[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-environmental-permit-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":60},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},93,"environmental-permit-nl","Environmental Permit","NL","2026-07-08T16:55:59.522Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2023-02-17T00:00:00.000Z","2026-06-26T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122125","Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens","art. 8",1,[27,37,45,52],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"899","ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","ecli-nl-rbdha-2026-17366","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F1234\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Teylingen, het college\n\n(gemachtigde: mr. T. Janssens).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor het splitsen van de woning aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 12 juni 2025 heeft het college geweigerd verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor een reeds gerealiseerde splitsing van de woning aan de [adres] in [plaats] . Met het bestreden besluit van 12 januari 2026 heeft het college deze weigering in stand gelaten. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1. Verzoeker heeft het verzoek aangevuld en nadere stukken overgelegd.\n\n2.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3. Verzoeker heeft hierop schriftelijk gereageerd.\n\n2.4. Het college heeft een nadere reactie ingediend.\n\n2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVoorgeschiedenis\n\n3. Verzoeker is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] . Hij heeft deze woning gesplitst in twee woningen, die worden verhuurd.\n\n3.1. Het college heeft met het besluit van 28 maart 2024 verzoeker een last onder dwangsom opgelegd om de zonder omgevingsvergunning uitgevoerde splitsing van deze woning ongedaan te maken en de illegale bewoning hiervan door meerdere huishoudens te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. Verzoeker heeft hiertegen rechtsmiddelen aangewend. Met de uitspraak van 1 december 2025 van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit besluit onherroepelijk geworden.\n\n3.2. Nadat het college had beslist op de bezwaren van verzoeker tegen de last onder dwangsom, heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de woningsplitsing alsnog te legaliseren. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd en deze weigering met het bestreden besluit in stand gelaten. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld (zaak SGR 26\u002F1237).\n\nOmvang van het verzoek\n\n4. In het inleidende verzoekschrift is vermeld dat het verzoek strekt tot schorsing van de opgelegde last onder dwangsomp. Uit de inhoud van het aanvullende verzoekschrift, de door verzoeker ingediende nadere stukken en zijn toelichting op de zitting, is de voorzieningenrechter echter gebleken dat het verzoek strekt tot schorsing van het besluit tot weigering van de alsnog aangevraagde omgevingsvergunning. Verzoeker heeft toegelicht dat hij met het verzoek wil bereiken dat het college voorlopig niet overgaat tot invordering van verbeurde dwangsommen.\n\n4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker dit doel van zijn verzoek niet kan bereiken met de enkele schorsing van het weigeringsbesluit. Ook bij schorsing van dat besluit beschikt verzoeker immers nog niet over een omgevingsvergunning, zodat sprake blijft van een illegale situatie. Daarom neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoeker beoogt dat hij tot de uitspraak in de beroepsprocedure over de geweigerde omgevingsvergunning, wordt aangemerkt als ware hij in het bezit van die vergunning.\n\nSpoedeisend belang\n\n5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n5.1. \n\nDe weigering van de omgevingsvergunning levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. Deze weigering heeft geen onomkeerbare gevolgen.\n\nVoor zover verzoeker vreest dat de weigering van de omgevingsvergunning hem blootstelt aan mogelijke invordering van verbeurde dwangsommen, is dat ook onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. De verbeurte van dwangsommen en de invordering daarvan is het rechtstreekse gevolg van de onherroepelijke last onder dwangsom, niet van de weigering van de omgevingsvergunning.\n\n5.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college vooralsnog geen invorderingsbesluit heeft genomen. Mocht het college daartoe alsnog overgaan, dan kan verzoeker daartegen desgewenst rechtsmiddelen aanwenden. Als verzoeker vindt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien, dan kan hij dat in die procedure naar voren brengen. De wens om te voorkomen dat het college een invorderingsbesluit neemt, levert echter een onvoldoende spoedeisend belang op in deze zaak. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat de wens om toekomstige invordering van verbeurde dwangsommen te voorkomen, betrekking heeft op een louter financieel belang. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijk belang in beginsel onvoldoende om een spoedeisend belang aan te ontlenen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Verzoeker heeft een onvoldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5796","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.641Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":44},"823","ECLI:NL:RBDHA:2026:17353","ecli-nl-rbdha-2026-17353","2026-06-23T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F5155\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., gevestigd te [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. A. Wever),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de provincie Zuid-Holland, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nOp 28 juli 2000 is aan de rechtsvoorganger van eiseres een revisievergunning verleend voor een inrichting aan de [adres] te [plaats]. Aan de revisievergunning zijn meerdere voorschriften verbonden.