[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-direct-taxation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":55},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},47,"direct-taxation-nl","Direct Taxation","NL","2026-07-08T16:53:53.141Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122929","Algemene wet bestuursrecht","art. 7:2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122930","art. 6:15",[30,41,48],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1003","ECLI:NL:RBNNE:2026:2469","ecli-nl-rbnne-2026-2469","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 25\u002F3031 en 26\u002F1286\n\nuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaken tussen\n de erven van [erflater] , uit [plaats] , eisers\n\n(gemachtigde: [naam 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, Particulieren, kantoor Eindhoven, de inspecteur\n\n(gemachtigde: mr. drs. [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft bij beslissing van 2 april 2025 de verzoeken van eisers om ambtshalve vermindering van de aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor de jaren 2021 en 2022 afgewezen. Tegelijk met het afwijzen van de verzoeken heeft de inspecteur beslist dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van eisers tegen de beslissing dat zij geen recht hebben op dwangsommen afgewezen. Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze uitspraken op bezwaar.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eisers hebben nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, bijgestaan door [naam 3] , en namens de inspecteur mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .\n\nFeiten\n\n2.1.. Aan wijlen [erflater] (erflater) zijn voor de jaren 2021 en 2022 aanslagen IB\u002FPVV opgelegd met respectievelijk dagtekening 27 september 2022 en 23 juni 2023.\n\n2.2.. Erflater is overleden op 9 juli 2022.\n\n2.3.. Erflater heeft twee erfgenamen, de heren [naam 1] en [naam 6] .\n\n2.4.. De heer [naam 1] heeft bij brief van 30 november 2024, door de inspecteur ontvangen op 5 december 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2018 tot en met 2022. Het bezwaar ziet op de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.\n\n2.5.. Het bezwaarschrift is, voor zover het ziet op de jaren 2021 en 2022, aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.\n\n2.6.. Bij brief van 23 maart 2025, door de inspecteur ontvangen op 27 maart 2025, hebben eisers de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen ten aanzien van de aanslagen IB\u002FPVV 2018 tot en met 2022.\n\n2.7.. Met dagtekening 2 april 2025 heeft de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. In diezelfde brief heeft de inspecteur beslist dat eisers geen dwangsom krijgen, omdat binnen twee weken na het ontvangen van de ingebrekestelling is beslist.\n\n2.8.. Bij brief van 19 mei 2025, door de rechtbank ontvangen op 27 mei 2025, hebben eisers beroep ingesteld tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2018 tot en met 2022.\n\n2.9.. De rechtbank heeft geconstateerd dat de inspecteur voor de jaren 2021 en 2022 geen uitspraken op bezwaar had gedaan, maar dat hij enkel de voorgenoemde beslissing van 2 april 2025 had genomen (zie 2.7). De rechtbank heeft daarom het beroep, voor zover dat zag op de jaren 2021 en 2022, doorgezonden naar de inspecteur om als bezwaarschrift in behandeling te nemen.\n\n2.10.. Op 3 juli 2025 heeft de inspecteur beslist op de bezwaren van eisers voor zover die zagen op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Hiertegen zijn eisers niet in beroep gegaan.\n\n2.11.. Op 14 juli 2025 heeft de inspecteur beslist op de bezwaren van eisers voor zover die zagen op het niet toekennen van dwangsommen.\n\n2.12.. Bij brief van 19 augustus 2025, door de rechtbank ontvangen op 25 augustus 2025, hebben eisers beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 14 juli 2025.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5. Eisers verzoeken de rechtbank om vast te stellen dat de inspecteur dwangsommen moet betalen omdat het bezwaarschrift ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, en de bezwaarprocedure niet op een juiste en volledige wijze heeft plaatsgevonden. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat zij de beslissingen van de inspecteur niet konden begrijpen, omdat uit de aangiften voor de jaren 2021 en 2022 volgt dat er belasting in box 3 verschuldigd zou zijn. Over de definitieve aanslagen, waarin geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen, beschikten zij niet. Volgens eisers mag tegenwoordig meer zorgvuldigheid en dienstbaarheid van de overheid verwacht worden.\n\n6. De inspecteur stelt dat hij terecht geen dwangsommen heeft toegekend omdat binnen twee weken na de ingebrekestelling is beslist. Omdat de ingebrekestelling zag op het niet tijdig nemen van beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering, doet niet ter zake wat er in de latere bezwaarprocedure is gebeurd.