[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-commercial-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":70},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},59,"commercial-law-nl","Commercial Law","NL","2026-07-08T16:54:05.553Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-06-03T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123339","Burgerlijk Wetboek","art. 7:309",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123341","art. 7:295 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123916","art. 7:400",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"123919","art. 6:76",[36,47,55,63],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":46},"655","ECLI:NL:RBNHO:2026:7520","ecli-nl-rbnho-2026-7520","","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12012968 \\ CV EXPL 25-8446\n\nVonnis van 1 juli 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Claassen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap,\n\nMOBILITY CAR LEASE B.V.,\n\nte Nieuw-Vennep,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: MCL,\n\ngemachtigde: mr. S. Aartsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties;\n\n- de conclusie van antwoord met tegenvordering en producties;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie met een productie;\n\n- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van MCL.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Op 13 september 2022 hebben partijen een leaseovereenkomst gesloten met betrekking tot een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Volkswagen). Achter contractvorm is daarin vermeld “Netto operationeel”.\n\n2.2.. In diezelfde periode heeft MCL ook een auto (Citroën C3) aan mevrouw [betrokkene 1] (de toenmalige vriendin van [eiser] ) in lease gegeven.\n\n2.3.. MCL stond op dat moment onder leiding van statutair bestuurder en aandeelhouder [betrokkene 2] .\n\n2.4.. In 2024 is [betrokkene 3] (mede)aandeelhouder en statutair bestuurder van MCL geworden. [betrokkene 2] is in het laatste kwartaal van 2024 ontslagen als statutair bestuurder van MCL.\n\n2.5.. \n [eiser] is van september 2024 tot februari 2025 gedetineerd geweest.\n\n2.6.. Op 26 november 2024 heeft MCL aangifte gedaan van verduistering van de Volkswagen om deze te kunnen traceren.\n\n2.7.. Op 12 december 2024 heeft [betrokkene 4] (de neef van [eiser] ) namens [eiser] contact opgenomen met [betrokkene 2] en gevraagd of hij de afspraken die hij met [eiser] had gemaakt over de afkoop van de Golf aan zijn compagnon [betrokkene 3] had doorgegeven. [betrokkene 2] heeft hier als volgt op gereageerd: “Hi [betrokkene 4] , hij weet dat ik dat heb besproken in augustus. Maar zal hem dit nogmaals doorgeven. Of hij het er mee eens is is een tweede maar dat kun je het best met hem bespreken. Hij is niet onredelijk. Ik werk voorlopig helemaal niet dus kan het zelf niet meer afwikkelen.”\n\n2.8.. \n [betrokkene 3] heeft vervolgens dezelfde dag aan [betrokkene 4] laten weten dat hij het niet met de gemaakte afspraken eens is:\n\n“(…) ik zie niet in waarom ik een auto voor 10k zou verkopen die 25-30k waard is en waarbij er ook nog een opstaande vordering staat van bijna 20k. in mijn ogen loop ik dan bijna 40k mis?”“ik sta voor veel open maar ben niet de Sinterklaas van MCL! Ik eis dan ook bij deze op voorhand de auto met kenteken [kenteken 1] op zodat deze bij ons in het bezit komt!”2.9.. \n [betrokkene 4] heeft daarop aan [betrokkene 3] onder meer het volgende bericht:\n\n“Volgens mij heb je genoeg autos rijden, waarin sander dubieuze zaakjes heeft gedaa. (…) Wil je het opgelost hebben of niet? Je kan mij een auto “eisen” maar ik heb je auto niet (…) In mijn ogen kan je 10k krijgen, of een rare houding naar mij hebben en dsn heb je niks.Kan je een auto gestolen gana opgeven (…) Ook zit [eiser] nog wel een aantal jaartjes vast dus denk niet dat die wakker ligt van je aangifte over een gestolen auto. (…) Dus even een toontje lager zingen makker met je sinterklaas en eisen. (…) Ik ben geen straatschooier (…) Heb jou golfje niet nodig.(…) Misschien even 3 keer nadenken voor dat je degene die iedereen helpt een houdingkje geeft”\n\n2.10.. Eind januari 2025 heeft de politie de Volkswagen in [plaats 2] (voor de deur van het huis van de vader van [eiser] ) aangetroffen. De Volkswagen is vervolgens overgebracht van de politie Rotterdam naar Arnhem.\n\n2.11.. \n [betrokkene 4] heeft op 26 januari 2025 aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Hi [betrokkene 3] Ik heb van [eiser] begrepen dat jullie er uit zijn gekomen omtrent de auto Ik ben tm donderdag in nederland , dus ik kan morgrn of woensdag even langs je rijden Kan je een contract voorbereiden?”\n\n2.12.. \n [betrokkene 3] heeft hier op 27 januari 2025 als volgt op gereageerd: “Dag [betrokkene 4]Min of meer klopt dat inderdaad. De bank is donderdag middag akkoord gegaan met een verkoop van 12500 in in. Ik heb [eiser] daar nog niet over gesproken overigens. Wel is ook afgesproken dat de auto zal worden geëxporteerd en wij de documenten krijgen om de rest bpm terug te vorderen. Kan de auto op naam van [eiser] worden uitgevoerd of een andere naam en waar kan die factuur naar toe worden gestuurd?Betaling moet op onze DFM bank (…) worden bijgeschreven en dan geeft DFM mij de voorbehoud codes en kan ik tenaamstelling maken voor jullie. Gezien vakanties is er op dit moment niemand op kantoor. Ikzelf ben er donderdag weer. Hoor graag wat mogelijk is. Daarna vervallen alle vorderingen van MCL op [eiser] . Die van zijn vriendin blijft doorgaan.”\n\n2.13.. \n [betrokkene 4] heeft daarop dezelfde dag gereageerd:\n\n“Hi [betrokkene 3]Volgens mij is dat niet wat is besproken. Maargoed succes daarmee. Bel eerst maar met [eiser] en dan hoor ik het wel. (…)Maargoed dit is nu de 2e keer dat je me ontloopt als ik in nederland ben. Ik geef het door aan [eiser] . Zo belangrijk is hij niet voor je merk ik. Overigens zie ik eerst een contract tegemoet voordat je een faktuur stuurt. Maar wacht dasr maar mee Lijkt me goed dat je eerst met [eiser] belt. Want ik weet zeker dat hij van wat je nu zegt niet vrolijk word.”\n\n2.14.. \n [betrokkene 3] heeft nog diezelfde dag aan [betrokkene 4] uitgelegd dat de bank niet akkoord ging met een bedrag lager dan € 12.500,00 en dat hij [eiser] daarover had gesproken.\n\n2.15.. \n [betrokkene 4] reageert daarop met:\n\n“Ja dan zal ik je aan advies geven; dan kan je zelf ook de rest bijleggen.Je weet hoe [eiser] is :) Dat excuusje van de bank gaat er bij niemand in ha ha..”\n\n2.16.. Op 11 februari 2025 heeft [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] bericht dat de auto terecht is en dat de volgende stap was om de status van de auto als gestolen voertuig eraf te krijgen. Hij bericht verder: “Kun jij laten regelen dat wij de sleutels van de auto Krijgen en dan naar de politie kunnen?? Hoor graag. Volgens mij waren die bij de pa van [eiser] ”En op 12 februari 2025 in antwoord op de vraag van [betrokkene 4] of hij met [eiser] een akkoord heeft omtrent de auto:“Ja 12500 vast bedrag. Maar moet de auto nu eerst vrij krijgen”.