[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-health-insurance-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":43,"total":16,"page":25,"limit":81},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},69,"health-insurance-nl","Health Insurance","NL","2026-07-08T16:54:19.288Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2024-02-08T00:00:00.000Z","2026-06-05T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,37,40],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121809","Wet op de rechterlijke organisatie","art. 81",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"123422","Burgerlijk Wetboek","art. 6:166 lid 1",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"123425","art. 3:310",{"provisionId":34,"code":35,"article":36,"count":25},"123426","Zorgverzekeringswet","art. 87",{"provisionId":38,"code":28,"article":39,"count":25},"123428","art. 6:2 lid 2",{"provisionId":41,"code":28,"article":42,"count":25},"123429","art. 6:109",[44,55,64,73],{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":49,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":54},"295","ECLI:NL:RBDHA:2026:17074","ecli-nl-rbdha-2026-17074","","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummers: SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803, SGR 24\u002F4804, SGR 24\u002F4805\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Weisfelt),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014 tot en met 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd alsmede voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij alle belastingaanslagen is belastingrente berekend en bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn tevens vergrijpboetes aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen de voornoemde belastingaanslagen en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 maart 2024 (Zvw 2014), 30 maart 2024 (IB\u002FPVV 2016 en 2017), 5 april 2024 (IB\u002FPVV 2014) en 8 april 2024 (IB\u002FPVV 2015) de bezwaren gedeeltelijk toegewezen en daarbij de belastingaanslagen en rentebeschikkingen verminderd en de boetebeschikkingen op nihil gesteld.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026.\n\nEiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] ,\n\nmr. [naam 4] , drs. [naam 5] en [naam 6] .\n\nDe zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam 1] met de zaaknummers SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791, SGR 24\u002F4792, SGR 24\u002F4794.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser bezit vanaf 17 december 2008 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. ( [bedrijfsnaam 1] ). [bedrijfsnaam 1] betreft een beheer- en houdstermaatschappij.\n\n2. Eiser bezit, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 17 december 2008 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 2] betreffen de aankoop, verkoop, exploitatie en financiering van onroerende goederen.\n\n3. Eiser bezit, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 21 juli 2010 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V( [bedrijfsnaam 3] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 3] betreffen:\n\nGroothandel en import van bouwmaterialen, vloeren, sanitair, tegels, hout en aanverwante artikelen;\n\nHet (doen) uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burger- en utiliteitsbouw;\n\nHet stofferen en inrichten ten behoeve van (weder-) verkoop.\n\n4. Eiser bezat, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 8 februari 2012 tot 1 januari 2015 34% van de aandelen in [bedrijfsnaam 4] B.V. ( [bedrijfsnaam 4] ) en vanaf 1 januari 2015 tot heden 50%. De activiteiten van [bedrijfsnaam 4] zijn:\n\nHet begeleiden en advisering van bouwprojecten;\n\nHet uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burgerlijke- en utiliteitsbouw.\n\n5. Uit het Renseignementen Informatie Systeem van de Belastingdienst blijkt dat eiser en [naam 1] ( [naam 1] , hierna ook wel genoemd: de compagnon), ieder voor 50%, in de jaren 2014 tot en met 2017 onder meer de volgende panden bezitten:\n\n [pand 1] ;\n\n [pand 2] ;\n\n [pand 3] ;\n\n [pand 4] ;\n\n [pand 5] ;\n\n [pand 6] ;\n\n [pand 7] .\n\n6. Eiser en de compagnon hebben in de onderhavige jaren diverse bouwwerkzaamheden laten verrichten aan deze panden, alsook aan veel andere panden. De werkwijze van eiser en de compagnon komt er veelal op neer dat zij panden kopen die zij -na al dan niet (omgevings)vergunningen te hebben aangevraagd - laten opknappen\u002F verbouwen en daarna verhuren. De verhuur vindt plaats in box 3. In een groot aantal taxatierapporten die eiser heeft verstrekt, wordt ten behoeve van de financiering van de desbetreffende panden aangegeven dat de kosten voor de verbouwing\u002Frenovatie lager dan marktconform zijn vastgesteld, aangezien eiser en de compagnon de werkzaamheden voor een deel in eigen beheer uitvoeren.\n\nBoekenonderzoek\n\n7. Op 17 december 2018 heeft controlemedewerker [controlemedewerker 1] ( [controlemedewerker 1] ) van de Belastingdienst per e-mail een boekenonderzoek aangekondigd inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2017 van eiser en de compagnon. Het (deel)onderzoek heeft zich beperkt tot de activiteiten rondom de gezamenlijke onroerendezaaktransacties die in die jaren hebben plaatsgevonden. Ook bij [bedrijfsnaam 2] is een boekenonderzoek ingesteld.\n\n8. Op 11 februari 2019 heeft [controlemedewerker 1] samen met een collega van de Belastingdienst ( [controlemedewerker 2] ) een inleidend gesprek omtrent het boekenonderzoek gevoerd met onder andere eiser, zijn adviseur (gemachtigde H. Weisfelt) en de compagnon.\n\n9. Op 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een uitnodiging voor een slotbespreking verstuurd. Daarbij is tevens het conceptrapport meegestuurd. Verder is in deze brief aangegeven dat een andere controlemedewerker van de Belastingdienst, te weten [naam 5] ( [naam 5] ), het boekenonderzoek zal overnemen vanwege het aankomende vertrek van [controlemedewerker 1] .\n\n10. Met dagtekening 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een kennisgeving verstuurd inzake de op te leggen (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en vergrijpboetes. De vergrijpboetes vloeien voort uit correcties vanwege niet-aangegeven (verkapte) winstuitdelingen aan eiser over de belastingjaren 2014 tot en met 2017 die leiden tot inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2).\n\n11. Om een slotbespreking in te plannen, is tussen [naam 5] en de adviseur van eiser mailverkeer geweest. Door de Covid-19 maatregelen is de slotbespreking uitgesteld.\n\n12. Op 2 oktober 2020 heeft [naam 5] per e-mail aangegeven dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014, conform het correctievoornemen in het conceptrapport van 27 februari 2020, opgelegd zullen worden wegens dreigende verjaring. Op 30 oktober 2020 is eiser per brief in kennis gesteld van het opleggen van deze navorderingsaanslagen.\n\n13. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is met dagtekening 21 november 2020 opgelegd. Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 51.414. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is met dagtekening 28 november 2020 opgelegd. Het verzamelinkomen in deze aanslag bedraagt € 200.606 en bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 166.340, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 29.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 4.955.\n\n14. Op 16 oktober 2020, 28 januari 2021, 3 maart 2021 en 31 maart 2021 hebben (slot)besprekingen plaatsgevonden. Van deze (slot)besprekingen zijn verslagen opgemaakt.\n\nDeze besprekingen zijn onder andere gevoerd met eiser, zijn gemachtigde, [naam 2] (adviseur) en de compagnon, en [naam 5] en [naam 6] (controlemedewerkers van de Belastingdienst).\n\n15. Per e-mail is op 18 juni 2021 door [naam 5] een aanvullend correctievoorstel verstuurd over de waarden van de panden van eiser en de compagnon. Daarna hebben de gemachtigde en [naam 5] elkaar nog gemaild op 1 juli 2021 en 2 juli 2021 en op 16 juli 2021 heeft [naam 5] een reactie verstuurd inzake de waardebeoordeling van de panden van eiser en de compagnon.\n\n16. De bevindingen van het onderzoek zijn uiteindelijk neergelegd in het definitieve controlerapport met dagtekening 20 juli 2021 (het controlerapport). In het controlerapport zijn tevens de op te leggen vergrijpboetes medegedeeld. De inkomenscorrecties (box 1) zijn daarbij mede gebaseerd op de door een ambtelijk taxateur van de Belastingdienst gegeven waardebepalingen (de waardebeoordelingen) betreffende de verschillende panden. In het controlerapport staat omtrent de activiteiten vermeld:\n\n“2.1.1 Algemeen\n\nIn de jaren 2012 tot en met 2017 hebben belanghebbenden samen meer dan 50 onroerende zaken verworven in de eigendomsverhouding 50\u002F50. Kort samengevat worden appartementen gekocht die in vrijwel alle gevallen achterstallig zijn onderhouden dan wel sterk gedateerd zijn. Deze appartementen staan doorgaans te koop op het woningplatform Funda. Soms wordt een object door een makelaar onder de aandacht gebracht. De activiteiten beperken zich niet alleen tot het verrichten van noodzakelijk onderhoud of het moderniseren van woningen. Er vinden ook meer grondige wijzigingen plaats in zowel feitelijke als juridische staat. Hierbij moet worden gedacht aan het splitsen, ombouwen van kantoor-\u002Fbedrijfsruimte naar woonruimte, het realiseren van constructieve doorbraken, het realiseren van een loggia, wijzigingen aan het balkon, het realiseren van een dakterras, het vergroten van een dakkapel, het realiseren van een inpandig balkon, het bouwen van garages (i.e. nieuwe onroerende zaken) en zelf het realiseren van een dakopbouw c.q. het aanbrengen van een geheel nieuwe verdieping. Voornoemde werkzaamheden worden onder hoofdstuk 3 nader beschouwd. Per project vindt een beschrijving plaats van de investeringen en het met het project behaalde resultaat. Na afronding worden de panden – op enkele uitzonderingen na – door belanghebbenden verhuurd.”\n\n17. In het controlerapport is onder andere, samengevat, het volgende geconcludeerd:\n\nDe activiteiten van eiser rondom de gezamenlijke onroerendgoedtransacties met de compagnon worden in een groot aantal – in het controlerapport benoemde – gevallen aangemerkt als een bron van inkomen, te weten box 1-inkomen, over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Daarbij gaat het doorgaans om de positieve resultaten behaald bij de overgang van box 1 (einde van meer dan normaal vermogensbeheer) naar box 3 (aanvang reguliere verhuur\u002Fstart normaal vermogensbeheer). In een enkel geval (waaronder [pand 3] ) gaat het om het resultaat behaald bij verkoop.\n\nDe correcties kwalificeren in beginsel als belastbare winst uit onderneming (primaire conclusie), maar worden in de belastingaanslagen vooralsnog in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiaire conclusie).\n\nUit diverse transacties van de gelieerde vennootschap [bedrijfsnaam 2] volgt daarnaast een (verkapte) uitdeling van dividend aan eiser en de compagnon over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Dientengevolge moet het box 2-inkomen worden gecorrigeerd.\n\nOver het bijgetelde inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) worden vergrijpboeten opgelegd. Deze vergrijpboeten hebben enkel betrekking op de correcties die worden aangebracht naar aanleiding van de (verkapte) uitdelingen van dividend.\n\n18. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2015, 2016 en 2017 (dagtekening 14 augustus 2021) zijn overeenkomstig de uitkomsten van het boekenonderzoek opgelegd. Ten opzichte van de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2014 tot en met 2017 zijn de volgende correcties doorgevoerd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nVastgesteld inkomen uit\n\n € 95.528\n\n € 108.431\n\n € 110.076\n\n € 160.855\n\nwerk en woning (box 1)\n\nCorrectie inkomen uit werk en\n\n € 70.812\n\n € 353.990\n\n € 126.952\n\n € 399.014\n\nwoning (box 1, resultaat uit\n\noverige werkzaamheden)\n\nCorrectie inkomen uit\n\n € 29.311\n\n € 27.981\n\n € 68.006\n\n € 72.417\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n € 4.955\n\n € 1.542\n\n € 9.859\n\n € 10.934\n\n(box 3)\n\nTotaal verzamelinkomen na\n\n € 200.606\n\n € 491.944\n\n € 314.893\n\n € 643.220\n\ncorrecties\n\nVergrijpboete\n\n € 3.224\n\n € 3.497\n\n € 8.500\n\n € 9.052\n\n19. Eiser heeft tegen alle navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt.\n\n20. Tussen 29 maart 2022 en 29 april 2022 hebben de bezwaarbehandelaar en de gemachtigde van eiser elkaar gemaild. Op verzoek van de gemachtigde heeft de bezwaarbehandelaar gewacht met het doen van uitspraak op bezwaar, totdat de besprekingen aangaande de bezwaren tegen de samenhangende aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2014 tot en met 2017 waren afgerond.\n\n21. Met dagtekening 14 november 2023 is een vaststellingsovereenkomst (VSO) ondertekend door enerzijds eiser en zijn partner en de compagnon en zijn partner en anderzijds de Belastingdienst over de correcties inzake het box 2-inkomen. In de VSO is onder meer vastgelegd dat de bewuste belastingschuld zal worden geformaliseerd in een nog op te leggen navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 aan [bedrijfsnaam 2] en de aangebrachte correcties in box 2 daardoor uit de aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 worden geëlimineerd. Verder is vastgelegd dat de bijbehorende vergrijpboeten op € 0 worden gesteld en de ondertekening van de VSO geldt als een intrekking van de bezwaren, gericht tegen de box 2-correcties.\n\n22. Bij uitspraken op bezwaar is verweerder vervolgens deels aan de bezwaren tegemoetgekomen en zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017, waarbij is uitgegaan van winst uit onderneming in plaats van resultaat uit overige werkzaamheden, als volgt verminderd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n € 103.412\n\n € 304.306\n\n € 110.076\n\n € 317.700\n\nwerk en woning (box 1)\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n € 7.884\n\n € 195.875\n\n € -\n\n € 156.845\n\nBelastbare inkomsten uit\n\n € 95.528\n\n € 108.431\n\n € 110.076\n\n € 160.855\n\ntegenwoordige arbeid\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n € 2.905\n\n € 312\n\n € 9.859\n\n € 10.934\n\n(box 3)\n\nVerzamelinkomen\n\n € 106.317\n\n € 304.618\n\n € 119.935\n\n € 328.634\n\nBelastingrente\n\n € 731\n\n € 20.119\n\n € -\n\n € 9.647\n\nVergrijpboete\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\nDe navorderingsaanslag Zvw 2014 is bij de uitspraak op bezwaar verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.784, en de belastingrente is daarbij dienovereenkomstig verminderd naar € 87.\n\nGeschil\n\n23. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en Zvw 2014 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Daarbij is meer specifiek in geschil:\n\nof sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nof de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon ter zake van de zeven hiervóór onder punt 5 genoemde panden kwalificeren als ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ en leiden tot box 1-inkomen bestaande uit winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden (in plaats van box 3-heffing over die panden);\n\nof de aan de inkomenscorrecties ten grondslag liggende waardebepaling van de panden juist is;\n\nof het gelijkheidsbeginsel is geschonden;\n\nof sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden;\n\nof de belastingrente dient te worden gematigd;\n\nof eiser recht heeft op vergoeding van de integrale proceskosten.\n\nDe vergrijpboetes zijn in deze procedure niet meer in geschil. Het jaar 2016 is ook niet meer in geschil.\n\n24. Eiser neemt in beroep de volgende standpunten in:\n\ner is geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen geen winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden; er is geen sprake van werkzaamheden die normale beleggers niet uitvoeren, waardoor de betreffende panden tot het box 3-inkomen dienen te worden gerekend;\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder, waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn niet juist; er dient te worden uitgegaan van de taxaties van eiser en de compagnon;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat in een ander gelijk geval de inkomsten wel als box 3-inkomen zijn aangemerkt;\n\ner is sprake van vooringenomenheid en willekeur en van onzorgvuldigheid door de manier waarop de hele controle is uitgevoerd en afgehandeld;\n\nde belastingrente dient te worden gematigd, omdat die mede is opgelopen door aan verweerder te wijten vertragingen.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering dan wel vernietiging van de belastingaanslagen en rentebeschikkingen overeenkomstig zijn standpunten, onder toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.\n\n25. Verweerder stelt dat de belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2014 tot en met 2017 bij de uitspraken op bezwaar niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld en neemt daarbij de volgende standpunten in:\n\ner is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen meer dan normaal vermogensbeheer en vormen winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt);\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn juist;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is niet geschonden;\n\ner is geen sprake van vooringenomenheid of willekeur en ook niet van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel;\n\ner is geen aanleiding de belastingrente te matigen.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nBewijslastverdeling\n\n26. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangiften, omdat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verweerder op de aangiften IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en de bevindingen van het boekenonderzoek zoals neergelegd in hoofdstuk 3.1.2 van het controlerapport. Dit onderdeel ziet op de box 2-correcties.\n\n27. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee de gestelde omkering en de verzwaring van de bewijslast doet steunen op de naar aanleiding van het boekenonderzoek in box 2 toegepaste inkomenscorrecties die in de onderhavige procedure niet in geschil zijn.\n\nPartijen hebben over die specifieke box 2-correcties en de afdoening daarvan in de VSO overeenstemming bereikt, waardoor die correcties in de onderhavige procedure niet voorliggen. Uit de VSO valt niet aanstonds op te maken dat de desbetreffende correcties in de onderhavige zaken dienen te leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast, meer specifiek dat dienaangaande is voldaan aan het voor de omkering en verzwaring geldende bewustheidsvereiste. Uit de enkele verwijzing naar 3.1.2 van het controlerapport en de gesloten VSO volgt onvoldoende dat voor wat betreft het box 2-inkomen voor de onderhavige jaren bewusteen onjuiste aangifte is gedaan. Onder die omstandigheden rechtvaardigen de box 2-correcties niet de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in deze procedure. De rechtbank zal dan ook de normale regels van de bewijslastverdeling toepassen.\n\nDe activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de panden: box 1 of box 3\n\n28. Ten aanzien van de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon met betrekking tot de (ver)bouwactiviteiten aan de onderhavige zeven panden stelt verweerder dat sprake is van méér dan normaal vermogensbeheer zodat ter zake van de inkomsten daaruit sprake is van belastbare winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt). Eiser neemt daartegenover het standpunt in dat diengaande geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer zodat de panden in box 3 belast zijn. