[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-dublin-transfer-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":55,"limit":56},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},122,"dublin-transfer-nl","Dublin Transfer","NL","2026-07-08T16:57:28.069Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32,39,47],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1183","ECLI:NL:RBDHA:2026:18656","ecli-nl-rbdha-2026-18656","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20082\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam], verzoeker\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n2. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nOverwegingen\n\n3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\n4. De rechtspraak heeft vandaag uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk NL26.20081.\n\n Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18656","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:08.674Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"1174","ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","ecli-nl-rbdha-2026-18651","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20086\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het verzoek, gelijktijdig met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20085.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","2026-07-13T00:29:08.085Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":46},"1735","ECLI:NL:RBDHA:2026:18582","ecli-nl-rbdha-2026-18582","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.24769\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nvan Algerijnse nationaliteit,\n\nv-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de minister deelgenomen. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 24 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 25 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nPersoonlijk onderhoud\n\n5. Eiser stelt dat het besluit van de minister ondeugdelijk is, omdat eiser niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Eiser betwist dat hij hiervoor uitnodigingen heeft ontvangen.5.1.. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker.5.2.. Eiser heeft zich op 1 maart 2026 -volgens zijn gemachtigde samen met zijn echtgenote- in Ter Apel gemeld voor het doen van een verzoek om internationale bescherming. Uit Eurodac blijkt kort daarna dat eiser op 27 oktober 2023 al een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. Uit een in het dossier opgenomen loopbrief blijkt dat op 13 maart 2026 om 08.00 uur een afspraak is ingepland voor een persoonlijk onderhoud met eiser. Het bewijs van ontvangst is op 12 maart 2026 ondertekend. Op 13 maart 2026 wordt een rapport niet verschijnen voor gehoor opgemaakt. Eiser heeft de reden van zijn afwezigheid niet kenbaar gemaakt. Hierop wordt een nieuwe afspraak ingepland op 18 maart 2026 om 08.00 uur. Op 16 maart 2026 is een bewijs van ontvangst door eiser ondertekend. Op 18 maart 2026 wordt opnieuw een rapport niet verschijnen voor gehoor opgemaakt. Eiser heeft de reden van zijn afwezigheid wederom niet kenbaar gemaakt.5.3.. Uit de overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat de minister de insteek had om met eiser een persoonlijk onderhoud te voeren en hiervoor twee momenten heeft ingeruimd. In een op 8 april 2026 uitgebracht voornemen is eiser bericht dat Duitsland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag en Duitsland op 26 maart 2026 positief heeft gereageerd op het verzoek hem terug te nemen. Eiser is er op gewezen dat hij op 13 en 18 maart 2026 niet op zijn afspraak voor het aanmeldgehoor is gekomen en in de gelegenheid gesteld om in een zienswijze meer informatie te geven. Op 20 april 2026 is door de gemachtigde van eiser een zienswijze gegeven, waarna op 1 mei 2026 het bestreden besluit is genomen.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat eiser met voornoemde uitnodigingen voldoende gelegenheid is geboden voor een persoonlijk onderhoud. Uit de door de minister overgelegde stukken blijkt dat deze uitnodigingen eiser hebben bereikt. Eiser is daarnaast nog de gelegenheid geboden een zienswijze te geven. Deze beroepsgrond faalt.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n6. Eiser heeft in zijn zienswijze betoogd dat de minister ten onrechte stelt dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In beroep heeft eiser dit herhaald.\n\n6.1.. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, is bij uitspraak van 9 april 2026 al ingegaan op soortgelijke gronden als die in onderhavige procedure zijn aangevoerd.De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan in deze uitspraak is gedaan. Eiser dient de vrees voor refoulement in Duitsland aan te kaarten.