\n\n2.17.. Op 14 februari 2025 heeft de RDW de kentekenregistratie van de Volkswagen weer actief gemaakt.\n\n2.18.. Op 19 februari 2025 bericht [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] : “Ik wacht nog op de sleutels en accu via zijn pa om alles vrij te krijgen. Politie Arnhem is reeds akkoord (…)”\n\n2.19.. Op 21 februari 2025 heeft [betrokkene 3] een verklaring opgesteld en ondertekend:\n\n“Hierbij verklaart ondergetekende het volgende wat wij gezamenlijk zijn overeengekomen. Mobility Car Lease BV (MCL) verkoopt aan u de Volkswagen Golf (5-d) 2.0tsi r 221kW 4-motion dsg met kenteken [kenteken 2] voor een bedrag van € 12.500 in de BTW in de BPM. Deze verkoop wordt beoogd rond 1 maart 2025 plaats te vinden. Tevens zal door het verkopen van deze auto uw openstaande debiteuren vordering komen te vervallen conform afspraak.De vordering op debiteur mevrouw [betrokkene 1] voor het kenteken [kenteken 3] vallen buiten deze regeling en zult u zoals besproken voldoen.Indien de auto verkocht gaat worden via een onderneming in Spanje, zoals dit is besproken, zal de verkoopprijs exclusief BTW plaatsvinden. Per 1 maart 2025 gaan we uit van een rest BPM bedrag van € 2.698. hierdoor zal de verkoopprijs aan een BTW plichtig ondernemer in Spanje afgerond € 10.800 Ex BTW in BPM bedragen. Wij ontvangen nog wel graag de autosleutels en accu zoals met elkaar besproken, zodat we de auto gezamenlijk met de politie weer bij RDW kunnen vrij krijgen. Deze laatste is inmiddels op de hoogte en zal hier ook aan meewerken.”\n\n2.20.. Op 22 februari 2025 heeft [betrokkene 3] deze verklaring via WhatsApp aan [betrokkene 4] toegezonden.2.21.. Op 22 en 23 februari 2025 heeft [betrokkene 4] namens [eiser] aan [betrokkene 3] gevraagd om de verklaring op meerdere punten te verduidelijken. Daarbij heeft [betrokkene 4] aangegeven “Verhaal th Verhulp hoeft niet in onze overeenkomst want heeft er niks mee te maken”.\n\n2.22.. Op 1 maart 2025 heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“ [betrokkene 3] , zullen we deze zaak eens afronden? Je bent erg moeilijk te bereiken , en elke dag dat de auto daar staat komen er opsagkosten bij. En ik ga deze zeker niet betalen, omdat jij niet bereikbaar bent en de auto daar onnodig lang staat. Dus ik denk dat het in beide ons belang is dat we dit afronden”\n\n2.23.. Op 6 maart 2025 heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Me geduld is een beetje op aan t raken”\n\n“Ga je het nog regelen of heb je wat motivatie nodig?”\n\n2.24.. Op 7 maart 2025 heeft [eiser] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Gaan we die golf regelen of ga je fratsen hebben”\n\n2.25.. \n [betrokkene 3] heeft vervolgens op 7 maart 2025 [eiser] bericht:\n\n“Ik heb intern alles geregeld. Heb alle openstaande vorderingen van [eiser] en Verhulp afgeboekt, totaal 30k. Er zijn geen openstaande schulden en of vorderingen meer over en weer. De Golf heb ik ook als verlies geboekt voor 28k, totaal dus 58k. Hiermee is voor mij het boek gesloten en zoekt de politie maar uit wat ze verder doen. Graag zou ik wel de C3 terug willen. Graag een adres doorsturen waar Autoinspectie deze kan gaan ophalen”\n\n(…)\n\n“Ik zou sleutels krijgen vd golf ik zou betalingen ontvangen etc. Allemaal niet gebeurd. Voor mij is nu het boek gesloten, en ga verder met de business. Alle contracten, als die er al waren, zijn hierbij klaar, en jij hebt geen openstaande facturen meer bij MCL.”\n\n2.26.. \n [eiser] bericht [betrokkene 3] daarna: “Dus je zegt nu dat de deal met de Golf niet doorgaat”, waarop [betrokkene 3] antwoordt:“Ja dat klopt, heb alles nu afgeboekt. boek gesloten.”\n\n2.27.. De Volkswagen is inmiddels in eigendom overgedragen aan een derde.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n [eiser] vordert na vermindering van eis - samengevat - veroordeling van MCL tot betaling van € 24.563,00, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat MCL tekort is geschoten in haar verplichting tot levering van de Volkswagen, zoals deze uit de koopovereenkomst van 21 februari 2025 voortvloeit. Omdat nakoming van de koopovereenkomst niet langer mogelijk is, is MCL schadeplichtig.\n\n3.3.. MCL voert verweer en MCL concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .\n\n3.4.. MCL voert aan dat het afgeven van de accu en de sleutels van de Volkswagen aan MCL, alsmede het door [eiser] voldoen van de vordering(en) van MCL op Verhulp, ontbindende voorwaarden waren voor de overdracht van de Volkswagen. [eiser] heeft daaraan niet voldaan en dus heeft MCL de koopovereenkomst op 7 maart 2025 rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.6.. MCL vordert (na verduidelijking van de eis ter zitting) - samengevat - een verklaring voor recht dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van 21 februari 2025 en een veroordeling van [eiser] tot betaling van de openstaande schuld van Verhulp van € 6.220,97.\n\n3.7.. \n [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van MCL.\n\n3.8.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie\n\n4.1.. De kern van dit geschil gaat om de vraag of MCL gerechtigd was om de overeenkomst te ontbinden vanwege een tekortkoming van [eiser] , dan wel of MCL zelf tekort is geschoten door de overeenkomst niet na te komen. Daarvoor is allereerst van belang om vast te stellen wat partijen precies hebben afgesproken.\n\n4.2.. Het antwoord op de vraag wat partijen met elkaar hebben afgesproken, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg. Dit wordt ook wel de Haviltex-maatstaf genoemd.\n\n4.3.. De kantonrechter stelt voorop dat de overeenkomst niet los kan worden gezien van de voorgeschiedenis tussen partijen. [eiser] stelt dat hij met [betrokkene 2] (de voormalig statutair bestuurder van MCL en de ex-compagnon van [betrokkene 3] ) in afwijking van gesloten leaseovereenkomst nadere afspraken had gemaakt over de (af)koop van de Volkswagen. [betrokkene 3] kende deze afspraken niet en wilde daar na het vertrek van [betrokkene 2] bij MCL aanvankelijk niets van weten. Dit heeft geleid tot een lange, moeizame, onprettige en op momenten zelfs dreigende discussie tussen partijen. Tegen die achtergrond heeft [betrokkene 3] uiteindelijk ingestemd met verkoop van de Volkswagen aan [eiser] voor een bedrag van € 12.500,00 en het vervallen van alle openstaande schulden van [eiser] bij MCL, kennelijk om een einde te maken aan de ontstane situatie en verdere confrontaties te voorkomen. Vast staat dat de Volkswagen op dat moment een aanzienlijk hogere waarde had. De kantonrechter leidt uit de omstandigheid dat de bank er desondanks mee instemde om de financiering van de auto te beëindigen door verkoop aan [eiser] voor € 12.500,00 af dat (ook) de bank de noodzaak tot snelle sluiting van dit dossier inzag.