[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-immigration-detention-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":72,"limit":73},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},45,"immigration-detention-nl","Immigration Detention","NL","2026-07-08T16:53:39.887Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2026-04-22T00:00:00.000Z","2026-06-11T00:00:00.000Z",[],[22,33,41,49,57,65],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1798","ECLI:NL:RBDHA:2026:17164","ecli-nl-rbdha-2026-17164","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.28974 en NL26.30997\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\n(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 21 mei 2026 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R. Poyraz, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1978.\n\nOver bestreden besluit 1 (de zaak bekend onder nummer NL26.30997)\n\n2. In het terugkeerbesluit heeft verweerder vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op\n\nvreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;\n\n en als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van\n\nhet Vb 2000 heeft gehouden;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3. Allereerst wordt vastgesteld dat de gronden waarop het terugkeerbesluit berust niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichten gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en deze gronden kunnen het besluit dan ook dragen.\n\n4. De rechtbank volgt het betoog van eiser niet dat het terugkeerbesluit ondeugdelijk is gemotiveerd en onvoldoende concreet is ten aanzien van het land van terugkeer. Op 21 mei 2026 heeft verweerder een terugkeerbesluit genomen waarin als land\u002Fgebied van herkomst de Westelijke Sahara is opgenomen naar aanleiding van eisers eigen verklaringen en daarbij is tevens de Algerijnse nationaliteit van eiser vermeld. Mede omdat de Westelijke Sahara geen erkend land is, is op 28 mei 2026 een aanvullend terugkeerbesluit genomen met als aangewezen landen voor terugkeer Algerije en Marokko. De rechtbank is van oordeel dat uit het terugkeerbesluit van 21 mei 2026 mede door de daarin genoemde nationaliteit al voldoende duidelijk bleek op welk land het is gericht. Anders dan eiser en verweerder menen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen sprake was van een gebrek. In het aanvullend terugkeerbesluit van 28 mei 2026 heeft verweerder dit nader geconcretiseerd en daarnaast ook Marokko genoemd als land waarnaar eiser mogelijk uitgezet kan worden. Verweerder heeft ook bij beide landen een aanvraag voor een laissez-passer (lp) gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zowel het oorspronkelijke als het aanvullend terugkeerbesluit rechtmatig zijn.\n\nOver bestreden besluit 2 (de zaak bekend onder nummer NL26.28974)\n\n5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft dit op dezelfde gronden gebaseerd als hiervoor onder overweging 2 zijn genoemd.\n\n6. De gemachtigde van eiser betwist de zware gronden 3b en 3d die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring. Daarbij is er onvoldoende zicht op uitzetting. Eiser verblijft inmiddels bijna een maand in bewaring en er is nog geen concrete voortgang zichtbaar ten aanzien van eisers uitzetting. Zolang een deugdelijke grondslag voor de lp-procedure ontbreekt is aannemelijk dat uitzetting niet binnen een redelijk termijn kan worden gerealiseerd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de zware grond onder 3a en 3i, en de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarvoor gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. Gelet hierop behoeven de door eiser bestreden gronden geen bespreking meer.\n\n8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de verwijdering uit Nederland, dan wel dat zicht op uitzetting ontbrak. Op 21 mei 2026 is eiser op de onderhavige grondslag in bewaring gesteld. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft gesteld is verweerder niet gehouden om uitzettingshandelingen te verrichten in de periode dat eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 in bewaring verbleef. Op 1 juni 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden, op 2 juni 2026 is de lp-aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten verzonden en de lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten zal zo spoedig mogelijk worden ingediend omdat de aanvraag moet worden voorzien van dactyloscopische gegevens. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat eiser op 3 juni 2026 heeft geweigerd om zijn vingerafdrukken te laten afnemen. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank acht ten aanzien van het zicht op uitzetting van belang dat voor Marokko en Algerije in zijn algemeenheid wordt aangenomen dat daarvan sprake is. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden om daar in het geval van eiser anders over te oordelen mede gelet op het feit dat niet is gebleken dat de Algerijnse of Marokkaanse autoriteiten de aanvraag niet in behandeling zullen nemen. 10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toepassing en het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.Over de beroepen\n\n11. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\n De rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17164","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:39.444Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1489","ECLI:NL:RBDHA:2026:17228","ecli-nl-rbdha-2026-17228","2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.27730\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 8 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.\n\nEiser heeft hierop gereageerd.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 april 2026 (in de zaak NL26.17101 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n3. De gemachtigde van eiser voert aan dat er geen reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. Op 12 september 2025 is een laissez-passer (lp) verzoek ingediend bij de Nepalese autoriteiten en vervolgens is eiser op 21 april 2026 in persoon gepresenteerd. Op 8 mei 2026 is aan verweerder teruggekoppeld dat het aangeleverde kopie document in Kathmandu zal worden onderzocht op echtheid. Dit is vreemd aangezien een kopie niet op echtheid kan worden onderzocht. De autoriteiten kunnen wel de informatie van de kopie op echtheid checken, maar niet valt in te zien waarom dit pas na acht maanden na het indienen van het lp-verzoek gebeurt. Vervolgens heeft verweerder op 15 mei 2026 gerappelleerd. Eiser voert voorts aan dat een belangenafweging moet worden gemaakt, die in het voordeel van eiser moet uitvallen, gelet op de duur van de detentie. Eiser is weliswaar op 8 september 2025 op onderhavige maatregel in bewaring gesteld, maar hij verblijf al sinds 7 juli 2025, dus al 10,5 maanden, in bewaring.\n\n4. De rechtbank overweegt het volgende.\n\n5. Uit de voortgangsrapportage van 18 mei 2026 blijkt dat verweerder maandelijks schriftelijk bij de Nepalese autoriteiten heeft geïnformeerd naar de voortgang van de behandeling van het lp-verzoek, laatst op 15 mei 2026. Op 21 april 2026 heeft een presentatie in persoon plaatsgevonden. Niet is gebleken dat de Nepalese autoriteiten de aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Zo blijkt uit de voortgangsrapportage dat de DIAvan de consul heeft vernomen dat de aangeleverde kopie documenten in onderzoek loopt bij de autoriteiten in Kathmandu en zodra de consul daarop ontvangt heeft dit wordt doorgegeven. Verweerder is voor de afgifte van een lp afhankelijk van de werkwijze van de betreffende autoriteiten. De rechtbank ziet dan ook op dit moment onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er geen reëel zicht op uitzetting is.\n\n6. Daarnaast heeft verweerder meermaals vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatst op 23 april 2026. Hoewel op eiser de verplichting rust om zijn volledige en actieve medewerking aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit te verlenen, heeft hij tot nog toe geen enkele aantoonbare actie ondernomen om dit onderzoek te bespoedigen. Nu eiser niet aan zijn meewerkplicht voldoet, kan volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering reeds daarom worden aangenomen.\n\n7. In de omstandigheid dat eiser al 10,5 maanden in detentie zit, ziet de rechtbank geen aanleiding een belangenafweging in het voordeel van eiser te laten uitvallen, zeker gelet op het hiervoor onder 6. overwogen. Deze grond slaagt dus niet.\n\n8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Directie Internationale Aangelegenheden\n\n Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17228","2026-07-13T00:29:23.532Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"1454","ECLI:NL:RBDHA:2026:17226","ecli-nl-rbdha-2026-17226","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.27243\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. A. Jankie),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 25 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 april 2026 (in de zaak NL26.17370) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n3. De gemachtigde van eiser voert aan dat eiser sinds 25 maart 2026 op de onderhavige grondslag in bewaring verblijft maar al vanaf 24 januari 2026 in bewaring. Eiser is kwetsbaar, er is geen voortgang in de uitzettingshandelingen en er is ook geen zicht op uitzetting.\n\n4. De rechtbank overweegt het volgende.\n\n5. De rechtbank stelt ten eerste vast dat zij op 16 april 2026 (in de zaak NL26.17370) al uitspraak heeft gedaan op de beroepsgrond betreffende het lichter middel. Nu eiser niet heeft aangetoond dat er sinds de laatste uitspraak reden is om deze grond opnieuw te toetsen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak met zaaknummer NL26.17370 voor bespreking ervan.\n\n6. De rechtbank merkt ten tweede op dat eiser van de periode 24 januari 2026 tot de omzetting op 25 maart 2026, in bewaring was gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 26 januari 2018en 12 september 2019volgt dat bij een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000, zicht op uitzetting geen voorwaarde is. Daaruit volgt dat verweerder bij een bewaring krachtens deze bepaling niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten. Pas vanaf de omzetting naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 op 25 maart 2026 is verweerder gehouden om voortvarend te werken aan de uitzetting.