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op de verzoeken om ambtshalve vermindering beslist. Dit was binnen de termijn die daar volgens artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor staat. Omdat de inspecteur niet in gebreke was, heeft hij ook geen dwangsommen verbeurd. De inspecteur heeft dus terecht geen dwangsommen toegekend. De rechtbank ziet in de door eisers aangevoerde argumenten geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Zelfs als er iets zou schorten aan de besluitvorming in de verzoekprocedure, wat de inspecteur overigens heeft betwist, dan is er voor de toepassing van de wettelijke dwangsommenregeling nog altijd sprake van een tijdig genomen beslissing.Wat er voorafgaande aan de verzoekprocedure is gebeurd (in de aanslagfase) dan wel na afloop daarvan (in de bezwaarfase) heeft verder geen invloed op het al dan verbeuren van dwangsommen; de ingebrekestelling heeft daar immers geen betrekking op gehad.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nUitgesproken op 23 juni 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vgl. Hoge Raad 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2469","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.434Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":47},"1004","ECLI:NL:RBNNE:2026:2468","ecli-nl-rbnne-2026-2468","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 25\u002F1840, LEE 25\u002F1841 en LEE 25\u002F1842\n\nuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaken tussen\n de erven van [erflater] , uit [plaats] , eisers\n\n(gemachtigde: [naam 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, Particulieren, kantoor Eindhoven, de inspecteur\n\n(gemachtigde: mr. drs. [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 9 april 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan erflater voor de jaren 2018, 2019 en 2020 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd.\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.3.. Tegelijk met de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur beslist dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.\n\n1.4.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. Eisers hebben nadere stukken ingediend.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, bijgestaan door [naam 3] , en namens de inspecteur mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .\n\nFeiten\n\n2.2.1.. Aan wijlen [erflater] (erflater) zijn voor de jaren 2018, 2019 en 2020 aanslagen IB\u002FPVV opgelegd met respectievelijk dagtekening 19 september 2019, 9 mei 2020 en 6 augustus 2021. Erflater heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen.\n\n2.2.. Erflater is overleden op 9 juli 2022.\n\n2.3.. Erflater heeft twee erfgenamen, de heren [naam 1] en [naam 6] .\n\n2.4.. Eisers hebben bij brief van 30 november 2024, door de inspecteur ontvangen op 5 december 2024, bezwaar gemaakt tegen de aan erflater opgelegde aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2018 tot en met 2022. Het bezwaarschrift luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Als gevolg van het box 3-arrest is vast komen te staan dat het fictieve rendement voor de jaren 2018 tot en met 2023 te hoog is vastgesteld ten opzichte van het daadwerkelijk genoten rendement en zelfs negatief betaalde rendement in 2021.\n\nIn de jaren voor haar overlijden was zij slechts in beperkte mate in staat op te komen voor haar eigen financiële en fiscale positie en had zij een zeer teruggetrokken bestaan. De wijlen willen dit verzuim herstellen door alsnog bezwaarschriften in te dienen.\n\nIn onderhavige kwestie is sprake van verschoonbare termijnoverschrijding (ECLI:NL:HR:2024:515), waardoor de bezwaarschriften ontvankelijk zijn. Als u van mening bent dat sprake is van een niet-ontvankelijkheidskwestie verzoek ik u om daarover met ons in gesprek te gaan.(…)\n\nAls u het bezwaar deels en\u002Fof volledig afwijst dan willen wij graag gehoord worden.(…)”\n\n2.5.. Bij brief van 23 maart 2025, door de inspecteur ontvangen op 27 maart 2025, hebben eisers de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren.\n\n2.6.. Bij brieven van 2 april 2025 heeft de inspecteur eisers een vooraankondiging van de door hem voorgenomen uitspraken op bezwaar gestuurd. De inspecteur schrijft daarin van plan te zijn de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren. Deze brieven luiden – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“HorenU kunt mondeling toelichten waarom u denkt dat uw bezwaar toch ontvankelijk is. U hebt het recht om gehoord te worden. Als u een afspraak wilt maken voor een gesprek kunt u mij e-mailen op [mailadres] of bellen op [telefoonnummer] . U kunt daarbij ook aangeven of u gebruik wilt maken van het recht de stukken die betrekking hebben op de zaak vooraf in te zien (inzagerecht). Laat u mij dit weten vóór 9 april 2025.\n\nIk zal beoordelen of uw verklaring reden is om het bezwaar toch als tijdig te behandelen.”\n\n2.7.. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2018, 2019 en 2020 niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraken op bezwaar hebben als dagtekening 9 april 2025.\n\n2.8.. Naar aanleiding van de uitspraken op bezwaar hebben eisers de inspecteur op 24 april 2025 een e-mail van 23 april 2025 doorgezonden. Die e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Bijgaand reageer ik op de stapel brieven die ik heb ontvangen.\n\nIk sta perplex en weet eigenlijk niet zo goed hoe ik moet reageren.\n\nDaarom heb ik ook eventjes gewacht. Ik voel mij overvallen.\n\nHet is voor mij onduidelijk wat u hebt gedaan, hoe u tot uw inzichten bent gekomen en waarom de beslissingen zijn genomen zoals ze zijn genomen.\n\nHet is voor mij een wirwar en kan mij dan ook moeilijk met de besluiten verenigen. Wilt u mij dat opnieuw en meer op detailniveau uitleggen?