\n\n4.4.. \n [betrokkene 3] heeft de gemaakte afspraken vervolgens op papier gezet en in de schriftelijke verklaring van 21 februari 2025 (2.19) aangegeven dat MCL zoals besproken de autosleutels en de accu van de Volkswagen wenste te ontvangen, zodat partijen de Volkswagen (samen met de politie) bij de RDW vrij konden krijgen. Hoewel [betrokkene 4] (namens [eiser] ) meerdere opmerkingen over de inhoud van de verklaring heeft gemaakt en verschillende wijzigingen heeft voorgesteld, heeft hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de genoemde afgifte van de sleutels en de accu, zodat MCL ervan mocht uitgaan dat hierover overeenstemming tussen partijen bestond.\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat de afspraak tot afgifte van de sleutels en de accu onlosmakelijk verbonden is met de verkoop van de Volkswagen en moest worden nagekomen voordat de auto aan [eiser] geleverd kon worden. Deze zaken waren immers noodzakelijk om de auto vrij te kunnen krijgen en vervolgens aan [eiser] te leveren. MCL heeft [eiser] daar (via [betrokkene 4] ) op 11, 12 en 19 februari 2025 ook op gewezen. Hoewel geen fatale termijn is overeengekomen, volgt uit de verklaringen van partijen dat zij de verkoop en overdracht van de Volkswagen snel, uiterlijk rond 1 maart 2025 wensten af te ronden.4.6.. Vaststaat dat [eiser] de sleutels en accu van de Volkswagen niet aan MCL heeft afgegeven. Dit levert een tekortkoming aan de zijde van [eiser] op. MCL heeft geen ingebrekestelling aan [eiser] gestuurd. In beginsel is een ingebrekestelling voor het intreden van verzuim wel vereist. De kantonrechter is echter van oordeel het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van MCL kon worden gevergd om [eiser] in gebreke te stellen. Daartoe is redengevend dat [eiser] zélf de nakoming van de koopovereenkomst heeft gefrustreerd door MCL de noodzakelijke medewerking te onthouden. MCL hoefde er, gezien de voorgeschiedenis en de toon van de herhaalde berichten van (en namens) [eiser] waarin werd aangedrongen op afronding en uitvoering van de overeenkomst, geen vertrouwen meer in te hebben dat [eiser] na ingebrekestelling alsnog tot afgifte van de sleutels en de accu van de Volkswagen zou overgaan. Ook de (dreigende) toon van de berichten van (en namens) [eiser] aan [betrokkene 3] (‘Ga je het nog regelen of heb je wat motivatie nodig?’ en‘of ga je fratsen hebben’) maakt dat van MCL naar redelijkheid en billijkheid geen ingebrekestelling kon worden verlangd. Het verzuim van [eiser] is daarom ingetreden zonder ingebrekestelling.\n\n4.7.. \n [betrokkene 3] stelt dat hij de overeenkomst op 7 maart 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden. [eiser] betwist dit weliswaar, maar de kantonrechter gaat daaraan voorbij. Het bericht van [betrokkene 3] aan [eiser] van 7 maart 2025 (2.25) moet gezien de inhoud daarvan en tegen de achtergrond van de verdere communicatie tussen partijen als een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring worden beschouwd en [eiser] had dit redelijkerwijs ook zo moeten begrijpen. Dat heeft hij ook gedaan gezien zijn reactie ‘Dus je zegt nu dat de deal met de Golf niet doorgaat’(2.26).\n\n4.8.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de tekortkoming van [eiser] ontbinding door MCL van de overeenkomst rechtvaardigde en dat MCL de overeenkomst daarmee op goede gronden buitengerechtelijk heeft ontbonden. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] in conventie dan ook af. De stelling van MCL dat [eiser] (ook) de afspraak dat hij de schuld van Verhulp aan MCL zou betalen moest nakomen voordat MCL de Volkswagen aan [eiser] zou leveren, behoeft in conventie daarom geen bespreking.\n\nin reconventie\n\n4.9.. MCL legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag dat [eiser] zich bij de overeenkomst van 21 februari 2025 heeft verplicht de openstaande schuld van Verhulp aan MCL voorafgaand aan de levering van de Volkswagen te betalen. Die verplichting is [eiser] niet nagekomen, op grond waarvan MCL de overeenkomst terecht heeft ontbonden. [eiser] is gehouden de schade die MCL daardoor heeft geleden aan haar te vergoeden. De schade van MCL bedraagt € 6.220,97, het bedrag van de nog altijd openstaande schuld van Verhulp aan MCL.\n\n4.10.. De kantonrechter stelt vast dat de aflossing van de schuld van Verhulp aan MCL door partijen buiten de ‘deal’ over de Volkswagen (waarbij [eiser] de Volkswagen mocht overnemen voor € 12.500,00 en MCL de openstaande vorderingen van MCL op [eiser] zou kwijtschelden) is gehouden. In de verklaring van 21 februari 2025 staat ook expliciet dat de vorderingen van MCL op Verhulp ‘buiten deze regeling vallen’. Dit blijkt verder uit de WhatsApp-correspondentie tussen [betrokkene 3] (17 januari 2025 (2.12): ‘Die [vordering] van zijn vriendin blijft doorgaan.’) en [betrokkene 4] (23 februari 2025 (2.21): ‘Verhaal th Verhulp (…) heeft er niks mee te maken’). De stelling van MCL dat [eiser] gehouden was eerst de schuld van Verhulp in te lossen voordat MCL de Volkswagen aan [eiser] zou (hoeven) leveren, kan de kantonrechter daarom niet volgen. De ontbinding van eerdergenoemde deal heeft dan ook voor deze afspraak geen gevolg gehad en de overeenkomst bestaat in zoverre nog. MCL vordert echter geen nakoming van de gestelde afspraak, maar schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming door [eiser] . Zonder nadere onderbouwing kan de vordering op deze grondslag niet slagen.\n\n4.11.. De vordering kan ook om andere reden niet worden toegewezen. MCL heeft bij monde van [betrokkene 3] op 7 maart 2025 immers aan [eiser] laten weten dat hij (ook) de schuld van Verhulp heeft afgeboekt en dat hij de zaak daarmee als afgesloten beschouwt. Daarmee is juridisch gezien sprake van een kwijtschelding zoals bedoeld in artikel 6:160 van het Burgerlijk Wetboek. Het vorderingsrecht van MCL op [eiser] ter zake van de schuld van Verhulp is daarmee teniet gegaan. De vordering van MCL tot betaling van € 6.220,97 wordt daarom afgewezen.\n\nde proceskosten in conventie en in reconventie\n\n4.12.. De kantonrechter ziet gelet op de omstandigheden van het geval en het feit dat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, aanleiding om de proceskosten in conventie en reconventie te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin reconventie\n\n5.4.. wijst de vorderingen van MCL af,\n\n5.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Hoge Raad 3 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7520","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.478Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":51,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":45,"updatedAt":54},"1479","ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","ecli-nl-rbnho-2026-7457","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 12055610 \\ CV EXPL 26-209\n\nUitspraakdatum: 24 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\nde stichting\n\nStichting voor Educatie en Beroepsonderwijs (ook genoemd ROC Nova College)\n\ngevestigd te Haarlem\n\neiseres\n\nverder te noemen: Nova College\n\ngemachtigde: [gemachtigde] B.V.