[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-environmental-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},98,"environmental-law-nl","Environmental Law","NL","2026-07-08T16:56:40.702Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2023-04-13T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"469","ECLI:NL:RBNNE:2026:2489","ecli-nl-rbnne-2026-2489","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nlocatie Groningen\n\nzaaknummers: LEE 26\u002F1354 en 26\u002F1515\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n1. [Verzoeksters]uit [plaats] , verzoeksters 1,\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer),\n\n2. [verzoeker]uit [plaats] , verzoeker 2,\n\n (gemachtigde: mr. J.T. Fuller),\n\n hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters.\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe, het college,\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).\n\nAls derde-partijneemt aan het geding deel: [vergunninghoudster] gevestigd in [plaats] , vergunninghoudster,\n\n(gemachtigde: B.H. Woppereis).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel aan de [adres] (het perceel) in [plaats] . Verzoeksters hebben hiertegen beroep ingestelden de voorzieningenrechter gevraagd de verleende omgevingsvergunning te schorsen.\n\n1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeksters 1 zijn in persoon verschenen, vergezeld door [naam] (woordvoerder) en bijgestaan door hun gemachtigde. Verzoeker 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, M.J. Siersema (Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe), T. Kamphuis (casemanager ruimtelijke ordening) en F. Minkema (juridisch medewerker). Namens vergunninghoudster is verschenen [naam] , bijgestaan door de gemachtigde.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter beoordeelt de verzoeken aan de hand van de gronden die verzoeksters hebben aangevoerd. De verzoeken om voorlopige voorziening moeten worden afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n2.1. De wet- en regelgeving die belangrijk is voor de beoordeling van de verzoeken, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten\n\n3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n3.1. Vergunninghoudster is een (intensieve) pluimveehoudster. Zij is bezig met de omschakeling van het houden van ‘plofkippen’ naar het houden van beter leven-1 ster-kippen.\n\n3.2. Vergunninghoudster heeft op 20 maart 2023 een “aanmeldnotitie vormvrije M.E.R.-beoordeling” bij het college ingediend, die was opgesteld door Van Westreenen voor de wijziging van het bestaande agrarische bedrijf.\n\n3.3. Vergunninghoudster heeft op 22 maart 2023 een aanvraag om omgevings-vergunning bij het college ingediend, voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel.\n\nDe aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:\n\n- bouwen;\n\n- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening;\n\n- het veranderen of veranderen van de werking van de inrichting (revisie).\n\n3.4. Bij besluit van 1 juli 2024 heeft het college besloten dat voor de beoogde verandering van de inrichting van vergunninghoudster geen milieueffectrapport (MER) nodig is. Dit was een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 6:3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid366137044f51396edad15489f24c3f82) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n3.5. Het college heeft op 1 juli 2024 een ontwerpbesluit genomen om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft dit ontwerpbesluit inclusief de onderliggende stukken ter inzage gelegd in de periode van 5 juli 2024 tot en met\n\n16 augustus 2024. Daarbij heeft het college eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.\n\n3.6. Verzoeksters 1 hebben in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend dat was gericht tegen het ontwerpbesluit.\n\nOok verzoeker 2 heeft in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend, gericht tegen het ontwerpbesluit.\n\n3.7. Bij het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend.\n\nIs er sprake van een spoedeisend belang?\n\n4. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het spoedeisende belang aan de kant van verzoeksters aanwezig is, omdat vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij al is begonnen met de bouwwerkzaamheden.\n\nWelk recht is van toepassing?\n\n5. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat vergunninghoudster de aanvraag om omgevingsvergunning vóór die datum bij het college heeft ingediend, is de Wabo met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.\n\nBevoegdheid tot kortsluiten\n\n6. Gelet op de stukken en op wat er is besproken tijdens de zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de volledige beoordeling van de beroepszaak nader onderzoek nodig is. Er bestaat daarom geen aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.\n\n6.1. Dit betekent dat in dit geval alleen uitspraak zal worden gedaan op de verzoeken om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige beoordeling geven van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en zal dat betrekken bij het oordeel over de vraag of het verzoek, gelet op de betrokken belangen, kan worden toegewezen.\n\nHet geschil\n\n7. Tussen partijen is in geschil of het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.\n\nGoede procesorde\n\n8. Op de laatste werkdag vóór de zitting hebben verzoeksters 1 ruim 150 pagina’s aan producties overgelegd, waaronder een omvangrijke contra-expertise van Blauw luchthygiëne onderzoek en advies op het gebied van geur. Gelet op de omvang van deze producties en de dag waarop die zijn overgelegd, zal de voorzieningenrechter deze producties wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.Verzoeksters 1 hebben op de zitting de gelegenheid gekregen om hun standpunt over het bestreden besluit toe te lichten.\n\nKunnen verzoeksters zich beroepen op de regels voor natuurbescherming?\n\n9. Verzoekers betogen dat in dit geval een vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (college van GS) vereist is. Verzoekers voeren aan dat het college in de beoordeling ten onrechte rekening heeft gehouden met het feit dat er intern gesaldeerd wordt. In dit verband wijzen verzoekers erop dat intern salderen sinds de uitspraken van 18 december 2024van de Afdeling niet meer mogelijk is. Dit betekent volgens verzoekers dat vergunninghoudster mede een aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) had moeten indienen.Gelet daarop stellen verzoekers dat het college van GS een vvgb had moeten afgeven.Van een dergelijke vvgb is niet gebleken. Naar de mening van verzoekers heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning ten onrechte verleend.\n\n9.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen vanwege het zogenoemde ‘relativiteitsbeginsel’. De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet bedoeld is voor de bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\n9.2. In de Wnb staan bepalingen over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Die regels zijn bedoeld om de natuurwaarden in deze gebieden te beschermen. De belangen van verzoeksters hebben te maken met de gebruiksmogelijkheden van vergunninghoudster en de invloed hiervan op hun (nabijgelegen) percelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de regels van de Wnb niet zijn bedoeld om deze belangen van verzoeksters te beschermen. Het is ook niet zo dat de belangen van verzoeksters zijn verweven met het algemene natuurbelang van de Wnb. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” is daarvoor te ver van de percelen van verzoeksters (op ongeveer vier kilometer). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die afstand te groot om verwevenheid aan te nemen. Het relativiteitsbeginsel maakt dat dit argument van verzoeksters dus niet kan leiden tot schorsing of vernietiging van het bestreden besluit. Dit betekent dat de voorzieningenrechter deze door verzoeksters naar voren gebrachte grond niet inhoudelijk zal beoordelen.\n\nVerklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Midden-Drenthe\n\n10. Verzoekers betogen dat in dit geval (ook) ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de raad van de gemeente Midden-Drenthe (de raad) ontbreekt. Naar de mening van verzoekers is een vvgb van de raad vereist.Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning namelijk toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,ten derde, van de Wabo om af te wijken van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022” (het bestemmingsplan). Voor die gevallen bepaalt de wet dat er een vvgb van de raad vereist is, behalve in uitzonderingsgevallen die zijn aangewezen. Van zo’n uitzondering is in dit geval geen sprake. Toch ontbreekt de vvgb. Volgens verzoekers was het college daarom in dit geval niet bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen.\n\n10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wabo om binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Daarvoor gelden andere regels dan voor de categorie (ten derde) die hiervoor is genoemd. Dit betekent volgens het college dat een vvgb van de raad niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoeft te worden opgesteld.\n\n10.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt deze grond niet. Het college was in dit geval bevoegd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Hierbij stelt de voorzieningenrechter vast dat het college in dit geval de gevraagde omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerstevan de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, vierde lid onder b en c, van de planregels van het bestemmingsplan. Dit betreft een binnenplanse afwijkmogelijkheid. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat een vvgb van de raad in dit geval niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoefde te worden opgesteld. Weliswaar heeft het college in het bestreden besluit ten onrechte als juridische grondslag artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,ten derde, van de Wabo vermeld, maar uit het ontwerpbesluit en de zienswijzennota blijkt dat bedoeld werd om binnenplans af te wijken. Hieruit moet worden afgeleid dat sprake is van een (slordige) verschrijving van het college voor wat betreft de grondslag. Dat is op zichzelf echter onvoldoende reden om het besluit te schorsen.\n\nMocht het college gebruik maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?\n\n11. Verzoekers betogen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat in dit geval gebruik kan worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.Verzoekers voeren aan dat niet wordt voldaan aan de criteria voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Daarbij gaat het volgens verzoekers vooral om het criterium dat moet zijn aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Verzoekers vrezen voor een onaanvaardbare toename van geluidhinder als gevolg van de vergunde activiteiten. Zij wijzen erop dat het onzeker is of bij de berekeningen van de geluidbelasting de juiste uitgangspunten zijn gehanteerd. Bovendien is berekende toename van geluidbelasting op de woning van verzoeksters 1 niet acceptabel. Verder vrezen verzoekers voor een onaanvaardbare toename van geurhinder en van de emissies van fijnstof als gevolg van de vergunde activiteiten. Gelet daarop kan het bouwplan naar de mening van verzoekers niet in overeenstemming worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Volgens verzoekers is er sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginselen het motiveringsbeginsel.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan een intensieve veehouderij op het perceel toelaat. Het college voert aan dat er sprake is van het afwijken van het bestemmingsplan voor wat betreft de bouwregels. Verder zijn de geluidsvoorschriften in de nieuwe vergunning volgens het college aangescherpt ten opzichte van de vergunning van 2016, op grond van de resultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Uit het geluidsrapport blijkt volgens het college het geluid op de woning van verzoeksters 1 tijdens de incidentele bedrijfssituatie in de dagperiode met 1 dB toeneemt. Dat is naar de mening van het college geen reden om de omgevingsvergunning te weigeren. Daarnaast voert het college aan dat uit de uitgevoerde geurberekening blijkt dat wordt voldaan aan de norm van 14 Ou\u002Fm3, die geldt voor geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied.\n\n11.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet op voorhand aannemelijk dat deze beroepsgrond zal slagen. De voorzieningenrechter licht dit hieronder toe.\n\n11.3. Het bestemmingsplan laat op het perceel een intensieve veehouderij toe, zoals de beoogde uitbreiding van de pluimveehouderij. De ruimtelijke belangen die betrokken zijn bij een intensieve veehouderij op deze locatie zijn daarom in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan al afgewogen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de afwijking van het bestemmingsplan alleen te maken heeft met de bouwregels over het bebouwingsoppervlak en de situering. Verzoekers maken zich zorgen over een verslechtering van de milieu- en woonsituatie door een toename van de emissies van geur, geluid en fijnstof en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s. Maar zo’n toename had ook veroorzaakt kunnen worden door een uitbreiding van de inrichting die wel in overeenstemming zou zijn met deze bouwregels (en dus niet in strijd met het bestemmingsplan).\n\n11.4. Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoeksters 1, alleen doordat het geluid op hun woning met 1 dB toeneemt tijdens de incidentele bedrijfssituatie. Verzoekers hebben niet betwist dat ook met die toename nog voldaan wordt aan de richtwaarden op grond van de Handreiking industrielawaai vergunningverlening (Handreiking). Zij hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat er voor het maximale geluidsniveau (LAmax) sprake is van een overschrijding van de richtwaarde op grond van de Handreiking. Zij hebben alleen gesteld dat er sprake is van een overschrijding van de streefwaarde voor het maximale geluidsniveau. Dat is nog geen overschrijding van derichtwaarde.\n\n11.5. Verder is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er vanwege de gestelde geurhinder sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoekers. Het college heeft daarbij verwezen naar een uitgevoerde geurberekening. Onder deze omstandigheden heeft het college in de door verzoekers gestelde hinder en gezondheidsrisico’s in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te weigeren. Er is door verzoekers ook onvoldoende onderbouwd dat gezondheidsrisico’s het college aanleiding hadden moeten geven om advies van de GGD in te winnen voor de vergunningverlening. Ook is niet voldoende concreet gemaakt dat eerdere GGD-advisering met betrekking tot het hanteren van het voorzorgbeginsel en de intensieve veehouderij voor het college aanleiding hadden moeten zijn om deze vergunning te weigeren. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nMilieu-aspecten (geluid en geur)\n\n12. Verzoeksters 1 twijfelen aan de berekeningen van geluid en geur waar het college vanuit is gegaan in de besluitvorming. Specifiek betwisten zij de gehanteerde uitgangswaarde van de uittreesnelheid vanwege:\n\n- de benodigde ventilatiecapaciteit;\n\n- de diameter van de uitstroomopening;\n\n- de warmtewisselaar;\n\n- het aantal warmtewisselaars per stal;\n\n- het aantal ventilatoren warmtewisselaar(s);\n\n- het in werking zijn van de warmtewisselaar(s);\n\n- de capaciteit van de ventilatoren;\n\n- de capaciteit van de ventilatoren van de warmtewisselaar;\n\n- de eisen aan cascade gestuurde ventilatie;\n\n- het ten onrechte uitgaan van cascade-gestuurde ventilatie.\n\nGelet daarop zijn verzoeksters onder 1 van mening dat het college de in opdracht van vergunninghoudster opgestelde deskundigenrapporten met betrekking tot geluid en geur niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.\n\n12.1. Deze voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor de behandeling van complexe technisch-juridische vragen. De vragen die verzoeksters 1 opwerpen over de werking van de ventilatoren en eigenschappen van de ventilatoren en de warmtewisselaar (capaciteit, diameter uitstroomopening en cascade-gestuurd) zijn voorbeelden van zulke complexe technisch juridische vragen. De beantwoording van die vragen vergt mogelijk nader onderzoek door middel van het inwinnen van advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) dat in de bodemprocedure moet plaatsvinden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter hierover geen voorlopig oordeel kan geven en zich zal beperken tot een belangenafweging.\n\n12.2. Na afweging van de betrokken belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrees voor geur- en geluidsoverlast die verzoeksters naar voren hebben gebrachte weliswaar reëel is, maar dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het bestreden besluit zal leiden tot een verslechtering van de woon- en leefsituatie van verzoeksters. Vooral ook omdat op grond van de bestaande omgevingsvergunning ook ’s nachts activiteiten zijn toegestaan (het verladen van de vleeskuikens). Daar komt bij dat de voorzieningenrechter de toelichting met betrekking tot geur, fijnstof en endotoxinen die de gemachtigde Siersema tijdens de zitting heeft gegeven plausibel acht. De voorzieningenrechter concludeert dat het niet op voorhand zeker is dat de vergunde pluimveehouderij, waarvoor in 2023 uitbreiding is aangevraagd, niet ruimtelijk en milieutechnisch kan worden ingepast, ondanks de bezwaren van verzoeksters. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de gevraagde uitbreiding ziet op het bouwen van een pluimveestal en het plaatsen van overdekte uitlopen aan de bestaande stallen, maar dat het aantal te houden dieren met 33.500 afneemt. Dat zal een positieve invloed hebben op de uitstoot van geur, fijnstof en endotoxinen. Vergunninghoudster heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat schorsing van de verleende omgevingsvergunning de verandering van de bedrijfsvoering verhindert en een drastische reductie van het inkomen (tot 50%) met zich brengt, zodat zij dan zal moeten terugvallen op de activiteiten die zij verricht op grond van de oude vergunning. Dat houdt in: het houden van 33.500 meer (plof)kippen, inclusief nachtelijke activiteiten.\n\n12.3. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de zorgen van verzoekers over hun woon- en leefklimaat. Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeksters bij schorsing minder zwaar wegen dan de overige belangen. De voorzieningenrechter is er niet op voorhand van overtuigd (geraakt) dat de uitkomst van de beroepsprocedure ertoe zal leiden dat de gevraagde omgevingsvergunning moet worden geweigerd door het college. Met de uitkomst van de beroepsprocedure zal meer duidelijkheid komen over de ruimtelijke en milieutechnische inpassing van de activiteiten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er, na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen of een maatregel op te leggen. De verzoeken daartoe worden afgewezen. Omdat de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de verzochte en verstrekkende last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden. Het verzoek daartoe van verzoeker 2 wordt afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;\n\n- wijst het verzoek van verzoeker onder 2 om een last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden, af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\ngriffier voorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden op:Rechtsmiddel\n\nUitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 8:81\n\n1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n(…).\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\n(…)\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).\n\n(…)\n\ne. 1. het oprichten,\n\n2. het veranderen of veranderen van de werking of\n\n3. het in werking hebben\n\nvan een inrichting of mijnbouwwerk.\n\n(…)\n\ni. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.\n\n(…)\n\nArtikel 2.10\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:\n\n(…)\n\nc. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…);\n\nd. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid19d9f7d1dcae1b42bc994c4e76c6729c), van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.\n\n2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.\n\nArtikel 2.12\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:\n\na. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:\n\n1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,\n\n2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of\n\n3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. (…)\n\nArtikel 2.14\n\nVoor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:\n\na. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:\n\n1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;\n\n2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;\n\n(…)\n\nb. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:\n\n1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;\n\n2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;\n\n3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;\n\nc. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:\n\n1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;\n\n2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.\n\n(…)\n\n3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.\n\n4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.\n\n(…)\n\n7. Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.\n\nBesluit omgevingsrecht\n\nArtikel 2.2aa Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving\n\nAls categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:\n\na. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0015158&artikel=9&g=2023-07-01&z=2026-02-12) of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0006147&artikel=13&g=2023-07-01&z=2026-02-12), voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend.\n\n(…).\n\nArtikel 6.10a Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten\n\n1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.\n\n(…).\n\n4. Een verklaring kan slechts worden gegeven:\n\na. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.aa, onderdeel a: op de gronden, die zijn aangegeven in artikel 2.8 en artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, vierde lid, van die wet en artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming.\n\n(…).\n\nWet geurhinder en veehouderij\n\nArtikel 1\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\nconcentratiegebied:concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=I&g=2023-05-21&z=2026-05-21), of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied.\n\n(…).\n\nArtikel 2\n\n1. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9 (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0020396\u002F2013-01-01\u002F0?g=2023-05-21&z=2026-05-21).\n\n(…).\n\nArtikel 3\n\n1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:\n\na. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nb. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nc. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nd. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.\n\n(…).\n\n4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.\n\nArtikel 6\n\n1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0020396\u002F2013-01-01\u002F0?g=2023-05-21&z=2026-05-21), met dien verstande dat deze andere waarde:\n\na. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nb. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nc. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nd. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.\n\n(…).\n\nVerordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024\n\nArtikel 3.5 Andere waarden voor de geurbelasting\n\n1. Bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij neemt het bevoegd gezag de in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan bepaalde geurnormen en minimale vaste afstanden in acht.\n\n(…).\n\n3. In afwijking van het eerste lid is voor het gebied van de gemeente liggende buiten de op de bij deze verordening behorende kaarten aangewezen gebieden de geurnorm\n\n14 Odourunits\u002Fm3 lucht.\n\nBestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”\n\nAan het perceel zijn de bestemmingen “Waarde – Archeologie 2” en “Agrarisch met waarden-1” toegekend, alsmede de functieaanduiding “intensieve veehouderij”.\n\nArtikel 4 Agrarisch met waarden-1\n\nArtikel 4.1 Bestemmingsomschrijving\n\nDe voor “Agrarisch met waarden – 1” aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\n(…).\n\nc. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’;\n\n(…).\n\nArtikel 4.2 Bouwregels\n\na. Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:\n\n1. er zullen uitsluitend gebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van agrarische bedrijven met bijbehorende functies worden gebouwd;\n\n(…);\n\n4a. de gebouwen zullen uitsluitend binnen een aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak worden gebouwd gerekend vanuit de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf', 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak', waarbij de diepte van de vierhoek (ongeveer haaks op de naar de weg gerichte gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) altijd langer is dan de breedte (ongeveer evenwijdig aan de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) van de vierhoek. In afwijking hiervan zijn in bestaande situaties waarin de bebouwing niet binnen een vierhoek, dan wel bouwvlak is gesitueerd ook andere vormen toegestaan;\n\n4b. in uitzondering op het gestelde onder a, mogen tevens gebouwen worden gebouwd overeenkomstig de bestaande situatie, dan wel binnen een bouwvlak, zoals ter plaatse is aangeduid;\n\n5. de diepte van een aaneengesloten vierhoek zal ten hoogste 200 m bedragen, gerekend vanaf de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning. Indien geen bedrijfswoning aanwezig is, zal de diepte worden gerekend vanaf de naar de weg gekeerde perceelgrens. De grootste afstand in de breedte van een vierhoek zal ten hoogste 125 m bedragen, zodanig dat er wordt gebouwd binnen een denkbeeldige vierhoek;\n\n(…);\n\n16. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak’ worden bedrijfsgebouwen in ten hoogste één bouwlaag gebouwd.\n\n(…).\n\nArtikel 4.4 Afwijken van de bouwregels\n\nBij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels worden de algemene toetsingscriteria afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden als genoemd in artikel 48.2 gehanteerd.\n\nOnderstaande bevoegdheden kunnen ook nog worden toegepast na gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid onder b.\n\nBij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:\n\n(…);\n\nb. lid 4.2 sub a onder 4 en 5:\n\nen worden toegestaan dat de aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak wordt vergroot, mits:\n\n1. de oppervlakte van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 2 ha;\n\n2. deze afwijking niet wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1 ha';\n\n3. met de vormgeving van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de landschappelijke karakteristiek en\u002Fof de landschappelijke structuur;\n\n4. het verzoek om verlening van de omgevingsvergunning gepaard gaat met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing ter versterking van het landschappelijk karakter; er wordt uitsluitend over gegaan tot verlening van de omgevingsvergunning als er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing en de uitvoering van het plan voor landschappelijke inpassing is gegarandeerd;\n\n5. er zicht is op een langdurige vergroting van de productieomvang als gevolg van schaalvergroting of extensivering\u002Fverbreding van de bedrijfsactiviteiten en de noodzakelijkheid van de bedrijfsuitbreiding is aangetoond;\n\n6. is aangetoond dat binnen de bestaande aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding;\n\n7. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;\n\n(…).\n\n De beroepen zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 25\u002F2603 en 25\u002F2639.\n\n De verzoeken om voorlopige voorziening zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 26\u002F1354 en 26\u002F1515.\n\n Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\nToepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dus niet aan de orde.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van\n\n16 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:263, rechtsoverweging 5.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Op grond van artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang gelezen met artikel 6.10a van het Bor.\n\nDat volgt uit artikel 8:69a van de Awb.\n\nVergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706 en van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2627.\n\n Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n Om af te wijken zoals beschreven in artikel 4, vierde lid, van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”.\n\n Als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.\n\n Deze norm is ten aanzien van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied opgenomen in artikel 3:5, derde lid, van de Verordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024 (de Verordening).\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:617, r.o. 9.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2489","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:31.997Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"622","ECLI:NL:RBNNE:2023:1529","ecli-nl-rbnne-2023-1529","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nlocatie Groningen\n\nzaaknummers: LEE 21\u002F2044 en 22\u002F1347\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 13 april 2023 in de zaken tussen\n\n [eiser], te [plaats], eiser,\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Skala),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. J.P. Ketelaar).\n\nAls derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [plaats], vergunninghouder,\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).\n\nProcesverloop\n\nInzake LEE 21\u002F2044\n\nBij besluit van 26 november 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats].\n\nBij besluit van 19 mei 2021 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I van 26 november 2019 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nTegen het bestreden besluit I heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 21\u002F2044.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\nBij besluit van 21 juli 2021 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\nTegen het primaire besluit II heeft eiser bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 21\u002F2523. Bij uitspraak van 13 september 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.\n\nBij besluit van 7 maart 2022 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit II verleende omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”.\n\nTegen het bestreden besluit II heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer 22\u002F1347.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 7 maart 2023. Tijdens deze zitting zijn tevens de zaken met procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 22\u002F1427 behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. R.R. Top-van Houdt en J. Hortensius. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.\n\nVoor het doen van uitspraak zijn de zaken met de procedurenummers LEE 21\u002F2044 en 22\u002F1347 gesplitst van de zaken met de procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 22\u002F1427.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.\n\nInzake LEE 21\u002F2044\n\n1.1. In 2018 is door de raad van de voormalige gemeente Haren een voorbereidingsbesluit vastgesteld om het beoogde recreatieterrein achter de bestaande recreatiewoningen aan de zuid-oostzijde van het Paterswoldsemeer toe te voegen aan het bestemmingsplan EHS. In dit voorbereidingsbesluit is ook vastgelegd dat aan enkele bewoners van de Meerweg destijds is toegezegd dat de door hen gewenste vaarverbinding zou worden gefaciliteerd. Voorafgaand aan dit voorbereidingsbesluit hebben diverse procesafspraken plaatsgevonden op het gemeentehuis met de afdeling ontwikkeling, bewoners van de Meerweg en leden van recreatiewoningen “Ol Veen” en het Meerschap Paterswolde. Deze vaarverbinding is vervolgens in nauw overleg met de provincie Groningen tot stand gekomen, gelet op het aanwezige NNN-gebied.\n\nTevens is overleg gevoerd met de eigenaar van het adres Meerweg 205, die in het bezit is van een vergunning voor een alternatieve vaarverbinding van zijn perceel aan de Meerweg naar het Paterswoldsemeer. Dit overleg (met als doel om te komen tot een gemeenschappelijke vaarverbinding) heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid zodat een besluit moest worden genomen omtrent het verlenen van de vergunning voor de gevraagde vaarverbinding.\n\n1.2. Vergunninghouder heeft op 9 juni 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning (eerste fase) bij verweerder ingediend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te Haren. Deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de navolgende activiteit:\n\n- het uitvoeren van een werk of werkzaamheden.\n\n1.3. Bij primair besluit I van 26 november 2019 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats].\n\n1.4. De commissie heeft verweerder bij brief van 22 april 2021 geadviseerd om de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren en het primaire besluit I van 26 november 2020 onder een aanvullende motivering te handhaven.\n\n1.5. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit I de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I van 26 november 2020 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\n1.6. Vergunninghouder heeft op 21 december 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning bij verweerder ingediend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te Haren (Gn.) in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\n1.7. Bij primair besluit II van 21 juli 2021 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\n1.8. De commissie heeft verweerder bij brief van 15 februari 2022 geadviseerd om de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren en het primaire besluit II gewijzigd in stand te laten onder aanvulling van de motivering en het opnemen van voorschriften. Verder heeft de commissie in voormelde brief aan verweerder geadviseerd om de omgevingsvergunning te verlenen onder afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”.