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\n29. De rechtbank stelt voorop dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Onder meer dan normaal vermogensbeheer dient te worden verstaan: het rendabel maken van de onroerende zaken mede door middel van arbeid welke door dan wel namens de eigenaar van de onroerende zaken wordt verricht waarbij deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.Het hangt van de feiten en omstandigheden van het geval af wanneer de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. In beginsel vergt dat een beoordeling per pand. Voor de vraag of sprake is van winst uit onderneming ligt het meer in de rede de activiteiten als geheel te beoordelen. Verweerder heeft bij de aanslagoplegging ter zake van 24 panden het standpunt ingenomen dat sprake is van box 1-inkomen (meer dan normaal vermogensbeheer) bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl verweerder nu nog ter zake van zeven panden box 1-inkomen stelt, bestaande uit winst uit onderneming.Verweerder heeft daarbij ingezoomd op de afzonderlijke panden en heeft niet de activiteiten van eiser en de compagnon als geheel beoordeeld. Daarom ligt nu niet concreet de vraag voor of al dan niet sprake is van een onderneming, maar enkel of de zeven onder 5 genoemde panden terecht in de box 1-heffing zijn betrokken. Gelet hierop zal de rechtbank per pand beoordelen of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Indien dat het geval is, zal de rechtbank dit als winst uit onderneming kwalificeren conform verweerders primaire standpunt, aangezien dit voordeliger is voor eiser dan resultaat uit overige werkzaamheden (gelet op de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling).\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met wat hij heeft aangevoerd en overgelegd, afgezet tegen en in samenhang bezien met wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd, voor vier panden\u002Fprojecten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Dat betreft de panden: ‘ [pand 3] ’, ‘ [pand 4] ’, ‘ [pand 5] ’ en ‘ [pand 6] ’. Voor die panden geldt dat de werkzaamheden veel meer omvatten dan enkel een verbouwing van bijvoorbeeld een keuken en\u002Fof badkamer en kwalificeren als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschrijdt, waarbij aannemelijk is dat ook steeds een rendement is beoogd dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende ten aanzien van die panden\u002Fprojecten uitgevoerde activiteiten en werkzaamheden, die volgen uit de door eisers aangevraagde omgevingsvergunningen, de door eiser overgelegde taxatierapporten en het controlerapport. Dat het pand Van Boetzelaerlaan uit de verhuur kwam, maakt niet dat het resultaat van de verbouwing niet in box 1 valt. Ten aanzien van de voornoemde panden\u002Fprojecten acht de rechtbank in ieder geval het volgende aannemelijk:\n\n- [pand 3]\n\nDit betreft een woonhuis met garage dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd in drie appartementen met bergingen.\n\n- [pand 4]\n\nDit betreft een garage\u002Fbedrijfsruimte ( [huisnummer 1] ) met erf en tuin en een bovenwoning op de eerste en tweede verdieping ( [huisnummer 2] ) die in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) zijn getransformeerd in twee woningen, te weten: een ‘onvrije’ (dat wil zeggen: een woning waarvan de vertrekken uitkomen op een gemeenschappelijke gang of hal) parterrewoning met een onvrije bovenwoning bestaande uit twee woonlagen, waarbij aan de achterzijde op de begane grond een uitbouw is gerealiseerd. In de verklaring ter zitting dat “een oude garagedeur [is] vervangen door een raamkozijn waardoor er een aparte woning op de begane grond ontstond”, vindt de rechtbank overigens bevestiging in de transformatie van de bedrijfsruimte naar woning. Of al dan niet ook een dakterras op de aanbouw is gecreëerd, acht de rechtbank voor de kwalificatie box 1 of box 3 niet van belang.\n\n- [pand 5]\n\nDit betreft een kantoorgebouw (kantoor met dienstwoning) dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd\u002Fopgesplitst in drie winkels\u002Fbedrijfsruimten en elf appartementen. Er is een extra woonlaag toegevoegd aan het gebouw.\n\n- [pand 6]\n\nDit betreft een winkel\u002Fwoonhuis op de begane grond en het achtergedeelte van de eerste verdieping, waar overeenkomstig de daartoe verleende vergunningen onder meer constructieve doorbraken en een aanbouw zijn gerealiseerd. De opmerking van eiser dat het stuitend is dat verweerder [huisnummer 3] heeft getaxeerd, terwijl dit volgens eiser moet zijn [huisnummer 4] , omdat nummer [huisnummer 3] niet bestaat, doet hier niet aan af, omdat het eiser duidelijk is welk pand het betreft. Deze verwarring heeft eiser bovendien zelf veroorzaakt, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport, waarin eveneens ‘ [pand 6] ’ staat vermeld.\n\n31. Het vorenstaande betekent dat ten aanzien van de vier hiervóór genoemde panden\u002Fprojecten terecht box 1-inkomen in aanmerking is genomen. Voor de overige drie onder punt 5 genoemde panden\u002Fprojecten, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. De in het controlerapport beschreven werkzaamheden en activiteiten zijn, mede in het licht van wat eiser daarover heeft aangevoerd, onvoldoende om meer dan normaal vermogensbeheer aannemelijk te achten. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat (ook na de zitting) nog steeds onduidelijkheid bestaat over of, en zo ja in hoeverre, een aantal in het controlerapport genoemde werkzaamheden\u002Factiviteiten al dan niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat voor twee panden - [pand 2] en [pand 7] - de door verweerder becijferde resultaten voor de onderhavige jaren ook niet dwingen tot de conclusie dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer (geen rendement-plus). Deze drie panden [pand 1] , [pand 2] en [pand 7] dienen daarom tot het box 3-vermogen te worden gerekend.\n\nInkomenscorrecties; waardebepaling\n\n32. Vervolgens ligt de vraag voor of de in verband met de onder rechtsoverweging 30 genoemde panden\u002Fprojecten toegepaste inkomenscorrecties berusten op een juiste waardebepaling van die panden\u002Fprojecten. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.\n\n- [pand 3]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 407.654 met een waardecreatie van 41,5%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de daadwerkelijke gerealiseerde verkoopprijzen van de (gerealiseerde) appartementen. De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 4]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 66.675 met een waardecreatie van 27,4%, is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 310.000 in vrije staat (met waardepeildatum 31 oktober 2015). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde is getaxeerd op € 225.000 in verhuurde staat (met waardepeildatum 22 september 2014) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats eind oktober 2015 - en, anders dan in eisers taxatie het geval is, terecht uitgaat van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De taxatiewaarde van eiser van € 225.000 naar verhuurde staat per 22 september 2024 ligt overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van € 310.000 in onverhuurde staat per 31 oktober 2015, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) acht de rechtbank dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 5]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend van € 296.915 met een waardecreatie van 16,2%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op in totaal € 2.130.000 (€ 1.750.000 voor de woningen in verhuurde staat en € 380.000 voor de bedrijfsruimte in verhuurde staat). Nu de waarde is bepaald in verhuurde staat, acht de rechtbank deze uitgangspunten geenszins onredelijk. Het door eiser voor dit pand oorspronkelijk overgelegde taxatierapport van vóór de verbouwing van een registertaxateur van 18 maart 2016, in opdracht van een bank, naar een totale marktwaarde van € 1.585.000 (€ 235.000 k.k. voor drie winkelunits (begane grond) + € 1.035.000 k.k. voor 9 woonunits (1e, 2e en 3e etage) + € 315.000 voor 2 woonunits (dakopbouw)), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht niet aannemelijk dat die taxatie aansluit bij de werkelijke waarde van het pand\u002Fde verschillende units zoals uiteindelijk gerealiseerd. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 6]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport – waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend ten bedrage van € 81.080 met een waardecreatie van 21,9% – is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 97.000 (voor de winkelruimte in vrije staat) en € 355.000 (voor de woonruimte in vrije staat) (waardepeildatum 31 december 2017). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde in verhuurde staat van de winkelruimte is bepaald op € 95.000 en van de woonruimte op € 335.000 (met waardepeildatum: 14 maart 2017) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats op 31 december 2017 - en, anders dan in eisers taxatie, daarin terecht is uitgegaan van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De hiervóór bedoelde taxatiewaarden van eiser in verhuurde staat per 14 maart 2017 liggen overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van respectievelijk € 355.000 en € 97.000 in onverhuurde staat per 31 december 2017, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is daarom aannemelijk gemaakt.\n\nInkomenscorrecties\n\n33. Het voorgaande betekent dat ter zake van voornoemde projecten de volgende resultaten als winst uit onderneming (vóór ondernemersaftrek) in aanmerking moeten worden genomen, overeenkomstig de berekening in het controlerapport:\n\n- [pand 3] : € 407.654 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 4] : € 66.675 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 5] : € 296.915 toerekenbaar aan 2017;\n\n- [pand 6] : € 81.080 toerekenbaar aan 2017;\n\nvolgens dezelfde verdeelsleutel als tot nu toe is gehanteerd (50% aan zowel eiser als aan de compagnon).\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n34. Eiser stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en wijst in dit verband op een volgens hem vrijwel identiek geval, waarin wel is geconcludeerd dat sprake is van box 3-inkomen en niet van box 1-inkomen. Het geval betreft de vaste aannemer van eiser en de compagnon die in de bewuste periode een kerkgebouw heeft omgebouwd tot zeven appartementen.\n\n35. Het enkele feit dat één gelijk geval anders is behandeld, is onvoldoende om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen. Eiser beroept zich uitdrukkelijk niet op de meerderheidsregel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan sprake te zijn van een oogmerk van begunstiging of van begunstigend beleid door de Belastingdienst. Daargelaten of de gevallen zo gelijk zijn als eiser stelt, is in elk geval de aanwezigheid van een oogmerk van begunstiging of begunstigend beleid -die verweerder betwist-, gesteld noch gebleken. Reeds om die reden moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen.\n\nVooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar \u002F zorgvuldigheidsbeginsel\n\n36. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat zij de irritatie van eiser over het taalgebruik van bepaalde medewerkers van de Belastingdienst in hun interne mailverkeer, met name van de controlemedewerker [controlemedewerker 1] , zoals dat blijkt uit de gedingstukken, begrijpt en ook het daaraan ontleende gevoel dat ze volgens [controlemedewerker 1] hoe dan ook moesten betalen. De rechtbank acht de bewuste passages onprofessioneel en ongepast. Die constatering rechtvaardigt echter als zodanig niet de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomenheid en willekeur ten aanzien van de aanslagregeling of van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de controle \u002F het boekenonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en [controlemedewerker 1] is opgevolgd door [naam 5] die zich niet op ongepaste wijze heeft uitgelaten. Tijdens de hele periode van het onderzoek en de aanslagregeling heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden, waarbij ook steeds de (nieuwe) argumenten van eiser zijn meegenomen bij de verdere beoordeling. Dit heeft onder meer geleid tot de VSO. De rechtbank ziet daarbij in de reacties van de Belastingdienst, anders dan de hiervóór bedoelde uitlatingen, geen onzorgvuldigheid of vooringenomenheid. Aldus is het zorgvuldigheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Ook overigens vindt de rechtbank daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten.\n\nBelastingrente\n\n37. Niet in geschil is dat de belastingrente is berekend conform de geldende wettelijke bepalingen. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Eiser meent dat desondanks aanleiding bestaat de belastingrente te matigen, omdat, kort gezegd, de rente mede is opgelopen door een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze aan de zijde van verweerder. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Weliswaar heeft een en ander lang geduurd, maar dat is niet te wijten aan een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze van verweerder. Het komt vooral door de lange duur van het uitgevoerde boekenonderzoek en die hangt samen met het feit dat omvangrijke activiteiten als de onderhavige veelal niet eenvoudig zijn te overzien of (fiscaal) te duiden. Dat vormt echter geen omstandigheid die een matiging van de belastingrente rechtvaardigt.Ook andere matigingsgronden zijn de rechtbank niet gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de verminderingen van de belastingaanslagen die voortvloeien uit deze uitspraak.\n\nConclusie\n\n38. Gelet op wat hiervóór is overwogen, dienen de beroepen betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017 gegrond te worden verklaard. Het beroep betreffende het jaar 2016 zal de rechtbank ongegrond verklaren, omdat over dat jaar geen geschil meer bestaat.\n\n39. De rechtbank zal verweerder opdragen de belastingaanslagen te verminderen met inachtneming van wat is bepaald in deze uitspraak, met de opdracht om de daarmee samenhangende rentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen.\n\nProceskosten\n\n40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser voor de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Hierbij stelt de rechtbank vast dat tussen de onderhavige zaken en de zaken van de compagnon die tegelijkertijd ter zitting zijn behandeld, sprake is van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt op grond van het Besluit de voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten vast op 50% van € 4.203 = € 2.101,50 (50% van de vergoeding gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1,5 wegens de zwaarte van de zaak en een samenhangfactor 1,5). Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen vergoeding toe, omdat daarvoor bij de uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding aan eiser is toegekend.\n\nDe rechtbank kent de proceskostenvergoeding van € 4.203 voor de helft, dus voor € 2.101,50 toe in de onderhavige gegronde beroepen (SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803 en SGR 24\u002F4805) en zal de andere helft toekennen in de overige samenhangende gegronde beroepen van de compagnon.\n\n41. De rechtbank wijst hierbij het verzoek van eiser om een integrale proceskostenvergoeding af, aangezien de rechtbank in de gedingstukken geen ondersteuning vindt, ook niet in samenhang bezien met hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd, voor de conclusie dat verweerder standpunten heeft ingenomen tegen beter weten inof in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 24\u002F4804 (betreffende het jaar 2016) ongegrond;\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803 en SGR 24\u002F4805 (betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2016 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, behoudens voor zover het de nihilstelling van de boetebeschikkingen en de toegekende proceskostenvergoeding betreft;\n\ndraagt verweerder op de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014 en de bij die belastingaanslagen gegeven rentebeschikkingen te verminderen met inachtneming van wat is beslist in deze uitspraak en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.101,50;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. K.G. Scholten en\n\nmr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n In de zaak SGR 24\u002F4801 is € 51 griffierecht betaald.\n\n Vgl. HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731.\n\n In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder ten aanzien van 17 panden (sommige bestaande uit meerdere nummers\u002Fobjecten) geconcludeerd dat toch sprake is van box 3-inkomen.\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 24 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1105, bevestigd in Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:539 (met artikel 81 RO).\n\n Vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.\n\n Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17074","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.139Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":53,"updatedAt":63},"1244","ECLI:NL:RBDHA:2026:10688","ecli-nl-rbdha-2026-10688","2026-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F09\u002F684829 \u002F HA RK 25-225\n\nBeschikking van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. NOVACURA ZORGGROEP B.V.,\n\nte Zoetermeer, 2. [verzoekster],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoeksters,\n\nadvocaat: mr. M.W. Fakiri te Den Haag,\n\ntegen\n\nVGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\nte Arnhem,\n\nverweerster,\n\nadvocaat: mr. E.J.P. van der Kamp te Arnhem.\n\nVerzoeksters worden hierna gezamenlijk aangeduid als “Novacura c.s.” en ieder afzonderlijk als “Novacura” respectievelijk “ [verzoekster] ”, en verweerster als “VGZ”.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\n- het verzoekschrift, ontvangen op 7 mei 2025, met producties 1 tot en met 10;\n\n- het verweerschrift, met producties A tot en met G;\n\n- de aanvullende producties 11 tot en met 14 van Novacura c.s.;\n\n- de ter zitting van 14 augustus 2025 overgelegde en voorgedragen pleitnota’s van partijen;\n\n- de ter zitting van 14 augustus 2025 overgelegde excellsheet van VGZ;\n\n- de brief van de rechtbank van 2 september 2025 aan partijen met betrekking tot de te nemen akten;\n\n- de akte van 11 september 2025 van VGZ, met producties H tot en met O;\n\n- de akte van 6 november 2025 van Novacura c.s. met producties 15 tot en met 28;\n\n- de aanvullende producties P tot en met T van VGZ;\n\n- de aanvullende productie 29 en 30 van Novacura c.s.;\n\n- de aanvullende producties 31 tot en met 33 van Novacura c.s.;\n\n- de door partijen ter zitting van 23 februari 2026 overgelegde en voorgedragen pleitnotities.\n\n1.2.. \n\nOp 14 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnota’s en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.\n\nDe zaak is vervolgens aangehouden om VGZ in de gelegenheid te stellen bij akte over te leggen: alle onderliggende stukken die zijn gebruikt voor het opstellen van de door VGZ ter zitting van 14 augustus 2025 overgelegde excellsheet, alsmede de door Novacura ter zake ingediende onderliggende declaraties. En in die akte , zoveel mogelijk aan de hand van onderliggende stukken, een nadere onderbouwing te geven van de in haar brief van 24 oktober 2023 opgesomde “verklaringen van verzekerden” met de nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] . Daarbij is bepaald dat deze onderbouwing dient te zijn voorzien van een toelichting die het voor Novacura c.s. mogelijk maakt erop te reageren, waarop Novacura c.s. dan kon reageren. De zaak is voortgezet op de mondelinge behandeling van 23 februari 2026. Partijen hebben wederom pleitnota’s voorgedragen en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft tijdens de zitting aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. De datum van beschikking is uiteindelijk bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Novacura is zorgaanbieder; [verzoekster] is bestuurder van Novacura via haar holding Novacura Holding B.V.\n\n2.2.. VGZ is zorgverzekeraar. Zij vergoedt vanuit de basisverzekering thuiszorg en thuisverpleging op grond van de Zorgverzekeringswet.\n\n2.3.. VGZ en Novacura hebben met elkaar zorgovereenkomsten Wijkverpleging gesloten voor de periode 2020-2022. Op deze zorgovereenkomsten zijn de Algemene Voorwaarden Zorginkoop VGZ 2020-2021 respectievelijk 2022-2023 van toepassing verklaard.\n\n2.4.. Bij brief van 21 juni 2022 heeft VGZ Novacura c.s. ervan op de hoogte gebracht dat zij een onderzoek naar vermeende fraude heeft ingesteld met betrekking tot de declaraties van Novacura en is verzocht om uiterlijk 7 juli 2022 gegevens aan te leveren. In de brief staat verder onder meer:\n\n“Aanleiding\n\nAanleiding voor het instellen van dit onderzoek zijn een aantal meldingen die VGZ ontvangen heeft inzake het declareren van niet- of onterecht geleverde zorg.