\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1], wonende te [plaats 1], 2. [gedaagde 2], wonende te [plaats 2],\n\ngedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden]\n\ngedaagde sub 1 procederend in persoon, mede namens gedaagde sub 2.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - het mondelinge antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [gedaagden] zijn vennoten in de vennootschap onder firma “[bedrijf]” (hierna: de vof).2.2.. Gedaagde sub 1 heeft zich via de website van het Nova College aangemeld voor de VAVO voor het studiejaar 2024-2025 (hierna: de opleiding).2.3.. Op 15 oktober 2024 heeft gedaagde sub 1 verzocht om de factuur met betrekking tot de studiekosten op naam van de vof te laten stellen. In dat verband heeft hij namens de vof een ‘machtiging voor de betaling van cursusgeld door werkgever of instantie’ ondertekend.2.4.. De vof heeft de factuur onbetaald gelaten.2.5.. De vof is per 21 mei 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.3. Het geschil\n\n3.1.. Nova College vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt tot betaling van € 833,92, vermeerderd met de (verdere) rente en de proceskosten.3.2.. Nova College legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de vof tekort is geschoten in haar betalingsverplichting.3.3.. Gedaagde sub 1 erkent de hoofdsom, maar betwist dat zijn broer (gedaagde sub 2) de vordering moet betalen. Ook betwist hij de verschuldigdheid van de bijkomende kosten.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.4. De beoordeling\n\nDe ambtshalve toetsing van het consumentenrecht\n\n4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat de onderwijsovereenkomst tussen Nova College en gedaagde sub 1 in beginsel onder het toepassingsbereik van de Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) en Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU (betreffende consumentenrechten) valt. Met de beslissing tot inschrijving ontstaat tussen instelling en student een overeenkomst waarbij voor beide partijen rechten en plichten ontstaan, zoals die in onder andere de onderwijs- en examenregeling (OER) van de opleiding en het studentenstatuut zijn vermeld. Dit betekent dat de bepalingen van het overeenkomstenrecht van toepassing zijn. Dat de overeenkomst op grond van de Les- en cursusgeldwet verplicht tot inschrijving maakt dit niet anders. Nova College is een handelaar in de zin van artikel 6:230g sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voornoemde richtlijnen zijn van toepassing op alle handelaren, ongeacht of zij publiek of privaat zijn.\n\n4.2.. Op de onderhavige overeenkomst zijn dus consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of die zijn nageleefd. Zo niet, dan moet de kantonrechter daar, ook ambtshalve, consequenties aan verbinden.\n\nAmbtshalve toetsing van informatieplichten\n\n4.3.. De kantonrechter moet allereerst ambtshalve beoordelen of Nova College de nodige informatie aan [gedaagde 1] heeft verstrekt. In dit geval, waarin de overeenkomst online is gesloten, zijn de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW van toepassing.\n\n4.4.. Uit de aard van de overeenkomst vloeit voort dat Nova College heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.\n\nAmbtshalve toetsing van algemene voorwaarden:Algemene verkoopvoorwaarden Nova\n\n4.5.. De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of in de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen, die onredelijk bezwarend zijn voor consumenten als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW. In artikel 3.2 van de algemene voorwaarden staat een rente- en incassobeding opgenomen:\n\n“3.2. Indien een Opdrachtgever in verzuim is, is deze de wettelijke rente (ex art. 6:119 BW) over het openstaande bedrag verschuldigd. Daarnaast is Nova bij verzuim van de Opdrachtgever gerechtigd buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen volgens het “Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten”.\n\n4.6.. Uit de formulering van dit beding volgt dat dit beding suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Hiervan mag niet worden afgeweken. De conclusie is dat sprake is van een oneerlijk beding en daarom wordt dit beding vernietigd.\n\nDe verdere beoordeling\n\n4.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde sub 1 op 11 november 2024 namens de vof een derdenmachtiging heeft ondertekend. Daarmee heeft hij rechtsgeldig verklaard dat de vof het cursusgeld voor de opleiding van gedaagde sub 1 zal betalen. Bij een vof zijn alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor alle bedrijfsschulden. Dat blijft ook zo na opheffing van de vof.\n\n4.8.. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2 volledig bevoegde vennoten van de vof zijn. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagden] dat gedaagde sub 2 slechts als ‘stille vennoot’ aan de onderneming zou zijn verbonden. Dat betekent dat niet alleen gedaagde sub 1, maar ook zijn broer (gedaagde sub 2) kan worden aangesproken voor de volledige schuld van de vof aan Nova College. De conclusie is dan ook dat de vordering tot betaling van de hoofdsom (en de wettelijke rente daarover) toewijsbaar is.\n\n4.9.. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden (gelet op hetgeen hiervoor is overwogen) afgewezen.4.10.. De veroordelingen uit dit vonnis worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan Nova College van € 711,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 672,00 vanaf 17 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;5.2.. \n\nveroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Nova College tot en met vandaag vaststelt op:\n\ndagvaarding € 146,14\n\ngriffierecht € 350,00\n\nsalaris gemachtigde € 288,00 ;\n\n5.3.. \n\nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Zie artikel 2 sub c van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG overweging 16 van Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU\n\n Artikel 17 Wetboek van Koophandel.\n\n Artikel 18 Wetboek van Koophandel.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:23.013Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":59,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":45,"updatedAt":62},"1204","ECLI:NL:RBNHO:2026:7695","ecli-nl-rbnho-2026-7695","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 11973598 \\ CV EXPL 25-7767\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nNOVA DREEF B.V.,\n\nte Beverwijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: NOVA Dreef,\n\ngemachtigde: mr. A. de Fouw,\n\ntegen\n\n [gedaagde], T.H.O.D.N. [bedrijf],\n\nte [plaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. D.J.B. Bosscher.