\n\n1.9. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit II de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit II verleende omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer” met toepassing van artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\nToepasselijke regelgeving\n\n2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.\n\nOverwegingenInzake LEE 21\u002F2044\n\nHet geschil\n\n3. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht en op juiste gronden een omgevingsvergunning heeft verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van de goede procesorde\n\n4. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat de door de gemachtigde van eiseres in procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 21\u002F1427 naar voren gebrachte gronden als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat eiseres in die procedures geen procesbelang meer heeft.\n\n4.1.. Verweerder en vergunninghouder hebben naar aanleiding daarvan ter zitting gesteld dat dit in strijd komt met de beginselen van een goede procesorde.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank komt het verzoek van de gemachtigde van eiser eerst ter zitting om de gronden van eiseres van overeenkomstige toepassing te verklaren zonder een nadere toelichting en zonder te specificeren om welke gronden het gaat in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Dit brengt met zich dat de rechtbank het verzoek van de gemachtigde van eiser afwijst en de gestelde van overeenkomstige toepassing zijnde gronden van beroep buiten beschouwing zal laten.\n\nTen aanzien van de relativiteit\n\n5. Eiser betoogt dat er onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen. In dit verband wijst eiser erop dat de te graven vaarverbinding de zonneweide en het strandje grenzend aan het Paterswoldsemeer zal doorsnijden en dat hierdoor de recreatieve capaciteit voor dagrecreanten voor een groot deel (30%) zal worden ingeperkt.\n\n5.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser gestelde schending van het belang van de dagrecreanten niet een belang is dat in deze beroepsprocedure aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, aangezien het hier niet gaat om een persoonlijk belang van eiser. In dit verband wijst verweerder erop dat uit artikel 8.69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat eiser in deze procedure uitsluitend kan opkomen voor zijn eigen belangen en niet ook voor de belangen van anderen.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009\u002F10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eiser.\n\n5.3.. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de norm waarop eiser zijn gestelde schending van de belangen van de dagrecreanten baseert, niet geschreven is ter bescherming van zijn persoonlijke belangen. Omdat de beroepsgrond van eiser gezien het relativiteitsvereiste in zoverre niet tot vernietiging van het bestreden besluit I kan leiden, ziet de rechtbank af van een inhoudelijke bespreking daarvan (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:900).\n\nTen aanzien van een alternatief\n\n6. Eiser stelt voor om het oost-west gedeelte van de vaarweg iets meer richting het zuiden aan te leggen.\n\n6.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat met dit door eiser voorgestelde alternatieve tracé niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder\n\nbezwaren. In dit verband wijst verweerder erop dat in dit alternatief het oost-west gedeelte van de vaarweg ongeveer 20 meter zuidelijker zou komen te liggen, ongeveer ter hoogte van de huidige sloot op het perceel van de eigenaar van Meerweg 205.\n\n6.2.. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat verweerder beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning, zoals die is ingediend. Indien een plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (vgl. AbRvS, 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2510).\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een alternatief waarbij een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het door eiser naar voren gebrachte alternatief door verweerder is beoordeeld en vergeleken met de aangevraagde variant. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het door eiser naar voren gebrachte alternatief als nadeel heeft dat een groot deel van de zonneweide en het strandje aan het Paterswoldsemeer doorkruist worden door dit alternatieve tracé en dat dit voor het Meerschap Paterswolde als eigenaar van de grond reden was om hieraan geen medewerking te verlenen. Hieruit volgt dat met het door eiser naar voren gebrachte alternatief niet een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. Deze grond van eiser slaagt niet.\n\nTen aanzien van de aanlegvergunning voor het pad\n\n7. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen aanlegvergunning voor het pad heeft verleend voor zover dit zich ten zuiden van de vaarweg bevindt. In dit verband wijst eiser erop dat dit pad naar zijn mening aanlegvergunningplichtig is omdat het aanbrengen van oppervlakteverhardingen aanlegvergunningplichtig is.\n\n7.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat uitsluitend een aanlegvergunning is vereist voor het pad voor zover dat is gelegen in de bestemming “Agrarisch met\n\nwaarden” van de beheersverordening Paterswoldsemeer (dat is het deel van het pad dat\n\nis gelegen ten westen van de vaarweg, daar waar de vaarweg van zuid naar noord\n\nloopt). Daar waar het pad ten zuiden van de vaarweg ligt, geldt volgens verweerder voor het meest westelijke deel daarvan de bestemming “Recreatie-Dagrecreatie” uit de beheersverordening Paterswoldsemeer. Deze bestemming kent in de visie van verweerder geen aanlegvergunningstelsel. Voor het overige deel van het pad zuidelijk van de vaarweg, geldt volgens verweerder de bestemming “Natuur” uit het bestemmingsplan EHS. Naar de mening van verweerder valt de aanleg van het pad niet onder de in artikel 3.4 van dit bestemmingsplan genoemde vergunningplichtige activiteiten. In dit verband wijst verweerder erop dat artikel 3.4 onder a, sub 4, van de planregels van dit bestemmingsplan weliswaar bepaalt dat een aanlegvergunning vereist is voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, maar dat uit de aanvraag blijkt dat er sprake is van een onverhard pad, zodat op grond van deze bepaling geen aanlegvergunningplicht geldt.\n\n7.3.. Artikel 3 van het bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein Zuidoostzijde Paterswoldsemeer” luidt als volgt:\n\n1. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het behoud, het herstel en\u002Fof de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, in het bijzonder gericht op ontwikkeling en instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone (EHS);\n\nb. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nc. recreatief medegebruik en extensief agrarisch medegebruik.\n\n(…)\n\n4.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren:\n\n1. het egaliseren en ophogen van gronden anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding.\n\n7.4.. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad. Verder wordt vastgesteld dat verweerder uit deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft afgeleid dat er geen sprake is van aanlegvergunningplichtige activiteiten op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer” omdat het een onverhard pad betreft. De rechtbank volgt verweerder niet in deze stelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er bij de aanleg van het bijbehorende pad geen sprake is van het egaliseren van gronden, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van voormeld bestemmingsplan. Hieruit volgt dat eiser terecht betoogt dat er sprake is van een aanlegvergunningplicht voor het bijbehorende pad ten zuiden van de aan te leggen vaarverbinding. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit in strijd komt met artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van voormeld bestemmingsplan. Deze grond van eiser slaagt.