[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":45,"limit":46},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},3,{"min":18,"max":18},"2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[21,31,38],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":29,"updatedAt":30},"1887","ECLI:NL:RBNNE:2026:2593","ecli-nl-rbnne-2026-2593","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.169979.23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Dussel, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nzij in of omstreeks de periode van 21 augustus 2019 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (van een totale waarde van ongeveer 23.628,42 euro),\n\nSub b\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf\n\n- en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;\n\n2\n\nzij op of omstreeks 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 2 heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het bewijs volgt uit het feit dat de drugs is aangetroffen in de woning van verdachte en zij heeft verklaard dat er soms cocaïne van haar in de woning lag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, bewezen kan worden verklaard. Zij heeft ten aanzien van de periode aangevoerd dat verdachte vanaf augustus 2020 ging samenwonen met de medeverdachte en dat vanaf dat moment haar rekening is gebruikt om de inkomsten uit drugsverkoop wit te wassen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak feit 2\n\nDe rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat de aangetroffen drugs niet van haar, maar van de medeverdachte was. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte cocaïne verhandelde. De drugs is aangetroffen in een Smintdoosje onder het matras. Op die plek zijn ook twee dealertelefoons van de medeverdachte aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden vindt de rechtbank het aannemelijk dat de drugs van de medeverdachte was en dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van deze drugs in haar woning. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat zij de drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\nVeroordeling feit 1\n\nDe rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 495 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant.\n\nMet betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.\n\nUit de financiële bevindingen en de verklaring van verdachte ter zitting volgt dat haar rekening is gebruikt voor het witwassen van een deel van de opbrengst van de verkoop van drugs door de medeverdachte. De verdachte overboekingen op de rekening van verdachte hebben specifieke kenmerken: het zijn ronde bedragen, veel namen van betalers komen meerdere keren terug, er is sprake van eenrichtingsverkeer, het zijn aannemelijke bedragen voor drugsverkoop en geen aannemelijke bedragen voor de omschrijvingen en er wordt vaak gebruik gemaakt van dezelfde omschrijving. De rechtbank stelt vast dat uit bijlage 3 bij de financiële bevindingen volgt dat vanaf 23 juli 2020 bedragen op de rekening van verdachte zijn overgeboekt die aan de hiervoor genoemde kenmerken voldoen en waarvan dus buiten redelijke twijfel kan worden aangenomen dat deze een criminele herkomst hebben. De rechtbank neemt die datum als startpunt van de periode. De rechtbank acht dus niet bewezen dat de bedragen die voor 23 juli 2020 op de rekening zijn gestort van misdrijf afkomstig zijn. Het betreft een bedrag van 1.385,32.\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023 geld heeft witgewassen en dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte, dat sprake is van medeplegen.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nzij in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, tezamen en in vereniging met een ander, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van een totale waarde van ongeveer 22.243,10)\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl zij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf\n\n- en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\n1. medeplegen van het maken van een gewoonte van het plegen van witwassen\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat een taakstraf een passende afdoening is.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 7 mei 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich gedurende een periode van 3 jaar schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Zij heeft samen met de medeverdachte het geld witgewassen dat hij met cocaïnehandel heeft verdiend. Door het witwassen van crimineel geld wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Witwassen is een ernstig feit.\n\nDe rechtbank neemt bij het bepalen van de straf de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) als uitgangspunt. Daaruit volgt dat een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden of een taakstraf passend is.\n\nNaast de aard en de ernst van het feit houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit haar strafblad volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat zij sinds haar aanhouding niet meer in aanraking is gekomen met justitie.\n\nUit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert, omdat interventies of toezicht niet nodig is. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat.\n\nDe rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in strafverminderende zin mee. Zij heeft ter zitting verantwoordelijkheid genomen voor het door haar gepleegde feit.\n\nDe rechtbank houdt ten slotte rekening met het tijdsverloop. Het heeft na de aanhouding van verdachte op 17 juli 2023 bijna 3 jaar geduurd voordat haar zaak op zitting is behandeld. De redelijke termijn is fors overschreden.