\n\nDe zaak in het kort\n\nVerhuurder heeft de al bijna zestig jaar durende huur van een winkelruimte opgezegd omdat zij het verouderde winkelcentrum waarin het gehuurde zich bevindt, gaat afbreken en herbouwen. Huurder kan volgens haar niet terugkeren in het gehuurde omdat deze ruimte betrokken gaat worden bij de ruimte die de supermarkt van verhuurder huurt. Volgens huurder leidt de huuropzegging tot liquidatie van zijn onderneming en hij wil zijn schade vergoed zien. De kantonrechter wijst de door de verhuurder gevorderde huurbeëindiging toe op grond van dringend eigen gebruik en overweegt (ten overvloede) dat die beëindiging ook op grond van de algemene belangenafweging zou zijn geslaagd. Het vonnis wordt gelet op de omstandigheden van dit geval uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\nDe door huurder verlangde schadevergoeding, waarbij hij (zowel in conventie als in reconventie) aansluiting zoekt bij artikel 7:309 BW, wordt afgewezen. Van afbraak van het gehuurde in het algemeen belang of een onteigeningssituatie, waarop artikel 7:309 BW betrekking heeft, is geen sprake. Huurder heeft geen andere gronden aangevoerd waarop de gevorderde schadevergoeding is gebaseerd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie\n\n- het tussenvonnis van 28 januari 2026 - de aanvullende productie zijdens NOVA Dreef\n\n- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitaantekeningen die beide partijen hebben overgelegd en voorgedragen.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1. (. De rechtsvoorganger van) NOVA Dreef verhuurt met ingang van 1 december 1960 aan [gedaagde] de bedrijfsruimte aan het adres [adres 1] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur loopt thans voor onbepaalde tijd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Het gehuurde is onderdeel van het winkelcentrum aan het [adres 2] te [plaats], waarvan NOVA Dreef op 2 januari 2023 eigenaar is geworden.2.2.. \n [gedaagde] exploiteert in het gehuurde een slijterij onder de naam ‘[bedrijf]'.\n\n2.3.. Het winkelcentrum aan het [adres 2] wordt in een grootschalige herontwikkeling betrokken. Het winkelcentrum – inclusief het gehuurde – zal hiervoor geheel worden gesloopt, waarna een nieuw winkelcentrum zal worden gebouwd met (grotendeels) ondergronds parkeren en daarboven ongeveer 260 woningen. De herontwikkeling maakt deel uit van een groter plan waarbij ook andere partijen betrokken zijn en past in de gemeentelijke Ontwikkelingsstrategie [plaats].2.4.. Deze herontwikkeling staat gepland om aan het einde van het eerste kwartaal van 2026 aan te vangen. Met de herontwikkeling zal een periode van circa drie of vier jaar gemoeid zijn. In die periode zal een deel van de huidige winkels in het winkelcentrum worden gehuisvest in een tijdelijk winkelcentrum. De huur van enkele andere winkels is beëindigd.\n\n2.5.. De omgevingsvergunning is op 21 juni 2024 bij de gemeente [plaats] aangevraagd en op 23 september 2025 verkregen.\n\n2.6.. Onderdeel van de herontwikkeling is ook de vergroting van de DekaMarkt supermarkt, die een vestiging in het winkelcentrum heeft, van circa 1.320 m2 naar 2.500 m2.\n\n2.7.. NOVA Dreef en DekaMarkt Supermarkten zijn vennootschappen die vallen onder dezelfde grootmoedermaatschappij, te weten DKM Holding B.V. NOVA Dreef is binnen dit concern belast met het beheren van vastgoed ten behoeve van andere in het concern aanwezige entiteiten, zoals DekaMarkt Supermarkten.\n\n2.8.. Bij brief van 29 april 2024 heeft NOVA Dreef de huurovereenkomst met [gedaagde] opgezegd tegen 30 april 2025 vanwege de voorgenomen renovatie. Primair heeft zij zich in die brief beroepen op dringend eigen gebruiken subsidiair op de belangenafweging.\n\n2.9.. In reactie hierop heeft de gemachtigde van [gedaagde] bij brief van 10 juni 2024 laten weten dat [gedaagde] zich in beginsel niet zal verzetten tegen de door NOVA Dreef aangezegde opzegging van de huurovereenkomst. Wel heeft hij namens [gedaagde] aanspraak gemaakt op schadeloosstelling wegens gedwongen liquidatie omdat van [gedaagde], die zijn pensioengerechtigde leeftijd op 23 juli 2025 zou bereiken, niet kon worden verlangd dat hij zijn bedrijf elders zou voortzetten.\n\n2.10.. Bij brief van 12 december 2024 heeft de gemachtigde van NOVA Dreef aan [gedaagde] een tegemoetkoming van € 15.000,- aangeboden als de huurovereenkomst uiterlijk per 30 april 2025 zou worden beëindigd. Dat heeft [gedaagde] geweigerd.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. NOVA Dreef vordert – samengevat – vaststelling het tijdstip van beëindiging van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.\n\n3.2.. NOVA Dreef legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Omdat [gedaagde] niet heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst kan NOVA Dreef – op de gronden als vermeld in de opzegging – vorderen dat de kantonrechter het tijdstip zal vaststellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen. NOVA Dreef heeft aan de opzegging ten grondslag gelegd dat zij het gehuurde gelet op de geplande renovatie van het winkelcentrum zelf dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Als een beroep op die grondslag geen stand houdt, stelt Nova Dreef dat haar belang bij het beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij voortzetting daarvan.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat de primaire grondslag niet slaagt, omdat NOVA Dreef het gehuurde na de herontwikkeling niet zelf in duurzaam gebruik zal gaan nemen. Zij zal het gehuurde aan DekaMarkt supermarkt gaan verhuren. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag voert [gedaagde] aan dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat opzegging van de huurovereenkomst zal leiden tot feitelijke liquidatie van zijn onderneming, met de daarbij behorende kosten en verlies van toekomstige inkomsten tot gevolg. Meer subsidiair voert [gedaagde] aan dat beëindiging van de huur alleen kan plaatsvinden onder gelijktijdige toekenning van een schadevergoeding aan [gedaagde], waarbij hij aansluiting zoekt bij de schadevergoedingsmogelijkheid van artikel 7:309 BW.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nIn reconventie\n\n3.5.. \n [gedaagde] vordert – in strikt voorwaardelijke reconventie, namelijk voor het geval een schadevergoeding niet als voorwaarde aan de beëindiging zal worden verbonden – betaling van € 110.000,00, met veroordeling van NOVA Dreef in de proceskosten.\n\n3.6.. \n [gedaagde] voert aan dat hij door de huurbeëindiging schade lijdt door verlies aan goodwill, het verlies van de kans op voortzetting van de onderneming en liquidatieschade.