[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-direct-taxation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":30,"total":16,"page":25,"limit":108},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},47,"direct-taxation-nl","Direct Taxation","NL","2026-07-08T16:53:53.141Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},9,{"min":18,"max":19},"1993-04-27T00:00:00.000Z","2026-06-05T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123383","Wetboek van Strafrecht","art. 225",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"121809","Wet op de rechterlijke organisatie","art. 81",[31,42,49,58,66,75,84,93,100],{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":40,"updatedAt":41},"1006","ECLI:NL:RBDHA:2026:17073","ecli-nl-rbdha-2026-17073","","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummers: SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791, SGR 24\u002F4792, SGR 24\u002F4794\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Weisfelt),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014 tot en met 2017 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd alsmede voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij alle belastingaanslagen is belastingrente berekend en bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV zijn tevens vergrijpboetes aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen de voornoemde belastingaanslagen en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 maart 2024 (IB\u002FPVV en Zvw 2014), 27 maart 2024 (IB\u002FPVV 2016 en 2017) en 10 april 2024 (IB\u002FPVV 2015) de bezwaren gedeeltelijk toegewezen en daarbij de belastingaanslagen en rentebeschikkingen verminderd en de boetebeschikkingen op nihil gesteld.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026.\n\nEiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ö. Küçüksu,\n\nmr. H.N. Lakhi, drs. [controlemedewerker 3] en [naam 3] .\n\nDe zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam 1] met de zaaknummers SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803, SGR 24\u002F4804, SGR 24\u002F4805.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser bezit vanaf 17 december 2008 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. (Holding BV). Holding BV betreft een beheer- en houdstermaatschappij.\n\n2. Eiser bezit, via zijn aandelen in Holding BV, vanaf 17 december 2008 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 2] betreffen de aankoop, verkoop, exploitatie en financiering van onroerende goederen.\n\n3. Eiser bezit, via zijn aandelen in Holding BV, vanaf 21 juli 2010 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V. ( [bedrijfsnaam 3] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 3] betreffen:\n\nGroothandel en import van bouwmaterialen, vloeren, sanitair, tegels, hout en aanverwante artikelen;\n\nHet (doen) uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burger- en utiliteitsbouw;\n\nHet stofferen en inrichten ten behoeve van (weder-) verkoop.\n\n4. Eiser bezat, via zijn aandelen in Holding BV, vanaf 8 februari 2012 tot 1 januari 2015 33% van de aandelen in [bedrijfsnaam 4] B.V. ( [bedrijfsnaam 4] ) en vanaf 1 januari 2015 tot heden 50%. De activiteiten van [bedrijfsnaam 4] zijn:\n\nHet begeleiden en advisering van bouwprojecten;\n\nHet uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burgerlijke- en utiliteitsbouw.\n\n5. Uit het Renseignementen Informatie Systeem van de Belastingdienst blijkt dat eiser en [naam 1] ( [naam 1] , hierna ook wel genoemd: de compagnon), ieder voor 50%, in de jaren 2014 tot en met 2017 onder meer de volgende panden bezitten:\n\n [pand 1] ;\n\n [pand 2] ;\n\n [pand 3] ;\n\n [pand 4] ;\n\n [pand 5] ;\n\n [pand 6] ;\n\n [pand 7] .\n\n6. Eiser en de compagnon hebben in de onderhavige jaren diverse bouwwerkzaamheden laten verrichten aan deze panden, alsook aan veel andere panden. De werkwijze van eiser en de compagnon komt er veelal op neer dat zij panden kopen die zij -na al dan niet (omgevings)vergunningen te hebben aangevraagd - laten opknappen\u002F verbouwen en daarna verhuren. De verhuur vindt plaats in box 3. In een groot aantal taxatierapporten die eiser heeft verstrekt, wordt ten behoeve van de financiering van de desbetreffende panden aangegeven dat de kosten voor de verbouwing\u002Frenovatie lager dan marktconform zijn vastgesteld, aangezien eiser en de compagnon de werkzaamheden voor een deel in eigen beheer uitvoeren.\n\nBoekenonderzoek\n\n7. Op 17 december 2018 heeft controlemedewerker [controlemedewerker 1] ( [controlemedewerker 1] ) van de Belastingdienst per e-mail een boekenonderzoek aangekondigd inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2017 van eiser en de compagnon. Het (deel)onderzoek heeft zich beperkt tot de activiteiten rondom de gezamenlijke onroerendezaaktransacties die in die jaren hebben plaatsgevonden. Ook bij [bedrijfsnaam 2] is een boekenonderzoek ingesteld.\n\n8. Op 11 februari 2019 heeft [controlemedewerker 1] samen met een collega van de Belastingdienst ( [controlemedewerker 2] ) een inleidend gesprek omtrent het boekenonderzoek gevoerd met onder andere eiser, zijn adviseur (gemachtigde H. Weisfelt) en de compagnon.\n\n9. Op 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een uitnodiging voor een slotbespreking verstuurd. Daarbij is tevens het conceptrapport meegestuurd. Verder is in deze brief aangegeven dat een andere controlemedewerker van de Belastingdienst, te weten [controlemedewerker 3] ( [controlemedewerker 3] ), het boekenonderzoek zal overnemen vanwege het aankomende vertrek van [controlemedewerker 1] .\n\n10. Met dagtekening 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een kennisgeving verstuurd inzake de op te leggen (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en vergrijpboetes. De vergrijpboetes vloeien voort uit correcties vanwege niet-aangegeven (verkapte) winstuitdelingen aan eiser over de belastingjaren 2014 tot en met 2017 die leiden tot inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2).\n\n11. Om een slotbespreking in te plannen, is tussen [controlemedewerker 3] en de adviseur van eiser mailverkeer geweest. Door de Covid-19 maatregelen is de slotbespreking uitgesteld.\n\n12. Op 2 oktober 2020 heeft [controlemedewerker 3] per e-mail aangegeven dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014, conform het correctievoornemen in het conceptrapport van 27 februari 2020, opgelegd zullen worden wegens dreigende verjaring. Op 30 oktober 2020 is eiser per brief in kennis gesteld van het opleggen van deze navorderingsaanslagen.\n\n13. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is met dagtekening 21 november 2020 opgelegd. Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 51.414. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is met dagtekening 28 november 2020 opgelegd. Het verzamelinkomen in deze aanslag bedraagt € 193.220 en bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 163.908, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 29.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 1.\n\n14. Op 16 oktober 2020, 28 januari 2021, 3 maart 2021 en 31 maart 2021 hebben (slot)besprekingen plaatsgevonden. Van deze (slot)besprekingen zijn verslagen opgemaakt.\n\nDeze besprekingen zijn onder andere gevoerd met eiser, zijn gemachtigde, [naam 2] (adviseur) en de compagnon, en [controlemedewerker 3] en [naam 3] (controlemedewerkers van de Belastingdienst).\n\n15. Per e-mail is op 18 juni 2021 door [controlemedewerker 3] een aanvullend correctievoorstel verstuurd over de waarden van de panden van eiser en de compagnon. Daarna hebben de gemachtigde en [controlemedewerker 3] elkaar nog gemaild op 1 juli 2021 en 2 juli 2021 en op 16 juli 2021 heeft [controlemedewerker 3] een reactie verstuurd inzake de waardebeoordeling van de panden van eiser en de compagnon.\n\n16. De bevindingen van het onderzoek zijn uiteindelijk neergelegd in het definitieve controlerapport met dagtekening 20 juli 2021 (het controlerapport). In het controlerapport zijn tevens de op te leggen vergrijpboetes medegedeeld. De inkomenscorrecties (box 1) zijn daarbij mede gebaseerd op de door een ambtelijk taxateur van de Belastingdienst gegeven waardebepalingen (de waardebeoordelingen) betreffende de verschillende panden. In het controlerapport staat omtrent de activiteiten vermeld:\n\n“2.1.1 Algemeen\n\nIn de jaren 2012 tot en met 2017 hebben belanghebbenden samen meer dan 50 onroerende zaken verworven in de eigendomsverhouding 50\u002F50. Kort samengevat worden appartementen gekocht die in vrijwel alle gevallen achterstallig zijn onderhouden dan wel sterk gedateerd zijn. Deze appartementen staan doorgaans te koop op het woningplatform Funda. Soms wordt een object door een makelaar onder de aandacht gebracht. De activiteiten beperken zich niet alleen tot het verrichten van noodzakelijk onderhoud of het moderniseren van woningen. Er vinden ook meer grondige wijzigingen plaats in zowel feitelijke als juridische staat. Hierbij moet worden gedacht aan het splitsen, ombouwen van kantoor-\u002Fbedrijfsruimte naar woonruimte, het realiseren van constructieve doorbraken, het realiseren van een loggia, wijzigingen aan het balkon, het realiseren van een dakterras, het vergroten van een dakkapel, het realiseren van een inpandig balkon, het bouwen van garages (i.e. nieuwe onroerende zaken) en zelf het realiseren van een dakopbouw c.q. het aanbrengen van een geheel nieuwe verdieping. Voornoemde werkzaamheden worden onder hoofdstuk 3 nader beschouwd. Per project vindt een beschrijving plaats van de investeringen en het met het project behaalde resultaat. Na afronding worden de panden – op enkele uitzonderingen na – door belanghebbenden verhuurd.”\n\n17. In het controlerapport is onder andere, samengevat, het volgende geconcludeerd:\n\nDe activiteiten van eiser rondom de gezamenlijke onroerendgoedtransacties met de compagnon worden in een groot aantal – in het controlerapport benoemde – gevallen aangemerkt als een bron van inkomen, te weten box 1-inkomen, over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Daarbij gaat het doorgaans om de positieve resultaten behaald bij de overgang van box 1 (einde van meer dan normaal vermogensbeheer) naar box 3 (aanvang reguliere verhuur\u002Fstart normaal vermogensbeheer). In een enkel geval (waaronder [pand 3] ) gaat het om het resultaat behaald bij verkoop.\n\nDe correcties kwalificeren in beginsel als belastbare winst uit onderneming (primaire conclusie), maar worden in de belastingaanslagen vooralsnog in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiaire conclusie).\n\nUit diverse transacties van de gelieerde vennootschap [bedrijfsnaam 2] volgt daarnaast een (verkapte) uitdeling van dividend aan eiser en de compagnon over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Dientengevolge moet het box 2-inkomen worden gecorrigeerd.\n\nOver het bijgetelde inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) worden vergrijpboeten opgelegd. Deze vergrijpboeten hebben enkel betrekking op de correcties die worden aangebracht naar aanleiding van de (verkapte) uitdelingen van dividend.\n\n18. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2015 en 2016 (dagtekening 14 augustus 2021) en de aanslag IB\u002FPVV 2017 (dagtekening 10 augustus 2021) zijn overeenkomstig de uitkomsten van het boekenonderzoek opgelegd. Ten opzichte van de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2014 tot en met 2017 zijn de volgende correcties doorgevoerd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nVastgesteld inkomen uit\n\n€ 93.096\n\n€ 120.231\n\n€ 122.510\n\n€ 162.585\n\nwerk en woning (box 1)\n\nCorrectie inkomen uit werk en\n\n€ 70.812\n\n€ 353.990\n\n€ 126.952\n\n€ 399.014\n\nwoning (box 1, resultaat uit\n\noverige werkzaamheden)\n\nCorrectie inkomen uit\n\n€ 29.311\n\n€ 27.981\n\n€ 68.006\n\n€ 72.417\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n€ 1\n\n€ 1.679\n\n€ 2.089\n\n€ -\n\n(box 3)\n\nTotaal verzamelinkomen na\n\n€ 193.220\n\n€ 503.881\n\n€ 319.557\n\n€ 634.016\n\ncorrecties\n\nVergrijpboete\n\n€ 3.224\n\n€ 3.497\n\n€ 8.500\n\n€ 9.052\n\n19. Eiser heeft tegen alle (navorderings)aanslagen bezwaar gemaakt.\n\n20. Tussen 29 maart 2022 en 29 april 2022 hebben de bezwaarbehandelaar en de gemachtigde van eiser elkaar gemaild. Op verzoek van de gemachtigde heeft de bezwaarbehandelaar gewacht met het doen van uitspraak op bezwaar, totdat de besprekingen aangaande de bezwaren tegen de samenhangende aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2014 tot en met 2017 waren afgerond.\n\n21. Met dagtekening 14 november 2023 is een vaststellingsovereenkomst (VSO) ondertekend door enerzijds eiser en zijn partner en de compagnon en zijn partner en anderzijds de Belastingdienst over de correcties inzake het box 2-inkomen. In de VSO is onder meer vastgelegd dat de bewuste belastingschuld zal worden geformaliseerd in een nog op te leggen navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 aan [bedrijfsnaam 2] en de aangebrachte correcties in box 2 daardoor uit de aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 worden geëlimineerd. Verder is vastgelegd dat de bijbehorende vergrijpboeten op € 0 worden gesteld en de ondertekening van de VSO geldt als een intrekking van de bezwaren, gericht tegen de box 2-correcties.\n\n22. Bij uitspraken op bezwaar is verweerder vervolgens deels aan de bezwaren tegemoetgekomen en zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017, waarbij is uitgegaan van winst uit onderneming in plaats van resultaat uit overige werkzaamheden, als volgt verminderd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n€ 100.980\n\n€ 316.106\n\n€ 122.510\n\n€ 319.430\n\nwerk en woning (box 1)\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n€ 7.884\n\n€ 195.875\n\n€ -\n\n€ 156.845\n\nBelastbare inkomsten uit\n\n€ 93.096\n\n€ 120.231\n\n€ 122.510\n\n€ 162.585\n\ntegenwoordige arbeid\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ 2.089\n\n€ -\n\n(box 3)\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 100.980\n\n€ 316.106\n\n€ 124.599\n\n€ 319.430\n\nBelastingrente\n\n€ 860\n\n€ 20.032\n\n€ -\n\n€ 9.707\n\nVergrijpboete\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\nDe navorderingsaanslag Zvw 2014 is bij de uitspraak op bezwaar verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.784 en de belastingrente is daarbij dienovereenkomstig verminderd naar € 87.\n\nGeschil\n\n23. In geschil is of de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en Zvw 2014 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Daarbij is meer specifiek in geschil:\n\nof sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nof de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon ter zake van de zeven hiervóór onder punt 5 genoemde panden kwalificeren als ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ en leiden tot box 1-inkomen bestaande uit winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden (in plaats van box 3-heffing over die panden);\n\nof de aan de inkomenscorrecties ten grondslag liggende waardebepaling van de panden juist is;\n\nof het gelijkheidsbeginsel is geschonden;\n\nof sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden;\n\nof de belastingrente dient te worden gematigd;\n\nof eiser recht heeft op vergoeding van de integrale proceskosten.\n\nDe vergrijpboetes zijn in deze procedure niet meer in geschil. Het jaar 2016 is ook niet meer in geschil.\n\n24. Eiser neemt in beroep de volgende standpunten in:\n\ner is geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen geen winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden; er is geen sprake van werkzaamheden die normale beleggers niet uitvoeren, waardoor de betreffende panden tot het box 3-inkomen dienen te worden gerekend;\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder, waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn niet juist; er dient te worden uitgegaan van de taxaties van eiser en de compagnon;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat in een ander gelijk geval de inkomsten wel als box 3-inkomen zijn aangemerkt;\n\ner is sprake van vooringenomenheid en willekeur en van onzorgvuldigheid door de manier waarop de hele controle is uitgevoerd en afgehandeld;\n\nde belastingrente dient te worden gematigd, omdat die mede is opgelopen door aan verweerder te wijten vertragingen.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering dan wel vernietiging van de belastingaanslagen en rentebeschikkingen overeenkomstig zijn standpunten, onder toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.\n\n25. Verweerder stelt dat de belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2014 tot en met 2017 bij de uitspraken op bezwaar niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld en neemt daarbij de volgende standpunten in:\n\ner is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen meer dan normaal vermogensbeheer en vormen winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt);\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn juist;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is niet geschonden;\n\ner is geen sprake van vooringenomenheid of willekeur en ook niet van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel;\n\ner is geen aanleiding de belastingrente te matigen.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nBewijslastverdeling\n\n26. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangiften, omdat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verweerder op de aangiften IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en de bevindingen van het boekenonderzoek zoals neergelegd in hoofdstuk 3.1.2 van het controlerapport. Dit onderdeel ziet op de box 2-correcties.\n\n27. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee de gestelde omkering en de verzwaring van de bewijslast doet steunen op de naar aanleiding van het boekenonderzoek in box 2 toegepaste inkomenscorrecties die in de onderhavige procedure niet in geschil zijn.\n\nPartijen hebben over die specifieke box 2-correcties en de afdoening daarvan in de VSO overeenstemming bereikt, waardoor die correcties in de onderhavige procedure niet voorliggen. Uit de VSO valt niet aanstonds op te maken dat de desbetreffende correcties in de onderhavige zaken dienen te leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast, meer specifiek dat dienaangaande is voldaan aan het voor de omkering en verzwaring geldende bewustheidsvereiste. Uit de enkele verwijzing naar 3.1.2 van het controlerapport en de gesloten VSO volgt onvoldoende dat voor wat betreft het box 2-inkomen voor de onderhavige jaren bewusteen onjuiste aangifte is gedaan. Onder die omstandigheden rechtvaardigen de box 2-correcties niet de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in deze procedure. De rechtbank zal dan ook de normale regels van de bewijslastverdeling toepassen.\n\nDe activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de panden: box 1 of box 3\n\n28. Ten aanzien van de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon met betrekking tot de (ver)bouwactiviteiten aan de onderhavige zeven panden stelt verweerder dat sprake is van méér dan normaal vermogensbeheer zodat ter zake van de inkomsten daaruit sprake is van belastbare winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt). Eiser neemt daartegenover het standpunt in dat diengaande geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer zodat de panden in box 3 belast zijn. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\n29. De rechtbank stelt voorop dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Onder meer dan normaal vermogensbeheer dient te worden verstaan: het rendabel maken van de onroerende zaken mede door middel van arbeid welke door dan wel namens de eigenaar van de onroerende zaken wordt verricht waarbij deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.Het hangt van de feiten en omstandigheden van het geval af wanneer de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. In beginsel vergt dat een beoordeling per pand. Voor de vraag of sprake is van winst uit onderneming ligt het meer in de rede de activiteiten als geheel te beoordelen. Verweerder heeft bij de aanslagoplegging ter zake van 24 panden het standpunt ingenomen dat sprake is van box 1-inkomen (meer dan normaal vermogensbeheer) bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl verweerder nu nog ter zake van zeven panden box 1-inkomen stelt, bestaande uit winst uit onderneming.Verweerder heeft daarbij ingezoomd op de afzonderlijke panden en heeft niet de activiteiten van eiser en de compagnon als geheel beoordeeld. Daarom ligt nu niet concreet de vraag voor of al dan niet sprake is van een onderneming, maar enkel of de zeven onder 5 genoemde panden terecht in de box 1-heffing zijn betrokken. Gelet hierop zal de rechtbank per pand beoordelen of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Indien dat het geval is, zal de rechtbank dit als winst uit onderneming kwalificeren conform verweerders primaire standpunt, aangezien dit voordeliger is voor eiser dan resultaat uit overige werkzaamheden (gelet op de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling).\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met wat hij heeft aangevoerd en overgelegd, afgezet tegen en in samenhang bezien met wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd, voor vier panden\u002Fprojecten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Dat betreft de panden: ‘ [pand 3] ’, ‘ [pand 4] ’, ‘ [pand 5] ’ en ‘ [pand 6] ’. Voor die panden geldt dat de werkzaamheden veel meer omvatten dan enkel een verbouwing van bijvoorbeeld een keuken en\u002Fof badkamer en kwalificeren als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschrijdt, waarbij aannemelijk is dat ook steeds een rendement is beoogd dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende ten aanzien van die panden\u002Fprojecten uitgevoerde activiteiten en werkzaamheden, die volgen uit de door eisers aangevraagde omgevingsvergunningen, de door eiser overgelegde taxatierapporten en het controlerapport. Dat het pand [pand 3] uit de verhuur kwam, maakt niet dat het resultaat van de verbouwing niet in box 1 valt. Ten aanzien van de voornoemde panden\u002Fprojecten acht de rechtbank in ieder geval het volgende aannemelijk:\n\n- [pand 3]\n\nDit betreft een woonhuis met garage dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd in drie appartementen met bergingen.\n\n- [pand 4]\n\nDit betreft een garage\u002Fbedrijfsruimte ( [huisnummer 1] ) met erf en tuin en een bovenwoning op de eerste en tweede verdieping ( [huisnummer 2] ) die in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) zijn getransformeerd in twee woningen, te weten: een ‘onvrije’ (dat wil zeggen: een woning waarvan de vertrekken uitkomen op een gemeenschappelijke gang of hal) parterrewoning met een onvrije bovenwoning bestaande uit twee woonlagen, waarbij aan de achterzijde op de begane grond een uitbouw is gerealiseerd. In de verklaring ter zitting dat “een oude garagedeur [is] vervangen door een raamkozijn waardoor er een aparte woning op de begane grond ontstond”, vindt de rechtbank overigens bevestiging in de transformatie van de bedrijfsruimte naar woning. Of al dan niet ook een dakterras op de aanbouw is gecreëerd, acht de rechtbank voor de kwalificatie box 1 of box 3 niet van belang.\n\n- [pand 5]\n\nDit betreft een kantoorgebouw (kantoor met dienstwoning) dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd\u002Fopgesplitst in drie winkels\u002Fbedrijfsruimten en elf appartementen. Er is een extra woonlaag toegevoegd aan het gebouw.\n\n- [pand 6]\n\nDit betreft een winkel\u002Fwoonhuis op de begane grond en het achtergedeelte van de eerste verdieping, waar overeenkomstig de daartoe verleende vergunningen onder meer constructieve doorbraken en een aanbouw zijn gerealiseerd. De opmerking van eiser dat het stuitend is dat verweerder [huisnummer 3] heeft getaxeerd, terwijl dit volgens eiser moet zijn [huisnummer 4] , omdat [huisnummer 3] niet bestaat, doet hier niet aan af, omdat het eiser duidelijk is welk pand het betreft. Deze verwarring heeft eiser bovendien zelf veroorzaakt, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport, waarin eveneens ‘ [pand 6] ’ staat vermeld.\n\n31. Het vorenstaande betekent dat ten aanzien van de vier hiervóór genoemde panden\u002Fprojecten terecht box 1-inkomen in aanmerking is genomen. Voor de overige drie onder punt 5 genoemde panden\u002Fprojecten, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. De in het controlerapport beschreven werkzaamheden en activiteiten zijn, mede in het licht van wat eiser daarover heeft aangevoerd, onvoldoende om meer dan normaal vermogensbeheer aannemelijk te achten. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat (ook na de zitting) nog steeds onduidelijkheid bestaat over of, en zo ja in hoeverre, een aantal in het controlerapport genoemde werkzaamheden\u002Factiviteiten al dan niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat voor twee panden - [pand 2] en [pand 7] - de door verweerder becijferde resultaten voor de onderhavige jaren ook niet dwingen tot de conclusie dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer (geen rendement-plus). Deze drie panden [pand 1] , [pand 2] en [pand 7] dienen daarom tot het box 3-vermogen te worden gerekend.\n\nInkomenscorrecties; waardebepaling\n\n32. Vervolgens ligt de vraag voor of de in verband met de onder rechtsoverweging 30 genoemde panden\u002Fprojecten toegepaste inkomenscorrecties berusten op een juiste waardebepaling van die panden\u002Fprojecten. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.\n\n- [pand 3]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 407.654 met een waardecreatie van 41,5%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de daadwerkelijke gerealiseerde verkoopprijzen van de (gerealiseerde) appartementen. De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 4]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 66.675 met een waardecreatie van 27,4%, is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 310.000 in vrije staat (met waardepeildatum 31 oktober 2015). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde is getaxeerd op € 225.000 in verhuurde staat (met waardepeildatum 22 september 2014) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats eind oktober 2015 - en, anders dan in eisers taxatie het geval is, terecht uitgaat van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De taxatiewaarde van eiser van € 225.000 naar verhuurde staat per 22 september 2024 ligt overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van € 310.000 in onverhuurde staat per 31 oktober 2015, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) acht de rechtbank dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 5]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend van € 296.915 met een waardecreatie van 16,2%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op in totaal € 2.130.000 (€ 1.750.000 voor de woningen in verhuurde staat en € 380.000 voor de bedrijfsruimte in verhuurde staat). Nu de waarde is bepaald in verhuurde staat, acht de rechtbank deze uitgangspunten geenszins onredelijk. Het door eiser voor dit pand oorspronkelijk overgelegde taxatierapport van vóór de verbouwing van een registertaxateur van 18 maart 2016, in opdracht van een bank, naar een totale marktwaarde van € 1.585.000 (€ 235.000 k.k. voor drie winkelunits (begane grond) + € 1.035.000 k.k. voor 9 woonunits (1e, 2e en 3e etage) + € 315.000 voor 2 woonunits (dakopbouw)), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht niet aannemelijk dat die taxatie aansluit bij de werkelijke waarde van het pand\u002Fde verschillende units zoals uiteindelijk gerealiseerd. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 6]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport – waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend ten bedrage van € 81.080 met een waardecreatie van 21,9% – is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 97.000 (voor de winkelruimte in vrije staat) en € 355.000 (voor de woonruimte in vrije staat) (waardepeildatum 31 december 2017). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde in verhuurde staat van de winkelruimte is bepaald op € 95.000 en van de woonruimte op € 335.000 (met waardepeildatum: 14 maart 2017) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats op 31 december 2017 - en, anders dan in eisers taxatie, daarin terecht is uitgegaan van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De hiervóór bedoelde taxatiewaarden van eiser in verhuurde staat per 14 maart 2017 liggen overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van respectievelijk € 355.000 en € 97.000 in onverhuurde staat per 31 december 2017, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is daarom aannemelijk gemaakt.\n\nInkomenscorrecties\n\n33. Het voorgaande betekent dat ter zake van voornoemde projecten de volgende resultaten als winst uit onderneming (vóór ondernemersaftrek) in aanmerking moeten worden genomen, overeenkomstig de berekening in het controlerapport:\n\n- [pand 3] : € 407.654 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 4] : € 66.675 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 5] : € 296.915 toerekenbaar aan 2017;\n\n- [pand 6] : € 81.080 toerekenbaar aan 2017;\n\nvolgens dezelfde verdeelsleutel als tot nu toe is gehanteerd (50% aan zowel eiser als aan de compagnon).\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n34. Eiser stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en wijst in dit verband op een volgens hem vrijwel identiek geval, waarin wel is geconcludeerd dat sprake is van box 3-inkomen en niet van box 1-inkomen. Het geval betreft de vaste aannemer van eiser en de compagnon die in de bewuste periode een kerkgebouw heeft omgebouwd tot zeven appartementen.\n\n35. Het enkele feit dat één gelijk geval anders is behandeld, is onvoldoende om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen. Eiser beroept zich uitdrukkelijk niet op de meerderheidsregel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan sprake te zijn van een oogmerk van begunstiging of van begunstigend beleid door de Belastingdienst. Daargelaten of de gevallen zo gelijk zijn als eiser stelt, is in elk geval de aanwezigheid van een oogmerk van begunstiging of begunstigend beleid -die verweerder betwist-, gesteld noch gebleken. Reeds om die reden moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen.\n\nVooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar \u002F zorgvuldigheidsbeginsel\n\n36. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat zij de irritatie van eiser over het taalgebruik van bepaalde medewerkers van de Belastingdienst in hun interne mailverkeer, met name van de controlemedewerker [controlemedewerker 1] , zoals dat blijkt uit de gedingstukken, begrijpt en ook het daaraan ontleende gevoel dat ze volgens [controlemedewerker 1] hoe dan ook moesten betalen. De rechtbank acht de bewuste passages onprofessioneel en ongepast. Die constatering rechtvaardigt echter als zodanig niet de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomenheid en willekeur ten aanzien van de aanslagregeling of van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de controle \u002F het boekenonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en [controlemedewerker 1] is opgevolgd door [controlemedewerker 3] die zich niet op ongepaste wijze heeft uitgelaten. Tijdens de hele periode van het onderzoek en de aanslagregeling heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden, waarbij ook steeds de (nieuwe) argumenten van eiser zijn meegenomen bij de verdere beoordeling. Dit heeft onder meer geleid tot de VSO. De rechtbank ziet daarbij in de reacties van de Belastingdienst, anders dan de hiervóór bedoelde uitlatingen, geen onzorgvuldigheid of vooringenomenheid. Aldus is het zorgvuldigheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Ook overigens vindt de rechtbank daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten.\n\nBelastingrente\n\n37. Niet in geschil is dat de belastingrente is berekend conform de geldende wettelijke bepalingen. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Eiser meent dat desondanks aanleiding bestaat de belastingrente te matigen, omdat, kort gezegd, de rente mede is opgelopen door een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze aan de zijde van verweerder. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Weliswaar heeft een en ander lang geduurd, maar dat is niet te wijten aan een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze van verweerder. Het komt vooral door de lange duur van het uitgevoerde boekenonderzoek en die hangt samen met het feit dat omvangrijke activiteiten als de onderhavige veelal niet eenvoudig zijn te overzien of (fiscaal) te duiden. Dat vormt echter geen omstandigheid die een matiging van de belastingrente rechtvaardigt.Ook andere matigingsgronden zijn de rechtbank niet gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de verminderingen van de belastingaanslagen die voortvloeien uit deze uitspraak.\n\nConclusie\n\n38. Gelet op wat hiervóór is overwogen, dienen de beroepen betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017 gegrond te worden verklaard. Het beroep betreffende het jaar 2016 zal de rechtbank ongegrond verklaren, omdat over dat jaar geen geschil meer bestaat.\n\n39. De rechtbank zal verweerder opdragen de belastingaanslagen te verminderen met inachtneming van wat is bepaald in deze uitspraak, met de opdracht om de daarmee samenhangende rentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen.\n\nProceskosten\n\n40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser voor de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Hierbij stelt de rechtbank vast dat tussen de onderhavige zaken en de zaken van de compagnon die tegelijkertijd ter zitting zijn behandeld, sprake is van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt op grond van het Besluit de voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten vast op 50% van € 4.203 = € 2.101,50 (50% van de vergoeding gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1,5 wegens de zwaarte van de zaak en een samenhangfactor 1,5). Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen vergoeding toe, omdat daarvoor bij de uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding aan eiser is toegekend.\n\nDe rechtbank kent de proceskostenvergoeding van € 4.203 voor de helft, dus voor € 2.101,50 toe in de onderhavige gegronde beroepen (SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791 en SGR 24\u002F4794) en zal de andere helft toekennen in de overige samenhangende gegronde beroepen van de compagnon.\n\n41. De rechtbank wijst hierbij het verzoek van eiser om een integrale proceskostenvergoeding af, aangezien de rechtbank in de gedingstukken geen ondersteuning vindt, ook niet in samenhang bezien met hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd, voor de conclusie dat verweerder standpunten heeft ingenomen tegen beter weten inof in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 24\u002F4792 (betreffende het jaar 2016) ongegrond;\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791 en SGR 24\u002F4794 (betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, behoudens voor zover het de nihilstelling van de boetebeschikkingen en de toegekende proceskostenvergoeding betreft;\n\ndraagt verweerder op de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014 en de bij die belastingaanslagen gegeven rentebeschikkingen te verminderen met inachtneming van wat is beslist in deze uitspraak en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.101,50;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. K.G. Scholten en\n\nmr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n In de zaak SGR 24\u002F4785 is € 51 griffierecht betaald.\n\n Vgl. HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731.\n\n In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder ten aanzien van 17 panden (sommige bestaande uit meerdere nummers\u002Fobjecten) geconcludeerd dat toch sprake is van box 3-inkomen.\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 24 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1105, bevestigd in Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:539 (met artikel 81 RO).\n\n Vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.\n\n Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17073","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.596Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":46,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":40,"updatedAt":48},"295","ECLI:NL:RBDHA:2026:17074","ecli-nl-rbdha-2026-17074","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummers: SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803, SGR 24\u002F4804, SGR 24\u002F4805\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Weisfelt),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014 tot en met 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd alsmede voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij alle belastingaanslagen is belastingrente berekend en bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn tevens vergrijpboetes aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen de voornoemde belastingaanslagen en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 maart 2024 (Zvw 2014), 30 maart 2024 (IB\u002FPVV 2016 en 2017), 5 april 2024 (IB\u002FPVV 2014) en 8 april 2024 (IB\u002FPVV 2015) de bezwaren gedeeltelijk toegewezen en daarbij de belastingaanslagen en rentebeschikkingen verminderd en de boetebeschikkingen op nihil gesteld.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026.\n\nEiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] ,\n\nmr. [naam 4] , drs. [naam 5] en [naam 6] .\n\nDe zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam 1] met de zaaknummers SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791, SGR 24\u002F4792, SGR 24\u002F4794.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser bezit vanaf 17 december 2008 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. ( [bedrijfsnaam 1] ). [bedrijfsnaam 1] betreft een beheer- en houdstermaatschappij.\n\n2. Eiser bezit, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 17 december 2008 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 2] betreffen de aankoop, verkoop, exploitatie en financiering van onroerende goederen.\n\n3. Eiser bezit, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 21 juli 2010 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V( [bedrijfsnaam 3] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 3] betreffen:\n\nGroothandel en import van bouwmaterialen, vloeren, sanitair, tegels, hout en aanverwante artikelen;\n\nHet (doen) uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burger- en utiliteitsbouw;\n\nHet stofferen en inrichten ten behoeve van (weder-) verkoop.\n\n4. Eiser bezat, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 8 februari 2012 tot 1 januari 2015 34% van de aandelen in [bedrijfsnaam 4] B.V. ( [bedrijfsnaam 4] ) en vanaf 1 januari 2015 tot heden 50%. De activiteiten van [bedrijfsnaam 4] zijn:\n\nHet begeleiden en advisering van bouwprojecten;\n\nHet uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burgerlijke- en utiliteitsbouw.\n\n5. Uit het Renseignementen Informatie Systeem van de Belastingdienst blijkt dat eiser en [naam 1] ( [naam 1] , hierna ook wel genoemd: de compagnon), ieder voor 50%, in de jaren 2014 tot en met 2017 onder meer de volgende panden bezitten:\n\n [pand 1] ;\n\n [pand 2] ;\n\n [pand 3] ;\n\n [pand 4] ;\n\n [pand 5] ;\n\n [pand 6] ;\n\n [pand 7] .\n\n6. Eiser en de compagnon hebben in de onderhavige jaren diverse bouwwerkzaamheden laten verrichten aan deze panden, alsook aan veel andere panden. De werkwijze van eiser en de compagnon komt er veelal op neer dat zij panden kopen die zij -na al dan niet (omgevings)vergunningen te hebben aangevraagd - laten opknappen\u002F verbouwen en daarna verhuren. De verhuur vindt plaats in box 3. In een groot aantal taxatierapporten die eiser heeft verstrekt, wordt ten behoeve van de financiering van de desbetreffende panden aangegeven dat de kosten voor de verbouwing\u002Frenovatie lager dan marktconform zijn vastgesteld, aangezien eiser en de compagnon de werkzaamheden voor een deel in eigen beheer uitvoeren.\n\nBoekenonderzoek\n\n7. Op 17 december 2018 heeft controlemedewerker [controlemedewerker 1] ( [controlemedewerker 1] ) van de Belastingdienst per e-mail een boekenonderzoek aangekondigd inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2017 van eiser en de compagnon. Het (deel)onderzoek heeft zich beperkt tot de activiteiten rondom de gezamenlijke onroerendezaaktransacties die in die jaren hebben plaatsgevonden. Ook bij [bedrijfsnaam 2] is een boekenonderzoek ingesteld.\n\n8. Op 11 februari 2019 heeft [controlemedewerker 1] samen met een collega van de Belastingdienst ( [controlemedewerker 2] ) een inleidend gesprek omtrent het boekenonderzoek gevoerd met onder andere eiser, zijn adviseur (gemachtigde H. Weisfelt) en de compagnon.\n\n9. Op 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een uitnodiging voor een slotbespreking verstuurd. Daarbij is tevens het conceptrapport meegestuurd. Verder is in deze brief aangegeven dat een andere controlemedewerker van de Belastingdienst, te weten [naam 5] ( [naam 5] ), het boekenonderzoek zal overnemen vanwege het aankomende vertrek van [controlemedewerker 1] .\n\n10. Met dagtekening 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een kennisgeving verstuurd inzake de op te leggen (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en vergrijpboetes. De vergrijpboetes vloeien voort uit correcties vanwege niet-aangegeven (verkapte) winstuitdelingen aan eiser over de belastingjaren 2014 tot en met 2017 die leiden tot inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2).\n\n11. Om een slotbespreking in te plannen, is tussen [naam 5] en de adviseur van eiser mailverkeer geweest. Door de Covid-19 maatregelen is de slotbespreking uitgesteld.\n\n12. Op 2 oktober 2020 heeft [naam 5] per e-mail aangegeven dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014, conform het correctievoornemen in het conceptrapport van 27 februari 2020, opgelegd zullen worden wegens dreigende verjaring. Op 30 oktober 2020 is eiser per brief in kennis gesteld van het opleggen van deze navorderingsaanslagen.\n\n13. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is met dagtekening 21 november 2020 opgelegd. Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 51.414. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is met dagtekening 28 november 2020 opgelegd. Het verzamelinkomen in deze aanslag bedraagt € 200.606 en bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 166.340, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 29.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 4.955.\n\n14. Op 16 oktober 2020, 28 januari 2021, 3 maart 2021 en 31 maart 2021 hebben (slot)besprekingen plaatsgevonden. Van deze (slot)besprekingen zijn verslagen opgemaakt.\n\nDeze besprekingen zijn onder andere gevoerd met eiser, zijn gemachtigde, [naam 2] (adviseur) en de compagnon, en [naam 5] en [naam 6] (controlemedewerkers van de Belastingdienst).\n\n15. Per e-mail is op 18 juni 2021 door [naam 5] een aanvullend correctievoorstel verstuurd over de waarden van de panden van eiser en de compagnon. Daarna hebben de gemachtigde en [naam 5] elkaar nog gemaild op 1 juli 2021 en 2 juli 2021 en op 16 juli 2021 heeft [naam 5] een reactie verstuurd inzake de waardebeoordeling van de panden van eiser en de compagnon.\n\n16. De bevindingen van het onderzoek zijn uiteindelijk neergelegd in het definitieve controlerapport met dagtekening 20 juli 2021 (het controlerapport). In het controlerapport zijn tevens de op te leggen vergrijpboetes medegedeeld. De inkomenscorrecties (box 1) zijn daarbij mede gebaseerd op de door een ambtelijk taxateur van de Belastingdienst gegeven waardebepalingen (de waardebeoordelingen) betreffende de verschillende panden. In het controlerapport staat omtrent de activiteiten vermeld:\n\n“2.1.1 Algemeen\n\nIn de jaren 2012 tot en met 2017 hebben belanghebbenden samen meer dan 50 onroerende zaken verworven in de eigendomsverhouding 50\u002F50. Kort samengevat worden appartementen gekocht die in vrijwel alle gevallen achterstallig zijn onderhouden dan wel sterk gedateerd zijn. Deze appartementen staan doorgaans te koop op het woningplatform Funda. Soms wordt een object door een makelaar onder de aandacht gebracht. De activiteiten beperken zich niet alleen tot het verrichten van noodzakelijk onderhoud of het moderniseren van woningen. Er vinden ook meer grondige wijzigingen plaats in zowel feitelijke als juridische staat. Hierbij moet worden gedacht aan het splitsen, ombouwen van kantoor-\u002Fbedrijfsruimte naar woonruimte, het realiseren van constructieve doorbraken, het realiseren van een loggia, wijzigingen aan het balkon, het realiseren van een dakterras, het vergroten van een dakkapel, het realiseren van een inpandig balkon, het bouwen van garages (i.e. nieuwe onroerende zaken) en zelf het realiseren van een dakopbouw c.q. het aanbrengen van een geheel nieuwe verdieping. Voornoemde werkzaamheden worden onder hoofdstuk 3 nader beschouwd. Per project vindt een beschrijving plaats van de investeringen en het met het project behaalde resultaat. Na afronding worden de panden – op enkele uitzonderingen na – door belanghebbenden verhuurd.”\n\n17. In het controlerapport is onder andere, samengevat, het volgende geconcludeerd:\n\nDe activiteiten van eiser rondom de gezamenlijke onroerendgoedtransacties met de compagnon worden in een groot aantal – in het controlerapport benoemde – gevallen aangemerkt als een bron van inkomen, te weten box 1-inkomen, over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Daarbij gaat het doorgaans om de positieve resultaten behaald bij de overgang van box 1 (einde van meer dan normaal vermogensbeheer) naar box 3 (aanvang reguliere verhuur\u002Fstart normaal vermogensbeheer). In een enkel geval (waaronder [pand 3] ) gaat het om het resultaat behaald bij verkoop.\n\nDe correcties kwalificeren in beginsel als belastbare winst uit onderneming (primaire conclusie), maar worden in de belastingaanslagen vooralsnog in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiaire conclusie).\n\nUit diverse transacties van de gelieerde vennootschap [bedrijfsnaam 2] volgt daarnaast een (verkapte) uitdeling van dividend aan eiser en de compagnon over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Dientengevolge moet het box 2-inkomen worden gecorrigeerd.\n\nOver het bijgetelde inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) worden vergrijpboeten opgelegd. Deze vergrijpboeten hebben enkel betrekking op de correcties die worden aangebracht naar aanleiding van de (verkapte) uitdelingen van dividend.\n\n18. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2015, 2016 en 2017 (dagtekening 14 augustus 2021) zijn overeenkomstig de uitkomsten van het boekenonderzoek opgelegd. Ten opzichte van de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2014 tot en met 2017 zijn de volgende correcties doorgevoerd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nVastgesteld inkomen uit\n\n € 95.528\n\n € 108.431\n\n € 110.076\n\n € 160.855\n\nwerk en woning (box 1)\n\nCorrectie inkomen uit werk en\n\n € 70.812\n\n € 353.990\n\n € 126.952\n\n € 399.014\n\nwoning (box 1, resultaat uit\n\noverige werkzaamheden)\n\nCorrectie inkomen uit\n\n € 29.311\n\n € 27.981\n\n € 68.006\n\n € 72.417\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n € 4.955\n\n € 1.542\n\n € 9.859\n\n € 10.934\n\n(box 3)\n\nTotaal verzamelinkomen na\n\n € 200.606\n\n € 491.944\n\n € 314.893\n\n € 643.220\n\ncorrecties\n\nVergrijpboete\n\n € 3.224\n\n € 3.497\n\n € 8.500\n\n € 9.052\n\n19. Eiser heeft tegen alle navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt.\n\n20. Tussen 29 maart 2022 en 29 april 2022 hebben de bezwaarbehandelaar en de gemachtigde van eiser elkaar gemaild. Op verzoek van de gemachtigde heeft de bezwaarbehandelaar gewacht met het doen van uitspraak op bezwaar, totdat de besprekingen aangaande de bezwaren tegen de samenhangende aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2014 tot en met 2017 waren afgerond.\n\n21. Met dagtekening 14 november 2023 is een vaststellingsovereenkomst (VSO) ondertekend door enerzijds eiser en zijn partner en de compagnon en zijn partner en anderzijds de Belastingdienst over de correcties inzake het box 2-inkomen. In de VSO is onder meer vastgelegd dat de bewuste belastingschuld zal worden geformaliseerd in een nog op te leggen navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 aan [bedrijfsnaam 2] en de aangebrachte correcties in box 2 daardoor uit de aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 worden geëlimineerd. Verder is vastgelegd dat de bijbehorende vergrijpboeten op € 0 worden gesteld en de ondertekening van de VSO geldt als een intrekking van de bezwaren, gericht tegen de box 2-correcties.\n\n22. Bij uitspraken op bezwaar is verweerder vervolgens deels aan de bezwaren tegemoetgekomen en zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017, waarbij is uitgegaan van winst uit onderneming in plaats van resultaat uit overige werkzaamheden, als volgt verminderd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n € 103.412\n\n € 304.306\n\n € 110.076\n\n € 317.700\n\nwerk en woning (box 1)\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n € 7.884\n\n € 195.875\n\n € -\n\n € 156.845\n\nBelastbare inkomsten uit\n\n € 95.528\n\n € 108.431\n\n € 110.076\n\n € 160.855\n\ntegenwoordige arbeid\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n € 2.905\n\n € 312\n\n € 9.859\n\n € 10.934\n\n(box 3)\n\nVerzamelinkomen\n\n € 106.317\n\n € 304.618\n\n € 119.935\n\n € 328.634\n\nBelastingrente\n\n € 731\n\n € 20.119\n\n € -\n\n € 9.647\n\nVergrijpboete\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\nDe navorderingsaanslag Zvw 2014 is bij de uitspraak op bezwaar verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.784, en de belastingrente is daarbij dienovereenkomstig verminderd naar € 87.\n\nGeschil\n\n23. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en Zvw 2014 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Daarbij is meer specifiek in geschil:\n\nof sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nof de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon ter zake van de zeven hiervóór onder punt 5 genoemde panden kwalificeren als ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ en leiden tot box 1-inkomen bestaande uit winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden (in plaats van box 3-heffing over die panden);\n\nof de aan de inkomenscorrecties ten grondslag liggende waardebepaling van de panden juist is;\n\nof het gelijkheidsbeginsel is geschonden;\n\nof sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden;\n\nof de belastingrente dient te worden gematigd;\n\nof eiser recht heeft op vergoeding van de integrale proceskosten.\n\nDe vergrijpboetes zijn in deze procedure niet meer in geschil. Het jaar 2016 is ook niet meer in geschil.\n\n24. Eiser neemt in beroep de volgende standpunten in:\n\ner is geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen geen winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden; er is geen sprake van werkzaamheden die normale beleggers niet uitvoeren, waardoor de betreffende panden tot het box 3-inkomen dienen te worden gerekend;\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder, waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn niet juist; er dient te worden uitgegaan van de taxaties van eiser en de compagnon;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat in een ander gelijk geval de inkomsten wel als box 3-inkomen zijn aangemerkt;\n\ner is sprake van vooringenomenheid en willekeur en van onzorgvuldigheid door de manier waarop de hele controle is uitgevoerd en afgehandeld;\n\nde belastingrente dient te worden gematigd, omdat die mede is opgelopen door aan verweerder te wijten vertragingen.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering dan wel vernietiging van de belastingaanslagen en rentebeschikkingen overeenkomstig zijn standpunten, onder toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.\n\n25. Verweerder stelt dat de belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2014 tot en met 2017 bij de uitspraken op bezwaar niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld en neemt daarbij de volgende standpunten in:\n\ner is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen meer dan normaal vermogensbeheer en vormen winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt);\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn juist;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is niet geschonden;\n\ner is geen sprake van vooringenomenheid of willekeur en ook niet van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel;\n\ner is geen aanleiding de belastingrente te matigen.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nBewijslastverdeling\n\n26. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangiften, omdat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verweerder op de aangiften IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en de bevindingen van het boekenonderzoek zoals neergelegd in hoofdstuk 3.1.2 van het controlerapport. Dit onderdeel ziet op de box 2-correcties.\n\n27. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee de gestelde omkering en de verzwaring van de bewijslast doet steunen op de naar aanleiding van het boekenonderzoek in box 2 toegepaste inkomenscorrecties die in de onderhavige procedure niet in geschil zijn.\n\nPartijen hebben over die specifieke box 2-correcties en de afdoening daarvan in de VSO overeenstemming bereikt, waardoor die correcties in de onderhavige procedure niet voorliggen. Uit de VSO valt niet aanstonds op te maken dat de desbetreffende correcties in de onderhavige zaken dienen te leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast, meer specifiek dat dienaangaande is voldaan aan het voor de omkering en verzwaring geldende bewustheidsvereiste. Uit de enkele verwijzing naar 3.1.2 van het controlerapport en de gesloten VSO volgt onvoldoende dat voor wat betreft het box 2-inkomen voor de onderhavige jaren bewusteen onjuiste aangifte is gedaan. Onder die omstandigheden rechtvaardigen de box 2-correcties niet de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in deze procedure. De rechtbank zal dan ook de normale regels van de bewijslastverdeling toepassen.\n\nDe activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de panden: box 1 of box 3\n\n28. Ten aanzien van de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon met betrekking tot de (ver)bouwactiviteiten aan de onderhavige zeven panden stelt verweerder dat sprake is van méér dan normaal vermogensbeheer zodat ter zake van de inkomsten daaruit sprake is van belastbare winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt). Eiser neemt daartegenover het standpunt in dat diengaande geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer zodat de panden in box 3 belast zijn. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\n29. De rechtbank stelt voorop dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Onder meer dan normaal vermogensbeheer dient te worden verstaan: het rendabel maken van de onroerende zaken mede door middel van arbeid welke door dan wel namens de eigenaar van de onroerende zaken wordt verricht waarbij deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.Het hangt van de feiten en omstandigheden van het geval af wanneer de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. In beginsel vergt dat een beoordeling per pand. Voor de vraag of sprake is van winst uit onderneming ligt het meer in de rede de activiteiten als geheel te beoordelen. Verweerder heeft bij de aanslagoplegging ter zake van 24 panden het standpunt ingenomen dat sprake is van box 1-inkomen (meer dan normaal vermogensbeheer) bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl verweerder nu nog ter zake van zeven panden box 1-inkomen stelt, bestaande uit winst uit onderneming.Verweerder heeft daarbij ingezoomd op de afzonderlijke panden en heeft niet de activiteiten van eiser en de compagnon als geheel beoordeeld. Daarom ligt nu niet concreet de vraag voor of al dan niet sprake is van een onderneming, maar enkel of de zeven onder 5 genoemde panden terecht in de box 1-heffing zijn betrokken. Gelet hierop zal de rechtbank per pand beoordelen of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Indien dat het geval is, zal de rechtbank dit als winst uit onderneming kwalificeren conform verweerders primaire standpunt, aangezien dit voordeliger is voor eiser dan resultaat uit overige werkzaamheden (gelet op de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling).\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met wat hij heeft aangevoerd en overgelegd, afgezet tegen en in samenhang bezien met wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd, voor vier panden\u002Fprojecten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Dat betreft de panden: ‘ [pand 3] ’, ‘ [pand 4] ’, ‘ [pand 5] ’ en ‘ [pand 6] ’. Voor die panden geldt dat de werkzaamheden veel meer omvatten dan enkel een verbouwing van bijvoorbeeld een keuken en\u002Fof badkamer en kwalificeren als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschrijdt, waarbij aannemelijk is dat ook steeds een rendement is beoogd dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende ten aanzien van die panden\u002Fprojecten uitgevoerde activiteiten en werkzaamheden, die volgen uit de door eisers aangevraagde omgevingsvergunningen, de door eiser overgelegde taxatierapporten en het controlerapport. Dat het pand Van Boetzelaerlaan uit de verhuur kwam, maakt niet dat het resultaat van de verbouwing niet in box 1 valt. Ten aanzien van de voornoemde panden\u002Fprojecten acht de rechtbank in ieder geval het volgende aannemelijk:\n\n- [pand 3]\n\nDit betreft een woonhuis met garage dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd in drie appartementen met bergingen.\n\n- [pand 4]\n\nDit betreft een garage\u002Fbedrijfsruimte ( [huisnummer 1] ) met erf en tuin en een bovenwoning op de eerste en tweede verdieping ( [huisnummer 2] ) die in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) zijn getransformeerd in twee woningen, te weten: een ‘onvrije’ (dat wil zeggen: een woning waarvan de vertrekken uitkomen op een gemeenschappelijke gang of hal) parterrewoning met een onvrije bovenwoning bestaande uit twee woonlagen, waarbij aan de achterzijde op de begane grond een uitbouw is gerealiseerd. In de verklaring ter zitting dat “een oude garagedeur [is] vervangen door een raamkozijn waardoor er een aparte woning op de begane grond ontstond”, vindt de rechtbank overigens bevestiging in de transformatie van de bedrijfsruimte naar woning. Of al dan niet ook een dakterras op de aanbouw is gecreëerd, acht de rechtbank voor de kwalificatie box 1 of box 3 niet van belang.\n\n- [pand 5]\n\nDit betreft een kantoorgebouw (kantoor met dienstwoning) dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd\u002Fopgesplitst in drie winkels\u002Fbedrijfsruimten en elf appartementen. Er is een extra woonlaag toegevoegd aan het gebouw.\n\n- [pand 6]\n\nDit betreft een winkel\u002Fwoonhuis op de begane grond en het achtergedeelte van de eerste verdieping, waar overeenkomstig de daartoe verleende vergunningen onder meer constructieve doorbraken en een aanbouw zijn gerealiseerd. De opmerking van eiser dat het stuitend is dat verweerder [huisnummer 3] heeft getaxeerd, terwijl dit volgens eiser moet zijn [huisnummer 4] , omdat nummer [huisnummer 3] niet bestaat, doet hier niet aan af, omdat het eiser duidelijk is welk pand het betreft. Deze verwarring heeft eiser bovendien zelf veroorzaakt, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport, waarin eveneens ‘ [pand 6] ’ staat vermeld.\n\n31. Het vorenstaande betekent dat ten aanzien van de vier hiervóór genoemde panden\u002Fprojecten terecht box 1-inkomen in aanmerking is genomen. Voor de overige drie onder punt 5 genoemde panden\u002Fprojecten, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. De in het controlerapport beschreven werkzaamheden en activiteiten zijn, mede in het licht van wat eiser daarover heeft aangevoerd, onvoldoende om meer dan normaal vermogensbeheer aannemelijk te achten. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat (ook na de zitting) nog steeds onduidelijkheid bestaat over of, en zo ja in hoeverre, een aantal in het controlerapport genoemde werkzaamheden\u002Factiviteiten al dan niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat voor twee panden - [pand 2] en [pand 7] - de door verweerder becijferde resultaten voor de onderhavige jaren ook niet dwingen tot de conclusie dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer (geen rendement-plus). Deze drie panden [pand 1] , [pand 2] en [pand 7] dienen daarom tot het box 3-vermogen te worden gerekend.\n\nInkomenscorrecties; waardebepaling\n\n32. Vervolgens ligt de vraag voor of de in verband met de onder rechtsoverweging 30 genoemde panden\u002Fprojecten toegepaste inkomenscorrecties berusten op een juiste waardebepaling van die panden\u002Fprojecten. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.\n\n- [pand 3]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 407.654 met een waardecreatie van 41,5%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de daadwerkelijke gerealiseerde verkoopprijzen van de (gerealiseerde) appartementen. De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 4]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 66.675 met een waardecreatie van 27,4%, is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 310.000 in vrije staat (met waardepeildatum 31 oktober 2015). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde is getaxeerd op € 225.000 in verhuurde staat (met waardepeildatum 22 september 2014) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats eind oktober 2015 - en, anders dan in eisers taxatie het geval is, terecht uitgaat van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De taxatiewaarde van eiser van € 225.000 naar verhuurde staat per 22 september 2024 ligt overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van € 310.000 in onverhuurde staat per 31 oktober 2015, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) acht de rechtbank dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 5]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend van € 296.915 met een waardecreatie van 16,2%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op in totaal € 2.130.000 (€ 1.750.000 voor de woningen in verhuurde staat en € 380.000 voor de bedrijfsruimte in verhuurde staat). Nu de waarde is bepaald in verhuurde staat, acht de rechtbank deze uitgangspunten geenszins onredelijk. Het door eiser voor dit pand oorspronkelijk overgelegde taxatierapport van vóór de verbouwing van een registertaxateur van 18 maart 2016, in opdracht van een bank, naar een totale marktwaarde van € 1.585.000 (€ 235.000 k.k. voor drie winkelunits (begane grond) + € 1.035.000 k.k. voor 9 woonunits (1e, 2e en 3e etage) + € 315.000 voor 2 woonunits (dakopbouw)), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht niet aannemelijk dat die taxatie aansluit bij de werkelijke waarde van het pand\u002Fde verschillende units zoals uiteindelijk gerealiseerd. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 6]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport – waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend ten bedrage van € 81.080 met een waardecreatie van 21,9% – is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 97.000 (voor de winkelruimte in vrije staat) en € 355.000 (voor de woonruimte in vrije staat) (waardepeildatum 31 december 2017). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde in verhuurde staat van de winkelruimte is bepaald op € 95.000 en van de woonruimte op € 335.000 (met waardepeildatum: 14 maart 2017) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats op 31 december 2017 - en, anders dan in eisers taxatie, daarin terecht is uitgegaan van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De hiervóór bedoelde taxatiewaarden van eiser in verhuurde staat per 14 maart 2017 liggen overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van respectievelijk € 355.000 en € 97.000 in onverhuurde staat per 31 december 2017, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is daarom aannemelijk gemaakt.\n\nInkomenscorrecties\n\n33. Het voorgaande betekent dat ter zake van voornoemde projecten de volgende resultaten als winst uit onderneming (vóór ondernemersaftrek) in aanmerking moeten worden genomen, overeenkomstig de berekening in het controlerapport:\n\n- [pand 3] : € 407.654 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 4] : € 66.675 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 5] : € 296.915 toerekenbaar aan 2017;\n\n- [pand 6] : € 81.080 toerekenbaar aan 2017;\n\nvolgens dezelfde verdeelsleutel als tot nu toe is gehanteerd (50% aan zowel eiser als aan de compagnon).\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n34. Eiser stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en wijst in dit verband op een volgens hem vrijwel identiek geval, waarin wel is geconcludeerd dat sprake is van box 3-inkomen en niet van box 1-inkomen. Het geval betreft de vaste aannemer van eiser en de compagnon die in de bewuste periode een kerkgebouw heeft omgebouwd tot zeven appartementen.\n\n35. Het enkele feit dat één gelijk geval anders is behandeld, is onvoldoende om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen. Eiser beroept zich uitdrukkelijk niet op de meerderheidsregel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan sprake te zijn van een oogmerk van begunstiging of van begunstigend beleid door de Belastingdienst. Daargelaten of de gevallen zo gelijk zijn als eiser stelt, is in elk geval de aanwezigheid van een oogmerk van begunstiging of begunstigend beleid -die verweerder betwist-, gesteld noch gebleken. Reeds om die reden moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen.\n\nVooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar \u002F zorgvuldigheidsbeginsel\n\n36. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat zij de irritatie van eiser over het taalgebruik van bepaalde medewerkers van de Belastingdienst in hun interne mailverkeer, met name van de controlemedewerker [controlemedewerker 1] , zoals dat blijkt uit de gedingstukken, begrijpt en ook het daaraan ontleende gevoel dat ze volgens [controlemedewerker 1] hoe dan ook moesten betalen. De rechtbank acht de bewuste passages onprofessioneel en ongepast. Die constatering rechtvaardigt echter als zodanig niet de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomenheid en willekeur ten aanzien van de aanslagregeling of van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de controle \u002F het boekenonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en [controlemedewerker 1] is opgevolgd door [naam 5] die zich niet op ongepaste wijze heeft uitgelaten. Tijdens de hele periode van het onderzoek en de aanslagregeling heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden, waarbij ook steeds de (nieuwe) argumenten van eiser zijn meegenomen bij de verdere beoordeling. Dit heeft onder meer geleid tot de VSO. De rechtbank ziet daarbij in de reacties van de Belastingdienst, anders dan de hiervóór bedoelde uitlatingen, geen onzorgvuldigheid of vooringenomenheid. Aldus is het zorgvuldigheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Ook overigens vindt de rechtbank daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten.\n\nBelastingrente\n\n37. Niet in geschil is dat de belastingrente is berekend conform de geldende wettelijke bepalingen. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Eiser meent dat desondanks aanleiding bestaat de belastingrente te matigen, omdat, kort gezegd, de rente mede is opgelopen door een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze aan de zijde van verweerder. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Weliswaar heeft een en ander lang geduurd, maar dat is niet te wijten aan een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze van verweerder. Het komt vooral door de lange duur van het uitgevoerde boekenonderzoek en die hangt samen met het feit dat omvangrijke activiteiten als de onderhavige veelal niet eenvoudig zijn te overzien of (fiscaal) te duiden. Dat vormt echter geen omstandigheid die een matiging van de belastingrente rechtvaardigt.Ook andere matigingsgronden zijn de rechtbank niet gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de verminderingen van de belastingaanslagen die voortvloeien uit deze uitspraak.\n\nConclusie\n\n38. Gelet op wat hiervóór is overwogen, dienen de beroepen betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017 gegrond te worden verklaard. Het beroep betreffende het jaar 2016 zal de rechtbank ongegrond verklaren, omdat over dat jaar geen geschil meer bestaat.\n\n39. De rechtbank zal verweerder opdragen de belastingaanslagen te verminderen met inachtneming van wat is bepaald in deze uitspraak, met de opdracht om de daarmee samenhangende rentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen.\n\nProceskosten\n\n40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser voor de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Hierbij stelt de rechtbank vast dat tussen de onderhavige zaken en de zaken van de compagnon die tegelijkertijd ter zitting zijn behandeld, sprake is van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt op grond van het Besluit de voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten vast op 50% van € 4.203 = € 2.101,50 (50% van de vergoeding gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1,5 wegens de zwaarte van de zaak en een samenhangfactor 1,5). Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen vergoeding toe, omdat daarvoor bij de uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding aan eiser is toegekend.\n\nDe rechtbank kent de proceskostenvergoeding van € 4.203 voor de helft, dus voor € 2.101,50 toe in de onderhavige gegronde beroepen (SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803 en SGR 24\u002F4805) en zal de andere helft toekennen in de overige samenhangende gegronde beroepen van de compagnon.\n\n41. De rechtbank wijst hierbij het verzoek van eiser om een integrale proceskostenvergoeding af, aangezien de rechtbank in de gedingstukken geen ondersteuning vindt, ook niet in samenhang bezien met hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd, voor de conclusie dat verweerder standpunten heeft ingenomen tegen beter weten inof in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 24\u002F4804 (betreffende het jaar 2016) ongegrond;\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803 en SGR 24\u002F4805 (betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2016 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, behoudens voor zover het de nihilstelling van de boetebeschikkingen en de toegekende proceskostenvergoeding betreft;\n\ndraagt verweerder op de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014 en de bij die belastingaanslagen gegeven rentebeschikkingen te verminderen met inachtneming van wat is beslist in deze uitspraak en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.101,50;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. K.G. Scholten en\n\nmr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n In de zaak SGR 24\u002F4801 is € 51 griffierecht betaald.\n\n Vgl. HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731.\n\n In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder ten aanzien van 17 panden (sommige bestaande uit meerdere nummers\u002Fobjecten) geconcludeerd dat toch sprake is van box 3-inkomen.\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 24 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1105, bevestigd in Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:539 (met artikel 81 RO).\n\n Vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.\n\n Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17074","2026-07-13T00:28:23.139Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":54,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":40,"updatedAt":57},"728","ECLI:NL:GHDHA:2026:1598","ecli-nl-ghdha-2026-1598","2026-05-13T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-25\u002F701\n\nUitspraak van 13 mei 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: N.E. El Haddioui)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 augustus 2025, nummer SGR 25\u002F1053.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Inspecteur heeft op grond van artikel 9.6, lid 5, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bij beschikking het verzoek van belanghebbende om ambtshalve vermindering van zijn aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) 2022 afgewezen (de verminderingsbeschikking).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft tegen de verminderingsbeschikking beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 53 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 17 maart 2026 een nader stuk ingediend.\n\n1.4.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende drijft in 2022 een eenmanszaak onder de naam “ [naam eenmanszaak] ”. In zijn aangifte IB\u002FPVV 2022 omschrijft hij zijn ondernemingsactiviteiten als “Zorg, coaching, training, therapie en muziek”. De SBI-codes die zijn geregistreerd in de Kamer van Koophandel sluiten hierbij aan. Belanghebbende organiseerde onder de naam [naam eenmanszaak] evenementen en bood cursussen aan, bijvoorbeeld over teambuilding en persoonlijke ontwikkeling.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft aangifte IB\u002FPVV 2022 gedaan naar een verzamelinkomen van € 114.481, bestaande uit belastbare winst uit onderneming.\n\n2.3.. De aanslag IB\u002FPVV 2022 is opgelegd, in afwijking van de aangifte van belanghebbende, naar een verzamelinkomen van € 115.263 door naast de belastbare winst uit onderneming ook rekening te houden met een bedrag van € 782 aan belastbaar loon.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft een herziene aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend, welke door de Inspecteur als verzoek om een ambtshalve vermindering van de aanslag IB\u002FPVV 2022 in behandeling is genomen. In zijn herziene aangifte heeft belanghebbende € 63.871 aan “Kosten van grond- en hulpstoffen inkoopprijs van de verkopen” en € 3.765 aan additionele “Verkoopkosten” in aftrek gebracht op zijn box 1 inkomen.\n\n2.5.. De Inspecteur heeft belanghebbende vragen gesteld over voornoemde kosten. Op basis van de reactie van belanghebbende heeft de Inspecteur een bedrag van in totaal € 6.765 aan (additionele) kosten in aftrek toegestaan en bij de verminderingsbeschikking het verzamelinkomen van belanghebbende nader vastgesteld op € 109.455. De Inspecteur heeft een bedrag van € 60.871 aan “Kosten van grond- en hulpstoffen inkoopprijs van de verkopen” niet in aftrek toegestaan omdat dit volgens hem verband houdt met investeringen in een handelsbot die geen bron van inkomen in box 1 vormen.\n\n2.6.. Volgens het proces-verbaal van 30 september 2023 van een aangifte door belanghebbende bij de politie van beleggingsfraude heeft belanghebbende, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende over zijn investeringen in een handelsbot en zijn contact met [A] (A) verklaard:\n\n“Ik doe aangifte van oplichting. Met aan samenweefsel van verdichtsels heeft [A] mij bewogen tot het afgeven van een goed, namelijk geld.\n\n(…)\n\n[A] kende ik tot 2 jaar geleden niet, totdat een goede vriendin van mij en businesspartner aangaf dat zij iemand kende die in bots handelde. Ik heb zelf de opleiding blockchain professional gedaan en was al ruim 5 jaar actief met crytpo, trading. Ik heb er tot nog toe meer geld mee verloren dan gewonnen. De bot zou vertraagd maar wel stabiel zijn.\n\n(…)\n\nIk heb een eigen onderneming en voor events nodig ik mensen uit om hun bedrijf te promoten. Daar is [A] ook geweest om zijn verhaal te vertellen. Zo is het ontstaan. (…)\n\nHet verhaal van de bot werd als volgt geschetst. Je ligt minimaal 1000 euro in en er word een winst marge van 10 t\u002Fm 20 procent beloofd. Later werd dit teruggeschroefd naar 5 tot 10 procent. Als bedankje voor de mogelijkheid kocht ik 2 bots in voor 1000 euro. 1 voor mezelf en 1 voor mijn businesspartner.\n\nIn ruim 7 maanden had ik zover ik kan herinneren al 3000 euro verdiend, dit gaf [A] middels een app zelf aan. Ik had tot dan toe geen intensief contact met [A].\n\nIk had zelf toen geld in crypto en geloofde er nog steeds meer in dan in de bot. Nadat de markt van crypto inzakte en de bot nog steeds op het oog goed draaide koos ik ervoor om iets meer geld in de bot te stoppen. Ik raakte meer in gesprek met [A] middels de whatsapp en stelde vragen die ook leerde vanuit mijn opleiding zodat ik het product goed kon snappen en beoordelen.\n\nIk heb er voor gekozen om met [A] face to face te meeten in [woonplaats 1] omdat ik meer van de bot wilde snappen. Ik wilde de ins en out kennen. Ik liet wel al doorschemeren dat ik wat crypto over had die ik eventueel in de bot wilde zetten. [A] overtuigde me en gaf aan dat crypto niet handig was en onzeker was. De bot zou stabieler zijn en wellicht trager lopen maar wel met een constante flow.\n\nIk begon vanaf dat moment grotere porties geld over te maken in de veronderstelling dat mijn bot zou groeien. (…)\n\n[A] vertelde dat hij met key users werkte en dat wilt zeggen dat als jij iemand aandraagt hij liever heeft dat jij de communicatie verzorgt omdat hij daar niet goed in is. Ik ben dus hoofdzakelijk verantwoordelijk geweest om het geld te ontvangen van de mensen die ik heb aangeleverd (broertjes, neven en vrienden) en door te sturen naar [A]. Voor deze rol is er geen extra afspraak gemaakt, wel heb ik onderschat wat zo een rol met zich meebrengt. [A] liet regelmatig steekjes vallen zoals de stand niet updaten, of te laat reageren op vragen van klanten waardoor ik tussen wal en schip zat. (…)\n\nNa een etentje mij [A] en ik bij […] in [woonplaats 2] heeft hij mij in de parkeergarage vertelt dat hij een minimale procent toevoegt aan de winst als je meer mensen bleef brengen en met hen in gesprek bleef. Ik heb zelf geen financieel doel gehad omdat het vrienden betrof en ik zelf genoeg geld te besteden had om te kunnen profiteren van de bot (als die echt zou bestaan). Maar ik nooit geld gekregen van A voor het aanbrengen van mensen. (…)\n\n[A] heeft gezegd dat het hem 8 jaar heeft gekost om de bot te ontwikkelen, dat […] een bot bij hem had, politie agenten uit [woonplaats 3] , zijn kinderen, ouders en vrienden. Oftewel een heel overtuigende verhaal. Hij stond iedereen netjes te woord na afloop en dit heeft bijna iedereen doen besluiten om in de bot te gaan. (…)\n\nDoor het verhaal persoonlijk te maken, elke dag bereikbaar te zijn te praten over zijn familieleden. Door met mij af te spreken in [woonplaats 1] 3x en 1x in [woonplaats 2] groeide het vertrouwen. [A] heeft in het begin opnames van derden netjes betaald waardoor er nog meer vertrouwen ontstond. (…)\n\nLange tijd heeft [A] een goede act opgehouden totdat ik op 5 juli mijn geld wilde opnemen en [A] steeds met een smoes kwam. (…) In augustus heb ik besloten de leden die ik diende op de hoogte te stellen dat wij met z’n allen uit de bot gaan omdat ik het niet meer vertrouw.\n\n(…)\n\n- Ik ben gek van crypto. Ik wilde graag weten hoe het werkte. Gewoon omdat ik er interesse in had. Hij had een PDF gemaakt. Whitepaper [document 1] dat stuurde hij in juli 2022. Toen ik begon was het tussen de 10 en 20 procent en later werd het tussen de 5 en 10 procent winst per maand. (…)\n\nWerden er nog documenten overhandigd door [A] met uitleg over zijn onderneming?\n\n- Alleen die [document 1] Whitepaper, hij had wel iets gestuurd over hoe zijn bot eruit ziet als verdiensten. Dat is niet zoiets als de whitepaper hoor.\n\nIk wilde wel inzage in die bot en heb dat ook wel paar keer aan het gevraagd maar ik heb nooit inzage gehad. Hij liet weleens wat berekening zien wat hij dan voor bedrijven zou gaan doen.\n\nVan een andere benadeelde heb ik een document ontvangen. Dit was een Whitepaper met de title [document 2] . Ken je dit document?\n\n- Ja wat ik zojuist heb uitgelegd.”\n\n2.7.. Bij uitspraak van de strafkamer van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2025 is A onder andere veroordeeld voor oplichting met een niet bestaande handelsbot.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Winst uit onderneming\n\n12. Nu eiser het verlies uit de investering als negatief ondernemingsresultaat in aftrek wil laten komen, rust op hem de last aannemelijk te maken dat dit verlies daarvoor voldoende verband houdt met zijn onderneming.\n\n13. Eiser heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. Hij heeft A leren kennen via iemand uit zijn zakelijke netwerk en heeft hem op enig moment uitgenodigd als spreker bij een van de bijeenkomsten die hij in het kader van zijn onderneming organiseert. Eiser was al langere tijd bezig wetenschap te vergaren omtrent cryptocurrency- en Forex-handel met het idee daarover cursussen te gaan verzorgen. Hij zag in een samenwerking met A een kans zijn kennis omtrent handel in cryptocurrencies te vergroten en is daarom overgegaan tot de investering. Die investering vond plaats in tranches.\n\n14. Door eiser is niet geconcretiseerd hoe de investering via A zou bijdragen aan vergroting van zijn kennis omtrent cryptocurrency. Uit de door hem overgelegde stukken komt niet naar voren dat hij zich voorafgaand of gaandeweg het doen van de investering door A heeft laten informeren over de werking van de bot die hij beweerde te gebruiken. Blijkens het proces-verbaal van de aangifte van 30 september 2023 bij de politie heeft eiser bij die gelegenheid verklaard dat hij wel een paar keer aan A had gevraagd om inzage in de werking van de bot, maar dat heeft hij niet gekregen. Naar eiser ter zitting heeft verklaard, bleek er uiteindelijk helemaal geen bot te zijn geweest. Ook anderszins blijkt niet dat A eiser deelgenoot heeft gemaakt van enig nuttig inzicht in de werking van de markt van cryptocurrency.\n\n15. Eiser heeft het door hem gestelde voornemen zijn ondernemingsactiviteiten uit te bereiden tot het geven van cursussen omtrent cryptocurrency niet op enige wijze onderbouwd. Ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat hij het voornemen daartoe had, is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in de op hem rustende last aannemelijk te maken dat de investering in de handel in cryptocurrency via A een zodanig verband houdt met dat voornemen dat zij geacht kan worden als ondernemingshandeling te zijn verricht.