\n\nDe ingebrekestelling is voor u kennelijk de aanleiding geweest voor een abrupte afdoening en op volle snelheid handelingen uit te voeren zonder inachtneming van een passende en juiste bezwaar behandeling. Dat lijkt mij niet juist. Een ingebrekestelling overrult de inhoudelijk behandeling niet. Het is slechts een prikkel om u te activeren naar de inhoudelijke behandeling toe.\n\nImmers, (i) waren alle termijnen verstreken, heeft de Belastingdienst na de ontvangstbevestiging niks van zich laten horen en verder ook geen enkel initiatief getoond.\n\nDe afwikkeling van de nalatenschap was een beladen traject, nu dit. Een ingebrekestelling is geen vrijbrief om vervolgens alle regels die horen bij een de bezwaar- en verzoekbehandeling opzij te schuiven.\n\nBij mij ontstaat de indruk dat het niet uitbetalen van een dwangsomvergoeding, belangrijker is dan een deugdelijk behandeling van het bezwaar- en\u002Fof verzoekschrift op zichzelf.\n\nIk verzoek u daarom het volgende:\n\n- een nieuwe herbeoordeling van de ontvankelijkheid waarbij wordt getoetst op de persoonlijke omstandigheden (zoals ook al gemotiveerd) conform de nieuwe jurisprudentie zoals aangehaald in de eerste brief, deze mag u niet zo maar opzij schuiven. Mijn moeder was op een zeer hoge leeftijd, woonachtig in een bejaardenhuis, zie ook de context in brief met de datum 30 november 2024;\n\n- sommige jaren speelt de ontvankelijkheid wel en voor andere niet hoe kan dat en waarop baseert u dat inzicht?\n\n- voor sommige jaren is volgens geen sprake van box 3-inkomen, kunt u mij uitleggen waarop u dat inzicht baseert?\n\nHopend dat u nogmaals kritisch, open en integraal het dossier (ambtshalve) doorneemt.”\n\n2.9.. In reactie op de e-mail van 24 april 2025 van eiser heeft de inspecteur op 29 april 2025 per e-mail gereageerd. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Na onderzoek blijkt dat de belastingjaren 2018, 2019 en 2020 automatisch mee doen aan de massaal bezwaar plus procedure. Voor de belastingjaren 2021 en 2022 heeft wijlen mevrouw [erflater] geen box 3 belang. Uw reactietermijn voor een hoorgesprek is verstreken. Mocht u het niet eens zijn met de uitspraken, dan verwijs ik u naar de bijlage in de brieven waar u ziet hoe u in beroep en\u002Fof in bezwaar kunt gaan.”\n\n2.10.. In reactie op de e-mail van 29 april 2025 van de inspecteur hebben eisers op 6 mei 2025 per e-mail gereageerd. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Ik verbaas mij over uw reactie, opstelling en houding. Uw reactie is onjuist en ongepast.\n\nUw opstelling past niet bij een fatsoenlijke bezwaarprocedure die de Belastingdienst nastreeft.\n\nUw houding past niet bij de rechtsbeginselen, de Awb zoals bijvoorbeeld het Besluit fiscaal bestuursrecht, paragraaf 9. Dat is een uitvloeisel van artikel 7:2 Awb. Ik zal dat onderstaand toelichten.\n\nIk verzoek u nogmaals om de ontvankelijkheid te beoordelen alsook de materiële aspecten van box 3.\n\nU mag niet zonder meer enkele dagen voor een hoorgesprek inplannen. De gegeven reactietermijn was onredelijk en dat behoort u te (kunnen) weten.\n\nDat staat geheel los van de ingestuurde ingebrekestelling zoals uitgelegd in de vorige mail. Bovendien hebt u zich dan te houden aan enig vorm van herstelverzuim als uw opvatting wel juist zou zijn. Ik heb het hoorrecht niet prijsgegeven en ik heb hiervan ook niet afgezien.\n\nVerder houdt u geen enkele rekening met de geschetste en specifieke omstandigheden dat mijn moeder is overleden, erfgenamen onderdeel zijn van de correspondentie en de overleden persoon en erfgenamen zich correct hebben gehouden aan de fiscale verplichtingen. Ik neem aan dat ik ook van u enige wederkerigheid mag verwachten.\n\nAls u opnieuw besluit om zonder een serieuze, oprechte en inhoudloze behandeling te gaan voor afdoening, dan maak ik conform de door u aangehaalde rechtsmiddelenverwijzingen bezwaar en beroep tegen uw besluiten.\n\nDeze moet u dan ook als zodanig kwalificeren. Ik ben het dan oneens met uw standpunten zonder dat ik mij echt moeilijk kan verweren aangezien nergens echt inhoudelijk op is ingegaan.\n\nOp u rust dan de doorzendplicht ingevolge artikel 6:15 Awb. De doorzendplicht verplicht het bestuursorgaan waarbij bezwaar of beroep wordt ingesteld terwijl dat bij een ander orgaan dient te gebeuren, dit bezwaar of beroepsschrift door te zenden naar het orgaan dat op dit bezwaar of beroep dient te beslissen.\n\nOok uw andere verzuimen zoals het ongemotiveerd afdoen, niet horen en niet verstrekken van op de zaak betrekking hebben de stukken, geen opvolging geven aan de op uw rustende onderzoeksplicht t.a.v. de ontvankelijkheid vormen dan onder meer gronden van bezwaar en beroep.”\n\n2.11.. Eisers hebben hun beroepschrift per aangetekende post aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft het beroepschrift op 27 mei 2025 ontvangen. De verzendsticker op de enveloppe geeft aan dat de brief op 26 mei 2025 op de post is gedaan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOntvankelijkheid van de beroepen\n\n3. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het besluit, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking.Een beroepschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.Als de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaart, omdat het niet tijdig is ingediend, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.