[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-private-international-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":54},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},60,"private-international-law-nl","Private International Law","NL","2026-07-08T16:54:05.559Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124255","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 218",1,[27,37,46],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"1759","ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","ecli-nl-rbdha-2026-18180","","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F703871 \u002F KG ZA 26\u002F427\n\nVonnis in kort geding van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A] B.V.te [plaats 1] ,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. M.F. de Jong te Haarlem,\n\ntegen:\n\n1. [partij B sub 1] VOF te [plaats 2] ,\n\n2. [partij B sub 2], te [plaats 2] ,\n\n3. [partij B sub 3] ,te [plaats 2] ,\n\ngedaagden in conventie,\n\neisers in reconventie,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nwaarin zich aan de zijde van [partij B] c.s. heeft gevoegd:\n\nCOMMERBAS S.R.L. te Civitanova Marche Italië,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [partij A] ’, ‘ [partij B] c.s.’ en ‘Commerbas’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 30 april 2026 met producties EP01 tot en met EP22;\n\n- de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst van Commerbas van 14 mei 2026 met producties 1 tot en met 3;\n\n- de conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie van 14 mei 2026 met producties GP01 tot en met GP09;\n\n- de aanvullende producties EP23 tot en met EP28 van 18 mei 2026;\n\n- het op 18 mei 2026 overgelegde kostenoverzicht van gedaagden;\n\n- de op 18 mei 2026 om 18:03 uur ingediende aanvullende producties GP10 tot en met GP13 (worden buiten beschouwing gelaten, zie hierna onder 1.2);\n\n- de op 19 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiseres een pleitnotitie is overgelegd.\n\n1.2.. Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [partij A] bezwaar gemaakt tegen de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst, de conclusie van antwoord met producties (minder dan een week voor de mondelinge behandeling) alsmede de nagekomen producties GP10 tot en met GP13 die de avond voor de behandeling van kort geding zijn ingediend. Deze stukken zijn – gelet op de termijnen in het toepasselijke landelijke procesreglement dan wel de instructies in het dagbepalingsbericht – te laat ingediend. Hierdoor is eiseres in haar verdedigingsbelang geschaad. De incidentele conclusie alsmede de conclusie van antwoord zijn ingediend op hemelvaartsdag, waardoor het te kort dag was om met cliënt te overleggen en adequaat te kunnen reageren, aldus mr. De Jong. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat de conclusie van antwoord, de daarbij behorende producties alsmede de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst worden toegestaan. Onder randnummer 2 van het meebetekende dagbepalingsbericht wordt aangeradeneen schriftelijke reactie op de dagvaarding in te dienen, gelet op de beperkte spreektijd. Een incidentele vordering kan pas worden ingesteld als partijen in het geding zijn verschenen en dient uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling te worden toegezonden (vgl. ook artikel 3.16, 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Er zijn dan ook geen termijnen geschonden. Dat er weinig tijd was voor overleg tussen de advocaat en zijn cliënt is eigen aan een kort geding procedure en kan dus op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat eiseres in haar verdediging is geschaad. De producties GP10 tot en met GP13 die gisteravond aan de voorzieningenrechter zijn toegezonden worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze zonder goede reden buiten de daarvoor geldende termijn zijn ingedienden daarmee sprake is van strijd met de goede procesorde.\n\n1.3.. De zaak is aangehouden tot 5 juni 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te onderzoeken. In brieven van 4 juni 2026 hebben partijen de rechtbank verzocht vonnis te wijzen. Mr. Richel heeft als bijlage bij de brief een geactualiseerde kostenstaat meegezonden, waartegen mr. De Jong bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter acht het moment van indienen van de productie in strijd met de goede procesorde en zal deze dan ook buiten beschouwing laten.\n\n1.4.. De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst en voeging\n\n2.1.. Commerbas heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [partij A] en [partij B] c.s. en zich te mogen voegen aan de zijde van [partij B] c.s. Volgens Commerbas heeft zij belang bij tussenkomst en voeging, aangezien zij bij toewijzing van de vorderingen jegens [partij B] c.s. failliet zullen gaan. De materialen die zij destijds ten behoeve van de productie van de schoenen voor [partij A] heeft aangeschaft, worden nu gebruikt voor de schoenen die zij maakt voor [partij B] c.s. Door de plotselinge orderstop van [partij A] bleef Commerbas zitten met de materialen en de opslagkosten daarvoor. Dat zij vervolgens voor [partij B] c.s. schoenen kon produceren, heeft gezorgd dat de materialen alsnog konden worden gebruikt. Indien de vorderingen tegen [partij B] c.s. worden toegewezen, wil Commerbas tussenkomen om de door haar geleden schade alsnog te verhalen op [partij A] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [partij B] c.s. verklaard geen bezwaar te hebben tegen de (voorwaardelijke) tussenkomst dan wel voeging. [partij A] heeft wel verweer gevoerd tegen de tussenkomst en voeging, primair omdat in kort geding geen conclusie tot voeging dan wel tussenkomst kan worden ingediend gelet op de vereisten van artikel 218 Rven het ontbreken van roldata in een kort gedingprocedure, subsidiair omdat Commerbas geen rechtstreeks belang heeft bij het tussen [partij A] en [partij B] c.s. aanhangig geding (als vereist in artikel 217 Rv) en meer subsidiair omdat zij geen spoedeisend belang heeft bij de door haar in de voorwaardelijke tussenkomst aangekondigde vordering.\n\n2.3.. Nadat partijen hun standpunt over het incident over en weer naar voren hebben kunnen brengen, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter beslist dat de vordering van Commerbas tot voeging aan de zijde van [partij B] c.s. wordt toegewezen en de vordering van Commerbas tot tussenkomst wordt afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n2.4.. Voeging en tussenkomst zijn vormen van interventie, vrijwillige deelname aan het geding door een derde. Op de voet van art. 217 Rv kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Indien aan deze eis is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens art. 218 Rv tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Bij tussenkomst wil de partij een eigen vordering instellen tegen (een van) de andere partijen. Er moet sprake zijn van voldoende belang om zich te mengen in het aanhangige geding. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.\n\n2.5.. Anders dan betoogd, kan ook in kort geding een vordering tot tussenkomst en\u002Fof voeging worden ingesteld. Commerbas heeft haar vordering tot voeging en tussenkomst voorafgaand aan de zitting aangekondigd en heeft deze ter zitting ingesteld (vgl. ook artikel 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). De voorzieningenrechter is van oordeel dat Commerbas haar belang bij voeging aan de zijde van [partij B] c.s. voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vraag of Commerbas voldoende belang heeft bij tussenkomst kan in het midden blijven, omdat de goede procesorde er in dit geval aan in de weg staat om de tussenkomst toe te staan. Het toestaan van de gevorderde tussenkomst zou – gelet op de door Commerbas geformuleerde zelfstandige vordering, waaraan grotendeels een ander feitencomplex ten grondslag is gelegd – een uitbreiding van het kort geding tot gevolg hebben, waarbij hoor en wederhoor in de knel dreigen te komen. Dit compliceert de voortvarende beoordeling van het geschil, hetgeen niet verenigbaar is met het karakter van een kort gedingprocedure.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n [partij A] , Panara B.V. en het PANARA merk\n\n3.1.. \n\n [partij A] heeft sinds begin jaren ’80 schoenen ontworpen en verkocht.\n\nHij is houder van het op 1 mei 1984 onder nummer 394494 ingeschreven Benelux woordmerk PANARA voor waren in onder meer klasse 25 (schoenen), hierna het PANARA merk. De schoenen zijn voorzien van het PANARA merk, de sinds 1984 ontworpen modellen onder voornoemd merk worden hierna gezamenlijk aangeduid als de PANARA schoencollectie.\n\n3.2.. In 1987 is [partij A] opgericht en is de productie en verkoop van de PANARA schoencollectie in die vennootschap ondergebracht. [partij A] heeft [partij A] hiertoe een licentie verstrekt, waarbij [partij A] tevens is toegestaan sublicenties te verstrekken en zelfstandig rechtsmaatregelen te nemen ter handhaving van het merkrecht.\n\n3.3.. \n [partij A] is een groothandel en verkocht de PANARA schoencollectie onder meer aan Pauw (23 winkels), aan diverse andere winkels en zogenaamde multibrandstores (winkels die meerdere schoenmerken verkochten) en webshops.\n\n3.4.. Een zustervennootschap van [partij A] , Panara B.V., exploiteerde van 1987 tot 2021 een Panara winkel in Amsterdam (waar alleen schoenen van het PANARA merk werden verkocht). Sinds 2017 heeft Panara B.V. ook een webshop onder de domeinnaam www.panaraonline.com. Deze webshop is tot op heden actief.\n\nCommerbas\n\n3.5.. De PANARA schoencollectie wordt met de hand gemaakt in Italië, laatstelijk door Commerbas.\n\n [partij B] c.s.\n\n3.6.. Op 1 oktober 2010 heeft [partij B] c.s. een schoenenzaak in Den Haag geopend onder de naam Panara Den Haag. Deze naam staat ook op de gevel van de winkel. Daarnaast heeft [partij B] c.s. een webshop onder de domeinnaam www.panaradenhaag.nl.\n\nOvereenkomst [partij A] en [partij B] c.s.\n\n3.7.. In september 2010 zijn [partij A] en [partij B] c.s. schriftelijk onder meer het volgende overeengekomen:\n\nBasis van deze overeenkomst is de verkoop van Panara in de vorm van een Panara Store.\n\n1. De naarn Panara mag uitsluitend worden gebruikt op basis van de presentatie van het volledige product, dus met uitsluiting van andere producten. Afwijkingen hierop niet anders dan met schriftelijke toestemming van [partij A] BV.