\n\nWerkzaamheid\n\n16. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de investering via A, op zichzelf beschouwd, heeft te gelden als een werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat daarvan sprake is, nu hij het verlies uit de investering als resultaat uit werkzaamheid in aftrek wil laten komen.\n\n17. Volgens eiser werd met de investering uitgegaan boven normaal vermogensbeheer. Hij heeft echter niet gesteld dat met de investering voor hem enige werkzaamheid was gemoeid. Dat de investering volgens eiser niettemin als werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001 heeft te gelden, berust op zijn stelling dat door te handelen met een bot voorzienbaar voordeel te behalen valt. Of dat zo is, hangt af van de wijze waarop de desbetreffende bot functioneert. Aan die vraag wordt evenwel niet toegekomen, reeds omdat er in casu geen bot is geweest (zie r.o. 14 hiervoor).\n\n19. Op grond van het voorgaande is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in de op hem rustende last aannemelijk te maken dat zijn investering via A een werkzaamheid vormt in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001.\n\nSlotsom\n\n13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is de vraag of de investeringen van belanghebbende in de handelsbot in 2022 een bron van inkomen vormen, en meer specifiek of sprake is geweest van een objectieve voordeelsverwachting. De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend. Indien de vraag bevestigend wordt beantwoord, is tevens in geschil of belanghebbende (additionele) kosten ten bedrage van € 60.871 in aftrek kan brengen op zijn box 1 inkomen.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag IB\u002FPVV 2022, naar een verzamelinkomen van € 57.233.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n5.1.. Het Hof zal allereerst de vraag beantwoorden of in dit geval sprake is van een bron van inkomen. Bij die beoordeling dient aan de hand van de feiten en omstandigheden te worden getoetst of een activiteit de kenmerken van een bron van inkomen omvat. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van een bron van inkomen indien is voldaan aan de volgende drie voorwaarden (zie onder meer HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390, r.o. 3.1.3.):\n\nde belastingplichtige neemt deel aan het economische verkeer;\n\nmet die deelname beoogt de belastingplichtige geldelijk voordeel te behalen (het subjectieve element); en\n\ndat voordeel kan naar maatschappelijke opvattingen ook redelijkerwijs worden verwacht (het objectieve element).\n\n5.2.. Nu tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende in 2022 met zijn investeringen in de handelsbot deelnam aan het economische verkeer en daarmee tevens (subjectief) geldelijk voordeel beoogde te behalen, resteert het antwoord op de vraag of met de investeringen naar maatschappelijke opvattingen ook redelijkerwijs (objectief) een voordeel kon worden verwacht.\n\n5.3.. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende die kosten in aftrek wil brengen, feiten en omstandigheden moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot de investeringen in 2022 sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.\n\n5.4.. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient in dat kader te worden onderzocht of met betrekking tot de investeringen van belanghebbende redelijkerwijs kon worden verwacht dat deze, zij het in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zouden opleveren of voorzienbaar blijvend verlieslatend zouden zijn (HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821).\n\n5.5.. Belanghebbende meende dat hij, door zelf te investeren in de handelsbot, naast het effectief beheren van zijn bedrijfsvermogen, specifieke kennis kon opdoen die hij kon gebruiken bij het ontwikkelen en aanbieden van cursussen over handelen in crypto valuta, al dan niet met behulp van een handelsbot. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht waarom redelijkerwijs kon worden verwacht dat zijn investeringen in de handelsbot in de toekomst positieve zuivere opbrengsten zouden opleveren. Ten eerste vond hij de presentatie die A over de handelsbot had gegeven zeer overtuigend en kwam A betrouwbaar over. Ten tweede liet A aan belanghebbende (via, naar later bleek gefingeerde, schermafbeeldingen) resultaten van de bot zien, waardoor belanghebbende dacht dat zijn investering winstgevend zou zijn. Tot slot stelt belanghebbende dat het feit dat er 65 andere mensen door A zijn opgelicht met de (niet bestaande) handelsbot, bewijst dat sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.\n\n5.6.. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen hij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat redelijkerwijs kon worden verwacht dat zijn investeringen in de handelsbot positieve zuivere opbrengsten zouden opleveren, en dus een bron van inkomen konden vormen. Doorslaggevend acht het Hof dat belanghebbende, ook nadat hij A hier verschillende malen naar had gevraagd, op geen enkele wijze inzicht heeft gekregen in de werking van de bot. De ongefundeerde beweringen van A, hoe overtuigend die voor belanghebbende ook hebben mogen zijn, maken niet dat een geldelijk voordeel naar objectieve maatstaven redelijkerwijs kon worden verwacht.\n\n5.7.. Voor zover belanghebbende meent dat zijn investeringen in de handelsbot verband hielden met zijn bestaande onderneming [naam eenmanszaak] , verwerpt het Hof die stelling. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat het aannemelijk is dat het investeren van geld en crypto’s in de handelsbot verband hield met de activiteiten van de onderneming [naam eenmanszaak] , bestaande uit het geven van cursussen en het organiseren van evenementen. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat hij middels de investeringen kennis over crypto’s wilde opdoen, om over dit onderwerp cursussen te kunnen ontwikkelen en aanbieden. Hij heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. Ook belanghebbendes stelling dat hij met de investeringen probeerde het ondernemingsvermogen van [naam eenmanszaak] te laten groeien is zonder onderbouwing dat die investeringen zijn gedaan met tot het vermogen van de onderneming [naam eenmanszaak] behorende gelden (en crypto’s), die ontbreekt, onvoldoende om een verband tussen die investeringen en die onderneming aannemelijk te achten.\n\n5.8.. Dit alles leidt tot de conclusie dat de (additionele) kosten ten bedrage van € 60.871 niet in box 1 in aftrek kunnen worden gebracht.\n\nSlotsom\n\n5.9.. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hoger beroep ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, T.A. de Hek en M.J.M van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nY. Postema P.C. van den Brink\n\nDe beslissing is op 13 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1598","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.164Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":62,"fullText":63,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":40,"updatedAt":65},"1482","ECLI:NL:GHDHA:2026:1880","ecli-nl-ghdha-2026-1880","2026-04-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-25\u002F495\n\nUitspraak van 8 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: N.A. Gangadin)\n\nen\n\nde ontvanger van de Belastingdienst, de Ontvanger,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 27 mei 2025, nummer SGR 24\u002F5637.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Ontvanger heeft belanghebbende een aanmaning gezonden ter zake van een aan hem opgelegde beschikking aansprakelijkstelling (de aanmaning). Bij de aanmaning zijn bij beschikking kosten van vervolging ten bedrage van € 19 in rekening gebracht (de aanmaningskosten). De Ontvanger heeft vervolgens een dwangbevel aan belanghebbende betekend met bevel tot betaling van het bedrag van de aansprakelijkstelling en de aanmaningskosten. In het dwangbevel heeft de Ontvanger voor de betekening bij beschikking een bedrag van € 6.193 in rekening gebracht (de betekeningskosten).\n\n1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger belanghebbendes bezwaar tegen de aanmaningskosten en de betekeningskosten gegrond verklaard en verminderd tot nihil. De Ontvanger heeft een proceskostenvergoeding van € 77,50 toegekend.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder:\n\n“De rechtbank:\n\n- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart zich onbevoegd inzake het beroep tegen het dwangbevel;\n\n- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de in het bestreden besluit toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vastgestelde proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;\n\n- stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op een bedrag van € 161,75;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar betreft;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 453,50;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.”\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft op 15 februari 2026 nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n1.6.. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is van belanghebbende bericht ontvangen op 25 februari 2026. Dit bericht heeft het Hof geen aanleiding gegeven het onderzoek te heropenen en is daarom niet in de beoordeling betrokken.\n\nFeiten\n\n2.1.. De Ontvanger heeft aan belanghebbende een beschikking aansprakelijkstelling gegeven en belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 69.201. Op de beschikking staat vermeld dat het bedrag vóór 6 maart 2024 moet worden betaald. De Ontvanger heeft geen betaling van belanghebbende binnen de gestelde termijn ontvangen.\n\n2.2. De Ontvanger heeft naar belanghebbende een aanmaning met dagtekening 15 maart 2024 verzonden. Op de aanmaning staat vermeld dat binnen twee weken na dagtekening van de aanmaning het in de aanmaning vermelde bedrag moet worden betaald. Hierbij is € 19 aan aanmaningskosten in rekening gebracht. Belanghebbende heeft geen gehoor gegeven aan de aanmaning.\n\n2.3.. De Ontvanger heeft aan belanghebbende een dwangbevel met dagtekening 27 maart 2024 betekend. De betekeningskosten bedragen € 6.193.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanmaningskosten en de betekeningskosten. De Ontvanger is bij uitspraak op bezwaar volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar in verband met een lopende klacht die de gemachtigde van belanghebbende bij de Nationale ombudsman heeft ingediend. De vervolgingskosten zijn bij uitspraak op bezwaar verminderd met € 6.212. Voorts heeft de Ontvanger een proceskostenvergoeding van € 77,50 toegekend, berekend als volgt:\n\n“Indienen van het bezwaar: € 310\n\nWegingsfactor van dit bezwaar is zeer licht: 0,25 *\n\n € 77,50”\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder:\n\n“(…)\n\n11. Eiser heeft in beroep alleen nog procesbelang bij de vraag of eiser recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. In dat kader heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte 0,25 als wegingsfactor heeft gehanteerd, dat de wegingsfactor op 1 moet worden gesteld en dat een tarief van € 624 per punt moet worden gehanteerd.\n\n12. Voor wegingsfactor 0,25 kan aanleiding bestaan in zaken met een zeer gering belang en met een zeer eenvoudig te beslechten geschil.[2] Het gaat dan om zaken die slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandverlener behoeven. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in onderhavige zaak aan de voorwaarden voor toepassing van wegingsfactor 0,25 voldaan. De inspanning van de gemachtigde heeft zich in de bezwaarfase kunnen beperken tot vermelding van de lopende klachtbehandeling bij de Nationale ombudsman. Dit betreft een eenvoudige werkzaamheid van korte duur.\n\n13. Wel heeft de Hoge Raad op 12 juli 2024 geoordeeld dat bij het vaststellen van een kostenvergoeding in de bezwaarfase het hogere tarief moet worden toegepast.[3] Dit maakt dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het lagere tarief. Omdat de uitspraak van de rechtbank in 2025 wordt gedaan, dient het tarief te worden toegepast dat voor 2025 is vastgesteld (€ 647 per punt in de bezwaarfase).[4]\n\n14. De rechtbank ziet gelet op het vorenstaande aanleiding de toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 77,50 te vernietigen en deze vast te stellen voor de door een derde beroepsrechtmatig verleende bijstand op in totaal € 161,75 (1 punt voor het bezwaarschrift en een wegingsfactor zeer licht (0,25)).\n\n15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser voor de beroepsfase gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor zeer licht (0,25)). De rechtbank hanteert wegingsfactor 0,25 omdat de zaak in beroep uitsluitend betrekking heeft op de kostenvergoeding in bezwaar.[5]\n\n(…)\n\n[2] Zie Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, als bijlage opgenomen bij de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2158.\n\n[3] ECLI:NL:HR:2024:1060.\n\n[4] Onderdeel B2 bijlage B van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n[5] Zie het in de uitspraken van diverse hoven gepubliceerde richtsnoer (proces)kostenvergoeding, meest recent Hof Amsterdam 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2158.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of de Rechtbank de kostenvergoeding voor de bezwaarfase tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. In bijzonder in geschil is de hoogte van de wegingsfactor.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de kostenvergoeding en tot vaststelling van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase met toepassing van een wegingsfactor van primair 1 en subsidiair 0,5. Voorts verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.\n\n4.3.. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n5.1.. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Ontvanger voor de bezwaarfase ten onrechte een kostenvergoeding heeft toegekend met toepassing van wegingsfactor 0,25 (zeer licht), omdat de gemachtigde van belanghebbende meerdere inhoudelijke proceshandelingen heeft verricht. Zo heeft hij diverse keren contact met de Belastingdienst gehad en heeft hij, naast het indienen van een bezwaarschrift tegen de aanmaningskosten, de Ontvanger in gebreke moeten stellen om uitspraak op bezwaar te doen en beroep moeten instellen. Ook heeft de gemachtigde van belanghebbende gecorrespondeerd met de Nationale ombudsman over de afstemming en heeft hij een complexe beoordeling van de rechtmatigheid van de aanmaning en het dwangbevel moeten doen. Vanwege deze extra werkbelasting, hetgeen het gevolg is van meerdere fouten van de Ontvanger tijdens de invorderingsprocedure, dient een wegingsfactor van 1 dan wel 0,5 te worden gehanteerd, aldus belanghebbende.\n\n5.2.. De Ontvanger stelt dat de Rechtbank terecht is uitgegaan van een wegingsfactor van 0,25, omdat sprake is van een zaak met een zeer gering belang en een zeer eenvoudig te beslechten geschil, waarbij de inspanning van de gemachtigde van belanghebbende gering is geweest. In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde van belanghebbende slechts gevraagd om verlaging van de vervolgingskosten en is volstaan met de vermelding van de lopende klachtbehandeling bij de Nationale ombudsman om de vervolgingskosten inzake de aansprakelijkstelling naar nihil terug te brengen, aldus de Ontvanger.\n\n5.3.. Het Hof stelt voorop dat het als beoordelende instantie op grond van een eigen waardering dient te beoordelen in welke gewichtscategorie van onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de zaak valt (vgl. HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:915, r.o. 3.3.3). Hierbij moet per fase van de procedure worden beoordeeld welke wegingsfactor van toepassing is (HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, r.o. 3.2.2). Het aan een zaak toekomende gewicht wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang, de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener (vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, r.o. 3.3).\n\n5.4.. \n\nHoewel de gemachtigde van belanghebbende twee afzonderlijke bezwaarschriften heeft ingediend, die overigens nagenoeg gelijkluidend zijn, is sprake van een zeer eenvoudig te beslechten geschil waarbij zijn werkzaamheden en inspanningen gering zijn geweest.\n\nDe enkele vermelding van de lopende klachtbehandeling bij de Nationale ombudsman acht het Hof evenals de Rechtbank een eenvoudige werkzaamheid van korte duur. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de Ontvanger ter zitting heeft bevestigd dat de enkele vermelding in de bezwaarschriften van de lopende klachtbehandeling voor hem voldoende is geweest om volledig aan de bezwaren van belanghebbende tegemoet te komen. Het contact van de gemachtigde van belanghebbende met andere instanties doet daar niet aan af. Gelet hierop is terecht een wegingsfactor 0,25 voor de kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegepast.\n\n5.5.. Hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat een hogere wegingsfactor moet worden toegekend enkel omdat de Ontvanger heeft erkend dat de aanmaning en het dwangbevel ten onrechte zijn gegeven. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende voor het eerst verklaard dat hij voorafgaande aan het indienen van de bezwaarschriften ook contact heeft opgenomen met de Belastingtelefoon ter zake van de lopende klachtprocedure bij de Nationale ombudsman, welke werkzaamheid door de Ontvanger gemotiveerd is weersproken. Bovendien is die werkzaamheid niet uit de gedingstukken te herleiden. Voor zover belanghebbende verwijst naar een aantal uitspraken in belastingzaken waarin een hogere wegingsfactor dan 0,25 is toegepast, overweegt het Hof dat de feiten in deze zaken andersluidend zijn dan in de onderhavige zaak en dat de gewichtscategorie in iedere zaak op grond van een eigen waardering dient te worden beoordeeld.\n\nSlotsom\n\n5.6.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, T.A. de Hek en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer T.A. de Hek.\n\nDe griffier, de raadsheer,\n\nT.S.K.L. Tjon T.A. de Hek\n\nDe beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1880","2026-07-13T00:29:23.160Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":40,"updatedAt":74},"857","ECLI:NL:RBDHA:2026:16956","ecli-nl-rbdha-2026-16956","2026-04-03T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F8390\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nDe bestreden uitspraak op bezwaar\n\nDe uitspraak van verweerder van 17 oktober 2025 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2021 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente.\n\nZitting\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026.\n\nNamens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam] B.V. (P B.V.).\n\n2. Eiser ontving in 2021 loon van P B.V. ten bedrage van € 46.999, waarop € 12.615 aan loonheffing is ingehouden.\n\n3. Bij brief van 25 maart 2024 heeft verweerder eiser geïnformeerd voornemens te zijn een vergrijpboete op te leggen aan P B.V. met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) voor het jaar 2021. In de brief staat, voor zover van belang:\n\n“Op de balans van de laatst ingediende aangifte Vennootschapsbelasting (2018) van [bedrijfsnaam] BV, is een rekening courantvordering op haar directeur\u002Faandeelhouder [eiser] opgenomen. Het bedrag eind 2018 = € 660.429. De rentebate = € 18.566. Het bedrag van € 660.429 is eind 2021 opgelopen met 3 maal de jaarlijkse rentebate van € 18.566 (= € 55.698). Eind 2021 is de rekening courante vordering opgelopen tot € 716.127.\n\n[Eiser] heeft de aangifte Inkomstenbelasting 2021 niet ingediend. Ik kan\n\nnu niet bepalen of sprake is van een substantieel netto vermogen. [Eiser] ontvangt in 2021 weliswaar loon (€ 46.999) uit [bedrijfsnaam] BV. Echter zonder de aangifte IH 2021 kan ik niet beoordelen of sprake is van andere inkomsten of van substantieel vermogen. Nu ik verder geen informatie heb over het vermogen van [eiser], ben ik van mening dat de hoogte van de rekening courant vordering dusdanig hoog is, dat deze niet langer in verhouding is met het vermogen. Dit betekent dat ik de rekening courant vordering kwalificeer als onzakelijk. Het gevolg hiervan is dat ik € 716.127 (bedrag van de opgelopen rekening courant vordering), zal belasten in box 2.”\n\n4. De rechtbank begrijpt dat het als aflossing van de rekening-courantschuld en uitdeling aan te merken bedrag vervolgens is verminderd naar € 221.895. Uit het verhandelde ter zitting en het verslag van het hoorgesprek van 24 juli 2025 leidt de rechtbank af dat hierover correspondentie tussen partijen is gevoerd, waarover beide partijen niet meer beschikken. In de aangifte Vpb 2021, ingediend op 6 juni 2024, is een bedrag van € 717.994 aangemerkt als vordering van P B.V. op eiser en een bedrag van € 221.895 als winstuitdeling van P B.V. aan eiser.\n\n5. Eiser is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB\u002FPVV 2021. Na de in de aanmaning gestelde termijn van 11 juli 2023 heeft verweerder de primitieve aanslag IB\u002FPVV 2021 op 20 maart 2024 in het systeem gebracht. De aanslag is vervolgens ambtshalve opgelegd met dagtekening 17 april 2024. De aanslag is opgelegd naar een verzamelinkomen van € 46.999, dus zonder rekening te houden met de uitdeling van € 221.895. Het te betalen bedrag dat uit de aanslag volgt is € 385, bestaande uit een bedrag van de aanslag van nihil en een verzuimboete van € 385.\n\n6. Eiser heeft op 9 juli 2024 alsnog een aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend, naar een verzamelinkomen van eveneens € 46.999. Op 27 augustus 2024 heeft de gemachtigde van eiser een e-mail verzonden aan verweerder met als onderwerp ‘Aangifte inkomstenbelasting 2021 [eiser]’. Hierin staat onder meer:\n\n“In vervolg op ons telefoongesprek van zojuist bevestig ik hierbij dat wij in bovengenoemde aangifte zijn vergeten in box 2 de uitdeling uit [bedrijfsnaam] BV ad € 221.895 aan te geven.”\n\n7. Verweerder heeft met dagtekening 21 september 2024 een navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2021 (de navorderingsaanslag) opgelegd, waarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is vastgesteld op € 221.895. De navorderingsaanslag beloopt een te betalen bedrag aan inkomstenbelasting van € 59.689.\n\n8. In geschil is of de navorderingsaanslag rechtmatig is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een kenbare fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR, op grond waarvan verweerder kon navorderen. De rechtmatigheid van het aanmerken van het bedrag van € 221.895 als uitdeling van P B.V. en daarmee als inkomen uit aanmerkelijk belang van eiser, is niet in geschil.\n\n9. Eiser stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Eiser voert daartoe aan dat geen sprake is van een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR, maar van een onzorgvuldigheid of ambtelijk verzuim aan de zijde van verweerder, omdat verweerder reeds vóór het opleggen van de primitieve aanslag IB\u002FPVV 2021 op de hoogte was van het (door verweerder zelf aangekondigde) voornemen om de € 221.895 als inkomen uit aanmerkelijk belang bij eiser te belasten. Tevens voert eiser aan dat het voor hem niet redelijkerwijs kenbaar was dat de aangekondigde correctie van € 221.895 niet reeds was verwerkt bij het opleggen van de aanslag.\n\n10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR.\n\n11. Op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Navordering kan mede op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, wat de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.\n\n12. In de parlementaire geschiedenis is daarnaast over het criterium ‘fout’ in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR het volgende opgemerkt:\n\n“De kenbaarheid van de onjuistheid van de belastingaanslag of de beschikking om geen aanslag op te leggen staat voorop. Die onjuistheid moet voortvloeien uit een fout. Het gaat er niet om waarin de fout is gemaakt – in de aangifte of bij de verwerking van de aangifte tot een belastingaanslag – of dat het de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is welke fout is gemaakt. «Fout» is een neutraal en ruim begrip, waaronder in elk geval schrijf-, reken-, overname-, intoetsfouten en fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften vallen.”\n\n13. De wetgever heeft met de invoering van de bepalingen omtrent de kenbare fout echter niet willen breken met de daarvoor al ontwikkelde rechtspraak over beoordelingsfouten van de inspecteur. Die rechtspraak komt erop neer dat herstel door middel van navordering niet mogelijk is indien een aanslag te laag is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht of van een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht. Een dergelijke beoordelingsfout kan niet op basis van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR worden hersteld, ook niet indien zij voor de belastingplichtige kenbaar was.\n\n14. Verweerder stelt dat sprake is van een automatiseringsfout waardoor de primitieve aanslag IB\u002FPVV 2021 tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de aanslag op 20 maart 2024 in het computersysteem is ingevoerd en dat het verzamelinkomen is gebaseerd op een schatting van de door eiser ontvangen looninkomsten van P B.V. Deze ingevulde gegevens werden vervolgens door het systeem verwerkt en dit proces kan niet meer kan worden stopgezet of teruggedraaid, aldus verweerder. De aanslag is vervolgens verzonden, met dagtekening 17 april 2024. Verweerder heeft hierbij toegelicht dat de verwerkingstijd van het opleggen van aanslagen meerdere weken in beslag kan nemen, terwijl het verzenden van de brief van 25 maart 2024 met het voornemen een vergrijpboete op te leggen slechts enkele dagen duurt. De rechtbank acht deze gang van zaken aannemelijk en is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van een automatiseringsfout, en niet van een beoordelingsfout.\n\n15. Ten aanzien van de kenbaarheid overweegt de rechtbank het volgende. In het onderhavige geval beloopt de navorderingsaanslag een te betalen bedrag aan inkomstenbelasting van € 59.689, terwijl de primitieve aanslag een te betalen bedrag van nihil bedroeg. Aan het vereiste van te weinig geheven belasting van minste 30 percent van de verschuldigde belasting is dan ook voldaan. Daarnaast is door verweerder bij brief van 25 maart 2024 het voornemen om het bedrag van de opgelopen rekening-courantschuld bij eiser in box 2 te belasten aangekondigd. Vervolgens is de primitieve aanslag opgelegd waarbij die correctie zonder enige denkbare reden achterwege is gebleven.Ten slotte heeft de gemachtigde van eiser op 27 augustus 2024 aan verweerder geschreven dat hij is vergeten de uitdeling van € 221.895 in de op 9 juli 2024 alsnog ingediende aangifte te vermelden. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het kenbaarheidsvereiste. Verweerder heeft daarom terecht op basis van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR nagevorderd. Dat eiser op 9 juli 2024 alsnog een (niet juiste) aangifte heeft ingediend, maakt het voorgaande niet anders.\n\n16. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat het onpartijdigheidsbeginsel van artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden, omdat de heer Pijpers het bezwaarschrift heeft behandeld en daarnaast verweerder heeft vertegenwoordigd in de beroepsprocedure. Deze stelling slaagt niet, omdat er geen grond bestaat die verweerder weerhoudt om dezelfde medewerker betrokken te laten zijn bij zowel de bezwaar- als de beroepsfase. Ter zitting is toegelicht dat de heer Pijpers niet betrokken is geweest bij de (voorbereiding van de) oplegging van de navorderingsaanslag. De rechtbank ziet ook voorts geen aanknopingspunten voor vooringenomenheid aan de zijde van verweerder. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7:5, eerste lid, van de Awb dan wel artikel 10:3 van de Awb.\n\n17. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.\n\n18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.\n\n19. Nu het beroep ongegrond is, bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. De rechtbank ziet eveneens geen aanleiding om eiser, zoals zijn gemachtigde op zitting heeft verzocht, bij een ongegrond beroep een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Dat het afschrift van het in het systeem brengen van de primitieve aanslag IB\u002FPVV 2021 op 20 maart 2024 pas in de beroepsfase is overgelegd, maakt dit niet anders. In de bezwaarfase heeft verweerder reeds toegelicht dat de primitieve aanslag IB\u002FPVV 2021 geautomatiseerd is opgelegd en dat dit proces eerder is gestart. Er is geen sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen of tegen beter weten in procederen door verweerder.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Plukaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 25.\n\n Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1529, r.o. 2.3.1.\n\n Vgl. Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1529, r.o. 2.3.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16956","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.533Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":40,"updatedAt":83},"426","ECLI:NL:RBDHA:2025:28003","ecli-nl-rbdha-2025-28003","2025-09-19T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F8337\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen\n [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nDe bestreden uitspraak op bezwaar\n\nDe uitspraak van verweerder van 11 september 2024 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2022 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.\n\nZitting\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2025.\n\nEiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nverklaart het bezwaar ongegrond;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser heeft aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2022 gedaan naar een verzamelinkomen van € 15.417, bestaande uit € 15.417 aan belastbaar inkomen uit werk en woning.\n\nDe waarde van de door eiser in zijn aangifte verantwoorde bezittingen en schulden resulteren in een rendementsgrondslag van € 39.433. Met inachtneming van het heffingvrije vermogen van € 50.650 is de grondslag sparen en beleggen nihil.\n\nMet dagtekening van 10 juni 2023 is de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2022 (de aanslag) opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Het inkomen uit sparen en beleggen is daarbij dan ook gesteld op nihil.\n\n2. Eiser had over het jaar 2022 een voorschot huurtoeslag ontvangen van € 4.024. Dit voorschot was gebaseerd op de over het jaar 2021 aan hem toegekende huurtoeslag. Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de inspecteur van de Belastingdienst\u002FToeslagen de zorg- en huurtoeslag voor eiser over het jaar 2022 vastgesteld op nihil en is eiser aangezegd dat hij het aan hem uitbetaalde voorschot van € 4.024 dient terug te betalen (de Beschikking).\n\n3. Bij brief van 13 september 2023 heeft eiser bij de Dienst Toeslagen bezwaar tegen de Beschikking gemaakt. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar ter behandeling doorgezonden aan verweerder. De reden daarvoor is dat het bij de beoordeling van het bezwaar aankomt op een vraag die in het domein van verweerder is gelegen,te weten die naar de hoogte van de rendementsgrondslag.\n\n4. Verweerder heeft bij uitspraak van 11 september 2024 het bezwaar als kennelijk nietontvankelijk van de hand gewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat, nu in de aanslag geen inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen, eiser niet beter kan worden van zijn bezwaar.\n\nGeschil\n\n5. Het standpunt van eiser is dat verweerder de Wet rechtsherstel box 3 onjuist heeft toegepast, door niet de voor zijn geval gunstigste methode te kiezen van de twee methodes waarin die wet voorziet. Ter zitting heeft hij daaraan, subsidiair, een beroep toegevoegd op het vertrouwen dat hij heeft ontleend aan mededelingen op de website van de Belastingdienst.\n\n6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, om dezelfde reden als waarom hij het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. Met betrekking tot het materiële geschilpunt is zijn standpunt dat de Beschikking berust op een correcte vaststelling van de rendementsgrondslag en dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel moeten falen.\n\nBeoordeling\n\n7. Eiser heeft zijn bezwaar tegen de Beschikking in zijn brief van 13 september 2013 geformuleerd als volgt:\n\n“Bij deze maak ik bezwaar tegen de door u aan mij opgelegde definitieve aanslag over ad 2022 ad. € 4.024 terug te betalen huurtoeslag”\n\nMet de Beschikking is de aanspraak van eiser op huurtoeslag vastgesteld op nihil, wat ertoe leidt dat eiser het door hem ontvangen voorschot dient terug te betalen. Blijkens de hiervoor geciteerde bewoording is dat, waartegen eiser in bezwaar is opgekomen.\n\nVerweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op grond van een overweging die betrekking heeft op een andere beschikking dan de Beschikking, te weten de aanslag. Van bezwaar tegen de aanslag kan eiser inderdaad niet beter worden, maar dat is niet waartegen hij is opgekomen. Zijn bezwaar is gericht tegen de Beschikking en dat kon hem bij gegrondverklaring (wel degelijk) in een betere positie brengen.\n\nVerweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden heeft de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigd.\n\n8. Bij vernietiging van de uitspraak op bezwaar doet de rechtbank wat verweerder had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar ongegrond had moeten verklaren. Onderstaand legt zij uit waarom.\n\n9. Eiser had over het jaar 2021 huurtoeslag ontvangen. Dat hem over het jaar 2022 huurtoeslag is ontzegd, is volgens hem terug te voeren op verandering in de wetgeving die is gevolgd op het zogenaamde kerstarrest.Eiser heeft daarbij het oog op de Wet rechtsherstel box 3 (de Wet rechtsherstel). Deze wet regelt dat het box 3-inkomen wordt bepaald op de voet van de voor de belanghebbende meest gunstige van een van twee methodes; te weten die van de Wet IB 2001 en de alternatieve berekeningswijze waarin de Wet rechtsherstel voorziet.Dat aan eiser met de Beschikking huurtoeslag over 2022 is ontzegd, komt volgens hem doordat niet de voor hem meest gunstige van beide methoden is toegepast.\n\n10. Het standpunt van eiser berust op een misvatting. Dat hij wel over 2021 aanspraak had op huurtoeslag maar niet over 2022, wordt naar de overtuiging van de rechtbank erdoor veroorzaakt dat zijn vermogen in de loop van 2021 is toegenomen, waardoor hij per begin 2022 over een te groot vermogen beschikt om aanspraak te kunnen maken op bepaalde toeslagen. Dit wordt in de volgende twee overwegingen uitgelegd.\n\n11. In artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) is bepaald bij welk vermogen geen aanspraak (meer) kan worden gemaakt op bepaalde toeslagen. Deze bepaling is per 1 januari 2001 gewijzigd. Die wijzing heeft niet met de Wet rechtsherstel te maken, maar met de verhoging van het heffingvrije vermogen (artikel 5.5 Wet IB 2001).\n\nTot 1 januari 2021 bepaalde artikel 7, derde lid, van de AWIR dat geen recht op huurtoeslag bestond zodra over voordeel uit sparen en beleggen belasting werd geheven. Dat is het geval zodra het vermogen (de grondslag sparen en beleggen) uitgaat boven het heffingvrije vermogen. In 2020 bedroeg het heffingvrije vermogen € 30.846. Het komt er dus op neer dat zodra het vermogen uitging boven dat dat bedrag geen recht op huurtoeslag bestond.\n\nMet ingang van 1 januari 2001 heeft de wetgever het heffingvrije vermogen verhoogd, van € 30.846 in 2020 tot € 50.000 in 2021. Het effect daarvan zou zijn dat ineens aanspraak op huurtoeslag zou bestaan bij een vermogen van bijna € 20.000 méér. Dat heeft de wetgever niet gewild. Hij heeft daarom artikel 7, derde lid, van de AWIR gewijzigd; en wel zó dat niet langer bepalend is of belasting in box 3 wordt geheven, maar of het vermogen uitgaat boven een bedrag dat correspondeert met het heffingvrije vermogen naar het niveau van voor 2021. De verandering van dit artikellid strekte er dus toe, te voorkomen dat voor wat betreft de aanspraak op bepaalde toeslagen materieel iets zou veranderen.\n\n12. Voor het jaar 2022 is het in artikel 7, derde lid, van de AWIR genoemde bedrag vanaf wanneer geen recht meer bestaat op toeslagen gesteld op € 31.747.\n\nHet vermogen van eiser bestond per 1 januari 2022 voor € 9.220 uit effecten en voor € 84.073 uit een onroerende zaak, tot het bedrag van € 69.451 waren gefinancierd met leningen. De rendementsgrondslag van eiser was daarmee € 39.433, dus te veel om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Dat eiser in 2021 wel, maar in 2022 niet voor huurtoeslag in aanmerking komt, komt – zoals ter zitting is besproken – vrijwel zeker doordat de effecten en het vastgoed gedurende 2021 met ten minste € 7.591 in waarde zijn gestegen, waardoor het vermogen van eiser per 1 januari 2022 met dat bedrag boven de grens van artikel 7, derde lid, AWIR uitgaat.\n\n13. Dat in 2021 wel maar in 2022 geen recht op huurtoeslag bestond, kan in ieder geval niet worden verklaard door de Wet rechtsherstel en\u002Fof de manier waarop verweerder die heeft toegepast. Die wet regelt namelijk niets dat van invloed kan zijn op het recht op huurtoeslag.\n\n14. De Wet rechtsherstel regelt het volgende.\n\nHet belaste voordeel uit sparen en beleggen is het forfaitaire rendementspercentage, vermenigvuldigd met de grondslag sparen en beleggen.De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag, voor zover deze uitgaat boven – of anders gezegd: verminderd met – het heffingvrije vermogen.De rendementsgrondslag is waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden voor zover die schulden uitgaan boven de drempel van € 3.200.\n\nMet de Wet rechtsherstel beoogde de wetgever het box 3-stelsel in overeenstemming te brengen met het ‘kerstarrest’.Daartoe is een alternatieve methode geïntroduceerd voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, die alleen wordt toegepast als deze voor de belanghebbende gunstiger uitpakt dan de berekening volgens de Wet IB 2001 zelf.\n\nHet verschil tussen de alternatieve methode en die van de Wet IB 2001 is alleen gelegen in de hoogte van het forfaitaire rendement. De wet rechtsherstel laat de rendementsgrondslag geheel ongemoeid: ook bij toepassing van de alternatieve methode is de rendementsgrondslag het saldo van de bezittingen en de schulden.\n\n15. Dan komt de rechtbank nu toe aan de vraag of de Beschikking juist is. Daaromtrent overweegt zij als volgt.\n\nArtikel 7, derde lid, van de AWIR bepaalt voor het jaar 2022, voor zover relevant:\n\n“Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 31.747 (...)”\n\nVoor de vraag naar aanspraak op huurtoeslag komt het derhalve aan op de hoogte van de rendementsgrondslag.\n\nEiser heeft aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een rendementsgrondslag van nihil, wat bij het vaststellen van de aanslag is overgenomen. De vaststelling in de Beschikking dat eiser geen aanspraak heeft op huurtoeslag bouwt daarop voort. Eiser heeft niet aangevoerd dat de rendementsgrondslag op een ander bedrag moet worden vastgesteld dan volgens zijn aangifte en de opgelegde aanslag IB\u002FPVV. De rechtbank beoordeelt de Beschikking daarom als juist.\n\n16. Eiser beroept zich subsidiair op het vertrouwen dat hij heeft ontleend, en stelt ook te hebben mogen ontlenen aan de navolgende mededelingen op de website van de Belastingdienst:\n\n“2 methodes om uw box 3-inkomen te berekenen\n\nDe oude methode gaat uit van een fictieve verdeling van vermogensbestanddelen.\n\nDe nieuwe methode berekenen we volgens het Rechtsherstel.\n\nOude methode box 3-inkomen – hoe werkt dat?\n\nVoor de jaren 2021 en 2022 berekenen wij uw box 3-inkomen met de oude en de nieuwe methode. Vervolgens passen wij de meest gunstige methode toe op uw definitieve aanslag\n\ninkomstenbelasting. Ook als u over de periode 2017-2022 rechtsherstel hebt gehad, passen wij de meest gunstige methode toe.\n\nDe basis is uw inkomen uit vermogen\n\nDe basis voor de oude methode is uw inkomen uit vermogen. Dit noemen wij de grondslag sparen en beleggen. Dat is de waarde van uw vermogen (uw bezittingen min uw schulden) min uw heffingsvrij vermogen. U gaat daarbij uit van de situatie op 1 januari van het jaar waarover u aangifte doet.”\n\nDeze passage kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet zo worden gelezen als eiser dat doet. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.\n\nSlotsom\n\n17. Omdat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard (zie r.o. 7), is het beroep gegrond en dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat de Beschikking naar het oordeel van de rechtbank juist is (r.o. 8 tot en met 15) en het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt (r.o. 16), verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond.\n\n18. Niet is gebleken dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gehad. Daarom bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.\n\nDe griffier is verhinderd te ondertekenen\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Artikel 8a, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR).\n\n HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.\n\n De Wet rechtsherstel box 3 is ingevoerd op 21 december 2022 en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2017.\n\n Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.\n\n Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.\n\n Artikel 5.3, eerste lid en derde lid, letter f, Wet IB 2001; in zowel 2021 als 2022).\n\n Wat overigens niet is gelukt; zie HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid20b946068984449ba7c944bd283450b1) en ECLI:NL:HR:2024:705 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fide9bd3d3e2a5b408796f3b52de4a8729f), alsmede HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid20b946068984449ba7c944bd283450b1).\n\n Tekst 2022.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28003","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.290Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":88,"fullText":89,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":40,"updatedAt":92},"1362","ECLI:NL:GHDHA:2024:1587","ecli-nl-ghdha-2024-1587","2024-07-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-23\u002F171 en BK-23\u002F172\n\nUitspraak van 17 juli 2024\n\nin het geding tussen:\n\nStichting [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: G.J.W. de Ruiter)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 januari 2023 met zaaknummers SGR 22\u002F4187 en 22\u002F4188.\n\nProcesverloop\n\n1.1.1.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2019 en 2020 op aangifte een bedrag van respectievelijk € 3.850.288 en € 4.062.304 aan verhuurderheffing voldaan.\n\n1.1.2.. Belanghebbende heeft een gecorrigeerde aangifte ingediend.\n\n1.1.3.. De Inspecteur heeft op grond van de gecorrigeerde aangifte en rekening houdend met een hogere heffingsvermindering bij beschikking de verhuurderheffing over 2019 verminderd tot € 3.660.288.\n\n1.2.. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de op aangifte voldane verhuurderheffing ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant ingesteld. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaken op verzoek van partijen overgedragen aan de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft op 8 augustus 2023 een nader stuk, getiteld verweerschrift 2019, en een nader stuk, getiteld verweerschrift 2020, ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 4 juni 2024. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn ook de zaken met de nummers BK-23\u002F174 tot en met 23\u002F180, 23\u002F183 tot en met 23\u002F197, 23\u002F199 tot en met 23\u002F219, 23\u002F222 en 23\u002F223 behandeld. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd wordt geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken, tenzij hetgeen is aangevoerd en overgelegd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op 1 januari 2019 en 1 januari 2020 enig-eigenaar van meer dan 50 huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wmw). De huurwoningen zijn opgenomen in de aangifte verhuurderheffing van belanghebbende over het jaar 2019 en 2020.\n\n2.2.1.. De Belastingdienst heeft na het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 (hierna ook: het arrest van 8 juni 2018) op zijn website de volgende tekst gepubliceerd:\n\n“Bent u gezamenlijk eigenaar van een huurwoning? Dan hoeft u deze woning niet op te nemen in de aangifte verhuurderheffing.”\n\n2.2.2.. De tekst stond tot 24 december 2019 op de website van de Belastingdienst.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Beoordeling van het geschil\n\nSchending gelijkheidsbeginsel\n\n5. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is primair sprake wanneer gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn ongelijk worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank behoren mede-eigenaren en volle eigenaren niet zowel feitelijk als rechtens tot dezelfde groep en is geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Artikel 1.4 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wet) maakt weliswaar geen onderscheid tussen mede-eigenaren en volle eigenaren, maar in artikel 1.3 van de Wet wordt tussen hen wel een onderscheid gemaakt. Deze bepaling ziet immers uitsluitend op mede-eigenaren. Er is dus sprake van subjectgebonden omstandigheden die zich niet voordoen en zich ook niet voor kunnen doen bij volle eigenaren. Het arrest van de Hoge Raad ziet uitsluitend op artikel 1.3 van de Wet en dus op de situatie van mede-eigendom. Nu de hier in geding zijnde voldoening van verhuurderheffing door eiseres alleen betrekking heeft op onroerende zaken die eiseres in vol eigendom heeft, is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van ongelijke gevallen die onevenredig ongelijk worden behandeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ongelijke behandeling een direct uitvloeisel is van de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018. Dat maakt dat geen sprake is van de vermeende (ongeoorloofde) onevenredige behandeling. Dat de ongelijke behandeling verder gaat dan die voortvloeit uit dit arrest heeft eiseres niet concreet aangevoerd en\u002Fof inzichtelijk gemaakt en is ook overigens niet gebleken.Begunstigend beleid\n\n6. Onder begunstigend beleid moet worden verstaan dat verweerder voor bepaalde gevallen bewust een standpunt inneemt dat voor deze groep gunstiger is dan wanneer de wet op de normale manier wordt toegepast. Het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 heeft tot gevolg dat artikel 1.3 van de Wet buiten toepassing dient te blijven. Als gevolg daarvan kan geen sprake meer zijn van een “normale” toepassing van de wet. Dat de belastingdienst in dat kader heeft meegedeeld dat onroerende zaken die in mede-eigendom zijn niet meer in de aangifte voor de verhuurdersheffing behoeven te worden opgenomen, is het rechtstreekse gevolg van dat arrest. Een dergelijke mededeling kan niet worden aangemerkt als begunstigend beleid.\n\nTerugwerkende kracht reparatiewetgeving\n\n7. De reparatiewetgeving ziet uitsluitend op de situatie van mede-eigendom waarvan bij eiseres geen sprake is. Of aan die wetgeving terugwerkende kracht mocht worden toegekend, is voor de positie en de belastingplicht als zodanig van eiseres dus niet van belang. Ook indien de reparatiewetgeving pas per 14 juli 2020 geacht moet worden in werking te zijn getreden, heeft dat voor haar op zichzelf geen gevolgen. Dat zou alleen anders kunnen zijn wanneer sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel. Nu de rechtbank eiseres niet volgt in haar stelling dat voor het jaar 2019 sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan van een voortbestaan in 2020 van zo’n schending evenmin sprake zijn. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de ongeoorloofde terugwerkende kracht bij de invoering van de reparatiewet verhuurderheffing behoeft daarom geen verdere behandeling.\n\nVerzoek stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad\n\n8. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd daartoe ook geen reden.\n\n9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. Voor het jaar 2019 is in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (het discriminatieverbod) zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n4.1.2.. Belanghebbende stelt primair dat tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n4.1.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n4.2.1.. Voor het jaar 2020 is in geschil of aan de Wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen), Stb. 2020 nr. 243 van 8 juli 2020 (de reparatiewet) terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Als geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend, dan is evenals over 2019 in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n4.2.2.. Belanghebbende stelt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en dat, als het Hof tot dat oordeel komt, primair sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren als gevolg van het vervallen van de terugwerkende kracht niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat als aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de wetgever aan de reparatiewet terugwerkende kracht heeft mogen toekennen en dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n4.4.. Belanghebbende concludeert voor beide jaren tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot teruggaaf van de op aangifte voldane verhuurderheffing en tot toekenning van een proceskostenvergoeding.\n\n4.5.. De Inspecteur concludeert voor beide jaren tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n5.1.. Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet Verhuurderheffing, Stb. 2013, nr. 285 (de Wvh) ingevoerd. Artikel 3 Wvh luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken is bekendgemaakt.\n\n5.2.. Artikel 4 Wvh luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is degene die op 1 januari 2013 het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan 10 huurwoningen.\n\n5.3.. De Wvh is met ingang van 1 januari 2014 vervallen. Met ingang van 1 januari 2014 is de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II, Stb. 2013 nr. 583 (de Wmw) ingevoerd. Artikel 1.3 Wmw (tekst 2019) luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van die wet is bekendgemaakt.\n\n5.4.. Artikel 1.4 Wmw luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de groep die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan vijftig huurwoningen.\n\n5.5.. De Hoge Raad heeft op 8 juni 2018 in de arresten ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 en ECLI:NL:HR:2018:847 geoordeeld over de heffing van verhuurderheffing in geval van mede-eigendom, waarbij het laatstgenoemde arrest verwijst naar het eerstgenoemde arrest. In het arrest ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 is onder meer het volgende overwogen:\n\n“2.4.3. In gevallen waarin er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende is, wordt de huurwoning op grond van artikel 3 Wvh in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ), ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, leden 3 en 4, Wet WOZ is bekendgemaakt. Artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ bepaalt dat de bekendmaking van de WOZ-beschikking geschiedt door toezending aan degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak. Indien met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, kan bekendmaking op grond van artikel 24, lid 4, Wet WOZ plaatsvinden aan één van hen. Deze bepaling verleent de gemeente vrijheid voor het ontwikkelen van beleid met betrekking tot het bekendmaken van WOZ-beschikkingen indien sprake is van verschillende genothebbenden van een zelfde onroerende zaak (vgl. Kamerstukken II 1996\u002F97, 25 037, nr. 6, blz. 20).\n\nTijdens de parlementaire behandeling van de Wet maatregelen woningmarkt 2014, de opvolger van de Wvh, is onderkend dat in gevallen waarin met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, de keuze voor de genothebbende die de WOZ-beschikking ontvangt afhankelijk is van het beleid van de gemeente waarin die woning zich bevindt, en dat in die situatie in de meeste gemeenten de oudste genothebbende de WOZ-beschikking ontvangt (zie Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 3, blz. 31, en Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4).\n\n2.4.4.. De toerekeningssystematiek die besloten ligt in de hiervoor in 2.4.3 besproken bepalingen brengt mee dat voor toepassing van de verhuurderheffing een verschil in behandeling ontstaat tussen rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen, te weten het geval van de medegenothebbende van huurwoningen die een WOZ-beschikking met betrekking tot die woning ontvangt, zoals belanghebbende, en het geval van de medegenothebbende bij wie dat niet het geval is, zoals de broers van belanghebbende. De mate waarin deze ongelijke behandeling zich voordoet, is onder meer afhankelijk van het door de desbetreffende gemeente gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen.\n\n2.4.5.. Het effect van de hiervoor in 2.4.4 beschreven ongelijke behandeling kan worden versterkt doordat de belastingplicht voor de verhuurderheffing aangrijpt bij het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van meer dan tien huurwoningen. Dat versterkte effect doet zich onder meer voor in gevallen als het onderhavige, waarin meer personen gezamenlijk het genot hebben van meer dan tien huurwoningen en het door de betrokken gemeente(n) gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen, in combinatie met het eventuele genot van andere huurwoningen dat zij hebben, tot gevolg heeft dat een deel van hen buiten de verhuurderheffing kan blijven.\n\n2.4.6.. De in artikel 3 Wvh gebezigde bewoordingen “in aanmerking nemen” vormen niet een toereikende grond om aan te nemen dat ook andere gerechtigden dan degene aan wie de WOZ-beschikkingen zijn bekendgemaakt, ter zake van die woningen zijn onderworpen aan de verhuurderheffing of voor de heffing ter zake van die woningen draagplichtig zouden zijn, nog daargelaten de vraag voor welk deel zij dan draagplichtig zouden moeten zijn, gelet op de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh. Er is ook geen ander wettelijk voorschrift aan te wijzen waaruit voor de belastingplichtige de waarborg voortvloeit dat bij mede-eigendom van huurwoningen de ter zake daarvan verschuldigde verhuurderheffing door alle genothebbenden wordt gedragen.\n\nDe verhuurderheffing is om die reden (en ook in verband met de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh) niet aan te merken als een op een huurwoning rustende last die zonder meer overeenkomstig het bepaalde in Titel 7, Afdeling 1, Boek 3 BW door alle genothebbenden naar evenredigheid van hun aandeel moet worden gedragen.