaarsstage en dat zij (iii) in de studiejaren 2019-2021 vertraging in haar stages heeft opgelopen vanwege de Covid-situatie.6.35. \n\nAldus staat vast (a) dat [appellant 12] studievertraging heeft opgelopen tijdens de Covid-periode (deze liep van maart 2020 tot begin 2021 zoals van algemene bekendheid is) en dus niet vanwege een verwijtbare stage-schaarste. Daarnaast staat als niet weersproken vast (b) dat [appellant 12] verschillende keren is afgewezen voor derdejaars stageplekken, terwijl (c) [appellant 12] in haar (nominale) vierde studiejaar een Theoretische Achterstand had van 42 studiepunten. Dit zijn, bij gebreke van door [appellant 12] aan te voeren andersluidende concrete gegevens, allemaal omstandigheden die niet voor rekening van Hogeschool Rotterdam komen. De stelling van [appellant 12] dat zij haar hele derde studiejaar tevergeefs heeft gewacht op een stageplaats, is in het licht van het verweer van Hogeschool Rotterdam ontoereikend. Aldus heeft [appellant 12] , op wie de stelplicht rust, niet deugdelijk onderbouwd dat de gestelde schaarste aan stageplaatsen de oorzaak is geweest van haar studievertraging. Dit betekent dat het hof de schadevordering van [appellant 12] aanstonds zal afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 15] (15)6.36. In eerste aanleg heeft [appellant 15] slechts haar studiestartdatum, september 2012, genoemd en de (verwachte) einddatum juli 2024.6.37. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd als verweer tegen de stelling van [appellant 15] dat haar studievertraging te wijten is aan Hogeschool Rotterdam: • [appellant 15] is in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. [appellant 15] verwacht blijkens de dagvaarding in juli 2024 af te studeren. • Voor [appellant 15] was in haar derde studiejaar (2014-2015) een derdejaarsstage (32 studiepunten) beschikbaar, die voortijdig is afgebroken vanwege het ontstaan van onveilige situaties. • [appellant 15] heeft in haar vierde studiejaar (2015-2016) tussen juli 2015 en januari 2016 een periode geen onderwijs kunnen volgen als gevolg van gezondheidsproblemen. • [appellant 15] had aan het eind van haar vierde studiejaar (2015-2016), haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 28 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 5,5 maand). • [appellant 15] had aan het eind van haar vijfde studiejaar (2016-2017) een Theoretische Achterstand van 19 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van bijna vier maanden). • [appellant 15] had aan het eind van haar zesde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 15 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van drie maanden). • [appellant 15] had aan het eind van haar zevende en achtste studiejaar (2018-2019 en 2019-2020) een Theoretische Achterstand van 9 studiepunten (wat neerkomt op een studiebelasting van bijna twee maanden). • De derdejaarsstage van [appellant 15] is in studiejaar 2018-2019 voor een tweede keer vroegtijdig afgebroken om de veiligheid van de patiënten te waarborgen. • [appellant 15] heeft in oktober 2018 zelf aangegeven geen intrinsieke motivatie te hebben voor het vak, maar slechts door te gaan vanwege een studieschuld. • De derde derdejaarsstage van [appellant 15] in haar achtste studiejaar (2019-2020) is voor een derde keer per direct gestopt vanwege een gebrek aan theoretische kennis. • [appellant 15] heeft haar afstudeeropdracht in haar negende studiejaar (2020-2021) pas bij een zevende poging met succes afgerond. • De vierde derdejaarsstage van [appellant 15] in haar tiende studiejaar (2021-2022) is voor de vierde keer vroegtijdig gestaakt vanwege onvoldoende niveau in handelen en kennis en onveilig handelen in de praktijk. • [appellant 15] heeft geen gebruik gemaakt van het aan haar aangeboden onderwijs om haar theoretische kennis op peil te krijgen. Gelet op het hiervoor geschetste studieverloop van [appellant 15] en met name het feit dat (i) [appellant 15] behoorlijke Theoretische Achtstanden had en (ii) haar derdejaarsstage tot vier keer toe vroegtijdig is beëindigd vanwege het ontstaan van onveilige situaties en onvoldoende theoretische basis, betwist Hogeschool Rotterdam dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 15] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste.6.38. \n [appellant 15] heeft hier in hoger beroep, samengevat, het volgende tegenovergesteld. Zij is in september 2012 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Anesthesie\". Zij had in de zomer van 2016 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 15] heeft in totaal drie jaar moeten wachten op een (afstudeer)stage. Aan [appellant 15] is geen stagevervangend traject c.q. simulatieregeling aangeboden teneinde haar afstudeervertraging te kunnen beperken. Op dit moment heeft [appellant 15] wel al haar scriptie (en overige vakken) kunnen afronden maar wacht zij nog steeds op een stage. Indien [appellant 15] een stage aangeboden krijgt zal zij in de zomer van 2022 haar diploma kunnen behalen. [appellant 15] ziet zich thans geconfronteerd met een studievertraging van minimaal zes jaar.6.39. \n\n [appellant 15] heeft niet betwist (zodat voor het hof vaststaat): (i) dat zij tijdens haar studie een half jaar ziek is geweest, (ii) dat haar derdejaarsstage viermaal voortijdig is afgebroken, dit wegens onveilige situaties (voor de patiënten, begrijpt het hof) en onvoldoende kennisniveau, (iii) dat zij bij herhaling onvoldoende studiepunten heeft behaald en (iv) dat zij haar afstudeeropdracht pas bij de zevende poging heeft gehaald. Aldus staat vast dat aan [appellant 15] wel degelijk stageplekken zijn aangeboden, maar dat zij de stages niet heeft voltooid om redenen die niet voor rekening van Hogeschool Rotterdam komen. Onder deze omstandigheden valt Hogeschool Rotterdam geen verwijt te maken van de opgelopen studievertraging. [appellant 15] heeft volstrekt onvoldoende onderbouwd dat in haar geval schaarste aan stageplekken de oorzaak van de studievertraging is geweest. Daarom zal het hof de vordering van [appellant 15] tot schadevergoeding wegens stageschaarste aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 19] (19)6.40. In eerste aanleg heeft [appellant 19] slechts zijn studiestartdatum genoemd, september 2012, en de (verwachte) einddatum als ‘nog niet bekend’ opgegeven. Daarnaast heeft hij een e-mail van 9 februari 2015 overgelegd over “Volgorde van indeling bij nieuwe stageplaatsen” waarin de Hogeschool Rotterdam aan hem en andere studenten schrijft dat er op dat moment een tekort aan stageplaatsen is waardoor bepaalde studenten de eerste voorkeur krijgen bij het vrijkomen van een stageplaats.6.41. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord (onderbouwd met producties) met name het volgende aangevoerd tegen de stelling van [appellant 19] dat hij studievertraging door stage-tekort heeft opgelopen: * [appellant 19] is in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. De afstudeerdatum van [appellant 19] is blijkens de dagvaarding nog niet bekend. • [appellant 19] had aan het einde van zijn vierde studiejaar (2015-2016), zijn beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 52 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim tien maanden). • [appellant 19] heeft in zijn vierde\u002Fvijfde studiejaar (2015-2016 en 2016-2017) een derdejaarsstage gelopen in Suriname waarvoor hij een onvoldoende heeft behaald. • [appellant 19] had aan het einde van zijn vijfde én zesde studiejaar (2016-2017en 2017-2018) een Theoretische Achterstand van 42 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim acht maanden). • [appellant 19] heeft er in zijn zesde studiejaar voor gekozen niet te solliciteren op mogelijke stageplaatsen. • [appellant 19] heeft in zijn achtste studiejaar (2019-2020) een onvoldoende behaald voor zijn derdejaarsstage in Duitsland (of in ieder geval heeft hij niet voldoende beoordelingsformulieren verzameld om een voldoende beoordeling te krijgen). • De stage die [appellant 19] in het Erasmus MC heeft gevolgd in september 2020 is beëindigd omdat [appellant 19] \"op eigen houtje handelingen heeft verricht buiten protocol om en zonder ruggespraak van een medicus.\" • [appellant 19] heeft in de studiejaren 2020-2021 en 2021-2022 studievertraging opgelopen vanwege persoonlijke omstandigheden. • Een door [appellant 19] geregelde stage in studiejaar 2020-2021 kon niet doorgaan omdat [appellant 19] de afstudeeropdracht die voor deze stage een ingangseis vormde, niet op tijd had afgerond. • [appellant 19] had aan het eind van zijn zevende studiejaar (2018-2019) een Theoretische Achterstand van 25 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van vijf maanden). • [appellant 19] had aan het eind van zijn achtste, negende, tiende en elfde studiejaar een Theoretische Achterstand van 22 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van bijna 4,5 maand). • [appellant 19] is in zijn tiende studiejaar (2021-2022) meerdere keren uitgenodigd voor gesprekken en bijeenkomsten voor langstudeerders, maar is op geen enkele bijeenkomst verschenen. • [appellant 19] maakte in zijn elfde studiejaar (2022-2023) gebruik van simulatie-onderwijs om zijn niveau te bepalen en bevorderen. • [appellant 19] is op dit moment nog niet klaar voor een stage vanwege onveilig handelen. Gelet op het hiervoor geschetste studieverloop van [appellant 19] , en met name het feit dat de studievertraging is te wijten aan Theoretische Achterstanden en persoonlijke omstandigheden die niet aan Hogeschool Rotterdam zijn toe te rekenen, betwist Hogeschool Rotterdam dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 19] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste. [appellant 19] heeft de mogelijkheid van door hem als gevolg van de stage-schaarste geleden schade, hetgeen vereist is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, dan ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.6.42. \n [appellant 19] heeft hier in hoger beroep, samengevat, het volgende tegenovergesteld: Hij is in september 2012 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Anesthesie\". [appellant 19] had in de zomer van 2016 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van zijn studie lange tijd komen stil te liggen. In zijn derde studiejaar was voor [appellant 19] geen stage beschikbaar. In zijn vierde studiejaar was enkel een stage beschikbaar in Suriname. [appellant 19] heeft deze stage geaccepteerd en is in april 2016 vertrokken naar Paramaribo. Bij afronding van zijn stage en terugkeer uit Suriname was voor [appellant 19] geen afstudeerstage beschikbaar. In zijn zevende studiejaar werd [appellant 19] geïnformeerd over het feit dat Hogeschool Rotterdam ging stoppen met de afstudeerrichting “Anesthesie”. Noodgedwongen en op nadrukkelijke instructie van Hogeschool Rotterdam is [appellant 19] eind 2018 geswitcht naar de afstudeerrichting \"Acute zorg\". Helaas bleek ook bij de afstudeerrichting “Acute zorg” het stagetekort groot. [appellant 19] heeft met een paar korte stages een aantal onderdelen kunnen aftekenen maar er resten nog 14 onderdelen. Aan [appellant 19] is toegezegd dat hij in de zomer van 2021 deze resterende 14 onderdelen mag gaan aftekenen. Dit zou betekenen dat [appellant 19] in februari 2022 kan afstuderen. Bij die stand van zaken ziet [appellant 19] zich geconfronteerd met een afstudeervertraging welke zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen van 5,5 jaar.6.43. \n\n [appellant 19] is blijkens het voorgaande op geen enkele manier ingegaan op de door Hogeschool Rotterdam genoemde ‘belabberde’ studie- en stageresultaten. Evenmin heeft hij de oorzaak van de vertraging in 2021 en 2022 wegens persoonlijke omstandigheden toegelicht. Vast staat dan ook (i) dat hij een onvoldoende heeft gehaald voor zijn stage in Suriname, (ii) dat hij een onvoldoende heeft gehaald voor zijn stage in Duitsland, (iii) dat zijn stage in het Erasmus MC is beëindigd wegens \"op eigen houtje handelingen verrichten buiten protocol om en zonder ruggespraak van een medicus.\", (iv) dat hij op dit moment nog niet klaar is voor een stage ‘wegens onveilig handelen’, terwijl (v) ook zijn theoretische vaardigheden onder de maat zijn gebleven. Zelfs al neemt het hof veronderstellenderwijs aan dat zijn stageplaatsen aanvankelijk niet beschikbaar waren, dan nog is er geen aanwijzing dat [appellant 19] , gelet op zijn zorgelijke, ontoereikende, stagehistorie op de momenten waarop hij wèl stage kon lopen en zijn gebrekkige theoretische studieresultaten, een succes had weten te maken van eventuele tijdig beschikbare stageplaatsen. [appellant 19] had als partij die voor meer dan vijf jaren vertraging een schadevergoeding van de Hogeschool Rotterdam eist, meer inzicht hierin moeten geven. Dit heeft hij niet gedaan. [appellant 19] heeft aldus tegenover het uitvoerige verweer van Hogeschool Rotterdam niet deugdelijk onderbouwd dat hij studievertraging heeft opgelopen door voor rekening van Hogeschool Rotterdam komende tekortkomingen. De oorzaak ervan ligt ‘op zijn eigen bordje’. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 19] aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\nVerwijzing naar de schadestaatprocedure van de zaken van de volgende elf Studenten, te weten [appellant] (1), [appellant 1] (2), [appellant 2] (3), [appellant 4] (5), [appellant 7] (8), [appellant 8] (9), [appellant 11] (12), [appellant 13] (14), [appellant 16] (16), [appellant 17] (17) en [appellant 18] (18).6.44. Niet zonder meer duidelijk is of en zo ja in welke mate de overige elf Studenten aanspraak hebben op schadevergoeding wegens stage-schaarste. Dit vergt, gelet op de verweren van Hogeschool Rotterdam en de nadere stellingen van deze Studenten in hoger beroep, een grondige individuele beoordeling, met name van de vraag of en, zo ja, in welke mate zij schade hebben geleden vanwege studievertraging door stage-schaarste. Begroting van de door hen gevorderde schadevergoeding vanwege stage-schaarste is thans nog niet mogelijk. Anders dan Hogeschool Rotterdam heeft betoogd, hebben deze Studenten in hoger beroep (ter herstel van verzuimen) wel aannemelijk gemaakt(volledig bewijs is in dit stadium nog niet nodig) dat bij ieder van hen sprake is van eenmogelijkheid van schadedie is veroorzaakt door stage-schaarste. Daarom zal het hof deze zaken verwijzen naar de schadestaatprocedure. Vordering II is in zoverre toewijsbaar.6.45. Voor de goede orde wijst het hof in dit stadium nog op het volgende.6.46. Voor zover de Studenten de omvang van hun schadevorderingen hebben gebaseerd op de Letselschade Richtlijn Studievertraging, is het hof van oordeel dat deze richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is. De gestelde schade wegens studievertraging is immers niet door een ongeval veroorzaakt. Verder is, zoals hiervoor ook is overwogen, de opgelopen studievertraging die is veroorzaakt door maatregelen van overheidswege in de Covid-periode, niet aan Hogeschool Rotterdam toe te rekenen.6.47. De overige verweren van Hogeschool Rotterdam kunnen in de schadestaatprocedure aan de orde worden gesteld. Dat geldt zowel voor verweren die zien op de oorzaak van studievertragingen als op verweren over de aan ieder van de Studenten te vergoeden schade (zoals bijvoorbeeld het bij memorie van antwoord gevoerde verweer dat sommige Studenten al maximaal zijn gecompenseerd voor hun studievertraging). Dit geldt ook voor de buitenrechtelijke incassokosten (vordering III) waarop deze elf Studenten aanspraak maken.6.48. \n\nVoor toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht (vordering I), inhoudende dat Hogeschool Rotterdam onzorgvuldig heeft gehandeld, naast gevorderde schadevergoeding (vordering II) hebben deze Studenten geen belang. Het hof zal deze vordering afwijzen.\n\nConclusie en proceskosten6.49. Het hof komt tot de volgende conclusie:\n\nHet hof zal het vonnis vernietigen.\n\nHet hof zal vordering I afwijzen, omdat deze ziet op een verklaring voor recht voor alle Studenten en mede gebaseerd is op geen passend werk (grief 3) en de Studenten naast schadevergoeding geen belang hebben bij zo’n verklaring.\n\nHet hof zal Hogeschool Rotterdam jegens voormelde elf Studenten veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (inclusief de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten) (vorderingen II en III).\n\nHet hof zal de schadevorderingen van de overige acht Studenten afwijzen.\n\nHet hof zal de proceskosten compenseren, aangezien partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.\n\nBeslissing\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2024; en opnieuw rechtdoende:\n\nveroordeelt Hogeschool Rotterdam tot het betalen van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet in de zaken van de Studenten (1) [appellant] , (2) [appellant 1] , (3) [appellant 2] , (5) [appellant 4] , (8) [appellant 7] , (9) [appellant 8] , (12) [appellant 11] , (14) [appellant 13] , (16) [appellant 16] , (17) [appellant 17] en (18) [appellant 18] ;\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, T.G. Lautenbach en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:874","2026-04-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.358Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":117,"fullText":118,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":120,"parsedAt":61,"updatedAt":121},"360","ECLI:NL:RBDHA:2026:11046","ecli-nl-rbdha-2026-11046","2026-04-17T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F699956 \u002F KG ZA 26-193\n\nVonnis in kort geding van 17 april 2026\n\nin de zaak van\n\nTMS GmbHte Viersen (Duitsland),\n\neiseres,\n\nadvocaten mr. drs. F.J.J. Cornelissen en mr. M. Jonkers, beiden te Arnhem,\n\ntegen:\n\nDE STAAT DER NEDERLANDEN(MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT) te Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. J.E. Palm en mr. D. Wolters Rückert, beiden te Den Haag,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\nCONNEXXION TAXI SERVICES B.V.te IJsselmuiden,\n\nadvocaten mr. J.F. van Nouhuys en mr. S.G. Tichelaar, beiden te Rotterdam,\n\nen waarin zich hebben gevoegd:\n\n1. ZORGVERVOERCENTRALE NEDERLAND B.V. te Rotterdam en\n\n2. WILLEMSEN-DE KONING GROEP B.V. te Rotterdam,\n\nadvocaten mr. P.F.C. Heemskerk en mr. I. de Jong, beiden te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘TMS’, ‘de Staat’, ‘CTS’ en ‘de Combinatie’ (de gevoegde partijen gezamenlijk).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 23 februari 2026, met producties 1 tot en met 4 en 6 tot en met 10;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, van de zijde van CTS;\n\n- de akte overlegging productie 5, met een begeleidende brief van 24 maart 2026 van de zijde van TMS;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, van de zijde van de Combinatie;\n\n- de akte overlegging producties 11 tot en met 13 van de zijde van TMS;\n\n- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 12;\n\n- de akte houdende overlegging producties 1 en 2 van de zijde van CTS;\n\n- productie 5 van de zijde van TMS, met een begeleidende brief van 25 maart 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 27 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaat van TMS, de Staat en CTS het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.\n\n1.3.. De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. De incidenten tot tussenkomst, althans voeging\n\n2.1.. CTS heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen TMS en de Staat. Ter zitting hebben TMS en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. CTS is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n2.2.. De Combinatie heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen TMS en de Staat, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van TMS. Ter zitting is er van de zijde van CTS terecht op gewezen dat de Combinatie, die net als TMS (samengevat) intrekking van de aanbestedingsprocedure en heraanbesteding heeft gevorderd, geen eigen vordering heeft (in)gesteld. De Combinatie heeft onvoldoende toegelicht welk zelfstandig belang zij heeft bij toewijzing van de door haar (voorwaardelijk) geformuleerde vorderingen. Nu de Combinatie haar belang bij voeging aan de zijde van TMS wel voldoende concreet heeft gemaakt en TMS, de Staat en CTS tegen die voeging geen bezwaar hebben gemaakt, wordt de Combinatie toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van TMS. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat niet is gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat, zodat er geen strijd met de goede procesorde in het algemeen ontstaat.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. In verband met de wens om de dienstverleningsovereenkomsten voor het Valys doelgroepenvervoer (bovenregionaal vervoer over een langere afstand van mensen met een mobiliteitsbeperking door bijvoorbeeld ziekte of een handicap) en het Sportvervoer opnieuw aan te besteden heeft de Staat (het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)) op 13 oktober 2023 een vooraankondiging voor die aanbesteding gedaan en gevraagd om informatie uit de markt (marktconsultatie). In die vooraankondiging, die is gepubliceerd op https:\u002F\u002Fted.europa.eu (TED), is een geraamde totale waarde van € 52.250.000,-- vermeld.\n\n3.2.. Na de marktconsultatie (en een cliëntconsultatie) heeft de Staat een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de opdracht “VWS EA – Valys 2026”, hierna ‘de opdracht’. De opdracht is op 25 februari 2025 aangekondigd op TenderNed. In de aankondiging is voor zover hier van belang vermeld:\n\n3.3.. Gelijktijdig met de aankondiging van de opdracht zijn de aanbestedingsstukken gepubliceerd. De aanbestedingsstukken konden, na registratie, via de “CTM Solution Aanbestedingstool” (CTM) worden gedownload.\n\n3.4.. Tot de aanbestedingsstukken behoort het Beschrijvend Document, met bijlagen, van 8 juli 2025, hierna ‘het Beschrijvend Document’. In het Beschrijvend Document is in paragraaf 1.2. als doel van de aanbesteding vermeld: “het sluiten van een Overeenkomst met een dienstverlener of een Combinatie van dienstverleners, voor regie en uitvoering van zowel het Valys-vervoer als het Sportvervoer.”. In paragraaf 2.5. van het Beschrijvend Document is opgenomen dat de te sluiten overeenkomst een initiële looptijd van zes jaar heeft, met de mogelijkheid om de overeenkomst eenzijdig en onder gelijkblijvende voorwaarden maximaal twee keer te verlengen voor een periode van maximaal twee jaar.\n\n3.5.. De omvang van de opdracht is in het Beschrijvend Document als volgt beschreven:\n\n3.6.. Voor de opdracht hebben zich vijf partijen ingeschreven, waaronder CTS en de Combinatie. Op 17 november 2025 is de opdracht voorlopig gegund aan CTS.\n\n3.7.. Drie inschrijvers op de opdracht, te weten de Combinatie, Transvision B.V. en de combinatie bestaande uit Qarin B.V., DVG Regie B.V., BEN’RR B.V., Taxicentrale Zwolle B.V., TCR B.V. en Vloettax B.V., hebben in verband met bezwaren tegen (de uitkomst van) de aanbestedingsprocedure ieder een kortgedingprocedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. De mondelinge behandeling in die procedures is gepland op 4 mei 2026.\n\n3.8.. Bij brief van 10 februari 2026 heeft mr. Cornelissen namens TMS aan de Staat meegedeeld dat de aanbestedingsprocedure moet worden ingetrokken omdat er gebreken aan kleven, als gevolg waarvan TMS geen reële kans heeft gekregen om de opdracht te verwerven. Daarbij is de Staat gesommeerd om de aanbestedingsprocedure in te trekken en de opdracht (desgewenst) opnieuw aan te besteden. De Staat heeft aan die sommatie geen gevolg gegeven.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. TMS vordert – zakelijk weergegeven – primairde Staat te gebieden om de Valys-aanbesteding in te trekken en ingetrokken te houden, om de Valys-opdracht opnieuw aan te besteden voor zover de Staat dat wenst, om bij een nieuwe aanbesteding van de Valys-opdracht in de aankondiging van de opdracht de (geraamde) waarde van de opdracht bekend te maken en in de aankondiging van de opdracht of in het bestek de maximale waarden en\u002Fof maximale hoeveelheid bekend te maken.Subsidiairvordert TMS een in goede justitie te bepalen maatregel te treffen die recht doet aan de belangen van TMS. Daarbij vordert TMS de Staat te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. Daartoe stelt TMS – samengevat – het volgende. TMS is een Duits (personen)vervoersbedrijf, dat zich met name richt op specialistische chauffeursdiensten in de regio Viersen (Noord-Rijnland-Westfalen) in Duitsland en de omliggende regio’s. TMS heeft de ambitie om zich ook te richten op vervoersopdrachten in Nederland. TMS is pas in de gunningsfase door informatie van een concurrerend vervoersbedrijf bekend geworden met de aanbestedingsprocedure. TMS had graag aan de aanbestedingsprocedure willen deelnemen, maar zij heeft deze ondanks nauwlettende monitoring van aangekondigde overheidsopdrachten gemist. TMS heeft vastgesteld dat dit is veroorzaakt doordat er aan de aanbestedingsprocedure twee gebreken kleven. Allereerst heeft de Staat verzuimd om bij de aankondiging van de opdracht de (juiste) waarde ervan te vermelden. Omdat de Staat ervoor heeft gekozen om een waarde van € 1,-- te vermelden, is de opdracht niet bij TMS in beeld gekomen, omdat zij als zoekfilter een minimale waarde van € 750.000,-- hanteert. Het tweede gebrek bestaat er uit dat de Staat heeft verzuimd om bij de bekendmaking van de opdracht en in de aanbestedingsstukken de maximale opdrachtwaarde of de maximale hoeveelheid van de opdracht te vermelden. De Staat moet deze gebreken in de aanbestedingsprocedure herstellen door een heraanbesteding van de opdracht, waarbij de geraamde waarde van de opdracht wordt vermeld en waarbij bekend wordt gemaakt wat de maximale waarde of de maximale hoeveelheid van de opdracht is.\n\n4.3.. De conclusies van de Staat en van CTS strekken tot afwijzing van de vorderingen van TMS. Hun verweren zullen hierna, voor zover nodig, worden besproken.\n\n4.4.. CTS vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te verbieden om CTS te passeren voor gunning van de opdracht, voor zover de Staat de opdracht nog wenst te gunnen, met veroordeling van TMS in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.5.. Verkort weergegeven stelt CTS daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van TMS, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.\n\n4.6.. Voor zover nodig zullen de standpunten van TMS, de Staat en de Combinatie met betrekking tot de vorderingen van CTS hierna worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Tussen partijen is in geschil of de aanbestedingsprocedure zodanige gebreken kent dat de opdracht opnieuw moet worden aanbesteed. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Hierna zal dit oordeel worden toegelicht.\n\nHet eerste gebrek: had de Staat de geraamde waarde van de opdracht moeten vermelden?\n\n5.2.. Volgens TMS was de Staat op grond van artikel 49 van de Richtlijn 2014\u002F24\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten (hierna ‘de Richtlijn’) en de daarbij behorende Bijlage V, deel C, verplicht om de geraamde waarde van de opdracht in de aankondiging te vermelden. Als de Staat dit had gedaan, dan was de opdracht voor TMS, die als zoekfilter een minimale waarde van € 750.000,-- heeft ingesteld, in beeld gekomen en had zij er naar kunnen meedingen. Dit zoekfilter is immers gekoppeld aan het veld “geraamde waarde” dat door de aanbestedende dienst moet worden ingevuld in de aankondiging van de opdracht, aldus TMS. TMS heeft daarbij betoogd dat zij er bij het bepalen van haar zoekfilters geen rekening mee hoefde te houden dat in de aankondiging van de opdracht een onjuiste opdrachtwaarde van € 1,-- zou worden vermeld.\n\n5.3.. In artikel 49 van de Richtlijn is bepaald dat de aankondiging van een opdracht de informatie bevat als vermeld in bijlage V, deel C. In bijlage V, deel C, is in de punten 7. en 8. (samengevat) vermeld dat een beschrijving moet worden gegeven van de “aard en omvang van diensten”en dat de“geraamde totale orde van grootte van de opdracht”moet worden vermeld. De Staat heeft terecht aangevoerd dat in die punten niet wordt voorgeschreven dat de geraamde waarde in de aankondiging moet worden vermeld. Uit punt 7. blijkt immers niet dat de waarde van de opdracht deel uitmaakt van de beschrijving die moet worden gegeven, terwijl in het arrest van het Europese Hof van Justitie van 17 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:490 (Simonsen & Weel A\u002FS), hierna ‘het arrest Simonsen & Weel A\u002FS’, met betrekking tot de in punt 8. genoemde “geraamde totale orde van grootte van de opdracht” is overwogen dat het feit dat slechts wordt verwezen naar een “orde van grootte” en niet naar een nauwkeurig bepaalde waarde doet vermoeden dat de van de aanbestedende dienst gevraagde waardering“approximatief”kan zijn.\n\n5.4.. Daar komt nog het volgende bij. Bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2019\u002F1780 van de Commissie van 23 september 2019 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten, hierna ‘de Uitvoeringsverordening’, hoort een bijlage. In Tabel 2 van die bijlage zijn de velden in standaardformulieren en aankondigingen opgenomen, waarbij telkens wordt vermeld of de informatie in het betreffende veld verplicht (V) of facultatief (F) is. De Staat heeft er terecht op gewezen dat bij het onderdeel “De geraamde waarde van de aanbestedingsprocedure of het perceel gedurende de gehele looptijd ervan, met inbegrip van opties en verlengingen”in de hiervoor genoemde Tabel 2 de letter ‘F’ van facultatief is vermeld. Dit betekent dat uit de bijlage bij de Uitvoeringsverordening evenmin een verplichting kan worden afgeleid om de geraamde waarde van de opdracht in de aankondiging bekend te maken. Aan de stelling van TMS dat de Europese wetgever, althans de minister van VWS, het veld ‘waarde’ in het formulier waarmee een opdracht via TED\u002FTenderNed wordt aangekondigd verplicht heeft gesteld, wordt voorbij gegaan. Hiertegenover heeft de advocaat van CTS immers voldoende aannemelijk gemaakt dat de verplicht gestelde gebruikmaking van TED\u002FTenderned is uitgewerkt door programmeurs, die ervoor hebben gekozen om het veld ‘waarde’ in het formulier voor de aankondiging van een opdracht op te nemen, en dat die keuze dus niet het gevolg is van een wettelijk voorschrift.\n\n5.5.. \n\nTegen de achtergrond van het voorgaande heeft De Staat voldoende onderbouwd dat hij niet verplicht was de geraamde waarde van de opdracht in de aankondiging op te nemen.\n\nMede in het licht van het betoog van de Staat dat op de waarde van de totale opdracht een groot aantal variabelen van invloed is, waaronder het aantal te rijden kilometers en de hoogte van de vergoeding, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om in de aankondiging van de opdracht het evident fictieve bedrag van € 1,-- op te nemen, om op die manier de potentiële inschrijvers aan te moedigen om voor de opdrachtwaarde de aanbestedingsstukken te raadplegen.\n\n5.6.. Dat TMS ervoor heeft gekozen om in haar zoekfilter een minimale waarde van de opdracht van € 750.000,-- te hanteren, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico moet komen en betekent niet dat de Staat de aanbestedingsprocedure anders had moeten inrichten. Daar komt nog bij dat de Staat in de marktconsultatie een waarde van meer dan € 750.000,-- heeft opgenomen, zodat in ieder geval die marktconsultatie in de aanloop naar de opdracht met het door TMS gebruikte zoekfilter zichtbaar had kunnen worden.\n\n5.7.. Reeds gelet op het voorgaande levert het ontbreken van de geraamde waarde in de aankondiging van de opdracht geen gebrek op dat in trekking van de aanbestedingsprocedure en heraanbesteding rechtvaardigt. Op de overige argumenten die TMS in het kader van dit gestelde gebrek naar voren heeft gebracht, hoeft daarom niet meer te worden ingegaan.\n\nHet tweede gebrek: had de Staat de maximale waarde en\u002Fof hoeveelheid van de opdracht bekend moeten maken?\n\n5.8.. TMS heeft gesteld dat de Staat in de aankondiging van de opdracht en\u002Fof in de aanbestedingsstukken heeft verzuimd om de maximale waarde en\u002Fof de maximale hoeveelheid van de opdracht bekend te maken. Ook om die reden is de aanbestedingsprocedure volgens TMS gebrekkig en moet deze worden ingetrokken.\n\n5.9.. De Staat heeft er allereerst op gewezen dat de maximale waarde en\u002Fof de maximale hoeveelheid van een opdracht alleen moet(en) worden vermeld bij een raamovereenkomst. Anders dan TMS heeft gesteld betreft de onderhavige aanbestedingsprocedure niet het sluiten van een raamovereenkomst, waarin de voorwaarden worden vastgelegd waaronder met de individuele reizigers vervoersopdrachten worden gesloten. De Staat heeft voldoende uiteengezet dat deze aanbesteding ziet op een concrete opdracht voor het uitvoeren van Valys- en Sportvervoer, met inbegrip van ondersteunende taken en verantwoordelijkheden. De Staat heeft daarbij toegelicht dat de werkzaamheden die de opdrachtnemer moet uitvoeren nauwkeurig zijn omschreven in het Programma van Eisen en dat van deelopdrachten of verdere bemoeienis van de Staat met de uitvoering van de opdracht geen sprake is.\n\n5.10.. Ook als moet worden aangenomen dat geen sprake is van een raamovereenkomst had de Staat volgens TMS de maximale waarde en hoeveelheid van de opdracht bekend moeten maken, omdat anders de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijke behandeling en transparantie in het geding komen. Daarbij heeft TMS uiteengezet dat de Staat de maximale waarde en hoeveelheid in de aankondiging van de opdracht had moeten opnemen en dat hij op grond van het arrest Simonsen & Weel A\u002FS alleen mocht volstaan met vermelding daarvan in de aanbestedingsstukken als aan de voorwaarde van kosteloze, rechtstreekse en volledige toegang tot die aanbestedingsstukken is voldaan. TMS heeft er in dit verband op gewezen dat een inschrijver om toegang te krijgen tot de aanbestedingsstukken een registratieproces moest doorlopen en dat dat voor een buitenlandse partij als TMS niet eenvoudig is, omdat zij niet beschikt over een KvK-nummer dat voor de registratie noodzakelijk is. Aan dit betoog gaat de voorzieningenrechter voorbij. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van CTS er op gewezen dat een buitenlandse partij bij de registratie gebruik kon maken van haar eigen (buitenlandse) registratienummer, dat zij had kunnen invullen in een veld dat tijdens de registratie verscheen nadat eerst een (fictief) nummer in het veld voor het KvK-nummer was ingevuld. Verder heeft de Staat aangevoerd dat een buitenlandse partij desgewenst eenvoudig contact kon opnemen met de servicedesk van CTM wanneer zij tegen een probleem aanliep bij de registratie, waarna een code werd verstrekt om toegang te krijgen tot de aanbestedingsstukken. Hiertegenover heeft TMS onvoldoende concreet gemaakt dat buitenlandse partijen door het door de Staat gekozen registratieproces op onredelijke wijze zijn beperkt in hun mogelijkheden om kennis te nemen van de aanbestedingsstukken.\n\n5.11.. Ten slotte heeft TMS gesteld dat de aanbesteding gebrekkig is, omdat de maximale waarde en de maximale hoeveelheid van de opdracht ook niet uit de aanbestedingsstukken blijken. Volgens TMS is in paragraaf 2.6. van het Beschrijvend Document opgenomen dat de in de bijlagen 17 en 34 bij het Beschrijvend Document vermelde aantallen kilometers een indicatie zijn van de omvang van de opdracht. TMS heeft daarbij uiteengezet dat de bedoelde bijlagen uit een groot aantal Excel-documenten bestaan, met in totaal ongeveer vierhonderdduizend regels met historische ritdata, en dat een inschrijver het aantal kilometers per rit of het totale aantal kilometers – en daarmee de indicatie – daaruit niet op een eenvoudige wijze kan opmaken. Verder heeft TMS erop gewezen dat in paragraaf 2.6. van het Beschrijvend Document is vermeld dat een overeenkomst wordt gesloten met een omvang van 150% van de indicatie en dat, nu de indicatie niet duidelijk is, ook hieruit onvoldoende blijkt wat de omvang van de opdracht is.\n\n5.12.. De Staat heeft hiertegenover aangevoerd dat in paragraaf 2.3.2. en 2.3.3. van het Beschrijvend Document een aantal kengetallen zijn genoemd om een beeld te geven van het Valys-vervoer en het Sportvervoer, waarbij is verwezen naar cijfermatige informatie over de opdracht, gebaseerd op het uitgevoerde vervoer in de jaren 2018\u002F2019 tot en met 2024 Q3 (de bijlagen 17 tot en met 20 bij het Beschrijvend Document voor het Valysvervoer en de bijlagen 34 en 35 bij het Beschrijvend Document voor het Sportvervoer). Daarbij heeft de Staat toegelicht dat inschrijvers op basis van de verstrekte informatie met behulp van de software die zij als vervoerder tot hun beschikking hebben, op eenvoudige wijze een goede inschatting konden maken van de waarde van de opdracht, door het gemiddelde aantal kilometers uit te rekenen, dat aantal te vermenigvuldigen met de looptijd van de overeenkomst en de uitkomst te vermenigvuldigen met 150%. De Staat heeft daarmee voldoende onderbouwd dat is voldaan aan de in het arrest Simonsen & Weel A\u002FS geformuleerde rechtsregels en dat van schending van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie geen sprake is.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n5.13.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primaire vorderingen van TMS worden afgewezen. Voor het treffen van een andere maatregel die recht doet aan de belangen van TMS ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, zodat ook de subsidiaire vordering wordt afgewezen.\n\n5.14.. Nu de Staat voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan CTS, brengt voormelde beslissing mee dat CTS geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. CTS zal worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet TMS in haar verhouding tot CTS worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van CTS was immers te voorkomen dat de opdracht aan TMS zou worden gegund, welk doel is bereikt. TMS zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van CTS. Voorts zullen TMS en de Combinatie, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat.\n\n5.15.. De proceskosten van zowel de Staat als CTS worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,--\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,--\n\n- nakosten\n\n€ 189,--\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,--\n\n5.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst de vorderingen af;\n\n6.2.. veroordeelt CTS voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de Staat in de kosten van de Staat, tot dusver begroot op nihil;\n\n6.3.. veroordeelt TMS in de proceskosten van CTS, begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als TMS niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet TMS € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.4.. veroordeelt TMS en de Combinatie in de proceskosten van de Staat, begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als TMS en de Combinatie niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten TMS en de Combinatie € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.5.. veroordeelt TMS in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten ten behoeve van CTS, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.6.. veroordeelt TMS en de Combinatie in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten ten behoeve van de Staat, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.7.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.