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie redelijk. De rechtbank vindt een taakstraf van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\neen taakstraf voor de duur van 120 uren.\n\nBeveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 2 maanden zal worden toegepast.\n\nBeveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nMr. Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2593","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:43.848Z",{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":35,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":36,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":29,"updatedAt":37},"1888","ECLI:NL:RBNNE:2026:2597","ecli-nl-rbnne-2026-2597","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.050574.23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (van een totale waarde van ongeveer 75.763,86 euro),\n\nSub b\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf\n\n- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;\n\n2\n\nhij in of omstreeks de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nOntvankelijkheid van het openbaar ministerie (feit 3)\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van feit 3 niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, omdat het bezit van cocaïne impliciet ook al is ten laste gelegd onder feit 2.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van feit 3.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat de wijze van tenlastelegging waarvoor het openbaar ministerie in deze zaak heeft gekozen niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering. In het bijzonder is geen sprake van een situatie van dubbele vervolging als bedoeld in artikel 68 Wetboek van Strafrecht, nu van een voorafgaande onherroepelijke veroordeling voor hetzelfde feit geen sprake is. Zoals hierna bij de bewezenverklaring zal blijken, komt de rechtbank bovendien niet toe aan de bewezenverklaring van het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde (bezit cocaïne), omdat zij het\n\nimpliciet primair ten laste gelegde (drugs dealen) bewezen acht. Het bezit van cocaïne wordt dus niet zowel onder feit 2 als onder feit 3 bewezen verklaard. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, bewezen kunnen worden verklaard. De raadsman heeft aangevoerd dat voor wat betreft de pleegperiode van feit 1 (witwassen) aansluiting moet worden gezocht bij de pleegperiode van feit 2 (drugs dealen). Verder heeft de raadsman gesteld dat het witgewassen bedrag moet worden verminderd met de bedragen die verdachte van zijn familieleden heeft ontvangen.\n\nOordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nIeder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 594 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 juli 2023, opgenomen op pagina 360 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 1] ;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 december 2022, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 2] ;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 januari 2023, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 3] ;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2023, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;\n\neen kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 juli 2023, opgenomen op pagina 454 e.v. van voornoemd dossier;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 9 augustus 2023, opgenomen op pagina 484 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten.\n\nBewijsoverweging\n\nFeit 1\n\nDe rechtbank overweegt het volgende over de periode van witwassen. Uit het proces-verbaal van financiële bevindingen volgt dat in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 548 verdachte Tikkie-betalingen op de rekening van verdachte zijn gestort. Verdachte heeft bekend dat het merendeel van deze bedragen betalingen waren voor drugs. Deze Tikkie-betalingen hebben specifieke kenmerken: het zijn ronde bedragen, veel namen van betalers komen meerdere keren terug, er is sprake van eenrichtingsverkeer, het zijn aannemelijke bedragen voor drugsverkoop en geen aannemelijke bedragen voor de omschrijvingen en er wordt vaak gebruik gemaakt van dezelfde omschrijving. De rechtbank stelt vast dat een deel van de verdachte Tikkie-betalingen vóór 27 januari 2020 zijn overgemaakt, dus voor de start van de pleegperiode van feit 2. De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van die bedragen buiten redelijke twijfel vast staat dat dit betalingen voor drugs waren, omdat die betalingen precies passen bij de hiervoor genoemde kenmerken. Voor al deze betalingen geldt dus dat het niet anders kan dan dat het hiermee verkregen geld onmiddellijk uit misdrijf afkomstig is.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer dat de bedragen van familieleden moeten worden afgetrokken van het bewezenverklaarde bedrag. Volgens vaste jurisprudentie geldt immers dat in het geval dat van misdrijf afkomstige bedragen zijn vermengd met legale vermogensbestanddelen, het vermengde vermogen behoudens bijzondere omstandigheden die hier niet aan de orde zijn kan worden aangemerkt als mede of deels uit misdrijf afkomstig.\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 geld heeft witgewassen en dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte, dat sprake is van medeplegen.\n\nFeit 2\n\nVerdachte heeft bekend dat hij tot de inval op 17 juli 2023 heeft gehandeld in cocaïne, maar hij heeft aangegeven dat hij de pleegperiode niet precies weet. De rechtbank neemt als startpunt van de periode de verklaring van getuige [getuige 1] (opgenomen als bewijsmiddel 3), waaruit blijkt dat hij vanaf 27 januari 2020 meermalen bedragen heeft overgeboekt naar de rekening van verdachte ter betaling van cocaïne. De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 in cocaïne heeft gehandeld.