\n\n4. Het beroepschrift van eisers is buiten de beroepstermijn ontvangen. Het is per post verzonden op 26 mei 2025 (zie 2.11). Dat had uiterlijk op 21 mei 2025 gemoeten. Uitgaande van de hiervoor genoemde regels is het beroep dan niet tijdig ingediend.\n\n5. De rechtbank ziet echter aanleiding om het beroep toch ontvankelijk te achten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Nadat eisers de uitspraken op bezwaar ontvingen hebben zij met de inspecteur contact per e-mail contact gehad (zie 2.8 en 2.10). De rechtbank leest in de e-mails van eisers dat zij het niet eens zijn met de uitspraken op bezwaar én daarbij de inspecteur vragen om het bezwaar opnieuw te behandelen. Gelet daarop, en gelet op het feit dat de inspecteur niet zelf kan terugkomen op zijn uitspraken op bezwaar, had de inspecteur deze e-mails aan de rechtbank moeten doorsturen als zijnde een (pro forma) beroepschrift. Het feit dat de inspecteur in zijn reactie (zie 2.9) eisers nogmaals op de mogelijkheid van beroep heeft gewezen, waarna eisers bleven aandringen op een herbeoordeling door de bezwaarbehandelaar, doet deze doorzendplicht niet vervallen. Uitgaande van de datums van de e-mails van eisers, zijn de beroepen dan wel tijdig ingediend.\n\nInhoudelijke beoordeling van de beroepen\n\n6. De rechtbank beoordeelt hierna of de inspecteur de bezwaren terecht nietontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de inspecteur zorgvuldig heeft gehandeld in de bezwaarprocedure en of de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat:\n\nde inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard;\n\nde inspecteur niet zorgvuldig heeft gehandeld in de bezwaarprocedure;\n\nde inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend.\n\nHierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid van de bezwaren\n\n8. Eisers stellen dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. De inspecteur heeft het op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2024 geformuleerde beoordelingskader niet juist toegepast.Ter zitting hebben eisers toegelicht dat, toen erflater nog in leven was, de gemachtigde van eisers op basis van een levenstestament of volmacht ook gerechtigd was om voor erflater bezwaar te maken. Erflater wilde haar zaken echter zelf regelen. Tot op zekere hoogte kon zij dat ook. Haar doenvermogen was echter beperkt. Uit respect voor de wensen van erflater heeft de gemachtigde van eisers daarom destijds geen bezwaar gemaakt.\n\n9. De inspecteur stelt dat voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in bezwaar vereist is dat eisers aannemelijk maken dat erflater niet in staat was om zelf tijdig bezwaar te maken. Als erflater niet zelf in staat was om bezwaar te maken, had zij maatregelen moeten treffen om haar belangen te laten behartigen. De inspecteur wijst er verder op dat na het overlijden van erflater het nog circa tweeëneenhalf jaar heeft geduurd voordat eisers bezwaar instelden. Ook voor dat deel van de termijnoverschrijding zijn geen valide redenen aangevoerd. Aldus de inspecteur.\n\n10. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren ver buiten de bezwaartermijnen zijn ingediend. Ook staat vast dat ten aanzien van elke aanslag IB\u002FPVV een deel van de termijnoverschrijding kwam doordat erflater geen bezwaar had gemaakt, en een deel doordat de erfgenamen pas tweeëneenhalf jaar na het overlijden bezwaar maakten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de termijnoverschrijdingen verschoonbaar zijn.\n\n11. Van verschoonbaarheid is sprake indien (i) de indiener pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en (ii) de indiener, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Dit moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van de indiener onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen.\n\n12. Uit wat eisers hebben gesteld volgt niet dat erflater niet in staat was tijdig bezwaar te maken. Het enkele feit dat erflater een hoge leeftijd had en was opgenomen in een verzorgingstehuis, vormen op zichzelf nog geen reden om daar anders over te oordelen. Uit de ter zitting gegeven toelichting van eisers blijkt bovendien dat erflater bij leven maatregelen “op papier” had getroffen, maar dat haar gevolmachtigde niet haar wens om dingen zelf te regelen heeft willen doorkruisen. De termijnoverschrijding is dus niet verschoonbaar. De bezwaren zijn daarom reeds hierom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het tweede deel van de termijnoverschrijding – de circa tweeëneenhalf jaar tussen het overlijden van erflater en het indienen van de bezwaren door eisers – behoeft dan verder geen bespreking.\n\nZorgvuldigheid van de bezwaarbehandeling\n\n13. Eisers stellen dat de inspecteur in de bezwaarprocedure onzorgvuldig gehandeld heeft. Eisers wijzen er daarbij op dat de ontvankelijkheid van de bezwaren niet juist is beoordeeld, dat na de ingebrekestelling de bezwaarprocedure is afgeraffeld, en dat de reactietermijn die de inspecteur hen gaf na de ingebrekestelling te kort was.\n\n14. De inspecteur stelt wel zorgvuldig gehandeld te hebben. Over de ontvankelijkheid is een gemotiveerde beslissing genomen in de uitspraak op bezwaar. Omdat duidelijk was dat het kerstarrest over box 3 de enige reden was voor het alsnog indienen van de bezwaren, waren eventuele persoonlijke omstandigheden tijdens de bezwaartermijn niet relevant. In de brief van 2 april 2025 is een week reactietermijn gegeven. Dat was voldoende. Met de ingebrekestelling verzoeken eisers juist om een beslissing binnen twee weken. Eisers hebben binnen de reactietermijn niet aangegeven dat ze gehoord wilden worden.