\n\nmvt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11046","2026-05-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.035Z",{"id":123,"ecli":124,"slug":125,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":126,"fullText":127,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":61,"updatedAt":129},"1684","ECLI:NL:RBDHA:2026:9388","ecli-nl-rbdha-2026-9388","2026-04-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKDEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nZaaknummer: 11875858 \\ RL EXPL 25-16951\n\nVonnis van 15 april 2026\n\nin de zaak van\n\nKRACHT! LETSELSCHADE B.V.,\n\nte Vaassen,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in voorwaardelijke reconventie\n\nhierna te noemen: Kracht!,\n\ngemachtigde: mr. N.N. Liefeld,\n\ntegen\n\nNATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,\n\nte 's-Gravenhage,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in voorwaardelijke reconventie\n\nhierna te noemen: NN,\n\ngemachtigden: mr. A.N.L. de Hoogh en mr. J.A.A. van Beek.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de pleitnota van mr. N.N. Liefeld;\n\n- de pleitnota van mr. A.N.L. de Hoogh en mr. J.A.A. van Beek;\n\n- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.2.. Kracht! is een juridisch adviesbureau op het gebied van letselschade voor slachtoffers.\n\n2.3.. Kracht! heeft de heer [naam] (hierna: [naam] ) bijgestaan naar aanleiding van een verkeersongeval op 15 oktober 2022 waarbij hij letsel heeft opgelopen.\n\n2.4.. \n [naam] heeft op 17 oktober 2022 een opdrachtmachtiging ondertekend, waarin de volgende tekst staat vermeld:\n\nOPDRACHTMACHTIGING\n\nOndergetekende,\n\nnaam: De heer [naam]\n\n(…)\n\nmachtigt en verzoekt hiermee aan:\n\nKracht! Letselschade B.V.\n\nom de door hem\u002Fhaar geleden en te lijden schade, welke betrekking heeft op het ongeval d.d. 15-10-2022 , in behandeling te nemen, conform de op de achterzijde afgedrukte Algemene Voorwaarden van Kracht! Letselschade B.V, De voorwaarden zijn ook te vinden op de website www.krachtletselschade.nl.\n\nDaarnaast verzoekt ondergetekende de aansprakelijke partij, c.q. diens WA-verzekeraar, om de door Kracht! Letselschade B.V. te maken buitengerechtelijke kosten, kosten medisch adviseur, medische verschotten en andere behandelingskosten rechtstreeks te vorderen bij de aansprakelijke partij\u002Fverzekeraar en over te laten maken op rekening (…) ten name van Kracht! Letselschade B.V., kantoor Vaassen. (…).\n\n(…)\n\n2.5.. In artikel 6 van de onderaan de opdrachtmachtiging opgenomen ‘Algemene Voorwaarden Kracht! Letselschade B.V.’ staat vermeld:\n\n6. Onherroepelijke Cessie; Overdracht van kostenOpdrachtgever stemt ermee in dat de behandelkosten van kracht! bij de aansprakelijke partij in rekening worden gebracht en draagt hierbij de aanspraak op de vergoeding van deze kosten onherroepelijk over aan kracht!\n\n2.6.. Kracht! heeft namens [naam] op 18 oktober 2022 NN aangesproken tot het vergoeden van de schade als gevolg van het verkeersongeval. NN heeft als WAM-verzekeraar de aansprakelijkheid van haar verzekerde erkend.\n\n2.7.. In de periode van 2 december 2022 tot en met 21 januari 2025 heeft Kracht! een aantal facturen bij NN ingediend die zien op de werkzaamheden die door Kracht! en door haar ingeschakelde derden zijn verricht en heeft NN een aantal voorschotbetalingen aan Kracht! gedaan. Op meerdere momenten in die periode was het totaalbedrag van de door NN gedane voorschotbetalingen lager dan het totaalbedrag van de door Kracht! ingediende facturen.\n\n2.8.. Op 21 januari 2025 heeft Kracht! een e-mail aan NN gestuurd, waarin het volgende staat vermeld:\n\n(…)\n\nIn de bijlage tref je een overzicht aan van de nog verschuldigde bgk ad € 7.415,95 + de wettelijke rente ad € 319,-- is totaal € 7.734,95. Wil je dit slotbedrag ook in de VSO opnemen s.v.p.?\n\n (…)\n\n2.9.. Op 23 januari 2025 heeft NN een e-mail aan Kracht! gestuurd, waarin het volgende staat vermeld:\n\n(…)\n\nBijgaand treft u de vso. In het kader van de regeling is NN bereid alle openstaande kosten te vergoeden. Dit geldt niet voor de berekende wettelijke rente.\n\n(…)\n\n2.10.. NN en [naam] hebben op 23 respectievelijk 24 januari 2025 een vaststellingsovereenkomst ondertekend, waarin het volgende staat vermeld:\n\n(…)\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\nVerzekeraar betaalt, naast het hiervoor genoemde schadebedrag, de redelijke buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek. Deze kosten maken weliswaar formeel onderdeel uit van de schade van belanghebbende, maar worden veelal met instemming van belanghebbende rechtstreeks voldaan aan de belangenbehartiger.\n\nBelanghebbende verklaart door ondertekening van deze overeenkomst, tenzij uitdrukkelijk anders is of wordt overeengekomen, dat verzekeraar de thans nog resterende buitengerechtelijke kosten rechtstreeks aan de belangenbehartiger betaalbaar mag stellen.\n\nTen behoeve van belanghebbende zijn aan buitengerechtelijke kosten al meerdere voorschotten betaalbaar gesteld. Deze zijn betaald aan Kracht Letselschade. Op de buitengerechtelijke kosten volgt nog een slotbetaling van EUR 7.415,95. Deze worden rechtstreeks betaald aan Kracht! Letselschade.\n\nFinale kwijting\n\nTegenover de overeengekomen schadevergoeding en de hiervoor genoemde betaling(en), verleent belanghebbende aan verzekeraar en verzekerde finale kwijting.\n\n(…)\n\n2.11.. Op 4 februari 2025 heeft NN een slotbetaling van € 7.415,95 aan Kracht! gedaan.\n\n2.12.. Op 2 september 2025 heeft Kracht! NN gedagvaard.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. Kracht! vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad NN veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 280,32 aan wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten van Kracht!, te vermeerderen met de proceskosten.\n\n3.2.. Kracht! legt – samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. [naam] heeft zijn vordering op NN tot betaling van buitengerechtelijke kosten aan Kracht! gecedeerd. Kracht! heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt en hiervoor facturen aan NN verzonden. NN heeft deze facturen meermaals niet tijdig en\u002Fof volledig voldaan. Als gevolg daarvan is NN in verzuim geraakt op het moment dat de betalingstermijn van 14 dagen van deze facturen is verstreken. Over de periode dat NN in verzuim is, is zij de wettelijke rente ex artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verschuldigd.\n\n3.3.. \n\nNN voert verweer. NN concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Kracht!, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Kracht!, met veroordeling van Kracht! in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente, voor zover\n\nmogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3.4.. \n\nNN voert – samengevat – het volgende aan. [naam] heeft nooit buitengerechtelijke kosten aan Kracht! betaald en op dit punt dus ook geen schade geleden. Verder heeft er geen rechtsgeldige cessie door [naam] aan Kracht! van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten plaatsgevonden. De reden hiervoor is dat [naam] geen vordering op NN had en deze wegens het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid dus ook niet aan Kracht! kon overdragen. Bovendien is de vordering niet met voldoende bepaalbaarheid omschreven en is de vordering tot betaling van wettelijke rente evenmin een nevenrecht. Daarnaast is pas na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst mededeling van de cessie aan NN gedaan, maar toen had [naam] al finale kwijting aan NN verleend. Tot slot betoogt klopt de berekening van de wettelijke rente niet.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n3.5.. NN vordert voorwaardelijk, namelijk voor het geval dat enige vordering van [naam] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten rechtsgeldig aan Kracht! is overgedragen, dat de kantonrechter Kracht! veroordeelt tot betaling aan NN van een bedrag van € 23.631,92, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van betaling van NN aan Kracht!, zoals opgenomen in het overzicht in tabel 1 van de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, dan wel vanaf de datum van de voorwaardelijk conclusie van eis in reconventie (te weten: 11 november 2025).\n\n3.6.. Kracht! voert verweer strekkende tot afwijzing van de voorwaardelijke vordering in reconventie, met veroordeling van NN in de proceskosten.\n\nIn conventie en voorwaardelijke reconventie\n\n3.7.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie\n\nHet geschil4.1.. Partijen hebben aangegeven dat deze zaak een principiële kwestie betreft. Kracht! is deze procedure gestart, en NN heeft in deze procedure verweer gevoerd, omdat zij antwoord willen op de vraag of professionele belangenbehartigers, die de vordering van een benadeelde tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan zichzelf laten cederen, wettelijke rente kunnen vorderen als de verzekeraar deze kosten niet tijdig voldoet. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet mogelijk is en licht dat als volgt toe.\n\nJuridisch kader4.2.. Voor het ontstaan van een vordering tot schadevergoeding is volgens de Hoge Raad vereist dat schade is geleden. Omdat een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW jo. artikel 95 lid 1 BW ook een schadevergoedingsvordering is, is voor het ontstaan van deze vordering vereist dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt.\n\n4.3.. De verplichting tot schadevergoeding – en dus ook die tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten – is een verbintenis tot betaling van een geldsom. Wanneer vertraging optreedt in de voldoening van een geldsom is volgens artikel 6:119 lid 1 BW een schadevergoeding verschuldigd, bestaande in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Om aanspraak te kunnen maken op wettelijke rente moet de schuldenaar dus in verzuim zijn.\n\n4.4.. Het tijdstip waarop de schuldenaar in verzuim raakt, wordt bepaald aan de hand van artikel 6:81 e.v. BW. Als het gaat om een verbintenis tot schadevergoeding die voortvloeit uit onrechtmatige daad, treedt het verzuim volgens artikel 6:83, aanhef en onder b, BW in zonder ingebrekestelling, wanneer de prestatie opeisbaar is geworden en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen. Opeisbaarheid is dus een voorwaarde om het verzuim te laten intreden.\n\nGeen recht op wettelijke rente over buitengerechtelijke kosten4.5.. \n [naam] heeft Kracht! door middel van de in rov. 2.4 genoemde opdrachtmachtiging gemachtigd om de kosten voor de door Kracht! en in haar opdracht verrichte werkzaamheden bij NN in rekening te brengen en deze kosten op de rekening van Kracht! over te laten maken. NN heeft met deze afspraak ingestemd. Ten eerste door voorschotfacturen van Kracht! te voldoen. Ten tweede hebben [naam] en NN in de vaststellingsovereenkomst ook afgesproken dat NN de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, die ‘formeel onderdeel zijn van de schade’, rechtstreeks zal betalen aan Kracht!. Kracht! stelt in deze procedure ook dat [naam] de door Kracht! aan NN verzonden facturen voor haar werkzaamheden niet heeft voldaan of hoeft te voldoen. Daarmee staat vast dat [naam] niet daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor de verrichte werkzaamheden.\n\n4.6.. Kracht! heeft in dit verband aangevoerd dat de opeisbaarheid van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en het verschuldigd worden van wettelijke rente niet afhankelijk is van voorfinanciering door [naam] . Dit is echter niet juist. De vorderingen tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover ontstaan pas als de benadeelde deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en de verzekeraar met de vergoeding daarvan aan de benadeelde in verzuim is geraakt. Zoals hiervoor is overwogen heeft [naam] niet daadwerkelijk kosten gemaakt omdat hij aan Kracht! geen vergoeding verschuldigd was. Daarom kan van een (opeisbare) vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover in ieder geval tot de totstandkoming van de in rov. 2.10 bedoelde vaststellingsovereenkomst geen sprake zijn.\n\n4.7.. Met de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft [naam] alsnog een aanspraak op NN tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten verkregen. Maar deze aanspraak is, vanwege de gemaakte betalingsafspraak, niet gebaseerd op artikel 6:96 lid 2 BW maar op de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen verplichting van NN tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Tussen partijen is niet in geschil dat NN deze verplichting tijdig is nagekomen. Dit brengt mee dat [naam] ook na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst geen aanspraak op wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten heeft verkregen.\n\n4.8.. Kracht! heeft verder nog aangevoerd dat de vordering tot betaling van wettelijke rente is ontstaan toen Kracht! de facturen voor buitengerechtelijke kosten aan NN heeft toegezonden en de daarop vermelde betalingstermijn van 14 dagen is verstreken. Kracht! verwijst in dit verband naar een vonnis van de Rechtbank Zutphen van 7 mei 2008, waarin werd bepaald dat de verzekeraar de wettelijke rente over het toegekende deel van de buitengerechtelijke kosten verschuldigd is vanaf 14 dagen na de respectieve factuurdata. Kracht! gaat er echter daarbij aan voorbij dat de enkele toezending van facturen niet meebrengt dat [naam] schade lijdt in de vorm van buitengerechtelijke kosten. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvoor vereist dat [naam] daadwerkelijk kosten heeft gemaakt. Genoemd vonnis leidt niet tot een ander oordeel, omdat daaruit niet blijkt dat de benadeelde partij in die zaak die facturen niet zelf eerst had betaald alvorens deze bij de verzekeraar van de aansprakelijke partij in te dienen.