\n\n7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende\n\nvoortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Uit de voortgangsrapportage van 18 mei 2026 blijkt verder dat verweerder op 12 februari 2026 een laissez-passer (lp) heeft aangevraagd bij de autoriteiten van India. Verweerder heeft daarna maandelijks schriftelijk bij de Indiase autoriteiten geïnformeerd naar de voortgang van de behandeling van het lp-verzoek, laatst op 15 mei 2026. Niet is gebleken dat de Indiase autoriteiten de aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Daarbij blijkt uit de voortgangsrapportage dat een presentatie stond gepland voor 22 april 2026, maar dat eiser niet is verschenen. Uit het vertrekgesprek van 12 mei 2026 volgt dat eiser niet is verschenen, omdat hij een video wilde zien over hoe een presentatie met de consul zou kunnen gaan.\n\n8. Daarnaast heeft verweerder meermaals vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatst op 12 mei 2026. Hoewel op eiser de verplichting rust om zijn volledige en actieve medewerking aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit te verlenen, heeft hij tot nog toe geen enkele aantoonbare actie heeft ondernomen om dit onderzoek te bespoedigen. Nu eiser niet aan zijn meewerkplicht voldoet, kan volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering reeds daarom worden aangenomen.\n\n9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:271, r.o. 6.1.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2019 ECLI:NL:RVS:2019:3139.\n\n Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17226","2026-07-13T00:29:21.902Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":54,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":56},"1432","ECLI:NL:RBDHA:2026:17212","ecli-nl-rbdha-2026-17212","2026-05-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.21113\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. V. Senczuk),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 30 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.\n\nEiser heeft hierop gereageerd.\n\nVerweerder heeft op 20 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 maart 2026 (in de zaak bekend onder nummer NL26.9827) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n3. De gemachtigde van eiser voert aan dat eiser al sinds 22 mei 2025 aaneengesloten in bewaring verblijft. De duur maakt dat de belangen van eiser zwaarder dienen te wegen dan de belangen van verweerder. Op 16 april 2026 heeft de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielberoep ongegrond verklaard. Verweerder heeft vervolgens pas op 20 april 2026 de maatregel opgeheven en de omzetting heeft dan ook niet tijdig plaatsgevonden.\n\n4. De rechtbank overweegt het volgende.\n\n5. Ten aanzien van de lange duur van de bewaring merkt de rechtbank op dat zij in de uitspraak van 12 maart 2026 al heeft overwogen dat deze mede aan eiser zelf is te wijten omdat hij eerst vlak voor het geplande vertrek een asielaanvraag heeft gedaan terwijl hij al sinds 22 mei 2025 in bewaring verbleef. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu tot een ander oordeel te komen.\n\n6. Op 30 januari 2026 is aan eiser de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw 2000 opgelegd. Bij besluit van 12 februari 2026 heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag bij uitspraak van 16 april 2026 ongegrond verklaard. Vervolgens moet de grondslag van de bewaringsmaatregel voortvarend worden omgezet, om te voorkomen dat de vreemdeling in detentie wordt gehouden op basis van een wettelijke grondslag die niet op hem van toepassing is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdelingdient de omzetting van de bewaringsmaatregel binnen twee dagen plaats te vinden. In dit geval is de maatregel niet uiterlijk 18 april 2026, maar pas op 20 april 2026 opgeheven en omgezet naar een nieuwe maatregel. Dat is dus niet binnen de termijn van twee dagen. Het beroep is dan ook gegrond.\n\n7. De rechtbank kent eiser daarom een schadevergoeding toe vanaf 16 april 2026 tot aan 20 april 2026. Het bedrag aan schadevergoeding komt dus neer op 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.\n\n8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het (in plaats van een fysieke zitting) voeren van een schriftelijke procedure, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6279.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17212","2026-07-13T00:29:20.765Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":31,"updatedAt":64},"326","ECLI:NL:RBDHA:2026:9772","ecli-nl-rbdha-2026-9772","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.18989\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. B. Pattiata).\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n1.2.. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat eiser beroep heeft ingesteld met hetzelfde v-nummer als zijn broer. Dit v-nummer staat ook in eisers asielbeschikking. Echter, in het bestreden besluit, het nader gehoor en het voornemen van eiser staat [V-nummer]. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit het juiste v-nummer is.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn broer zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Sareen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n2. Eiser stelt [naam] te heten, te zijn geboren in [maand] 2009 en de Afghaanse nationaliteit te hebben.\n\n3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n4. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\n5. Eiser voert aan hij ten onrechte in grensdetentie zit. Eiser was het Schengengebied namelijk al binnen. Dat blijkt uit het feit dat hij onderweg naar de gate met een nationaal paspoort van [land] binnen Schiphol de grenscontrole is gepasseerd. Daarnaast voert eiser aan dat zijn belangen zwaarder wegen dan het grensbewakingsbelang. Eiser wilde samen met zijn broer en zijn vader uitreizen. Zij hebben er, onder meer gelet op de leeftijd van zijn vader, belang bij om bij elkaar te blijven. Eisers vader werd echter uit vreemdelingenbewaring vrijgelaten vanwege een vermeende TBC-bestemming. Eisers vader bleek niet besmet te zijn, maar hij is nu wel gescheiden van zijn zoons en de asielaanvragen van eiser en zijn vader lopen niet meer synchroon. Dit, terwijl eisers vader afhankelijk is van zijn zoons.\n\n6. De rechtbank overweegt als volgt.\n\n7. Niet in geschil is dat eiser met een nationaal paspoort van [land] de paspoortcontrole op Schiphol is gepasseerd. Volgens vaste jurisprudentie is eiser daardoor het Schengengebied uitgereisd.Dat betekent dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend aan de buitengrens van het Schengengebied, terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Naar het oordeel van de rechtbank wordt onder deze omstandigheden in beginsel voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.\n\n8. Verder vereist het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in zeer bijzondere gevallen afgeweken.Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De wens van eiser om bij zijn vader te blijven is begrijpelijk en de rechtbank ziet dat het eiser zwaar valt om van zijn vader gescheiden te zijn. Daarmee is echter nog geen sprake van een zeer bijzonder geval. Het is namelijk niet gebleken dat eiser en zijn vader zo afhankelijk van elkaar zijn dat verweerder het grensbewakingsbelang moet opheffen om eiser bij zijn vader te kunnen laten verblijven. Eiser heeft dit standpunt onvoldoende concreet onderbouwd.\n\n9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is,ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24417.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799..\n\n Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9772","2026-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.545Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":69,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":31,"updatedAt":71},"327","ECLI:NL:RBDHA:2026:9773","ecli-nl-rbdha-2026-9773","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.18986\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. B. Pattiata).\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn broer zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Sareen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n2. Eiser stelt [naam] te heten, te zijn geboren in [maand] 2010 en de Afghaanse nationaliteit te hebben.\n\n3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n4. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\n5. Eiser voert aan hij ten onrechte in grensdetentie zit. Eiser was het Schengengebied namelijk al binnen. Dat blijkt uit het feit dat hij onderweg naar de gate met een nationaal paspoort van India binnen Schiphol de grenscontrole is gepasseerd. Daarnaast voert eiser aan dat zijn belangen zwaarder wegen dan het grensbewakingsbelang. Eiser wilde samen met zijn broer en zijn vader uitreizen. Zij hebben er, onder meer gelet op de leeftijd van zijn vader, belang bij om bij elkaar te blijven. Eisers vader werd echter uit vreemdelingenbewaring vrijgelaten vanwege een vermeende TBC-bestemming. Eisers vader bleek niet besmet te zijn, maar hij is nu wel gescheiden van zijn zoons en de asielaanvragen van eiser en zijn vader lopen niet meer synchroon. Dit, terwijl eisers vader afhankelijk is van zijn zoons.\n\n6. De rechtbank overweegt als volgt.\n\n7. Niet in geschil is dat eiser met een nationaal paspoort van India de paspoortcontrole op Schiphol is gepasseerd. Volgens vaste jurisprudentie is eiser daardoor het Schengengebied uitgereisd.Dat betekent dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend aan de buitengrens van het Schengengebied, terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Naar het oordeel van de rechtbank wordt onder deze omstandigheden in beginsel voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.\n\n8. Verder vereist het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in zeer bijzondere gevallen afgeweken.Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De wens van eiser om bij zijn vader te blijven is begrijpelijk en de rechtbank ziet dat het eiser zwaar valt om van zijn vader gescheiden te zijn. Daarmee is echter nog geen sprake van een zeer bijzonder geval. Het is namelijk niet gebleken dat eiser en zijn vader zo afhankelijk van elkaar zijn dat verweerder het grensbewakingsbelang moet opheffen om eiser bij zijn vader te kunnen laten verblijven. Eiser heeft dit standpunt onvoldoende concreet onderbouwd.\n\n9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is,ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24417.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799..\n\n Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9773","2026-07-13T00:28:24.588Z",1,20]