\n\n15. De rechtbank overweegt als volgt. In hun bezwaarschrift hebben eisers expliciet aangegeven in gesprek te willen gaan indien de inspecteur van mening was dat de bezwaren niet-ontvankelijk zouden zijn. Daarnaast hebben eisers aangegeven dat bij afwijzing van het bezwaar graag gehoord willen worden (zie 2.4). In het licht daarvan is de brief van 2 april 2025, met name de passage over het horen (zie 2.6), moeilijk te plaatsen. Het had voor de inspecteur al duidelijk moeten zijn dat eisers gehoord wilden worden over zijn voornemen om de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren. Door desondanks eisers niet actief uit te nodigen voor een hoorgesprek en in de plaats daarvan het initiatief voor een hoorgesprek bij eisers te leggen, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld.\n\n16. Eisers hebben in beroep de mogelijkheid gehad om alsnog een toelichting te geven waarom volgens hen de termijnoverschrijdingen in bezwaar verschoonbaar zijn. Daar hebben zij ook gebruik van gemaakt in de van hen afkomstige stukken en op de zitting. De rechtbank heeft, met inachtneming van wat eisers hebben aangevoerd, hiervoor geoordeeld dat de termijnoverschrijdingen in bezwaar niet verschoonbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom aannemelijk dat eisers in zoverre niet benadeeld zijn door het onzorgvuldige handelen van de inspecteur. De rechtbank past daarom artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe. Dat betekent dat het onzorgvuldig handelen niet tot gevolg heeft dat het bestreden besluit – de uitspraken op bezwaar – vernietigd wordt.\n\n17. Eisers hebben wel recht op vergoeding van het griffierecht. Zij hebben immers kosten moeten maken om de onzorgvuldigheid van de inspecteur aan de orde te stellen.\n\nOp de zaak betrekking hebbende stukken\n\n18. Eisers stellen dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eiser noemt daarbij onder meer de voorlopige aanslagen, systeeminformatie uit diverse systemen, beschrijvingen van zoek- en procesinformatie, logboekregistraties, en interne correspondentie over de bezwaren.\n\n19. De inspecteur stelt dat hij wel alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.\n\n20. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld in bezwaar, zijn de stukken waar eisers op wijzen niet (meer) van belang voor beslechting van het bij de rechtbank voorliggende geschil. Reeds om die reden zijn de stukken die eiser noemt geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.\n\nDwangsommen\n\n21. Eisers verzoeken de rechtbank om vast te stellen dat de inspecteur dwangsommen moet betalen omdat de bezwaarprocedure niet op een juiste en volledige wijze heeft plaatsgevonden. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat tegenwoordig meer zorgvuldigheid en dienstbaarheid van de overheid verwacht mag worden.\n\n22. De inspecteur stelt dat hij terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de uitspraken op bezwaar niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, stelt de inspecteur dat een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar nog steeds een uitspraak op bezwaar is. De inspecteur wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2018.\n\n23. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft hebben deze beroepen mede betrekking op de dwangsombeschikkingen.\n\n24. Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling uitspraak op de bezwaren heeft gedaan. Er zijn daarom geen dwangsommen verschuldigd. Een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar telt voor de dwangsomregeling gewoon mee.De rechtbank ziet in de ontwikkeling hoe er over de verhouding tussen burger en overheid wordt gedacht geen aanleiding om anders te beslissen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Eisers krijgen wel het griffierecht vergoed (zie 17). In verband met samenhang heeft de rechtbank alleen in zaaknummer LEE 25\u002F1840 griffierecht geheven.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond;\n\nverklaart de beroepen voor zover gericht tegen de dwangsombeschikkingen ongegrond;\n\nbepaalt dat de inspecteur het in zaaknummer LEE 25\u002F1840 betaalde griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nUitgesproken op 23 juni 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\n Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.\n\n Hoge Raad 20 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2824 en Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516.\n\n Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.2 t\u002Fm 4.2.6.\n\n Artikel 6:11 van de Awb.\n\n Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.2 t\u002Fm 4.2.6.\n\n Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96.\n\n Zie Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96, vergelijk Gerechtshof Amsterdam 4 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2152, Rechtbank Noord-Nederland 21 januari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:440, Rechtbank Midden-Nederland 19 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6984.