\n\n5. Indien er sprake is van een of meer voornoemde situaties, dient de naam Panara onmiddellijk te worden verwijderd en zal de levering van Panara goederen eveneens met onmiddellijke ingang worden gestaakt.\n\n6. Duur van de overeenkomst geldt met ingang van seizoen winter 2010\u002F11 voor een onbepaalde periode.\n\n7. Beëindiging van de overeenkomst geschiedt door middel van een aangetekend schrijven met inachtname van twee (2) seizoenen, inbegrepen het op datum van opzegging lopende verkoopseizoen.\n\n8. Bij beëindiging van de samenwerking bestaat geen recht op enige vergoeding.\n\n3.8.. Op 14 november 2023 heeft [partij A] de Overeenkomst opgezegd.\n\nSommaties\n\n3.9.. In een aangetekende brief van 8 oktober 2025 heeft [partij A] aan [partij B] c.s. meegedeeld dat zij hebben geconstateerd dat [partij B] c.s. modellen uit de PANARA schoencollectie heeft gekocht bij Commerbas en voorzien van het naamlabel Borgesa (hierna: de Borgesa schoenen). In die brief heeft [partij A] [partij B] c.s. onder meer gesommeerd het PANARA merk te verwijderen uit de promotie voor de Borgesa schoenen.\n\n3.10.. Onder andere naar aanleiding van het hieronder opgenomen Instagram bericht schrijft [partij A] op 27 november 2025 aan [partij B] c.s. dat de overeenkomst is beëindigd en dat zij uiterlijk op 31 december 2025 de naam PANARA van de gevel dient te verwijderen alsmede de domeinnaam panaradenhaag.nl.\n\n3.11.. Op 12 februari 2026 werden onder de domeinnaam paranadenhaag.nl onder meer de Borgesa schoenen onder meer op de volgende wijze aangeboden:.\n\n3.12.. In een brief van 25 februari 2026 heeft de advocaat van [partij A] onder meer geconstateerd dat ter omschrijving en promotie van de Borgesa schoenen gebruik wordt gemaakt van het teken Panara en dat deze schoenen worden aangeboden onder de domeinnaam panaradenhaag.nl, waardoor inbreuk op het PANARA merk wordt gemaakt. In die brief wordt [partij B] c.s. onder meer gesommeerd de inbreuk op het PANARA merk te staken.\n\n3.13.. \n [partij A] heeft aan de sommaties geen gevolg gegeven.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. \n [partij A] vordert – na vermindering van eis – gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de aan [partij A] toekomende auteursrechten te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder te bevelen de openbaarmaking en verveelvoudiging van de Borgesa schoenen te staken en gestaakt te houden;\n\nII. hoofdelijk te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de merkenrechten van [partij A] in de gehele Benelux te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder gedaagden te verbieden gebruik te maken van het teken ‘Panara’ dan wel van andere tekens die overeenstemmen met dit merk;\n\nIII. hoofdelijk te bevelen aan de advocaat van [partij A] een volledig en juiste opgave te verstrekken, zowel digitaal als schriftelijk, voorzien van alle relevante documenten, waaronder mede begrepen maar niet beperkt tot facturen, prijslijsten, bestelformulieren, vervoersdocumenten, douanedocumenten, orderbevestigingen en (e mail)correspondentie, waarin de volgende informatie is vervat:\n\na. a) de fabrikant(en) en\u002Fof leverancier(s) van de Borgesa schoenen, met vermelding van volledige na(a)m(en), adres(sen), telefoon- en bankrekeningnummer(s);\n\nb) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan hen gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, vervaardigd, ingekocht, besteld en\u002Fof geleverd, zulks gerangschikt per leverancier, met vermelding van inkoopprijzen, besteldata en leverdata, tezamen met kopieën van de betreffende orderbevestigingen, facturen en correspondentie;\n\nc) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan gedaagden gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, aangeboden, verkocht en geleverd, zulks gespecificeerd per afnemer, met vermelding van verkoopprijzen en leverdata en volledige na(a)m(en), adres(sen) en telefoonnummers van (niet particuliere) klanten, tezamen met kopieën van de betreffende facturen, orderbevestigingen en correspondentie;\n\nd) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen, die door en\u002Fof ten behoeve van gedaagden dan wel aan gedaagden gelieerde ondernemingen in voorraad wordt gehouden; en (nvt want worden geen producten onder merknaam verkocht);\n\ne) de totale nettowinst die is behaald met het aanbieden en verkopen van de Borgesa schoenen, berekend vanaf het zomerseizoen 2025, waarbij gedaagden voor de berekening van deze nettowinst uitsluitend directe belastingen en directe variabele kosten zal aftrekken, en de exacte wijze waarop deze winst berekend. bestelformulieren, adres(sen);\n\nIV. te bevelen binnen veertien (14) dagen na dit vonnis een terugroepactie uit te voeren en een brief te sturen naar alle afnemers aan wie zij de Borgesa schoenen hebben verkocht en geleverd, met uitsluitend de volgende inhoud en zonder weglatingen, aanvullingen of opmerkingen, en dat zij kopieën van de verzonden brieven aan de advocaat van [partij A] zullen verstrekken: ‘RECTIFICATIE EN HERROEPING In het verleden hebben wij u (één van de) producten aangeboden en geleverd uit onze schoenencollectie ‘Borgesa’. Via deze kennisgeving informeren wij U dat deze producten inbreuk maken op de exclusieve auteursrechten van de heer [partij A] , bedenker en ontwerper van het schoenenlabel Panara. Wij vragen u de inbreukmakende producten op onze kosten aan ons te retourneren en danken u bij voorbaat voor uwmedewerking in dit verband. Ondergetekende, Panara Den Haag \u002F [partij B sub 1] v.o.f.’\n\nV. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Inbreukmakende Producten die krachtens het gestelde onder Romeinse IV aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVI. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Borgesa schoenen, die krachtens het hiervoor onder IV bepaalde aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVII. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare van EUR 10.000,- (tienduizend euro) per overtreding in geval het niet, niet volledig, niet correct of niet tijdig nakomen van een of meer van het gevorderde onder Romeinse I tot en met V, of — naar keuze van [partij A] — van EUR 1.000,- (duizend euro) voor iedere dag dat een dergelijke overtreding voortduurt, onverminderd het recht van [partij A] op volledige naleving en schadevergoeding;\n\nVIII. hoofdelijk te veroordelen, in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten op de voet van artikel 1019h Rv, en dit kort geding volgens de indicatietarieven in IE zaken, versie 1 februari 2026, in te schalen als een ‘normaal kort geding’, te betalen binnen tien (10) werkdagen na betekening van dit vonnis;\n\nIX. hoofdelijk te veroordelen om aan [partij A] de wettelijke (handels)rente over de proceskosten te betalen, wanneer deze niet binnen tien (10) werkdagen na het betekenen van het ten deze te wijzen vonnis zijn voldaan;\n\nX. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten.\n\n4.2.. \n [partij A] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [partij B] c.s. met de Borgesa schoenen inbreuk maakt op de auteursrechten van [partij A] op de PANARA schoencollectie. De schoenen koopt zijn van Commerbas en zijn identiek aan de modellen uit de PANARA schoencollectie, alleen voorzien van een andere naam. Na de beëindiging van de overeenkomst is [partij B] c.s. daarnaast het PANARA merk blijven gebruiken op de gevel van de winkel, in de domeinnaam en ter promotie van de Borgesa schoenen. Nu [partij B] c.s. na het beëindigen geen toestemming meer voor heeft, maakt zij inbreuk op het PANARA merk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n4.3.. \n [partij B] c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing. Zij betwist dat auteursrecht op de PANARA schoencollectie rust; het betreft klassieke Italiaanse schoenmodellen. Subsidiair betwist zij dat het auteursrecht bij [partij A] rust. [partij A] was de ontwerper van de schoenen en niet is gebleken dat het auteursrecht aan [partij A] is overgedragen. De overeenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd, zodat de overeenkomst nog geldt op grond waarvan [partij B] c.s. toestemming hebben het PANARA merk te gebruiken.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n4.4.. \n [partij B] c.s. vordert in reconventie, uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [partij A] te veroordelen om binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis alle door [partij B] c.s. bij [partij A] ingekochte en nog in voorraad zijnde Panara- schoenen (inclusief verpakkingen) terug te nemen op door [partij A] aan te wijzen wijze en op kosten van [partij A] ;\n\nII. [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] c.s. van de inkoopprijs van de terug te nemen schoenen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:u9 BW vanaf de datum waarop [partij B] c.s. die inkoopprijs aan [partij A] heeft betaald tot aan de datum van algehele voldoening door [partij A] , vast te stellen door de accountant van gedaagden, met een voorschot bij aflevering van € 100.000,-i\n\nIII. Subsidiair, indien een dergelijk verbod niet aan gedaagden wordt opgelegd:\n\n [partij A] te verbieden zich als detailhandelaar via internet op de markt te begeven met uitverkoopacties van Panara-schoenen, zonder overleg met en goedkeuring door gedaagden. Hierbij geldt dat gedaagden (eisers in reconventie) bereid zijn om de resterende voorraad Panara-schoenen die [partij A] en aan haar gelieerde entiteiten nog bezit(ten) over te nemen als voorschot op een schadevergoeding.\n\nIV. [partij A] te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.\n\n4.5.. Op de standpunten van partijen in voorwaardelijke reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie en voorwaardelijke reconventie\n\nBevoegdheid\n\n5.1.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gegrond op de gestelde inbreuk op het PANARA merk, is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikel 4.6 BVIE, aangezien [partij B] c.s. in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Benelux.\n\n5.2.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gebaseerd op de gestelde inbreuk op het auteursrecht is die bevoegdheid gegrond op artikel 4 Brussel I bis-Voomdat gedaagde in Nederland is gevestigd. De relatieve bevoegdheid volgt uit artikel 99 Rv.