\n\nDoel\n\nHet doel van dit onderzoek is het vaststellen of de gedeclareerde behandelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Wij richten ons in dit onderzoek in beginsel op de gedeclareerde persoonlijke verzorging en verpleging in de periode 2020 tot en met 2022.\n\nWij behouden ons het recht voor om, mochten de onderzoeksbevindingen daar aanleiding toe geven, het onderzoek uit te breiden.\n\nWat vragen wij van u?\n\nOm te beoordelen of de gedeclareerde zorg in de periode 2020 tot en met 2022 daadwerkelijk is geleverd en het zorg betreft waarvoor aanspraak bestaat in het kader van de Zorgverzekeringswet, hebben wij de volgende gegevens nodig:\n\nMet betrekking tot de verzekerden zoals vermeld inbijlage 1[betreft 10 verzekerden, toevoeging rechtbank]\n\n• Alle indicaties die de wijkverpleegkundige voor deze verzekerden heeft gesteld;\n\n• De zorgplannen die Nova Cura Zorggroep B.V. voor deze verzekerden heeft opgesteld;\n\n• De urenspecificaties waaruit blijkt op welke dagen er zorg Is verleend, welke zorgsoort, met vermelding van de begin- en eindtijd en de naam van de zorgverlener;\n\n• De dag rapportage waaruit blijkt waar de zorg uit heeft bestaan;\n\n• De diploma’s van de indicerend wijkverpleegkundige én de zorgverleners die de zorg hebben geleverd.\n\nGrondslag\n\nWij verzoeken u om de hiervoor vermelde gegevens naar ons toe te sturen. Wij wijzen u erop dat Nova Cura Zorggroep B.V. op grond van artikel 87 van de Zorgverzekeringswet en artikel 7.4 van de Regeling zorgverzekering verplicht is om de gevraagde gegevens bij ons aan te leveren.(…).”2.5.. Novacura heeft daarop op 15 juli 2022 gegevens aangeleverd bij VGZ.2.6.. Bij brief van 14 augustus 2023 heeft VGZ Novacura c.s. op de hoogte gesteld van haar voorlopige bevindingen inzake het fraudeonderzoek. In de brief staat, voor zover hier relevant, als volgt:\n\n“VGZ heeft u met de brief van 21 juni 2022 geïnformeerd over het onderzoek als bedoeld in artikel7.10. \n\nvan de Regeling Zorgverzekering dat wij gestart zijn naar de declaraties van Nova Cura Zorggroep B.V.\n\n (…)\n\nOp 15 juli 2022 ontvingen wij de gevraagde gegevens van u. Na analyse van deze documenten hebben wij u uitgenodigd voor een informatief gesprek op ons kantoor in Arnhem. Op 12 april 2023 heeft het gesprek plaatsgevonden met u en de heer [naam 1] .\n\nGesprek van 12 april 2023\n\nIn het gesprek hebt u - voor zover hier ter zake relevant - het volgende aangegeven:\n\nU bent de eigenaar van het bedrijf Nova Cura Zorggroep B.V. Uw echtgenoot is de heer [naam 1] . U gaat over de zorg en uw echtgenoot werkt als manager bij Nova Cura Zorggroep B.V en verzorgt de administratie en de facturatie. Daarnaast bent u eigenaar van het bedrijf Happy Care Thuiszorg. Dit bedrijf verzorgt (nu) uitsluitend indicatiestellingen voor de aanspraak wijkverpleging. De zorg wordt geleverd door Nova Cura Zorggroep B.V. Uw bedrijf werkt vooral met zzp'ers die de zorg aan uw cliënten leveren.(…) De heer [naam 1] gaf aan dat u werkt vanuit het beginsel ‘planning is realisatie’, tenzij er sprake is van bijzonderheden.(…).\n\nContacten met externen\n\nTijdens het gesprek op 12 april 2023 heeft u ook verklaard dat u controleur Fraudebeheersing bent voor Zilveren Kruis. Daarnaast heeft u aangegeven dat u sparringpartner bent bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en in een pilot zit met de Nederlandse Zorg Autoriteit (NZa), de IGJ (en SKG).\n\n(…).\n\nAnalyse ontvangen documenten\n\nWij hebben een steekproef genomen van een aantal verzekerden ( [verzekerde 1] ,[verzekerde 2] , [verzekerde 3] ,[verzekerde 4] en[verzekerde 5] ). Hierbij hebben we de indicatiestellingen, urenregistraties en de dag-rapportages beoordeeld. Uit de analyse blijkt dat de urenregistraties (vrijwel) overeenkomen met de in de\n\nindicatiestellingen geïndiceerde uren. Uit de analyse komt naar voren dat de urenregistraties niet overeenkomen met de dag-rapportages. Niet op alle dagen waarop volgens de urenregistratie gewerkt is zijn deze dagen ook in de dagrapportages ingevuld. Naast het niet gevuld zijn van bepaalde dagen valt op dat, in die gevallen waarin er sprake is van meerdere zorgmomenten per dag, deze in de dag rapportages (ook) niet ingevuld zijn. Deze constatering geldt voor alle onderzochte verzekerden. De steekproef laat zien dat ruim 40%, van de volgens de\n\nurenregistraties geleverde zorg, niet genoteerd is in de dag-rapportages. Als er sprake is van een dubbel zorgmoment op een dag is dit in ruim 90% van de gevallen niet genoteerd in de dag-rapportages. (…).“\n\n2.7.. Bij brief van 24 oktober 2023 heeft VGZ aan Novacura c.s. de uitkomst van haar onderzoek meegedeeld. In de brief staat, voor zover hier van belang, het volgende:\n\n“Op 14 augustus 2023 hebben wij u geïnformeerd over de voorlopige bevindingen naar aanleiding van ons onderzoek, als bedoeld in artikel 7.10 van de Regeling Zorgverzekering, naar de declaraties die door Novacura Zorggroep B.V. (hierna: Novacura) over de jaren 2020, 2021 en 2022 bij VGZ1 zijn ingediend. Wij hebben u de mogelijkheid gegeven om (…) te reageren op onze voorlopige bevindingen, maar daarvan heeft u geen gebruik gemaakt.(…)\n\nOnderzoek\n\nHet doel van ons onderzoek is om vast te stellen of de declaraties voor verpleging en verzorging die Novacura (namens verzekerden) heeft ingediend, rechtmatig zijn. Dit betekent een controle conform de geldende wet- en regelgeving is gedeclareerd. Daarnaast wilden wij vaststellen of de gedeclareerde zorg daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.\n\n(…)\n\nVerklaringen van verzekerden\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 1] heeft bij VGZ een klacht c.q. fraudemelding ingediend met betrekking tot het indienen van declaraties door Novacura voor zorg die volgens de verzekerde niet geleverd is. Volgens verzekerde had hij die zorg ook niet nodig.\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 2] heeft telefonisch contact met ons opgenomen en aangegeven dat zij vanaf 1 april 2020 geen zorg van Novacura meer heeft ontvangen. Door Novacura is echter voor de periode 1 april tot en met 31 mei 2020 € 1.484,- aan zorg ten behoeve van voornoemde verzekerde gedeclareerd.\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 3] heeft verklaard dat, naast het leveren van persoonlijke verzorging, door medewerkers van Novacura ook eten werd klaargemaakt en af en toe werd opgeruimd. Huishoudelijke hulp en het bereiden van maaltijden mogen echter niet worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet (wijkverpleging).\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 4] heeft verklaard dat, naast het leveren van persoonlijke verzorging door NovaCura, de verzorgende van Novacura haar ook heeft begeleid naar de huisarts en het ziekenhuis. Dit komt eveneens niet voor vergoeding in aanmerking vanuit de Zorgverzekeringswet.\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 5] heeft verklaard dat de zorg, naast hulp bij het innemen van medicatie en af en toe hulp bij het douchen, voornamelijk bestond uit het schoonmaken van haar huis. Zoals eerder vermeld mag huishoudelijke hulp niet worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet.\n\nBevindingen\n\nVoor wat betreft onze bevindingen verwijzen wij u naar hetgeen wij hebben vermeld in onze brief van 14 augustus 2023. U heeft niet gereageerd op die voorlopige bevindingen. Onze definitieve bevindingen worden daarom conform de voorlopige bevindingen vastgesteld.\n\nDe resultaten van de door ons uitgevoerde steekproef extrapoleren wij naar de totale populatie van VGZ verzekerden die Novacura in zorg heeft gehad in de jaren 2020, 2021 en 2022. Dit betekent dat ruim 40% van de declaraties niet voldoet aan de daarvoor gestelde eisen.\n\nMisleiding\n\nTijdens het gesprek op 12 april 2023 heeft u onder meer verklaard dat u controleur Fraudebeheersing bent voor Zilveren Kruis. Daarnaast heeft u aangegeven dat u sparringpartner bent bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en in een pilot zit met de Nederlandse Zorg Autoriteit (NZa), de IGJ (en SKG).\n\n(…)\n\nWij hebben zelf navraag gedaan bij Zilveren Kruis en de IGJ om te verifiëren of uw verklaringen kloppen. Zij hebben aangegeven niet met u samen te werken. Wij beschouwen het als misleidend dat u bepaalde verklaringen heeft afgelegd waarmee u kennelijk een positief beeld heeft willen scheppen over u als persoon en uw persoonlijke waarden en normen.\n\nConclusie\n\nGelet op de bevindingen zoals vermeld in de brief van 14 augustus 2023, de hierboven genoemd verklaringen van verzekerden en het feit dat u ons heeft willen misleiden door het afleggen van valse verklaringen inzake de door u voorgestelde rollen bij Zilveren Kruis en de IGJ, stellen wij ons op het standpunt dat Novacura meer zorg heeft gedeclareerd dan er daadwerkelijk is verleend aan verzekerden. Daarnaast heeft Novacura zorg in rekening gebracht die niet vergoed mag worden vanuit de Zorgverzekeringswet. Wij stellen vast dat er sprake is van (zorg)fraude.\n\n(…)\n\nHet voorgaande levert een overtreding op van artikel 35 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Daarnaast is er sprake is van een overtreding van artikel 36 Wmg aangezien Novacura geen administratie heeft gevoerd die juist, volledig en derhalve controleerbaar is.\n\nWij merken op dat het van groot belang is dat zorgaanbieders correct declareren en een volledige en juiste administratie voeren; zonder een deugdelijke administratie is het niet te controleren of zorggeld rechtmatig is besteed. Een onvolledige administratie werkt misbruik van zorggelden in de hand. U bent als (indirect) bestuurder van een professionele zorgorganisatie verantwoordelijk voor het voeren van een juiste administratie.\n\n(Bestuurders)aansprakelijkheid\n\nVolgens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was u tijdens de gehele onderzoeksperiode de indirect bestuurder van Novacura. De administratie van uw onderneming is jarenlang verwaarloosd en uw onderneming heeft jarenlang valse declaraties ingediend bij VGZ. Daarmee heeft uw organisatie onrechtmatig gehandeld jegens VGZ. Uw handelen en nalaten als bestuurder is zodanig onzorgvuldig dat aan u persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van uw organisatie. Om die reden houden wij zowel Novacura als u persoonlijk aansprakelijk voor de geleden schade.\n\nMaatregelen\n\nBij fraude wordt overgegaan tot het opleggen van maatregelen. De gevolgen van de door ons geconstateerde fraude zijn voor Novacura en u persoonlijk als volgt.\n\nVerwerking persoonsgegevens in incidentenregister\n\nWij verwerken de (persoons)gegevens van Novacura en u in overeenstemming met het Protocol incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI).\n\n(…)\n\nDe afdeling Veiligheidszaken maakt voor het vastleggen en verwerken van (persoons)gegevens gebruik van een incidentenregister. Het incidentenregister ondersteunt activiteiten om de veiligheid en integriteit van ons bedrijf te waarborgen. De maximum bewaartermijn voor (persoons)gegevens in dit register is acht jaar. Omdat Novacura en u betrokken zijn bij het onrechtmatig handelen jegens VGZ, nemen wij uw persoons)gegevens op in ons incidenten register tot 21 juni 2030.\n\n(…)\n\nVerwerking persoonsgegevensinhet Extern Verwijzingsregister (EVR)\n\nWij hebben de (persoons)gegevens van Novacura en u opgenomen in het Extern Verwijzingsregister (EVR) tot 21 juni 2027.\n\nFinanciële instellingen in Nederland kunnen, volgens de regels van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen, toetsen of u in dit register voorkomt. Dit register wordt door financiële instellingen gebruikt om de integriteit van klanten en relaties te beoordelen. Degene die toetst of uw gegevens voorkomen in dit register is verplicht om bij ons navraag te doen over de reden van uw registratie.\n\n(…)\n\nMelding door ZN aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)\n\nZoals hierboven vermeld, hebben wij uw (persoons)gegevens opgenomen in ons incidentenregister. Omdat we hebben vastgesteld dat er sprake is van misleiding\u002Fbedrog, kenmerkend voor fraude, melden we het desbetreffende dossier bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Het is algemeen beleid, gebaseerd op vigerende wetgeving, dat we fraude melden aan de NZa. De NZa registreert de melding en gebruikt de informatie voor het coördineren van bestuursrechtelijke onderzoeken en om inzicht te krijgen in de aard en omvang van fraude in de zorg.\n\n(…)\n\nVordering declaraties\n\nWij hebben in totaal € 212.450,- aan Novacura vergoed naar aanleiding van de ingediende declaraties. Wij stellen ons op het standpunt dat ruim 40% van de declaraties niet voldoet aan de daarvoor gestelde eisen en frauduleus is. Om die reden vorderen wij een bedrag van € 84.980,-- (40% van € 212.450,-) bij Novacura en u terug.\n\n(…).”\n\n2.8.. VGZ heeft vervolgens Novacura en [verzoekster] opgenomen in het incidentenregister (hierna: IR) tot 21 juni 2030, en in het Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) tot 21 juni 2027. Daarnaast heeft VGZ een melding gedaan bij de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa).\n\n2.9.. Bij brief van 17 oktober 2024 heeft Novacura c.s. betwist dat sprake is van fraude en aan VGZ verzocht de registraties ongedaan te maken.\n\n2.10.. Op 2 december 2024 heeft VGZ bericht de registraties te handhaven.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n\nNovacura c.s. verzoekt de rechtbank, bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n-VGZ te bevelen om binnen zeven dagen na datum van deze beschikking de registraties van de (persoons) gegevens van Novacura c.s., althans van [verzoekster] , in het IR en het EVR ongedaan te maken, en ook de melding van fraude bij de Nederlandse Zorgautoriteit ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag met een maximum van € 100.000;\n\n- VGZ te veroordelen in de kosten van het geding.\n\n3.2.. \n\nAan het verzoek heeft Novacura c.s. het volgende ten grondslag gelegd. Er is sprake van onrechtmatige verwerking van de persoonsgegevens van Novacura c.s. in het EVR en het IR omdat VGZ hen ten onrechte beticht van fraude. Uit artikel 6 lid 1 onder f Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) vloeit voort dat een registratie enkel is toegestaan indien de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Daaraan is hier niet voldaan. Ook is niet voldaan aan de eisen neergelegd in artikel 5.2.1. van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen (Protocol).\n\nEr is geen sprake van ten onrechte gedeclareerde zorg. Novacura heeft aan haar administratieve verlichtingen voldaan. De declaraties zijn conform het systeem 'zorgplan= planning = realisatie, tenzij'. Uit het zorgplan volgt welke verzekerde, welke prestatie heeft ontvangen en uit de urenlijsten volgt wanneer deze is verricht. Verder hebben de verzekerden de urenstaten ondertekend, waaruit volgt dat de zorg is geleverd. Dagrapportages zijn ingevuld met een ander doel dan vastleggen van de geleverde zorg, zodat op basis daarvan niet kan worden vastgesteld welke zorg en wel of niet is geleverd.\n\nDe verklaringen van drie van de vijf verzekerden waarop VGZ zich beroept, hebben geen betrekking op de onderzoeksperiode 2020-2022, zodat zij ten onrechte bij de beslissing om tot registratie over te gaan zijn betrokken. Uit de overige verklaringen waarop VGZ zich beroept, kan niet geconcludeerd worden dat Novacura niet verleende zorg heeft gedeclareerd of werkzaamheden heeft uitgevoerd en gedeclareerd die niet voor vergoeding op grond van de Zorgverzekeringswet in aanmerking komen.\n\nTot slot houden de uitlatingen van [verzoekster] in het gesprek van 12 april 2023 geen verband met de zorg die al dan niet geleverd zou zijn door Novacura.\n\nAan de vereisten die voortvloeien uit artikel 5.2.1. van het Protocol is niet voldaan. De voorwaarden onder a) en b) betekenen dat sprake moet zijn van voldoende concrete feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een als strafbaar feit te kwalificeren gedraging. Aan die voorwaarden is niet voldaan. De registraties zijn daarom onrechtmatig.\n\n3.3.. VGZ verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In geschil is of VGZ de gegevens van Novacura en [verzoekster] in het IR en EVR moet verwijderen. In het verlengde daarvan is in geschil of VGZ de melding aan de Nederlandse Zorgautoriteit ongedaan moet maken.\n\nToetsingskader\n\n4.2.. Op grond van artikel 17 lid 1 onder d) van de AVG heeft de betrokkene onder meer recht op wissing van hem\u002Fhaar betreffende persoonsgegevens indien de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt.\n\n4.3.. Artikel 6 lid 1 aanhef en onder f van de AVG bepaalt dat de verwerking rechtmatig is indien en voor zover deze noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen. Daarbij geldt dat moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkenen niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel).\n\n4.4.. Bij de beoordeling van registraties in het IR en EVR is ook het door de Autoriteit Persoonsgegevens goedgekeurde Protocol van belang. Hierin staat in welke gevallen gegevens mogen worden opgenomen en opgenomen mogen blijven. Het is vaste rechtspraak dat als aan de eisen van het Protocol wordt voldaan de verwerking van persoonsgegevens in beginsel rechtmatig is op grond van artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG. Het Protocol dient daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of opname van de persoonsgegevens van [verzoekster] in de registers gerechtvaardigd is.\n\n4.5.. \n\nVoor vastlegging van gegevens in het IR is op grond van artikel 3.1.1 Protocol vereist dat sprake is van een ‘incident’, in artikel 2 Protocol omschreven als:\n\n‘een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding'.\n\nOp grond van artikel 3.1.1 Protocol is verder vereist dat de registratie geschiedt ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel: het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector.\n\n4.6.. Voor opname van gegevens in het EVR moet op grond van artikel 5.2.1 van het Protocol aan de volgende criteria zijn voldaan:\n\na. a) de gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en\u002Fof medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en\u002Fof de integriteit van de financiële sector;\n\nb) in voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachte wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar;\n\nc) het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen.\n\n4.7.. Ook op grond van het Protocol moet een belangenafweging worden gemaakt, waarbij alle bekende feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Bij elke verwerking van persoonsgegevensregistratie moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.8.. Verder geldt voor rechtmatige verwerking van strafrechtelijke gegevens in het IR en het EVR dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (zie HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720, r.o. 4.4). Een veroordeling door de strafrechter is niet vereist, maar de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de zin van een vermoeden van schuld is niet voldoende. Er moet sprake zijn van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Wetboek van Strafvordering (Sv) kunnen dragen.\n\n4.9.. Uitgangspunt is verder dat het aan de financiële instelling is te onderbouwen en te concretiseren waarom zij tot registratie is overgegaan\n\nToetsing\n\n4.10.. VGZ heeft aan de registraties van Novacura c.s. ten grondslag gelegd dat sprake is van fraude. Aan de registraties van [verzoekster] heeft VGZ bovendien ten grondslag gelegd dat sprake is van fraude, waarvan haar als middellijk bestuurder van Novacura persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens VGZ is de administratie van Nocacura jarenlang verwaarloosd en heeft Novacura jarenlang valse declaraties ingediend bij VGZ. VGZ stelt dat het handelen en nalaten van [verzoekster] als bestuurder zodanig onzorgvuldig is dat haar persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van Novacura.