[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-dordrecht-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":55},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},59,"Dordrecht","nl","dordrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121793","Burgerlijk Wetboek","art. 7:17 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121794","art. 7:21 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"121795","art. 6:265 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122603","art. 7:752 lid 2",[36,47],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":46},"280","ECLI:NL:RBROT:2026:7475","ecli-nl-rbrot-2026-7475","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nLocatie Dordrecht\n\nzaaknummer: 11971922 CV EXPL 25-4569\n\ndatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf 1] B.V,\n\nvestigingsplaats: [plaats 1] ,\n\neiseres,\n\ndie zelf procedeert,\n\ntegen\n\n1. [bedrijf 2] V.O.F en haar vennoten2. [bedrijf 3] B.V.,3. [bedrijf 4] B.V.,4. [bedrijf 5] B.V.,\n\nvestigingsplaatsen: (1-3) [plaats 2] , [gemeente 1] ,\n\n (4) [plaats 3] , [gemeente 2] gedaagden,\n\n die zelf procederen,5. [bedrijf 6] B.V.\n\nvestigingsplaats: [plaats] [gemeente 3] ,\n\n gemachtigde: mr. drs. P.J.M. Veuger,\n\ngedaagden.\n\nDe partijen worden hierna [eiseres] , [gedaagden 1-4] (ook voor de vennoten) en [gedaagden 5] genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaardingen van 3 en 4 november 2025, met (aanvullende) bijlagen;\n\nde conclusies van antwoord van [gedaagden 1-4] , met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord van [gedaagden 5] , met bijlagen.\n\n1.2.. \n\nOp 27 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig\n\n [persoon A] , [persoon B] en namens [gedaagden 5] [persoon C] en haar gemachtigde. [gedaagden 5] heeft tijdens de zitting nog een bijlage overgelegd, te weten een e-mail bericht van [bedrijf 7] van 24 maart 2026.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?\n\n2.1.. \n [eiseres] heeft van [gedaagden 1-4] een Opel Vivaro, bouwjaar [bouwjaar] (hierna: de auto) voor een bedrag van € 16.940,- gekocht die op [datum] is geleverd. [gedaagden 5] heeft de auto gefinancierd; zij is juridisch eigenaar en zij heeft de auto aan [eiseres] ter beschikking gesteld en een deel van de koopprijs, te weten een bedrag van € 11.900,-, aan [gedaagden 1-4] betaald. [eiseres] heeft de resterende € 5.040,- aan [gedaagden 1-4] betaald. Als [eiseres] alle leasetermijnen aan [gedaagden 5] heeft betaald is de financiering afgelost en wordt zij eigenaar van de auto.\n\n2.2.. \n [eiseres] is niet tevreden over de auto en zij eist in deze procedure ontbinding van de koop-\u002Fleaseovereenkomst, terugbetaling van de koopprijs en leasetermijnen en een schadevergoeding. Gedaagden zijn het niet met deze eisen eens. [gedaagden 5] betwist dat de auto bij levering niet voldeed aan de overeenkomst en dat zij is tekortgekomen. [gedaagden 1-4] stelt dat de auto (opnieuw) volledig is hersteld.\n\n2.3.. \n [eiseres] krijgt van de kantonrechter ongelijk, dat betekent dat al haar eisen worden afgewezen. Deze beslissing wordt hieronder uitgelegd.\n\nWettelijk kader met betrekking tot non-conformiteit\n\n2.4.. Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW mag een koper verwachten dat de gekochte zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en over de aanwezigheid van die eigenschappen niet hoeft te twijfelen. In het geval van de koop van een (tweedehands) auto geldt kort gezegd als regel dat de auto niet voldoet aan de overeenkomst als het gebruik van de auto door een gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden hersteld een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert.\n\nDe auto voldoet niet aan de koopovereenkomst\n\n2.5.. \n [gedaagden 1-4] en [gedaagden 5] erkennen dat de auto vrij snel na het in gebruik nemen door [eiseres] gebreken vertoonde waaronder het naar links trekken onder het rijden en het verschijnen van storingsmeldingen op het dashboard. [gedaagden 1-4] heeft daarom de auto teruggenomen en laten repareren bij [bedrijf 7] . In de daarop volgende maanden is de auto nog een aantal keren teruggenomen voor soortgelijke reparaties aan het motorische gedeelte. De auto voldeed dus niet aan de overeenkomst ten tijde van de levering. De verkopende partij is dan ook, zoals [eiseres] aanvoert, tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting een auto te leveren die conform de overeenkomst is.