\n\nAsielaanvraag echtgenote\n\n7. De gemachtigde van eiser heeft naar voren gebracht dat de aanvraag van de echtgenote van eiser, die hij eveneens als advocaat bijstaat, op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 buiten behandeling is gesteld. In het besluit is bepaald dat zij dient terug te keren naar Algerije. Het hiertegen ingestelde beroep, met zaaknummer NL26.24562, is nog niet op een zitting gepland. In de zienswijze, waar eiser in zijn gronden expliciet naar verwijst, is bepleit dat beide zaken op dezelfde grondslag beoordeeld dienen te worden en dat dat in casu artikel 30c Vw 2000 is.7.1.. De rechtbank stelt voorop dat eiser op meerdere momenten in de gelegenheid is gesteld om meer inzicht te bieden in zijn situatie. Niet alleen op 13 en 18 maart 2026, maar ook via een op 15 mei 2026 verzonden uitnodiging voor deze zitting. Ook van deze laatste mogelijkheid is geen gebruik gemaakt, hoewel de gemachtigde van eiser op 2 juni 2026 nog heeft bericht contact te onderhouden met eiser.\n\n7.2.. Eiser heeft daarmee geen inzicht geboden in het spoor dat hij en zijn gestelde partner hebben bewandeld. Uit het dossier van eiser wordt de rechtbank duidelijk dat hij in 2023 in Duitsland asiel heeft gevraagd. Of dat ook voor de gestelde partner geldt is onbekend en ook niet gesteld. Dit kan het verschil in afdoeningswijze verklaren.In het pleidooi zoals dat nu is aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende grond om te oordelen dat beide zaken met artikel 30c zouden moeten worden afgedaan. Daarbij zij opgemerkt dat een afdoening met artikel 30c ook zou betekenen dat de aanvraag van eiser buiten behandeling zou zijn gesteld. Hem zou dan zijn medegedeeld dat hij naar Algerije moet vertrekken.\n\nArtikel 17 Dublinverordening\n\n8. Eiser heeft in de gronden van beroep van 9 mei 2026 naar voren gebracht dat de minister artikel 17 van de Dublinverordening onjuist heeft toegepast omdat eiser in de gelegenheid dient te worden gesteld om bij zijn gehoor zijn bijzondere individuele omstandigheden, het ontbreken van een sociaal netwerk in Duitsland en de reëele vrees voor refoulement naar Algerije na overdracht aan Duitsland toe te lichten.\n\n8.1.. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordeningwordt bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eisers toch in Nederland te behandelen. Paragraaf C2\u002F5 van de Vreemdelingencirculaire bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.\n\n8.2.. De uitoefening van de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid is aan de minister overgelaten. Besluiten die vallen onder de Dublinverordening moeten daarom door de rechter terughoudend worden getoetst.8.3.. De minister heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat eiser meermaals niet is verschenen op het aanmeldgehoor, waardoor hij geen inhoudelijke bezwaren tegen de overdracht naar voren heeft gebracht. Dit komt volgens de minister voor zijn rekening en risico. Daarbij is er op gewezen dat de afspraken in een taal staan die eiser kan lezen (Arabisch) en bovendien is getekend voor ontvangst. Verder is gewezen op de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\n8.4.. Gelet op hetgeen hiervoor al is overwogen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister niet tot dit standpunt kon komen.\n\nZitting 2 juli 20269. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting naar voren gebracht te hebben vernomen dat de echtgenote van eiser per 19 mei 2026 gedwongen is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij in haar dossier op 2 juni 2026 hierover een bericht heeft gestuurd.9.1.. De minister heeft in de op zitting gegeven reactie -zakelijk weergegeven- naar voren gebracht dat er door eiser weinig tot geen informatie wordt gegeven. Zo ziet hij niets terug over de gestelde behandeling. De minister ziet geen aanleiding om te concluderen dat Nederland de verantwoordelijkheid zou moeten accepteren voor de behandeling van de aanvraag van eiser. De minister noemt daarbij dat zonder enige onderbouwing niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van onevenredige hardheid. Hij verzoekt daarom het beroep ongegrond te verklaren.9.2.. De rechtbank stelt vast dat -zoals de minister ook stelt- elke informatie van eiser over de situatie ontbreekt. Zo is niet bekend in welk psychiatrisch ziekenhuis de gestelde echtgenote (ruim zes weken geleden) zou zijn opgenomen, wat haar actuele (gezondheids)situatie (na de mededeling van ruim vier weken geleden) is en wat dat (thans) betekent voor eiser. Ook is bijvoorbeeld niet gebleken dat is verzocht om op grond van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek te vragen. Het standpunt van de minister is daarom navolgbaar.