\n\n5.3.. Nu de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in conventie, is de rechtbank ook bevoegd om kennis te nemen van de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [partij B] c.s. [partij A] heeft die bevoegdheid ook niet bestreden.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.4.. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Nu [partij B] c.s. de vermeend inbreukmakende (voor wat betreft het auteursrecht) schoenen nog verkoopt en het teken PANARA nog gebruikt (hetgeen volgens de stellingen van [partij A] merkinbreuk oplevert), is daarmee het spoedeisend belang gegeven.\n\nIn conventie verder\n\nAuteursrechten modellen Panara schoencollectie\n\n5.5.. De stellingen van [partij A] waarop zij haar auteursrechtelijke vorderingen grondt, zijn toegespitst op de omstandigheid dat [partij B] c.s. door Commerbas dezelfde modellen van schoenen laat produceren als de modellen van de PANARA schoencollectie die zij voorheen inkocht bij [partij A] en verkocht in haar winkel. Daarmee is volgens [partij A] de inbreuk op de aan haar toekomende auteursrechten gegeven.\n\n5.6.. \n [partij A] heeft echter nagelaten inzichtelijk te maken op welke modellen uit de PANARA schoencollectie zij zich beroept, wanneer deze zijn ontworpen, waaruit de auteursrechtelijke beschermde kenmerken van de afzonderlijke modellen bestaan en hoe die zich weerspiegelen in het desbetreffende model.Er kan immers pas inbreuk worden gemaakt op het auteursrecht als sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. Of daarvan sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete vormgeving van (een combinatie van) kenmerken in de betreffende schoenen. Het is aan [partij A] om de feiten daarvoor naar voren te brengen.\n\n5.7.. In de dagvaarding heeft [partij A] meerdere malen geconcludeerd dat de modellen van de Panara schoencollectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn, met een eigen herkenbare signatuur van de collectie. Zo wordt gesteld dat “de ontwerpen (..) [zich] kenmerken door een consistente en herkenbare stijl, waarin vorm, pasvorm en materiaalgebruik in onderlinge samenhang werden ontwikkeld”en“deze werkwijze heeft geleid tot een eigen vormentaal, die in de loop der jaren een duidelijke plaats in de markt heeft ingenomen en waarmee de Panara Collectie zich onderscheidt van andere aanbieders”Een feitelijke uitwerking van wat per schoen de door haar ingeroepen“kenmerkende en beschermde elementen van de Panara-collectie”zijn ontbreekt. Omdat op het moment van het opstellen van de dagvaarding door [partij B] c.s. al was betwist dat de (modellen) van de Panara collectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn (omdat het klassieke schoenmodellen betreft volgens [partij B] c.s.), had het op de weg van [partij A] gelegen te onderbouwen welke creatieve keuzes zichtbaar zijn in de afzonderlijke modellen, waarop volgens [partij A] inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt. Om als auteursrechtelijk werk beschermd te kunnen zijn in de zin van artikel 10 Aw, moeten de schoenen immers uitdrukking geven aan vrije en creatieve keuzen die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen.Omdat voor auteursrechtelijke bescherming is vereist dat de persoonlijkheid van de maker wordt weerspiegeld in het voorwerp, moet bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid worden uitgegaan van het voorwerp zelf. Het scheppingsproces en de bedoelingen van de auteur kunnen slechts een rol spelen voor zover dit in het werk tot uitdrukking is gebracht.\n\n5.8.. Bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid dient dus te worden uitgegaan van de afzonderlijke modellen zelf. [partij A] verwijst in haar dagvaarding echter naar de PANARA schoencollectie, maar de afzonderlijke modellen schoenen waaruit die collectie bestaat en waarop volgens [partij A] dus auteursrechtelijke inbreuk wordt gemaakt, zijn niet omschreven en evenmin zijn hiervan afbeeldingen overgelegd. Er is wel een aantal modeltekeningen overgelegd bij de dagvaarding, waarover wordt opgemerkt dat dit de eigen herkenbare signatuur van de collectie onderstreept, maar waaruit die signatuur dan bestaat, is niet uitgewerkt. Van welke voorwerpen moet worden beoordeeld of zij een auteursrechtelijk beschermd werk zijn, is dus niet duidelijk. Verder zijn 103 pagina’s screenshot van de website van [partij B] c.s. overgelegd met de modellen, die zij thans aanbiedt onder het teken Borgesa. Zelfs als deze schoenen identiek zijn aan modellen van de Panara Collectie, dient eerst te worden vastgesteld dat de modellen van de Panara Collectie waarop inbreuk wordt gemaakt auteursrechtelijk beschermd zijn. Hiervoor zijn dus onvoldoende feiten gesteld.\n\n5.9.. Ook in de ter zitting door de advocaat van [partij A] voorgedragen spreekaantekeningen wordt niet ingegaan op het verweer dat de modellen uit de PANARA schoencollectie geen auteursrechtelijke beschermde werken zijn. De voorzieningenrechter heeft ter zitting een aantal malen gevraagd naar de specifieke kenmerken van de schoenen, die maken dat de schoenen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. In antwoord daarop zijn wederom algemene bewoordingen gebruikt, zoals strakke vormgeving, beste leer, geen stiknaden, uitstekende pasvorm, tijdloos, sober, strak, zwarte slipzool doorlopend over de neus van de schoen, zonder daarbij de vormgeving van de afzonderlijke modellen als uitgangspunt te nemen. Verder is “het samenspel van keuzes” genoemd als hetgeen dat de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en maakt dat de consument een schoen herkent als een Panara schoen.\n\n5.10.. \n\nOnder voornoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is dat de Panara schoencollectie bestaat uit voorwerpen die te kwalificeren zijn als auteursrechtelijk beschermde werken. Dat een selectie van de PANARA schoencollectie (welke modellen dat zijn, is ook weer niet gespecificeerd) is opgenomen in de collectie van het Schoenenkwartier is voor de beoordeling niet relevant, nu de beoordeling of een voorwerp een auteursrechtelijk beschermd werk is, dient plaats te vinden naar het moment waarop het werk werd ontworpen.\n\nHet onder I., III., IV. en V. gevorderde wordt dus afgewezen.\n\n5.11.. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande niet meer toe aan de bespreking van het door [partij B] c.s. subsidiair gevoerde verweer dat [partij A] niet de auteursrechthebbende zou zijn.\n\nmerkinbreuk\n\n5.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] c.s. het PANARA merk tot op vandaag in het economisch verkeer gebruikt door middel van het merk op de gevel van haar schoenenwinkel, door onder de domeinnaam panaradenhaag.nl schoenen te verkopen en op haar website en social media kanalen ter promotie van de door haar aangeboden schoenen voorzien van het teken BORGESA. Niet is betwist dat dit heeft te gelden als merkgebruik.\n\n5.13.. Volgens [partij B] c.s. geldt de Overeenkomst nog tussen, omdat deze niet rechtsgeldig is opgezegd. Zij heeft dus nog steeds toestemming om het PANARA merk te gebruiken, zodat de vordering tot het staken van het gebruik dient te worden afgewezen. Dit verweer slaagt niet en dat wordt hierna uitgelegd.\n\n5.14.. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst op 14 november 2023 (dus tijdens het winterseizoen, dat loopt van juli tot januari) door [partij A] mondeling is opgezegd tegen juli 2024 (einde zomerseizoen, dat loopt van januari tot juli). Dit is overeenkomstig de opzegtermijn van artikel 7 van de Overeenkomst. Dit betekent in beginsel dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het merk te gebruiken. Hoewel de overeenkomst conform het bepaalde in artikel 7 door middel van een aangetekende brief moet worden opgezegd, is de overeenkomst naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet blijven gelden omdat [partij A] deze mondeling heeft opgezegd. Voor [partij B] c.s. was het immers duidelijk dat de Overeenkomst werd opgezegd, dat [partij A] haar activiteiten zou gaan beëindigen en dat na het zomerseizoen dat liep tot juli 2024 geen nieuwe bestellingen meer zouden kunnen worden geplaatst. [partij B] c.s. heeft zich hiernaar ook gedragen door geen bestellingen meer bij [partij A] te plaatsen voor het laatste zomerseizoen (2024) en zich te gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Dit betekent dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het PANARA merk te gebruiken. Door het PANARA merk toch te blijven gebruiken, maakt zij inbreuk op de merkrechten van [partij A] op grond van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n5.15.. \n [partij B] c.s. heeft verder aangevoerd dat [partij A] gelet op de aard en inhoud van de Overeenkomst een langere opzegtermijn in acht had moeten nemen. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Los van de vraag of de Overeenkomst is te kwalificeren als een distributieovereenkomst – hetgeen door [partij A] wordt betwist – is de aan [partij B] c.s. gegeven toestemming om het PANARA merk te gebruiken verbonden aan de (ontbindende) voorwaarden dat zij geen andere merken mag verkopen. Tot de opzegging van 14 november 2023 heeft [partij B] c.s. dus 13 jaar lang enkel schoenen onder het PANARA merk verkocht en is haar bedrijf daardoor volledig ingericht op en afhankelijk van de verkoop van deze schoenen. Onder die omstandigheden kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, zoals een langere opzegtermijn. Dat die opzegtermijn meer dan twee jaar (sinds de opzegging op 13 november 2023) had moeten bedragen is echter gesteld noch gebleken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [partij B] c.s. geen modellen van het laatste zomerseizoen (2024) heeft ingekocht, heeft afgezien van het overnemen van de voorraad PANARA schoenen van Panara B.V. (in verband met het ontbreken van overeenstemming over de prijs) en zich – naast het verkopen van haar voorraad PANARA schoenen – is gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Zij heeft nimmer overleg gezocht met [partij A] om afspraken te maken over een langere overgangsperiode. De verkoop van de resterende voorraad Panara schoenen (thans nog 1000 paar) kan ook onder een andere winkelnaam en domeinnaam plaatsvinden. Voor het wijzigen van deze naam heeft [partij B] c.s. inmiddels meer dan voldoende tijd gehad. Het oordeel blijft dan ook dat [partij B] c.s. geen toestemming meer heeft het PANARA merk te gebruiken voor (de verkoop van) schoenen, zodat het onder II. gevorderde inbreukverbod wordt toegewezen. Aangezien dit tevens tot gevolg heeft dat de naam van de winkel (zowel op de gevel als online, domeinnaam en website) dient te worden gewijzigd zal het inbreukverbod vier weken na betekening van het vonnis ingaan. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [partij B] c.s. zeker na de brief van 27 november 2025 ervan op de hoogte was dat [partij A] niet langer toestemming gaf om het PANARA merk in de winkelnaam en de domeinnaam te gebruiken.\n\n5.16.. Als prikkel ter nakoming van het inbreukverbod acht de voorzieningenrechter een dwangsom zoals gevorderd aangewezen. Deze zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum is vermeld.\n\nProceskosten\n\n5.17.. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie worden gecompenseerd als na te melden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het inbreukverbod ten aanzien van het PANARA merk weliswaar wordt toegewezen, maar het gevorderde inbreukverbod op de vermeende auteursrechten en de daarmee samenhangende nevenvorderingen worden afgewezen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.\n\nIn voorwaardelijke reconventie verder\n\n5.18.. \n [partij B] c.s. heeft als voorwaarde aan haar reconventionele vorderingen verbonden: “uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert.”\n\n5.19.. Hoewel het in conventie gevorderde verbod is toegewezen, staat dit er niet aan in de weg om de rechtmatig ingekochte Panara schoenen, die [partij B] c.s. nog op voorraad heeft te verkopen. Deze voorraad bestaat immers uit schoenen, voorzien van het PANARA merk, die zij nog onder de Overeenkomst heeft ingekocht bij [partij A] . Los van het feit dat het recht van [partij A] om zich op grond van het merkrecht tegen de verkoop van die specifieke exemplaren te verzetten, is uitgeput, heeft [partij A] ook ter zitting benadrukt, dat het [partij B] c.s. vrij staat om rechtmatig ingekochte Panara schoenen te blijven verkopen. De aan de reconventionele vorderingen verbonden voorwaarde is dan ook niet in vervulling gegaan, zodat aan de beoordeling van de reconventionele vorderingen niet wordt toegekomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nIn conventie\n\n6.1.. beveelt gedaagden binnen vier weken na betekening van dit kort gedingvonnis iedere inbreuk op het PANARA merk in de Benelux te staken en gestaakt te houden;\n\n6.2.. veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [partij B] c.s. in strijd handelt met het onder 6.1 gegeven bevel, met een maximum van € 50.000,-;\n\n6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;\n\n6.5.. bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis;\n\n6.6.. wijst af het meer of anders gevorderde;\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n6.7.. stelt vast dat aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen is ingesteld niet is voldaan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n artikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken\n\n Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering\n\n Verordening (EU) 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.\n\n HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra)\n\n Auteurswet\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 50 en 61\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 71, 74 en 75\n\n Productie 12 bij de dagvaarding\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 77 en 81","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:37.443Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"1191","ECLI:NL:RBDHA:2026:17334","ecli-nl-rbdha-2026-17334","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684680\u002F HA ZA 25-386\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw], te [woonplaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. D. Rezaie,\n\ntegen\n\n [de man], te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. R.J. Bouwmeester.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 april 2025, met producties 1 tot en met 5;\n\n- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;\n\n- het tussenvonnis van 9 juli 2025, waarin de mondelinge behandeling is bevolen;\n\n- de brief van 1 september 2025 van mr. Bouwmeester, met drie bijlagen;\n\n1.2.. \n\nDe rechtbank heeft op 12 september 2025 een vertaling opgevraagd van de\n\nhuwelijksakte en een vertaling van de religieuze echtscheiding en heeft partijen ook\n\ngevraagd zich uit te laten over het toepasselijk recht op de vordering tot betaling van de\n\nbruidsgave en over hun nationaliteit ten tijde van het sluiten van hun huwelijk. Hierna hebben partijen de volgende berichten aan de rechtbank gestuurd:\n\n- het rolbericht van 15 september 2025 van mr. Rezaie, met de beëdigde vertaling van de\n\n religieuze echtscheiding;\n\n- het rolbericht van 17 september 2025 van mr. Rezaie over de uitlating van het toepasselijk\n\n recht, met producties 6 tot en met 8;\n\n- het rolbericht van 22 september 2025 van mr. Rezaie, met de beëdigde vertaling van de\n\n Iraanse huwelijksakte, behorende bij productie 6.\n\n- het rolbericht van 22 september 2025 van mr. Bouwmeester met uitlating over de\n\n nationaliteit en nieuwe informatie met bijlagen over nationaliteit.\n\n1.3.. \n\nOp 24 september 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak\n\nplaatsgevonden. Beide partijen zijn verschenen, zowel de vrouw als de man zijn bijgestaan\n\ndoor een tolk. Partijen hebben de zaak mondeling toegelicht en vragen van de rechtbank\n\nbeantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge\n\nbehandeling is besproken.\n\n1.4.. \n\nNa de mondelinge behandeling is de zaak naar de rol van 25 oktober 2025 verwezen\n\nvoor akte uitlaten partijen in verband met onderhandelingen over een regeling. Partijen\n\nhebben uiteindelijk vonnis gevraagd. De datum voor vonnis is bepaald op heden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe man is ruim dertig jaar geleden uit Irak naar Nederland gevlucht. Met ingang\n\nvan eind oktober 1996 is de man in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) opgenomen.\n\n2.2.. Partijen stellen op [datum 1] 2003 met elkaar in Iran te zijn gehuwd. De beëdigde vertaling van (een kopie van) de huwelijksakte luidt als volgt:\n\n“Volledige gegevens van de echtgenoot\n\nVoornaam: de heer [voornaam 1] Familienaam: [familienaam 1]\n\n(…)\n\nBeroep: student opleiding tandtechnicus Religie en geloofsstroming; moslim – Sjiitisch\n\nNationaliteit: Iran\n\nWoonachtig te: Nederland, [plaats 1] (…)\n\nHeeft de echtgenoot een andere echtgenote? Heeft hij niet\n\nMet vreugde en welslagen\n\nVolledige gegevens van de echtgenote\n\nVoornaam: Mejuffrouw [voornaam 2] Familienaam: [familienaam 2]\n\n(…)\n\nBeroep: huisvrouw Religie en geloofsstroming: Moslima, Sjiitisch\n\nNationaliteit: Iran\n\nWoonachtig te: [plaats 2] (…), in aanwezigheid met toestemming van vader van betrokkene\n\nHandtekening voogd\u002F vertegenwoordiger van de echtgenote: [getekend]\n\nSoort huwelijk: het huwelijk is permanent\n\nBruidsgave en handtekening echtpaar: een bedrag van tweehonderdentweeënzestig duizend en een halve courante Rials bij wijze van geschenk, een Koran en ‘mahr al-Sunnah’ [bruidsgave], daarbij dertienhonderdvierenvijftig [1354] stuks gouden, hele ‘Bazar-e azadi’ muntenstukken van onbepaalde waarde, een bedrag van zevenhonderdduizend Rials bij wijze van de waarde van spiegel en kandelaar, het geheel door de echtgenoot verschuldigd aan de echtgenote, hetwelk op aanvraag van echtgenote dient te worden voldaan.”\n\nDit huwelijk (hierna: het Iraanse huwelijk) is in Nederland niet in de GBA ingeschreven.\n\n2.3.. Na dit huwelijk heeft de man geprobeerd om de vrouw, op basis van de Iraanse huwelijksakte, via gezinshereniging naar Nederland te halen. Dit is mislukt.\n\n2.4.. Vervolgens zijn partijen op [datum 2] 2004 in [plaats 3] , Syrië, met elkaar gehuwd. In de daarvan opgemaakte Syrische huwelijksakte is – vertaald in het Engels en voor zover van belang – het volgende opgenomen:\n\n“MARRIAGE DEED\n\nThe First Party: The Husband\n\nName, Father’s Name & Surname [voornaam 1] [naam vader 1] [familienaam 1]\n\nDate and Place of Birth [geboortedatum 1] 1964, [geboorteplaats 1]\n\nPlace of Residence and Domicile Number - Iraqi citizen, holing the Netherlands passport No. [paspoortnummer] (…)\n\n- Muslim\n\nHusband’s representative Himself (…)\n\nThe Second Party: The Wife\n\nName, Father’s Name & Surname [voornaam 2] [naam vader 2] [familienaam 2] (…)\n\nMarital status Single\n\nDate and Place of Birth [geboortedatum 2] 1975, [geboorteplaats 2]\n\nPlace of Residence and Domicile Number - Iranian citizen (…)\n\n Muslim\n\nWife’s Proxy General Guardianship\n\nFirst Witness (…)\n\nSecond witness (…)\n\n(…)\n\nThe Dowry:\n\nAdvance Dowry US$ 5000 Five thousand US dollars paid\n\nDeferred Dowry US$ 1.000.000 One million US dollars (…) unpaid\n\n(….)\n\nCertified on [datum 2] \u002F2004\n\nLegalized by Ministry of Justice in [plaats 3] ”\n\nDit huwelijk (hierna: het Syrische huwelijk) is wel opgenomen in de GBA. Met ingang van 8 maart 2005 is de vrouw in de GBA opgenomen.\n\n2.5.. \n\nOp 27 januari 2021 hebben partijen deze rechtbank gemeenschappelijk verzocht om\n\nde echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld op [datum 2] 2004 te [plaats 3] , Syrië, met elkaar te zijn gehuwd. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 augustus 2021 (C\u002F09\u002F606595\u002F FA RK 21-577) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tevens is, voor zover van belang, bepaald dat het aangehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking, dat de financiële behoefte van de minderjarige op een bedrag van € 165,00 per maand wordt bepaald en dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op nihil wordt bepaald zo lang de draagkracht daarvoor ontbreekt en dat de door de man [de rechtbank begrijpt: aan de vrouw] te betalen uitkering tot levensonderhoud op nihil wordt bepaald, zo lang de draagkracht daarvoor ontbreekt.\n\n2.6.. Het op 23 december 2020 opgemaakte echtscheidingsconvenant houdt onder meer het volgende in:\n\n“IN AANMERKING NEMENDE DAT:\n\n1. Partijen zijn op [datum 2] 2004 te [plaats 3] (Syrië) (…) gehuwd. Het huwelijk is door partijen bij de Nederlandse ambassade te [plaats 3] geregistreerd.