\n\nOp 26 juni 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor het aanpassen van het voorschrift met betrekking tot de maximale hoeveelheid te lozen sulfaat op het riool.\n\nVerweerder heeft met dagtekening 17 oktober 2024 aan eiseres een aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 16.800 (de aanslag).\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juli 2025 de aanslag gehandhaafd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nOp verzoek van de rechtbank heeft verweerder voor de zitting nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026.\n\nNamens eiseres zijn haar gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3], mr. [naam 4], ing. [naam 5] en [naam 6].\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiseres drijft een inrichting aan de [adres] te [plaats] (de inrichting) voor het opslaan, overslaan, sorteren, scheiden en breken van diverse soorten afval. De inrichting omvat een IPPC-installatie.\n\n2. De inrichting is vergund met de omgevingsvergunning van 28 juli 2000. Deze bepaalt, voor zover hier van belang:\n\n“Besluit\n\nGelet op het vorenstaande, hebben wij besloten aan [rechtsvoorganger van eiseres] te [plaats] vergunning te verlenen voor [de inrichting] bestemd voor:\n\nI. het op- en overslaan, alsmede sorteren\u002Fscheiden van:\n\n- ongesorteerd bouw- en sloopafval (BSA);\n\n- niet-specifiek ziekenhuisafval;\n\n- kantoor- winkel- en dienstenafval (KWD);\n\n- agrarisch afval;\n\n- grof huishoudelijk afval (GHA);\n\n- dakafval.\n\nII. het breken van ongesorteerd bouw- en sloopafval (BSA).\n\nIII. het uitsluitend op- en overslaan van:\n\n- veegvuil;\n\n- verontreinigde grond;\n\n- gecontamineerd bouw- en sloopafval.\n\nTevens wordt vergunning verleend voor de bovengrondse opslag (1.500 liter) van\n\ndieselolie met brandstofafgiftepomp.\n\n[…]\n\nHieraan verbinden wij de volgende voorschriften.\n\n[…]12.3. \n\nHet afvalwater waarin in enig steekmonster:\n\na. de concentratie aan sulfaat bepaald volgens NEN 6487 hoger is dan 300 mg\u002Fl;\n\nb. […]\n\nmag niet op het openbaar riool worden geloosd.”\n\n3. De inrichting voert afvalwater af via het gemeentelijk riool. Dit afvalwater is hemelwater dat verontreinigd raakt met sulfaat door uitlogen van op het terrein van de inrichting in de buitenlucht opgeslagen bouw- en sloopafval.\n\n4. Bij aanvraag van 26 juni 2024 heeft eiseres verzocht om verruiming van het hiervoor geciteerde voorschrift dat de concentratie aan sulfaat van het op het openbaar riool geloosde water niet hoger mag zijn dan 300 mg\u002Fl (het lozingsvoorschrift). De aanvraag is daarin toegelicht als volgt:\n\n “In opdracht van [eiseres] is in voorliggende notitie een nadere onderbouwing gegeven voor de aanvraag van een veranderingsvergunning voor het verruimen van het lozingsvoorschrift voor sulfaat in het naar de riolering af te voeren mogelijk door de bedrijfsvoering verontreinigd hemelwater. De vigerende lozingsvoorschriften van sulfaat zijn opgenomen in de vergunning d.d. 28 juli 2000 met kenmerk DWM\u002F2000\u002F8917 in voorschrift 12.3a en zijn 300 mg. […]\n\nHet is voor [eiseres] niet mogelijk om kosteneffectief te komen tot een sulfaatconcentratie van 300 mg\u002Fl in het mogelijk door de bedrijfsvoering verontreinigd hemelwater. […]\n\nVolgens resultaten uit het onderzoek naar aantasting van het buizenstelsel volgt dat er geen schade wordt toegebracht aan het rioolstelsel door lozing van hemelwater met een sulfaatconcentratie van maximaal 1.500 mg\u002Fl.\n\nOp basis van het gegeven dat er geen schade ontstaat aan het rioolstelsel bij de\n\naangevraagde lozingen van [eiseres], er wordt voldaan aan BBT en er geen algemene regels voor lozingen het riool zijn opgenomen in het Bal, verzoekt [eiseres] om voorschrift 12.3a uit de vigerende vergunning aan te passen zodat lozingen van afvalwater met een sulfaatconcentratie van maximaal 1.500 mg\u002Fl toegestaan worden.”\n\n5. Artikel 5 van de Legesverordening milieubelastende activiteiten Omgevingswet Zuid-Holland 2024bepaalt dat leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven die zijn opgenomen in de bij die verordening behorende tarieventabel (de tarieventabel). De tarieventabel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:\n\nParagraaf 3 Milieubelastende activiteiten\n\n[…]\n\nParagraaf 3.2 Complexe milieubelastende activiteiten\n\n[…]\n\n3.11 Afvalbeheer ippc-installaties (afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving)\n\nIndien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet, bestaande uit activiteiten in de categorie complexe bedrijven als bedoeld in paragraaf 3.3.10 van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leef- omgeving, bedraagt het tarief:\n\n[…]\n\n3.11.3\n\n1°. voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.5 van bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies:\n\n€ 28.000,00\n\n[…]\n\nParagraaf 3.9 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften bij milieubelastende activiteiten\n\n[…]\n\n3.23 Wijziging maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften\n\n3.23.1\n\nVoor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet:\n\n€ 2.240,00\n\n[…]\n\nParagraaf 3.13 Wijzigen omgevingsvergunning bij milieubelastende activiteiten\n\n3.27 Wijzigen omgevingsvergunning met de uitgebreide voorbereidingsprocedure bij complexe milieubelastende activiteiten\n\n3.27.1\n\nBij een aanvraag om wijziging van één vergunde complexe milieubelastende activiteit, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is 60% van het tarief verschuldigd, voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit, waarop de wijziging betrekking heeft.