\n\nGeen rechtsgeldige cessie4.9.. Vanwege het vereiste van beschikkingsbevoegdheid in artikel 3:84 BW komt de overdracht van een nog niet ontstane vordering pas tot stand na het ontstaan daarvan. Zoals uit het voorgaande blijkt, is er aan de zijde van [naam] in ieder geval tot de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst geen vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten of wettelijke rente ontstaan. Deze vorderingen kunnen dus ook niet al voorafgaand aan die overeenkomst zijn overgedragen.\n\n4.10.. Bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft [naam] weliswaar een contractuele aanspraak op betaling van buitengerechtelijke kosten verkregen, maar zoals uit rov. 4.7 blijkt, heeft NN deze tijdig voldaan. Dit betekent dat deze vordering teniet is gegaan en dat er aan de zijde van [naam] ook geen vordering tot vergoeding van wettelijke rente is ontstaan. Ook deze vorderingen kunnen dus niet worden overgedragen.\n\n4.11.. Dit betekent dat Kracht! niet bij wijze van een cessie een vordering van [naam] op NN tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten of wettelijke rente heeft verkregen.\n\nKracht! heeft geen eigen vordering op NN4.12.. Voor zover Kracht! betoogt dat zij zelf buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en daarom een eigen vordering op NN heeft, wordt het volgende opgemerkt. De werkzaamheden die Kracht! c.s. hebben verricht dienden ter vaststelling van de schade van en aansprakelijkheid jegens [naam] . De verrichte werkzaamheden zijn dus geen buitengerechtelijke kosten van Kracht! zelf. Dit brengt mee dat Kracht! geen eigen vordering heeft op NN tot vergoeding van deze kosten. NN kan tegenover Kracht! dus ook niet in verzuim of wettelijke rente verschuldigd zijn.\n\n4.13.. Ter zitting heeft Kracht! aangevoerd dat het probleem is dat NN de declaraties van Kracht! niet volledig heeft bevoorschot en zij daarom schade leidt. Deze schade is echter niet het gevolg van ontoereikende bevoorschotting, maar van de keuze van Kracht! om haar werkzaamheden niet aan [naam] in rekening te brengen. Van aansprakelijkheid van NN tegenover Kracht! wegens ontoereikende bevoorschotting is dan ook geen sprake.\n\nGeen reden om prejudiciële vragen te stellen4.14.. Ter zitting heeft Kracht! de kantonrechter verzocht om op de voet van artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, als de kantonrechter van oordeel zou zijn dat onzekerheid bestaat over de vraag of wettelijke rente verschuldigd is over gecedeerde buitengerechtelijke kosten die niet tijdig worden voldaan. Volgens Kracht! is de beantwoording van de vraag of voor het verschuldigd worden van wettelijke rente vereist is dat de benadeelde de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk heeft betaald, dan wel of het ontstaan van de betalingsverplichting en\u002Fof de cessie voldoende is, van wezenlijk belang voor de rechtspraktijk.\n\n4.15.. De kantonrechter is van oordeel dat in voldoende mate duidelijk is dat voor het ontstaan van een schadevergoedingsvordering in de vorm van buitengerechtelijke kosten vereist is dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Verder is ook in voldoende mate duidelijk dat de overdracht van een nog niet ontstane vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten pas tot stand komt na het ontstaan daarvan. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om op deze punten verduidelijking aan de Hoge Raad te vragen en ziet daarom af van het stellen van prejudiciële vragen.\n\nSlotsom4.16.. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van Kracht! tot betaling van wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten van Kracht! zal worden afgewezen.\n\n4.17.. Kracht! wordt in de procedure in conventie dus in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van NN worden begroot op:\n\n - salaris gemachtigde\n\n€\n\n174,00\n\n(2 punten × € 87,00)\n\n - nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\n Totaal\n\n€\n\n217,50\n\n4.18.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n4.19.. De vordering van NN in reconventie is voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval dat enige vordering van [naam] tot voldoening van buitengerechtelijke kosten rechtsgeldig aan Kracht! is overgedragen.\n\n4.20.. De kantonrechter heeft in conventie echter geoordeeld dat dit niet het geval is. Daarom zal de kantonrechter vaststellen dat aan de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld niet is voldaan.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter,\n\nIn conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Kracht! af,\n\n5.2.. veroordeelt Kracht! in de proceskosten van € 217,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Kracht! niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt Kracht! tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n5.4.. verstaat dat de voorwaarde waaronder de reconventie is ingesteld niet is vervuld,\n\nIn conventie en in voorwaardelijke reconventie\n\n5.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.L.M. Staals en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\n ECLI:NL:HR:1991:ZC0247, r.o. 3.3.\n\n ECLI:NL:RBZUT:2008:BD7124, r.o. 2.19.\n\n Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:94 BW, aant. 1.10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9388","2026-07-13T00:29:33.429Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":134,"fullText":135,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":137,"parsedAt":61,"updatedAt":138},"1849","ECLI:NL:GHDHA:2026:469","ecli-nl-ghdha-2026-469","2026-03-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.311.086\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F592138 \u002F HA ZA 20-231\n\nArrest van 17 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nJACM B.V.,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\nappellante,\n\nhierna te noemen: JACM ,\n\nadvocaat: voorheen mr. T.A. Vermeulen, te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. Aemstel Participaties B.V.,\n\ngevestigd te Zandvoort,\n\nhierna te noemen: AP,\n\nadvocaat: mr. M. Bitter, te Haarlem,\n\n2. [geïntimeerde] ,\n\nwonende te [woonplaats],\n\nhierna te noemen: [geïntimeerde] ,\n\nniet verschenen,\n\ngeïntimeerden,\n\nhierna samen te noemen: AP c.s.1. De zaak in het kort1.1. Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of JACM aanspraak kan maken op boetes uit hoofde van een koopovereenkomst ten aanzien van enkele onroerende zaken. De rechtbank heeft dat deel van de vordering afgewezen en het hof komt tot dezelfde conclusie.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 20 mei 2022 waarmee JACM in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2022;\n\nde memorie van grieven van 9 augustus 2022;\n\nde memorie van antwoord, tevens vermeerdering van eis van AP van 8 augustus 2023 met bijlagen;\n\nde akte van JACM van 4 juli 2024 met bijlagen;\n\nde brieven namens AP van 2 juli 2024 en 7 maart 2025 met bijlagen;\n\nde akte namens AP van 27 mei 2025 met bijlagen.3. Feitelijke achtergrond3.1. AP en Stichting Bewaarentiteit Grondvermogen Woningen 1 (hierna: SBGW1) als verkopers en Stedelijke Huizen Maatschappij Onroerend Goed B.V. (hierna: SHMOG) als koper hebben op 4 januari 2018 een koopovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst betrof de overdracht van het bloot eigendom, door SBGW1, en de overdracht van de rechten van erfpacht, door AP, van enkele panden aan de [straatnaam] aan SHMOG of aan een nader te noemen meester voor het totaalbedrag van € 750.000,00.3.2. \n\nDie overeenkomst vermeldt, voor zover hier relevant, onder meer het volgende:\n\n“De ondergetekenden:1. [geïntimeerde] , (...), te dezen handelend:a. als algemeen directeur van (...), welke vennootschap handelt als bestuurder van:Aemstel Participaties (...), hierna te noemen: \"Verkoper 1\";b. als mondeling gevolmachtigde van:Stichting Bewaarentiteit Grondvermogen Woningen 1 (...),hierna te noemen:\"Verkoper 2\";Verkoper 1 en Verkoper 2 hierna tezamen te noemen: \"Verkoper\";de geldigheid van vorenstaande mondelinge volmacht kon door de notaris ten tijde van het opmaken van deze koopovereenkomst niet worden gecontroleerd.\n\n(…)\n\nLeveringArtikel 9De Leveringsakte zal worden verleden op1 maart 2018 of zoveel eerder of later als Koper en Verkoper nader zullen overeenkomen, ten overstaan van de notaris.”3.3. \n\nArtikel VI lid 2 sub a van de algemene bepalingen van de overeenkomst, die onder de kop “Definities” op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard, vermeldt:\n\n“Indien één van de partijen, na bij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen, na de dag waarop het deurwaardersexploot is uitgebracht, tekortschiet in de nakoming van één of meer van haar verplichtingen -(...)- is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:a. uitvoering van de Koop te verlangen, in welk geval de partij die in verzuim is na afloop van voormelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien ingegane dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd is van drie pro mille van de koopprijs; (…)”3.4. Op 1 maart 2018 is het onbezwaarde volle eigendom (en dus ook het recht van erfpacht) namens AP en SBGW1 niet aan SHMOG geleverd.3.5. Vanwege het uitblijven van de levering heeft SHMOG AP en SBGW1 bij brief van 27 maart 2018 in gebreke gesteld en bij exploot van 3 april 2018 gesommeerd om binnen acht dagen hun verplichtingen na te komen. In deze brief maakt SHMOG tevens aanspraak op contractuele boetes.3.6. \n\nOp 6 april 2018 is namens SBGW1 per e-mail het volgende aan [geïntimeerde] bericht:\n\n“De hoofddirectie heeft besloten om (voorlopig) geen medewerking (meer) te verlenen aan de levering van de blote eigendom van de [straatnaam] . Er is besloten om het dossier door medewerkers te laten beoordelen die tot op heden geen enkele relatie hebben gehad met het dossier Aemstel. Die gaan advies uitbrengen aan de hoofddirectie. Mijn rol en die van het bestuur is (voorlopig) uitgespeeld.”3.7. \n\nNamens SHMOG is op 9 april 2018 een brief aan SBGW1 verzonden waarin, voor zover hier relevant, onder meer het volgende staat:\n\n“Namens cliënte deel ik u mede dat zij ten onrechte Stichting Bewaarentiteit Grondvermogen Woningen 1 in gebreke heeft gesteld en in geding heeft betrokken. U kunt voornoemde brief en ingebrekestelling derhalve als niet-verzonden respectievelijk nietig beschouwen.”3.8. SHMOG heeft geen intrekking van haar ingebrekestelling aan AP verzonden. Evenmin is AP haar verplichtingen uit de oorspronkelijke overeenkomst jegens SHMOG nagekomen.3.9. SBGW1 heeft als verkoper op 1 november 2018 een koopovereenkomst met JACM als koper gesloten voor de verkoop van een groot aantal onroerende zaken. Daartoe behoort onder meer het bloot eigendom van de panden aan de [straatnaam] die ook in de koopovereenkomst van 4 januari 2018 zijn vermeld. Op 22 februari 2019 zijn die onroerende zaken door SBGW1 aan JACM geleverd. Uit de transportakte blijkt dat de totale koopprijs € 1.156.797,15 bedraagt.3.10. Op 12 maart 2019 hebben SHMOG en JACM een meestersverklaring ondertekend waarin onder meer het volgende staat:\n\n“Stedelijke Huizen Maatschappij Onroerend Goed heeft met de desbetreffende verkoper een koopovereenkomst gesloten, die op 4 januari 2018 is ondertekend – gemelde koopovereenkomst hierna te noemen: de'overeenkomst', welke overeenkomst aan deze verklaring is gehecht;\n\nStedelijke Huizen Maatschappij Onroerend Goed heeft zich bij de overeenkomst het recht voorbehouden nader haar meester te noemen.\n\nVerklaren als volgt:\n\nStedelijke Huizen Maatschappij Onroerend Goed verklaart van bedoeld recht gebruik te maken en nader als meester te benoemen: JACM ;\n\nJACM verklaart een kopie van de overeenkomst te hebben ontvangen;\n\nJACM aanvaardt voormelde benoeming en treedt mitsdien in alle voor Stedelijke Huizen Maatschappij Onroerend Goed uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen als ware zij zelf partij bij de overeenkomst. Onder bedoelde rechten en verplichtingen is mede begrepen - doch niet beperkt tot - het recht op levering van \"het Verkochte\", zoals vermeld in de overeenkomst, zulks onder de in de overeenkomst opgenomen voorwaarden.”3.11. De rechtbank Haarlem heeft [geïntimeerde] op 15 juni 2021 failliet verklaard met benoeming van mr. [curator] tot curator. Bij beschikking van 9 april 2024 is dat faillissement door de rechtbank opgeheven.4. Procedure bij de rechtbank4.1. \n\nDe rechtbank Rotterdam heeft de vorderingen van JACM bij verstekvonnis van 25 september 2019, gewezen onder zaak-\u002Frolnummer C\u002F10\u002F577716 \u002F HA ZA 19-633, integraal toegewezen als volgt:\n\n“De rechtbank,\n\nI. wijzigt de overeenkomst tussen [ JACM ] en [AP], zoals overgelegd als productie 1 bij dagvaarding, zodanig dat de volgende passage:\n\nkomen overeen:Verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt de volle eigendom van de Registergoederen, vrij van erfpacht, hierna aan te duiden als: “het Verkochte\".\n\nDe koopprijs bedraagt voor het Verkochte:zevenhonderdvijftigduizend euro (€ 750,000,00).\n\nwordt gewijzigd in:\n\nkomen overeen:Verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt, de rechten van erfpacht voor onbepaalde tijd, rustend op de percelen gelegen aan de [straatnaam] [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] , hierna aan te duiden als: “het Verkochte”.