\n\nFeit 3\n\nVoor wat betreft de drugs die is aangetroffen tijden de doorzoeking op 17 juli 2023 heeft verdachte ter zitting aangegeven dat het zijn drugs betrof en dat de medeverdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van die drugs. De rechtbank acht daarom het medeplegen van dit feit niet bewezen.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\n1\n\nhij in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde tezamen en in vereniging met een ander, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van een totale waarde van ongeveer 75.763,86 euro),\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij, verdachte, wist, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf\n\n- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;\n\n2\n\nhij in de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3\n\nhij op 17 juli 2023 te Onstwedde opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft over feit 1 opgemerkt dat het handelen van verdachte niet gekwalificeerd kan worden als witwassen, maar slechts als eenvoudig witwassen, omdat uit het dossier niet blijkt dat zijn gedragingen gericht waren op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in het geval van artikel 420bis sub b van het Wetboek van Strafrecht verhullingshandelingen niet relevant zijn.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nUit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, zoals in deze zaak, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen of de criminele herkomst te verhullen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat, als vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.\n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat verdachte het geld niet enkel heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar ook heeft overgedragen en omgezet. De rechtbank is verder van oordeel dat er verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft immers betalingen voor drugs ontvangen met misleidende of versluierende omschrijvingen, waarbij hij ook gebruik heeft gemaakt van de rekening van medeverdachte en hij heeft autos die hij kocht met contanten op naam van anderen geregistreerd.\n\nVerdachte heeft ter zitting over dit laatste verklaard dat hij dit deed om te verhullen dat het geld niet legaal was.\n\nDe rechtbank acht het bewezenverklaarde feit onder 1 daarom strafbaar en te kwalificeren als witwassen.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van het maken van een gewoonte van het plegen van witwassen\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nDeze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Hij heeft gepleit voor oplegging van een forse taakstraf en een voorwaardelijk gevangenisstraf. De raadsman heeft verder gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Ten slotte heeft de raadsman gewezen op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 16 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nVerdachte wordt veroordeeld voor drie strafbare feiten. Hij heeft zich gedurende een periode van ongeveer drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan grootschalige cocaïnehandel. Verdachte heeft cocaïne verstrekt aan een grote hoeveelheid gebruikers, waaronder minderjarigen. Verder heeft verdachte cocaïne aanwezig gehad. Dit zijn ernstige feiten. Het is algemeen bekend dat drugs schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers. Daarnaast veroorzaakt de criminaliteit die met de handel het bezit van harddrugs gepaard gaat schade en overlast voor de samenleving.\n\nHet geld dat verdachte met het dealen heeft verdiend, heeft hij samen met de medeverdachte witgewassen. Door het witwassen van crimineel geld wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Ook witwassen is een ernstig feit.\n\nVoor zulke ernstige, ondermijnende feiten is in beginsel alleen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Dit blijkt onder meer uit de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht). Bij het handelen in drugs voor een periode van 6 tot 12 maanden, is volgens de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden het uitgangspunt. Verdachte heeft zich drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne. Daarnaast heeft hij zich ook nog schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen, waarvoor een gevangenisstraf van tussen de 5 en 9 maanden het uitgangspunt is. De rechtbank is daarom van oordeel dat een taakstraf, zoals door de raadsman voorgesteld, geen recht doet aan de ernst van de feiten.\n\nNaast de aard en de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit zijn strafblad blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij sinds zijn aanhouding niet meer in aanraking is gekomen met justitie.\n\nUit het reclasseringsrapport volgt dat de reclassering een aantal indicaties ziet om het jeugdstrafrecht toe te passen en een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert. Verder blijk uit het rapport dat verdachte geen gestructureerde dagbesteding of inkomsten heeft.\n\nDe rechtbank heeft besloten het advies van de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen, niet te volgen. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 18 tot 23 jaar oud en de rechtbank ziet geen grond om van het uitgangspunt dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast af te wijken. Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan geraffineerde feiten en bovendien is een opvoedkundige aanpak niet aan de orde in deze zaak.