\n\n3.27.2\n\nBij een aanvraag om wijziging van meerdere vergunde complexe milieubelastende activiteiten, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, wordt het tarief berekend op basis van 3.25.1 en is 60% verschuldigd over de uitkomst daarvan.\n\n3.28 Wijzigen omgevingsvergunning met de reguliere voorbereidingsprocedure bij complexe milieubelastende activiteiten\n\n3.28.1\n\nBij een aanvraag om wijziging van één vergunde complexe milieubelastende activiteit, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de regulier voorbereidingsprocedure van toepassing is, is 30% van het tarief verschuldigd, voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit, waarop de wijziging betrekking heeft.\n\n3.28.2\n\nBij een aanvraag om wijziging van meerdere vergunde complexe milieubelastende activiteiten, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, wordt het tarief berekend op basis van 3.25.1 en is 30% verschuldigd over de uitkomst daarvan.\n\n3.29 Wijzigen omgevingsvergunning bij niet complexe milieubelastende activiteiten\n\n3.29.1\n\nBij een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning van een niet complexe milieubelastende activiteit gelden de tarieven, genoemd in paragraaf 3.1 en 3.3 tot en met 3.8 voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit of activiteiten waarop de aanvraag tot wijziging betrekking heeft.\n\n3.30 Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning\n\n3.30.1\n\nEen aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning, niet zijnde een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet:\n\n€ 2.240,00\n\n6. Verweerder heeft de aanvraag aangemerkt als betreffende een complexe milieubelastende activiteit en heeft bij het opleggen van de aanslag de artikelen 3.27.1 juncto 3.11.3.1 van de tarieventabel toegepast. Dat resulteert in een bedrag aan leges van (€ 28.000 x 60% =) € 16.800.\n\nGeschil\n\n7. In geschil is of de aanslag naar het juiste tarief is opgelegd en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.\n\n8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanslag te hoog is vastgesteld, omdat verweerder ten onrechte artikel 3.27.1 heeft toegepast. Volgens haar is ter zake van de aanvraag niet artikel 3.27.1, maar artikel 3.23.1 dan wel 3.30.1 van toepassing. Verder stelt eiseres dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Zij concludeert tot vermindering van de aanslag tot één naar het tarief van artikel 3.23.1 of 3.30.1, derhalve tot € 2.240.\n\n9. Het standpunt van verweerder is dat de artikelen 3.27.1 juncto 3.11.3.1 van toepassing zijn en bijgevolg de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens hem geen sprake.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n10. Vast staat, zoals door verweerder gesteld en door eiseres niet weersproken, dat het lozingsvoorschrift niet een maatwerk- of vergunningvoorschrift is als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van eiseres voor zover zij stelt dat op de aanvraag artikel 3.23.1 van de legesverordening van toepassing is.\n\n11. Daarmee staat ter beoordeling of in casu artikel 3.27.1 dan wel artikel 3.30.1 van toepassing is.\n\n12. Het standpunt van eiseres berust op een grammaticale interpretatie van deze bepalingen. Artikel 3.27.1 betreft de “aanvraag om wijziging van één vergunde complexe milieubelastende activiteit”, terwijl het in artikel 3.30.1 gaat om de “aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning”. De aanvraag ziet niet op wijziging van de vergunde activiteit (het op- en overslaan, sorteren en scheiden van ongesorteerd bouw- en sloopafval), maar op wijziging van het lozingsvoorschrift van 300 mg\u002Fl naar 1.500 mg\u002Fl, waarmee niet artikel 3.27.1 maar artikel 3.30.1 van toepassing is.\n\n13. Verweerder legt daarentegen artikel 3.27.1 zó uit, dat deze iedere aanvraag bestrijkt voor wijziging van een vergunning ter zake van complexe milieubelastende activiteiten, behoudens aanvragen die niet een inhoudelijke beoordeling vergen. Hij onderbouwt deze uitleg ermee dat een aanvraag zoals de onderhavige een complexe en tijdsintensieve toetsing vergt, alsmede met het onderscheid dat consequent in de tarieventabel wordt gemaakt tussen complexe en niet-complexe milieubelastende activiteiten. Hij beroept zich in dit verband op de regel ‘lex specialis derogat legi generali’.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat de artikelen 3.27.1 en 3.30.1 moeten worden uitgelegd zoals zij luiden. Zij overweegt daartoe als volgt.\n\nDe bewoording van de bepalingen is eenduidig. De daarin gebezigde termen ‘activiteit’ en ‘voorschrift’ komen in nagenoeg iedere omgevingsvergunning voor, in die zin dat daarin typisch activiteiten worden vergund onder het stellen van voorschriften (zoals ook in casu, zie onder 2 hiervoor). Dat maakt al op zichzelf een van de gangbare betekenis afwijkende inhoud van de begrippen onaannemelijk.