\n\n4.11.. \n\nVGZ legt aan haar standpunt dat sprake is van fraude verschillende verwijten ten grondslag. In haar brief van 24 oktober 2023 stelt VGZ dat door Novacura meer zorg is gedeclareerd dan daadwerkelijk is verleend aan verzekerden. Dit baseert VGZ op 1) de bevindingen in haar brief van 14 augustus 2023, te weten dat uit een analyse van vijf verzekerden blijkt dat de urenregistraties (vrijwel) overeenkomen met de in de indicatiestellingen geïndiceerde uren, maar niet met de dag-rapportages, welke steekproef volgens VGZ laat zien dat ruim 40% van de volgens de urenregistraties geleverde zorg, niet is genoteerd in de dagrapportage, en zelfs 90% als sprake is van een dubbel zorgmoment op een dag; 2) verklaringen van de verzekerden [verzekerde 6] en [verzekerde 7] en 3) misleiding door [verzoekster] tijdens het gesprek van 12 april 2013 over gestelde nevenactiviteiten in de branche. Daarnaast heeft Novacura volgens de brief zorg gedeclareerd die niet vergoed mag worden vanuit de Zorgverzekeringswet, wat zij baseert op verklaringen van verzekerden [verzekerde 8] , [verzekerde 9] en [verzekerde 10] .\n\nDe rechtbank zal hieronder bij haar beoordeling van de gronden voor registratie deze volgorde aanhouden.\n\nIs er meer zorg gedeclareerd dan is verleend?\n\n1) De bevindingen in de brief van VGZ van 14 augustus 2023\n\n4.12.. In genoemde brief, zoals hierboven weergegeven onder 2.6, staat, samengevat en voor zover hier relevant, dat bij aan aantal verzekerden een steekproef is uitgevoerd waarbij indicatietellingen, urenregistraties en dagrapportages zijn beoordeeld. Uit de analyse daarvan is gebleken dat de urenregistraties (vrijwel) overeenkomen met de in de indicatiestellingen geïndiceerde uren, maar dat deze niet overeenkomen met de dagrapportages omdat niet op alle dagen waarop volgens de urenregistratie gewerkt is, deze dagen ook zijn ingevuld in de dagrapportages. Volgens VGZ kan zij door de ontbrekende reportages niet vaststellen dat de gedeclareerde zorg is geleverd en voldoet de administratie van Novacura daarom niet aan de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg, artikel 36 lid 1), de Regeling verpleging en verzorging (artikel 4.1 en 4.2), en de tussen partijen gesloten zorgovereenkomsten.\n\n4.13.. Novacura c.s. stelt zich op het standpunt dat de administratie van Novacura wel voldoet aan de eisen gesteld in de Wmg, de Regeling verpleging en verzorging en de zorgovereenkomsten. Novacura declareert volgens de methode 'zorgplan= planning = realisatie, tenzij-', waarbij VGZ aan de hand van de in de administratie van Novacura aanwezige gegevens (indicatiestelling, zorgplan, planning en ondertekende urenstaten) kan vaststellen dat de gedeclareerde zorg is geleverd.\n\n4.14.. Artikel 36 lid l Wmg bepaalt, voor zover relevant, als volgt: “Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars voeren een administratie waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd, aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd, de daarvoor in rekening gebrachte tarieven en de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden.”\n\n4.15.. De administratieve verplichtingen van artikel 36 lid 1 Wmg zijn door de NZa nader uitgewerkt in de Regeling verpleging en verzorging, die voorschriften bevat over de registratie en declaratie van verpleging en verzorging. In de periode waarop de bevindingen van VGZ betrekking hebben (2020-2022) luidde artikel 4 van deze regeling, voor zover relevant, als volgt:\n\n“1. De registratie van de prestaties en tarieven in de administratie van de zorgaanbieder is yolledig, juist en actueel. Aan zorgaanbieders die registreren en declareren volgens het principe van'zorgplan = planning = realisatie, tenzij' kan voor deze verplichting worden aangesloten bij de (gecorrigeerde) planning. Tijdregistratie per cliënt tijdens de zorgverlening is in dat geval niet noodzakelijk.In het kader van onderlinge dienstverlening is de opdrachtgevende zorgaanbieder er voor verantwoordelijk dat de uitvoerende zorgaanbieder beschikt over een volledige, juiste en actuele administratie met betrekking tot de zorg die door de uitvoerende zorgaanbieder is geleverd. Dit laat onverlet dat de uitvoerende zorgaanbieder hier ook zelf verantwoordelijk voor is. Op verzoek van de opdrachtgevende zorgaanbieder, de NZa en\u002Fof de zorgverzekeraar zal de uitvoerende zorgaanbieder de administratie met betrekking tot de geleverde zorg te allen tijde inzichtelijk kunnen maken.”\n\n2. De administratieve organisatie dient zodanig ingericht te zijn dat een audit-trail mogelijk is.\n\n(…)\n\n4. De geleverde zorg moet navolgbaar zijn. Het verpleegkundig proces, het methodisch werken (anamnese, diagnose, planning, uitvoering en evaluatie) en de bijbehorende verslaglegging moet goed verankerd zijn binnen de organisatie. Dit betekent dat de geleverde zorg die valt onder directe contacttijd dan wel verplaatste directe contacttijd navolgbaar verantwoord wordt in het zorgplan, de planning en\u002Fof de voortgangsrapportage.\n\nAan zorgaanbieders die registreren en declareren volgens het principe van ‘zorgplan = planning = realisatie, tenzij’ wordt geen verantwoording gevraagd in het zorgplan, de voortgangsrapportage of op welke wijze dan ook, met feitelijk geleverde minuteninzet, buiten de (gecorrigeerde) planning.”\n\nIn artikel 1 ‘begripsbepalingen’ van deze regeling is ‘Audit-trail’ gedefinieerd als:\n\n“Zodanige vastlegging van gegevens dat het spoor van basisgegeven naar eindgegeven en omgekeerd achteraf door een externe accountant of, afhankelijk van de aard van de gegevens, door de NZa en de zorgverzekeraar kan worden gevolgd en gecontroleerd.”\n\n4.16.. In de zorgovereenkomsten is opgenomen dat wordt gedeclareerd volgens het bepaalde in de Handreiking registratiewijze 'zorgplan= planning = realisatie, tenzij’. In dit systeem vormt het zorgplan de basis voor de te verlenen zorg. In het zorgplan staat onder meer informatie over de aard, omvang (hoeveel tijd die nodig is om de betreffende zorg te leveren), duur (hoe lang, gedurende welke periode de zorg nodig is) en doelen van de zorg. Vervolgens wordt aan de hand van de tijdsindicatie gebaseerd op het zorgplan een planning gemaakt, die de basis vormt voor de declaratie van cliëntgebonden zorg. Uitgangspunt van dit systeem is dat er een logische samenhang moet zijn tussen het zorgplan, de planning en de realisatie. Een exacte overeenstemming is echter niet nodig. Het is mogelijk om tijdelijk meer of minder tijd in te plannen dan in het zorgplan staat. Ook kan de realisatie mee- of tegenvallen ten opzichte van de planning en het zorgplan. De declaratie volgt in dat geval de gecorrigeerde planning.\n\n4.17.. \n\nIn de brief 14 augustus 2023 staat dat VGZ heeft geconstateerd dat de urenregistraties van Novacura (vrijwel) overeenkomen met de in de indicatiestellingen geïndiceerde uren. Dit impliceert dat het zorgplan (dat ten grondslag ligt aan de indicatiestelling) en de daarop gebaseerde planning (urenregistraties) op elkaar aansluiten. Nu niet in geschil is dat de declaraties van Novacura aansluiten op de urenstaten (planning), voldoet Novacura aan de methode 'zorgplan= planning = realisatie’ als opgenomen in artikel 4 lid 1 Regeling verpleging en verzorging. Verantwoording op basis van feitelijk geleverde minuteninzet, buiten de (gecorrigeerde) planning, is niet vereist: “Er wordt geen verantwoording gevraagd in het zorgplan, de voortgangsrapportage of op welke wijze dan ook, met feitelijk geleverde minuteninzet, buiten de (gecorrigeerde)planning.”\n\nUit de discrepantie tussen zorgrapportages en urenstaten kan, anders dan VGZ stelt, niet worden geconcludeerd dat sprake is van niet verleende zorg (die wel is gedeclareerd). Deze discrepantie kan immers worden verklaard doordat, naar [verzoekster] onweersproken heeft gesteld, zorgreportages worden gemaakt om de overdracht van zorg van de ene zorgverlener van Novacura naar de andere zorgverlener soepel te laten verlopen, en niet ter onderbouwing van de gewerkte tijd waarvoor zij gebruik maakt van urenstaten.\n\n4.18.. Dat, zoals VGZ aanvoert, zij door incomplete of ontbrekende dagrapportages geen audit-trail zou kunnen uitvoeren volgt de rechtbank niet. Aan de hand van het door de verzekerde ondertekende zorgplan en de indicatie, in combinatie met de door de verzekerde ondertekende urenspecificaties ((gecorrigeerde) planning), is immers duidelijk wie, wanneer, welke zorgwerkzaamheden heeft verricht, en het tarief is VGZ bekend op grond van de gesloten zorgovereenkomsten. VGZ heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende mogelijkheden om een ‘audit-trail’ uit te voeren als bedoeld in artikel 4 lid 2 Regeling verpleging en verzorging. Het beroep van VGZ op het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:3240) gaat niet op. Anders dan in die zaak, zijn in de onderhavige zaak naast zorgplannen ook door de verzekerden ondertekende urenstaten aanwezig.\n\n4.19.. Voor zover VGZ aanvoert dat er kan worden getwijfeld aan de juistheid van (enkele) urenspecificaties omdat de handtekening van één van de verzekerden onder die urenstaten volgens haar telkens hetzelfde is en een spelfout bevat, had het op de weg van VGZ gelegen dit nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door verklaringen van betreffende verzekerde over te leggen waaruit blijkt dat deze de handtekeningen niet heeft gezet. Dit heeft VGZ echter nagelaten. De rechtbank kan niet op basis van het enkele vermoeden van VGZ vaststellen dat de handtekening niet door de betreffende verzekerde is gezet, temeer niet nu, zoals [verzoekster] ter zitting heeft verklaard, verzekerden ook via een app digitaal konden ondertekenen, wat verklaart dat er bij sommige cliënten steeds dezelfde handtekening onder de urenstaten staat.\n\n4.20.. De (tussen)conclusie op grond van het vorenstaande is dat de bevindingen van VGZ ten aanzien van de administratie van Novacura niet maken dat in voldoende mate vaststaat dat sprake is van fraude (valsheid in geschrift\u002Foplichting) in die zin dat er uren zijn gedeclareerd voor niet geleverde zorg.\n\n2) De verklaringen van verzekerden\n\n4.21.. \n\nIn de brief van 24 oktober 2023 beroept VGZ zich daarnaast op verklaringen van een vijftal verzekerden waaruit volgens haar volgt dat Novacura heeft gedeclareerd voor niet verleende zorg respectievelijk heeft gedeclareerd voor zorg die niet wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet. Hoewel VGZ in al haar correspondentie met Novacura c.s. heeft vermeld dat haar onderzoek zich richt op de door Novacura gedeclareerde zorg in de periode 2020 tot en met 2022, zal de rechtbank ook de verklaringen bespreken die zien op het jaar 2019, omdat VGZ deze in haar brief van uiteindelijk ook aan de registraties ten grondslag heeft gelegd. De reden hiervoor is dat de rechtbank alleen op deze manier het geschil tussen partijen kan beslechten, en het onbeoordeeld laten van verklaringen die zien op in 2019 verleende zorg hoogstwaarschijnlijk tot een nieuwe procedure zal leiden.\n\nHieronder zullen eerst de verklaringen van [verzekerde 6] en [verzekerde 7] worden besproken die zien op niet verleende zorg. De verklaringen van [verzekerde 8] , [verzekerde 9] en [verzekerde 10] hebben daarop geen betrekking en zullen pas verderop worden besproken in het kader van zorg die niet wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet.\n\n [verzekerde 6] (klantnummer [nummer 1] )4.22.. \n [verzekerde 6] heeft volgens VGZ een klacht c.q. fraudemelding ingediend met betrekking tot het indienen van declaraties door Novacura voor zorg die niet geleverd is, en die hij volgens eigen zeggen ook niet nodig had.\n\n4.23.. In de overgelegde verklaring van [verzekerde 6] van 6 november 2020 staat, voor zover hier relevant, dat hij in de periode december 2018 tot en met december 2019 zorg heeft ontvangen van [bedrijf] , dat hij volgens de indicatie recht heeft op vijf zorgmomenten per dag, en dat de daadwerkelijk aan hem verleende zorg niet overeenstemde met de indicatie. Zo kreeg hij op maandag en vrijdag maar vier zorgmomenten en op de overige dagen vaak maar twee zorgmomenten. Daarnaast verklaart [verzekerde 6] dat hij zelf insuline injecteert maar dat in het zorgdossier staat dat dit door een medewerker wordt gedaan.\n\n4.24.. \n\nTer zitting is naar voren gekomen dat Novacura in de periode februari tot en met juni 2019 zorg heeft verleend aan [verzekerde 6] . Uit de door Novacura overgelegde urenstaten blijkt dat in de periode van 18 tot en met 21 februari 2019 en van 24 tot en met 26 februari 2019 zorg is verleend door [naam 2] , handelende onder de naam [bedrijf] , in totaal 5,6 uur.\n\nDe rechtbank kan op grond van de verklaring van [verzekerde 6] niet vaststellen dat minder zorg is verleend dan op grond van de indicatie zou hebben gemoeten, maar dat Novacura daar wel voor heeft gedeclareerd. Het door [verzoekster] overgelegde en door [verzekerde 6] ondertekende zorgplan gaat uit van minder dan vijf zorgmomenten per dag, te weten vier zorgmomenten op maandag en drie zorgmomenten op de overige dagen. Daarnaast heeft [verzoekster] van urenstaten overgelegd van de bij [verzekerde 6] gewerkte tijd in de periode februari tot en met juni 2019, die door [verzekerde 6] zijn ondertekend. Het is niet aannemelijk dat [verzekerde 6] deze zou hebben ondertekend als hij de geïndiceerde zorg niet zou hebben ontvangen.\n\n [verzekerde 7] (klantnummer [nummer 2] )\n\n4.25.. \n [verzekerde 7] heeft volgens VGZ verklaard dat zij vanaf 1 april 2020 geen zorg heeft ontvangen. Dit terwijl Novacura wel declaraties heeft ingediend voor de periode 1 april tot en met 31 mei 2020.\n\n4.26.. \n\nVGZ heeft op 13 en 21 juli 2020 telefonisch gesproken met [verzekerde 7] . Daarvan is een opname gemaakt door VGZ, en daarvan zijn vervolgens transcripties gemaakt door zowel VGZ als [verzoekster] .\n\nIn het eerste gesprek verklaart [verzekerde 7] dat zij geen zorg ontvangt van NovaCura. Ook verklaart zij dat vanaf apriler niemand is geweest. Daarna verklaart zij dat sindsmaartniemand kwam. Ook heeft zij verklaard: “En ik weet niet andere Cura of weet ik veel, niet, mevrouw”. En “Mevrouw, die Cura weet ik niet. Ik heb geen flauw idee. Die van de VIP Zorg, die kwam twee keer”. Op de vraag “Bent u zich er bewust van dat er op een gegeven moment iemand anders de zorg is gaan verlenen dan Bureau Vip?” heeft [verzekerde 7] geantwoord: “Nee”. Op de vraag “U bent zich er niet van bewust van [sic] dat er nu een bedrijfje NovaCura is dat de zorg levert?” heeft [verzekerde 7] geantwoord: “Vorig jaar zijn wel geweest dat was andere bedrijf”. Daaronder verklaart zij: “Maart zijn ze niet aanwezig.Ik was in het ziekenhuis.Dan heb ik ze niet meer gezienvanafapril(..).”\n\nIn het tweede gesprek vraagt (de medewerker van) VGZ: “U hebt sinds april sinds u opgenomen geweest bent in het ziekenhuis geen zorg meer van hun [sic] hebt gehad?”\n\nDaarop heeft [verzekerde 7] geantwoord: “ik ben in mei geopereerd. Vanaf april is niemand hier geweest.”\n\n4.27.. \n\nUit de verklaringen blijkt dat [verzekerde 7] telkens wisselend verklaart over de periode dat geen zorg zou zijn verleend en ook niet helder voor ogen heeft welke zorgverlener het betreft. Daarnaast roept ook de omstandigheid dat [verzekerde 7] kennelijk ernstig ziek en psychisch in de war is, vragen op over de betrouwbaarheid van haar verklaringen.\n\nDat [verzekerde 7] in het ziekenhuis is opgenomen, en zo ja, gedurende welke periode, kan de rechtbank op grond van de verklaringen van [verzekerde 7] niet vaststellen. VGZ heeft ook geen gegevens overgelegd over een ziekenhuisopname. De enkele verklaringen van [verzekerde 7] zijn, tegenover de overgelegde en door [verzekerde 7] ondertekende urenstaten en de dagrapportages van Novacura waaruit blijkt dat haar in maart, april en mei 2020 zorg is verleend, onvoldoende voor de conclusie dat deze zorg niet zou zijn verleend, en (dus) ten onrechte is gedeclareerd.\n\n4.28.. Op grond van het vorenstaande staat op basis van de overgelegde verklaringen van [verzekerde 6] en [verzekerde 7] , ook in onderling verband en samenhang bezien, niet in voldoende mate vast dat door Novacura gefactureerde zorg niet is geleverd.\n\n3). Misleiding door [verzoekster]\n\n4.29.. Ten derde heeft VGZ zich beroepen op het gesprek met [verzoekster] van 12 april 2023, waarin [verzoekster] volgens haar misleidende uitspraken heeft gedaan door te verklaren dat zij controleur Fraudebeheersing is voor Zilveren Kruis en door haar vaak wordt ingezet voor second opinions ter zake indicatiestellingen, dat zij een soort sparringpartner is bij de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) en in een pilot zit met de Nederlandse Zorg Autoriteit, de IGJ en SKG, terwijl navraag bij Zilveren Kruis en IGJ volgens VGZ heeft uitgewezen dat dit onjuist is.\n\n4.30.. Nog los van het feit dat in de overgelegde transcriptie niets staat over een pilot met de NZa, IGJ en SKG, is de rechtbank van oordeel dat de uitspraken die [verzoekster] in 2023 heeft gedaan, wat daar ook van zij, niet kunnen bijdragen aan het bewijs van fraude (valsheid in geschrift\u002Foplichting) als hiervoor genoemd onder 4.10. Die uitspraken zeggen op zichzelf immers niets over de door Novacura verleende zorg of ingediende declaraties.\n\nIs er zorg gedeclareerd die niet vergoed mag worden vanuit de Zorgverzekeringswet?\n\n4.31.. \n\nTer onderbouwing van haar standpunt dat Novacura zorg heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding in aanmerking komt op grond van de Zorgverzekeringswet heeft VGZ zich ook nog beroepen op verklaringen van drie van haar verzekerden, te weten [verzekerde 8] , [verzekerde 9] en [verzekerde 10] .\n\n [verzekerde 8] (klantnummer [nummer 3] )\n\n4.32.. Volgens VGZ blijkt uit de verklaring van [verzekerde 8] dat Novacura ook eten heeft klaargemaakt en schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht terwijl deze werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen onder de Zorgverzekeringswet.\n\n4.33.. \n\nIn het transcript dat is gemaakt naar aanleiding van het telefoongesprek met [verzekerde 8] (via zijn zoon), staat voor zover hier van belang het volgende:\n\n[zoon:] “Hij weet ook heel weinig. Dat is een probleem. Wat ik nou vraag, dat weet hij over twee uurtjes niet meer.”\n\n(…).\n\n[VGZ:] “Weet mijnheer nog waar hij precies mee werd geholpen? Was dat met aankleden of was dat met het huis opruimen?”\n\n[zoon:] “Papa, waarmee helpen ze je? Met wat helpen ze? Met wat helpen ze op een dag?\n\n[ [verzekerde 8] :] “Douchen, eten koken. Medicijnen klaarzetten.”\n\n[VGZ:] “Helpen ze ook verder met huishouden, om dingen op te ruimen of iets dergelijks?”\n\n[zoon:]: “Ja, ze ruimen wel een beetje op. Aankleden zegt hij ook. Doen ze aankleden. Hij heeft ook twee uurtjes Axxicom. Die komen twee uurtjes per week ook nog een keertje schoonmaken.”\n\n[VGZ:]”Oké, dus dat is weer een ander bedrijf.”\n\n (…)\n\n[zoon:] “Ja, wat ik zei, het eerste bedrijf, dat kwam bijna een jaar, maar die kregen niet betaald door VGZ. Om ik weet niet welke reden. Of dat zeiden ze in ieder geval. Die zijn toen gestopt. En toen zijn ze naar zo'n soort ander bedrijf gegaan, dat was een soort van bemiddelingsbedrijf. Bij hun werd dat dan gedeclareerd en hun betaalden dan de zorgverleners uit of zoiets dergelijks.\n\n(..)\n\nDaarna was er weer een apart bedrijf, weer een ander bedrijf. (...)Ja, het zijn er volgens mij drie geweest.”\n\n(…)\n\n[VGZ:] “Goed, maar dan weet ik in ieder geval dat Nova Cura wel in 2019 een lange tijd zorg heeft verleend en dat het allemaal wel lijkt te kloppen.”\n\n4.34.. \n\n [verzoekster] heeft weliswaar niet ontkend dat het voorkomt dat medewerkers soms uit goede wil na de geïndiceerde tijd 5 á 10 minuten kort helpen met bijvoorbeeld kleren opruimen of koken, maar deze hulp wordt volgens haar niet gedeclareerd.\n\nUit de hierboven weergegeven verklaringen van [verzekerde 8] blijkt niet dat dit wel zo is en dat Novacura in plaats van de geïndiceerde zorg, dan wel daar bovenop, werkzaamheden heeft gedeclareerd die niet onder de Zorgverzekeringswet vallen, zoals koken en opruimwerkzaamheden. Uit de verklaringen blijkt eerder dat er voor Novacura geen (substantiële) taak op dat gebied is weggelegd omdat een ander bedrijf (Axxicom) twee uur per week komt schoonmaken. Verder zijn de urenstaten voor geleverde zorg (periode februari tot en met juli 2019) door [verzekerde 8] ondertekend. VGZ heeft de authenticiteit van de handtekeningen niet betwist, en niet aannemelijk is dat [verzekerde 8] de urenstaten voor akkoord zou hebben ondertekend als de geïndiceerde zorg niet door hem zou zijn ontvangen. De verklaringen van [verzekerde 8] zijn dus onvoldoende om als bewijs als bedoeld in 4.10 te kunnen dienen dat Novacura werkzaamheden heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding onder de Zorgverzekeringswet in aanmerking komen.\n\n [verzekerde 9] (klantnummer [nummer 4] )\n\n4.35.. Volgens VGZ blijkt uit de verklaring van [verzekerde 9] dat Novacura haar niet alleen persoonlijke verzorging levert maar haar ook naar het ziekenhuis en de huisarts brengt, terwijl deze werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen onder de Zorgverzekeringswet.