\n\n9.3.. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en eiser in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te brengen. Eiser is die gelegenheid meermalen geboden en heeft daar zonder opgaaf van redenen geen gebruik van gemaakt.\n\n10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.24770.\n\n Rectificatie van Verordening (EU) 2024\u002F1351, 2025\u002F90929, 25 november 2025.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:8411.\n\n Vgl. ABRvS 13 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:52.\n\n Vgl. ABRvS 12 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:438.\n\n Vergelijkbaar met artikel 35 van de AMB-verordening.\n\n In WBV 2026\u002F8 (Stcrt. 2026, nr. 17856) is dit verder ingeperkt. Artikel 35 is niet genoemd in art. 43 AMB-Verordening (die de draagwijdte van een rechtsmiddel beperkt).\n\n ABRvS 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18582","2026-07-13T00:29:36.337Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":51,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":30,"updatedAt":54},"1766","ECLI:NL:RBDHA:2026:17088","ecli-nl-rbdha-2026-17088","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.19487 en NL26.19488\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Litouwen verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGeen zitting\n\n2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond.Hieronder legt de rechtbank dit uit.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1984 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Litouwen verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Allereerst verzoekt eiser om hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser betwist niet dat Litouwen als verantwoordelijke lidstaat is aan te merken. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd om welke redenen verweerder geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft aangegeven zich in Litouwen niet veilig te voelen en hij vreest daarom voor een overdracht. Eiser onderbouwt deze stelling met screenshots van de bedreigingen die eiser heeft ontvangen. Daarnaast heeft verweerder de aangevoerde omstandigheden ten aanzien van eisers seksuele geaardheid niet betrokken bij de beoordeling. Tot slot stelt eiser dat verweerder de aangedragen omstandigheden onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. Uit het in algemene zin handhaven van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.\n\n6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat ten aanzien van Litouwen kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, gelet op de uitspraak van de Afdelingvan 1 mei 2024, van dit beginsel ten aanzien van Litouwen nog steeds mag worden uitgegaan.\n\n7. De rechtbank stelt voorop dat artikel 17 van de Dublinverordening een bevoegdheid geeft om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. Verweerder heeft met betrekking tot deze bevoegdheid beleid gemaakt. In paragraaf C2\u002F5 van de Vc 2000staat dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. Verweerder gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die ertoe kunnen leiden dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft in dit geval in redelijkheid mogen beslissen dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Litouwen. Voor zover eisers stelling dat de omstandigheid met betrekking tot zijn seksuele geaardheid ook moet worden meegenomen in de motivering ten aanzien van artikel 17 van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025.Daarin is geoordeeld dat verweerder de omstandigheden die hij in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de besluitvorming heeft betrokken niet nogmaals hoeft te betrekken in het kader van een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. Verder heeft verweerder in de verklaring van eiser, namelijk dat hij vreest voor overdracht aan Litouwen vanwege de ontvangen bedreigingen van een familielid dat daar verblijft, ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken. Het uitgangspunt is dat eiser zich bij voorkomende problemen zal moeten wenden tot de autoriteiten in Litouwen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Litouwen hem niet kan of wil helpen. De screenshots van bedreigende teksten die hij via Whatsapp heeft ontvangen en in beroep heeft overgelegd, doen hier niet aan af. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.\n\n9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:1806.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:717.\n\n Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17088","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:37.824Z",1,20]