\n\nTen aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen\n\n8. Eiser betoogt dat het verlenen van de aanlegvergunning voor de voorgenomen vaarwegverbinding voor een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel zorgt. In dit verband wijst eiser erop dat het realiseren van de vaarwegverbinding ertoe bijdraagt dat de toegang tot zijn perceel wordt weggenomen. Bovendien meent eiser dat ook de toegang tot het perceel van hulpdiensten, zoals de brandweer en\u002Fof een ambulance, niet langer mogelijk wordt door het aanleggen van de vaarwegverbinding. Dit wordt ook bemoeilijkt door hier een voorgenomen brug over te plaatsen). Verweerder alsmede de vergunninghouder hebben te kennen gegeven dat de toegang tot het perceel van eiser kan worden hersteld, door hiervoor naderhand dus een brug aan te leggen. Het zou hierbij gaan om een ophaalbrug die door de vergunninghouder zelf zal worden beheerd, aldus eiser. In de visie van eiser is dit niet wenselijk, omdat hij voor de toegang tot het perceel daardoor afhankelijk wordt van derden. Ook zet hij vraagtekens bij de veiligheid van het beheer en onderhoud van een dergelijke constructie door een partij die daarin vrijwel geen enkele deskundigheid heeft. Verder is het volgens eiser nog maar de vraag of de eerdergenoemde hulpdiensten nog bij het perceel kunnen komen wanneer beheer en het onderhoud van de brug in beheer wordt gebracht bij de initiatiefnemer zelf. Naar de mening van eiser heeft verweerder in het bestreden besluit op dit punt geen enkele reactie naar voren gebracht, hetgeen in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Meer specifiek wijst eiser op het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.\n\n8.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanleg van de vaarwegverbinding een beperkte ruimtelijke uitstraling heeft en dat er geen sprake is van een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiser. In dit verband wijst verweerder erop dat uit de feitelijke situatie naar voren komt dat de relatief smalle, deels onverharde, toegangsweg niet bedoeld en geschikt is voor grote en zware voertuigen. Ook uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen blijkt dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor het gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers, aldus verweerder. Volgens verweerder gebeurt het gebruik van de weg door grote en zware vrachtvoertuigen wel incidenteel, maar is dit alleen mogelijk met behulp van rijplaten. Verder wijst verweerder erop dat gezien het beperkte privégebruik door vier huishoudens van de aan te leggen vaarweg de brug in het vaarseizoen hooguit een aantal malen per dag gedurende korte tijd (enkele minuten) geopend zal zijn. In de visie van verweerder kan niet worden uitgesloten dat de eigenaren\u002Fgebruikers van deze recreatiewoningen tijdens het vaarseizoen met enige regelmaat gedurende korte tijd zullen moeten wachten voor een geopende brug, maar deze omstandigheid brengt niet met zich dat de belangen van eiser hierdoor onevenredig worden geschaad. Hoewel de vrees voor een defect aan de brug terecht is, is verweerder van mening dat de kans klein is dat er een defect zal optreden, waar eiser mogelijk last van zal hebben. In dit verband wijst verweerder erop dat een defect waardoor eiser mogelijk zal worden geraakt, zich alleen zal voordoen als dit defect optreedt bij een geopende brug, want een defect dat optreedt bij een gesloten brug raakt alleen vergunninghouder en de andere gebruikers van de vaarweg, aangezien de brug in dat geval niet meer omhoog gebracht kan worden. Aangezien de brug in het vaarseizoen slechts korte tijd per dag geopend zal zijn, zal ook de kans op een eiser benadelend defect klein zijn. Voor het geval een dergelijk defect onverhoopt toch optreedt, dan kan de brug handmatig met een lier in de uitgangspositie worden teruggebracht, aldus verweerder. In dit kader acht verweerder van belang dat door de fabrikant van de brug is bevestigd dat er een dergelijke veiligheidsvoorziening zal worden aangebracht bij de aanleg van de brug en dit is als voorschrift aan de vergunning verbonden.\n\n8.2.. Daarnaast wijst verweerder erop dat de brug toegankelijk is voor ambulances. Ten aanzien van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen voor de brandweer is het volgens verweerder opmerkelijk dat eiser stelt dat de bereikbaarheid voor de brandweer zal verslechteren door de aanleg van de brug en de vaarweg en daarbij geheel voorbij gaat aan het feit dat uit de bevindingen van de brandweer is gebleken dat er juist in de huidige situatie een zeer grote kans is dat de brandweer de recreatiewoningen niet (tijdig) kan bereiken met blusmateriaal. In dit verband wijst verweerder erop dat door de brandweer, die de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen, is geconstateerd dat het onzeker is of een (zware met water gevulde) blusauto de recreatiewoningen zal kunnen bereiken over de deels onverharde toegangsweg. Bovendien is er volgens verweerder in de huidige situatie in de nabijheid geen mogelijkheid om bluswater in te nemen, omdat het Paterswoldsemeer vanaf de toegangsweg niet goed bereikbaar is voor een blusauto en de dichtstbijzijnde brandkraan 170 meter is verwijderd van de plek waar de brug wordt aangelegd. In de visie van verweerder blijkt dit uit het advies van de Veligheidsregio. Verder wijst verweerder erop dat de Veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de aanleg van een brug, onder de voorwaarde dat er een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd, die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen. Daarbij acht verweerder van belang dat vergunninghouder heeft verklaard een dergelijke waterwin- en opstelplaats aan te zullen leggen en in het bestreden besluit I is dit als voorschrift verbonden aan de vergunning.\n\n8.3.. Wat betreft de belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zal de rechtbank het project in zijn geheel bezien met inbegrip van de rol van de aanleg van de brug daarin. De rechtbank overweegt dat in de met betrekking tot deze omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te maken belangenafweging daarbij uitsluitend de gevolgen van de afwijkingen van het bestemmingsplan dienen te worden meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van vergunninghouder zwaarder dienen te wegen dan de belangen van eiser voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door verweerder niet inzichtelijk en duidelijk is gemaakt hoe vaak per dag door vergunninghouder en de overige eigenaren van de vier woningen aan de Meerweg gebruik gemaakt zal worden van de aan te leggen brug, terwijl eiser voor wat betreft de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van zijn perceel afhankelijk zal worden van de brugbediening door derden, waaronder vergunninghouder. Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe vaak gebruik gemaakt zal worden van de aan te leggen brug, is het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging op een ondeugdelijke motivering berust hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb oplevert. Dit betekent dat deze grond van eiser slaagt. Ook om die reden is het beroep van eiser gegrond.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\nHet geschil\n\n9. Tussen partijen is in geschil of verweerder een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de [adres] in [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen\n\n10. Aan het bestreden besluit II heeft verweerder ten grondslag gelegd dat zware en grote vrachtvoertuigen weliswaar geen gebruik kunnen maken van de brug, maar dat met de toegestane belastbaarheid van de brug van 5.100 kg de recreatiewoningen voldoende toegankelijk zijn. Met deze belastbaarheid kunnen de meest gangbare voertuigen - waaronder personenauto’s, (grote) bestelauto’s en kleine vrachtauto’s - de recreatiewoningen bereiken. Ook is gebleken dat de brug toegankelijk is voor ambulances. Verder blijkt uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers. Daarbij is in aanmerking genomen dat de toegangsweg waarin de brug zal worden aangebracht, geen openbare weg is die normale verkeersstromen moet verwerken, maar een niet-openbare weg die slechts zeven recreatiewoningen ontsluit. Bovendien betreft het een relatief smalle, niet geasfalteerde weg die niet bedoeld en geschikt is voor grote en zware voertuigen. Verder is daarbij in aanmerking genomen dat de belangen van eisers niet onevenredig worden geschaad. Er is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is in overweging genomen dat de brug alleen in het vaarseizoen zal worden gebruikt en alleen door bewoners van de vier woningen aan de Meerweg. Door dit niet-openbare gebruik zal de brug (alleen tijdens het vaarseizoen) enkele malen per dag gedurende enkele minuten geopend zijn. Van een onaanvaardbare belemmering van de toegankelijkheid van de recreatiewoning van eiser is geen sprake.