\n\nDe rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in strafverminderende zin mee. Hij neemt verantwoordelijkheid voor de door hem gepleegde feiten.\n\nDe rechtbank houdt ten slotte rekening met het tijdsverloop. Het heeft na de aanhouding van verdachte op 17 juli 2023 bijna 3 jaar geduurd voordat zijn zaak op zitting is behandeld. De redelijke termijn is fors overschreden.\n\nDe rechtbank vindt de strafeis in beginsel passend. De rechtbank ziet echter in het tijdsverloop en het feit dat verdachte na 17 juli 2023 niet meer in aanraking is gekomen met justitie aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient ter voorkoming dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.\n\nBepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nMr. Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2597","2026-07-13T00:29:43.906Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":29,"updatedAt":44},"1763","ECLI:NL:RBNNE:2026:2594","ecli-nl-rbnne-2026-2594","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.303613.23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte ] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 4 november 2023 te Groningen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te slaan in\u002Ftegen\u002Fop haar gezicht\u002Fwang;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 4 november 2023 te Groningen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door\n\ndie [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen: “ik maak jullie allemaal dood” althans woorden van vergelijkbaar dreigende aard en\u002Fof strekking\n\n( daarbij) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen\n\ndat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] te richten\n\nmet dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in de lucht te schieten;\n\n3\n\nhij in of omstreeks de periode 4 november 2023 tot en met 16 november 2023 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasrevolver, van het merk Umarex, type Ruger Redhawk, kaliber 9 m.m. R.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en\u002Fof pistool en\u002Fof munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 47 knalpatronen, van het merk Umarex, kaliber 9 m.m. R.K. voorhanden heeft gehad.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit 1 en feit 2. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.\n\nTen aanzien van feit 1 heeft de raadsman namens verdachte een beroep op noodweer gedaan.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de raadsman in de kern aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en getuigen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] onvoldoende betrouwbaar zijn, waardoor deze verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.\n\nUit de verklaring van getuige [getuige] volgt dat verdachte enkel een wapen richtte op [slachtoffer 2] en dus niet op de overige in de tenlastelegging genoemde personen. Verder volgt uit de verklaring van getuige [getuige] niets van geuite verbale bedreigingen, waardoor aanvullend bewijs voor een verbale bedreiging met de dood ontbreekt. Dat past ook bij de verklaring van verdachte dat hij enkel in de lucht\n\nschoot om aangeefster, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] weg te jagen. Aldus was er geen sprake van een strafbare bedreiging met de dood c.q. zware mishandeling.\n\nVoor het geval de bedreiging wel zou worden aangenomen, heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte in de lucht schoot omdat hij zich ernstig bedreigd voelde. Hij was eerder al eens (ernstig) mishandeld door [slachtoffer 2] en voelde zich klemgereden door aangeefster. Verdachte stond in zijn eentje tegenover aangeefster, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en was bang (wederom) mishandeld te worden. Zijn schot was dan ook enkel bedoeld om hen weg te jagen en kan niet worden gezien als bedreiging met de dood.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVeroordeling ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 november 2023, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023296458 d.d. 7 februari 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .\n\nBewijsoverweging\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Hij heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waardoor de wederrechtelijkheid van zijn handelen ontbreekt.\n\nDaartoe heeft de raadsman de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.\n\nDe aanval is uitgegaan van aangeefster. Op het moment dat aangeefster verdachte sloeg was er derhalve sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen noodzakelijke verdediging was geboden. Door aangeefster op identieke wijze terug te slaan, heeft verdachte proportioneel gehandeld. De verklaring van aangeefster lijkt dit te onderschrijven, al stelt zij verdachte te hebben geduwd nadat hij haar een knuffel probeerde te geven.\n\nHet dossier bevat geen camerabeelden van het incident, waardoor verdachte niet in staat is nadere onderbouwing te leveren voor de aannemelijkheid van het noodweerscenario. Dat neemt niet weg dat de verdediging voldoende aanknopingspunten voor de aannemelijkheid van het noodweerverweer ziet in de verklaring van aangeefster.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen.\n\nHoewel de precieze toedracht van het fysieke contact tussen verdachte en zijn zus onduidelijk is gebleven, geldt dat de daaropvolgende handeling van de verdachte een klap in het gezicht , gelet op diens bedoeling en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet kan worden aangemerkt als een\n\nverdedigingshandeling om een (vermeende) aanval te stoppen. Deze handeling moet naar de kern bezien als aanvallend worden aangemerkt.