\n\nMogelijkheden koper bij non-conformiteit\n\n2.6.. Artikel 7:21 lid 1 BW bepaalt dat de koper in geval van non-conformiteit kan eisen: a) aflevering van het ontbrekende, b) herstel van de afgeleverde zaak of c) vervanging van de afgeleverde zaak. Een vierde mogelijkheid is ontbinding van de koopovereenkomst, voor niet consumenten zoals [eiseres] is dat geregeld in artikel 6:265 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden, behalve als de tekortkoming, gelet op haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt, kunnen, naast de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming, alle omstandigheden van het geval van belang zijn.\n\n2.7.. \n\n [eiseres] eist in deze procedure ontbinding van de koopovereenkomst; zij wil van de auto af. [eiseres] is echter steeds akkoord gegaan met herstel van de autoen de auto is ook steeds hersteld. Pas nadat de auto op 18 september 2025 onder het rijden uitvalt laat [eiseres] [gedaagden 1-4] voor het eerst weten dat zij van de overeenkomst af wil of over wil gaan tot een kosteloze omruil (de enige twee voor haar nog aanvaardbare uitkomsten).\n\n [gedaagden 1-4] biedt aan de auto toch nog een keer te repareren nadat deze is bekeken door een derde partij, te weten [bedrijf 8] . [eiseres] gaat hiermee akkoord en de auto wordt conform de bevindingen van [bedrijf 8] door [bedrijf 7] hersteld. [eiseres] haalt de auto op 27 januari 2026 op maar deze valt weer uit op 6 februari 2026. Daarna besluiten partijen blijkbaar tot een nieuwe reparatie na een inspectie van de auto door\n\n [bedrijf 9] . De auto wordt gerepareerd, APK gekeurd en goed bevonden door [bedrijf 7]en staat tot op heden klaar om te worden opgehaald.\n\n [eiseres] heeft dus niet vastgehouden aan haar wens tot ontbinding van de overeenkomst of een kosteloze omruil maar is meegegaan in de reparatievoorstellen waardoor er op dit moment een volledig herstelde auto klaar staat voor haar. Dat maakt dat er op dit moment geen sprake meer is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst die zo ernstig is dat ontbinding is gerechtvaardigd. De koopovereenkomst wordt dan ook niet ontbonden. Omdat er nu niet ontbonden wordt, blijft de overeenkomst bestaan. [eiseres] kan de bus ophalen.\n\n2.8.. Bij een volgende uitval met betrekking tot dezelfde problemen die van het begin af aan tot reparaties hebben geleid, hoeft [eiseres] geen reparatie meer de accepteren en kan zij de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden door een brief te sturen aan [gedaagden 1-4] dat zij de overeenkomst ontbindt omdat de auto weer dezelfde gebreken vertoont.\n\n2.9.. \n\n [eiseres] heeft nog een beroep gedaan op dwaling. Volgens haar zijn er bij de aankoop gebreken en mogelijke schade aan de auto verzwegen. Zij stelt echter niet dat\n\n [gedaagden 1-4] en [gedaagden 5] wisten van de problemen die zich hebben voorgedaan en dat blijkt ook nergens uit. Daarom slaagt dit beroep op dwaling niet.\n\nSchadevergoeding\n\n2.10.. \n [eiseres] maakt aanspraak op schadevergoeding. Volgens [eiseres] lijdt zij schade doordat zij maanden niet over een bus heeft kunnen beschikken. [eiseres] heeft niet betwist dat zij steeds een leenbus heeft gekregen tijdens de reparaties. Daarom heeft zij niet voldoende uitgelegd dat zij toch schade heeft geleden. Bovendien noemt zij geen bedrag. Er wordt dus geen schadevergoeding toegewezen.\n\nIeder moet de eigen proceskosten dragen\n\n2.11.. Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld moeten zij hun eigen proceskosten dragen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst af de vorderingen van [eiseres] ;\n\n3.2.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.\n\n gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019: 4180\n\n zie haar e-mails van 2 en 9 mei 2025, 16 juli 2025 en 14 september 2025\n\n zie haar e-mail van 19 september 2025\n\n Zie haar e-mail van 24 maart 2026","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7475","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:22.354Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":51,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":45,"updatedAt":54},"830","ECLI:NL:RBROT:2026:6946","ecli-nl-rbrot-2026-6946","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Dordrecht\n\nzaaknummer: 11728957 CV EXPL 25-2276\n\ndatum uitspraak: 18 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nvestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,\n\ntegen\n\n [gedaagde] , (mede) handelend onder de naam [handelsnaam],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\ngedaagde,\n\ndie zelf procedeert.