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2468","2026-07-13T00:28:58.488Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":52,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":39,"updatedAt":54},"427","ECLI:NL:RBNNE:2026:2208","ecli-nl-rbnne-2026-2208","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 25\u002F2505 en 25\u002F2507\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 juni 2026 in de zaken tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: [naam 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst\u002FMidden- en kleinbedrijf\u002Fkantoor Almere, de inspecteur\n\n(gemachtigde: [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 juni 2025.\n\nLEE 25\u002F25051.1.. De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 107.030 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 502. Gelijktijdig met de vaststelling van deze navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser € 9.304 belastingrente in rekening gebracht.\n\nLEE 25\u002F25071.2.. De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 136.775 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4. Gelijktijdig met de vaststelling van deze navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser 11.085 belastingrente in rekening gebracht.\n\nAlle zaaknummers1.3.. De inspecteur heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.\n\n1.4.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 3] .\n\nFeiten\n\n2.2.1.. Eiser is werkzaam als verzorgende (niveau 3). Hij verleent zorg in natura bij cliënten aan huis en in instellingen. De werkzaamheden worden verricht onder de naam [handelsnaam] . Eiser heeft geen BIG-registratie.\n\n2.2.. In 2019 en 2020 verrichtte belanghebbende zorgwerkzaamheden voornamelijk door tussenkomst van bemiddelingsbureaus, waaronder [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] .\n\n2.3.. Daarnaast verleende eiser in 2019 en 2020 zorg aan mevrouw [naam 4] . Mevrouw [naam 4] was budgethouder van een persoonsgebonden budget (hierna: PGB). Eiser factureerde mevrouw [naam 4] voor zijn werkzaamheden, welke zij (deels) voldeed uit haar PGB.\n\n2.4.. Op 23 oktober 2020 doet eiser aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2019. Daarin geeft hij onder meer het volgende aan:\n\nResultaat uit overige werkzaamheden\n\nBruto opbrengsten uit werkzaamheden (Thuiszorg [eiser] )\n\n€ 29.821\n\nTotaal kosten bij resultaat uit werkzaamheden\n\n€ 1.630\n\n2.5.. Op 4 oktober 2021 doet eiser aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2020. Daarin geeft hij onder meer het volgende aan:\n\nResultaat uit overige werkzaamheden\n\nBruto opbrengsten uit werkzaamheden (Thuiszorg)\n\n€ 26.814\n\nEiser heeft geen kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven.\n\n2.6.. De inspecteur heeft de aanslag IB\u002FPVV 2019 opgelegd met dagtekening 27 november 2020 en de aanslag IB\u002FPVV 2020 met dagtekening 19 november 2021. De aanslagen zijn conform de aangiften opgelegd.\n\n2.7.. Eind 2023 ontvangt de inspecteur informatie dat eiser zijn inkomsten uit zorgwerkzaamheden in 2019 en 2020 mogelijk te laag zou hebben aangegeven. Deze informatie was afkomstig van de erven van mevrouw [naam 4] . Mevrouw [naam 4] heeft in 2019 diverse bedragen overgemaakt naar eiser. Op 27 november 2023 verzoekt de inspecteur per brief aan eiser om informatie te verstrekken.\n\n2.8.. De toenmalige boekhouder van eiser, de heer [naam 5] , stuurt op 24 januari 2024 naar aanleiding van het schrijven van de inspecteur de volgende documenten:\n\n- Facturen aan [bedrijf 4] 2019 en 2020;\n\n- Facturen aan mevrouw [naam 4] 2019 en 2020;\n\n- Zorgovereenkomst met mevrouw [naam 4] ;\n\n- Overeenkomst [bedrijf 1] ;\n\n- Werkschema voor mevrouw [naam 4] ;\n\n- Overzichten opbrengsten en kosten 2019 en 2020.\n\n2.9.. Tussen 4 december 2023 en 27 september 2024 is er diverse malen contact tussen de inspecteur en de heer [naam 5] . De inspecteur stuurt op 27 september 2024 een aanvullend verzoek om informatie omdat nog niet alle vragen zijn beantwoord en informatie is verstrekt. Vervolgens is er in de periode 2 oktober 2024 en 22 oktober 2024 weer diverse malen contact via e-mail tussen de inspecteur en de heer [naam 5] .\n\n2.10.. Op 24 oktober 2024 reageert belanghebbende schriftelijk naar de inspecteur. Bij zijn schrijven zijn kostenoverzichten gevoegd. Op 5 en 6 november 2024 is er via e-mail contact tussen de inspecteur en eiser. De heer [naam 5] staat eiser inmiddels niet meer bij.\n\n2.11.. Met de datum 22 november 2024 kondigt de inspecteur navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2019 en 2020 aan. Op 5 december 2024 reageert eiser via e-mail op de kennisgeving van het opleggen van de navorderingsaanslagen. De inspecteur reageert op 6 december 2024 op de e-mail van eiser.\n\n2.12.. Met dagtekening 20 december 2024 legt de inspecteur de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2019 op (zie 1.1.) en met dagtekening 18 januari 2025 de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2020 (zie 1.2.).\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt de navorderingsaanslagen 2019 en 2020 naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Het geschil concentreert zich op de vraag of de inspecteur de inkomsten uit zorgwerkzaamheden op de juiste bedragen heeft vastgesteld en of deze inkomsten kwalificeren als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden.\n\n4. Eiser stelt – samengevat – dat de inkomsten te hoog zijn vastgesteld en dat sprake is van winst uit onderneming. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering van de navorderingsaanslagen en beschikkingen belastingrente.\n\n5. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat de kosten voor het jaar 2019 € 4.700 bedragen en dat het beroep voor het jaar 2019 gegrond moet worden verklaard. De inkomsten voor het jaar 2020 zijn volgens de inspecteur tot de juiste bedragen vastgesteld. De inspecteur is verder van mening dat de inkomsten kwalificeren als resultaat uit overige werkzaamheden.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast\n\nDe rechtbank zal allereerst oordelen of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt namelijk dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast).\n\n8. De inspecteur heeft gesteld dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan en dat daarom sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast.\n\n9. Voor de heffing van IB\u002FPVV geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.Bij de vereiste bewustheid geldt dat kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat in dit verband aan die belastingplichtige moeten worden toegerekend.\n\n10. Deze omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van de belastingplichtige. Het vereiste van een redelijke schatting strekt ertoe, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld.In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.\n\n11. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in beroep gesteld dat de inkomsten uit zorgwerkzaamheden in 2019 € 93.283,38 (opbrengsten van € 107.419 minus kosten van € 14.135,62) bedragen en dat de inkomsten in 2020 € 103.802,06 (opbrengsten van € 113.270,64 minus kosten van € 9.468,58) bedragen in plaats van de aanvankelijk aangegeven inkomsten van € 28.191 in 2019 en € 26.814 in 2020. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van een gebrek in de aangiften dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser had zich ervan bewust moeten zijn dat door het niet aangeven van deze inkomsten een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.\n\n12. Dat het onjuist aangifte doen – mogelijk – is veroorzaakt door zijn toenmalige boekhouder, de heer [naam 5] , maakt dit niet anders. De rechtbank wijst er in dit kader nog op dat eiser in beroep heeft aangevoerd dat de aangiften nooit door eiser zelf zijn ingediend, maar dat eiser in zijn bericht van 24 oktober 2024 aan de inspecteur heeft geschreven dat hij in de jaren 2019 en 2020 zelf zijn financiële administratie heeft beheerd, zonder de hulp van een professional. Wat daar ook van zij, eiser heeft de inkomsten in 2019 en 2020 op zijn bankrekening ontvangen en had bij (controle van) de aangiften in één oogopslag moeten zien dat bij de inkomsten veel te lage bedragen waren vermeld. Ook als eiser de controle van de aangiften niet zou hebben gedaan en volledig vertrouwd zou hebben op de heer [naam 5] kan dit eiser worden aangerekend.\n\n13. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.\n\nHoogte navorderingsaanslagen\n\n14. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2019 vastgesteld op € 107.030 en bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2020 op € 136.775. Hierbij heeft de inspecteur zich voor beide jaren gebaseerd op de bankgegevens van eiser waaruit de inspecteur een bedrag aan opbrengsten van € 114.216 (2019) respectievelijk € 143.992 (2020) heeft afgeleid en waarbij de inspecteur voor 2019 € 3.383 en voor 2020 € 3.368 als kosten in aftrek heeft toegelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een redelijke schatting van eisers inkomen.\n\n15. Eiser stelt dat de inkomsten in 2019 € 6.797 en in 2020 € 30.721,36 lager moeten worden vastgesteld, en de kosten € 10.796,62 (2019) respectievelijk € 6.100,58 (2020) hoger (zie 11). De rechtbank overweegt als volgt.\n\n16. Ten aanzien van de door eiser betwiste opbrengsten in 2019 overweegt de rechtbank dat eiser met hetgeen hij ter zitting heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, niet heeft doen blijken dat deze ontvangsten geen inkomsten zijn. Daartoe heeft eiser onvoldoende specifieke feiten en omstandigheden aangevoerd. Ten aanzien van € 4.700 aan kosten ‘inhuur derden’ in 2019 heeft eiser toegelicht dat dit een salarisbetaling aan zijn zoon is, die samen met hem zorgwerkzaamheden verrichtte. In een procedure die zijn zoon bij een andere rechtbank heeft gevoerd, heeft die rechtbank geoordeeld dat deze betaling voor de zoon salaris was. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat dit bedrag als kosten voor eiser moet worden meegenomen. Meer of andere kosten voor 2019 heeft eiser niet doen blijken. Eiser heeft behalve (afschriften uit) zijn boekhouding en een rittenregistratie waar de inspecteur kanttekeningen bij heeft geplaatst, geen facturen of betaalbewijzen overgelegd die een hoger bedrag aan kosten voldoende onderbouwen.\n\n17. Ook voor wat betreft de door eiser in 2020 betwiste opbrengsten en gestelde hogere kosten is de rechtbank van oordeel dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd, niet heeft doen blijken dat de door de inspecteur geschatte opbrengsten en kosten in zoverre onjuist zijn. Ook hiervoor geldt dat eiser behalve afschriften uit zijn boekhouding en (de door de inspecteur niet gevolgde) kilometeradministratie geen facturen of betaalbewijzen heeft overgelegd, waardoor eiser niet aan zijn verzwaarde bewijslast heeft voldaan.