\n\nVerweerder benadrukt het onderscheid tussen complexe en niet-complexe milieubelastende activiteiten. Voor de vraag of onder wijziging van een activiteit ook de wijziging van een voorschrift valt (anders dan een niet-inhoudelijke wijziging) doet dit onderscheid niet ter zake. Paragraaf 3.13 geeft namelijk ook, in artikel 3.29.1, het tarief voor de aanvraag van wijziging van een vergunde niet-complexe activiteit.\n\nGegeven de opbouw van paragraaf 3.13 is voorts niet inzichtelijk wat verweerder betoogt met zijn beroep op de regel dat de generalis wijkt voor de specialis. De redenering van verweerder volgend is namelijk ieder van de vijf artikelen 3.27.1 tot en met 3.29.1 een specialis en valt niet een algemene regel te onderkennen.\n\nVerder kan, anders dan verweerder ingang wil doen vinden, niet worden verondersteld dat Provinciale Staten bij het vaststellen van de tarieventabel voor ogen hebben gehad dat steeds als de aanvraag een inhoudelijke beoordeling vergt de tarieven van de artikelen 3.27.1 tot en met 3.29.1 van toepassing zijn en artikel 3.30.1 is gereserveerd voor aanvragen voor een niet-inhoudelijke wijziging. Daar spreekt onder andere tegen dat artikel 3.23.1 hetzelfde tarief kent als artikel 3.30.1, terwijl wijziging van een maatwerk- of vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet zoal niet doorgaans dan toch veelal een inhoudelijke beoordeling vergt.\n\nDe slotsom is dat de legesverordening met artikel 3.30.1 een tarief kent (te weten € 2.240) voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een vergunningsvoorschrift van een reeds verleende omgevingsvergunning, ongeacht of deze vergunning nu ziet op een complexe of op een niet-complexe milieubelastende activiteit.\n\n15. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk aan eiseres is en het beroep gegrond moet worden verklaard. Haar standpunt omtrent schending van het zorgvuldigheidsbeginsel behoeft daarmee geen behandeling.\n\nProceskosten\n\n16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de aanslag tot € 2.240;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.534;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. M.J. Pelinck en mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Provinciaal blad, nr. 14168.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17353","2026-07-13T00:28:49.818Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":35,"updatedAt":51},"987","ECLI:NL:RBDHA:2026:16974","ecli-nl-rbdha-2026-16974","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 26\u002F3963 en SGR 26\u002F4309\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaken tussen\n [verzoeker] VOF e.a., te [plaats] , verzoekers\n\n(gemachtigde: mr. P.J.L.J. Duijsens),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, het college\n\n(gemachtigde: mr. P.M.J. de Haan).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting [derde-partij], te [plaats] (vergunninghoudster).\n\n(gemachtigde: mr. drs. H.J.M. van Schie)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over (1) een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woon-zorg verblijf met 7 studio’s aan de [adres 1] en (2) een besluit waarbij ambtshalve maatwerkvoorschriften zijn opgesteld ten aanzien van de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de openlucht’. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.\n\nDe voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekers exploiteren aan de [adres 2] een tuinbouwbedrijf en een caravanstalling in de aanwezige kassen. Op 21 juli 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor genoemd bouwplan. De gronden waarop het bouwplan betrekking heeft grenzen aan de noordoost zijde aan de percelen van verzoekers.\n\nBij afzonderlijke besluiten van 6 mei 2026 heeft het college vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor zowel een technische bouwactiviteit als een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit voor het hiervoor genoemde bouwplan.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26\u002F3963).\n\nMet het besluit van 1 mei 2026 heeft het college op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ambtshalve maatwerkvoorschriften opgesteld ten aanzien van de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de openlucht’ voor de percelen gelegen ten noorden van [adres 1] . Verzoekers hebben hiertegen eveneens bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26\u002F4309).\n\nVerzoekers hebben tweemaal verzocht de bouw van de woon-zorgverblijven bij wijze van ordemaatregel stil te leggen. De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken afgewezen.\n\nHet college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers hebben nadere stukken overgelegd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door hun gemachtigde, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 6] .\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nZaak SGR 26\u002F4309\n\n3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college met het bestreden besluit van\n\n1 mei 2026 het volgende maatwerkvoorschrift heeft gesteld:\n\n“Binnen een afstand van 25 meter vanaf de zuidelijke perceelsgrens van de percelen aangeduid kadastraal als [kadastraal nummer 1] , [kadastraal nummer 2] , [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 4] , over een breedte van 50 meter gerekend vanaf de zuidwestelijke punt van perceel [kadastraal nummer 2] , mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast door middel van spuiten”.