\n\n2. De vrouw is na het huwelijk naar Nederland gereisd. De man is – nadat hij een visum verkreeg – naar Nederland gekomen.\n\n(…)\n\n4. De man woont thans in België, omdat hij daar zijn kans om betalend werk te vinden groter acht.\n\n(...)\n\nSTELLEN VAST EN KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:\n\n(…)\n\nPartneralimentatie\n\nArtikel 2\n\nDe vrouw maakt aanspraak op partneralimentatie voor de wettelijk bepaalde maximale termijn. De man, die thans een WIA-uitkering ontvangt, heeft geen draagkracht om partneralimentatie aan de vouw te betalen. (…)\n\nVerdeling der huwelijksgoederengemeenschap\n\nArtikel 4.1\n\nPartijen gaan hierbij over tot verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. De verdeling en de daaruit voortvloeiende leveringen vinden plaats onder de opschortende voorwaarde van de ontbinding van het huwelijk door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.\n\n(...)\n\nArtikel 4.3\n\nDe huwelijksgoederengemeenschap bestaat uit een auto (…) en de inboedel van de echtelijke woning. Partijen hebben de waarde van de auto geschat op € 3.000,00 en de waarde van de inboedel op € 6.000,00. De auto wordt toegescheiden aan de man en de inboedel aan de vrouw.\n\nArtikel 4.4\n\nDe volgende schulden van partijen worden toegescheiden aan de man: [volgt opsomming van diverse schulden tot een bedrag van circa € 2.225,00, rb.]. De man verbindt zich jegens de vrouw om deze schulden als eigen schuld af te lossen.\n\nDe volgende schulden van partijen worden toegescheiden aan de vrouw, met dien verstande dat als de gezamenlijke schulden niet de Belastingdienst worden kwijtgescholden, partijen over de betaling van die schulden met elkaar in overleg gaan; [volgt opsomming van diverse (belasting)schulden tot een bedrag van circa € 5.986,00, rb]. De vrouw verbindt zich jegens de man om deze schulden als eigen schuld af te lossen.\n\n(…)\n\nArtikel 4.6\n\nEr zijn geen bankrekeningen met een creditsaldo.\n\n(…)\n\nArtikel 4.9\n\nPartijen verklaren uitdrukkelijk dat behoudens de hierboven genoemde goederen, vorderingen op en van derden en overige rechten geen andere goederen, vorderingen en rechten tot de huwelijksgoederengemeenschap, waarin zij zijn gehuwd, behoren.\n\n(…)\n\nArtikel 6.3\n\nPartijen verklaren, dat wanner de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap conform deze overeenkomst is gerealiseerd zij niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben en dat zij elkaar dienovereenkomstig nu, voor alsdan, algehele kwijting verlenen.”\n\nIn het echtscheidingsconvenant is niets vermeld over een bruidsgave.\n\n2.7.. Op 16 september 2021 is de onder 2.5. vermelde echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hierdoor is het Syrische huwelijk (zie 2.4) ontbonden.\n\n2.8.. \n\nBij de, door beide partijen ondertekende, akte van 27 november 2024 heeft een\n\nreligieuze echtscheiding plaatsgevonden. Blijkens de hiervan door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling houdt de akte onder meer het volgende in:\n\n“Akte van Religieuze Echtscheiding\n\n(…)\n\nHet type van de echtscheiding: Religieuze echtscheiding, afstoten eerste beurt\n\nDe autoriteit voor het uitvaardigen van een lokaal echtscheidingsbeschikking; Rechtbank Den Haag, Nederland (…)\n\nEchtscheidingsbeschikking: 12 augustus 2021, (…) Nummer: C\u002F09\u002F606595\u002FFA-RK 21-577\n\n(…)\n\nGegevens van de echtscheidingsgever (man)\n\n(…) [de man] (…)\n\nGegevens van de echtscheidingsnemer (vrouw):\n\n(…) [de vrouw] (…)\n\nBeschrijving van de scheiding:\n\nHierdoor wordt het optreden van echtscheiding tussen het in dit document genoemde echtpaar volgens afstoten verklaard. Het is te vermelden dat mevrouw [de vrouw] van duizend munten van haar bruidsgave, die duizenddriehonderd vierenvijftig hele Bahar Azadi-munten, afgezien, voor de instemming van haar man met de echtscheiding. Zij eist de rest van de bruidsgave die driehonderdvierenvijftig hele Bahar Azadi-munten is. Mevrouw [de vrouw] zal beslissen over hoe en wanneer de rest van de bruidsgave geïnd moet worden.\n\nEerste getuige:\n\n(….)\n\nTweede getuige:\n\n(…)\n\nReligieuze echtscheiding werd voltrokken door aan alle geldige voorwaarden te voldoen. (…)\n\nDe plaats van uitvoering van de religieuze echtscheiding: Stad: [plaats 4] , Land: Nederland\n\n(….)\n\nDe voor- en achternaam van de uitvoerder van de religieuze echtscheiding, [iman] , de iman van het Sadeghieh Cultureel Centrum en leraar islamitische wetenschappen, en adviseur voor religieuze zaken, nationaliteit: Nederlandse (…)”\n\n2.9.. Bij brief van 26 maart 2025 heeft de vrouw de man gesommeerd om binnen vijftien dagen na bezorging van deze brief 353 volle (1) gouden Bahar-e Azadi munten aan haar over te dragen dan wel de waarde daarvan in euro’s à € 275.445,00 aan haar te vergoeden.\n\n2.10.. De man heeft de bruidsgave niet aan de vrouw voldaan.\n\n2.11.. De man ontvangt een WIA-uitkering van laatstelijk € 1.489,09 netto per maand.\n\n2.12.. De vrouw heeft de Iraanse nationaliteit. De man heeft in elk geval de Iraakse nationaliteit en inmiddels ook de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. De vrouw vordert – samengevat – dat de rechtbank de man bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt om binnen vier weken na betekening van dit vonnis 353 volledige Bahar-e Azadi gouden munten aan de vrouw te overhandigen, of een equivalent daarvan in euro’s ter hoogte van € 275.445,00, aan de vrouw te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede de man veroordeelt tot betaling van € 3.814,19 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van de man in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis.\n\n3.2.. De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. \n\nDe man betwist dat de vrouw aanspraak kan maken op betaling van de bruidsgave. Hij voert onder meer tot verweer dat de vrouw niet de huwelijksakte heeft overgelegd waaruit de aanspraak op de door haar gestelde bruidsgave blijkt. De man legt het echtscheidingsconvenant over. Hij beroept zich op het echtscheidingsconve-nant en de daarin opgenomen finale kwijting. De bruidsgave is daarin meegenomen. Als de vrouw de aanspraak op de bruidsgave heeft verzwegen, heeft zij deze aan de man verbeurd. Als finale kwijting toch niet ziet op de bruidsgave omdat dit een aanspraak sui generis is, kan dit uitsluitend zien op de Syrische voorwaarden.\n\nDe man stelt dat de status van het Iraanse huwelijk onduidelijk is. Een eventueel Iraanse voorwaarde geldt dan als een gewone overeenkomst die, indien zij nog bestaat, hetgeen de man betwist, onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht valt en geraakt wordt door het finale kwijtingsbeding.\n\nDe vordering tot nakoming van de bruidsgave is volgens de man inmiddels verjaard.\n\nHij beroept zich verder op artikel 22 van de Iraanse wet op de gezinsbescherming (2012). Dit artikel verplicht de rechter de draagkracht van de man mee te wegen. De man kan de vordering van de vrouw onmogelijk voldoen: hij ontvangt een WIA-uitkering. Daarom moet de vordering worden afgewezen dan wel gematigd of uitgesteld tot hetgeen de man gelet op zijn daagkracht redelijkerwijs kan voldoen.\n\nIn reconventie\n\n3.4.. In reconventie vordert de man de vrouw te veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie en in reconventie\n\nRechtsmacht\n\n4.1.. Partijen wonen beiden in Nederland. Tussen hen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van de bij dagvaarding ingeleide vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave kennis te nemen. De rechtbank is ook van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is daarover te oordelen.\n\nToepasselijk recht\n\n4.2.. De vrouw vordert (naar inmiddels genoegzaam is gebleken en de man ook heeft begrepen) betaling van de bruidsgave op grond van het Iraanse huwelijk (zie 2.2). Bij het Syrische huwelijk is immers niet overeengekomen dat de man aan de vrouw een bruidsgave van hele gouden Bahar-e Azadi munten zal overhandigen. Beide partijen zijn het er over eens dat de vordering van de vrouw moet worden beoordeeld naar Iraans recht. De rechtbank deelt dat standpunt. Zij licht dat als volgt toe.\n\n4.3.. \n\nOm te bepalen welk recht op de bruidsgave van toepassing is volgens het Nederlands internationaal privaatrecht moet deze eerst worden gekwalificeerd. Daarvoor is het volgende van belang. De bruidsgave vormt een essentieel onderdeel van het huwelijk in Iran. De wettelijke regeling van de Iraanse bruidsgave is te vinden in art. 1078 t\u002Fm 1101 Iraans BW. De bruidsgave betreft een overeenkomst waarbij de man in het kader van de huwelijksvoltrekking zich ertoe verbindt om een geldbedrag, een bepaalde hoeveelheid goud of iets anders van waarde aan de vrouw te geven. De aard en omvang van de bruidsgave kunnen partijen zelf bepalen. De bruidsgave is geen vereiste voor een rechtsgeldig huwelijk. Als partijen hebben nagelaten om afspraken te maken over de bruidsgave, is de vrouw gerechtigd tot een redelijke bruidsgave.\n\n De bruidsgave wordt doorgaans vermeld in de huwelijksakte. De bruidsgave is een exclusief recht van de vrouw. Zij is vanaf de huwelijksvoltrekking eigenaar van de bruidsgave en kan deze van de man opeisen. In de praktijk wordt een bruidsgave doorgaans niet opgeëist tijdens het huwelijk. Partijen kunnen ook afspreken dat een (beperkt) deel van de bruidsgave bij de huwelijksvoltrekking wordt voldaan en het resterende deel wordt uitgesteld tot het einde van het huwelijk. De bruidsgave dient (mede) als financieel vangnet voor de vrouw in geval van echtscheiding. Dit moet worden gezien in het licht van het wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen (behoudens andersluidende afspraken) en het (nagenoeg) ontbreken van een wettelijke aanspraak op levensonderhoud na echtscheiding voor de vrouw.