\n\n10.1.. \n\nEiser betoogt dat het gestelde geringe gebruik van de vaarweg en de daarin gelegen brug uitgaat van de veronderstelling dat er slechts één schip per woning zal zijn. Dat is in tegenspraak met het aantal feitelijk aanwezige aantal personen dat in staat zal zijn met een\n\nschip gebruik te maken van de vaarweg, aldus eiser. Dat zullen minimaal twee volwassenen zijn met een aantal kinderen. Dat impliceert volgens eiser tenminste twee schepen per woning. Dat aantal zal snel toenemen als de kinderen de leeftijd van acht jaren hebben bereikt en ieder kind zijn eigen zeilboot(je) zal varen. Thans uitgaan van drie schepen per woning, acht eiser een reële optie en impliceert reeds een gemiddeld openstaan van de brug\n\nvan tenminste 60 minuten per dag. Daarmede wordt de gestelde beperkte hinder voor eiser en de andere eigenaren van de recreatiewoningen tot een aanmerkelijke niet meegewogen hinder. Daarbij moet in de visie van eiser ook bezien worden wat de gemiddelde openingstijd zal zijn voor het passeren van een schip. Eiser is van mening dat voor iedere keer openen van de brug voor het landverkeer een vertraging ontstaat van tien minuten. Eiser berekent dan\n\nmaximaal 24 x openen gedurende 10 minuten, zijnde een stremming van vier uur per dag. Daarenboven zijn de scheepsbewegingen volgens eiser niet beperkt tot een vaarseizoen,\n\nmaar vinden die gedurende het hele jaar plaats. Alleen bij ijsgang zal het gebruik van de\n\nvaarweg en de brug niet mogelijk zijn. In de visie van eiser schetst verweerder een onjuist beeld, waaruit niet de conclusies kunnen worden getrokken, die verweerder trekt. Het openen van de brug zal voor eiser en de overige eigenaren van de recreatiewoningen aanmerkelijke hinder veroorzaken. Die hinder zal slechts toenemen bij de groei van het aantal schepen per woning en in het geval van niet voorziene calamiteiten ten gevolge van incidenten.\n\n10.2.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zware en grote vrachtvoertuigen weliswaar geen gebruik kunnen maken van de brug, maar dat met de toegestane belastbaarheid van de brug van 5.100 kg de recreatiewoningen voldoende toegankelijk zijn. Ook uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen blijkt dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor het gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers, aldus verweerder. Volgens verweerder gebeurt het gebruik van de weg door grote en zware vrachtvoertuigen wel incidenteel, maar is dit alleen mogelijk met behulp van rijplaten. Verder wijst verweerder erop dat gezien het beperkte privégebruik door vier huishoudens van de aan te leggen vaarweg de brug in het vaarseizoen hooguit een aantal malen per dag gedurende korte tijd (enkele minuten) geopend zal zijn. In de visie van verweerder kan niet worden uitgesloten dat de eigenaren\u002Fgebruikers van deze recreatiewoningen tijdens het vaarseizoen met enige regelmaat gedurende korte tijd zullen moeten wachten voor een geopende brug, maar deze omstandigheid brengt niet met zich dat de belangen van eiser hierdoor onevenredig worden geschaad. Hoewel de vrees voor een defect aan de brug terecht is, is verweerder van mening dat de kans klein is dat er een defect zal optreden, waar eiser mogelijk last van zal hebben. In dit verband wijst verweerder erop dat een defect waardoor eiser mogelijk zal worden geraakt, zich alleen zal voordoen als dit defect optreedt bij een geopende brug, want een defect dat optreedt bij een gesloten brug raakt alleen vergunninghouder en de andere gebruikers van de vaarweg, aangezien de brug in dat geval niet meer omhoog gebracht kan worden. Aangezien de brug in het vaarseizoen slechts korte tijd per dag geopend zal zijn, zal ook de kans op een eiser benadelend defect klein zijn. Voor het geval een dergelijk defect onverhoopt toch optreedt, dan kan de brug handmatig met een lier in de uitgangspositie worden teruggebracht, aldus verweerder. In dit kader acht verweerder van belang dat door de fabrikant van de brug is bevestigd dat er een dergelijke veiligheidsvoorziening zal worden aangebracht bij de aanleg van de brug en dit is als voorschrift aan de vergunning verbonden. Daarnaast wijst verweerder erop dat de brug toegankelijk is voor ambulances.\n\n10.3.. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen (vgl. AbRvS, 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2493).\n\n10.4.. De rechtbank ziet geen grond om tot een ander oordeel te komen dan is verwoord in rechtsoverweging 8.3. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het bestreden besluit II voor wat betreft de belangenafweging in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen. Deze grond van eiser slaagt.\n\nTen aanzien van het Bouwbesluit\n\n11. Eiser betoogt dat in de huidige situatie de voorziene waterwin- en opstelplaats voor de brandweer niet bereikbaar is voor een brandweerauto. Volgens eiser is de weg in een dermate slechte toestand dat zonder herstel van de weg op kosten van de verantwoordelijken voor die abominabele toestand, waarin niet is voorzien in de verleende vergunning, de\n\nzogenaamde gelijkwaardige oplossing illusoir is. Naar de mening van eiser is de geboden oplossing niet gelijkwaardig, zoals in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 is aangegeven. In dit verband wijst eiser erop dat in de voorheen geldende situatie de hulpverleningsvoertuigen tot op enkele meters van het object konden komen. Na realisering van de vergunde ophaalbrug moet in de visie van eiser altijd nog maximaal 160 tot 180 meter met slangen overbrugd worden. Dat is volgens eiser niet aan te merken als gelijkwaardig.\n\n11.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen voor de brandweer is het opmerkelijk is dat eiser stelt dat de bereikbaarheid voor de brandweer zal verslechteren door de aanleg van de brug en de vaarweg. Eiser gaat daarbij geheel voorbij aan het feit dat uit de bevindingen van de brandweer is gebleken dat er juist in de huidige situatie een zeer grote kans is dat de brandweer de recreatiewoningen niet (tijdig) kan bereiken met blusmateriaal. In dit verband wijst verweerder erop dat door de brandweer, die de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen, is geconstateerd dat het onzeker is of een (zware met water gevulde) blusauto de recreatiewoningen zal kunnen bereiken over de deels onverharde toegangsweg. Bovendien is er volgens verweerder in de huidige situatie in de nabijheid geen mogelijkheid om bluswater in te nemen, omdat het Paterswoldsemeer vanaf de toegangsweg niet goed bereikbaar is voor een blusauto en de dichtstbijzijnde brandkraan 170 meter is verwijderd van de plek waar de brug wordt aangelegd. In de visie van verweerder blijkt dit uit het advies van de Veiligheidsregio. Verder wijst verweerder erop dat de Veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de aanleg van een brug, onder de voorwaarde dat er een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd, die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen. Daarbij acht verweerder van belang dat vergunninghouder heeft verklaard een dergelijke waterwin- en opstelplaats aan te zullen leggen en in het bestreden besluit I is dit als voorschrift verbonden aan de vergunning. Naar de mening van verweerder is er geen sprake van strijd met het Bouwbesluit 2012.\n\n11.3.. Ingevolge artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 behoeft aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 (https:\u002F\u002Frijksoverheid.bouwbesluit.com\u002FInhoud\u002Fdocs\u002Fwet\u002Fbb2012\u002Fhfd1?lmcode=pyioim) gesteld voorschrift niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften.\n\n11.3.. Aan de hand van de gedingstukken gaat de rechtbank er vanuit dat de recreatiewoning van eiser met personenauto’s en een ambulance bereikbaar zal zijn na de aanleg van de brug. Die bereikbaarheid zal niet afwijken van de capaciteit van de huidige, niet openbare, toegangsweg tot hun recreatiewoningen. Verder blijkt uit een daartoe strekkend advies van de Veiligheidsrisico dat er na realisatie van het project voor wat betreft de blusmogelijkheden sprake zal zijn van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Dit advies heeft verweerder aan het bestreden besluit II ten grondslag gelegd. Met betrekking tot dit advies heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser geen contra-expertise van een deskundige op het gebied van waterwin- en opstelplaatsen voor de brandweer heeft overgelegd.\n\n11.4.. Vervolgens is de vraag of eiser erin geslaagd is om aannemelijk te maken dat er sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van voormeld advies van de Veiligheidsregio. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Hoewel aan eiser dient te worden toegegeven dat er sprake is van kritische opmerkingen in voormeld advies, blijkt uit de conclusie dat er met het realiseren van een opstelplaats voor de brandweer die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen sprake is van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Geen grond bestaat voor het oordeel dat voormelde conclusie niet volgt uit de bevindingen van het advies van de Veiligheidsregio. Het enkel plaatsen van kritische kanttekeningen door eiser leidt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet tot de conclusie dat het advies van de Veiligheidsregio onzorgvuldig is dan wel inhoudelijk niet concludent is (vgl. AbRvS, 11 januari 2012, ECLI:NL:RVS: 2012:BV0578). Dit brengt met zich dat verweerder het advies van de Veiligheidsregio aan het bestreden besluit II ten grondslag heeft mogen leggen. Deze grond van eiser slaagt niet.\n\nConclusie\n\nZaaknummer LEE 21\u002F2044\n\n12. Gelet op de rechtsoverwegingen 7.4. en 8.3. is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (deels) in stand blijven, maar volstaat met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.\n\n12.1.. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 1.674,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.\n\nZaaknummer 22\u002F1346\n\n13. Gelet op rechtsoverweging 10.4 is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (deels) in stand blijven, maar volstaat met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.\n\n13.1.. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 837,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.\n\n13.2.. Ten aanzien van de vergoeding van verletkosten waarom eiser verzoekt, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb, tot een bedrag van in totaal € 200,-. Als verletkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking de kosten van tijdsverzuim als gevolg van het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis (Nota van Toelichting, Stb. 1993, 763). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele vermelding van een bedrag van in totaal € 200,- aan verletkosten de hoogte van zijn verletkosten onvoldoende met gegevens of bescheiden gestaafd. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de verletkosten van eisers op een forfaitair bedrag vast te stellen (vgl. AbRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511). De rechtbank stelt de verletkosten derhalve vast tegen het minimumtarief van € 7,- per uur voor in totaal drie uren in verband met het bijwonen van de zitting op 7 maart 2023. Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten van verschotten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van het Bbp tot een bedrag van in totaal € 100,-. Naar het oordeel van de rechtbank komen de door eiser opgevoerde kosten van verschotten ingevolge het Bbp niet voor vergoeding in aanmerking nu de daarvoor benodigde specificatie ontbreekt.\n\n13.3.. Hieruit volgt dat het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiser door de rechtbank worden vastgesteld op € 2.532,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen van eiser gegrond en vernietigt de bestreden besluiten I en II van verweerder;\n\nbepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten in zaaknummer 21\u002F2044 tot een bedrag van € 1.674,-;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten in zaaknummer 22\u002F1347 tot een bedrag van € 2.532,-;\n\nbepaalt dat verweerder de door eiser betaalde griffierechten van in totaal € 365,- aan hem dient te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\n13 april 2013.\n\ngriffier rechter\n\nRechtsmiddel\n\nTegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nAfschrift verzonden op:\n\nBijlage\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\nb. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan of beheersverordening, (…) is bepaald.\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of beheersverordening.\n\nArtikel 2.10\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:\n\n(…)\n\nc. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening (…)\n\n(…)\n\n2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.\n\nArtikel 2.12\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:\n\na. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:\n\n(…)\n\n2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (…).\n\nArtikel 3.3\n\n1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, houdt het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:18&g=2023-02-15&z=2023-02-15), de beslissing aan, indien er geen grond is de vergunning te weigeren maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag:\n\n(…)\n\nb. een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd.\n\n(…)\n\n3. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen, indien de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.\n\nBesluit omgevingsrecht\n\nBijlage II\n\nArtikel 4\n\nVoor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:\n\n3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\na. niet hoger dan 10 m, en\n\nb. de oppervlakte niet meer dan 50 m².\n\nBeheersverordening “Paterswoldsemeer”\n\nArtikel 1nn Landschappelijke waarden\n\nIn de regels van de beheersverordening wordt onder landschappelijke waarden verstaan: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied.\n\nArtikel 5 Agrarisch met waarden\n\n1. De voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. de uitoefening van het agrarisch bedrijf;\n\nb. het behoud, herstel en\u002Fof ontwikkeling van de landschappelijke en natuurweten-schappelijke waarden van de gronden. Deze gronden kenmerken zich met name vanwege de openheid in de richting van het meer en de aanwezigheid van weide-vogels. In vochtige weilanden komt pitrus en in de sloten onder meer kranswieren en fonteinkruiden voor. De oeverzones, die voorzien zijn van riet, wilgenbosjes en\u002Fof\n\nandere oevervegetatie, bieden broedgelegenheid voor water- en moerasvogels, zoals fuut, meerkoet en kleine karekiet;\n\nc. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nd. recreatief medegebruik;\n\nmet de daarbij behorende:\n\ne. voet-, fiets- en ruiterpaden;\n\nf. openbare nutsvoorzieningen;\n\ng. water.\n\n(…)\n\n5.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:\n\n1. het graven, verdiepen, uitbaggeren, dempen of verbreden van sloten, vaarten en naar de aard daarmee gelijk te stellen waterlopen;\n\n2. - 4. (…);\n\n5. het aanbrengen of aanleggen van oppervlakteverhardingen, paden en\u002Fof parkeer-voorzieningen.\n\n5.c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:\n\n1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en de natuurlijke waarden;\n\n2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.\n\nArtikel 12 Recreatie - Dagrecreatie\n\n1. De voor Recreatie – Dagrecreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. dag- en watersportrecreatie;\n\nmet daaraan ondergeschikte:\n\nb. - f. (…);\n\ng. wegen en paden;\n\nh. parkeervoorzieningen;\n\ni. groenvoorzieningen;\n\nj. - m. (…);\n\nn. water.\n\nHet bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”\n\nArtikel 1aa Recreatief medegebruik\n\nIn de planregels van het bestemmingsplan wordt onder recreatief medegebruik verstaan: die vormen van recreatie die plaats hebben in een gebied met een niet-recreatieve hoofdfunctie waarbij het recreatieve medegebruik ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en het hoofgebruik van de bestemming.\n\nArtikel 3 Natuur\n\n1. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het behoud, het herstel en\u002Fof de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, in het bijzonder gericht op ontwikkeling en instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone (EHS);\n\nb. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nc. recreatief medegebruik en extensief agrarisch medegebruik.\n\n(…)\n\n4.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren:\n\n1. het egaliseren en ophogen van gronden anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding.\n\n(…)\n\n4.c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:\n\n1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke en de geomorfologische waarden;\n\n2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.\n\nHet ontwerpbestemmingsplan “Veegplan 2019”\n\nArtikel 9 Verblijfsrecreatie uit te werken\n\nDe bestemming Verblijfsrecreatie-uit te werken wordt gewijzigd in de bestemming Natuur zoals aangegeven op de verbeelding. Deze bestemming Natuur blijft ongewijzigd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2023:1529","2023-04-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.721Z",1,20]