\n\nAangezien de in dit voorschrift genoemde percelen geen deel uitmaken van het bedrijf van verzoekers, geen eigendom zijn van verzoekers, niet worden geëxploiteerd door verzoekers, maar door een ander bedrijf en daarnaast het voorschrift geen toestemming en ook geen verplichting inhoudt voor verzoekers om een haag te plaatsen, heeft dit besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen rechtsgevolgen voor verzoekers. Verzoekers hebben er daarom geen belang bij om tegen dit besluit op te komen. De bezwaren van verzoekers tegen dit besluit zullen daarom naar verwachting niet-ontvankelijk worden verklaard. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.\n\nZaak SGR 26\u002F3963\n\nOmvang van het verzoek\n\n4. Blijkens het verzoekschrift richt het verzoek zich tegen de omgevingsvergunning voor de (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit en niet tegen de vergunning voor de technische bouwactiviteit. Aangezien geen verzoeksgronden zijn aangevoerd tegen de omgevingsvergunning die is verleend voor de technische bouwactiviteit, zal de voorzieningenrechter het verzoek, voor zover zich dat tegen dit besluit richt, afwijzen.\n\nSpoedeisend belang\n\n5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n6. Verzoekers vrezen dat door de korte afstand tussen hun bedrijf en de voorziene woon-zorgfunctie een reëel risico bestaat dat toekomstige bewoners hinder zullen ondervinden van de bedrijfsactiviteiten en als gevolg daarvan beperkingen voor de bedrijfsvoering. Gebleken is dat vergunninghoudster reeds is gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. Uit het overgelegde overzicht van de uit te voeren werkzaamheden van\n\n20 mei 2026 blijkt dat nog tot en met 15 oktober 2026 werkzaamheden plaatsvinden.\n\nDe eventuele nadelige gevolgen van de verleende omgevingsvergunning voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van verzoekers kunnen zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter pas voordoen na de ingebruikname van de woon-zorg verblijven. Op de zitting heeft vergunninghoudster verklaard dat hiervan pas eind december 2026 sprake zal zijn. Het college heeft in zijn e-mailbericht van 27 mei 2026 aangegeven dat de beslissing op bezwaar naar verwachting over 5 tot 6 maanden zal worden genomen. Op de zitting heeft het college bevestigd dat de beslissing op bezwaar vóór december 2026 wordt verwacht en aangegeven dat de hoorzitting in bezwaar naar verwachting op 24 juni 2026 zal worden gehouden. Dit betekent dat de beslissing op bezwaar naar alle waarschijnlijkheid zal zijn genomen voordat de woon-zorg verblijven in gebruik worden genomen. Daarnaast hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het stilleggen van de bouwactiviteiten, omdat die geen nadelige gevolgen hebben voor hun bedrijfsvoering.\n\nGelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat een voldoende spoedeisend belang ontbreekt.\n\nEvident onrechtmatig?\n\n7. Omdat voldoende spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoekers gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en\u002Fof het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.\n\n8. Over de stelling van verzoekers dat in dit geval een verplichte advisering door de gemeenteraad geldt stelt de voorzieningenrechter vast dat de gemeenteraad van Wassenaar een lijst van gevallen heeft opgesteld - Lijst verzwaard adviesrecht en verplichte participatie gemeente Wassenaar 2023 - waarin hij het recht heeft om advies te geven over de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zoals bedoeld in artikel 16.15a, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Het betreft onder meer (1) buitenplanse activiteiten, die strijdig zijn met beleidskaders, onafhankelijk van de omvang en impact van de activiteit (algemeen beginsel) en (2) een aantal specifieke categorieën, waaronder het bouwen van nieuw op te richten woonzorggebouwen of het uitbreiden van bestaande woonzorggebouwen, voor zover sprake is van een functieverandering naar deze maatschappelijke woonzorgfunctie, indien het bruto vloeroppervlak van 1.500 m2 wordt overschreden (categorie 5).\n\nNu verzoekers niet de categorie hebben genoemd op grond waarvan verplichte advisering door de raad is voorgeschreven, is het bestreden besluit naar voorlopig oordeel reeds hierom niet evident onrechtmatig. Voor zover verzoekers zich beroepen op categorie 5 van de lijst van gevallen is deze niet van toepassing, omdat de oppervlakte van het bouwplan minder dan 1500 m2 bedraagt.\n\n9. Ten aanzien van de stelling dat het college onvoldoende heeft onderzocht of als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van verzoekers een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd stelt de voorzieningenrechter voorop dat bij de boordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet alleen rekening moet worden gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden.\n\n10. Het college stelt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht dat in de Notitie gezondheidsrisico blootstelling aan Gewasbeschermingsmiddelen van Adromi Groep (Adromi) van 10 november 2025, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is uitgegaan van een maximale planologische invulling van de percelen van verzoekers. In paragraaf 2.4.3 en 7.2.2 van deze notitie wordt ingegaan op de huidige exploitatiewijze van het bedrijf van verzoekers en de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de nieuwe woon- zorgfunctie. In paragraaf 7.2.3. van deze notitie zijn maatregelen voorgesteld in de situatie waarin de gronden waarop zich nu kassen bevinden worden geëxploiteerd als boomgaard. Adromi heeft geadviseerd dat reeds in de huidige feitelijke situatie in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen het gebied langs de bebouwing, 3 meter in zuidelijke richting en circa 13 meter in oostelijke richting, wordt afgebakend middels een afrastering of vergelijkbare voorziening, waarin regulier menselijk verblijf is uitgesloten. Deze gronden mogen alleen betreden worden in het kader van onderhoud (tuin en gebouw). In de noordoostelijke hoek van de bebouwing mogen geen te openen delen of inlaat van balansventilatie worden gesitueerd.\n\nIn de toekomstige situatie dat de kassen op het naastgelegen perceel van verzoekers worden gesloopt en die gronden worden geëxploiteerd als boomgaard wordt geadviseerd om een meegroeiende windhaag van 3,5 m hoog te plaatsen over de gehele lengte van het perceel met een over lengte van 25 meter om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Overeenkomstig deze adviezen heeft het college in het bestreden besluit de door Adromi voorgestelde maatregelen als voorschrift 6 opgenomen. De stellingen van verzoekers dat Adromi uitgaat van een verkeerd beeld van de spuitfrequentie en spuittechnieken bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op hun percelen, volgt de voorzieningenrechter niet, gelet op de beschrijving van het maximaal teeltscenario op pagina 10 van de notitie van Adromi. Hiermee heeft het college naar voorlopig oordeel voldoende onderbouwd dat als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door verzoekers een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd in de woon-zorgverblijven en hun bedrijfsvoering niet onevenredig wordt belemmerd. Het bestreden besluit is dan ook niet evident onrechtmatig op basis van wat is aangevoerd ten aanzien van dit aspect.\n\n11. In de ruimtelijke motivering van BJZ.nu van december 2025, die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter evident onvoldoende rekening gehouden met de bedrijfsbelangen van verzoekers ten aanzien van de milieuaspecten geur en geluid. Verzoekers hebben gemotiveerd gesteld dat er in verband met de exploitatie van hun bedrijf wel degelijk geluid- en geuraspecten spelen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit, in navolging van de ruimtelijke motivering ten onrechte niet op deze milieuaspecten is ingegaan. Evenmin is in de ruimtelijke motivering uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden voor de percelen van verzoekers en de gevolgen daarvan voor de milieuaspecten geur en geluid. Daarmee heeft het college onvoldoende onderbouwd dat vanwege de milieuaspecten geur en geluid een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het bestreden besluit is naar voorlopig oordeel in zoverre dan ook evident onrechtmatig.\n\n12. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat dit gebrek hangende de bezwaarprocedure kan worden hersteld. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen, omdat de woon-zorgverblijven nog niet in gebruik zijn en naar alle waarschijnlijkheid voor die ingebruikname een besluit op bezwaar zal zijn genomen.\n\n13. In de overige gronden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de bestreden besluiten niet worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16974","2026-07-13T00:28:57.636Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":56,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":35,"updatedAt":59},"506","ECLI:NL:RBDHA:2023:3440","ecli-nl-rbdha-2023-3440","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 21\u002F5545, SGR 21\u002F5945, SGR 21\u002F5946, SGR 21\u002F5947, SGR 21\u002F5948, SGR 21\u002F5949 en SGR 21\u002F5993uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2023 in de zaken tussen\n\n [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] ,uit [woonplaats 1] , eisers I\n\n(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),\n\n [eiser 7] en [eiser 8] , uit [woonplaats 1] , eisers II\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\nDhr. [eiser 9] en mevr. [eiseres 1] , uit [woonplaats 1] , eisers III\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\n [eiser 10] en [eiser 11] , uit [woonplaats 1] , eisers IV\n\n(gemachtigde: mr. T. de Beet),\n\nDhr. [eiser 12] en mevr. [eiseres 2] , uit [woonplaats 1] , eisers V\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Hingstman),\n\n [eiser 13] en [eiser 14] , uit [woonplaats 1] , eisers VI\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Hingstman),\n\n [eiser 15] , uit [woonplaats 2] , eiser VII\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\ngezamenlijk aangeduid als eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E.C.M. Schippers).\n\nAls derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de provincie Zuid-Holland(vergunninghoudster), te Den Haag\n\n(gemachtigde: mr. E.C.M. Schippers).\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning die door verweerder aan vergunninghoudster is verleend voor het aanpassen van de N211. De N211 wordt aangepast om de bereikbaarheid van de zuidzijde van de Haagse regio en de gemeente Westland met haar agro-logistieke bedrijventerreinen te verbeteren. Het projectgebied loopt vanaf de rijksweg A4 tot voorbij de kruising N211 – N222\u002FWateringveldseweg. Er zijn onderzoeken verricht naar diverse varianten voor het aanpassen van de N211. Er is gekozen voor de Wippoldervariant.\n\n2. Deze uitspraak is het vervolg op de tussenuitspraak van 11 juli 2022. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. Voor de besluitvorming die heeft plaatsgevonden en het procesverloop tot aan de zitting van 12 april 2022, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.\n\n3. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de door de rechtbank geboden herstelmogelijkheid en heeft op 3 oktober 2022 een aanvullende motivering ingediend.\n\n4. Eisers V en VI hebben op 4 november 2022 gereageerd op de aanvullende motivering. Eisers I, II, III en VII hebben op 7 november 2022 een reactie ingediend en ten slotte hebben eisers IV op 8 november 2022 gereageerd.\n\n5. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).\n\n7. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het provinciale toetsingskader ter motivering van het standpunt dat een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. Verweerder had bevestigd dat dit provinciale toetsingskader niet is neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder had evenmin gemotiveerd waarom in dit concrete geval een waarde van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank is daarom tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en dit in zoverre moet worden vernietigd. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Dat kan door een nadere motivering te geven op basis waarvan verweerder een waarde van 60 dB gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar acht.\n\nDe nadere motivering\n\n8. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder nader gemotiveerd om welke redenen een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:1988) motiveert verweerder dat het provinciale toetsingskader en de gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB zijn ontleend aan de Wet geluidhinder en het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In artikel 83 in samenhang artikel 100a van de Wet geluidhinder is neergelegd dat de maximaal te verlenen hogere waarde voor wegverkeer 58 dB bedraagt. Om de gecumuleerde geluidbelasting met deze maximale waarde te kunnen vergelijken moet rekening worden gehouden met de aftrek van 2 dB, als bedoeld in artikel 110g Wet Geluidhinder in samenhang bezien met artikel 3.4 van het Reken en meetvoorschrift geluid 2012. Dat komt volgens verweerder neer op een maximale waarde van 60 dB. Deze maximale waarde van 60 dB wordt dus in de Wet geluidhinder aanvaardbaar geacht voor de geluidbelasting van één enkele weg. Het provinciale toetsingskader past de waarde van 60 dB cumulatief toe, voor alle relevante wegen in het gebied. Daarmee is het provinciale toetsingskader strenger dan de Wet geluidhinder. Om die reden vindt verweerder het hanteren van een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar. Naast deze motivering waarom 60 dB in zijn algemeenheid een aanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting is, heeft verweerder eveneens onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2022 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2022:2754) te kennen gegeven dat een maximale gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB door de Afdeling niet onredelijk wordt bevonden voor dit specifieke gebied.\n\nReactie eisers\n\n9. Eisers hebben in reactie op de herstelpoging van verweerder een notitie ingebracht van de Nederlandse Stichting Geluidhinder (NSG) van 3 november 2022, opgesteld door E. Roelofsen (de notitie). In de notitie staat – voor zover hier relevant – dat verweerder ten onrechte heeft verwezen naar de Wet Geluidhinder nu ten tijde van de totstandkoming van deze wet minder inzicht bestond in de effecten op de gezondheid vanwege geluid. Uit het rapport “Environmental noise guidelines for the European Region” van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2018 (het WHO-rapport) en het rapport “Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid” van het RIVM (het RIVM-rapport) uit 2020 staat dat al bij 53 dB geluid vanwege wegverkeer sprake is van 10% ernstige geluidhinder. Juist omdat het gebied wat betreft geluid al overbelast is, ligt het op de weg van verweerder om het geluid niet toe te laten nemen.\n\n9.1.. Eisers I wijzen er in aanvulling op de notitie op dat artikel 8 van het Europees Verdrag van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt geschonden. Voorts verwijzen eisers I naar artikelen 191 tot en met 193 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Op basis van dit verdrag is het Zero Pollution Action Plan (het actieplan) opgesteld waarin staat dat chronische hinder door verkeerslawaai met 30% verminderd moet worden in 2030. Eisers I stellen dat deze bepalingen van het VWEU en het actieplan bindende voorschriften zijn die als gevolg van de vergunningverlening worden geschonden. Verder wordt ten onrechte rekening gehouden met de aftrek van 2 dB. Deze aftrek is gebaseerd op de veronderstelde vermindering van de geluidbelasting in de toekomst.\n\n9.2.. Eisers IV brengen naast de notitie naar voren dat het argument dat de verbreding van de N211 van groot economisch belang is, geen rechtvaardiging kan zijn om te gaan bezuinigen op maatregelen om geluidsoverlast tegen te gaan. Verweerder gaat eraan voorbij dat in dit concrete geval voor eisers IV geen geluidsluwe zone aan ten minste één zijde van hun woning overblijft, terwijl in de rechtspraak van de Afdeling geaccepteerd is dat dit meegenomen dient te worden in een afweging omtrent een concreet geval.