\n\n4.4.. Het Nederlandse rechtssysteem kent de bruidsgave niet. De bruidsgave wordt in Nederland gekwalificeerd als een rechtsfiguur sui generis(een eigensoortige rechtsfiguur), die niet valt binnen één van de bestaande IPR-verwijzingscategorieën, zoals alimentatie of huwelijksvermogensrecht. Omdat de bruidsgave onlosmakelijk met het huwelijk verbonden is, ligt inbedding in het huwelijksrecht voor de hand.De rechtbank gaat er daarom vanuit dat op de bruidsgave het recht van toepassing is volgens welke het huwelijk is gesloten. In dit geval is dat Iraans recht. De vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave wordt daarom beoordeeld naar Iraans recht. Deze uitkomst strookt met de basisgedachte binnen het conflictenrecht om een rechtsverhouding onder te brengen bij het recht dat het nauwst is betrokken bij die rechtsverhouding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.5.. Op de mondelinge behandeling van 24 september 2025 is met partijen besproken het voornemen van de rechtbank om advies te vragen aan het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag (hierna: het IJI) in verband met de omstandigheid dat de Nederlandse rechtspraak in toenemende mate wordt geconfronteerd met de bruidsgave, in het bijzonder de Iraanse variant, en de daaraan verbonden juridische complicaties, die zich ook in deze zaak voordoen. In Iran worden nogal eens exorbitant hoge bruidsgave afspraken gemaakt, en de Iraanse echtscheidingsregeling en praktijk wijken (aanzienlijk) af van de Nederlandse praktijk.Hierdoor ontstaan regelmatig problematische situaties. De rechtbank ziet er bij nader inzien vanaf advies aan het IJI te vragen, nu de vordering van de vrouw op een voorliggend punt afstuit. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.\n\n4.6.. De vrouw vordert betaling van de bruidsgave op grond van het Iraanse huwelijk (zie 2.2). Dit huwelijk is niet in de GBA geregistreerd. De status van het Iraanse huwelijk in Nederland is onduidelijk. Als het Iraanse huwelijk in Nederland niet als rechtsgeldig kan worden erkend, dan kan de vrouw ook niet de in de huwelijksakte van dat huwelijk opgenomen bruidsgave vorderen. Immers, als een huwelijk in Nederland niet rechtsgeldig is, kunnen hier aan dat huwelijk geen rechten worden ontleend. De bruidsgave is onlosmakelijk met het Iraanse huwelijk verbonden.\n\n4.7.. Of het Iraanse huwelijk in Nederland kan worden erkend is een beslissing die (uiteindelijk) aan de familierechter is voorbehouden. Er loopt op dit moment geen procedure; gesteld noch gebleken is dat partijen of één van hen voornemens is\u002Fzijn om een dergelijke procedure te starten. Het had op de weg van de vrouw gelegen om over de status van het Iraanse huwelijk in Nederland duidelijkheid te verschaffen. Bij deze stand van zaken wordt haar vordering tot betaling van de bruidsgave afgewezen.\n\n4.8.. Hieraan voegt de rechtbank, ten overvloede, het volgende toe. De rechtbank acht niet uitgesloten dat een familierechter, als daartoe een verzoekschrift wordt ingediend, zal oordelen dat erkenning van het Iraanse huwelijk in dit bijzondere geval in strijd komt met de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 10:32 van het Burgerlijk Wetboek. Immers, partijen hebben het Iraanse huwelijk in Nederland niet bij de bevoegde autoriteiten gemeld. Partijen hebben zich weliswaar al die jaren in de Nederlandse rechtssfeer gedragen als waren zij met elkaar gehuwd, maar dan op basis van het Syrische huwelijk. Het Syrische huwelijk hebben partijen hier wel laten registreren. Het Syrische huwelijk is inmiddels al jaren geleden ontbonden, door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een door een Nederlandse rechter uitgesproken echtscheiding (zie 2.7). Erkenning van het Iraanse huwelijk zou betekenen dat partijen in Nederland nog steeds als met elkaar gehuwd moeten worden aangemerkt, terwijl zij hier al jaren als van elkaar gescheiden staan geregistreerd.\n\n4.9.. Alle overige verweren behoeven geen bespreking meer.\n\nProceskosten\n\n4.10.. Aangezien partijen (voormalige) echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie en in reconventie:\n\n5.1.. wijst het gevorderde af,\n\n5.2.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Vgl. Hof Den Haag 18 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1153, r.o. 6.1.\n\n Ontleend aan par. 3.3 van de conclusie van A-G mr. Ibili van 22 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:509.\n\n Noot Th.M. de Boer onder Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2188HR, NJ 2020\u002F22, par. 3.\n\n Conclusie A-G mr. Ibili van 22 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:509.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17334","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.036Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":35,"updatedAt":53},"346","ECLI:NL:RBDHA:2026:17375","ecli-nl-rbdha-2026-17375","Rechtbank Den HAAG\n\nMeervoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-3228\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F702557\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Internationale kinderontvoering\n\nBeschikking in het kader van het op 1 april 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een voor de rechtbank bekend adres in Portugal,\n\nadvocaat: mr. R.H. Ebbeng te Veldhoven.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een voor de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift van 1 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.\n\nOp 14 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn\n\nverschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk I. Harderman (telefonisch);\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\nHet betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A. Emmens. De behandeling op de zitting is aangehouden.\n\nNa genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van\n\ncrossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum\n\nInternationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 30 april 2026\n\nheeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is\n\ngeslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.\n\nBij beschikking van deze rechtbank van 1 mei 2026 is vervolgens drs. A. van Teijlingen benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .\n\nDe rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:\n\nhet verweerschrift van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;\n\nhet verslag van de bijzondere curator van 10 mei 2026.\n\nOp 13 mei 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk, in de Portugese taal, J.M. van der Boom;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam] namens de Raad;\n\nA. van Teijlingen als bijzondere curator.\n\nDoor de advocaat van de vader zijn op de zitting pleitnotities overgelegd.\n\nFeiten\n\nDe vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland].\n\nDe moeder heeft een kind uit een eerdere relatie, [minderjarige 2] , van thans 8 jaar oud. De moeder heeft samen met de vader van [minderjarige 2] het gezag over haar.\n\nDe vader heeft [minderjarige 1] erkend.\n\nDe vader en de moeder oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] uit.\n\nOp 10 augustus 2025 heeft de moeder met [minderjarige 1] de woning van de ouders in Portugal verlaten en kort daarna is zij met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland vertrokken.\n\nDe vader heeft de Portugese en Kaapverdische nationaliteit, de moeder en [minderjarige 1] hebben blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) de Nederlandse nationaliteit.\n\nDe vader heeft zich op 14 november 2025 gewend tot de Portugese Centrale Autoriteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe vader heeft verzocht:\n\n met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te bevelen, althans de terugkeer van [minderjarige 1] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder [minderjarige 1] dient terug te brengen naar haar woonadres te [adres] , [plaats 1] , Portugal, dan wel – indien de moeder nalaat [minderjarige 1] terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder [minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de [minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar haar woonadres te [adres] , [plaats 1] , Portugal;\n\n de vader te machtigen, althans hem toestemming te verlenen om deze beschikking zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;\n\n de moeder te veroordelen in de nader te specificeren proceskosten aan de zijde van de vader gevallen ingevolge artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet en de kosten van deze procedure,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nRechtsmacht\n\nHet verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Portugal zijn partij bij het Verdrag.\n\nDe Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.\n\nHet Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.\n\nOngeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag\n\nEr is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of\n\ngezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).\n\nGewone verblijfplaats en gezag\n\nTussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige 1] onmiddellijk voor haar overbrenging naar Nederland haar gewone verblijfplaats in Portugal had, dat de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] zijn belast en dat zij dit gezag daadwerkelijk gezamenlijk uitoefenden op het tijdstip van de overbrenging, dan wel dat dit gezag gezamenlijk zou zijn uitgeoefend als de moeder niet met [minderjarige 1] naar Nederland zou zijn vertrokken. Evenmin is in geschil dat de vader geen toestemming heeft gegeven aan de moeder voor de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland.\n\nVoor zover de moeder heeft betoogd dat zij toestemming heeft van de Portugese autoriteiten voor de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland en om hier samen te blijven en dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] door een beslissing van de Portugese autoriteiten is gewijzigd van Portugal naar Nederland, gaat de rechtbank hier niet in mee. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nDe moeder voert aan dat zij een beschikking heeft gekregen van de Portugese rechtbank waaruit blijkt dat zij vervangende toestemming heeft gekregen voor haar vertrek naar Nederland. Omdat in die beschikking ook is aangegeven “Aangezien zij momenteel op Nederlands grondgebied woont, moet aldaar over de regeling voor de ouderlijke macht worden beslist” is de moeder van mening dat haar verblijf in Nederland rechtmatig is en dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] bij dit rechterlijk besluit is gewijzigd naar Nederland.