\n\n18. Vervolgens is tussen partijen in geschil of de inkomsten uit zorgwerkzaamheden van eiser dienen te worden belast als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden. Op eiser rust de last om feiten en omstandigheden te doen blijken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van winst uit onderneming. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is van winst uit onderneming onder meer aangevoerd dat hij niet is ‘ingebed’ als werknemer, er geen sprake is van een gezagsverhouding, eiser meerdere opdrachtgevers had in 2019 en 2020, zelf factureert en administratie voert, vrije opdrachtacceptatie heeft, ondernemersrisico loopt omdat er geen loondoorbetaling bij ziekte of uitval is en dat hij zich (tot op zekere hoogte) vrijelijk kan laten vervangen.\n\n19. De inspecteur heeft de stelling van eiser betwist en daartoe onder meer aangevoerd dat eiser de zorgwerkzaamheden voornamelijk heeft verricht via bemiddeling van diverse zorgaanbieders en dat de zorgaanbieders de opdrachtgevers van eiser zijn, en niet de zorgvragers. De eindverantwoordelijkheid voor de te verlenen zorg ligt volgens de inspecteur dan ook bij de zorgaanbieder, wat betekent dat de zorgaanbieder zowel op vakinhoudelijk als organisatorisch gebied een instructiebevoegdheid heeft. Eiser mag niet zelfstandig het (verplichte) zorgplan opstellen. Dit recht (en de verplichting tot opstelling daartoe) is voorbehouden aan de zorgaanbieder(s). Hij mag dit mogelijk wel doen voor of namens de zorgaanbieder, maar dan vervaardigt hij het zorgplan altijd onder (eind-) verantwoordelijkheid van de desbetreffende zorgaanbieder. Ook is hij verplicht om zich bij de uitvoering van de zorgwerkzaamheden te houden aan de richtlijnen zoals deze in het zorgplan zijn neergelegd. Dat eiser bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden en het uitvoeren van het zorgplan een zekere zelfstandigheid heeft, doet daar niet aan af. Ook wijst de inspecteur erop dat de tarieven die eiser berekent gereguleerd zijn, en daarboven niet onderhandelbaar, en dat het debiteurenrisico dat eiser loopt uitsluitend jegens de zorgaanbieders is.\n\n20. De rechtbank overweegt dat eiser, in het licht van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, niet voldoende feiten en omstandigheden heeft doen blijken die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van winst uit onderneming. Uit hetgeen door partijen is aangevoerd is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat en in hoeverre eiser onder eigen verantwoordelijkheid en voor eigen rekening en risico zorgwerkzaamheden in natura aan de zorgvragers kan aanbieden. Die zorgvragers hebben immers jegens hun verzekeraar recht op zorg in natura, welke zorg in opdracht van die verzekeraars slechts mag worden verleend door en onder verantwoordelijkheid van een toegelaten zorgaanbieder (zoals een bemiddelingsbureau). Zonder tussenkomst van een toegelaten zorgaanbieder kan eiser geen diensten tegen betaling verrichten aan de zorgvragers die recht hebben op zorg in natura. De rechtbank merkt op dat zij het op zichzelf aannemelijk acht dat de werkzaamheden voor andere zorgvragers aan wie eiser niet via een bemiddelingsbureau diensten heeft verricht, onder andere condities zijn verricht dan hiervoor is geschetst, maar eiser heeft gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd niet voldoende doen blijken in hoeverre dat het geval is en wat de omvang daarvan dan is. De inspecteur heeft de inkomsten uit zorgwerkzaamheden van eiser daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht voor het geheel niet als winst uit onderneming, maar als resultaat uit overige werkzaamheden aangemerkt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep tegen de navorderingsaanslag 2019 is gegrond gelet op wat de rechtbank onder 16. heeft overwogen. Het belastbaar inkomen uit werk en inkomen moet worden verlaagd met € 1.317. Dat betekent dat de rechtbank de navorderingsaanslag 2019 zal verlagen. Omdat het beroep gegrond is, dient de inspecteur aan eiser het griffierecht te vergoeden. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat deze proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht kan worden vastgesteld op € 2.534 (2 punten voor de beroepsfase à € 934 per punt en 1 punt voor de bezwaarfase à € 666 per punt met een wegingsfactor 1).\n\n22. Het beroep tegen de navorderingsaanslag 2020 is ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom zijn griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van proceskosten in deze zaak.\n\nBeslissing\n\nLEE 25\u002F2505\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag naar een navorderingsaanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.713;\n\n- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeeld de inspecteur in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534.\n\nLEE 25\u002F2507\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nUitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.\n\n Zie Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663.\n\n Vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.\n\n Vergelijk Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.\n\n € 4.700 - € 3.383 = € 1.317","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2208","2026-07-13T00:28:29.349Z",20]