\n\nDe koopprijs bedraagt voor het Verkochte: tweehonderdzesentachtigduizend negenhonderdvijfentachtig euro en achtenvijftig cent (€ 286.985,58)\n\nen wijzigt voorts artikel 9, dat als volgt komt te luiden:\n\nArtikel 9De voor eigendomsoverdracht vereiste akte tot levering, althans de inschrijving van het ten dezen te wijzen vonnis, zal worden verleden voor een door koper aan te wijzen notaris op een door koper te bepalen tijdstip.\n\nII. bepaalt dat dit vonnis in plaats treedt van de akte van levering van het onder 1. omschreven recht van erfpacht door [AP] aan [ JACM ];\n\nIII. veroordeelt [AP c.s.] hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan [ JACM ] te betalen het bedrag van € 384.849,12 (driehonderdvierentachtigduizend achthonderdnegenenveertig euro en twaalf cent), ter zake van contractuele boetes en bepaalt daarbij dat voormeld bedrag verrekend mag worden met de koopsom ter zake van de levering van de rechten van erfpacht voornoemd, voor zover nog door [ JACM ] verschuldigd;\n\nveroordeelt [AP c.s.] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [ JACM ] vastgesteld op € 4.119,75 aan verschotten en € 2.402,00 aan salaris voor de advocaat;\n\nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.”4.2. AP c.s. zijn bij verzetdagvaarding van 14 februari 2020 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Daarbij hebben zij ook incidentele vorderingen en een reconventionele vordering ingesteld.4.3. In de verzetprocedurevorderden AP c.s. dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat JACM alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, dan wel dat die vorderingen alsnog worden afgewezen..4.4. In reconventievorderden AP c.s. dat de rechtbank JACM veroordeelt om al hetgeen JACM ter uitvoering van het verstekvonnis heeft verricht ongedaan te maken, zodat AP c.s. zoveel mogelijk worden teruggebracht in de (feitelijke, juridische en economische) positie waarin zij zouden verkeren als het vonnis niet was gewezen, een en ander op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 1.000.000,00.4.5. Bij voorwaardelijke vermeerdering van eis in reconventievorderde AP daarnaast - verkort weergegeven - voor zover het verstekvonnis voor wat betreft onderdeel I en II van het dictum van het verstekvonnis in stand blijft:\n\n- Primair, JACM te veroordelen om te voldoen aan AP de waarde van de erfpachtrechten zoals geldend op de dag van de koopovereenkomst van 4 januari 2018 volgens productie 1 van de inleidende dagvaarding, althans op de dag van levering en overdracht van de erfpachtrechten ingevolge onderdeel II van het verstekvonnis, zoals die waarde zal blijken te zijn vastgesteld door een of meer deskundigen als door de rechtbank te benoemen;\n\n- Subsidiair, JACM te veroordelen aan AP een bedrag te voldoen van € 286.985,58 te vermeerderen met de rente en kosten zoals bepaald in laatstgenoemde koopovereenkomst, in het bijzonder artikel VI Algemene Bepalingen, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119a, althans 6:119 BW.4.6. Bij antwoordakte tevens houdende akte eisvermeerdering heeft JACM de door haar gevorderde boete vermeerderd naar een bedrag van € 507.966,40.4.7. Bij vonnis van 30 september 2020 in de incidenten heeft de rechtbank Rotterdam AP c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun verzet tegen de onderdelen I en II van het verstekvonnis, vanwege het niet tijdig inschrijven van het hoger beroep als bedoeld in artikel 3:301 lid 2 BW. Voor het overige heeft de rechtbank AP c.s. wel ontvankelijk verklaard. De incidentele vordering van AP c.s. tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het verstekvonnis is afgewezen.4.8. Bij vonnis in verzet van 23 februari 2022 heeft de rechtbank Rotterdam het verstekvonnis vernietigd wat betreft onderdeel III van het dictum en de proceskostenveroordeling. Met betrekking tot de vorderingen tegen [geïntimeerde] heeft de rechtbank overwogen dat de procedure vanwege zijn faillissement is geschorst op grond van artikel 29 Fw. In conventie heeft de rechtbank geoordeeld dat JACM niet binnen een redelijke termijn als meester is benoemd en dus geen partij bij de overeenkomst had kunnen worden. Aangezien zij op grond van het onherroepelijke verstekvonnis wel partij is geworden, heeft de rechtbank dat in de meest enge zin begrepen. Om die reden is JACM volgens de rechtbank geen partij geworden wat het boetebeding betreft, zodat haar vordering tot betaling daarvan is afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank geoordeeld dat JACM de koopprijs aan AP is verschuldigd en de subsidiaire vordering daartoe ter hoogte van € 286.985,58 toegewezen. De proceskosten heeft de rechtbank gecompenseerd, zowel in conventie als reconventie.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. JACM vordert in hoger beroep hetzelfde als bij de rechtbank. Bij akte heeft zij haar eis vermeerderd in die zin dat zij nu ook vordert dat het hof voor recht verklaart dat JACM gerechtigd is zich tegenover [geïntimeerde] op verrekening te beroepen tot een bedrag van ten minste € 482.925,27 en tegenover AP tot een bedrag van € 567.659,91, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.5.2. Bij memorie van antwoord heeft AP haar reconventionele vordering vermeerderd. Die vermeerdering bestaat - zakelijk weergegeven - uit vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, die AP heeft geleden doordat de verkochte rechten van erfpacht op het moment van verkoop meer waard waren dan het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 286.985,58.6. Beoordeling in hoger beroep\n\nDe vordering van JACM\n\nJACM is jegens [geïntimeerde] niet-ontvankelijk6.1. JACM is deze procedure in hoger beroep tegen zowel AP als [geïntimeerde] gestart. Het hof stelt vast dat de rechtbank in het vonnis van 23 februari 2022 onder randnummer 4.4. expliciet heeft overwogen dat de procedure tegen [geïntimeerde] in conventie op grond van artikel 29 Fw van rechtswege is geschorst, omdat de vorderingen van JACM voldoening van een verbintenis uit de boedel van [geïntimeerde] ten doel hebben. In overweging 4.5. heeft de rechtbank vervolgens opgenomen dat in conventie alleen nog over de vordering van JACM tegen AP dient te worden geoordeeld.6.2. \n\nDoordat de procedure tegen [geïntimeerde] in conventie is geschorst, bestaat er (nog) geen uitspraak tussen JACM en [geïntimeerde] waartegen JACM beroep kan instellen. Om die reden wordt JACM in deze procedure ten aanzien van [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard. Aangezien [geïntimeerde] niet is verschenen, bestaat voor een kostenveroordeling ten gunste van hem geen aanleiding.\n\nJACM is volledig partij geworden bij de oorspronkelijke overeenkomst6.3. Volgens JACM is op grond van het verstekvonnis van 25 september 2019 en het vonnis in incident van 30 september 2020 al in rechte komen vast te staan dat zij partij is geworden bij de volledige koopovereenkomst van 4 januari 2018. Om die reden heeft de rechtbank volgens haar ten onrechte geoordeeld dat zij slechts in de meest enge zin partij is geworden bij die overeenkomst. Voor zover de rechtbank in weerwil van die vonnissen al mocht toetsen of JACM partij bij de overeenkomst is geworden, stelt JACM zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet binnen een redelijke termijn als meester is benoemd.6.4. AP stelt dat de koopovereenkomst van 4 januari 2018 na het sluiten van de koopovereenkomst tussen SBGW1 en JACM van 1 november 2018 niet meer bestaat, althans dat daar sindsdien geen beroep meer op kan worden gedaan. Voor zover er nog wel een beroep op die koopovereenkomst kan worden gedaan, is JACM daar volgens AP geen partij bij geworden omdat zij te laat als meester is benoemd.6.5. Voor zover de grieven van AP willen opkomen tegen (de niet-ontvankelijkverklaring van het verzet tegen) de onderdelen I en II van het dictum van het verstekvonnis, is AP in haar hoger beroep niet ontvankelijk. De niet-ontvankelijkverklaring in het vonnis van 30 september 2020 was immers een gedeeltelijk eindvonnis, waartegen direct had moeten worden geappelleerd, niet pas gelijktijdig met het appel tegen het eindvonnis (buiten de beroepstermijn, gerekend vanaf het vonnis van 30 september 2020). In die onderdelen I en II is bepaald dat JACM partij is geworden bij de overeenkomst met AP en wordt gewijzigd zoals gevorderd door JACM . Daarmee staat in rechte vast dat JACM partij is geworden bij de oorspronkelijke overeenkomst. AP heeft in hoger beroep ook met zoveel woorden naar voren gebracht dat zij berust in de overdracht van het recht van erfpacht, zoals door de rechtbank is bevolen (par. 17 memorie van antwoord).6.6. Het hof verwerpt het verweer van AP dat de overeenkomst niet meer bestaat, omdat niet is gebleken van een grond voor het tenietgaan van de overeenkomst. Het enkele feit dat er een nadere overeenkomst is gesloten tussen SGBW1 als verkoper en JACM als koper ten aanzien van het bloot eigendom van de percelen, brengt niet mee dat de eerdere overeenkomst, die ook betrekking had op het recht van erfpacht, zijn kracht verliest. Anders dan de rechtbank, ziet het hof ook geen grondslag voor de conclusie dat JACM slechts in “de meest enge zin” – wat dat ook moge betekenen - bij de overeenkomst partij is geworden. Door de niet-ontvankelijkheid van AP in het verzet tegen onderdelen I en II van het dictum van het verstekvonnis staat vast dat JACM als nader genoemde meester partij is geworden bij de koopovereenkomst. Niet goed in te zien is hoe zij slechts gedeeltelijk partij is geworden. Daarvoor is geen goede grond. Zelfs als JACM niet binnen een redelijke termijn als nadere meester is genoemd en dus eigenlijk geen partij bij de oorspronkelijke overeenkomst had kunnen worden, dan doet dat niet af aan het onherroepelijke oordeel in het verstekvonnis waaruit dat wel volgt. Het beroep op de artikelen 3:67 en 3:301 lid 2 BW maakt dat niet anders. Dat beroep had in een eventueel hoger beroep tegen het vonnis in het incident kunnen worden beoordeeld, maar kan nu niet afdoen aan het onherroepelijk karakter van het vonnis in het incident.6.7. \n\nIn zoverre slagen grieven I, VI en VII van JACM dan ook. Dat leidt echter niet tot toewijzing van de door haar gevorderde boete. Dat licht het hof hierna toe.\n\nSHMOG heeft aanspraak op de contractuele boete verwerkt6.8. Het is tussen partijen niet in geschil dat de levering van de onroerende zaken niet conform de koopovereenkomst van 4 januari 2018 heeft plaatsgevonden. Logischerwijs heeft SHMOG zowel AP als SBGW1 in gebreke gesteld en hen, met aanspraak op de contractuele boete, bij deurwaardersexploot van 3 april 2018 gesommeerd om alsnog aan hun verplichtingen te voldoen.6.9. Vervolgens heeft SHMOG op 9 april 2018 alleen aan SBGW1 te kennen gegeven dat zij de ingebrekestelling als nietig of niet verzonden kan beschouwen. Een reden waarom SHMOG van SBGW1 niet en van AP kennelijk nog wel nakoming verlangde blijkt niet uit de in het geding gebrachte stukken en evenmin heeft JACM , als nader genoemde meester van SHMOG, daarvoor een verklaring gegeven. Het hof overweegt dat AP c.s. met de e-mail van 6 april 2018 die namens SBGW1 aan [geïntimeerde] is verzonden hebben onderbouwd dat SBGW1 heeft besloten om (voorlopig) niet (meer) aan de levering aan SHMOG mee te werken. Aangezien SHMOG het volledig eigendom heeft gekocht en SBGW1 het bloot eigendom zou leveren, was de medewerking van SBGW1 noodzakelijk voor het door SHMOG beoogde gevolg, namelijk de verkrijging van het volle eigendom van de panden. Met andere woorden: levering alleen door AP van haar erfpachtrecht zou niet leiden tot het door partijen beoogde resultaat. Naar het oordeel van het hof past daarom het intrekken van alleen de ingebrekestelling aan de partij die het bloot eigendom zou leveren niet bij de situatie waarin SHMOG nog de nakoming van de volledige koopovereenkomst verlangde. Dat tussen partijen in geschil is of [geïntimeerde] namens SBGW1 als mondeling gemachtigde mocht optreden, doet daar niet aan af, temeer nu niet is gesteld of gebleken dat SBGW1 tegen [geïntimeerde] of tegen SHMOG die volmacht heeft betwist.6.10. Uit het feit dat SHMOG de ingebrekestelling jegens SBGW1 had ingetrokken, kon voor AP dus het beeld ontstaan dat zij niet langer aanspraak maakte op het verkrijgen van de volle eigendom van de panden. Het beeld dat SHMOG niet langer aanspraak maakte op de nakoming van de koopovereenkomst wordt verder versterkt door de omstandigheid dat nergens uit blijkt dat SHMOG jegens SBGW1 en JACM nog concreet aanspraak op de levering van het bloot eigendom aan haar heeft gemaakt. Kennelijk was die levering aan JACM voor SHMOG akkoord. Sterker nog, zij heeft juist JACM , de partij die het bloot eigendom na haar van SBGW1 heeft gekocht en wél geleverd heeft gekregen, ruim een jaar na de oorspronkelijke leverdatum als nadere meester benoemd. Het hof stelt dus vast dat SHMOG eerst haar ingebrekestelling tegen alleen SBGW1 heeft ingetrokken, vervolgens niet tegen levering door SBGW1 van het door haar gekochte deel aan een derde heeft geprotesteerd en later diezelfde derde zelfs als haar eigen nadere meester heeft benoemd, terwijl zij al die tijd tegen AP heeft stilgezeten. In die omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat SHMOG jegens AP nog een beroep op de boetebepaling van de koopovereenkomst kan doen. Conclusie6.11. \n\nHet hof concludeert dat SHMOG haar recht op nakoming van de boetebepaling in de algemene voorwaarden van de koopovereenkomst van 4 januari 2018 heeft verwerkt. Dat betekent dat SHMOG geen beroep meer kon doen op die boeteclausule jegens AP. Aangezien JACM in de rechten van SHMOG is getreden, kan JACM daar dus ook geen aanspraak op maken. De vordering van JACM tot veroordeling van AP tot betaling van de boetes wordt daarom afgewezen. Om die reden wordt de beslissing van de rechtbank bekrachtigd.