\n\nDe moeder heeft genoemde beschikking met Nederlandse vertaling overgelegd als productie 7. Dit document heeft als titel ‘Departamento de Investigagào e Agào Penal Regional de Lisboa’, als ondertitel ‘administratieve procedure’ en is op 24 september 2025 ondertekend door de officier van justitie. Het is aan de moeder verstrekt door een justitieel medewerker bij brief van 20 januari 2026.\n\nNu deze beschikking dateert van ná het vertrek van de moeder met [minderjarige 1] naar Nederland, is dus in ieder geval geen sprake van voorafgaande toestemming van de Portugese autoriteiten die de toestemming van de vader kon vervangen. Echter, ook als de beschikking moet worden beschouwd als een bekrachtiging van reeds in Portugal door de autoriteiten mondeling gegeven toestemming om met [minderjarige 1] naar Nederland te vertrekken, kan deze niet de toestemming van de vader vervangen. Evenmin kan de beschikking worden beschouwd als een wijziging van de hoofdverblijfplaats. De rechtbank legt dat als volgt uit.\n\nDe overwegingen van de beschikking luiden als volgt:\n\nZoals blijkt uit het raadplegen van het onderzoek, alsmede uit de voorgaande berichten, bevindt de moeder zich momenteel met de minderjarige in Nederland.\n\nNadat hiernaar onderzoek is gedaan, heb ik niet kunnen vaststellen dat er een civiele voogdijprocedure loopt in naam van de minderjarige of de vader;\n\n*\n\nGezien de inhoud van de voorgaande eisen, wordt er geen onrechtmatigheid gezien in het gedrag van de moeder door naar Nederland te reizen met de minderjarige, omdat er geen enkele voorziening nodig is.\n\nWelnu, uit deze stukken alsmede uit het raadplegen van onderzoek [nummer], blijkt dat:1. De moeder haar adres heeft doorgegeven, ofwel in de processtukken, ofwel aan de gedaagde;2. Voordat zij deze reis heeft gemaakt, verbleef zij in een Blijf-van-mijn-lijf huis vanwege vermeend huiselijk geweld, een procedure die loopt onder Onderzoek [nummer];3. Zij is teruggegaan naar haar land van herkomst waar zij familieleden heeft die haar kunnen helpen, en die zij niet heeft in dit land, vooral in een heel instabiele en angstige periode, omdat zij bang was slachtoffer te worden van psychische en fysieke agressie;4. en haar vader zat in zijn terminale fase en is uiteindelijk ook overleden;\n\nDeze feiten leiden ertoe dat er begrip voor is dat zij dit nationale grondgebied heeft verlaten uit noodzaak, die van haar en die van haar dochter die zij samen met haar agressor heeft, omdat de dochter als getuige van deze agressie tevens slachtoffer is.\n\nDerhalve wordt het als rechtmatig beschouwd dat zij de minderjarige heeft meegenomen en wordt haar gedrag op geen enkele wijze als onrechtmatig beschouwd.\n\nAangezien zij momenteel op Nederlands grondgebied woont, moet aldaar over de regeling voor de ouderlijke macht worden beslist;\n\nDe moeder moet worden geïnformeerd over dit deel van de beschikking;\n\n*\n\nEr moet 60 dagen gewacht worden voordat het onderzoek wordt voortgezet\n\nUit de overgelegde stukken en de verklaringen van de moeder op zitting, leidt de rechtbank af dat de beschikking moet worden gelezen in samenhang met de (ongedateerde) e-mails die de moeder als productie 9 heeft overgelegd en die kennelijk eind augustus 2025 zijn verzonden. In één van de twee overgelegde e-mailberichten, schrijft de moeder het volgende:\n\nMijn jongste dochter, [minderjarige 1] , en ik bevinden ons momenteel in Nederland. Wij hebben op 20-08-2025 aangifte gedaan bij het politiebureau van [plaats 2] en de rechtbank (zie bijlage). Wij kwamen negen dagen geleden aan in Nederland nadat wij in een noodopvang voor slachtoffers van huiselijk geweld hadden verbleven. Ik, [de moeder] , kom uit Nederland en heb in Portugal geen familie of sociaal vangnet.\n\nNu is mijn opa van moederskant overleden op zondag [datum 1] 2025 en de uitvaart was op\n\nzaterdag [datum 2] 2025. In de week voorafgaand aan de uitvaart heb ik gesproken met een\n\nadvocaat via CRIAR-T (de hulpverleningsdienst voor slachtoffers) om te vragen of ik,\n\naangezien de zaak nog aanhangig is, naar mijn geboorteland mocht reizen voor de uitvaart en daar mocht verblijven tot aan de rechtszaak. Er werd mij verteld dat dit geen probleem was, zolang ik de autoriteiten (politie en rechtbank) zou informeren waar ik tijdelijk zou verblijven, zodat de gerechtelijke mededelingen verzonden konden worden.\n\nHet adres waar wij momenteel verblijven, het huis van mijn moeder, is: (…)\n\nNaar ik heb begrepen, heb ik een verklaring van het Openbaar Ministerie nodig om mijn\n\nverblijf in Nederland tot aan de rechtszaak toe te staan. Wij zijn momenteel betrokken bij een zaak van huiselijk geweld. Kunt u deze informatie bevestigen en, indien dit het geval is, een schriftelijke verklaring hiervoor verstrekken? Tevens verzoek ik om de start van de regeling van de ouderlijke verantwoordelijkheid.\n\nDe beschikking is afgegeven door de officier van justitie die leiding geeft aan strafzaken. Als de beschikking wordt gelezen in samenhang met genoemd e-mailbericht, blijkt dat het gaat om een rechtmatigheidsoordeel over een tijdelijk verblijf van [minderjarige 1] in Nederland. De rechtbank begrijpt de beschikking als een beslissing in een strafrechtelijk kader waarbij de moeder hangende een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van de moeder tegen de vader, samen met [minderjarige 1] Portugal mocht verlaten. De beschikking heeft daarmee niet het karakter van een gezagsbeslissing die in Nederland op grond van artikel 30 Brussel II-ter voor erkenning in aanmerking komt. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet is gebleken dat aan de beslissing van de officier van justitie een behoorlijk onderzoek of een behoorlijke rechtspleging vooraf is gegaan. De vader is niet in de procedure betrokken en evenmin is sprake van een maatregel als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub b Brussel II-ter. De rechtbank gaat daarom aan deze beschikking voorbij. Aan de beschikking kan daarom geen vervangende toestemming aan de moeder worden ontleend om met [minderjarige 1] in Nederland te blijven en evenmin kan op basis van deze beschikking worden aangenomen dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] is gewijzigd. De rechtbank stelt daarom vast dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] nog steeds Portugal is.\n\nNu de vader noch de Portugese autoriteiten toestemming hebben gegeven voor de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland en de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Portugees recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.\n\nOnmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag\n\nIngevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.\n\nNu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige 1] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden.\n\nDe moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 20 van het Verdrag.\n\nWeigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag\n\nOp grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.\n\nDe moeder stelt dat bij een terugkeer naar Portugal er ernstig risico bestaat dat [minderjarige 1] wordt blootgesteld aan lichamelijk en geestelijk gevaar of daardoor op een andere manier in een ondragelijke toestand komt. Er was volgens de moeder sprake van huiselijk geweld, zowel psychisch als fysiek. De vader kwam ook regelmatig onder invloed van alcohol thuis. De moeder was vaak het slachtoffer van het geweld, maar geeft aan dat de vader ook wel eens zijn boosheid op [minderjarige 1] heeft gericht. [minderjarige 1] is in ieder geval meerdere malen getuige geweest van het huiselijk geweld jegens de moeder. Na een incident op 10 augustus 2025 heeft de moeder aangifte gedaan van huiselijk geweld waarna zij vervolgens noodgedwongen tien dagen in een safe house in Portugal heeft verbleven. De moeder stelt ook dat zij de primaire verzorger is van [minderjarige 1] en dat [minderjarige 1] bij een terugkeer naar Portugal van haar primaire verzorger en van haar halfzus [minderjarige 2] (met wie zij als sinds de geboorte in familieverband samen woont) zal worden gescheiden. De moeder kan namelijk niet terugkeren naar Portugal. Zij kan niet samen met de vader wonen in hun gezamenlijke woning en heeft inmiddels geen werk meer in Portugal, waardoor zij ook geen andere woning kan krijgen. De vader weigert de woning van partijen te verlaten. De moeder heeft in Portugal geen familie of vrienden waar zij met haar twee kinderen kan verblijven. In Nederland heeft zij inmiddels alles geregeld qua medische zaken en opvang, en een eigen inkomen en woning. Er loopt nog een strafrechtelijk onderzoek in Portugal waardoor de kans bestaat dat de vader wordt vervolgd en veroordeeld in Portugal. Het is bovendien voor de andere dochter van de moeder ook niet meer veilig om terug te keren gelet op het incident dat zich in Nederland met de vader van die dochter heeft voorgedaan. Veilig Thuis is toen betrokken geraakt bij het gezin en de moeder en de kinderen krijgen nu ondersteuning van Veilig Thuis en Stichting Moviera voor het verwerken van hun trauma’s. Dat betekent dat als de terugkeer van [minderjarige 1] wordt gelast, zij in een ondragelijke toestand wordt gebracht.\n\nDe vader betwist dat [minderjarige 1] bij terugkeer naar Portugal wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De vader weerspreekt dat er sprake was van overmatig alcoholgebruik en stelt dat er sprake was van een gelijk verdeelde zorg voor [minderjarige 1] . De vader heeft ook ouderschapsverlof opgenomen om samen met de moeder voor [minderjarige 1] te kunnen zorgen. Ook nadien verrichtte de vader verschillende zorgtaken. Hij bracht beide kinderen, dus niet alleen [minderjarige 1] maar ook [minderjarige 2] , bijvoorbeeld naar school en hij gaf vrijwillig capoeira les op de crèche van [minderjarige 1] . De vader erkent dat er een incident heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2025, maar heeft hier een andere visie op dan de moeder. De moeder heeft aangifte gedaan tegen de vader, maar de vader heeft ook aangifte gedaan tegen de moeder. De vader is in het kader van het strafrechtelijk onderzoek nog niet door de politie verhoord en het onderzoek loopt nog. Veilig Thuis is betrokken geraakt naar aanleiding van een incident met de vader van de andere dochter van de moeder. Vader en [minderjarige 1] hebben een goede band en de vader wijst erop dat de Raad heeft bevestigd dat [minderjarige 1] tijdens de begeleide contacten in Nederland goed op de vader reageerde en dat de vader goed aansluit bij [minderjarige 1] . Ook is niet gebleken dat de vader [minderjarige 1] fysiek iets heeft aangedaan of dat [minderjarige 1] een trauma heeft opgelopen als gevolg van het handelen van de vader. Als de moeder niet met [minderjarige 1] mee kan terugkeren naar Portugal, kan hij voor haar zorgen. De vader heeft met zijn werkgever overlegd en kan van ploegendienst naar een normale dienst, zodat hij [minderjarige 1] kan brengen en halen van de crèche en voor haar kan zorgen.