\n\nPartijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 26 mei 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met bijlagen;\n\nhet proces-verbaal van de zitting op 21 mei 2026.\n\n1.2.. Op 21 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon A] namens [eiseres] met mr. D.A.M. Polderman en mr. J.A. Wesdijk namens de gemachtigde. [gedaagde] is, hoewel hij daarvoor op de juiste wijze is opgeroepen, zonder bericht, niet verschenen.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?2.1.. \n [gedaagde] heeft zijn auto ter reparatie aangeboden bij [eiseres] in verband met motorstoringen. Tussen partijen is gesproken over een geschatte reparatiesom van ongeveer € 4.000,00 voor een revisie\u002Freparatie van de huidige motor. [eiseres] heeft vervolgens een motorreparatie uitgevoerd en hiervoor een factuur gestuurd voor een totaalbedrag van € 9.269,23. [gedaagde] was het niet eens met de hoogte van deze factuur en heeft hier direct tegen geprotesteerd. Hij begon echter wel alvast met termijnbetalingen omdat hij vond dat hij in ieder geval een deel van de factuur verschuldigd was. Voorts is tussen partijen gesproken over een onjuiste diagnose met betrekking tot de LPG-installatie waarvoor [eiseres] [gedaagde] financieel heeft gecompenseerd. [gedaagde] heeft in de loop van de tijd in totaal € 4.769,33 aan [eiseres] betaald. [eiseres] eist nu dat hij het restant van € 4.499,90 betaalt, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van € 755,00 en rente die tot 25 mei 2025 € 322,45 bedraagt.\n\n2.2.. \n [gedaagde] is het niet eens met de vordering. Volgens hem hebben partijen een prijs van ongeveer € 4.000,00 afgesproken. [eiseres] heeft de uiteindelijke factuur zonder enig tussentijds overleg of waarschuwing laten oplopen tot € 9.269,23. Bovendien waren de klachten na de motorreparatie toen nog niet verholpen.\n\n2.3.. De kantonrechter wijst de vordering af. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\nDe prijs2.4.. De overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten, kwalificeert als aanneming van werk (artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Vaststaat dat tussen partijen een richtprijs is besproken van ongeveer € 4.000,00. Op grond van artikel 7:752 lid 2 BW geldt dat indien een richtprijs is afgegeven, deze met niet meer dan 10% mag worden overschreden, tenzij de aannemer ( [eiseres] ) de opdrachtgever ( [gedaagde] ) tijdig heeft gewaarschuwd voor een waarschijnlijke overschrijding om zo de opdrachtgever de gelegenheid te geven de opdracht alsnog te beperken of te vereenvoudigen. [eiseres] heeft gesteld dat de meerkosten gaandeweg mondeling zijn besproken. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat dit het geval was. Het is dan aan [eiseres] om te onderbouwen dat de meerkosten zijn besproken en dat zij [gedaagde] hiervoor tijdig heeft gewaarschuwd maar dat heeft zij onvoldoende gedaan. Niet is gebleken dat [gedaagde] expliciet en tijdig is gewaarschuwd dat de kosten zouden oplopen tot € 9.269,23 en dat hij hiermee akkoord is gegaan. De kantonrechter zal daarom een redelijke prijs voor de verrichte werkzaamheden moeten vaststellen. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de omstandigheid dat [gedaagde] uit eigen beweging inmiddels een totaalbedrag van € 4.769,33 heeft betaald, acht de kantonrechter het redelijk en billijk om de uiteindelijke som op exact dit reeds betaalde bedrag vast te stellen. Dit bedrag valt binnen de redelijke marge van de afgegeven richtprijs van “ongeveer € 4.000,00” plus 10%. Omdat [gedaagde] voornoemd bedrag inmiddels al volledig heeft betaald, is hij het restant van € 4.499,90 niet meer verschuldigd. De stelling van [eiseres] dat [gedaagde] de vordering zou hebben erkend door te betalen, wordt gepasseerd omdat uit de overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] direct en consistent heeft geprotesteerd tegen de hoogte van de factuur. De resterende hoofdsom van € 4.499,90 wordt dus afgewezen. Daarmee worden ook de gevorderde incassokosten en rente afgewezen.\n\nProceskosten2.5.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op nul, omdat hij zonder bijstand van een gemachtigde heeft geprocedeerd en niet is gebleken dat hij kosten heeft gemaakt voor deze procedure die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de vordering af;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot nu toe worden begroot op nul.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken.\n\n53954","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6946","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.129Z",20]