\n\n4.36.. De transcriptie van het telefoongesprek met [verzekerde 9] vermeldt dat [verzekerde 9] op de vraag van VGZ over de hulp die Novacura aan [verzekerde 9] verleent en of die hulp ook in de coronatijd nog wordt verleend, antwoordt :”Ja, anders kan ik het niet. Mijn armen ... zij helpen met wassen. Mijn voeten doen zeer, mijn knieën, mijn arm. Zij smeren ze in, wrijven ze. (…) Zij laten mij douchen, doen dat en dan gaan zij naar bed. Zij komen 's ochtends en 's avonds. (..) Mijn armen doen pijn. Zij geven mijn medicijnen, regelen ze. Dit moet ik drinken, dat moet ik drinken”. Verderop verklaart [verzekerde 9] : “Ik ben trouwens erg ziek. Ik ga naar het ziekenhuis, naar mijn dokter ... er is iets in mijn maag tevoorschijn gekomen... er is een vlek tevoorschijn gekomen”. Daarop vraagt (de medewerker van) VGZ:“Ja, dus u zegt dat zij u naar het ziekenhuis brengen, naar de dokter brengen. Dus zij zijn vandaag ook gekomen. Sturen zij altijd dezelfde personen, tante, of sturen zij verschillende personen om te helpen?”\n\n4.37.. \n\nUit de verklaring van [verzekerde 9] blijkt dat Novacura haar zorg verleent die onder de Zorgverzekeringswet valt (wassen, insmeren en wrijven van haar armen, douchen, hulp met medicijnen). Dat Novacura ook werkzaamheden verricht en declareert die daarbuiten vallen blijkt daaruit niet. Uit de verklaring van [verzekerde 9] dat zij naar het ziekenhuis gaat, volgt niet dat Novacura haar daarheen brengt - en daarvoor heeft gedeclareerd -. Het is de medewerker van VGZ die deze link legt.\n\nDaarbij zijn ook in dit geval de urenstaten voor geleverde zorg (periode januari tot en met maart 2019) door [verzekerde 9] ondertekend en staat de authenticiteit van haar handtekeningen niet ter discussie. Niet aannemelijk is dat [verzekerde 9] deze zou hebben ondertekend als de geïndiceerde zorg niet zou zijn ontvangen. Ook met deze verklaring heeft VGZ onvoldoende onderbouwd dat Novacura werkzaamheden heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding onder de Zorgverzekeringswet in aanmerking komen.\n\n [verzekerde 10] (klantnummer [nummer 5] )\n\n4.38.. Tot slot beroept VGZ zich op de verklaring van [verzekerde 10] waaruit zou blijken dat Novacura haar niet alleen persoonlijke verzorging heeft gegeven, zoals hulp bij douchen en innemen van medicatie, maar ook schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht, die niet voor vergoeding in aanmerking komen onder de Zorgverzekeringswet.\n\n4.39.. \n\nIn de transcriptie van de telefoongesprekken met [verzekerde 10] op 27 en 30 juli 2020, zoals overgelegd door [verzoekster] , staat onder meer het volgende:\n\n[VGZ:] “Waarmee helpen zij als zij komen? Met wat voor soort dingen helpen zij?”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Zij verschonen mijn lakens en dat soort dingen. Dat doen zij. Eten, medicijnen, dat soort dingen. Zij tonen de medicijnen, weet je. Zij schrijven die op, zij doen dat. Wat ik moet drinken, wat ik moet doen. Zodat ik geen fout maak, tonen zij die (…)”.\n\n(…)\n\n[VGZ:] “Dank u wel, tante. Moge God tevreden zijn. Hebben zij [Novacura]ooit geholpen met uw persoonlijke verzorging?”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Persoonlijk, wat betekent dat ?”\n\n[VGZ:] “Ik bedoel, bijvoorbeeld met douchen, of .. Wat zal ik zeggen? Met het inpakken van uw haar, met alle dingen.”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Dat deden zij. Ik heb mijn haar ook geverfd. Een dame hielp met verven en zo.”\n\n[VGZ:] “Okay. Maar... U zei dat zij één uur per week komen. Wat doen zij dan meestal?\n\n[ [verzekerde 10] :] “Nou, altijd nadat zij zijn gekomen, maken zij natuurlijk mijn kamer schoon, zij verschonen mijn lakens. Mijn doktersdames, laatst nadat zij kwamen, deden zij dat. Ik heb ook één kamer, en ik heb nog iets, maar hopelijk ga ik naar het andere huis. In dat andere huis zal er meer zijn. Omdat ik daar een slaapkamer heb, een woonkamer. Hier heb ik meteen maar één kamer. Ik heb zo'n keuken. Zij maakten mijn toilet schoon, de badkamer, zij deden dat. Om te helpen [onverstaanbaar] uur.”\n\n[VGZ:] “Oh, okay. Zij helpen dus ook met schoonmaken en zo.”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Onder het bed en zo, zo trokken zij het, zij deden dat. Zij helpen. (…)Woensdag komt dat meisje. Woensdag. Om 11 UUR zei ze dat ze zal komen.”\n\n4.40.. \n\nIn haar verklaring refereert [verzekerde 10] aan ‘doktersdames’ die één keer per week komen en haar kamer schoonmaken en de lakens verschonen, en ook de toilet en de badkamer schoonmaken. [verzekerde 10] noemt daarbij als tijdstip 11 uur. Uit het door [verzoekster] overgelegde zorgplan, geldig van woensdag 1 januari 2020 tot en met woensdag 1 juli 2020, blijkt echter dat [verzekerde 10] dagelijks zorg nodig had bij ADL (Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen), zoals het aan- en uittrekken van steunkousen, en dat het in totaal ging om twee zorgmomenten per dag, van bij elkaar 40 minuten. Dat Novacura tweemaal daags bij [verzekerde 10] is geweest blijkt uit de urenstaten die door [verzekerde 10] zijn ondertekend, en waarbij de authenticiteit van de handtekening(en) niet in geschil is. Uit de urenstaten blijkt ook dat de zorgverleners van Novacura altijd bij [verzekerde 10] kwamen om 7.30 ‘s-ochtends (25 minuten) en 19.20 ’s-avonds (15 minuten).\n\nDe verklaringen van [verzekerde 10] over schoonmaakwerkzaamheden éénmaal per week om 11 uur stroken daarmee niet, zodat niet aannemelijk is dat deze betrekking hebben op Novacura. Daarbij is het niet aannemelijk dat Novacura binnen de geïndiceerde tijd van ’s ochtends 25 minuten en ‘s avonds 15 minuten voor persoonlijke verzorging, waaronder het tijdrovende aantrekken dan wel uittrekken van steunkousen, tijd zou hebben om daarnaast de door [verzekerde 10] genoemde schoonmaakwerkzaamheden aan toilet, badkamer en kamer uit te voeren en lakens te verschonen. De verklaringen van [verzekerde 10] maken dan ook niet dat in voldoende mate vaststaat dat Novacura in plaats van zorg te verlenen zorgschoonmaakwerkzaamheden zou hebben verricht en gedeclareerd.\n\n4.41.. Daarbij is mede van belang dat deze verklaringen afkomstig zijn van kwetsbare personen die de Nederlandse taal niet goed machtig zijn, op leeftijd zijn en\u002Fof een slecht geheugen hebben, dan wel (ernstig) ziek en\u002Fof in de war zijn, zodat de verklaringen met de nodige behoedzaamheid moeten worden beoordeeld.\n\n4.42.. De conclusie is dat de verklaringen, ook in onderling verband en samenhang bezien, niet zo duidelijk zijn dat voldoende aannemelijk is dat Novacura zorg heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding in aanmerking komt.\n\nResumerend\n\n4.43.. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door VGZ aangevoerde feiten en omstandigheden, zowel ieder afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, van onvoldoende gewicht zijn om redelijkerwijs de zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit te rechtvaardigen die nodig is voor opname is het EVR, terwijl evenmin voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een incident als bedoeld in artikel 2 Protocol dat vastlegging in het IR rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk geworden dat er voor VGZ weliswaar aanleiding bestond om onderzoek naar de declaraties van Novacura te doen, maar is VGZ er vervolgens niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat sprake is van als strafbaar feit of incident te kwalificeren handelen van Novacura c.s. Dit betekent dat er geen rechtmatige grond bestond voor opname van de persoonsgegevens van Novacura c.s. in het EVR en het IR.\n\nFraudemelding\n\n4.44.. \n\nUit dit oordeel volgt dat de fraudemelding aan de NZa moet worden ingetrokken, nu ook daarvoor geen grond bestond.\n\nConclusie\n\n4.45.. De verzoeken van Novacura c.s. zullen daarom worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De verzochte dwangsom zal echter worden afgewezen. Novacura c.s. heeft geen omstandigheden gesteld waaruit blijkt van de noodzaak tot het opleggen van een dwangsom aan VGZ als prikkel om te voldoen aan de veroordeling. De rechtbank gaat er vooralsnog dan ook vanuit dat VGZ vrijwillig aan de veroordelingen tot verwijdering van de registraties en intrekking van de fraudemelding bij NZa zal voldoen.\n\nProceskosten\n\n4.46.. VGZ zal als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Novacura c.s. als hierna vermeld. Deze worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n 714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.959,00\n\n(3 punten × tarief II ad € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n 189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.862,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. veroordeelt VGZ tot het binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking (doen laten) verwijderen en verwijderd houden van de gegevens van Novacura c.s. uit het Incidentenregister alsmede uit het Externe Verwijzingsregister;\n\n5.2.. veroordeelt VGZ tot het – met opgave van reden – intrekken van de fraudemelding vermeld onder r.o. 2.7. aan de NZa, binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking;\n\n5.3.. veroordeelt VGZ in de proceskosten van Novacura c.s., begroot op € 2.862,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als VGZ niet tijdig aan de veroordeling voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.\n\n3051\n\nZie Handreiking registratiewijze ‘zorgplan = planning = realisatie, tenzij’ opgesteld door Zorgverzekeraars Nederland, ActiZ, Zorgthuisnl en V&VN (hierna: de Handreiking), pag.7 “Verslaglegging”.\n\nZie Handreiking, pag. 4, par. 1.4 onder 3., eerste alinea.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10688","2026-05-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:11.848Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":53,"updatedAt":72},"1243","ECLI:NL:RBDHA:2026:5069","ecli-nl-rbdha-2026-5069","2026-03-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684899 \u002F HA ZA 25-405\n\nVonnis van 4 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Utrecht, 2. FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Leeuwarden, 3. ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Leiden, 4. INTERPOLIS ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Leiden,\n\neiseressen,\n\nhierna gezamenlijk te noemen: ‘de verzekeraars’,\n\nadvocaat: mr. F.E. Rijpkema,\n\nDe zaak is voor de verzekeraars inhoudelijk behandeld door mr. Rijpkema voornoemd en mr. A.C. van der Salm.\n\ntegen\n\n1. SION ZORG B.V.te Almere,\n\nadvocaat: mr. R. Zwiers,\n\n2. [bestuurder 1]te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. R. Zwiers,\n\nen;\n\n3. [commissaris 1]te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. H.W.E. Vermeer, 4. [bestuurder 2]te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. H.W.E. Vermeer, 5. [commissaris 2]te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. H.W.E. Vermeer,\n\ngedaagden,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: ‘Sion’, ‘Bestuurder 1’, ‘Commissaris 1’, ‘Bestuurder 2’ en ‘Commissaris 2’ en gezamenlijk ‘Sion c.s.’.\n\n1. Inleiding\n\n1.1.. De verzekeraars zijn zorgverzekeraars als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Zij sluiten als zorgverzekeraar in gezamenlijkheid overeenkomsten met zorgaanbieders.\n\n1.2.. Sion is een zorgaanbieder die (onder meer) wijkverpleging aanbiedt. Bestuurder 1 is de huidige bestuurder van Sion. Bestuurder 2 is bestuurder van Sion geweest. Commissaris 1 en Commissaris 2 zijn commissarissen geweest bij Sion.\n\n1.3.. De verzekeraars en Sion hebben een betaalovereenkomst gesloten voor het jaar 2017 (hierna: de Betaalovereenkomst). Sion heeft uit hoofde van de Betaalovereenkomst voor het jaar 2017 voor een bedrag van € 4.143.669,24 aan declaraties ingediend bij de verzekeraars, die zij aan Sion hebben betaald. In 2019 wilden de verzekeraars onderzoeken of voornoemde gedeclareerde zorg feitelijk was geleverd en of op vergoeding van feitelijk geleverde zorg aanspraak bestond.\n\n1.4.. De verzekeraars vorderen in deze procedure terugbetaling van het door hen over 2017 aan Sion betaalde bedrag, omdat zij menen dat Sion hen niet in staat heeft gesteld de rechtmatigheid van de declaraties vast te stellen en zij er daarom vanuit gaan dat voor betaling van de declaraties geen grond bestond. De verzekeraars stellen dat de (oud)bestuurders en twee van de drie (oud)commissarissen van Sion mede gehouden zijn de door het handelen van Sion veroorzaakte schade te vergoeden, omdat hen ten aanzien daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Sion c.s. heeft dit betwist.\n\n1.5.. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verzekeraars terecht hebben willen onderzoeken of over 2017 aanspraak bestond op vergoeding van feitelijk geleverde zorg. Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele en wettelijke verplichtingen door niet (voldoende) mee te werken aan dit (materiële) onderzoek. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat de (oud)bestuurders en -commissarissen van Sion hun taken ernstig hebben verwaarloosd, met als gevolg dat Sion declaraties heeft ingediend terwijl niet kan worden vastgesteld dat aanspraak bestond op vergoeding daarvan. Van deze gang van zaken binnen Sion kan hen persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Sion c.s. is daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van onverschuldigd betaalde declaraties aan de verzekeraars, althans voor vergoeding van de door dit een en ander veroorzaakte schade.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaardingen van 22 april 2025 en 23 april 2025, zonder producties;\n\nde akte overlegging producties van de verzekeraars, met producties 1 tot en met 29;\n\nde conclusie van antwoord van Sion en Bestuurder 1, zonder producties;\n\nde conclusie van antwoord van Commissaris 1, Bestuurder 2 en Commissaris 2, zonder producties;\n\nhet tussenvonnis van 24 september 2025, waarin een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde akte houdende eiswijziging van 4 december 2025, met producties 30 tot en met 33.\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. Partijen, behalve Commissaris 2 die niet is verschenen, en hun advocaten hebben hun standpunten toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat ter zitting is besproken.\n\n2.3.. Ten slotte is een (nadere) datum voor vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Sion is opgericht bij notariële akte van oprichting van 9 september 2016. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 zijn daarbij benoemd tot bestuurders van Sion.\n\n3.2.. Sion heeft volgens haar omschrijving bij de Kamer van Koophandel als activiteit:\n\n“a. het (doen) verlenen van zorg en welzijn, waaronder het verzorgen van de huishouding, persoonlijke verzorging, begeleiding, verpleging en\u002Fof behandeling en het bieden van verblijf al dan niet op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, de Wet Langdurige Zorg, de Zorgverzekeringswet en eventueel opvolgende wetten; b. het beheren en exploiteren van een (zorg)instelling die is toegelaten conform de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi).”\n\n3.3.. Commissaris 1, Commissaris 2 en mevrouw [naam] zijn per datum oprichting van Sion aangesteld als commissarissen.\n\nDe Betaalovereenkomst\n\n3.4.. De verzekeraars hebben voor het jaar 2017 de Betaalovereenkomst gesloten met Sion. De Betaalovereenkomst luidt als volgt, voor zover hier relevant:\n\n“Betaalovereenkomst Wijkverpleging 2017\n\nPartijen:\n\n(…)\n\nKomen overeen dat de zorgaanbieder declaraties met betrekking tot Wijkverpleging die zijn uitgevoerd bij verzekerden van Zilveren Kruis rechtstreeks bij Zilveren Kruis [kan] aanleveren. Deze rechtstreekse aanlevering en uitbetaling is slechts mogelijk indien de zorgaanbieder voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in de betaalovereenkomst en het declaratieprotocol.\n\n(…).\n\nDefinities\n\nZorgverzekeraarde verzekeringsonderneming(en) die als zodanig zijn toegelaten en verzekeringen in de zin van de Zorgverzekeringwet aanbieden en\u002Fof de verzekeraar die (een) aanvullende verzekering(en) op die zorgverzekering aanbied(t)(en) en die deze overeenkomst (is) (zijn) aangegaan.\n\n(…).\n\nZorgaanbiederde natuurlijke of rechtspersoon die zorg verleent in de zin van de Zorgverzekeringswet en die geen zorgcontract heeft gesloten met Achmea dan wel degene die namens de natuurlijke of rechtspersoon deze zorg bij Achmea declareert en waar een betaalovereenkomst mee is afgesloten\n\n(…).\n\nMateriële controlede controle waarbij nagegaan wordt of de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en die geleverde prestatie uit het oogpunt van doelmatigheid en rechtmatigheid daarop naar aard en inhoud en omvang redelijkerwijze het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van verzekerde.\n\n(…).\n\nArtikel 1 Inhoud van de overeenkomst\n\nPartijen hebben afgesproken dat de zorgaanbieder, ondanks dat er geen inhoudelijke zorgovereenkomst is gesloten met de zorgverzekeraar, niettemin rechtstreeks declaraties kan en mag indienen bij Zilveren Kruis vanaf 01-01-2017.\n\n(…).\n\nArtikel 2 Declaratieafspraken\n\nDe specifieke bepalingen omtrent declaraties en betalingen zijn verder uitgewerkt in het declaratieprotocol Zilveren Kruis. Het meest recente declaratieprotocol kunt u downloaden (…).\n\nDeze betaalovereenkomst is van toepassing op behandelingen die zijn gestart in 2017. Zorgverlening aan de verzekerde die valt binnen zijn of haar verzekering leidt tot het ontstaan van een rechtstreekse schuld van Zilveren Kruis aan de zorgaanbieder.\n\n(…).\n\nIndien de zorgaanbieder een declaratie heeft ingediend voor niet verzekerden en\u002Fof onrechtmatige zorgverlening dan komt de nota niet voor vergoeding in aanmerking. Een reeds betaalde nota zal worden teruggevorderd (…).\n\nArtikel 3 Kwaliteit\n\nDe instelling dient overeenkomstig de Wet Toelating Zorginstellingen te zijn toegelaten en draagt er zorg voor dat de zorg alleen door haar zelf geleverd wordt met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving waaronder begrepen (…).\n\nDe geleverde zorg waarvan de instelling uitbetaling vraagt dient verzekerde zorg te zijn conform de polisvoorwaarden van de verzekerde. Alleen die verzekerde zorg komt voor uitbetaling in aanmerking. Dit betekent onder meer dat de geleverde zorg rechtmatig en doelmatig dient te zijn en conform de stand van wetenschap en praktijk. Ook de overige polisvoorwaarden, zoals (…), zijn van toepassing. De instelling dient dus kennis te dragen van de voor de betreffende verzekerde geldende polisvoorwaarden en deze gelden onverkort voor de declaraties en uitbetalingen onder deze overeenkomst.\n\nArtikel 4 Controle\n\nPartijen verschaffen elkaar alle inlichtingen die zij redelijkerwijs nodig hebben voor een inzicht in de nakoming van hun in deze overeenkomst aangegane verplichtingen.\n\nZilveren Kruis voert formele en materiele controle en fraudeonderzoek uit overeenkomstig de regels zoals gesteld bij of krachtens de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet Bescherming Persoonsgegevens, de Zorgverzekeringswet, de Regeling zorgverzekering. Daarnaast controleert Zilveren Kruis op de geleverde zorg die zijn grondslag vindt in de aanvullende verzekering(en).\n\n(…).\n\nArtikel 5 Te nemen maatregelen bij uitkomsten controle\n\n1. Afhankelijk van de ernst en zwaarte van het geconstateerde feit kan Zilveren Kruis overwegen één of meer van de volgende acties te nemen (deze opsomming is niet limitatief):\n\n(…).\n\n Het terugvorder[en] van (een deel van) het bedrag aan onrechtmatig en\u002Fof ondoelmatig bestempelde declaraties en de onderzoekskosten (…) - een en ander door Zilveren Kruis te bepalen – al dan niet via verrekening met nog openstaande dan wel toekomstige declaraties. Voor de termijn waarbinnen de terugvordering wordt ingesteld wordt aangesloten bij het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek.\n\n (…).”3.5.. Sion heeft over het jaar 2017 voor een bedrag van € 4.143.669,24 aan declaraties ingediend bij de verzekeraars en de verzekeraars hebben deze declaraties aan Sion betaald.\n\n3.6.. Per 1 januari 2019 is Bestuurder 2 afgetreden als bestuurder van Sion.\n\n3.7.. In een ‘Specifiek Controleplan Materiële Controle Sion Zorg B.V.’ (hierna: het Controleplan) van 15 april 2019 hebben de verzekeraars aan Sion geschreven dat zij is geselecteerd voor een materiële controle, omdat niet zeker is of de zorg die Sion over 2017 heeft gedeclareerd, rechtmatig is. De verzekeraars hebben alle declaraties van alle (wijk)zorgaanbieders over 2017 gecontroleerd. De door Sion ingediende declaraties zijn daarbij opgevallen, omdat uit een risicoanalyse blijkt dat Sion (i) ten opzichte van het landelijke gemiddelde 3,4 zoveel heeft gedeclareerd en (ii) voor € 25.030,50 aan dubbele prestaties heeft gedeclareerd.\n\na. De verzekeraars willen een materiële controle uitvoeren naar de rechtmatigheid van de gedeclareerde prestaties, omdat zij wettelijk verplicht zijn om te controleren of:\n\ni) de gedeclareerde prestatie daadwerkelijk is geleverd (feitelijke levering) en;\n\nii) de geleverde zorg het meest aangewezen is gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde (terechte levering).\n\nOm de rechtmatigheid van de controlepunten feitelijkeenterechtelevering vast te kunnen stellen, willen de verzekeraars beoordelen of voor elke cliënt een actueel en volledig zorgdossier beschikbaar is dat voldoet aan de daarvoor gestelde eisen. Als dit niet het geval is, leidt dit geheel of gedeeltelijk tot de beoordeling ‘onrechtmatig’.\n\n De materiële controle begint met een procesgesprek met de bestuurder(s) van Sion. De verzekeraars nodigen Sion daarvoor uit en verzoeken haar voorafgaand aan dit gesprek de Administratieve Organisatie \u002F Interne controle(hierna: AO\u002FIC) op te sturen, zodat de verzekeraars een goed beeld hebben van de structuur en de processen binnen Sion.\n\n In het Controleplan is een stroomschema opgenomen waaruit blijkt welke mogelijke vervolgstappen er zijn. De verzekeraars bevestigen dat er hoor en wederhoor zal zijn en dat de controle zal worden afgerond met hun definitieve bevindingen, met vermelding van de eventuele (financiële) gevolgen van de controle.\n\n De verzekeraars geven achtergrondinformatie en leggen uit waarom de rechtmatigheid wordt beoordeeld aan de hand van (inzage in) de cliëntendossiers: daarin staan de afspraken tussen Sion en de cliënt over de te leveren zorg, hoe die zorg door Sion wordt geleverd en of Sion die acties werkelijk heeft uitgevoerd. Er zal een detailcontrole worden uitgevoerd als de verzekeraars na het procesgesprek onvoldoende zekerheid hebben over de feitelijke en\u002Fof terechte levering.\n\n De verzekeraars wijzen erop dat zij de privacy van de cliënten van Sion garanderen, omdat voor hun medewerkers het beroepsgeheim van de medisch adviseur geldt en dat Sion is verschoond van het medisch beroepsgeheim en zonder toestemming van de cliënt inzage kan geven in delen van het patiëntendossier die relevant zijn voor het controledoel op grond van (onder meer) artikel 86 tot en met 93a Zvw. De verzekeraars houden zich aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), gaan zorgvuldig om met persoonsgegevens en zullen zo min mogelijk persoonsgegevens gebruiken voor de controle, aldus steeds de verzekeraars in het Controleplan.\n\n3.8.. Op 30 april 2019 is Commissaris 1 afgetreden als commissaris van Sion.\n\n3.9.. Op 8 mei 2019 is Commissaris 2 afgetreden als commissaris van Sion.\n\n3.10.. Op 9 mei 2019 heeft het procesgesprek plaatsgevonden. Bestuurder 1 is als bestuurder van Sion bij dit gesprek aanwezig geweest. Sion heeft de AO\u002FIC niet van tevoren aan de verzekeraars opgestuurd.\n\n3.11.. Bij brief van 28 mei 2019 aan Sion hebben de verzekeraars geschreven dat het procesgesprek onvoldoende zekerheid biedt over de feitelijke en terechte levering van de declareerde zorg. De verzekeraars schrijven onder meer aan Sion dat:\n\nSion niet beschikt over de vereiste AO\u002FIC;\n\nonduidelijk is wie de te declareren uren registreert;\n\nonvoldoende zeker is of de vereiste indicaties op juiste wijze worden vastgesteld;\n\nSion niet heeft aangetoond dat zij controles uitvoert of beheersmaatregelen treft;\n\ngeïndiceerde zorg wordt gedeclareerd in plaats van de feitelijk geleverde zorg;\n\ner twijfel bestaat over de actualiteit van de indicaties;\n\nde wijze van rapporteren zorgt voor twijfel over de actualiteit en volledigheid;\n\nonvoldoende zeker is of Sion toetst of de geleverde zorg nog past bij de cliënt;\n\nDe verzekeraars schrijven verder dat het afwijkende declaratiegedrag van Sion na het procesgesprek nog onvoldoende is verklaard. Bestuurder 1 heeft tijdens het procesgesprek verteld dat het afwijkende declaratiegedrag mogelijk wordt veroorzaakt door slechts een paar van de 62 onderaannemers waarvoor Sion declaraties heeft ingediend. Daarom verzoeken de verzekeraars Sion om in een beveiligd portaal per cliënt in te vullen welke onderaannemer heeft gedeclareerd, zodat het onderzoek zich kan richten op zorg die is verleend door bepaalde zorgverleners.\n\n3.12.. Uit de daarop volgende correspondentie in de periode van 2 juni 2019 tot en met 7 augustus 2019 volgt dat:\n\nSion onderkent dat zij gehouden is mee te werken aan een materiële controle, maar zich op het standpunt stelt dat de verzekeraars hun controledoelen zo nauwkeurig mogelijk moeten vaststellen en alleen gericht informatie mogen opvragen. Sion wil weten wat de cijfermatige indicatoren waren die aanleiding gaven voor onderzoek en of sprake is van een structureel patroon of van incidentele uitschieters. De verzekeraars moeten eerst specifiek aangeven welke declaraties aanleiding geven voor onderzoek en mogen slechts naar die declaraties onderzoek doen, aldus Sion en;\n\nde verzekeraars onder verwijzing naar het Controleplan hebben toegelicht, althans hebben herhaald, dat (en waarom) Sion volgens hen de gevraagde informatie behoort te verstrekken.\n\n3.13.. Sion heeft niet gereageerd op de bevindingen van de verzekeraars en heeft geen lijst verstrekt waarop per cliënt is aangegeven welke onderaannemer zorg heeft geleverd.\n\n3.14.. Bij brief van 21 augustus 2019 hebben de verzekeraars geschreven dat zij zullen overgaan tot dossiercontrole op basis van een aselecte steekproef. Omdat Sion de verzekeraars niet in staat heeft gesteld het onderzoek te richten op bepaalde onderaannemers, zullen de verzekeraars geen rekening houden met de vraag welke zorgaanbieder zorg heeft verleend.\n\n3.15.. Op 26 augustus 2019 heeft Sion herhaald dat de verzekeraars eerst moeten aangeven welke specifieke declaraties de aandacht hebben getrokken. Een dossiercontrole op basis van een steekproef is niet representatief en de conclusie die daaruit volgt zal op voorhand worden verworpen, aldus Sion.\n\n3.16.. Op 4 september 2019 hebben de verzekeraars geschreven dat zij constateren dat Sion weigert mee te werken aan de materiële controle en Sion een laatste kans geboden om een lijst met onderaannemers aan te leveren, bij gebreke waarvan zij een eindconclusie zullen opstellen. In dat geval kan niet worden vastgesteld of de ingediende declaraties terecht zijn betaald en zal de hele omzet over 2017 (€ 4.143.669,24) worden teruggevorderd.\n\n3.17.. Bij brief van 3 oktober 2019 hebben de verzekeraars geschreven dat zij geen reactie hebben ontvangen en (dus) tot de conclusie komen dat zij onvoldoende zekerheid hebben over de feitelijke en terechte levering van de door Sion gedeclareerde zorg over 2017. De verzekeraars beschouwen de omzet over 2017 van Sion als onrechtmatig en het bedrag van € 4.143.669,24 als onverschuldigd betaald. De verzekeraars herhalen dat zij hun wettelijke controleplicht uitvoeren en dat Sion verplicht is een administratie te voeren waaruit blijkt welke zorg er is geleverd, aan wie en wanneer. Omdat de verzekeraars niet met zekerheid kunnen vaststellen dat de zorg rechtmatig is geleverd, betekent dit dat het gaat om onterecht uitbetaalde zorg en daarom zullen zij dat wat onverschuldigd is betaald verhalen op Sion. De verzekeraars vragen om een reactie uiterlijk op 17 oktober 2019.\n\n3.18.. Bij brief van 18 oktober 2019 aan Sion hebben de verzekeraars terugbetaling gevorderd van Sion van een bedrag van € 4.143.669,24.\n\n3.19.. Op 3 januari 2020 heeft Sion aan de verzekeraars geschreven dat zij de vordering verwerpt, omdat de verzekeraars niet hebben vastgesteld en niet voldoende zorgvuldig hebben onderzocht of de zorg door de onderaannemers van Sion werkelijk en deugdelijk is geleverd. De gedeclareerde diensten zijn geleverd en voldoen aan de eisen, aldus Sion.\n\n3.20.. Bij brief van 7 oktober 2022 hebben de verzekeraars Sion gesommeerd een bedrag van € 4.143.669,24 terug te betalen. Sion heeft dit niet gedaan.\n\n3.21.. Op 17 augustus 2023 heeft de Inspectie Gezondheidszorg (‘IGJ’) een inspectiebezoek gebracht aan Sion. De reden hiervoor was dat Sion in een steekproef viel voor toezicht op zeer kleine zorgaanbieders van wijkverpleging. In het rapport van november 2023 staat dat de inspecteurs hebben getoetst of Sion zorg levert volgens de toepasselijke wetgeving, professionele standaarden, veldnormen en het kwaliteitskader en dat zij daarom gesprekken hebben gevoerd met de bestuurder, drie zorgverleners, één cliënt en twee mantelzorgers en inzage hebben gehad in drie zorgdossiers en beleidsdocumenten. De inspecteurs stellen vast dat er bij Sion 6 zorgverleners beschikbaar zijn als zzp’er, waaronder de bestuurder zelf, en dat Sion op de bezoekdag zorg heeft geleverd aan 4 cliënten die zorg ontvangen vanuit de Zvw. Vanaf juni 2023 is het aantal cliënten afgenomen van 23 naar 4. De IGJ concludeert onder meer dat:\n\nSion niet voldoet aan de getoetste normen;\n\nde kwaliteit en veiligheid van de zorg risicovolle tekortkomingen laat zien;\n\nde inspectie geen vertrouwen heeft in de wijze waarop Sion stuurt op de kwaliteit en veiligheid van zorg;\n\nactuele zorgbehoeften van cliënten niet goed in beeld zijn;\n\ner onvoldoende zorgverleners zijn om de continuïteit van zorg zorgvuldig te organiseren;\n\ner ongeldige indicaties aanwezig zijn;\n\nzorgverleners niet zelf over de zorgverlening bij de cliënten rapporteren, maar dat de bestuurder dit doet;\n\nrapportages over zorgmomenten nagenoeg gelijk zijn.\n\n3.22.. Bij afzonderlijke deurwaardersexploten van 29 april 2024, 13 mei 2024 en 1 augustus 2024 hebben de verzekeraars de brief van 7 oktober 2022 (r.o. 3.20) laten betekenen aan Sion en haar (oud)bestuurders en -commissarissen. Daarbij is aan hen meegedeeld dat Sion zorg in rekening heeft gebracht, terwijl geen recht op vergoeding daarvan bestond en dat de (oud)bestuurders verwijtbaar hebben gehandeld door Sion er niet van te weerhouden declaraties in te dienen waarop geen aanspraak bestond. De verzekeraars stellen Sion c.s. hiervoor persoonlijk aansprakelijk en sommeren hen om € 4.143.669,24 te voldoen.\n\n3.23.. Bij brief van 26 mei 2024 heeft Bestuurder 1 geschreven dat haar niets kan worden verweten en dat zij bereid is alsnog informatie te verstrekken.\n\n3.24.. Bij e-mailbericht van 18 juni 2024 hebben de verzekeraars Bestuurder 1 verzocht de gevraagde gegevens binnen één week te verstrekken. Omdat Bestuurder 1 laat weten meer tijd nodig te hebben, wordt deze termijn verlengd naar 5 juli 2024.\n\n3.25.. Bij e-mailbericht van 1 juli 2024 aan de verzekeraars heeft Bestuurder 1 geschreven dat zij toch niet in staat is de gevraagde informatie aan te leveren. Dit omdat documenten verloren zijn gegaan door wateroverlast en haar medebestuurder bij haar vertrek documenten heeft meegenomen. Bestuurder 1 schrijft dat het (digitale) systeem inmiddels is afgesloten en dat zij DinZheeft gevraagd informatie over de onderaannemers terug te halen en aan haar toe te sturen.\n\n3.26.. Sion (althans Bestuurder 1 namens Sion) heeft de verzekeraars niet voorzien van informatie. De verzekeraars hebben ook niets vernomen van Bestuurder 2 en\u002Fof Commissaris 1 en Commissaris 2.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De verzekeraars vorderen na eiswijziging, samengevat, dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Sion c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de verzekeraars van:\n\nprimair een bedrag van € 4.143.669,24 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot aan de datum van algehele voldoening;\n\nsubsidiair een bedrag van € 2.924.942,99 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot de datum van algehele voldoening,\n\nmet veroordeling van Sion c.s. in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis.\n\n4.2.. De verzekeraars leggen het volgende aan de vordering ten grondslag. Op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW) schiet Sion tekort in de nakoming van haar verplichtingen uit de Betaalovereenkomst door niet mee te werken aan een materiële controle en geen informatie te verschaffen, terwijl zij daartoe (ook wettelijk) gehouden is. De verzekeraars kunnen niet vaststellen dat Sion over het jaar 2017 aanspraak had op de betaalde declaraties. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat die aanspraak niet bestond. Dit betekent dat de verzekeraars onverschuldigd hebben betaald aan Sion (artikel 6:203 BW). Sion heeft daarnaast onrechtmatig gehandeld door zorg in rekening te brengen waarvan zij wist of behoorde te weten dat zij geen aanspraak had op de betaling van de betreffende declaraties (artikel 6:162 BW). De (oud)bestuurders en -commissarissen van Sion hebben hun taak zodanig onzorgvuldig vervuld, dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 6:162 BW en\u002Fof artikel 6:166 lid 1 BW jo artikel 2:9 BW). Sion c.s. is hoofdelijk gehouden het door de verzekeraars onverschuldigd aan Sion betaalde bedrag terug te betalen, althans de door de verzekeraars geleden schade te vergoeden.\n\n4.3.. Sion c.s. voert verweer. Sion en Bestuurder 1 concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de verzekeraars in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de verzekeraars in de kosten van deze procedure (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente. Subsidiair concluderen zij tot matiging van de gevorderde bedragen. Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de verzekeraars in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de verzekeraars in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nGeen verjaring\n\n5.1.. Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 hebben, als meest verstrekkende verweer, een beroep gedaan op verjaring van de rechtsvorderingen van de verzekeraars jegens hen. De rechtbank zal hier eerst op ingaan.\n\n5.2.. Sion onderkent dat de verjaringstermijn van de vordering van de verzekeraars op haar is aangevangen per 15 april 2019 en is gestuit op 7 oktober 2022 en 29 april 2024. Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 voeren aan dat de betalingen in 2017 zijn verricht en er vijf jaren waren verstreken op het moment dat de onderhavige procedure jegens hen werd gestart.\n\n5.3.. Het beroep op verjaring slaagt niet. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 BW geldt voor de vordering uit onverschuldigde betaling, voor zover het verjaringsberoep ook hier betrekking op heeft, dat de verjaringstermijn pas aanvangt als de schuldeiser bekend is met het bestaan van de vordering. Uit artikel 3:310 BW volgt dat de verjaring van een vordering tot betaling van schadevergoeding pas aanvangt als de schuldeiser bekend is met de schade. Gesteld noch gebleken is dat de verzekeraars eerder bekend zijn geraakt met het feit dat de declaraties over 2017 niet voor vergoeding in aanmerking kwamen, dan bij het onderzoek dat is aangevangen in april 2019. Gedurende dit onderzoek zijn de verzekeraars tot de conclusie gekomen dat zij onvoldoende zekerheid hebben over de feitelijke en terechte levering van de gedeclareerde zorg en dus dat zij een vordering op Sion hebben uit onverschuldigde betaling, dan wel dat zij schade hebben geleden. Dit hebben zij op 3 oktober 2019 aan Sion gemeld, waarna zij op 18 oktober 2019 terugbetaling hebben gevorderd van het bedrag van € 4.143.669,24 (r.o. 3.17 en 3.18). Ervan uitgaande dat de verjaringstermijn is aangevangen op eerstgenoemde datum, was de verjaringstermijn van vijf jaar nog niet verstreken op het moment dat de verzekeraars Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 aansprakelijk stelde in de periode van 29 april 2024 tot en met 1 augustus 2024 (r.o. 3.22). Dat Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 toen inmiddels uit functie waren, doet hier niet aan af. De gestelde aansprakelijkheid betreft immers feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in 2017, toen zij bestuurder respectievelijk commissarissen van Sion waren.\n\nSion had moeten meewerken aan het materiële onderzoek\n\n5.4.. De rechtbank komt nu toe aan de vraag of Sion voldoende heeft meegewerkt aan de materiële controle die de verzekeraars in 2019 wilden uitvoeren betreffende het jaar 2017.\n\n5.5.. In het kader van de uitvoering van de Zvw zijn zorgverzekeraars bevoegd en verplicht om, in overeenstemming met de bepalingen van de Zvw, het Besluit Zorgverzekering, de Regeling zorgverzekering (Rzv) en de Wet marktordening gezondheidszorg, onder meer materiële controles bij zorgaanbieders uit te voeren. Een materiële controle is een onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en of die geleverde prestatie het meest voor de hand lag, gelet op de gezondheidstoestand van de verzekerde. De controles dienen ertoe de rechtmatigheid en doelmatigheid van de door zorgverleners in rekening gebrachte prestaties te beoordelen.\n\n5.6.. Het uitvoeren van deze controletaak kan ertoe leiden dat een zorgverzekeraar persoonsgegevens (zoals patiëntgegevens) moet inzien. De bepalingen uit de Rzv (in het bijzonder artikel 7.5 tot en met 7.8 in combinatie met artikel 87 Zvw) geven zorgverzekeraars de volgens de Wet bescherming persoonsgegevens noodzakelijke juridische grondslag om formele en materiële controles uit te voeren ten behoeve van de in de Rzv opgenomen doelen. Daarnaast bieden deze bepalingen het noodzakelijke en wettelijke voorschrift voor de zorgverlener om het medische beroepsgeheim te doorbreken.\n\n5.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat Sion verplicht is om op verzoek van een zorgverzekeraar mee te werken aan een materiële controle. Het standpunt van Sion c.s. komt erop neer dat Sion heeft meegewerkt, althans dat zij pas volledige medewerking had hoeven verlenen aan het materiële onderzoek als de verzekeraars hun stelling dat sprake is van afwijkend declaratiegedrag nader hadden onderbouwd. Dit standpunt gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op.\n\n5.8.. In 2019 hebben de verzekeraars alle ingediende declaraties over het jaar 2017 van alle erkende instellingen met een Betaalovereenkomst Wijkverpleging, zoals Sion, gecontroleerd. In het kader van dit onderzoek is vastgesteld dat Sion ten opzichte van het landelijke gemiddelde 3,4 keer zoveel heeft gedeclareerd en voor € 25.030,50 aan dubbele prestaties heeft gedeclareerd. In het licht hiervan waren er naar het oordeel van de rechtbank voor de verzekeraars goede gronden om Sion om verduidelijking te vragen.\n\n5.9.. De verzekeraars hebben in het Controleplan:\n\neen controledoel opgenomen (controleren of de gedeclareerde zorg feitelijk en terecht is geleverd);\n\ngerefereerd aan een algemene risicoanalyse op basis waarvan het afwijkende declaratiegedrag van Sion is geconstateerd;\n\ntoegelicht dat Sion vanwege deze bevindingen is geselecteerd voor een materiële controle;\n\nuitgelegd dat de rechtmatigheid van declaraties wordt beoordeeld aan de hand van (inzage in) cliënten(zorg)dossiers, omdat daarin de afspraken tussen Sion en de cliënt staan over de te leveren zorg, hoe die zorg door Sion wordt geleverd en of Sion die afspraken werkelijk heeft uitgevoerd;\n\nSion erop gewezen dat tot onrechtmatigheid van declaraties kan worden geconcludeerd als de cliëntendossiers niet voldoen aan de eisen en;\n\naangekondigd dat er een detailcontrole zal worden uitgevoerd als na het procesgesprek onvoldoende zekerheid is over de feitelijke en\u002Fof terechte levering.\n\nNa het procesgesprek hebben de verzekeraars bevestigd dat er onvoldoende zekerheid was over de feitelijke en terechte levering van de gedeclareerde zorg en Sion gevraagd het afwijkende declaratiegedrag te verklaren. Die verklaring is uitgebleven.\n\n5.10.. Met het voorgaande hebben de verzekeraars naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de toepasselijke wet- en regelgeving. Om voldoende zekerheid te verkrijgen als bedoeld in artikel 7.5 lid 1 Rzv stond het de verzekeraars op grond van de toepasselijke regelgeving vrij Sion vragen te stellen. Met de verzekeraars is de rechtbank van oordeel dat de door Sion aangevoerde verklaringen over de door haar ingediende declaraties in 2017, voor zover die wezenlijk zijn gegeven, niet bevredigend waren ter verklaring van het afwijkende declaratiegedrag. Daarvoor is het volgende relevant.