\n\nHet verweer wordt daarom verworpen.\n\nVeroordeling ten aanzien van feit 2\n\nDe rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 2 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.\n\n1. De door verdachte ter zitting van 19 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:\n\nNa het incident bij het huis van mijn zus [slachtoffer 1] op 4 november 2023, wilde ik naar huis rijden. Ik wist dat mijn broer een vuurwapen in de garagebox had. Dat heb ik opgehaald en onder handbereik (in de tussenconsole) in de auto gelegd om mijn familie bang te maken als ik ze tegen zou komen. Het wapen was geladen. Toen ik naar huis reed, werd ik geblokkeerd door mijn zus. Mijn andere zus [slachtoffer 1] , mijn broer [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] waren er ook. Er werd gescholden en op mijn auto geslagen. Nadat ik ben uitgestapt, heb ik het wapen gepakt en in de lucht geschoten.\n\nDit was met het wapen dat ik later bij de politie heb ingeleverd.\n\n2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 november 2023, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] :\n\nWe kwamen terecht op de kruising [adres] met de [adres] in Groningen. [verdachte ] kwam aanrijden met zijn auto en bleef stilstaan ter hoogte van genoemde kruising. [verdachte ] stapte uit de auto en riep, in het Papiaments: “Ik maak jullie allemaal dood”. Ik zag dat [verdachte ] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen had en dat op mij richtte. Ik voelde mij op dat moment ernstig bedreigd. Ik was bang dat hij mij met dit wapen iets aan zou doen waardoor mij lichamelijk iets zou overkomen waardoor ik gewond of gedood zou worden. Ik zag dat hij het wapen niet alleen op mij richtte, maar ook op andere genoemde personen. Ik hoorde dat [verdachte ] maar bleef roepen, wat hij eerder ook al had geroepen “Ik maak jullie allemaal dood”. Ik zag dat [verdachte ] achter mijn broer aan begon te rennen, dreigend met het wapen, waarbij ik zag dat hij dit wapen gericht hield op mijn broer. Ik zag dat [verdachte ] het wapen in de lucht richtte en hoorde op dat moment een knal. Ook dit voelde voor mij heel bedreigend. Nogmaals, ik heb het als heel bedreigend ervaren en was in de veronderstelling dat mijn broer [verdachte ] mij iets aan zou doen dan wel anderen iets aan zou doen.\n\n3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 november 2023, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :\n\nIk zag dat [verdachte ] uitstapte met een vuurwapen in zijn hand. Ik zag een zilverkleurig voorwerp waarmee hij op iedereen begon te richten. Ik hoorde dat hij zei: “Ik maak jullie allemaal af”. Toen zag ik dat [verdachte ] op [slachtoffer 2] richte met het wapen. Ik heb toen mijn handtas naar hem gegooid zodat hij niet kon schieten. Daarna zag ik dat hij langs mij rende met het wapen in zijn hand, gericht op mijn broer [slachtoffer 2] . Daarna hoorde en zag ik dat hij in de lucht schoot.\n\n4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 november 2023, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :\n\nIk zag twee autos aan komen rijden, ze reden uit tegenovergestelde richting. Uit die zwarte auto stapte een man met een pistool. Ik zag een gestrekte arm met een pistool. Ik zag dat de man het pistool richtte op een man met dreadlocks, die door de anderen tegengehouden werd. Ik werd heel bang van het hele gebeuren en ben op een afstand gaan staan. Ik heb een schot gehoord.\n\n5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 28 november 2023, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend een relaas van verbalisant [verbalisant] :\n\nWapenomschrijving 1:\n\nGoednummer: PL0100-2023296458-1662311\n\nObject: Vuurwapen (Gasrevolver) Merk\u002Ftype: Umarex, Ruger Redhawk Kaliber: 9mm RK\n\nHet wapen heeft een open loop voorzien van een sper (blokkering).\n\nHet inbeslaggenomen voorwerp is een centraalvuur revolver geschikt om weerloosmakende of traanverwekkende stoffen door een loop af te schieten.\n\nDe werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie.\n\nDerhalve is deze gasrevolver een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.\n\nBewijsoverwegingen\n\nMet betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen\n\nAnders dan de verdediging, ziet de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en getuige [slachtoffer 4] . Niet alleen komen deze verklaringen in grote lijnen met elkaar overeen, maar zij vinden op essentiële punten ook ondersteuning in het dossier, waaronder in de verklaring van getuige [getuige] . Het feit dat die onafhankelijke getuige niet (ook) de verbale doodsbedreigingen heeft waargenomen doet daaraan niet af, nu dit logisch verklaarbaar is omdat getuige [getuige] zich buiten gehoorsafstand bevond.\n\nHet door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de verklaringen van aangeefster en getuige [slachtoffer 4] op elkaar zijn afgestemd en dat er aanwijzingen zijn van een samenzwering tegen verdachte, vindt geen steun in het dossier en is ook voor het overige niet aannemelijk geworden. De rechtbank ziet mede gelet daarop geen enkele aanleiding om de verklaringen van aangeefster en getuige [slachtoffer 4] als onbetrouwbaar aan te merken. Deze verklaringen kunnen daarom voor het bewijs worden gebruikt.\n\nDe verklaring van getuige [slachtoffer 3] laat de rechtbank buiten beschouwing. Aan die verklaring hecht de rechtbank minder waarde, gelet op de tijd die is verstreken sinds het incident en het moment waarop deze verklaring is afgelegd.