\n\n3.7.. NOVA Dreef voert verweer. Op het verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie\n\nHet beroep op dringend eigen gebruik slaagt4.1.. De eerste vraag die beantwoord moet worden is of NOVA Dreef aannemelijk heeft gemaakt dat zij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Die vraag moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. NOVA Dreef moet daarbij aannemelijk maken dat zij:\n\nde wil heeft het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen, waarbij onder duurzaam gebruik begrepen wordt de renovatie die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is, en;\n\nhet gehuurde daartoe dringend nodig heeft.\n\n4.2.. Niet in geschil is dat sprake is van concrete renovatieplannen aan de zijde van NOVA Dreef die al in een (vergaand) stadium van ontwikkeling en uitvoering zijn. NOVA Dreef heeft toegelicht dat het winkelcentrum waarvan het gehuurde deel uitmaakt en dat dateert uit 1960, aan het einde van haar technische levensduur is en niet meer aan de eisen van deze tijd voldoet. Het winkelcentrum zal worden betrokken in een grootschalige herontwikkeling die ook de bouw van woningen en een parkeergarage en de vernieuwing\u002Faanpassing van de openbare ruimte omvat en waarbij meerdere partijen betrokken zijn. Het belang van NOVA Dreef is niet alleen in de herontwikkeling van het verouderde winkelcentrum zelf gelegen, maar ook in het rendement dat zij na de renovatie zal gaan behalen: zij kan aan DekaMarkt supermarkt en de andere huurders in het winkelcentrum een aanzienlijk hogere huurprijs vragen dan in de huidige omstandigheden mogelijk is en huuropbrengsten verkrijgen wegens de op het winkelcentrum te bouwen woningen. De huuropbrengsten zullen meer dan het tienvoudige bedragen van de huidige huuropbrengsten. Het enkele feit dat het gehuurde zal worden opgenomen in de vestiging van de DekaMarkt supermarkt die wordt uitgebreid, brengt al mee dat de beoogde veranderingen wijzigingen in plaats en functie betreffen, waardoor de huur met [gedaagde] niet kan worden voortgezet. De huidige wijze waarop de ruimte geëxploiteerd wordt kan daardoor immers redelijkerwijs niet meer worden voortgezet. Het voorgaande wordt door [gedaagde] ook niet weersproken. Inmiddels beschikt NOVA Dreef over een omgevingsvergunning en zal zij in het laatste kwartaal van 2026 met de werkzaamheden kunnen beginnen. De gemeente [plaats] ondersteunt de herontwikkeling.\n\n4.3.. \n [gedaagde] heeft aangevoerd dat van voorgenomen eigen gebruik geen sprake is omdat NOVA Dreef na de renovatie de ruimte niet zelf in gebruik neemt, maar gaat verhuren aan DekaMarkt supermarkt. Weliswaar is DekaMarkt supermarkt aan NOVA Dreef gelieerd, maar van een nauwe verwantschap is geen sprake en NOVA Dreef is een vastgoed vennootschap met een omvangrijke, gemengde portefeuille die zich niet alleen richt op huisvesting van DekaMarkt supermarkten.\n\n4.4.. In de wet is bepaald dat onder duurzaam gebruik ook wordt begrepen de renovatie van de bedrijfsruimte die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is. Dat betekent dat als de renovatie door de verhuurder zelf wordt uitgevoerd, zoals hier het geval is, al sprake is van dringend eigen gebruik zoals bedoeld in de wet. Met andere woorden: dat NOVA Dreef na de renovatie het gehuurde niet zelf gaat gebruiken maar gaat verhuren, is dus niet relevant. In die zin wijkt deze zaak ook af van het arrest Toka Mitra \u002FPTMwaarop [gedaagde] zich beroept omdat in die procedure de verhuurder de huur opzegde omdat zij het gehuurde wilde gaan verhuren aan een andere huurder die haar ruimte in het winkelcentrum wilde uitbreiden. Van een door de verhuurder uit te voeren renovatie die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is, was dus geen sprake. De rechterlijke toets bij een beroep op dringend eigen gebruik ligt dus bij: i) de dringendheid, ii) de haalbaarheid van de plannen en iii) noodzaak van de beëindiging van de huurovereenkomst in verband met de renovatie. Uit hetgeen in r.o. 4.2. is overwogen, volgt dat NOVA Dreef voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan deze eisen is voldaan. Het voorgaande betekent dat het beroep van NOVA Dreef op dringend eigen gebruik slaagt en de belangen van [gedaagde] niet meer hoeven te worden meegewogen.\n\nDe belangen van NOVA Dreef bij beëindiging van de huur wegen in dit geval zwaarder\n\n4.5.. Overigens is de kantonrechter van oordeel dat ook als van dringend eigen gebruik geen sprake zou zijn, de belangenafweging in het voordeel van NOVA Dreef zou uitvallen. De belangen van NOVA Dreef bij de beëindiging van de huur zijn in r.o. 4.2. aan de orde geweest en die belangen zijn niet alleen gericht op de financiële positie van NOVA Dreef zelf, maar dienen ook een breder maatschappelijk doel (extra woningen en parkeerplaatsen, een noodzakelijke modernisering van een winkelcentrum en opwaardering en vergroening van de openbare ruimte).4.6.. \n [gedaagde] heeft hier tegen ingebracht dat in de DekaMarkt supermarkt een (interne) slijterij zal worden geplaatst. Voortzetting van de huurovereenkomst - al dan niet in een andere vorm - was dus wel degelijk een mogelijkheid geweest, maar DekaMarkt wil daaraan niet meewerken. Het einde van de huur houdt voor [gedaagde] een feitelijke liquidatie van zijn onderneming in. Hoewel hij de pensioengerechtigde leeftijd nadert, had [gedaagde] de exploitatie van de slijterij, die goed loopt en waarvan de omzet in de afgelopen jaren is gegroeid, nog enige tijd kunnen voortzetten waarna hij deze aan zijn dochter had kunnen overdoen. Verplaatsing van de slijterij in de nabije omgeving is niet mogelijk: er zijn geen geschikte bedrijfsruimten in een straal van circa één kilometer beschikbaar.\n\n4.7.. De kantonrechter is van oordeel dat het belangen van [gedaagde] niet opwegen tegen die van NOVA Dreef. Reden hiervoor is dat huur naar zijn aard tijdelijk is en dat een huurder van bedrijfsruimte er rekening mee moet houden dat de huur op enig moment eindigt. Dat geldt hier al helemaal omdat de huurovereenkomst vanaf 1960 aan (de familie van) [gedaagde] wordt verhuurd. Daarbij heeft [gedaagde] er ook rekening mee moeten houden dat het gehuurde zich bevindt in een verouderd winkelcentrum dat op enig moment gerenoveerd zou moeten worden, hetgeen zou kunnen leiden tot het einde van de huur. Weliswaar is aannemelijk dat het niet makkelijk zal zijn om in de nabijheid van het gehuurde een andere ruimte te vinden, maar dat dit onmogelijk is, is niet gebleken. [gedaagde] lijkt ook niet actief te hebben gezocht omdat hij zich kennelijk en mogelijk in het licht van zijn naderende pensioen neerlegt bij liquidatie van de slijterij. Verder heeft [gedaagde] weliswaar aangevoerd dat hij de slijterij na zijn pensioen aan zijn dochter zou willen overdoen, maar de realiteit van dat plan heeft hij niet onderbouwd. Ten slotte is van belang dat NOVA Dreef aan [gedaagde] een tegemoetkoming van € 15.000 is aangeboden. Het subsidiaire verweer van [gedaagde] kan dus ook niet slagen.