\n\nHet oordeel van de rechtbank over de aanvullende motivering\n\n10. De rechtbank overweegt dat verweerder in overeenstemming met de opdracht in de tussenuitspraak aan de hand van de Wet geluidhinder en het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 heeft gemotiveerd waarom een geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee het geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\n10.1.. Het in de notitie ingenomen standpunt dat de Wet Geluidhinder zich naar huidige maatstaven niet verdraagt met het WHO-rapport en RIVM-rapport leidt niet tot de conclusie dat verweerder om die reden niet heeft kunnen refereren aan de Wet Geluidhinder. Onder verwijzing naar overweging 35.1 van de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2020:3147), overweegt de rechtbank dat de aanbevelingen van de WHO algemeen van aard zijn en dat gelet daarop het daarin aanbevolen maximum van 53 dB Lden geen dwingende status heeft. Dit geldt ook voor de aanbevelingen neergelegd in het RIVM-rapport (zie hiervoor de uitspraak van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3917). Er is daarom geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de door de WHO of het RIVM aanbevolen maximale geluidsbelasting had moeten hanteren. Voorts gaat de rechtbank niet mee in de redenering die in de notitie is neergelegd, dat vanwege de reeds bestaande geluidhinder een maximumwaarde van 60 dB niet aanvaardbaar is. Daartoe verwijst de rechtbank met verweerder naar de in 8 genoemde uitspraak van 21 september 2022 waarin de Afdeling een maximale geluidbelasting van 60 dB voor dit gebied aanvaardbaar heeft geacht. De notitie van de NSG leidt gelet op het voorgaande niet tot de conclusie dat een gecumuleerd geluidsniveau van 60 dB onaanvaardbaar moet worden geacht.\n\n10.2.. \n\nHet betoog van eisers I dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens (het EHRM) kent het EVRM geen uitdrukkelijk recht toe op een schone en stille omgeving. Toch kan artikel 8 in het geding zijn indien de overlast zo is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven. De rechtbank verwijst naar het arrest van het EHRM van 13 juli 2017, Jugheli tegen Georgië, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205, punt 62 en de daar aangehaalde rechtspraak.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zich hinder voordoet die hen in ernstige mate in hun gezondheid treft of hen belet in hun woongenot en privé- of gezinsleven. De verwijzing naar het WHO-rapport en het RIVM-rapport is hiervoor onvoldoende. In deze rapporten gaat het immers enkel om aanbevelingen, zoals onder 10.1 is vastgesteld. Hun betoog dat een geluidsniveau van 60 dB strijd oplevert met de artikelen 191 tot en met 193 van het VWEU treft evenmin doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat aan deze bepalingen geen rechtstreekse werking toekomt vanwege de algemeen omschreven doelstellingen in de artikelen 191, 192 en 193 het VWEU en omdat deze bepalingen zich richten tot de lidstaten en de Unie. Het betoog dat in het actieplan de algemeen geschreven doelstelling is neergelegd dat chronische hinder door verkeerslawaai met 30% verminderd moet worden in 2030 betreft eveneens een algemeen omschreven doelstelling en leidt niet tot de conclusie dat een geluidsniveau van 60 dB als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Tot slot gaat de rechtbank niet mee in de stelling dat verweerder de aftrek van 2 dB als bedoeld in artikel 110g Wet Geluidhinder in samenhang bezien met artikel 3.4 van het Reken en meetvoorschrift geluid 2012 buiten toepassing had moeten laten. Dat er een onzekerheid is gelegen in veronderstelling dat in de toekomst de geluidbelasting zal verminderen, betekent niet dat daarom de Wet Geluidhinder buiten toepassing moet worden gelaten.\n\n10.3.. De gronden die eisers IV hebben ingebracht – naast de notitie - zullen verder onbesproken blijven. Daartoe overweegt de rechtbank dat het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn ingediend ten tijde van de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2013:CA2877). De gronden van eisers IV hebben geen betrekking op de vraag of een maximale geluidsbelasting van 60 dB aanvaardbaar is, maar gaan over de te nemen maatregelen en de vraag of het niet hebben van een geluidsluwe zone aan een zijde van de woning al dan niet van invloed is op de vast te stellen maximale geluidswaarde.\n\nConclusie\n\n11. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.\n\n12. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.\n\n13. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus). De waarde per punt bedraagt € 837,- en de wegingsfactor is 1, waardoor € 2.092,50 wordt toegekend. Voor zover rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband voor meerdere zaken, merkt de rechtbank dit aan als één zaak op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\nbepaalt dat verweerder het door eisers I, II, III, IV, V, VI en VII betaalde griffierecht van € 181,- aan hen vergoedt;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers I tot een bedrag van € 2.092,50;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers II, III en VII tot een bedrag van € 2.092,50, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers IV tot een bedrag van € 2.092,50;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers V en VI tot een bedrag van € 2.092,50; met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, mr. J. Schaaf en\n\nmr. M. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3440","2023-03-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.917Z",20]