\n\nDe vordering van AP\n\nGeen onrechtvaardigde verrijking6.12. AP heeft haar reconventionele vordering in hoger beroep vermeerderd. Zij stelt dat uit de akte van levering van 22 februari 2019, waarbij SBGW1 onder meer het bloot eigendom van de onroerende zaken die bij de koopovereenkomst van 4 januari 2018 zijn verkocht heeft geleverd aan JACM , geen koopprijs voor dat bloot eigendom is gespecificeerd. Aldus staat volgens haar niet vast dat het bloot eigendom voor € 463.014,42 aan JACM is verkocht. Aan de hand van een indicatie van een taxateur stelt zij zich op het standpunt dat de rechten van erfpacht op het moment van de levering aan JACM een waarde van € 870.000,00 hadden. Doordat de koopprijs in het verstekvonnis is bepaald op € 286.985,58 is AP verarmd en JACM ongerechtvaardigd verrijkt. De precieze hoogte van haar schade wenst zij nader op te laten maken bij staat.6.13. Het hof stelt voorop dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Een verrijking is ongerechtvaardigd indien daarvoor geen redelijke grond bestaat. Het hof overweegt dat AP, rechtsgeldig vertegenwoordigd door [geïntimeerde] , partij was bij de koopovereenkomst van 4 januari 2018. In die overeenkomst is een koopprijs opgenomen van € 750.000,00 voor het volledige eigendom van de onroerende zaken. Die koopprijs zag dus op zowel de door AP te leveren rechten van erfpacht als het door SBGW1 te leveren bloot eigendom van de onroerende zaken. Als kopende partij bij die overeenkomst hoeft JACM dus nooit meer dan € 750.000,00 voor het volledige eigendom van de onroerende zaken te betalen. Zelfs als de rechten van erfpacht ten tijde van de levering aan JACM meer dan dat totale bedrag waard zouden zijn, zoals AP stelt, dan zou JACM niet ongerechtvaardigd zijn verrijkt, omdat die verrijking dan zijn redelijke grondslag heeft in de mede door AP gesloten koopovereenkomst. Ook de verkrijging die op grond van het verstekvonnis heeft plaatsgevonden, en de betaling daarvoor, heeft uiteindelijk plaatsgevonden op grond van de overeenkomst en is dus niet zonder grond. Het hof komt daarom tot het oordeel dat AP haar stelling dat JACM ongerechtvaardigd is verrijkt niet voldoende concreet heeft onderbouwd.6.14. \n\nVoor zover AP met haar vermeerdering van eis heeft bedoeld dat JACM mogelijk een lager bedrag aan SBGW1 en daarom een lager totaalbedrag dan de overeengekomen € 750.000,00 heeft betaald, geldt eveneens dat AP daarvoor onvoldoende concrete onderbouwing heeft gegeven. De vermeerderde vordering van AP wordt daarom afgewezen.\n\nBeroep op verrekening in strijd met de tweeconclusie regel6.15. Met haar akte van 4 juli 2024 heeft JACM zich op verrekening beroepen tot een bedrag van tenminste € 482.925,27 tegenover [geïntimeerde] en tot een bedrag van € 567.659,91 tegenover AP. AP heeft uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen dat beroep op verrekening, omdat deze naar haar mening in strijd is met de tweeconclusieregel en de goede procesorde.6.16. \n\nHet hof overweegt dat JACM haar verrekeningsverweer voor het eerst bij haar akte na de memorie van antwoord voert. De tweeconclusieregel vereist echter dat JACM als appellant al haar grieven en weren en ook nieuwe feiten en stellingen in de memorie van grieven aanvoert. Door AP is bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging, en aangezien JACM haar verweer bij executie van het vonnis alsnog jegens AP kan voeren doet zich naar het oordeel van het hof ook geen situatie voor waarin toepassing van de tweeconclusieregel in strijd zou komen met een goede procesorde. Het hof gaat dan ook aan het verrekeningsverweer van JACM voorbij vanwege strijd met de tweeconclusieregel.\n\nConclusie en proceskosten6.17. De conclusie is dat zowel de vermeerdering van eis van AP als het verrekeningsverweer van JACM niet slagen. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen.6.18. Het hof verwerpt het bewijsaanbod van AP aangezien het niet kenbaar betrekking heeft op feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Datzelfde geldt voor het bewijsaanbod van JACM .6.19. \n\nHet hof zal JACM als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de AP c.s. op:\n\ngriffierecht € 5.689,- salaris advocaat € 8.428,50 (1,5 punt × tarief VII) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 14.306,506.20. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6.21. Het hof zal AP als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep c.q. wat betreft de eisvermeerdering van AP in hoger beroep. Het hof begroot die proceskosten aan de zijde van JACM op nihil.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart JACM niet-ontvankelijk in haar in hoger beroep tegen [geïntimeerde] ingestelde vorderingen;\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2022;\n\nveroordeelt JACM in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van de AP c.s. begroot op € 14.306,50, en vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als JACM deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als JACM niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, JACM de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als JACM deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;\n\nveroordeelt AP in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van de JACM tot op heden begroot op nihil; wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;\n\nwijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.H.J. Doornink, mr. J.J. van der Helm en mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:469","2026-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.968Z",{"id":140,"ecli":141,"slug":142,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":143,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":145,"parsedAt":61,"updatedAt":146},"1015","ECLI:NL:RBDHA:2026:4761","ecli-nl-rbdha-2026-4761","RECHTBANK Den Haag\n\nTem handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684656 \u002F HA ZA 25-382\n\nVonnis van 4 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser] , te [woonplaats 1] ,\n\n2. [eiseres], te [woonplaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] c.s.,\n\nadvocaat: mr. N.C. Ing, te Zoetermeer,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] B.V., te [vestigingsplaats] ,\n\n2. [gedaagde 2], te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , tezamen: [gedaagden] c.s.,\n\nadvocaat: mr. J. Bouwman-Treffers, te Honselersdijk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\n- de dagvaarding van 16 april 2025, met de producties 1 tot en met 20;\n\n- de conclusie van antwoord, met de productie 1 tot en met 4;\n\n- de akte overlegging nadere producties van [eisers] c.s., met de producties 21 tot en met 25;\n\n- een beter leesbare versie van productie 8 van [eisers] c.s.;\n\n- de producties 5 en 6 van [gedaagden] c.s.\n\n1.2.. Op 19 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak nader toegelicht, pleitaantekeningen overgelegd, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is voorgevallen.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. Op 3 januari 2020 heeft [gedaagde 2] de vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. (hierna [bedrijfsnaam] ) opgericht, met een geplaatst kapitaal van € 1.200. [gedaagde 1] was (tot het faillissement van [bedrijfsnaam] ) enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] .\n\n2.2.. Begin februari 2021 is tussen [bedrijfsnaam] en [eisers] c.s. een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten voor de verbouwing van hun woning (hierna: de woning). Op deze overeenkomst (hierna: de overeenkomst) zijn de algemene voorwaarden van [bedrijfsnaam] van toepassing. De projectleider van de verbouwing was [projectleider] (hierna: [projectleider] ), werknemer van [bedrijfsnaam] . [eisers] c.s. werden ondersteund door een architecte\u002F bouwbegeleidster.\n\n2.3.. \n [eisers] c.s. en [bedrijfsnaam] zijn een aanneemsom van € 441.273,57, inclusief BTWovereengekomen, welke in 18 termijnen zou worden voldaan. Overeengekomen is dat deze termijnen een voorschot inhielden op de uit te voeren werkzaamheden en dat deze termijnen ongeveer gelijk zouden lopen met de stand van het werk. Meerwerk zou apart tussendoor worden afgerekend en aan het einde zou nog een laatste meer- en minderfactuur worden opgesteld.\n\n2.4.. In februari 2021 zijn de werkzaamheden aan de woning gestart. Tot en met 5 oktober 2021 hebben [eisers] c.s. de termijnfacturen 1 tot en met 15 (€ 381.048,95) voldaan.\n\n2.5.. \n\nOp 4 oktober 2025 hebben [eisers] c.s. een termijnfactuur van € 26.476,42 (termijn 16) ontvangen. [eisers] heeft hierover contact opgenomen met [gedaagde 2] , omdat deze factuur volgens [eisers] geen gelijke tred hield met de voortgang van de werkzaamheden. [gedaagde 2] stelde zich op het standpunt dat de factuur betaald moest worden en dat anders de werkzaamheden zouden worden gestaakt. Op voorstel van [gedaagde 2] hebben [eisers] c.s. de factuur in twee gedeelten betaald, namelijk op 10 oktober 2021\n\n€ 13.238,21 en op 26 oktober 2021 nogmaals € 13.238,21.\n\n2.6.. Naar aanleiding van de ontvangst van een nieuwe termijnfactuur van € 26.476,42 (termijn 17) heeft [eisers] op 15 november 2021 wederom contact gehad met [gedaagde 2] . [eisers] stelde zich op het standpunt dat de woning eerst wind- en waterdicht zou moeten zijn, voordat deze factuur betaald zou worden.\n\n2.7.. Bij e-mail van 17 november 2021 heeft [gedaagde 2] [eisers] c.s. verzocht om termijnfactuur 17 te betalen. [gedaagde 2] heeft hierover geschreven:\n\n“In de bijlage de aangepaste planning zoals jullie gisteren hebben besproken.\n\nHier wil ik gelijk op inhaken m.b.t. de facturatie. Afgelopen week is er een termijn uitgegaan en dat zou inhouden dat hierna nog één termijn en verrekening meer- en minder werk moet worden gerekend.\n\nOm een hele lange discussie hierover te moeten voeren is zonde van onze tijd en ik wil dan ook het volgende doen.\n\n Termijn 17 zoals verstuurd.\n\n Facturatie meer- en minderwerk (+\u002F- € 7.879,21, exclusief BTW) na de 1e oplevering (na 13-12). Deze kan iets afwijken omdat er een post met een verrekenbare aantal in is verwerkt (MM-13). Hier rekenen we daadwerkelijke aantallen af\n\n Laatste termijn (€ 22.063,68 inclusief BTW) na oplevering en overdracht.”\n\n2.8.. Op 17 november 2021 was het saldo van de ING-rekening van [bedrijfsnaam] € 8,01 negatief.\n\n2.9.. Op 22 november 2021 hebben [eisers] c.s. termijnfactuur 17 betaald op deze ING-rekening.\n\n2.10.. Vervolgens heeft [gedaagde 2] op 23 november 2021 van de ING-rekening van [bedrijfsnaam] meerdere bedragen overgemaakt, onder meer een bedrag van € 12.876,82 aan [gedaagde 1] .\n\n2.11.. Op 25 november 2021 heeft [gedaagde 2] besloten het faillissement van [bedrijfsnaam] aan te vragen. Bij vonnis van 7 december 2021 is [bedrijfsnaam] in staat van faillissement verklaard.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eisers] c.s. vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI primair:[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van\n\n € 97.999,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nII subsidiair:[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van\n\n € 26.476,22 met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2021 tot aan de dag van algehele voldoening en € 26.476,22, met de wettelijke rente vanaf 22 november 2021 tot de dag van algehele voldoening;\n\nIII primair en subsidiair:[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n\nAan deze vorderingen hebben [eisers] c.s., samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagden] c.s. hebben als (middellijk) bestuurders onrechtmatig gehandeld jegens [eisers] c.s. In de eerste plaats wisten of behoorden [gedaagden] c.s. bij het aangaan van de overeenkomst te weten dat [bedrijfsnaam] niet aan haar verplichtingen jegens [eisers] c.s. zou kunnen voldoen en dat zij evenmin verhaal zou bieden. In de tweede plaats heeft [gedaagde 2] toegelaten dat [bedrijfsnaam] niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden. Hij heeft immers toegelaten dat door [eisers] c.s. betaalde termijnen die bestemd waren voor de verbouwing door [projectleider] voor andere doeleinden zijn gebruikt. [gedaagde 2] had als enige toegang tot de ING-rekening van [bedrijfsnaam] en had een waarborg moeten inbouwen om oneigenlijke besteding van de gelden te voorkomen.\n\nIn de derde plaats heeft [gedaagde 2] de termijnfacturen 16 en 17 laten betalen zonder dat deze opeisbaar waren en terwijl hij wist of had behoren te weten dat [bedrijfsnaam] hoogstwaarschijnlijk niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Bovendien heeft [gedaagde 2] het op 23 november 2021 ontvangen bedrag gebruikt om [gedaagde 2] Adviesgroep te betalen.