\n\n2.4.7.. Tijdens de parlementaire behandeling van de hiervoor reeds genoemde Wet maatregelen woningmarkt 2014, is opgemerkt dat medegenothebbenden van een zelfde huurwoning “in een privaatrechtelijke relatie tot elkaar staan voor wat betreft de lusten en de lasten van de huurwoningen” (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43-44; vgl. ook Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3). Een “privaatrechtelijke relatie” houdt, gelet op hetgeen in 2.4.6 is overwogen, niet in dat de voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ten aanzien van andere genothebbenden een verhaalsrecht geldend kan maken. Daarom getuigt ’s Hofs uitspraak van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het Hof uit die tijdens de parlementaire behandeling gemaakte opmerking heeft afgeleid dat het privaatrecht voldoende zekerheid biedt dat de gevolgen van de ongelijke behandeling van een voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ongedaan worden gemaakt. Om dezelfde reden heeft het Hof ten onrechte betekenis toegekend aan het door de Inspecteur ingenomen standpunt “dat medegerechtigden de lasten van de verhuurderheffing in de praktijk ook daadwerkelijk dienovereenkomstig dragen”.\n\n2.4.8.. De hier toepasselijke verdragsbepalingen, artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang gelezen met artikel 1 EP, en artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Daarbij is uitgangspunt dat op het terrein van de fiscale wetgeving de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378\u002F05, EHRC 2008\u002F80, paragraaf 60 en EHRM 22 juni 1999, no. 46757\u002F99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002\u002F398). Het ontbreken van zo een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan alleen worden aangenomen indien de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452\u002F02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).\n\n2.4.9.. Het hiervoor in 2.4.3 genoemde gemeentelijke beleid ten aanzien van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen pleegt, hoezeer het bij mede-eigendom van huurwoningen ook bepalend is voor de ongelijkheid in de behandeling van de genothebbenden, geen verband te houden met de doelstellingen van de verhuurderheffing. Daarin is reeds een aanwijzing te vinden dat de in de Wvh opgenomen regeling van onderworpenheid aan die heffing ten aanzien van huurwoningen met meer dan één genothebbende een redelijke grond ontbeert.\n\n2.4.10.. Ter rechtvaardiging van het aansluiten bij de basisregistratie WOZ in de verhuurderheffing heeft de regering erop gewezen dat dit tot lagere administratieve lasten en uitvoeringskosten leidt en voor eenvoudige en eenduidige wetgeving zorgt, waarbij alle belastingplichtigen baat hebben (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4), dat het benutten van authentieke gegevens uit basisregistraties bij het vormgeven van nieuwe wetgeving een “best practice” is en dat daarmee eenduidige, objectieve wetgeving en efficiëntiewinst voor alle betrokken partijen worden beoogd (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43). De onderhavige zaak illustreert dat de op deze argumenten berustende keuze van de wetgever erin kan resulteren dat een belanghebbende de verhuurderheffing moet voldoen als ware hij de enige genothebbende van de huurwoningen, terwijl de andere genothebbenden – zoals in deze zaak belanghebbendes broers die elk voor een zelfde aandeel als belanghebbende eigenaar van de huurwoningen zijn – ter zake van die woningen in het geheel niet in de heffing worden betrokken. Deze uitkomst is ten aanzien van overigens in dezelfde positie verkerende genothebbenden als willekeurig te beschouwen. Redenen van praktische uitvoerbaarheid kunnen een dergelijke uitkomst niet rechtvaardigen.\n\n2.5.1.. Het hiervoor overwogene voert tot de slotsom dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die aan de fiscale wetgever toekomt, voor de ongelijke behandeling die belanghebbende ten deel is gevallen geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. In zoverre veroorzaakt de toepassing van de Wvh ten aanzien van belanghebbende een inbreuk op diens in de hiervoor genoemde verdragsbepalingen gewaarborgde rechten.\n\nDaarom rijst de vraag of, en zo ja op welke wijze, de rechter ter zake van de hiermee verband houdende schending van de hiervoor genoemde verdragsbepalingen effectieve rechtsbescherming kan bieden. In het algemeen dient de rechter bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien zich uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende duidelijk laat afleiden hoe dit dient te geschieden.\n\n2.5.2.. In het onderhavige geval laten zich diverse mogelijkheden denken om de geconstateerde schending van het verbod van discriminatie op te heffen (vgl. de onderdelen 7.29 tot en met 7.33 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).\n\n2.5.3.. Bij afweging van dit een en ander ziet de Hoge Raad, gelet op de te dezen geboden terughoudendheid, geen grond zelf een rechtsregel te formuleren om in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien. Die keuze moet aan de wetgever worden overgelaten. Wel ziet de Hoge Raad in de willekeurige aanwijzing van belanghebbende als belastingplichtige aanleiding de verhuurderheffing ten aanzien van hem buiten toepassing te laten.”\n\n5.6.. De wetgever heeft in navolging van het arrest van 8 juni 2018 de reparatiewet ingevoerd. De reparatiewet is bij brief van 20 december 2019 aangekondigd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) en op 8 juli 2020 in het staatsblad gepubliceerd. De reparatiewet heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.\n\n5.7.. Artikel 1.3 Wmw is als gevolg van de reparatiewet vervallen. Daarnaast is een nieuw artikel 1.6a ingevoegd dat luidde als volgt:\n\nVoor de toepassing van de artikelen 1.4 en 1.6 wordt een huurwoning waarvan het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt gedeeld door twee of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, in aanmerking wordt genomen bij elk van deze natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, naar rato van de mate van de eigendom, onderscheidenlijk het bezit of het beperkt recht.\n\n5.8.. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 30 januari 2020 advies uitgebracht over het wetsvoorstel voor de reparatiewet. Het advies is op 10 maart 2020 gepubliceerd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4). Ten aanzien van de terugwerkende kracht is het volgende opgemerkt:\n\nDe Afdeling onderschrijft de opmerking in de toelichting dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht aan wettelijke regelingen. De voorgestelde bepaling is een belastende maatregel. Zoals uit adviezen in het verleden al is gebleken, is de Afdeling van oordeel dat aan belastende maatregelen geen terugwerkende kracht dient te worden gegeven, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen (zie onder meer de adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2015 over het Belastingplan 2016, (W06.15.0275\u002FIII), Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 302, nr. 4, van 24 juli 2013 over de Wet compartimenteringsreserve, (W06.13.0221\u002FIII), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 713, nr. 4, en van 10 januari 2013 over het voorstel van wet tot wijziging van de Wet verhuurderheffing, (W04.12.0513\u002FI), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 515, nr. 4. Zie ook aanwijzing 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.).\n\nDie omstandigheden kunnen worden gevormd door een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of door aanmerkelijke aankondigingseffecten. Bij een eventuele terugwerkende kracht dient de maatregel voor belastingplichtigen voldoende kenbaar te zijn.\n\nDe Afdeling merkt op dat met het persbericht en de brief aan de Tweede Kamer van 20 december 2019 (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) aan de eis van kenbaarheid is voldaan.\n\nMet betrekking tot de hierboven genoemde bijzondere omstandigheden merkt de Afdeling het volgende op. De genoemde arresten van de Hoge Raad zijn van 8 juni 2018. De Staatssecretaris van Financiën schreef op 22 oktober 2019 dat de regering naar aanleiding van deze arresten van de Hoge Raad aan een wetswijziging werkt en dat het streven is om deze maatregel met ingang van 1 januari 2021 in werking te laten treden. Dit betekent dat er blijkbaar aanvankelijk geen noodzaak werd gevoeld tot grote spoed. Ook de noodzaak tot het gebruik van terugwerkende kracht is blijkbaar pas na 22 oktober 2019 ontstaan.\n\nDe toelichting motiveert de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 door te wijzen op het risico dat de volledige voor het jaar 2020 geraamde opbrengst van de verhuurderheffing (€ 1,8 miljard) wordt misgelopen. Dat is alleen het geval als:\n\na. alle belastingplichtigen gaan procederen tegen de verhuurderheffing over het jaar 2020,\n\nb. ze daarbij aanvoeren dat het in de verhuurderheffing betrekken van huurwoningen in volle eigendom leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, en\n\nc. de uitkomst van die procedures zou zijn dat over het jaar 2020 in het geheel geen verhuurderheffing mag worden geheven.\n\nDat lijkt de Afdeling zeer onwaarschijnlijk. Los daarvan ziet de Afdeling niet hoe het starten van dergelijke procedures door belastingplichtigen met huurwoningen in volle eigendom kan worden gezien als omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of als aanmerkelijk aankondigingseffect.\n\nDe toelichting motiveert daarnaast dat het toekennen van terugwerkende kracht het creëren van mede-eigendomssituaties, en daarmee een lagere opbrengst voor het heffingsjaar 2020, voorkomt. De omvang van die lagere opbrengst wordt echter niet inzichtelijk gemaakt. Mede gelet op de genoemde budgettaire gevolgen (€ 2 miljoen voor de periode van de arresten van de Hoge Raad tot 1 januari 2020) roept dit de vraag op of wel sprake is van een aankondigingseffect dat «aanmerkelijk» is en of wel sprake is van een «omvangrijk» oneigenlijk gebruik of misbruik van de wettelijke regeling dat een terugwerkende kracht zou rechtvaardigen.\n\nDaar komt bij dat indien daadwerkelijk sprake zou zijn van een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik, van de wetgever verwacht had mogen worden dat deze eerder had ingegrepen. Dat is echter niet gebeurd; de regeling en de uitleg door de Hoge Raad bestaan al langere tijd.\n\nGelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat genoemde omstandigheden onvoldoende rechtvaardiging vormen voor de voorgestelde terugwerkende kracht. De Afdeling adviseert daarom de terugwerkende kracht te schrappen.\n\n5.9.. De Minister voor Milieu en Wonen heeft in navolging van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State de achtergrond van en noodzaak voor de spoedreparatie met terugwerkende kracht nader toegelicht als volgt (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4):\n\nAls gevolg van de door de Afdeling genoemde arresten van de Hoge Raad kunnen mede-eigenaren de huurwoningen die zij in mede-eigendom hebben buiten aanmerking laten in de aangifte voor de verhuurderheffing. Over deze huurwoningen wordt dan ook geen verhuurderheffing geheven. Dat heeft voor de heffingsjaren 2018 en 2019 geleid tot een derving van de opbrengst van de verhuurderheffing van € 1 miljoen per heffingsjaar. Het belang van reparatie van de mede-eigendomsbepaling is reeds in juni 2018 onderkend. De oplossingsrichting was echter nog niet meteen duidelijk. Ook waren bij de Belastingdienst op dat moment nog geen signalen binnengekomen dat de arresten potentieel een substantiëler derving tot gevolg zouden kunnen hebben. Hierdoor was het spoedeisende karakter niet evident. Daardoor is de reparatie van de mede-eigendomsbepaling aanvankelijk voorzien met ingang van 1 januari 2021, oftewel het heffingsjaar 2021.\n\nMedio november 2019 is dit beeld echter drastisch veranderd. Er is duidelijk geworden dat een reëel risico is ontstaan op procedures over het heffingsjaar 2019, en daarmee ook op procedures over het heffingsjaar 2020. Met deze procedures is een zeer groot budgettair belang gemoeid. Voor het heffingsjaar 2020 gaat het om maximaal € 1,8 miljard (de gehele opbrengst van de verhuurderheffing).\n\nOp 22 oktober 2019 was de noodzaak tot spoedreparatie van de mede-eigendomsbepaling met terugwerkende kracht derhalve nog niet duidelijk. Dit is te verklaren door het feit dat de aangiftetermijn voor het heffingsjaar 2019 is verstreken op 30 september 2019. Uiterlijk op deze datum moest de aangifte voor de verhuurderheffing over 2019 zijn ingediend en de verhuurderheffing over dat jaar zijn voldaan. De bezwaartermijn tegen deze aangifte is derhalve uiterlijk medio november verstreken. Veel belastingplichtigen hebben in eerste instantie een pro-formabezwaarschrift ingediend, waardoor niet aanstonds duidelijk was dat (i) deze bezwaarschriften zouden worden gemotiveerd met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en dat (ii) het met deze bezwaarschriften gemoeide budgettaire belang zou kunnen oplopen tot € 1,2 miljard voor het heffingsjaar 2019 (ruim 70% van de geraamde opbrengst van € 1,7 miljard).\n\nTegen de geschetste achtergrond is aannemelijk dat ten minste evenveel – en waarschijnlijk zelfs meer – belastingplichtigen een bezwaarschift tegen de verschuldigde verhuurderheffing over het heffingsjaar 2020 zullen indienen en zich daarin eveneens zullen beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het lijkt mij daarbij niet onwaarschijnlijk dat deze belastingplichtigen vervolgens gaan procederen. Ingeval de uiteindelijke uitkomst van de procedures is dat de belastingheffing niet kan worden geëffectueerd bij volle eigenaren, wordt de Staat geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard).\n\nOngeacht de vraag of er daadwerkelijk strijd is met het gelijkheidsbeginsel, is het budgettaire belang dat in het geding is van een dusdanige omvang, dat ook als het risico laag wordt ingeschat, het van belang is dat dit risico wordt uitgesloten voor het heffingsjaar 2020. Daartoe is het toekennen van terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 aan de voorgestelde regeling noodzakelijk. Het budgettaire risico dat de Staat loopt, is dus de reden voor de terugwerkende kracht. In het licht van de opmerkingen van de Afdeling heb ik de andere reden die eerder is genoemd, te weten dat voorkomen wordt dat mede-eigendomssituaties worden gecreëerd, geschrapt.\n\nHoewel geen sprake is van omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening dan wel van een aanmerkelijk aankondigingseffect, acht ik het niettemin gerechtvaardigd om in dit specifieke geval terugwerkende kracht toe te kennen, teneinde het risico op een zeer grote budgettaire derving uit te sluiten. Er is dan ook geen gevolg gegeven aan het advies de terugwerkende kracht te schrappen. Een en ander laat overigens onverlet dat ik het uitgangspunt dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht uiteraard onderschrijf.\n\nGedingstukken\n\n5.10.. Belanghebbende heeft eerst ter zitting gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en toegelicht waarom hij dat pas op de zitting van het Hof aan de orde heeft gesteld. Het gaat om alle stukken die betrekking hebben op de totstandkoming en de verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft gesteld dat hij niet beschikt over dergelijke informatie en dat deze daarom ook niet bij de totstandkoming van de uitspraak op bezwaar een rol heeft gespeeld.\n\n5.11.. Het Hof komt alles overziend tot de conclusie dat de stukken die een licht werpen op de totstandkoming en verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst, wat er verder ook van zij, gelet op hetgeen onder 5.22 ten aanzien van het ontbreken van beleidsruimte bij de Belastingdienst is overwogen, niet van belang zijn voor de beslissing op een of meer van de geschilpunten en zal de zaak dus op basis van de thans ter beschikking staande gedingstukken beoordelen.\n\nGelijkheidsbeginsel (discriminatieverbod) (2019)\n\n5.12.. Belanghebbende stelt primair dat tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n5.13.. Voorop moet worden gesteld dat een ongelijke behandeling van twee met elkaar vergeleken gevallen slechts in strijd met het gelijkheidsbeginsel kan zijn, indien de met elkaar vergeleken gevallen\n\n- in juridisch en in feitelijk opzicht gelijk zijn; of\n\n- in juridisch en in feitelijk opzicht ongelijk zijn en niet naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n5.14.. De hier toepasselijke verdragsbepalingen, artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP), en artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Daarbij is uitgangspunt dat op het terrein van de fiscale wetgeving de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378\u002F05, EHRC 2008\u002F80, paragraaf 60 en EHRM 22 juni 1999, no. 46757\u002F99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002\u002F398). Het ontbreken van zo een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan alleen worden aangenomen indien de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452\u002F02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).\n\n5.15.. Hetgeen onder 5.14 is overwogen over de ongelijke behandeling van gelijke gevallen geldt, mutatis mutandis, eveneens voor de onevenredig ongelijke behandeling van ongelijke gevallen.\n\n5.16.. Belanghebbende stelt primair dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Enig-eigenaren en mede-eigenaren zijn voor de toepassing van de verhuurderheffing naar het oordeel van het Hof echter niet gelijk. Naast de feitelijke en juridische verschillen geldt de toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw (tekst 2019) namelijk uitsluitend voor mede-eigenaren. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat, anders dan belanghebbende stelt, de Hoge Raad artikel 3 Wvh in het arrest van 8 juni 2018 niet onverbindend heeft verklaard. De Hoge Raad heeft weliswaar geoordeeld dat artikel 3 Wvh discriminatoir is, maar heeft geen rechtsregel geformuleerd om in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien en geoordeeld dat de verhuurderheffing ten aanzien van de mede-eigenaar in die procedure buiten toepassing moet blijven (r.o. 2.5.3 van het arrest). Hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen over artikel 3 Wvh geldt, mutatis mutandis, eveneens voor artikel 1.3 Wmw (tekst 2019). Aan het vorenstaande doet niet af dat enig-eigenaren en mede-eigenaren gelet op het doel van de verhuurderheffing vergelijkbare gevallen zijn.\n\n5.17.1.. Het Hof overweegt als volgt ten aanzien van de subsidiaire stelling van belanghebbende dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld. Uit doel en strekking van de Wmw volgt dat zowel huurwoningen van enig-eigenaren als huurwoningen van mede-eigenaren in de heffing worden betrokken, waarbij de huurwoningen van mede-eigenaren op basis van de toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw worden toegerekend aan de mede-eigenaar aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Als gevolg van het arrest van 8 juni 2018 is over het jaar 2019 echter uitsluitend verhuurderheffing geheven van de enig-eigenaren en niet van de mede-eigenaren over een evenredig deel van de WOZ-waarde. Daardoor is sprake van een ongelijke behandeling van ongelijke gevallen.\n\n5.17.2.. Niet elke wettelijke regeling waarin ongelijke gevallen niet naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk worden behandeld, is in strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Dat doet zich slechts voor bij een overduidelijke onevenredigheid (HR 21 oktober 1992, nr. 28548, ECLI:NL:HR:1992:ZC5139, BNB 1993\u002F29). Dit geldt, mutatis mutandis, eveneens voor ongelijke gevallen die niet naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk worden behandeld vanwege de toepassing die, als gevolg van het arrest van 8 juni 2018, aan een wettelijke regeling moet worden gegeven.\n\n5.17.3.. Bij de ongelijke behandeling van enig-eigenaren en mede-eigenaren, zoals die is ontstaan na het arrest van 8 juni 2018, is sprake van een overduidelijke onevenredigheid, omdat huurwoningen van enig-eigenaren over het jaar 2019 in de heffing worden betrokken en huurwoningen van mede-eigenaren in het geheel niet.\n\n5.17.4.. Een wettelijke regeling die, zoals de onderhavige, leidt tot een overduidelijke onevenredigheid van de behandeling van de met elkaar vergeleken ongelijke gevallen kan, gelet op onder 5.14 vermelde jurisprudentie, toch door de beugel van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR, in verbinding met artikel 1 van het EP, indien er voor deze overduidelijke onevenredige behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging is. Aan de nationale wetgever komt, zoals eveneens uit deze jurisprudentie volgt, een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging in de zo-even bedoelde zin zich voordoet. In een situatie als de onderhavige, waarin een overduidelijke onevenredigheid van de behandeling van de met elkaar vergeleken ongelijke gevallen niet uit de wettelijke regeling volgt, maar uit de toepassing van die wettelijke regeling als gevolg van een arrest van de Hoge Raad, is naar het oordeel van het Hof van belang of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het feit dat de wetgever de ongelijke behandeling (nog) niet had weggenomen op het moment van verschuldigdheid van de verhuurderheffing.\n\n5.17.5.. Het is niet evident van redelijke grond ontbloot dat de wetgever de ongelijke behandeling tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren van huurwoningen niet eerder heeft weggenomen. De wetgever mocht namelijk enige tijd nemen voor de reparatiewetgeving en bij de prioritering van de wetgevingsagenda rekening houden met het budgettaire, politieke of maatschappelijke belang (vgl. conclusie A-G Wattel van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467). Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de wetgever twee andere opties voor de reparatiewet heeft overwogen en dat het budgettaire belang van de reparatiewet aanvankelijk als relatief beperkt werd ingeschat, omdat er bij de Belastingdienst nog geen signalen waren binnengekomen dat het arrest van 8 juni 2018 een substantiële derving van belastinginkomsten tot gevolg zou hebben (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4).\n\n5.18.. Gelet op het vorenstaande heeft het arrest van 8 juni 2018 weliswaar geleid tot een tijdelijke onevenredige ongelijke behandeling van enig-eigenaren en mede-eigenaren, maar is een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling aanwezig. Het gelijkheidsbeginsel (discriminatieverbod) is dan ook niet geschonden.\n\nGelijkheidsbeginsel. Beleid? (2019)\n\n5.19.. Belanghebbende stelt ter onderbouwing van haar standpunt dat het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden dat sprake is van begunstigend beleid, omdat de Belastingdienst na het arrest van 8 juni 2018 op zijn website de volgende tekst heeft gepubliceerd:\n\nBent u gezamenlijk eigenaar van een huurwoning? Dan hoeft u deze woning niet op te nemen in de aangifte verhuurderheffing.\n\n5.20.. Belanghebbende voert aan dat de Hoge raad artikel 1:3 Wmw in het arrest van 8 juni 2018 onverbindend heeft verklaard, dat mede-eigenaren op grond van artikel 1:4 Wmw belastingplichtig zijn en dat de Belastingdienst een voortdurende ongelijke behandeling had kunnen voorkomen door mede-eigenaren in de heffing te betrekken naar rato van de mate van de eigendom van de huurwoningen waarvan zij bij aanvang van het kalenderjaar mede-eigenaar zijn.\n\n5.21.. Het Hof heeft onder 5.16 overwogen dat de Hoge Raad artikel 1:3 Wmw niet onverbindend heeft verklaard. Voor het jaar 2019 geldt dat een huurwoning op grond van de toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw uitsluitend in aanmerking kan worden genomen bij de mede-eigenaar aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Vervolgens moet rekening worden gehouden met de discriminatie van die mede-eigenaar ten opzichte van de mede-eigena(a)r(en) aan wie de WOZ-beschikking niet is bekendgemaakt. De Hoge Raad heeft de discriminatie in het arrest van 8 juni 2018 weggenomen door de verhuurderheffing buiten toepassing te laten ten aanzien van de desbetreffende belanghebbende\u002Fmede-eigenaar aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt (r.o. 2.5.3 van het arrest).\n\n5.22.. Gelet op het vorenstaande had de Belastingdienst de facto geen beleidsruimte om huurwoningen van mede-eigenaren in de heffing van verhuurderheffing over het jaar 2019 te betrekken. Het zou namelijk van onbehoorlijk bestuur hebben getuigd als de Belastingdienst de uitkomsten van het arrest van 8 juni 2018 zou hebben genegeerd ten aanzien van andere mede-eigenaren aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Voor het naar evenredigheid in de heffing betrekken ontbrak - anders dan belanghebbende betoogt - een wettelijke bepaling. En tot een verdergaand fiscaal privilege, bestaande uit het eveneens buiten de heffing laten van enig-eigenaren, dwong het arrest niet en die keuze zou bovendien evident aan de wetgever zijn (vgl. conclusie A-G Wattel van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, r.o. 8.7). Het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is daarom evenmin geschonden.\n\nTerugwerkende kracht en gelijkheidsbeginsel (2020)\n\n5.23.. Belanghebbende stelt zich ten aanzien van het jaar 2020 op het standpunt dat de terugwerkende kracht van de reparatiewet in strijd is met artikel 1 EP en dat alsdan de verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende - evenals in 2019 - in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel (het discriminatieverbod) dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n5.24.. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende alleen een belang bij de grieven zou kunnen hebben, indien aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Immers als het Hof zou oordelen dat er geen beletsel is aan de reparatiewet terugwerkende kracht toe te kennen, is er van enige discriminatie in het geheel geen sprake meer. Het Hof zal dan ook eerst het geschilpunt van de terugwerkende kracht beoordelen.\n\n5.25.. Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. Belastingen vormen in beginsel een inmenging in het door artikel 1 EP gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. De tweede alinea van deze bepaling echter voorziet uitdrukkelijk in een algemene rechtvaardigingsgrond voor de inmenging die wordt veroorzaakt door de toepassing van fiscale maatregelen (EHRM 29 april 2008, nr. 13378\u002F05, Burden and Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, NJ 2008\u002F306, r.o. 59). Dit neemt niet weg dat ook op het terrein van de belastingen de inmenging volgens vaste rechtspraak van het EHRM ‘lawful’ moet zijn, een ‘legitimate aim’ moet dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang moet respecteren. Bij de beoordeling van de vraag of aan de laatstgenoemde voorwaarde is voldaan, moet de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten (EHRM 14 mei 2013, nr. 66529\u002F11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911, FED 2013\u002F79, r.o. 57 en 61).\n\n5.26.. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, de gestelde strijdigheid van een heffing met de door artikel 1 EP beschermde uitoefening van het eigendomsrecht gebaseerd wordt op het betoog dat bij de invoering van de desbetreffende belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, komt het erop aan of bij die invoering de zojuist genoemde “fair balance” in acht is genomen (zie r.o. 61 van het zojuist genoemde arrest van het EHRM in de zaak N.K.M. tegen Hongarije). Deze balans ontbreekt indien de desbetreffende maatregel in de omstandigheden van het concrete geval voor de belastingplichtige leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden'). Daartoe dient te worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van die terugwerkende kracht op de positie van de belanghebbende. Bij het oordeel of sprake is van een 'fair balance' speelt verder een rol om welke redenen de wetswijziging met terugwerkende kracht is ingevoerd (vgl. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793\u002F95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003\u002F52.2 en HR 2 oktober 2009, nr. 07\u002F13624, ECLI:NL:HR:2009:BI1909, BNB 2011\u002F48).\n\n5.27.. Ten aanzien van de verwachtingen die belanghebbende mocht hebben in het onderhavige geval, moet worden vastgesteld dat op het moment waarop de verhuurderheffing verschuldigd werd (1 januari 2020), als gevolg van de onder 5.6 genoemde brief van 20 december 2019 voor belanghebbende kenbaar was dat de regering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 reparatiewetgeving wenste door te voeren. De inhoud van de reparatiewet werd in dit persbericht ook voldoende duidelijk weergegeven. De verschuldigdheid van de verhuurderheffing was dan ook in voldoende mate te voorzien op het moment waarop het belastbare feit plaatsvond.\n\n5.28.. De reparatiewet is met terugwerkende kracht ingevoerd, omdat de regering het risico dat enig-eigenaren zich voor het jaar 2020 met succes zouden beroepen op het gelijkheidsbeginsel wilde uitsluiten. De Staat zou namelijk kunnen worden geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard), indien dat risico, waarvan de aard en omvang pas in november 2019 duidelijk werd, zou materialiseren (zie de onder 5.9 opgenomen toelichting van de Minister voor Milieu en Wonen). Deze reden is niet van redelijke grond ontbloot.\n\n5.29.. Voorts is ten aanzien van belanghebbende geen sprake van een individuele en buitensporige last. De reparatiewet behelst in feite namelijk de beëindiging van een niet door de wetgever beoogd fiscaal privilege voor de mede-eigenaar dat is ontstaan als gevolg van de discriminatoire toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw en het arrest van 8 juni 2018. De reparatiewet en de terugwerkende kracht daarvan hebben bovendien geen gevolgen gehad voor de belastingplicht van belanghebbende als enig-eigenaar van huurwoningen als zodanig.\n\n5.30.. Gelet op het vorenstaande vormt de reparatiewet en de daaraan verbonden terugwerkende kracht in het geval van belanghebbende geen inbreuk op artikel 1 EP noch komt deze in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, zodat de stelling van belanghebbende faalt.\n\n5.31.. De overige stellingen van belanghebbende met betrekking tot de schending van het gelijkheidsbeginsel zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en behoeven daarom geen behandeling.\n\nSlotsom\n\n5.32.. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier M.G. Kastelein. De beslissing is op 17 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1587","2024-09-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:17.887Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":88,"fullText":97,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":40,"updatedAt":99},"1363","ECLI:NL:GHDHA:2024:1586","ecli-nl-ghdha-2024-1586","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-23\u002F174\n\nUitspraak van 17 juli 2024\n\nin het geding tussen:\n\nWoningstichting [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: G.J.W. de Ruiter)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 januari 2023 met zaaknummer SGR 22\u002F7620.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2020 op aangifte een bedrag van € 10.145.675 aan verhuurderheffing voldaan.\n\n1.2.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de op aangifte voldane verhuurderheffing ongegrond verklaard.\n\n1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank Gelderland ingesteld. De rechtbank Gelderland heeft de zaak op verzoek van partijen overgedragen aan de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 359. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft op 8 augustus 2023 een nader stuk, getiteld verweerschrift 2020, ingediend. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n1.5.. \n\nDe mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 4 juni 2024. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn ook de zaken met de nummers BK-23\u002F171, 23\u002F172, 23\u002F175 tot en met 23\u002F180, 23\u002F183 tot en met 23\u002F197, 23\u002F199 tot en met 23\u002F219, 23\u002F222 en 23\u002F223 behandeld. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd wordt geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken, tenzij hetgeen is aangevoerd en overgelegd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op 1 januari 2020 enig-eigenaar van meer dan 50 huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wmw). De huurwoningen zijn opgenomen in de aangifte verhuurderheffing van belanghebbende over het jaar 2020.\n\n2.2.1.. De Belastingdienst heeft na het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 (hierna ook: het arrest van 8 juni 2018) op zijn website de volgende tekst gepubliceerd:\n\n“Bent u gezamenlijk eigenaar van een huurwoning? Dan hoeft u deze woning niet op te nemen in de aangifte verhuurderheffing.”\n\n2.2.2.. De tekst stond tot 24 december 2019 op de website van de Belastingdienst.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Beoordeling van het geschil\n\nTerugwerkende kracht reparatiewetgeving\n\n4. De reparatiewetgeving ziet uitsluitend op de situatie van mede-eigendom waarvan bij eiseres geen sprake is. Of aan die wetgeving terugwerkende kracht mocht worden toegekend, is voor de positie en de belastingplicht als zodanig van eiseres dus niet van belang. Ook indien de reparatiewetgeving pas per 14 juli 2020 geacht moet worden in werking te zijn getreden, heeft dat voor haar op zichzelf geen gevolgen. Dat zou alleen anders kunnen zijn wanneer sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel. Zoals hierna wordt uiteengezet volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat voor het jaar 2019 sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan van een voortbestaan in 2020 van zo’n schending evenmin sprake zijn. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de ongeoorloofde terugwerkende kracht bij de invoering van de reparatiewet verhuurderheffing behoeft daarom geen verdere behandeling.\n\nSchending gelijkheidsbeginsel\n\n5. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is primair sprake wanneer gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn ongelijk worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank behoren mede-eigenaren en volle eigenaren niet zowel feitelijk als rechtens tot dezelfde groep en is geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Artikel 1.4 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wet) maakt weliswaar geen onderscheid tussen mede-eigenaren en volle eigenaren, maar in artikel 1.3 van de Wet wordt tussen hen wel een onderscheid gemaakt. Deze bepaling ziet immers uitsluitend op mede-eigenaren. Er is dus sprake van subjectgebonden omstandigheden die zich niet voordoen en zich ook niet voor kunnen doen bij volle eigenaren. Het arrest van de Hoge Raad ziet uitsluitend op artikel 1.3 van de Wet en dus op de situatie van mede-eigendom. Nu de hier in geding zijnde voldoening van verhuurderheffing door eiseres alleen betrekking heeft op onroerende zaken die eiseres in vol eigendom heeft, is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van ongelijke gevallen die onevenredig ongelijk worden behandeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ongelijke behandeling een direct uitvloeisel is van de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018. Dat maakt dat geen sprake is van de vermeende (ongeoorloofde) onevenredige behandeling. Dat de ongelijke behandeling verder gaat dan die voortvloeit uit dit arrest heeft eiseres niet concreet aangevoerd en\u002Fof inzichtelijk gemaakt en is ook overigens niet gebleken.\n\nBegunstigend beleid\n\n6. Onder begunstigend beleid moet worden verstaan dat verweerder voor bepaalde gevallen bewust een standpunt inneemt dat voor deze groep gunstiger is dan wanneer de wet op de normale manier wordt toegepast. Het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 heeft tot gevolg dat artikel 1.3 van de Wet buiten toepassing dient te blijven. Als gevolg daarvan kan geen sprake meer zijn van een “normale” toepassing van de wet. Dat de belastingdienst in dat kader heeft meegedeeld dat onroerende zaken die in mede-eigendom zijn niet meer in de aangifte voor de verhuurdersheffing behoeven te worden opgenomen, is het rechtstreekse gevolg van dat arrest. Een dergelijke mededeling kan niet worden aangemerkt als begunstigend beleid.\n\nVerzoek stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad\n\n7. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd daartoe ook geen reden.\n\n8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. Tussen partijen is in geschil of aan de Wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen), Stb. 2020 nr. 243 van 8 juli 2020 (de reparatiewet) terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Als geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend, dan is in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n4.1.2.. Belanghebbende stelt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en dat, als het Hof tot dat oordeel komt, primair sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren als gevolg van het vervallen van de terugwerkende kracht niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat als aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.4.1.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de wetgever aan de reparatiewet terugwerkende kracht heeft mogen toekennen en dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot teruggaaf van de op aangifte voldane verhuurderheffing en tot toekenning van een proceskostenvergoeding.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n5.1.. Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet Verhuurderheffing, Stb. 2013, nr. 285 (de Wvh) ingevoerd. Artikel 3 Wvh luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken is bekendgemaakt.\n\n5.2.. Artikel 4 Wvh luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is degene die op 1 januari 2013 het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan 10 huurwoningen.\n\n5.3.. De Wvh is met ingang van 1 januari 2014 vervallen. Met ingang van 1 januari 2014 is de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II, Stb. 2013 nr. 583 (de Wmw) ingevoerd. Artikel 1.3 Wmw (tekst 2019) luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van die wet is bekendgemaakt.\n\n5.4.. Artikel 1.4 Wmw luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de groep die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan vijftig huurwoningen.\n\n5.5.. De Hoge Raad heeft op 8 juni 2018 in de arresten ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 en ECLI:NL:HR:2018:847 geoordeeld over de heffing van verhuurderheffing in geval van mede-eigendom, waarbij het laatstgenoemde arrest verwijst naar het eerstgenoemde arrest. In het arrest ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 is onder meer het volgende overwogen:\n\n“2.4.3. In gevallen waarin er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende is, wordt de huurwoning op grond van artikel 3 Wvh in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ), ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, leden 3 en 4, Wet WOZ is bekendgemaakt. Artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ bepaalt dat de bekendmaking van de WOZ-beschikking geschiedt door toezending aan degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak. Indien met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, kan bekendmaking op grond van artikel 24, lid 4, Wet WOZ plaatsvinden aan één van hen. Deze bepaling verleent de gemeente vrijheid voor het ontwikkelen van beleid met betrekking tot het bekendmaken van WOZ-beschikkingen indien sprake is van verschillende genothebbenden van een zelfde onroerende zaak (vgl. Kamerstukken II 1996\u002F97, 25 037, nr. 6, blz. 20).\n\nTijdens de parlementaire behandeling van de Wet maatregelen woningmarkt 2014, de opvolger van de Wvh, is onderkend dat in gevallen waarin met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, de keuze voor de genothebbende die de WOZ-beschikking ontvangt afhankelijk is van het beleid van de gemeente waarin die woning zich bevindt, en dat in die situatie in de meeste gemeenten de oudste genothebbende de WOZ-beschikking ontvangt (zie Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 3, blz. 31, en Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4).\n\n2.4.4.. De toerekeningssystematiek die besloten ligt in de hiervoor in 2.4.3 besproken bepalingen brengt mee dat voor toepassing van de verhuurderheffing een verschil in behandeling ontstaat tussen rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen, te weten het geval van de medegenothebbende van huurwoningen die een WOZ-beschikking met betrekking tot die woning ontvangt, zoals belanghebbende, en het geval van de medegenothebbende bij wie dat niet het geval is, zoals de broers van belanghebbende. De mate waarin deze ongelijke behandeling zich voordoet, is onder meer afhankelijk van het door de desbetreffende gemeente gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen.\n\n2.4.5.. Het effect van de hiervoor in 2.4.4 beschreven ongelijke behandeling kan worden versterkt doordat de belastingplicht voor de verhuurderheffing aangrijpt bij het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van meer dan tien huurwoningen. Dat versterkte effect doet zich onder meer voor in gevallen als het onderhavige, waarin meer personen gezamenlijk het genot hebben van meer dan tien huurwoningen en het door de betrokken gemeente(n) gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen, in combinatie met het eventuele genot van andere huurwoningen dat zij hebben, tot gevolg heeft dat een deel van hen buiten de verhuurderheffing kan blijven.\n\n2.4.6.. De in artikel 3 Wvh gebezigde bewoordingen “in aanmerking nemen” vormen niet een toereikende grond om aan te nemen dat ook andere gerechtigden dan degene aan wie de WOZ-beschikkingen zijn bekendgemaakt, ter zake van die woningen zijn onderworpen aan de verhuurderheffing of voor de heffing ter zake van die woningen draagplichtig zouden zijn, nog daargelaten de vraag voor welk deel zij dan draagplichtig zouden moeten zijn, gelet op de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh. Er is ook geen ander wettelijk voorschrift aan te wijzen waaruit voor de belastingplichtige de waarborg voortvloeit dat bij mede-eigendom van huurwoningen de ter zake daarvan verschuldigde verhuurderheffing door alle genothebbenden wordt gedragen.\n\nDe verhuurderheffing is om die reden (en ook in verband met de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh) niet aan te merken als een op een huurwoning rustende last die zonder meer overeenkomstig het bepaalde in Titel 7, Afdeling 1, Boek 3 BW door alle genothebbenden naar evenredigheid van hun aandeel moet worden gedragen.\n\n2.4.7.. Tijdens de parlementaire behandeling van de hiervoor reeds genoemde Wet maatregelen woningmarkt 2014, is opgemerkt dat medegenothebbenden van een zelfde huurwoning “in een privaatrechtelijke relatie tot elkaar staan voor wat betreft de lusten en de lasten van de huurwoningen” (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43-44; vgl. ook Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3). Een “privaatrechtelijke relatie” houdt, gelet op hetgeen in 2.4.6 is overwogen, niet in dat de voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ten aanzien van andere genothebbenden een verhaalsrecht geldend kan maken. Daarom getuigt ’s Hofs uitspraak van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het Hof uit die tijdens de parlementaire behandeling gemaakte opmerking heeft afgeleid dat het privaatrecht voldoende zekerheid biedt dat de gevolgen van de ongelijke behandeling van een voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ongedaan worden gemaakt. Om dezelfde reden heeft het Hof ten onrechte betekenis toegekend aan het door de Inspecteur ingenomen standpunt “dat medegerechtigden de lasten van de verhuurderheffing in de praktijk ook daadwerkelijk dienovereenkomstig dragen”.\n\n2.4.8.. De hier toepasselijke verdragsbepalingen, artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang gelezen met artikel 1 EP, en artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Daarbij is uitgangspunt dat op het terrein van de fiscale wetgeving de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378\u002F05, EHRC 2008\u002F80, paragraaf 60 en EHRM 22 juni 1999, no. 46757\u002F99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002\u002F398). Het ontbreken van zo een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan alleen worden aangenomen indien de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452\u002F02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).\n\n2.4.9.. Het hiervoor in 2.4.3 genoemde gemeentelijke beleid ten aanzien van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen pleegt, hoezeer het bij mede-eigendom van huurwoningen ook bepalend is voor de ongelijkheid in de behandeling van de genothebbenden, geen verband te houden met de doelstellingen van de verhuurderheffing. Daarin is reeds een aanwijzing te vinden dat de in de Wvh opgenomen regeling van onderworpenheid aan die heffing ten aanzien van huurwoningen met meer dan één genothebbende een redelijke grond ontbeert.\n\n2.4.10.. Ter rechtvaardiging van het aansluiten bij de basisregistratie WOZ in de verhuurderheffing heeft de regering erop gewezen dat dit tot lagere administratieve lasten en uitvoeringskosten leidt en voor eenvoudige en eenduidige wetgeving zorgt, waarbij alle belastingplichtigen baat hebben (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4), dat het benutten van authentieke gegevens uit basisregistraties bij het vormgeven van nieuwe wetgeving een “best practice” is en dat daarmee eenduidige, objectieve wetgeving en efficiëntiewinst voor alle betrokken partijen worden beoogd (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43). De onderhavige zaak illustreert dat de op deze argumenten berustende keuze van de wetgever erin kan resulteren dat een belanghebbende de verhuurderheffing moet voldoen als ware hij de enige genothebbende van de huurwoningen, terwijl de andere genothebbenden – zoals in deze zaak belanghebbendes broers die elk voor een zelfde aandeel als belanghebbende eigenaar van de huurwoningen zijn – ter zake van die woningen in het geheel niet in de heffing worden betrokken. Deze uitkomst is ten aanzien van overigens in dezelfde positie verkerende genothebbenden als willekeurig te beschouwen. Redenen van praktische uitvoerbaarheid kunnen een dergelijke uitkomst niet rechtvaardigen.\n\n2.5.1.. Het hiervoor overwogene voert tot de slotsom dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die aan de fiscale wetgever toekomt, voor de ongelijke behandeling die belanghebbende ten deel is gevallen geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. In zoverre veroorzaakt de toepassing van de Wvh ten aanzien van belanghebbende een inbreuk op diens in de hiervoor genoemde verdragsbepalingen gewaarborgde rechten.\n\nDaarom rijst de vraag of, en zo ja op welke wijze, de rechter ter zake van de hiermee verband houdende schending van de hiervoor genoemde verdragsbepalingen effectieve rechtsbescherming kan bieden. In het algemeen dient de rechter bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien zich uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende duidelijk laat afleiden hoe dit dient te geschieden.\n\n2.5.2.. In het onderhavige geval laten zich diverse mogelijkheden denken om de geconstateerde schending van het verbod van discriminatie op te heffen (vgl. de onderdelen 7.29 tot en met 7.33 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).\n\n2.5.3.. Bij afweging van dit een en ander ziet de Hoge Raad, gelet op de te dezen geboden terughoudendheid, geen grond zelf een rechtsregel te formuleren om in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien. Die keuze moet aan de wetgever worden overgelaten. Wel ziet de Hoge Raad in de willekeurige aanwijzing van belanghebbende als belastingplichtige aanleiding de verhuurderheffing ten aanzien van hem buiten toepassing te laten.”\n\n5.6.. De wetgever heeft in navolging van het arrest van 8 juni 2018 de reparatiewet ingevoerd. De reparatiewet is bij brief van 20 december 2019 aangekondigd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) en op 8 juli 2020 in het staatsblad gepubliceerd. De reparatiewet heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.\n\n5.7.. Artikel 1.3 Wmw is als gevolg van de reparatiewet vervallen. Daarnaast is een nieuw artikel 1.6a ingevoegd dat luidde als volgt:\n\nVoor de toepassing van de artikelen 1.4 en 1.6 wordt een huurwoning waarvan het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt gedeeld door twee of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, in aanmerking wordt genomen bij elk van deze natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, naar rato van de mate van de eigendom, onderscheidenlijk het bezit of het beperkt recht.\n\n5.8.. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 30 januari 2020 advies uitgebracht over het wetsvoorstel voor de reparatiewet. Het advies is op 10 maart 2020 gepubliceerd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4). Ten aanzien van de terugwerkende kracht is het volgende opgemerkt:\n\nDe Afdeling onderschrijft de opmerking in de toelichting dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht aan wettelijke regelingen. De voorgestelde bepaling is een belastende maatregel. Zoals uit adviezen in het verleden al is gebleken, is de Afdeling van oordeel dat aan belastende maatregelen geen terugwerkende kracht dient te worden gegeven, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen (zie onder meer de adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2015 over het Belastingplan 2016, (W06.15.0275\u002FIII), Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 302, nr. 4, van 24 juli 2013 over de Wet compartimenteringsreserve, (W06.13.0221\u002FIII), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 713, nr. 4, en van 10 januari 2013 over het voorstel van wet tot wijziging van de Wet verhuurderheffing, (W04.12.0513\u002FI), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 515, nr. 4. Zie ook aanwijzing 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.).\n\nDie omstandigheden kunnen worden gevormd door een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of door aanmerkelijke aankondigingseffecten. Bij een eventuele terugwerkende kracht dient de maatregel voor belastingplichtigen voldoende kenbaar te zijn.\n\nDe Afdeling merkt op dat met het persbericht en de brief aan de Tweede Kamer van 20 december 2019 (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) aan de eis van kenbaarheid is voldaan.\n\nMet betrekking tot de hierboven genoemde bijzondere omstandigheden merkt de Afdeling het volgende op. De genoemde arresten van de Hoge Raad zijn van 8 juni 2018. De Staatssecretaris van Financiën schreef op 22 oktober 2019 dat de regering naar aanleiding van deze arresten van de Hoge Raad aan een wetswijziging werkt en dat het streven is om deze maatregel met ingang van 1 januari 2021 in werking te laten treden. Dit betekent dat er blijkbaar aanvankelijk geen noodzaak werd gevoeld tot grote spoed. Ook de noodzaak tot het gebruik van terugwerkende kracht is blijkbaar pas na 22 oktober 2019 ontstaan.\n\nDe toelichting motiveert de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 door te wijzen op het risico dat de volledige voor het jaar 2020 geraamde opbrengst van de verhuurderheffing (€ 1,8 miljard) wordt misgelopen. Dat is alleen het geval als:\n\na. alle belastingplichtigen gaan procederen tegen de verhuurderheffing over het jaar 2020,\n\nb. ze daarbij aanvoeren dat het in de verhuurderheffing betrekken van huurwoningen in volle eigendom leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, en\n\nc. de uitkomst van die procedures zou zijn dat over het jaar 2020 in het geheel geen verhuurderheffing mag worden geheven.\n\nDat lijkt de Afdeling zeer onwaarschijnlijk. Los daarvan ziet de Afdeling niet hoe het starten van dergelijke procedures door belastingplichtigen met huurwoningen in volle eigendom kan worden gezien als omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of als aanmerkelijk aankondigingseffect.\n\nDe toelichting motiveert daarnaast dat het toekennen van terugwerkende kracht het creëren van mede-eigendomssituaties, en daarmee een lagere opbrengst voor het heffingsjaar 2020, voorkomt. De omvang van die lagere opbrengst wordt echter niet inzichtelijk gemaakt. Mede gelet op de genoemde budgettaire gevolgen (€ 2 miljoen voor de periode van de arresten van de Hoge Raad tot 1 januari 2020) roept dit de vraag op of wel sprake is van een aankondigingseffect dat «aanmerkelijk» is en of wel sprake is van een «omvangrijk» oneigenlijk gebruik of misbruik van de wettelijke regeling dat een terugwerkende kracht zou rechtvaardigen.\n\nDaar komt bij dat indien daadwerkelijk sprake zou zijn van een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik, van de wetgever verwacht had mogen worden dat deze eerder had ingegrepen. Dat is echter niet gebeurd; de regeling en de uitleg door de Hoge Raad bestaan al langere tijd.\n\nGelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat genoemde omstandigheden onvoldoende rechtvaardiging vormen voor de voorgestelde terugwerkende kracht. De Afdeling adviseert daarom de terugwerkende kracht te schrappen.\n\n5.9.. De Minister voor Milieu en Wonen heeft in navolging van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State de achtergrond van en noodzaak voor de spoedreparatie met terugwerkende kracht nader toegelicht als volgt (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4):\n\nAls gevolg van de door de Afdeling genoemde arresten van de Hoge Raad kunnen mede-eigenaren de huurwoningen die zij in mede-eigendom hebben buiten aanmerking laten in de aangifte voor de verhuurderheffing. Over deze huurwoningen wordt dan ook geen verhuurderheffing geheven. Dat heeft voor de heffingsjaren 2018 en 2019 geleid tot een derving van de opbrengst van de verhuurderheffing van € 1 miljoen per heffingsjaar. Het belang van reparatie van de mede-eigendomsbepaling is reeds in juni 2018 onderkend. De oplossingsrichting was echter nog niet meteen duidelijk. Ook waren bij de Belastingdienst op dat moment nog geen signalen binnengekomen dat de arresten potentieel een substantiëler derving tot gevolg zouden kunnen hebben. Hierdoor was het spoedeisende karakter niet evident. Daardoor is de reparatie van de mede-eigendomsbepaling aanvankelijk voorzien met ingang van 1 januari 2021, oftewel het heffingsjaar 2021.\n\nMedio november 2019 is dit beeld echter drastisch veranderd. Er is duidelijk geworden dat een reëel risico is ontstaan op procedures over het heffingsjaar 2019, en daarmee ook op procedures over het heffingsjaar 2020. Met deze procedures is een zeer groot budgettair belang gemoeid. Voor het heffingsjaar 2020 gaat het om maximaal € 1,8 miljard (de gehele opbrengst van de verhuurderheffing).