\n\nDe bijzondere curator heeft aangegeven dat zij in het gesprek met [minderjarige 1] een heel leuk en enthousiast kind heeft gezien dat ook enthousiast heeft gereageerd op de foto’s van beide ouders.\n\nDe Raad zag geen risico’s voor onbegeleide omgang, maar heeft op het verzoek van de moeder twee keer de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] begeleid. De Raad heeft geen zorgen over de interactie tussen de vader en [minderjarige 1] . [minderjarige 1] was heel blij om de vader te zien. Er was een liefdevolle interactie tussen de vader en [minderjarige 1] .\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het doel en de strekking van het Verdrag met zich brengen dat de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd en dat een beroep daarop slechts in extreme situaties kan worden gehonoreerd.\n\nAls uitgangspunt geldt daarom dat terugkeer in het belang van [minderjarige 1] is en dat terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. Dit houdt in dat de rechter van de aangezochte staat de in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten, enkel op grond van het oordeel dat het belang van [minderjarige 1] in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar [minderjarige 1] haar uiteindelijke hoofdverblijf dient te hebben, moet plaatsvinden in een bodemprocedure en past niet in deze procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen. Ook kan de dreigende scheiding van een kind van een van de ouders slechts onder stringente voorwaarden de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van een ernstig risico dat een kind wordt blootgesteld aan het gevaar als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.\n\nDe rechtbank oordeelt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat er een ernstig risico bestaat dat [minderjarige 1] door haar terugkeer naar Portugal zal worden blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, of dat [minderjarige 1] op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de moeder haar stelling dat zij niet veilig terug kan keren naar Portugal omdat sprake is geweest van huiselijk geweld, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door de moeder overgelegde aangifte volledig is gebaseerd op de eigen verklaring van de moeder. De vader heeft het relaas van de moeder betwist. Beide ouders hebben op de zitting verklaard dat het onderzoek in de strafrechtelijke procedure in Portugal nog loopt, waardoor niet is komen vast te staan wat er daadwerkelijk gebeurd is op 10 augustus 2025. De rechtbank overweegt voorts dat in (aanvullingen op) het proces-verbaal is opgenomen dat er getuigen zijn van het incident en dat de moeder heeft verklaard dat de vader haar schriftelijk heeft bedreigd, maar dat de moeder geen verklaringen van deze getuigen, noch afschriften van de bedreigende berichten van de vader heeft overgelegd. Daarnaast heeft de moeder geen stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat al voor 10 augustus 2025 sprake is geweest van psychisch of fysiek huiselijk geweld.\n\nDat er van de vader van [minderjarige 2] een zodanige dreiging uitgaat dat de moeder en [minderjarige 2] niet veilig kunnen terugkeren naar Portugal, is evenmin onderbouwd. De gestelde problemen met de vader van [minderjarige 2] zijn door de moeder uitsluitend onderbouwd met een verslag van Veilig Thuis, maar ook deze melding bevat enkel een weergave van het relaas van de moeder. Andere stukken waaruit bedreigingen door de vader van [minderjarige 2] zouden kunnen blijken, zijn niet overgelegd.\n\nTen overvloede wijst de rechtbank erop dat in Portugal hulpverlening en\u002Fof bescherming voor de moeder, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] beschikbaar is. Zij zijn eerder goed opgevangen door de Portugese autoriteiten (eerst in een hotel en daarna in een safe house met beveiliging). De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de Portugese autoriteiten [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de moeder na terugkeer geen adequate bescherming zouden kunnen of willen bieden.\n\nDe Raad heeft bovendien op de zitting aangegeven dat zij een zorgmelding kan doen bij de Portugese Centrale autoriteit zodat de eventueel noodzakelijke hulpverlening voor de moeder en de kinderen in Portugal makkelijker kan worden geregeld.\n\nDat [minderjarige 1] bij terugkeer naar Portugal in een ondragelijke toestand zou worden gebracht, omdat zij dan gescheiden zou worden van haar moeder en halfzus, volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat de moeder bij terugkeer naar Portugal niet in staat zou zijn om een baan en een woning te vinden. Aan de door de moeder gestelde praktische bezwaren bij de terugkeer, gaat de rechtbank daarom voorbij.\n\nTot slot stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat de vader van [minderjarige 2] zich zal verzetten tegen een terugkeer van [minderjarige 2] met haar moeder naar Portugal. De vader van [minderjarige 2] heeft zijn gewone verblijfplaats immers net als de vader in Portugal.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag faalt.\n\nWeigeringsgrond ex artikel 20 van het Verdrag\n\nDe moeder heeft ook een beroep gedaan op artikel 20 van het Verdrag. Op grond van artikel 20 van het Verdrag kan de terugkeer van het kind overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Verdrag worden geweigerd wanneer deze op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte Staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet zou zijn toegestaan. Deze bepaling moet worden gezien in samenhang met het Verdrag van Istanbul dat staten verplicht om geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorkomen, slachtoffers te beschermen en daders te vervolgen.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat artikel 20 van het Verdrag ziet op uitzonderlijke gevallen waarin wordt aangetoond dat het kind in de staat van herkomst tekort dreigt te worden gedaan in de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een dergelijke weigeringsgrond. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het huiselijk geweld en de beschikbare adequate voorzieningen in Portugal.\n\nConclusie\n\nNu geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid b en artikel 20 van het Verdrag en ook niet is gebleken dat er sprake is van een van de overige in het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige 1] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\nOp grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [minderjarige 1] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk maandag 15 juni 2026, zijnde de derde werkdag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.\n\nWijze van terugkeer\n\nDe vader verzoekt specifiek de teruggeleiding van [minderjarige 1] te gelasten naar het woonadres van de voormalig gezamenlijk woning van de ouders in Portugal.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. In artikel 12 van het Verdrag is niet opgenomen naar welke plaats het kind dient te worden teruggeleid. De strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) is dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst zodat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. Het is niet de bedoeling van het Verdrag dat in een teruggeleidingsprocedure wordt beslist over het hoofdverblijf van het kind. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om teruggeleiding van [minderjarige 1] naar de gezamenlijke woning in Portugal te gelasten. De rechtbank zal de teruggeleiding van [minderjarige 1] naar Portugal gelasten.\n\nSterke arm\n\nDe vader verzoekt terugkeer van [minderjarige 1] zo nodig met behulp van de sterke arm te gelasten. O grond van artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.\n\nKosten\n\nDe vader verzoekt te bepalen dat de moeder wordt veroordeeld in de nader te specificeren kosten aan de zijde van de vader gevallen op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet en de kosten van deze procedure.\n\nDe rechtbank overweegt dat op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet de moeder, zo nodig, kan worden veroordeeld tot betaling van de door de vader gemaakte noodzakelijke kosten in verband met de achterhouding en teruggeleiding van [minderjarige 1] . De vader heeft de door hem gemaakte kosten niet nader gespecificeerd zodat het verzoek van vader op dit punt zal worden afgewezen.\n\nWat betreft de kosten van de procedure is uitgangspunt dat deze worden gecompenseerd. De rechtbank kan daar van afwijken als de ernst van de ontvoering daar aanleiding toe geeft. Daarvan is geen sprake zodat de rechtbank de proceskosten zal compenseren.\n\nBijzondere curator\n\nDe rechtbank merkt op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld, beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\ngelast de terugkeer van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland] naar Portugal uiterlijk op maandag 15 juni 2026, waarbij de moeder [minderjarige 1] dient terug te brengen naar Portugal en beveelt, indien de moeder nalaat [minderjarige 1] terug te brengen naar Portugal, dat de moeder [minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 15 juni 2026, opdat de vader [minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar Portugal;\n\n*\n\ncompenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten betaalt;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte;\n\n*\n\nbeschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 27 juni 2026 als beëindigd.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. C.L. Strop, A.M. Brakel en R.S. Matthijssen, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 mei 2026.\n\nVan deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17375","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.420Z",20]