\n\nDe vordering tot vaststelling van het einde van de huur en ontruiming is toewijsbaar\n\n4.8.. Gelet op het voorgaande zal de vordering tot vaststelling van het einde van de huur worden toegewezen.\n\n4.9.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft NOVA Dreef desgevraagd verklaard dat zij er geen bezwaar tegen heeft om een langere ontruimingstermijn aan te houden. Zij heeft in dat kader verklaard dat de andere huurders die op dit moment in het winkelcentrum zijn gevestigd na de bouwvak overgaan naar het tijdelijke winkelcentrum, waarna zal worden aangevangen met de sloop van het winkelcentrum aan het [adres 2]. De kantonrechter neemt als feit van algemene bekendheid aan dat de bouwvak in Noord Nederland dit jaar loopt tot en met 7 augustus 2026. Gelet op het voorgaande zal zij bepalen dat de huurovereenkomst op 8 augustus 2026 zal eindigen. [gedaagde] moet het gehuurde uiterlijk tegen die datum ontruimen en te verlaten. Daarmee wordt aan [gedaagde] ook enige tijd gegund om tot liquidatie over te gaan.\n\nDe door [gedaagde] verzochte schadevergoeding is niet toewijsbaar\n\n4.10.. Meer subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat aan de beëindiging van de huur de voorwaarde moet worden verbonden dat hem een schadevergoeding van € 110.000,00 wordt toegekend. In dat verband zoekt [gedaagde] aansluiting bij het bepaalde in artikel 7:309 BW (afbraak van het gehuurde voor de uitvoering van werken in het algemeen belang. Volgens [gedaagde] is hier ook een situatie waarin een eigendomsovergang leidt tot een beëindiging van de huurovereenkomst en tot verlies van de reële kans op voortzetting van de onderneming. Pas nadat NOVA Dreef eigenaar is geworden van het gehuurde (in 2023), ontstond het streven om de huur te beëindigen vanwege de herontwikkeling die (mede) geschiedt in het algemeen belang.\n\n4.11.. Het betoog van [gedaagde] kan niet slagen. Ook hier geldt als uitgangspunt dat huur tijdelijk is en dat de verhuurder op enig moment de huur kan beëindigen zonder dat hij een vergoeding voor schade die de huurder daardoor lijdt, verschuldigd is. Met de negatieve gevolgen van een huurbeëindiging voor een huurder van winkelruimte wordt al rekening gehouden doordat die huurbeëindiging uitsluitend via de rechter kan worden bewerkstelligd, alleen op bepaalde momenten mogelijk is en moet zijn gebaseerd op in de wet gegeven gronden. De schadevergoeding die in de situatie van artikel 7:309 BW aan de orde is, betreft dan ook een uitzondering in een bijzondere situatie. Daarvan is geen sprake. De gemeente [plaats] ondersteunt weliswaar de wens tot herontwikkeling van het winkelcentrum, maar die herontwikkeling is niet gebaseerd op beleid van de overheid of de gemeente. Van afbraak van het gehuurde in het algemeen belang of een onteigeningssituatie, waarop artikel 7:309 BW betrekking heeft, is geen sprake. NOVA Dreef gaat het gehuurde renoveren en dan verhuren.\n\n4.12.. \n\nZou al aansluiting kunnen worden gezocht bij artikel 7:309 BW, dan heeft [gedaagde] alleen recht op de schade wegens het verlies van de kans dat de huurverhouding zonder de eigendomsoverdracht (waarbij NOVA Dreef eigenaar van het gehuurde werd) zou hebben voortgeduurd. Die kans moet gelet op de verstreken duur van de huurovereenkomst (ruim zestig jaar) en de verouderde staat van het winkelcentrum niet als groot worden ingeschat. Een op die kans gebaseerde schadeloosstelling kan in ieder geval niet gelijk worden gesteld aan de door [gedaagde] berekende schade die is gebaseerd op een vergoeding voor de goodwill en de ondernemingswaarde bij beëindiging van de huur.\n\nHet vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard4.13.. NOVA Dreef stelt dat gelet op de voorbereidingen en de tijd die met de realisatie van de herontwikkeling gemoeid gaat, het voor haar van belang is om zo spoedig mogelijk zekerheid te verkrijgen omtrent de datum waarop zij beschikking zal krijgen over het gehuurde. Om te voorkomen dat het vonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd en niet op tijd kan worden gestart met de herontwikkeling, vordert NOVA Dreef dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4.14.. Een opgezegde huurovereenkomst blijft na de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd, van rechtswege van kracht tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verhuurder tot vaststelling van het tijdstip waarop de overeenkomst zal eindigen. Alleen in het geval dat het verweer tegen een dergelijke vordering de rechter kennelijk ongegrond voorkomt, kan het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat is het geval vanwege het volgende. [gedaagde] heeft erkend dat het gehuurde gesloopt zal gaan worden en dat hij, als de andere huurders vertrekken (al dan niet naar het tijdelijke winkelcentrum) hij niet als enige in het winkelcentrum de slijterij zal kunnen blijven exploiteren. Zijn verweer richt dan ook niet op de gevorderde beëindiging van de huur en de ontruiming van het gehuurde maar op het verkrijgen van een schadeloosstelling. In die zin is zijn verweer tegen het einde van de huur en ontruiming kennelijk ongegrond. Daarbij komt dat [gedaagde], gelet op het voorgaande, door het uitvoerbaar verklaren van dit vonnis niet in een onomkeerbare situatie terecht komt: ook na ontruiming van het gehuurde kan hij in hoger beroep nog procederen over de vraag of hij al dan niet recht heeft op een door NOVA Dreef te betalen schadevergoeding.\n\n [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten\n\n4.15.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NOVA Dreef worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n119,40\n\n- griffierecht\n\n€\n\n135,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.118,40\n\n4.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nIn reconventie\n\n4.17.. In reconventie heeft [gedaagde] een door NOVA Dreef te betalen schadevergoeding gevorderd voor het geval deze niet zou worden opgelegd als voorwaarde voor de beëindiging van de huurovereenkomst. Gelet op hetgeen in conventie is overwogen, moet de reconventionele vordering als ingesteld worden beschouwd.\n\n4.18.. \n [gedaagde] heeft niet gesteld of onderbouwd waarop die vordering is gebaseerd. Indien en voor zover hij hiervoor, net zoals in conventie, aansluiting zoekt bij het bepaalde in artikel 7:309 BW, geldt dat dit ook in reconventie niet kan leiden tot toewijzing van de verlangde schadevergoeding. De kantonrechter verwijst hiervoor naar hetgeen zij in r.o. 4.11. en 4.12. heeft overwogen. Een andere grondslag is niet aangevoerd en ziet de kantonrechter ook niet. De reconventionele vordering zal dan ook worden afgewezen.\n\n [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten4.19.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de verwevenheid met de eis in reconventie, worden de proceskosten zijdens NOVA Dreef vastgesteld op nihil.