\n\n5.11.. Omdat er voor de verzekeraars een concrete aanleiding was voor het instellen van een materieel onderzoek, waren zij zonder meer gerechtigd nadere informatie op te vragen bij Sion. Het lag dan ook op de weg van Sion om (inhoudelijk) te reageren op de bevindingen van de verzekeraars en het afwijkende declaratiegedrag te verklaren. Zij is daartoe meermaals in de gelegenheid gesteld, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Sion heeft immers niet voorafgaand aan het procesgesprek de opgevraagde AO\u002FIC verstrekt, heeft tijdens het procesgesprek geen afdoende antwoord gegeven op de vragen van de verzekeraars en heeft daarna niet inhoudelijk gereageerd op de bevindingen van de verzekeraars of ook maar een begin van inzicht in de achtergrond van haar declaraties gegeven. Al met al heeft Sion niet veel meer naar voren gebracht dan dat een vraag naar alle onderaannemers volgens haar niet relevant, althans niet gericht en zodoende niet gerechtvaardigd is. Met dit standpunt miskent Sion echter dat het aan de verzekeraars is om uitvoering te geven aan hun wettelijke taak en hun onderzoek in te richten zoals zij dat plegen te doen. Het standpunt van Sion gaat ook voor het overige niet op, omdat uit het Controleplan blijkt waar het materiële onderzoek op ziet en omdat de verzekeraars naar aanleiding van de toelichting van Bestuurder 1 (r.o. 3.11) hebben gevraagd om een overzicht van de onderaannemers en de door hen gedeclareerde zorg per verzekerde, zodat hun onderzoek zich kon richten op bepaaldezorgverleners.\n\n5.12.. Het betoog van Sion dat haar niet te verwijten valt dat zij niet volledig heeft meegewerkt aan het materiële onderzoek omdat zij is gestuit op praktische belemmeringen zoals het vertrek van Bestuurder 2 en het niet kunnen verkrijgen van toegang tot relevante digitale bestanden waarin de onderaannemers hun prestaties hebben verantwoord, slaagt niet. Uit niets blijkt dat Sion werkelijk heeft willen meewerken aan het onderzoek van de verzekeraars. Sion heeft immers steeds niet inhoudelijk gereageerd op de berichten van de verzekeraars, ook niet nadat zij daarvoor een laatste kans had gekregen en zelfs niet nadat duidelijk werd dat haar mogelijk een zeer aanzienlijke vordering van € 4.143.669,24 boven het hoofd hing. Dat er in het geheel geen toegang was tot (relevante) informatie is ook niet aannemelijk. Per slot van rekening heeft de IGJ in 2023 wel inzage gehad in zorgdossiers en beleidsdocumenten en gesproken met onderaannemers en cliënten van Sion die de IGJ van informatie hebben voorzien (r.o. 3.21). Uit de correspondentie tussen Sion en de verzekeraars blijkt dat de verzekeraars zich in de periode na het bezoek van de IGJ, aan wie Sion inmiddels informatie had verschaft, wederom bereidwillig hebben getoond (r.o. 3.24), maar ook dat heeft Sion c.s. er niet toe kunnen bewegen om ook maar iets van informatie te verstrekken. Dat Sion haar 63 onderaannemers en DinZ heeft aangeschreven met het verzoek haar te helpen bij het vergaren van de door de verzekeraars verlangde informatie, zoals Sion heeft aangevoerd, blijkt ook niet uit het dossier. Sion c.s. heeft geen afschriften overgelegd van deze berichten of de reacties die hierop zouden zijn ontvangen. Kortom, ook in deze procedure blijven antwoorden van de zijde van Sion achterwege en biedt zij geen enkel inzicht in (de rechtmatigheid van) de door haar gedeclareerde zorg over 2017.\n\n5.13.. Bij deze stand van zaken kan tot geen andere conclusie worden gekomen dan dat de verzekeraars terecht het standpunt hebben ingenomen dat zij vanwege het ontbreken van medewerking van Sion niet hebben kunnen vaststellen dat de over 2017 gedeclareerde (en uitbetaalde) zorg feitelijk en terecht is geleverd. De verzekeraars hebben Sion c.s. in gebreke gesteld en een redelijke termijn gegeven om alsnog haar verplichtingen na te komen. Hieraan is geen gehoor gegeven.\n\n5.14.. In de Betaalovereenkomst is overeengekomen dat:\n\nhet Sion is toegestaan onder de zorgverzekering gedekte zorg over 2017 rechtstreeks te declareren (artikel 1);\n\ndoor de verzekeraars verrichte betalingen kunnen worden teruggevorderd voor declaraties die Sion heeft ingediend voor niet-verzekerden en\u002Fof onrechtmatige zorgverlening die niet voor vergoeding in aanmerking komen (artikel 2);\n\nSion zorg dient te leveren met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving en dat dit verzekerde zorg moet zijn in de zin van de polisvoorwaarden (artikel 3);\n\ncontractspartijen elkaar alle inlichtingen verschaffen die zij redelijkerwijs nodig hebben voor (het verkrijgen van) inzicht in de nakoming van hun verplichtingen (artikel 4);\n\nde verzekeraars bevoegd zijn een materiële controle te verrichten (artikel 4);\n\nde verzekeraars (een deel van) het bedrag kunnen terugvorderen van declaraties die zij als onrechtmatig hebben bestempeld (artikel 5).\n\n5.15.. Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de Betaalovereenkomst door ten onrechte niet (voldoende) mee te werken aan het materiële onderzoek, waartoe zij bovendien verplicht was op grond van de Zvw en Rzv. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de aanspraak op de door de verzekeraars aan haar betaalde zorgdeclaraties over 2017 in ieder geval voor een deel niet bestond en dat de verzekeraars over het jaar 2017 gedeeltelijk zonder rechtsgrond aan Sion hebben betaald. Uit de Betaalovereenkomst volgt immers uitdrukkelijk dat alleen declaraties kunnen worden ingediend voor zorg die voor vergoeding in aanmerking komt. Sion c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat het enkele feit dat zorg is gedeclareerd in strijd met de Betaalovereenkomst in beginsel voldoende is om de (betaling van) de betreffende declaraties terug te vorderen op basis van onverschuldigde betaling. Dit betekent dat de verzekeraars zich uit hoofde van onverschuldigde betaling kunnen verhalen op Sion. Voor welk bedrag de verzekeraars Sion kunnen aanspreken komt aan de orde in r.o. 5.36 e.v. hierna.\n\nDe verzekeraars kunnen zich ook verhalen op de twee (oud)bestuurders\n\n5.16.. De verzekeraars hebben betoogd dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2 als bestuurders van Sion onrechtmatig jegens de verzekeraars hebben gehandeld. Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar wettelijke en contractuele verplichtingen en daarvan kan Bestuurder 1 en Bestuurder 2 volgens de verzekeraars persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben dat betwist. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\n5.17.. Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn er verschillende categorieën van bestuurdersaansprakelijkheid te onderscheiden. Eén van de categorieën betreft de situatie dat een bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, terwijl de bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden. Vereist is dat de bestuurder van de gang van zaken een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n5.18.. Als toegelaten instelling die gerechtigd was tot het leveren van zorg aan patiënten die hier op grond van de Wet langdurige zorg op aangewezen zijn, had Sion diverse verplichtingen. Naast het leveren van verantwoorde zorg en het systematisch bewaken van de kwaliteit van de verleende zorg, moest Sion onder meer een deugdelijke administratie voeren waaruit per patiënt blijkt welke verrichtingen zijn uitgevoerd. Ook moest Sion een toezichthoudend orgaan instellen en de toedeling van verantwoordelijkheden binnen Sion schriftelijk vastleggen. Verder gold de verplichting om alleen zorg te declareren ter zake waarvan aanspraak op betaling gemaakt kan worden.\n\n5.19.. Van een bestuurder van een professionele zorgaanbieder als Sion mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de verplichtingen die rusten op een toegelaten zorginstelling en van de voorwaarden waaronder de zorg kan worden gedeclareerd. Ook mag van een bestuurder van een zorgaanbieder worden verwacht dat hij zodanig zicht heeft op de bedrijfsvoering, de administratie en de declaraties, dat hierover deugdelijk verantwoording kan worden afgelegd als daarom wordt verzocht. Dit geldt bovenal nu de zorg wordt gefinancierd uit publieke middelen. Dit brengt mee dat een hoge mate van professionaliteit van bestuurders mag worden verwacht, zodat de zorg volgens de wettelijke en contractuele regels wordt uitgevoerd en de beperkte financiën doelmatig worden besteed.\n\n5.20.. De rechtbank is van oordeel dat Sion, ondanks voormelde (maatschappelijke) belangen, haar contractuele verplichtingen jegens de verzekeraars en haar wettelijke verplichtingen heeft geschonden (r.o. 5.15 en r.o. 5.18). Over het verwijt dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2 kan worden gemaakt van de tekortkomingen van Sion overweegt de rechtbank als volgt.\n\n5.21.. Bestuurder 1 heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij de door de onderaannemers in het administratieve systeem ingevoerde zorg bij de verzekeraars declareerde, zonder verdere controles uit te voeren. Verder is zij verschenen op het procesgesprek in mei 2019 en heeft zij gecorrespondeerd met de verzekeraars in verband met het materiële onderzoek dat de verzekeraars uitvoerden. Dat en op welke wijze Bestuurder 2 zich heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat Sion voldeed aan haar contractuele en wettelijke verplichtingen, is niet gesteld of gebleken.\n\n5.22.. Het lag op de weg van de bestuurders van Sion om ervoor te zorgen dat de door Sion ingediende declaraties in overeenstemming waren met de voorwaarden van de Betaalovereenkomst en dat tijdens de materiële controle de informatie zou worden aangeleverd die de zorgverzekeraars nodig hadden om de rechtmatigheid van de declaraties te kunnen controleren. Voor Bestuurder 1 moet duidelijk zijn geweest dat Sion door voormelde wijze van declareren van door onderaannemers ingevoerde zorg, geen zicht had op de juistheid en rechtmatigheid van die declaraties. Ook moet voor haar duidelijk zijn geweest dat het voor de verzekeraars door haar opstelling niet mogelijk was het materiële onderzoek uit te voeren. Bestuurder 2 is uit beeld gebleven en in januari 2019 afgetreden als bestuurder, terwijl uit haar toelichting ter zitting blijkt dat zij toen wist dat het onderzoek van de verzekeraars was aangekondigd. Ervan uitgaande dat Bestuurder 2 tot haar aftreden samen met Bestuurder 1 het beleid van Sion bepaalde, geldt hetgeen hiervoor over de wijze van declareren van door onderaannemers ingevoerde zorg over Bestuurder 1 is overwogen ook voor haar.\n\n5.23.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2 met hun handelwijze de verzekeraars hebben benadeeld en hiervan kan hen een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. De benadeling bestaat erin dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2:\n\nover het jaar 2017 zorgkosten hebben gedeclareerd voor onderaannemers van Sion terwijl zij wisten of behoorden te weten dat niet was voldaan aan de (contractuele en\u002Fof wettelijke) voorwaarden voor het declareren van (al) die zorg en dat daardoor op Sion een terugbetalingsverplichting zou komen te rusten. Sion heeft de juistheid of rechtmatigheid van de declaraties van de onderaannemers van Sion immers nooit gecontroleerd en;\n\ngeen dan wel onvoldoende medewerking hebben verleend aan het materiële onderzoek van de verzekeraars en ook daarmee hebben bewerkstelligd of toegelaten dat Sion haar contractuele en wettelijke verplichtingen niet is nagekomen.\n\n5.24.. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 waren ermee bekend of hadden ermee bekend moeten zijn dat onder de Betaalovereenkomst ingediende declaraties worden uitbetaald en dat daarover daarna mogelijk nog verantwoording moet worden afgelegd. Het gaat om publiek geld dat bestemd is voor de vergoeding van zorg. Dit brengt met zich mee dat op de bestuurders van een toegelaten zorginstelling een verantwoordelijkheid rust om over de ontvangen gelden rekening en verantwoording af te leggen. Deze verantwoordelijkheid kunnen Bestuurder 1 en Bestuurder 2 niet ontlopen door:\n\nerop te wijzen dat Sion de overeenkomst met DinZ is aangegaan onder de voorwaarde dat de onderaannemers zelf verantwoordelijk zouden zijn voor hun urenrapportages in de digitale omgeving (een afspraak die overigens niet uit de stukken blijkt) of;\n\nde bestuurstaak neer te leggen, zoals Bestuurder 2 heeft gedaan, zonder ervoor zorg te dragen dat het materiële onderzoek deugdelijk kon worden voortgezet of;\n\naan te voeren dat er in 2017 geen enkele aanwijzing was dat de onderaannemers hun taken niet naar behoren en volgens de gehanteerde normen zouden hebben vervuld of;\n\nerop te vertrouwen dat de verzekeraars hun controletaak adequaat uitvoeren bij initiële goedkeuring van de ingediende declaraties, zoals Bestuurder 1 zegt te hebben gedaan. De verzekeraars hebben onbetwist aangevoerd dat het, gezien de grote aantallen declaraties die zij verwerken, onmogelijk is om declaraties vóór uitbetaling daarvan te controleren. Het systeem van de Betaalovereenkomst behelst ook geen controle vooraf.\n\n5.25.. Bestuurder 1 spreekt zichzelf ook tegen door aan te voeren dat Sion niet beschikt over informatie over de onderaannemers en er tegelijk op te wijzen dat zij “alles op alles heeft gezet” en alle onderaannemers heeft aangeschreven met het verzoek Sion te helpen bij het verzoek van de verzekeraars. Als dit laatste werkelijk het geval is geweest, valt niet in te zien waarom Bestuurder 1 geen overzicht heeft verstrekt van de namen en e-mailadressen van de onderaannemers, waar de verzekeraars meermaals om hebben gevraagd in het kader van het materiële onderzoek.\n\n5.26.. Voor zover Bestuurder 1 heeft willen bepleiten dat haar als bestuurder van Sion niet kan worden verweten dat zij heeft toegelaten dat Sion niet heeft meegewerkt aan het materiële onderzoek, omdat DinZ in het kader van de bescherming van de privacy heeft geweigerd inzage te verlenen in de digitale omgeving, gaat de rechtbank hier ook aan voorbij. Een zorgverzekeraar mag persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid die voor een zorgverzekeraar noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de zorgverzekering of van de Zvw, gebruiken voor het verrichten van een materiële controle en mag deze persoonsgegevens gebruiken voor het uitoefenen van verhaalsrecht (artikel 7.1 Rzv). Voor zover daarover bij (Sion dan wel) Bestuurder 1 enige twijfel had kunnen bestaan, is in het Controleplan toegelicht dat Sion verschoond is van het medisch beroepsgeheim en zonder toestemming van de patiënt inzage kan geven in delen van het patiëntendossier die relevant zijn voor het controledoel op grond van (onder meer) artikel 86 tot en met 93a Zvw. Ook hebben de verzekeraars bevestigd dat zij zich houden aan de AVG en zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens. De verzekeraars hebben dit daarna nogmaals toegelicht. Voorts geldt dat, voor zover al sprake is van een weigerachtige houding van DinZ jegens Sion, dit de verzekeraars hoe dan ook niet regardeert: Sion is in zee gegaan met onderaannemers, maar dat ontslaat haar niet van haar wettelijke verplichtingen of contractuele verplichtingen jegens de verzekeraars.\n\n5.27.. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben verteld dat zij zelf ook werkzaam zijn geweest als zorgverlener en uren hebben geregistreerd in de digitale omgeving. Voor zover deze uren betrekking hadden op het jaar 2017 en de gedeclareerde bedragen, valt niet in te zien waarom Bestuurder 1 en Bestuurder 2 niet op zijn minst inzicht hebben gegeven in hun eigen gedeclareerde uren. De telefonische verzoeken die Sion volgens Bestuurder 1 van de verzekeraars heeft gehad om ruim 4 miljoen euro terug te betalen, hebben hen daartoe kennelijk ook niet kunnen aansporen.\n\n5.28.. Kortom, Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben als (oud)bestuurders van Sion toegelaten dat Sion haar verplichtingen jegens de verzekeraars heeft geschonden. Voor Bestuurder 1 en Bestuurder 2 moet voorzienbaar zijn geweest dat de verzekeraars een vordering op Sion zouden verkrijgen wegens onterechte of oncontroleerbare declaraties. Daarvan valt hen persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Geen redelijk denkend bestuurder had onder dezelfde omstandigheden kunnen veronderstellen dat Sion met de hiervoor beschreven handelwijze voldeed aan haar (contractuele en wettelijke) verplichtingen. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben niet bestreden dat zij wisten of behoorden te begrijpen dat Sion geen verhaal zou bieden bij een terugbetalingsvordering of vordering tot schadevergoeding en dat de verzekeraars als gevolg van hun handelen schade zouden lijden. De verzekeraars kunnen daarom Bestuurder 1 en Bestuurder 2 ook aanspreken voor de door hen geleden schade.\n\nDe verzekeraars kunnen zich ook verhalen op de twee oud-commissarissen\n\n5.29.. De verzekeraars stellen dat Commissaris 1 en Commissaris 2 ook persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat zij door hun handelwijze als commissarissen van Sion zelfstandig onrechtmatig hebben gehandeld en\u002Fof onrechtmatig hebben gehandeld in groepsverband. De verzekeraars hebben uiteengezet dat Commissaris 1 en Commissaris 2 hun taken als commissarissen van Sion grovelijk hebben verwaarloosd en dat door hun handelen samen met Sion, Bestuurder 1 en Bestuurder 2, het risico op schade voor de verzekeraars is vergroot.\n\n5.30.. Commissaris 1 en Commissaris 2 hebben betwist dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan tekortschieten of het verwaarlozen van hun taak. Commissaris 1 en Commissaris 2 hebben er daarnaast op gewezen dat zij uit functie waren toen de vordering jegens hen werd ingesteld en dat de voorafgaande correspondentie van de verzekeraars uitsluitend was gericht aan Sion en\u002Fof Bestuurder 1.\n\n5.31.. Commissarissen kunnen (intern) jegens de vennootschap (artikel 2:9 BW) of (extern) jegens derden (artikel 6:162 BW) aansprakelijk zijn als zij hun taak niet naar behoren hebben vervuld en hen hiervan persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, in die zin dat geen redelijk denkend commissaris onder dezelfde omstandigheden zo gehandeld zou hebben. Of sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.32.. Blijkens (artikel 9.10 en 9.11 van) de akte van oprichting van Sion (r.o. 3.1) hebben de commissarissen van Sion, kort gezegd, tot taak het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de zorgorganisatie als maatschappelijke onderneming en het geven van advies aan het bestuur. Bij het vervullen van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De commissarissen zijn bevoegd de boeken en bescheiden van de vennootschap in te zien en kunnen zich bij de uitoefening van hun taak laten bijstaan door deskundigen. Het bestuur en de commissarissen passen de Zorgbrede Governancecode toe. De commissarissen houden toezicht op onder meer:\n\nde realisatie van de statutaire en andere doelstellingen van de zorgorganisatie;\n\nde strategie en risico’s verbonden aan de activiteiten van de zorgorganisatie;\n\nde kwaliteit en veiligheid van zorg;\n\nde naleving van wet- en regelgeving;\n\nhet op passende wijze uitvoering geven aan de maatschappelijke doelstelling en verantwoordelijkheid van de zorgorganisatie. De commissarissen bespreken minimaal eenmaal per jaar de strategie en voornaamste risico’s verbonden aan de zorgorganisatie.\n\n5.33.. Commissaris 1 en Commissaris 2 moesten zich bij de vervulling van hun taak als commissaris van Sion richten naar het belang van de zorgorganisatie als maatschappelijke onderneming en moesten de daartoe in aanmerking komende belangen van de bij de zorgorganisatie betrokkenen afwegen. Commissarissen hebben een eigen verantwoordelijkheid om van het bestuur alle informatie te verlangen om hun taak als toezichthouder goed te kunnen uitoefenen. Dat Commissaris 1 en Commissaris 2 langs deze lijnen invulling hebben gegeven aan hun taak, blijkt nergens uit.\n\n5.34.. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat Commissaris 1 en Commissaris 2 het bestuur van Sion voldoende hebben gecontroleerd en tijdig (mogelijke) problemen binnen de zorgaanbieder hebben aangepakt. Commissaris 1 heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat zij wel eens bij Sion op kantoor was en dan van de bestuurders te horen kreeg dat alles goed ging. Zij had er alle vertrouwen in dat het goed ging en keek niet in de administratie. Op het moment dat Commissaris 1 aftrad als commissaris van Sion, was zij ervan op de hoogte dat de verzekeraars de rechtmatigheid van de uitbetaalde declaraties over 2017 wilden onderzoeken. Dit, samen met het aftreden van Bestuurder 2, waren redenen om ermee te stoppen, aldus Commissaris 2 ter zitting.\n\n5.35.. Hieruit is niet anders af te leiden dan een passieve houding van de(ze) commissarissen. Daarmee hebben Commissaris 1 en Commissaris 2 onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij niet hebben voldaan aan hun taakvervulling, zoals de verzekeraars hebben gesteld en onderbouwd. Commissaris 1 en Commissaris 2 hadden voorts adequater moeten reageren toen zij eenmaal bekend werden met het feit dat de verzekeraars de rechtmatigheid van de declaraties over 2017 wilden onderzoeken, temeer toen duidelijk werd dat Sion mogelijk een zeer aanzienlijk bedrag moest terugbetalen. In plaats daarvan hebben zij zich afzijdig gehouden en niets van zich laten horen, zelfs niet toen zij persoonlijk (hoofdelijk) werden aangesproken. Kortom, het toezicht van Commissaris 1 en Commissaris 2 op het bestuur van Sion heeft gefaald en eenmaal afgetreden hebben zij sterke risicosignalen genegeerd waardoor voor hen voorzienbaar was dat de verzekeraars een vordering op Sion zouden verkrijgen die Sion mogelijk niet zou kunnen voldoen. Deze vordering betreft de periode waarin Commissaris 1 en Commissaris 2 commissarissen van Sion waren. Van dit alles valt Commissaris 1 en Commissaris 2 persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Geen redelijk denkend commissaris had onder dezelfde omstandigheden immers kunnen veronderstellen dat (het bestuur van) Sion voldeed aan haar (contractuele en wettelijke) verplichtingen of dat de wijze waarop Commissaris 1 en Commissaris 2 invulling gaven aan hun rol als commissarissen recht deed aan hun toezichthoudende taken en verplichtingen. Dit betekent dat de verzekeraars ook Commissaris 1 en Commissaris 2 kunnen aanspreken voor de door hen geleden schade.\n\nHoeveel moet worden terugbetaald c.q. wat is de omvang van de schade?\n\n5.36.. \n\nDe verzekeraars vorderen terugbetaling van primair het totaalbedrag dat zij aan Sion hebben betaald, derhalve € 4.143.669,24, en subsidiair het bedrag dat Sion in vergelijking met het landelijk gemiddelde in 2017 meer in rekening heeft gebracht, te weten\n\n€ 4.143.669,24 -\u002F- (€ 4.143.669,24 \u002F 3,4 =) € 1.218.726,24, derhalve € 2.924.942,99.\n\n5.37.. Zelfs als komt vast te staan dat Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Betaalovereenkomst, rechtvaardigt dit volgens Sion c.s. geen volledige terugvordering van de gedeclareerde bedragen c.q. vergoeding van deze volledige bedragen als schadevergoeding. Sion c.s. bestrijdt dat Sion helemaal geen aanspraak had op vergoeding van de over 2017 gedeclareerde zorg en voert aan dat die zorg daadwerkelijk is verleend door Bestuurder 1, Bestuurder 2 en de onderaannemers als zorgverleners. Sion heeft de van de verzekeraars ontvangen bedragen doorbetaald aan de betreffende zorgverleners, bij de onderaannemers met inhouding van een met hen overeengekomen vergoeding van 1%. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\n5.38.. Op grond van het door de verzekeraars uitgevoerde onderzoek in haar eigen administratie, moet het ervoor worden gehouden dat Sion over het jaar 2017 te veel heeft gedeclareerd. Dat Sion in het jaar 2017 in het geheel geen zorg heeft gedeclareerd die voor vergoeding door de verzekeraars in aanmerking kwam - en het totaalbedrag van de betaalde declaraties dus onverschuldigd zou zijn betaald - is onvoldoende onderbouwd. Door de houding van Sion c.s. tijdens de materiële controle van de zorgverzekeraars en ook in de onderhavige procedure is het voor de verzekeraars echter niet mogelijk om hun standpunt ter zake de onverschuldigde betaling nader te onderbouwen of te bewijzen welke declaraties wel en welke declaraties niet onverschuldigd zijn betaald. Een concrete betwisting door Sion c.s. van het standpunt van de verzekeraars op patiënt- of dossierniveau is immers uitgebleven. Bij die stand van zaken mogen de verzekeraars hun schade begroten op basis van een schatting op grond van gemiddelden. De verzekeraars hebben dat ook gedaan in hun subsidiair geformuleerde vordering. Sion c.s. bestrijdt niet dat Sion over het jaar 2017 ten opzichte van het landelijk gemiddelde 3,4 maal zoveel in rekening heeft gebracht en dat het verschil neerkomt op het door de verzekeraars berekende bedrag van € 2.924.942,99. De rechtbank zal dit subsidiair gevorderde bedrag daarom als onvoldoende gemotiveerd betwist toewijzen. Sion moet dit bedrag terugbetalen omdat betaling daarvan door de verzekeraars als onverschuldigd wordt aangemerkt. Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 moeten dit bedrag aan Sion betalen als schadevergoeding, veroorzaakt door hun onrechtmatig handelen in hun hoedanigheid van bestuurders respectievelijk commissarissen van Sion.\n\n5.39.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nGeen matiging\n\n5.40.. Sion en Bestuurder 1 hebben betoogd dat een aan de verzekeraars terug te betalen bedrag, althans een te betalen schadevergoeding, moet worden gematigd. Het terugvorderen van het volledige bedrag is volgens hen disproportioneel en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Sion en Bestuurder 1 zijn ook niet in staat dit bedrag te betalen. Volgens de verzekeraars is er geen grond voor matiging. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\n5.41.. In artikel 6:109 lid 1 BW is bepaald dat de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen als toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Deze bepaling moet worden beschouwd als een bijzondere toepassing van de regeling van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 2 BW). De in artikel 6:109 BW neergelegde maatstaf noopt de rechter ertoe met terughoudendheid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om te matigen.\n\n5.42.. De rechtbank onderkent dat toewijzing van de vordering tot vergoeding van het hiervoor vastgestelde bedrag grote financiële gevolgen zal hebben voor Sion en Bestuurder 1 (evenals voor Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2). Voor de vraag of in het onderhavige geval ruimte is voor matiging, acht de rechtbank anderzijds van belang dat Sion en Bestuurder 1 zelf in de hand hebben gehad dat zij in deze situatie zijn beland. Sion en Bestuurder 1 wisten, of hadden moeten weten, waartoe Sion als toegelaten zorginstelling en contractspartij van de verzekeraars verplicht was, wat er van haar werd verwacht en wat de mogelijke consequenties zouden zijn als zij niet zou voldoen aan haar verplichtingen. Toch hebben zij de door haar onderaannemers ingediende declaraties nooit gecontroleerd en niet (voldoende) meegewerkt aan het materiële onderzoek van de verzekeraars. Het is daarom aan Sion en Bestuurder 1 zelf te wijten dat een groot deel van de over 2017 gedeclareerde bedragen moet worden terugbetaald. Dat Bestuurder 1 persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is bovendien een contra-indicatie voor matiging. Matiging van het door Sion aan de verzekeraars terug te betalen bedrag, althans de te vergoeden schade, is onder deze omstandigheden niet op zijn plaats en het beroep daarop zal dan ook worden verworpen.\n\nWettelijke rente\n\n5.43.. De verzekeraars vorderen ook betaling van wettelijke rente over het onverschuldigd betaalde bedrag c.q. de schade, met ingang van 1 januari 2018. De rechtbank constateert dat de zaak bij de verzekeraars op verschillende momenten sinds oktober 2019 heeft stilgelegen. Ter zitting is namens de verzekeraars toegelicht dat dat een kwestie van prioritering is geweest. De rechtbank is van oordeel dat het ruimte tijdsverloop (mede) door de eigen keuzes van de verzekeraars, in combinatie met het aanzienlijke bedrag van de vordering in dit geval niet ten nadele van Sion c.s. moet komen. De rechtbank zal daarom wettelijke rente toewijzen met ingang van de dag van de (eerste) dagvaarding, te weten 22 april 2025.\n\nProceskosten\n\n5.44.. Sion c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de verzekeraars worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaardingen\n\n€\n\n611,25\n\n(5 x € 122,25)\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n16.912,25\n\n5.45.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.46.. De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nveroordeelt Sion c.s. hoofdelijk om aan de verzekeraars te betalen een bedrag van\n\n€ 2.924.942,99, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 april 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.2.. veroordeelt Sion c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 16.912,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Sion c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt Sion c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.\n\n Type: 2513.\n\n De rechtbank constateert dat de verzekeraars er kennelijk voor hebben gekozen de derde commissaris van Sion (r.o. 3.3) niet aansprakelijk te stellen.\n\n DinZ is de (software)leverancier van Sion. DinZ stelt in die rol een digitale omgeving beschikbaar aan Sion, waarin de onderaannemers van Sion per cliënten(zorg)dossier hun uren bijhouden. Op basis hiervan dient Sion vervolgens declaraties in bij de verzekeraars, die deze declaraties betalen aan Sion op grond van de Betaalovereenkomst.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5069","2026-03-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:11.794Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":77,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":53,"updatedAt":80},"522","ECLI:NL:RBDHA:2024:1251","ecli-nl-rbdha-2024-1251","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F1437\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\nen\n\nde Belastingdienst\u002FToeslagen, verweerder\n\n(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling en de terugvordering van de zorgtoeslag over 2020.\n\n1.1. \n\nVerweerder heeft de zorgtoeslag met het primaire besluit van 9 oktober 2021 definitief vastgesteld op € 1.163 en € 87 van eiseres teruggevorderd. Met het besluit van\n\n16 maart 2022 heeft verweerder de bezwaren van eiseres afgewezen.\n\n1.2. Op 27 december 2022 heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit) en de bezwaren van eiseres wederom afgewezen.\n\n1.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [naam 3] en [naam 1] . De rechtbank heeft de behandeling ter zitting vervolgens geschorst. De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2024. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder. Eiseres is, na afwijzing van haar verzoek om uitstel van de zitting, met voorafgaande mededeling niet verschenen. Eiseres heeft vóór de zitting pleitnotities ingebracht en deze zijn ter zitting besproken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft over het jaar 2020 een voorschot zorgtoeslag ontvangen op basis van een geschat inkomen van € 12.313. Op 26 mei 2021 heeft verweerder vanuit de Basisregistratie Inkomensgegevens (BRI) een melding gekregen dat het inkomen van eiseres voor het jaar 2020 € 22.070 bedraagt. In het primaire besluit is verweerder voor de zorgtoeslag daarom uitgegaan van een toetsingsinkomen in 2020 van € 22.070. Verweerder heeft op basis daarvan de zorgtoeslag definitief berekend en het teveel ontvangen voorschot over 2020 teruggevorderd.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n3. Eiseres stelt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, dat verweerder niet alle relevante informatie heeft verstrekt en daardoor zijn zorgplicht om haar voldoende te informeren heeft geschonden, dat verweerder geen rekening heeft gehouden met haar omstandigheden en dat verweerder ten onrechte kwijtschelding van de terugvordering niet heeft overwogen.\n\nWat vindt verweerder in beroep?\n\n4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen ruimte heeft om af te wijken van het toetsingsinkomen zoals dit volgt uit de BRI. Daarnaast stelt verweerder dat de hoorplicht niet is geschonden, dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, dat de zorgplicht niet is geschonden en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de terugvordering te matigen.\n\nNader stuk\n\n5. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op 25 januari 2024 een emailbericht van eiseres ontvangen. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Bij de beoordeling van het geschil is dit stuk dan ook buiten beschouwing gelaten.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. Eiseres heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het beroep. Omdat uit het dossier niet blijkt dat het inkomen van eiseres ontoereikend zou kunnen zijn om het griffierecht te kunnen betalen en onbekend is of zij over vermogen beschikt, heeft de rechtbank eiseres ter zitting van\n\n18 juli 2023 gevraagd om het beroep op betalingsonmacht met nadere stukken te onderbouwen. Eiseres heeft na die zitting echter geen nadere stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van betalingsonmacht. Hoewel de rechtbank de bevoegdheid heeft om onder die omstandigheden het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens niet betalen van het griffierecht, ziet de rechtbank aanleiding om in het kader van finale geschilbeslechting het beroep toch inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank wijst eiseres er wel op dat zij in het vervolg haar beroep op betalingsonmacht wel moet onderbouwen met (financiële) bewijsstukken.\n\n7. Eiseres stelt dat de hoorplicht is geschonden, nu zij niet is gehoord op een hoorzitting. De rechtbank leidt uit gedingstuk 28.3 af dat op 3 oktober 2022 met eiseres de afspraak is gemaakt dat zij, na ontvangst van de dossierstukken, contact zou opnemen met verweerder voor het maken van een afspraak voor een hoorzitting. De relevante op de zaak betrekking hebbende stukken zijn vervolgens bij brief van 14 oktober 2022 aan eiseres verstuurd. Verweerder heeft eiseres tevens verzocht om binnen twee weken na dagtekening van die brief telefonisch contact op te nemen voor het inplannen van de hoorzitting. In de brief heeft verweerder ook vermeld dat het gesprek in het Nederlands dient te worden gevoerd en heeft hij eiseres verzocht om, indien zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig is, zorg te dragen voor een tolk of iemand aan te stellen die haar kan ondersteunen tijdens de hoorzitting. Eiseres heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van verweerder om telefonisch contact op te nemen voor het maken van een afspraak. Wel heeft zij verweerder bij brief van 28 oktober 2022 laten weten dat zij gehoord wil worden en verzocht om in het Engels te worden gehoord. Verweerder heeft eiseres vervolgens met dagtekening 15 november 2022 uitgenodigd voor een telefonisch hoorgesprek op\n\n18 november 2022 om 10.00 uur. Op 17 november 2022 heeft eiseres telefonisch aan verweerder meegedeeld dat zij hem op 18 november 2022 niet te woord kan staan. Bij brief van 25 november 2022 heeft eiseres verweerder laten weten dat de brief van\n\n15 november 2022 haar niet heeft bereikt en dat zij tot januari 2023 niet beschikbaar is voor correspondentie. Bij brief van 9 december 2022 heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om vóór 19 december 2022 telefonisch een nieuwe afspraak te maken om haar bezwaar mondeling toe te lichten. In deze brief heeft verweerder voorts vermeld dat hij, ingeval hij geen reactie van eiseres ontvangt, het bezwaarschrift zal afhandelen zonder de mondelinge toelichting van eiseres. Eiseres heeft echter geen gehoor gegeven aan dit verzoek van verweerder. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende ingespannen om eiseres te horen. Ook hoefde verweerder eiseres niet in het Engels te horen en heeft hij eiseres voldoende voorgelicht over de wijze waarop zij, indien zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, toch kon worden gehoord. Dat eiseres van de haar geboden mogelijkheden om te worden gehoord geen gebruik heeft gemaakt, leidt onder deze omstandigheden niet tot de conclusie dat sprake is van schending van de hoorplicht.\n\n8. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Niet gebleken is dat verweerder mededelingen heeft gedaan op basis waarvan eiseres er op heeft mogen vertrouwen dat verweerder van het terugvorderen van de zorgtoeslag zou afzien en een proceskostenvergoeding zou toekennen. De informatie als vermeld in de gespreksnotitie van 8 september 2022 en in de brief van 15 september 2022 behelst geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van die strekking. Uit die stukken blijkt enkel dat de bewijsstukken van eiseres eerst beoordeeld zouden moeten worden.\n\n9. De rechtbank overweegt verder dat verweerder geen zorgplicht tot informatieverstrekking heeft in het geval dat sprake is van onvoldoende kennis van de regelgeving. Een informatieplicht waarbij verweerder eiseres van alle relevante regelgeving had moeten voorzien en informatie had moeten verstrekken over eventuele schade, is niet wettelijk vastgelegd. Verweerder was daarom niet gehouden om de door eiseres gevraagde stukken op te sturen. Nog afgezien daarvan heeft verweerder in de correspondentie richting eiseres en in het bestreden besluit voldoende onderbouwd op basis van welke regelgeving haar recht op zorgtoeslag is herzien en teruggevorderd. De rechtbank is niet gebleken van strijd met het motiveringsbeginsel. Feiten waaruit overigens kan volgen dat verweerder heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zijn niet gesteld.\n\n10. Doordat er dus een verschil is tussen het opgegeven geschatte toetsingsinkomen en het daadwerkelijke toetsingsinkomen, heeft eiseres een te hoog bedrag aan voorschotten ontvangen. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is het uitgangspunt dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Verweerder kan van volledige terugvordering afzien, indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn ten opzichte van de met die terugvordering te dienen doelen. Verweerder moet bij het besluit tot terugvordering op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen.\n\n11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel. Het doel van de terugvordering omschrijft verweerder als de rechtmatige besteding van publieke middelen. In het Verzamelbesluit Toeslagen van 1 juli 2022 (nr. 2022-21478; het Verzamelbesluit), is het beleid rondom het matigen van de terugvordering van toeslagen opgenomen. Hierin is opgenomen dat alleen bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen gehele terugvordering en dat als dergelijke omstandigheden zich voordoen en gehele terugvordering onevenredig is, verweerder kan afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering kan matigen. In het Verzamelbesluit zijn voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen en is vermeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijk voor het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Dat is het geval in de situatie van eiseres. Door de nabetaling is het daadwerkelijke inkomen over het jaar 2020 hoger uitgevallen dan het eerder geschatte inkomen. Dat de nabetaling in het jaar 2020 heeft plaatsgevonden, maakt volgens verweerder dus niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd, zijn bijzondere omstandigheden ook overigens niet gebleken. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien of deze te matigen.\n\n12. Voor zover eiseres stelt dat verweerder had moeten beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor kwijtschelding, overweegt de rechtbank dat voor de door eiseres gevraagde kwijtschelding geen wettelijke basis bestaat. De rechtbank wijst eiseres hierbij op het bepaalde in artikel 31bis van de Awir, waarin is bepaald dat verweerder het bedrag van een terugvordering niet geheel of gedeeltelijk kan kwijtschelden. De rechtbank begrijpt heel goed dat de uitkomst in deze procedure voor eiseres onredelijk voelt, maar het wettelijk systeem laat nu eenmaal geen andere uitkomst toe.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. A. Badermann, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op\n\n8 februari 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:1251","2024-02-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.634Z",20]