\n\nTen slotte heeft [gedaagde 2] vanaf november 2021 steeds toezeggingen gedaan, die hij niet heeft kunnen waarmaken. Hij heeft beloftes gedaan en op zijn minst de indruk gewekt dat hij ervoor zou zorgen dat de woning zou worden afgebouwd. Hij heeft [eisers] c.s. vijf maanden aan het lijntje gehouden. Als gevolg hiervan hebben [eisers] c.s. schade geleden. De door [eisers] c.s. geleden schade bestaat in hoofdsom uit € 95.001,96, berekend als volgt:\n\n- kosten herstel van de woning en kosten resterende werkzaamheden: € 146.392,96\n\n- uitgekeerd bedrag CAR-verzekering: € 24.690,00 -\u002F-\n\n- bedrag dat nog niet aan [bedrijfsnaam] was betaald: € 26.701,00-\u002F-\n\nTotaal: € 95.001,96\n\nOver dit bedrag zijn [gedaagden] c.s. wettelijke rente verschuldigd. Om proces-economische redenen beperken [eisers] c.s. hun primaire vordering tot € 97.999,99.\n\nVoor zover [gedaagden] c.s. niet aansprakelijk zijn voor de volledige schade, geldt dat zij aansprakelijk tot het beloop van de termijnen 16 en 17.\n\n3.3.. \n [gedaagden] c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBestuurdersaansprakelijkheid?\n\n4.1.. Allereerst aan de orde is of [gedaagden] c.s. als (middellijk) bestuurders van [bedrijfsnaam] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor schade die [eisers] c.s. lijden ten gevolge van het niet geheel nakomen door [bedrijfsnaam] van de aannemingsovereenkomst. Die nakoming is niet meer mogelijk, omdat [bedrijfsnaam] in staat van faillissement verkeert.\n\n4.2.. De rechtbank stelt voorop dat, indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering zal evenwel naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek (BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n4.3.. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden.Dit wordt ook wel de Beklamel-norm genoemd.4.4.. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.\n\n4.5.. Verder bepaalt artikel 2:11 BW dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder tevens rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.\n\n4.6.. Op grond van de hoofdregel van het bewijsrecht (artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) is het aan [eisers] c.s. om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit het onrechtmatig handelen en de aansprakelijkheid van [gedaagden] c.s. kunnen volgen.\n\nIs aan de Beklamel-norm voor aansprakelijkheid voldaan?\n\n4.7.. \n\nTer onderbouwing van hun stelling dat [gedaagden] c.s. bij het aangaan van de overeenkomst wist of behoorde te weten dat [bedrijfsnaam] de overeenkomst niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden hebben [eisers] c.s. aangevoerd dat:\n\ni) [gedaagde 2] [bedrijfsnaam] heeft opgericht met een gering geplaatst kapitaal van € 1.200, zodat het vrijwel geen buffer had om eventuele tegenvallers op te vangen;\n\nii) [gedaagde 2] door het omvangrijke project bij [eisers] c.s. aan te nemen zonder een financiële buffer een groot risico heeft genomen, dat zich heeft verwezenlijkt.\n\n4.8.. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid kan niet worden verlangd dat een startend bedrijf een financiële buffer heeft. In dit geval is de overeenkomst met [eisers] c.s. ruim een jaar na de oprichting van [bedrijfsnaam] aangegaan, in welk jaar [bedrijfsnaam] als aannemer actief is geweest en zij, blijkens het overgelegde faillissementsverslag (productie 16 van [eisers] c.s.) een omzet van € 354.799 heeft behaald. Uit dit faillissementsverslag kan, anders dan [eisers] c.s. hebben gesteld, niet worden opgemaakt dat [bedrijfsnaam] in 2020 een verlies heeft geleden. In dat verslag is over 2020 immers een “Winst en verlies” van\n\n€ 23.778 vermeld. [eisers] c.s. hebben niet verder toegelicht hoe de financiële situatie van [bedrijfsnaam] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. Of die situatie vergde dat [bedrijfsnaam] een (grotere) financiële buffer had, kan dus niet zonder meer worden aangenomen. Ten slotte is van belang dat [bedrijfsnaam] bijna negen maanden lang heeft gewerkt aan de woning van [eisers] c.s. en in die periode - zoals [eisers] ter zitting heeft verklaard - ongeveer 70% van de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Reeds hieruit volgt dat het niet aannemelijk is dat bij het aangaan van de overeenkomst kon worden voorzien dat [bedrijfsnaam] niet in staat zou zijn de werkzaamheden te voltooien. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat niet aan de Beklamel-norm voor aansprakelijkheid is voldaan.\n\nHeeft [gedaagde 2] toegelaten dat [bedrijfsnaam] niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden?\n\n4.9.. Met betrekking tot het verwijt van [eisers] c.s., dat [gedaagde 2] heeft toegelaten dat van [eisers] c.s. ontvangen gelden die bestemd waren voor de verbouwing door [projectleider] voor andere doeleinden zijn gebruikt, wordt het volgende overwogen. [gedaagden] c.s. hebben betwist dat deze gelden oneigenlijk zijn besteed. Op dit punt hebben [eisers] c.s. geen nadere onderbouwing van hun stelling gegeven. Bovendien is van belang dat, zoals [gedaagden] c.s. onweersproken hebben aangevoerd, [bedrijfsnaam] in 2021 nog andere projecten had lopen en dat zij ook bedrijfskosten had. Hieruit volgt al dat de van [eisers] c.s. ontvangen gelden niet uitsluitend voor de verbouwing van de woning hoefden te worden gebruikt. Hierop strandt het verwijt van [eisers] c.s.\n\nMochten [gedaagden] c.s. betaling verlangen van de termijnfacturen 16 en 17?\n\n4.10.. Vervolgens is aan orde of [gedaagden] c.s. betaling hebben mogen verlangen van de termijnfacturen 16 en\u002Fof 17. Omdat deze facturen voorschotten inhielden op nog uit te voeren werkzaamheden, dient te worden beoordeeld of [gedaagden] c.s., toen zij de facturen lieten betalen, wisten of hebben behoren te weten dat [bedrijfsnaam] niet in staat zou zijn de daarop betrekking hebbende betreffende werkzaamheden uit te voeren en dat [bedrijfsnaam] geen verhaal zou bieden. Dat komt neer op een Beklameltoets.\n\n4.11.. \n [eisers] c.s. achten van belang dat de termijnfacturen nog niet verschuldigd waren gezien de stand van de werkzaamheden. Die enkele gestelde omstandigheid brengt echter niet mee dat [gedaagden] c.s. wist of behoorde te weten dat de bij die voorschotten behorende werkzaamheden niet zouden worden uitgevoerd en [bedrijfsnaam] geen verhaal zou bieden.\n\n4.12.. \n [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. hebben de termijnfactuur 16 in twee gedeelten laten betalen op 10 respectievelijk 26 oktober 2021. Over de financiële situatie van [bedrijfsnaam] in oktober 2021 hebben [eisers] c.s. niets gesteld. Wel staat vast dat [gedaagde 1] op 26 oktober 2021 nog een bedrag van € 62.000 heeft geleend aan [bedrijfsnaam] en dat [gedaagde 2] bijna een maand later het faillissement van [bedrijfsnaam] heeft aangevraagd. Uit de geldlening zou kunnen worden afgeleid dat [bedrijfsnaam] een liquiditeitstekort had, maar op zichzelf niet dat het faillissement van [bedrijfsnaam] onafwendbaar was. Kennelijk was er voor [gedaagde 2] Adviesgroep nog voldoende reden om [bedrijfsnaam] van aanvullende middelen te voorzien. De vrij gebruikelijke zekerheden die bij deze geldlening zijn bedongen, wijzen ook niet in de richting van een aanstaand faillissement. [eisers] c.s. hebben dan ook onvoldoende onderbouwd dat [gedaagden] c.s. eind oktober 2021 al wist of behoorde te weten dat de met (voorschot)factuur 16 gemoeide prestatie niet zou worden geleverd en [bedrijfsnaam] geen verhaal zou bieden.\n\n4.13.. Dat is anders ten aanzien van de termijnfactuur 17. [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. hebben die factuur laten betalen op 22 november 2021, drie dagen voordat [gedaagde 2] heeft besloten het faillissement van [bedrijfsnaam] aan te vragen. Gelet op dit zeer korte tijdsbestek moet ervan worden uitgegaan dat er op 22 november 2021 al sprake was van een zodanig penibele financiële situatie, dat het faillissement van [bedrijfsnaam] onafwendbaar, of op zijn minst zeer waarschijnlijk was. [gedaagden] c.s. hebben tenminste niet aangevoerd dat de situatie van [bedrijfsnaam] in dat tijdbestek (onvoorzien) wezenlijk is verslechterd. Als (middellijk) bestuurders moeten [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. worden geacht op de hoogte te zijn van het financiële reilen en zeilen van [bedrijfsnaam] . Gelet op de penibele financiële situatie en omdat algemeen bekend is dat concurrente crediteuren in een faillissement vrijwel altijd achter het net vissen, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. in die omstandigheden had moeten afzien van het laten betalen van voorschot factuur 17. In zoverre treft hun een ernstig verwijt jegens [eisers] c.s.\n\n4.14.. \n [gedaagden] c.s. hebben nog betoogd dat bestuurdersaansprakelijkheid niet kan worden aangenomen omdat [eisers] c.s. jegens [bedrijfsnaam] geen recht op terugbetaling van de termijnfacturen had. [gedaagden] c.s. beroepen zich op artikel 16.1 van de algemene voorwaarden, waarin is bepaald dat de overeenkomst wordt ontbonden als [bedrijfsnaam] in staat van faillissement wordt verklaard en op artikel 16.2, waarin is bepaald dat ingeval van ontbinding betaalde bedragen voor reeds uitgevoerde werkzaamheden niet worden gerestitueerd.\n\n4.15.. Dit betoog slaagt niet. Ontbinding van een wederkerige overeenkomst brengt een verbintenis tot ongedaanmaking van een door een partij ontvangen prestatie mee (artikel 6:171 BW). Bovendien hield de termijnfactuur 17 een voorschot in en zijn de daarop betrekking hebbende werkzaamheden niet uitgevoerd, zodat artikel 16.2 van de algemene voorwaarden niet van toepassing is.\n\nIs er tussen partijen een nieuwe overeenkomst tot stand gekomen?\n\n4.16.. Aan hun vordering op [gedaagde 2] hebben [eisers] c.s. ten slotte nog ten grondslag gelegd dat [gedaagde 2] , kort gezegd, vanaf eind november 2021 gedane toezeggingen niet heeft waargemaakt. Ter zitting is namens [eisers] c.s. verduidelijkt dat is bedoeld dat tussen partijen een nieuwe overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen, inhoudende dat [gedaagde 2] op zijn kosten zou zorgdragen voor het voltooien van de door [bedrijfsnaam] aangenomen werkzaamheden en dat [gedaagde 2] deze overeenkomst niet is nagekomen. [gedaagde 2] heeft betwist dat deze overeenkomst tot stand is gekomen. Volgens [gedaagde 2] heeft hij enkel [eisers] c.s. willen helpen aan een andere aannemer. Op [eisers] c.s. rust de bewijslast van het bestaan van de door hen gestelde nieuwe overeenkomst.\n\n4.17.. \n\nUitgangspunt in ons recht is dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding. Hierbij heeft te gelden dat het aanbod alle essentiële elementen van de te sluiten overeenkomst dient te bevatten om als aanbod te kunnen worden aangemerkt.\n\nHet antwoord op de vraag of een overeenkomst is tot stand gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen.\n\n4.18.. \n\n [eisers] c.s. hebben ter onderbouwing van hun stelling verwezen naar hun productie 22. Deze productie betreft een kopie van een aantal WhatsApp-berichten uit de periode 22 januari 2022 tot en met 2 mei 2022. Uit deze berichten maakt de rechtbank op er door [gedaagden] c.s. voorbereidingen zijn getroffen voor het verder afbouwen van de woning door één of meer derden en dat die werkzaamheden uiteindelijk niet zijn opgestart. De correspondentie biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat de kosten van het voltooien voor rekening van [gedaagde 2] zouden zijn. [gedaagde 2] heeft in zijn bericht van 2 mei 2022 juist duidelijk gemaakt dat hij die kosten niet zou dragen:\n\n“Ik snap dat het voor jullie belangrijk is allemaal, maar concrete afspraken zijn er helaas niet gemaakt. Wel de toezegging en de belofte dat ik jullie niet zal laten vallen en waar mogelijk jullie zal (blijven) ondersteunen. Ik had een beeld en idee van hoe het e.e.a. wilde aanvliegen maar door diverse zaken is dat helaas niet gelukt. Dit heb ik ook elke keer aangegeven. Ook heb ik elke keer aangegeven het wel volgens de regels te willen uitvoeren omdat ik geen problemen wil achteraf voor mezelf en ook niet voor jullie. Dit gezegd hebbende dat ik pas concreet invulling kan doen als ik weet welke koers verantwoord is. Ik ga om die reden geen belofte maken (financieel gezien) die ik niet kan verantwoorden of kan nakomen.”\n\nGelet op dit een en ander hebben [eisers] c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om te kunnen concluderen dat de door hen gestelde overeenkomst tot stand is gekomen. Hun vorderingen kunnen daarop dus niet worden gebaseerd.\n\nSlotsom\n\n4.19.. De slotsom is dat de vorderingen van [eisers] c.s. worden toegewezen tot een bedrag van € 26.476,42 (termijnfactuur 17), te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente.\n\nProceskosten\n\n4.20.. Partijen zijn over en weer op punten in het ongelijk gesteld. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [eisers] c.s. van € 26.476,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2021 tot de dag van algehele voldoening;\n\n5.2.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3.. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.\n\n 1554\n\n De bedragen in dit vonnis zijn steeds inclusief BTW.\n\nvgl. Hoge Raad 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NHB\u002FOosterhof.\n\n vgl. Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, Beklamel.\n\n vgl. Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger\u002FRoelofsen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4761","2026-03-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.163Z",20]