\n\nOp 22 oktober 2019 was de noodzaak tot spoedreparatie van de mede-eigendomsbepaling met terugwerkende kracht derhalve nog niet duidelijk. Dit is te verklaren door het feit dat de aangiftetermijn voor het heffingsjaar 2019 is verstreken op 30 september 2019. Uiterlijk op deze datum moest de aangifte voor de verhuurderheffing over 2019 zijn ingediend en de verhuurderheffing over dat jaar zijn voldaan. De bezwaartermijn tegen deze aangifte is derhalve uiterlijk medio november verstreken. Veel belastingplichtigen hebben in eerste instantie een pro-formabezwaarschrift ingediend, waardoor niet aanstonds duidelijk was dat (i) deze bezwaarschriften zouden worden gemotiveerd met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en dat (ii) het met deze bezwaarschriften gemoeide budgettaire belang zou kunnen oplopen tot € 1,2 miljard voor het heffingsjaar 2019 (ruim 70% van de geraamde opbrengst van € 1,7 miljard).\n\nTegen de geschetste achtergrond is aannemelijk dat ten minste evenveel – en waarschijnlijk zelfs meer – belastingplichtigen een bezwaarschift tegen de verschuldigde verhuurderheffing over het heffingsjaar 2020 zullen indienen en zich daarin eveneens zullen beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het lijkt mij daarbij niet onwaarschijnlijk dat deze belastingplichtigen vervolgens gaan procederen. Ingeval de uiteindelijke uitkomst van de procedures is dat de belastingheffing niet kan worden geëffectueerd bij volle eigenaren, wordt de Staat geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard).\n\nOngeacht de vraag of er daadwerkelijk strijd is met het gelijkheidsbeginsel, is het budgettaire belang dat in het geding is van een dusdanige omvang, dat ook als het risico laag wordt ingeschat, het van belang is dat dit risico wordt uitgesloten voor het heffingsjaar 2020. Daartoe is het toekennen van terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 aan de voorgestelde regeling noodzakelijk. Het budgettaire risico dat de Staat loopt, is dus de reden voor de terugwerkende kracht. In het licht van de opmerkingen van de Afdeling heb ik de andere reden die eerder is genoemd, te weten dat voorkomen wordt dat mede-eigendomssituaties worden gecreëerd, geschrapt.\n\nHoewel geen sprake is van omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening dan wel van een aanmerkelijk aankondigingseffect, acht ik het niettemin gerechtvaardigd om in dit specifieke geval terugwerkende kracht toe te kennen, teneinde het risico op een zeer grote budgettaire derving uit te sluiten. Er is dan ook geen gevolg gegeven aan het advies de terugwerkende kracht te schrappen. Een en ander laat overigens onverlet dat ik het uitgangspunt dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht uiteraard onderschrijf.\n\nGedingstukken\n\n5.10.. Belanghebbende heeft eerst ter zitting gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en toegelicht waarom hij dat pas op de zitting van het Hof aan de orde heeft gesteld. Het gaat om alle stukken die betrekking hebben op de totstandkoming en de verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft gesteld dat hij niet beschikt over dergelijke informatie en dat deze daarom ook niet bij de totstandkoming van de uitspraak op bezwaar een rol heeft gespeeld.\n\n5.11.. Het Hof komt alles overziend tot de conclusie dat de stukken die een licht werpen op de totstandkoming en verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst, wat er verder ook van zij, gelet op hetgeen onder 5.20 is overwogen niet van belang zijn voor de beslissing op een of meer van de geschilpunten en zal de zaak dus op basis van de thans ter beschikking staande gedingstukken beoordelen.\n\nTerugwerkende kracht\n\n5.12.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de terugwerkende kracht van de reparatiewet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP) en dat alsdan de verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel (het discriminatieverbod) dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n5.13.. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende alleen een belang bij de grieven zou kunnen hebben, indien aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Immers als het Hof zou oordelen dat er geen beletsel is aan de reparatiewet terugwerkende kracht toe te kennen, is er van enige discriminatie in het geheel geen sprake. Het Hof zal dan ook eerst het geschilpunt van de terugwerkende kracht beoordelen.\n\n5.14.. Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. Belastingen vormen in beginsel een inmenging in het door artikel 1 EP gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. De tweede alinea van deze bepaling echter voorziet uitdrukkelijk in een algemene rechtvaardigingsgrond voor de inmenging die wordt veroorzaakt door de toepassing van fiscale maatregelen (EHRM 29 april 2008, nr. 13378\u002F05, Burden and Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, NJ 2008\u002F306, r.o. 59). Dit neemt niet weg dat ook op het terrein van de belastingen de inmenging volgens vaste rechtspraak van het EHRM ‘lawful’ moet zijn, een ‘legitimate aim’ moet dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang moet respecteren. Bij de beoordeling van de vraag of aan de laatstgenoemde voorwaarde is voldaan, moet de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten (EHRM 14 mei 2013, nr. 66529\u002F11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911, FED 2013\u002F79, r.o. 57 en 61).\n\n5.15.. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, de gestelde strijdigheid van een heffing met de door artikel 1 EP beschermde uitoefening van het eigendomsrecht gebaseerd wordt op het betoog dat bij de invoering van de desbetreffende belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, komt het erop aan of bij die invoering de zojuist genoemde “fair balance” in acht is genomen (zie r.o. 61 van het zojuist genoemde arrest van het EHRM in de zaak N.K.M. tegen Hongarije). Deze balans ontbreekt indien de desbetreffende maatregel in de omstandigheden van het concrete geval voor de belastingplichtige leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden'). Daartoe dient te worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van die terugwerkende kracht op de positie van de belanghebbende. Bij het oordeel of sprake is van een 'fair balance' speelt verder een rol om welke redenen de wetswijziging met terugwerkende kracht is ingevoerd (vgl. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793\u002F95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003\u002F52.2 en HR 2 oktober 2009, nr. 07\u002F13624, ECLI:NL:HR:2009:BI1909, BNB 2011\u002F48).\n\n5.16.. Ten aanzien van de verwachtingen die belanghebbende mocht hebben in het onderhavige geval, moet worden vastgesteld dat op het moment waarop de verhuurderheffing verschuldigd werd (1 januari 2020), als gevolg van de onder 5.6 genoemde brief van 20 december 2019 voor belanghebbende kenbaar was dat de regering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 reparatiewetgeving wenste door te voeren. De inhoud van de reparatiewet werd in dit persbericht ook voldoende duidelijk weergegeven. De verschuldigdheid van de verhuurderheffing was dan ook in voldoende mate te voorzien op het moment waarop het belastbare feit plaatsvond.\n\n5.17.. De reparatiewet is met terugwerkende kracht ingevoerd, omdat de regering het risico dat enig-eigenaren zich voor het jaar 2020 met succes zouden beroepen op het gelijkheidsbeginsel wilde uitsluiten. De Staat zou namelijk kunnen worden geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard), indien dat risico, waarvan de aard en omvang pas in november 2019 duidelijk werd, zou materialiseren (zie de onder 5.9 opgenomen toelichting van de Minister voor Milieu en Wonen). Deze reden is niet van redelijke grond ontbloot.\n\n5.18.. \n\nVoorts is ten aanzien van belanghebbende geen sprake van een individuele en buitensporige last. De reparatiewet behelst in feite namelijk de beëindiging van een niet door de wetgever beoogd fiscaal privilege voor de mede-eigenaar dat is ontstaan als gevolg van de discriminatoire toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw en het arrest van 8 juni 2018.\n\nDe reparatiewet en de terugwerkende kracht daarvan hebben bovendien geen gevolgen gehad voor de belastingplicht van belanghebbende als enig-eigenaar van huurwoningen als zodanig.\n\n5.19.. Gelet op het vorenstaande vormt de reparatiewet en de daaraan verbonden terugwerkende kracht in het geval van belanghebbende geen inbreuk op artikel 1 EP noch komt deze in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, zodat de stelling van belanghebbende faalt.\n\n5.20.. De overige stellingen van belanghebbende zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en behoeven daarom geen behandeling.\n\nSlotsom\n\n5.21.. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier M.G. Kastelein. De beslissing is op 17 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1586","2026-07-13T00:29:17.973Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":104,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":40,"updatedAt":107},"1220","ECLI:NL:HR:1993:ZC9346","ecli-nl-hr-1993-zc9346","27 april 1993\n\nStrafkamer\n\nnr. 94.300\n\nAG\n\nHoge Raad der Nederlanden\n\nArrest\n\nop het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 juni 1992 in de strafzaak tegen:\n\n [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1933, wonende te[woonplaats].\n\n1. De bestreden uitspraak\n\nHet Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 8 mei 1990 - de inleidende dagvaarding nietig verklaard ten aanzien van het onder II telastegelegde voor zover dit betreft de zinsnede: \"5. diverse derden (circa 14.890)\" en de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder I en IV telastegelegde en hem voorts ter zake van II. \"opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd\" en III. \"valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd\" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.\n\n2. Het cassatieberoep\n\nHet beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de hiervoor onder 1 vermelde nietigverklaring van de dagvaarding en tegen de gegeven vrijspraken, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. A.C. Dekker, advocaat te Hoorn, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:\n\nI Schending en\u002Fof verkeerde toepassing van het recht en\u002Fof verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordien het Hof met voorbijgaan van artikel 6 van het Verdrag van Rome geen acht geslagen heeft op het feit dat tussen de berechting in eerste instantie voor de Rechtbank Alkmaar en berechting bij het Gerechtshof een onwenselijk lange periode is verstreken. Met name heeft het Gerechtshof hiermede bij het bepalen van de strafmaat kennelijk geen rekening gehouden.\n\nToelichting.\n\nHet vonnis van de Rechtbank Alkmaar is gewezen op 8 mei 1990. Aanvankelijk zou de berechting volgende op het zowel door de verdachte als door de Officier ingestelde hoger beroep plaatsvinden op vrijdag 20 maart 1992. Gelet op het feit dat er geen instructie in de zaak meer diende plaats te vinden, kan hier volgens vaste rechtspraak gesproken worden. over een onwenselijk lange periode, die meegewogen moet worden bij het bepalen van de strafmaat. Het Hof heeft dit kennelijk verzuimd.\n\nII Schending en\u002Fof verkeerde toepassing van het recht en\u002Fof verzuim op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, in het bijzonder artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering, doordien het Hof in zijn Arrest de ten laste gelegde feiten II en III bewezen heeft verklaard zonder dat enig bewijsmiddel voor handen was waaruit blijkt dat de delicten begaan zijn op de plaatsen als bewezen verklaard, meer speciaal dat het Hof bewezen verklaard heeft dat de delicten begaan zouden zijn te Alkmaar en te Amsterdam, terwijl zulks niet het geval kan zijn.\n\nToelichting.\n\nWeliswaar zijn diverse formulieren toegestuurd naar adressen te Alkmaar en te Amsterdam, maar de delicten kunnen uitsluitend begaan zijn op de adressen waar de administratie gevoerd werd, in dit geval te [woonplaats]. Met name kan het gebruik maken van enig valselijk opgemaakt geschrift nimmer geschied zijn te Amsterdam.\n\nIII Schending en\u002Fof verkeerde toepassing van het recht en\u002Fof verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordien het Hof kennelijk acht geslagen heeft op stukken die zich in het dossier van het Gerechtshof bevonden, terwijl die stukken niet op voorhand waren toegestuurd aan de verdachte, zodat de verdachte zich op deze stukken, die mede bepalend hebben kunnen zijn voor de strafmaat niet heeft kunnen verweren.\n\nToelichting\n\nTijdens de inzagedagen bij het Gerechtshof te Amsterdam ontdekte de raadsman van verdachte, dat zich bij de dossierstukken bevonden, copieën van een artikel uit een vakblad waarin op uiterst negatieve wijze gesproken wordt over het bedrijf van verdachte. In deze artikelen wordt een zekere [betrokkene] sprekend ingevoerd. Deze [betrokkene] is een notoire onruststoker die bij voortduring van alles aan de hand heeft. Ter adstructie daarvan wordt hierbij copie bijgesloten van de laatste nieuwtjes rond [betrokkene].\n\nVerdachte acht het ongepast dat, zonder de verdachte daar op voorhand in te kennen, artikelen in het strafdossier worden opgenomen. Pas op het allerlaatste moment heeft verdachte er kennis van kunnen nemen dat deze artikelen, die op zichzelf met de bewijsmiddelen niets van doen hebben, in het dossier zijn opgenomen. Kennelijk als smaakmaker. Verdachte acht dit in strijd met een behoorlijke procesgang. Hoewel het Gerechtshof er bij de motivering van de straf met geen woord over rept, heeft verdachte de indruk dat het bijgesloten \"smaakmakende\" artikel, dat inhoudelijk kant noch wal raakt, toch een rol gespeeld heeft bij de bepaling van de strafmaat. Zulks ten onrechte.\n\n3. De conclusie van het Openbaar Ministerie\n\nDe Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.\n\n4. Bewezenverklaring en bewijsvoering\n\n4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, dat:\n\nTen aanzien van het onder II ten laste gelegde:\n\n [A] BV op of omstreeks 11 maart 1987, 10 april 1987, 10 april 1987, 11 juni 1987, 10 juli 1987, 13 juli 1987, 8 september 1987, 12 oktober 1987, 11 november 1987, 10 december 1987, 13 januari 1988 en 10 februari 1988 te Alkmaar opzettelijk telkens een aangifte omzetbelasting - zijnde telkens een aangifte voorzien bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen - onjuist en onvolledig heeft gedaan door toen en daar opzettelijk onjuist en onvolledig in de aan haar door of vanwege de inspecteur der omzetbelasting te Alkmaar uitgereikte en door of vanwege haar wederom bij die inspecteur ingeleverde en door of vanwege haar ondertekende aangiftebiljetten omzetbelasting te verzwijgen genoten omzetten uit geleverde diensten aan:\n\n1. [B] te [plaats] (circa f 181.000);\n\n2. [C] te [plaats] (circa f 23.300) ;\n\n3. [D] te [plaats] (circa f 17.256) en\n\n4. [E] te [plaats] (een beduidend lager omzetbedrag dan de in werkelijkheid genoten omzet) ,\n\nterwijl van bovenomschreven opzettelijk onjuist en onvolledig gedane aangiften het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, en hij, verdachte, aan de vorenomschreven verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven;\n\nTen aanzien van het onder III ten laste gelegde:\n\n [A] BV in de periode van 1985 tot en met 1988 te Amsterdam telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse verzamelloonstaten - zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik telkens enig nadeel kon ontstaan, hebbende zij toen en daar telkens opzettelijk die valse verzamelloonstaten toegezonden aan het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam. De valsheid bestond hierin\n\ndat in de verzamelloonstaat over het jaar 1985 als brutoloon werd verantwoord f 563.426, 52, terwijl dat f 201.895 hoger diende te zijn;\n\ndat in de verzamelloonstaat over het jaar 1986 als brutoloon werd verantwoord f 564.300, 90, terwijl dat\n\nf 329.268 hoger diende te zijn en\n\ndat in de verzamelloonstaat over het jaar 1987 als brutoloon werd verantwoord f 556.184, 30, terwijl dat f 304.783,30 hoger diende te zijn.\n\nDoor vooromschreven handelwijze werd door de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer te weinig premies Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Ziektewet en Ziekenfondswet geheven, te weten\n\nin 1985 tot een totaal van f 59.442, 69;\n\nin 1986 tot een totaal van f 89.307,70 en\n\nin 1987 tot een totaal van f 73.660,76.\n\nVerdachte heeft aan de vooromschreven verboden gedragingen feitelijk leiding gegeven.\n\n4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:\n\nTen aanzien van het onder II ten laste gelegde:\n\n1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nIk ben enig eigenaar en directeur van [A] BV.\n\nDe aan de BV door de inspecteur der omzetbelasting te Alkmaar uitgereikte aangiftebiljetten omzetbelasting zijn namens de BV door mij of mijn zoon ondertekend en vervolgens vanwege de BV weer bij de inspecteur ingeleverd. Door de BV zijn de aangiften omzetbelasting over de maanden januari 1987 tot en met december 1987 opzettelijk onjuist en onvolledig gedaan. In die aangiften zijn namelijk in die maanden ontvangen dan wel in rekening gebrachte bedragen ter zake van geleverde diensten verzwegen. Dit betrof ontvangsten van [B] te [plaats] voor een bedrag van ongeveer f 181.000, van [C] te [plaats] voor een bedrag van ongeveer f 23.300 en van [D] te [plaats] voor een bedrag van ongeveer f 17.256. Ook met betrekking tot diensten voor [E] te Stein zijn veel lagere bedragen opgegeven dan de in werkelijkheid genoten omzet. Ik gaf feitelijk leiding aan voornoemde gedragingen. Ik begreep dat op grond van de door de BV gedane aangiften mogelijk te weinig omzetbelasting zou worden geheven.\n\n2. De verklaring, opgemaakt op ambtsbelofte op 12 mei 1989 door mr. T.G. Perié, adjunct-inspecteur van 's Rijksbelastingen te Alkmaar, als bijlage MM 30 deel uitmakende van het verzamelproces-verbaal genummerd BD 53\u002F89 van Rijkspolitie te [plaats], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nAan [A] BV zijn uitgereikt de navolgende aangiftebiljetten voor de omzetbelasting, welke ter inspectie te Alkmaar ingevuld en ondertekend zijn terugontvangen op of omstreeks de hierna vermelde data:\n\nAangifte over:\n\nDatum terugontvangst:\n\njanuari 1987\n\n11 maart 1987\n\nfebruari 1987\n\n10 april 1987\n\nmaart 1987\n\n10 april 1987\n\napril 1987\n\n11 juni 1987\n\nmei 1987\n\n10 juli 1987\n\njuni 1987\n\n13 juli 1987\n\njuli 1987\n\n8 september 1987\n\naugustus 1987\n\n12 oktober 1987\n\nseptember 1987\n\n11 november 1987\n\noktober 1987\n\n10 december 1987\n\nnovember 1987\n\n13 januari 1988\n\ndecember 1987\n\n10 februari 1988\n\n3. Het proces-verbaal genummerd E 1, opgemaakt op ambtseed en gesloten op 18 april 1989 door [verbalisant 1], hoofdcommies van 's Rijksbelastingen te Alkmaar, als bijlage E 1 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaasvan verbalisant:\n\nUit de door [A] BV bijgehouden dagindelingen en de administratie van [B] te [plaats] blijkt dat er in 1987 39 autobussen door [A] aan [B] werden verhuurd voor een totale huursom van f 181.000, =. De verhuur van bussen aan [B] in 1987 werd door [A] BV niet in haar administratie verantwoord.\n\n4. Het proces-verbaal genummerd F 1, opgemaakt op ambtseed en gesloten op 16 maart 1989 door [verbalisant 1] voornoemd, als bijlage F 1 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaasvan verbalisant:\n\nMede aan de hand van de bij [C] in beslag genomen facturen, reisbladen en quitanties, de door [verdachte] bijgehouden dagindelingen en de door mij aangetroffen aantekeningen van chauffeurs werden door mij de door [A] BV aan [C] te [plaats] berekende huren van bussen vastgesteld op f 23.300, = over het jaar 1987. Dit bedrag werd niet in de administratie van [A] BV verantwoord.\n\n5. Het proces-verbaal genummerd G 2, opgemaakt op ambtseed en gesloten op 13 april 1989 door [verbalisant 2], onbezoldigd ambtenaar van Rijkspolitie, en [verbalisant 3], beiden referendaris van 's Rijksbelastingen te [geboorteplaats], als bijlage G 2 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaasvan verbalisanten:\n\nDe bij [D] in beslag genomen bescheiden werden door ons vergeleken met de administratie van [A] BV. Mede aan de hand van genoemde bescheiden en van de bij de verdachte in beslag genomen agenda's, dagindelingen, gele kaarten en overige bescheiden werden door ons de door [A] BV berekende bedragen ter zake van het ter beschikking stellen van bussen aan [D] over het jaar 1987 tot en met juli vastgesteld op f 83.070, =. In de boekhouding van [A] is slechts f 65.814,= aan ontvangsten ter zake van [D] over het jaar 1987 tot en met juli geboekt.\n\n6. Het proces-verbaal genummerd H 2, opgemaakt op ambtseed en gesloten op 2 april 1989 door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] voornoemd, als bijlage H 2 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaasvan verbalisanten:\n\nGezien de bij de firma [E] te [plaats] aangetroffen dagberichten werd vermoedelijk over het jaar 1987 een bedrag van f 165.350,= contant door [E] afgerekend met chauffeurs van [A] BV.\n\nWij zagen dat in de administratie van [A] BV over 1987 f 44.900,= als ontvangsten van [E] werd verantwoord.\n\nTen aanzien van het onder III ten laste gelegde:\n\n7. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nIk ben enig eigenaar en directeur van [A] BV.\n\nIn de periode van 1985 tot en met 1988 heeft [A] BV telkens opzettelijk aan het Gemeenschappelijk Administratiekantoor in Amsterdam valse verzamelloonstaten toegezonden als waren die geschriften echt en onvervalst. In de verzamelloonstaat over het jaar 1985 werd als brutoloon verantwoord f 563.426, 52, terwijl dat in werkelijkheid f 201.895,= hoger diende te zijn. In de verzamelloonstaat over het jaar 1986 werd als brutoloon verantwoord f 564.300, 90, terwijl dat in werkelijkheid f 329.268, = hoger diende te zijn. In de verzamelloonstaat over het jaar 1987 werd als brutoloon verantwoord f 556.184, 30, terwijl dat in werkelijkheid f 304.783,30 hoger diende te zijn. Ik gaf feitelijk leiding aan voornoemde gedragingen. Ik wist dat door deze handelwijze door de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer te weinig premies Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Ziektewet en Ziekenfondswet zouden worden geheven.\n\n8. Het proces-verbaal genummerd L 2, opgemaakt op ambtsbelofte en gesloten op 9 mei 1989 door R. Verhulst en J. Hovestad, beiden onbezoldigd ambtenaar van Rijkspolitie en in dienst van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam, als bijlage L 2 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelprocesverbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaasvan verbalisanten:\n\nDe Bedrijfsvereniging voor het Vervoer heeft de administratie van haar taak tot uitvoering van de sociale verzekering opgedragen aan het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam.\n\nEen verzamelloonstaat is een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, namelijk ter vaststelling van het premieplichtig loon en de verschuldigde premies ingevolge de sociale verzekeringswetten.\n\n [A] BV dan wel enig eigenaar\u002F directeur [verdachte] diende over het jaar 1985 een verzamelloonstaat in waarop een totaal brutoloon werd verantwoord van f 563.426, 52. Uit het onderzoek is gebleken dat het totaal brutoloon over het jaar 1985 f 201.895, = hoger diende te zijn, waardoor voor een bedrag van f 59.442, 69 te weinig aan premies Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Ziektewet en Ziekenfondswet is geheven. Over het jaar 1986 werd door [A]\u002F[verdachte] een verzamelloonstaat ingediend, waarop een totaal brutoloon werd verantwoord van f 564.300, =. Uit het onderzoek is gebleken dat het totaal brutoloon f 329.268, = hoger diende te zijn, waardoor voor f 89.307,70 te weinig is afgedragen aan premies sociale verzekeringen. Op de bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam ingediende verzamelloonstaat over het jaar 1987 werd een totaal brutoloon van f 556.184,30 vermeld. Uit het onderzoek is gebleken dat het brutoloon f 304.783,30 meer bedroeg dan was aangegeven op de verzamelloonstaat over het jaar 1987. Hierdoor is voor een bedrag van f 73.660,75 te weinig aan premies sociale verzekeringen afgedragen.\n\n9. Het geschrift, zijnde een verzamelloonstaat over het jaar 1985 ten name van [A] BV de dato 15 maart 1986, als bijlage LL 2 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nTotaal brutoloon: f 563.426,52.\n\n10. Het geschrift, zijnde een verzamelloonstaat over het jaar 1986 ten name van [A] BV de dato 13 februari 1987, als bijlage LL 3 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nTotaal brutoloon: f 564.300,90.\n\n11. Het geschrift, zijnde een verzamelloonstaat over het jaar 1987 ten name van [A] BV de dato 7 april 1988, als bijlage LL 7 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nTotaal brutoloon: f 556.184, 30.\n\n5. Beoordeling van het eerste middel\n\n5.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte bij het bepalen van de strafmaat geen rekening heeft gehouden met de onwenselijk lange periode die is verstreken tussen de berechting in eerste aanleg en die in hoger beroep.\n\n5.2. Het middel faalt omdat, in aanmerking genomen dat niet blijkt dat te dier zake in feitelijke aanleg verweer is gevoerd, het Hof er niet uitdrukkelijk rekenschap van behoefde te geven bij de bepaling van de straf met die periode rekening te hebben gehouden.\n\n6. Beoordeling van het tweede middel\n\n6.1. Het Hof heeft het onder II bewezenverklaarde, onderscheidenlijk het onder III bewezenverklaarde, uit de daartoe telkens gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden, met name dat de bewezenverklaarde gedragingen waaraan de verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven zijn gepleegd te Alkmaar, onderscheidenlijk te Amsterdam. Het middel, zulks bestrijdend, miskent dat als plaats waar die misdrijven zijn begaan mede is aan te merken de plaats waar de ingevulde en ondertekende aangiftebiljetten zijn ingeleverd, onderscheidenlijk de plaats waarnaar de ingevulde verzamelloonstaten zijn toegezonden.\n\n6.2. Het middel faalt derhalve.\n\n7. Beoordeling van het derde middel\n\nHet middel kan reeds daarom niet tot cassatie leiden, omdat voor het daarin gestelde in het bestreden arrest en in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep geen grondslag kan worden gevonden, zodat daarop in cassatie dan ook niet met vrucht een beroep kan worden gedaan.\n\n8. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak\n\nHet Hof heeft het als feit III bewezenverklaarde, gekwalificeerd zoals hiervoren onder 1 is weergegeven.\n\nGelet op art. 225 Sr dient de kwalificatie evenwel te luiden:\n\n\"opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in art. 225, eerste lid, Sv als ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij de feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd\".\n\n9. Slotsom\n\n9.1. Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven voor wat de aan feit III gegeven kwalificatie betreft. De Hoge Raad kan deze zelf verbeteren.\n\n9.2. De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak in enig ander opzicht ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.\n\n9.3. Derhalve moet worden beslist als volgt.\n\n10. Beslissing\n\nDe Hoge Raad:\n\nVernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de aan het onder III bewezenverklaarde feit gegeven kwalificatie;\n\nKwalificeert dit feit zoals hiervoren onder 8 vermeld;\n\nVerwerpt het beroep voor het overige.\n\nDit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis en Keijzer in bijzijn van de waarnemend-griffier Mos-Verstraten, en uitgesproken op 27 april 1993.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:1993:ZC9346","2013-04-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:10.721Z",20]