[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-social-security-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},44,"social-security-nl","Social Security","NL","2026-07-08T16:53:39.844Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-17T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1688","ECLI:NL:RBNNE:2026:2528","ecli-nl-rbnne-2026-2528","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F536\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n(gemachtigde: mr. R. Boonstra).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de vraag of de intrekking van het beroep van eiseres ongedaan kan worden gemaakt. Zij voert aan dat die intrekking een direct gevolg was van haar medische beperking onder extreme druk en dat het niet ging om een weloverwogen keuze. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen aanleiding is om de intrekking van het beroep ongedaan te maken omdat geen sprake is van wilsgebrek, bedrog of dwaling. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nInleiding en procesverloop\n\n1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft op 20 januari 2026 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van het Uwv van 12 december 2025 (bestreden besluit), waarbij haar bezwaar tegen het met ingang van 28 mei 2024 toekennen van een WGA-vervolguitkering naar een mate van 45,07% arbeidsongeschiktheid, ongegrond is verklaard.\n\n1.1.. \n\nEiseres heeft dit beroep bij brief van 25 februari 2026 ingetrokken, omdat de hele bezwaarprocedure haar te veel stress kost. De rechtbank heeft de intrekking bij brief van\n\n3 maart 2026 aan eiseres bevestigd.\n\n1.2.. Eiseres heeft vervolgens bij brief van 12 maart 2026 de rechtbank verzocht om de intrekking van het beroep ongedaan te maken en de beroepsprocedure te heropenen. Zij heeft hiervoor als redenen genoemd een situatie van overmacht, dwaling en haar medische beperking (ASS).\n\n1.3.. Het Uwv heeft bij brief van 10 april 2026 op verzoek van de rechtbank daarop een reactie gegeven. Het Uwv vindt de door eiseres genoemde redenen weliswaar invoelbaar, maar niet van dien aard dat zij niet zou kunnen worden gehouden aan haar intrekking van het beroep. Verder ziet het Uwv niet in dat eiseres genoodzaakt was om het beroep in te trekken.\n\n1.4.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat zij daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 12 mei 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De vraag die de rechtbank moet beoordelen is of de intrekking van het beroep van eiseres ongedaan kan worden gemaakt. Zij doet dat aan de hand van de door eiseres daarvoor genoemde argumenten, die hierna zullen worden besproken.\n\n3. Op grond van artikel 6:21, eerste lid, van de Awb kan het beroep schriftelijk worden ingetrokken. Behoudens in de gevallen waarin de intrekking van het beroep onbevoegdelijk is gedaan dan wel de intrekking binnen de beroepstermijn wordt herroepen, kan een eenmaal ingetrokken beroep niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake is van een wilsgebrek, bedrog of dwaling.\n\n4. Eiseres voert aan dat de directe aanleiding voor de intrekking van het beroep was dat zij daarvóór onverwacht een hoge factuur van haar toenmalige advocaat ontving; daardoor zag zij zich genoodzaakt om de samenwerking stop te zetten en kon zij niet binnen de gestelde termijn van vier weken een nieuwe belangenbehartiger vinden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat deze situatie stress voor eiseres heeft opgeleverd, is dit echter onvoldoende grond om de intrekking van het beroep ongedaan te maken. Eiseres had, ondanks de situatie waarin zij op dat moment verkeerde, binnen de gestelde termijn voor het indienen van de gronden van het beroep uitstel kunnen vragen dan wel een derde kunnen vragen om haar te helpen. Niet is komen vast te staan dat eiseres door haar ASS op het moment van de intrekking van het beroep niet in staat was om logisch na te denken of rationele oplossingen te zien. Dat de intrekking van het beroep berustte op een wilsgebrek, bedrog of dwaling is de rechtbank niet gebleken. Dat eiseres stelt dat de intrekking geen weloverwogen keuze was, maar een direct gevolg van haar medische beperking onder extreme druk, is ook onvoldoende om de intrekking van het beroep ongedaan te maken. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt geen medische stukken overgelegd waaruit dat blijkt. Haar stelling dat zij in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat de WIA-zaak losstond van haar Wajong-aanvraag, maakt het niet anders.\n\n5. De rechtbank stelt verder vast dat er geen sprake was van een intrekking terwijl de beroepstermijn nog liep. Het beroep is daarom bevoegd ingetrokken, een intrekking die na afloop van de beroepstermijn door eiseres niet meer ongedaan gemaakt kon worden. Dit betekent dat het bestreden besluit rechtens onaantastbaar is geworden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk.Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.\n\n Autismespectrumstoornis.\n\n Vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:254, en 21 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3671.\n\n Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2297.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2528","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:33.678Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1165","ECLI:NL:RBNNE:2026:2613","ecli-nl-rbnne-2026-2613","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1764\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [naam uit woonplaats] , verzoekster,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.\n\n1.2.. Het Uwv heeft de aanvraag van 30 maart 2026 met de beslissing van 5 juni 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als \"onverwijlde spoed\" dat vereist.\n\n2.1.. Verzoekster betoogt dat de spoedeisendheid is gelegen in het behoud van de feitelijk beschikbare praktijkroute. Hiertoe heeft verzoekster aangegeven dat indien de bezwaarprocedure dient te worden afgewacht haar re-integratiepositie, dossierpositie en concrete praktijkroute worden beschadigd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft verzoekster aangegeven dat het Uwv haar aanvraag niet heeft beoordeeld als een geïntegreerde route van juridische scholing met leerwerk-\u002Fpraktijkcomponent. Verzoekster acht de beslissing van 5 juni 2026 om die reden onrechtmatig en geen correcte uitvoering van de door de voorzieningenrechter eerder gedane uitspraak. Ten slotte heeft verzoekster aangegeven dat de door haar verzochte 2 jarige opleiding start in september 2026.\n\n2.2.. Met het besluit van 5 juni 2026 heeft het Uwv de aanvraag van verzoekster voor een werkervaringsplek van 2 jaar en een juridische hbo-opleiding afgewezen. Hierbij heeft het Uwv aangegeven dat verzoekster wel de mogelijkheid wordt aangeboden om voor een periode van maximaal 6 maanden stage te lopen met behoud van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de WIA) in combinatie met de inzet van de re-integratiedienst Praktijkassessment.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat naar zijn voorlopig oordeel de beslissing van 5 juni 2026 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). De bezwaren die door verzoekster daartegen schriftelijk zijn ingebracht zijn in zoverre ontvankelijk en haar verzoek om een voorlopige voorziening moet connex aan deze bezwaren worden geacht, zodat ook dit verzoek in zoverre ontvankelijk is.\n\n2.4.. \n\nDe voorzieningenrechter is echter van oordeel dat er géén sprake is van een voldoende spoedeisend belang. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een dusdanige spoed dat verzoekster de beslissing op de door haar gemaakte bezwaren niet kan afwachten. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat het Uwv in het besluit van 5 juni 2026 heeft aangegeven dat verzoekster – met behoud van haar WIA-uitkering – in ieder geval gedurende zes maanden een stage mag volgen bij het door haar gewenste advocatenkantoor. Voor wat betreft hetgeen door verzoekster is gesteld met betrekking tot het door haar gewenste scholingstraject, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake is van dusdanig zwaarwegende feiten en \u002Fof omstandigheden dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.\n\nHierbij betrekt de voorzieningenrechter dat de door verzoekster in deze procedure gevraagde schorsing van het besluit van 5 juni 2026 niet leidt tot het door haar gewenste gevolg. Daarmee kan verzoekster niet het door haar geambieerde integrale stage- en scholingstraject gaan volgen met behoud van uitkering. De aard van de onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure leent zich voorts niet voor het door de voorzieningenrechter toekennen van vorenbedoeld traject. Dit onder meer gelet op de onomkeerbaarheid daarvan. Het doorlopen van de bezwaarprocedure waarin het Uwv op basis van de door verzoekster ingebrachte bezwaren tegen het besluit van 5 juni 2026 een volledige heroverweging moet maken aangaande het stage- en scholingstraject van verzoekster, is in dit geval dan ook de aangewezen route.\n\n2.5.. De voorzieningenrechter wijst er ten slotte volledigheidshalve op dat voor zover de bezwaarprocedure voor verzoekster nadelig uitpakt zij tegen het besluit op bezwaar beroep kan instellen en zij gedurende deze beroepsprocedure een nieuwe voorlopige voorziening kan indienen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2613","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.717Z",1,20]