\n\nNoodweer\n\nVoor zover de verdediging ten aanzien van feit 2 bedoeld heeft een noodweerverweer te voeren, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, na het incident dat als feit 1 ten laste is gelegd, een geladen wapen had opgehaald, zijn auto stilzette op de kruising waar aangeefster, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich ook bevonden, is uitgestapt en vervolgens het wapen uit de auto heeft gehaald.\n\nDaarna heeft hij zijn gaspistool gericht op aangeefster, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en in de lucht heeft geschoten. Ter zitting verklaarde verdachte bovendien dat hij het geladen gaspistool bewust bij zich had om aangeefster, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] bang te maken als hij ze zou tegenkomen. Uit niets blijkt dat verdachte is klemgereden of anderszins is aangevallen. De handelingen van verdachte moeten dan ook als aanvallend worden aangemerkt.\n\nGelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het verweer wordt dan ook verworpen.\n\nVeroordeling ten aanzien van feit 3\n\nDe rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2023, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend een relaas van verbalisant [verbalisant] ;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 28 november 2023, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend een relaas van verbalisant [verbalisant] .\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\n1\n\nhij op 4 november 2023 te Groningen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te slaan op haar wang;\n\n2\n\nhij op 4 november 2023 te Groningen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door\n\ndie [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen: “ik maak jullie allemaal dood” althans woorden van vergelijkbaar dreigende aard en\u002Fof strekking\n\ndaarbij een vuurwapen te tonen\n\ndat vuurwapen op die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te richten\n\nmet dat vuurwapen in de lucht te schieten;\n\n3\n\nhij in de periode 4 november 2023 tot en met 16 november 2023 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasrevolver, van het merk Umarex, type Ruger Redhawk, kaliber 9 m.m. R.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 47 knalpatronen, van het merk Umarex, kaliber 9 m.m. R.K. voorhanden heeft gehad.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nmishandeling\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie\n\nDeze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de bepleite vrijspraak voor feit 1 en feit 2. Als toch tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten wordt gekomen, dan wordt verzocht het tenlastegelegde gelet op de overgelegde rapporten verdachte in verminderde mate toe te rekenen. Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat verdachte in periode na het tenlastegelegde niet in aanraking is gekomen met politie en justitie en het gegeven dat verdachte zelfstandig hulp heeft gezocht. Gelet daarop is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst en aard van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsdelict. Hij heeft op klaarlichte dag in de openbare ruimte met een vuurwapen geschoten met de bedoeling om de beoogde slachtoffers angst aan te jagen. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen bij die slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt zoals ter zitting verwoord door benadeelde, maar ook bij omstanders die getuige waren van het schietincident of zich in de directe omgeving bevonden. Dergelijk vuurwapengeweld in de openbare ruimte leidt tot grote maatschappelijke onrust en tast het veiligheidsgevoel van burgers in ernstige mate aan. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel justitiële documentatie van 6 mei\n\n2026, waaruit blijkt dat sprake is van een omvangrijk strafrechtelijk verleden. De rechtbank constateert evenwel dat verdachte voor het laatst is veroordeeld in 2019 voor een feit uit 2017.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. Een reclasseringsadvies is niet tot stand gekomen. Uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, blijkt wel dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde en ook thans nog kampt met mentale problematiek. Op basis van de overgelegde medische verklaringen, gaat de rechtbank ervan uit dat bij verdachte sprake is (geweest) van een stoornis. Het is echter onvoldoende duidelijk geworden op welke wijze deze problematiek heeft\n\ndoorgewerkt in het gedrag van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde. Evenmin is gebleken of, en zo ja, in hoeverre, zijn beoordelingsvermogen daardoor is beïnvloed. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten en rekent het bewezenverklaarde volledig aan hem toe.\n\nStrafafdoening\n\nGelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en ernst van het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank zal evenwel een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan gevorderd. Zij houdt daarbij rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte sinds het bewezenverklaarde feit niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank acht het evenwel wel van belang om een voorwaardelijk deel aan de straf te verbinden, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.\n\nBepaalt dat (van) deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot drie maanden), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en\u002Fof voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C. Brouwer, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr.\n\nT Bosker, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nDe griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2594","2026-07-13T00:29:37.687Z",1,20]