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nIn conventie\n\n5.1.. stelt vast dat de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde gelegen aan het adres [adres 1] in [plaats] zal eindigen op 8 augustus 2026,5.2.. veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde uiterlijk op 8 augustus 2026 te ontruimen met afgifte van de sleutels aan NOVA Dreef,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.118,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,5.4.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke renteover de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nIn reconventie\n\n5.7.. wijst de vorderingen af,\n\n5.8.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, welke worden vastgesteld op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\n Artikel 7:296 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:296 lid 3 BW.\n\n Waarbij NOVA Dreef zich beroept op artikel 7:296 lid 1 sub b dan wel lid 3 BW.\n\n Waarbij [gedaagde] een beroep doet op het Toko Mitra-arrest, ECLI:NL:HR:2010:BM9758.\n\n ECLI:NL:HR:2010:BM9758.\n\n Artikel 7:295 lid 1 BW.\n\nAls bedoeld in artikel 6:119 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7695","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.825Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":67,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":69},"1530","ECLI:NL:RBNHO:2026:7521","ecli-nl-rbnho-2026-7521","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 11936734 \\ CV EXPL 25-7178\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap GP GROOT INZAMELING EN RECYCLING B.V.,\n\nte Alkmaar,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: GP Groot,\n\ngemachtigde: mr. A. Bartlema,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap onder firma [gedaagde 1], M.H.O.D.N. [bedrijf],\n\nte [plaats], 2. [gedaagde 2],\n\nte [plaats], 3. [gedaagde 3],\n\nte [plaats],\n\ngedaagde partijen in conventie,\n\neisende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden],\n\nverschenen bij [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 6 producties van 20 oktober 2025,\n\n- het mondeling antwoord van 31 december 2025,\n\n- de (aanvullende) conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 28 januari 2026,\n\n- het tussenvonnis van 11 februari 2026,\n\n- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026, waar namens GP Groot de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie is voorgedragen en als pleitnotitie in het geding is gebracht en van welke mondelinge behandeling door de griffier verder aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Tussen partijen bestond een serviceovereenkomst op grond waarvan GP Groot voor [bedrijf] werkzaamheden heeft verricht bestaande uit het plaatsen, wisselen en afvoeren van (afval)containers (hierna ook: de overeenkomst). De overeenkomst is per 31 januari 2026 geëindigd.\n\n2.2.. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van GP Groot van toepassing verklaard. In de algemene voorwaarden staat onder meer:\n\n“17.2 Betaling dient te geschieden binnen 30 dagen na factuurdatum, zonder recht op korting, verrekening of opschorting, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of anders op de factuur is aangegeven.\n\n(…)17.7. GP Groot is gerechtigd om, indien Opdrachtgever in gebreke is met de nakoming van zijn betalingsverplichtingen, de werkzaamheden op te schorten.”\n\n2.3.. Bij facturen van 22 januari, 10 april en 11 april 2025 heeft GP Groot in totaal € 3.818,28 bij [bedrijf] in rekening gebracht. Deze facturen zullen hierna ook ‘de facturen’ worden genoemd.\n\n2.4.. Op 5 maart 2025 heeft GP Groot een container in de hal van [bedrijf] geplaatst. [bedrijf] heeft van de geplaatste container de volgende afbeelding overgelegd.\n\n2.5.. \n [bedrijf] heeft GP Groot gemeld dat er schade aan (de platen van) de remmentestbank is veroorzaakt bij de plaatsing van de container.\n\n2.6.. \n [bedrijf] heeft bij Arex Test Systems B.V. een offerte laten opmaken voor het vervangen van de platen van de remmentestbank. Dit bedraagt volgens de offerte € 4.845,00 exclusief btw.\n\n2.7.. \n\nOver de plaatsing van de container heeft [betrokkene 1], de chauffeur van GP Groot die de container heeft gebracht, in een schriftelijke verklaring van 22 juli 2025 het volgende verklaard:\n\n“De hal\u002Fgarage waar de bak binnen geplaatst moest worden werd toen gebruikt door 2 personen. De bewuste persoon die nu moeilijk doet waar ik de container voor moest plaatsen en een ander persoon die de hal aan de voorzijde gebruikte. Die laatste had eigenlijk al weg moeten zijn maar dat was een heel gevecht en discussie door de 2 heren. Hij wilde mij er ook niet door laten om mijn bak binnen te kunnen afzetten. (…)\n\nNa vele #$###!!! woorden gewisseld te hebben tussen beide heren is er een soort mediator gekomen om het te sussen tussen de beide heren en mocht\u002Fkon ik achteruit naar binnen. Toen waren we intussen al wel een uur verder. Dat ging overigens ook niet makkelijk omdat er ook links en rechts auto’s stonden geparkeerd waarvan ook paar die niet konden rijden. Enige manier voor mij was dan ook recht naar achter en bak afzetten. Beide kanten kon er 1 hand tussen zo krap was het daar.\n\nEr was ook al een heel groot gat gegraven en die grond\u002Fzand lag al op een grote hoop waar dus die beruchte remmentestbank al voor grootste gedeelte onderlag. De container is DUIDELIJK OP AANWIJZING VAN DE HEER zelf daar afgezet door mij. Dat was de enige optie en zo kort mogelijk bij de hoop grond\u002Fzand.”\n\n2.8.. \n\nIn een schriftelijke verklaring van 7 mei 2025 heeft [betrokkene 2], de chauffeur van GP Groot die de container heeft opgehaald, verklaard:\n\n“Bij aankomst samen met een collega troffen wij de 12m3 aan binnen in een loods. Deze container stond bij aankomst helemaal achterin en bovenop oprijplaten van een autolift of testbank achtig iets. Ik wist niet of mijn collega deze zo geplaatst had of dat de klant deze zo had neergezet. Ik vroeg vriendelijk of er dingen aan de kant konden maar dit was allemaal niet mogelijk en te lastig. Aangezien de container gevuld was met grond\u002Fzand was deze erg aan het gewicht! Wij hebben toen samen(collega en ik) met aanwijzingen van elkaar de auto onder de container laten lopen zonder ergens schade te maken! Dit viel niet mee! Maar was ons toch gelukt met geduld en aanwijzingen, dachten wij. Ik begreep later van mijn planner dat er schade was ontstaan aan de vloer cq lift. Als je ergens een container van 14á15 ton op gaat zetten kan je verwachten dat er schade ontstaat! Wij hebben bij ons weten geen extra schade gemaakt die er al niet al was bij aankomst!\n\nIk heb een tekening gemaakt hoe wij het aantroffen bij aankomst om eeen beetje duidelijk te maken hoe de container stond.\n\n”2.9.. In een e-mail van 14 augustus 2025 heeft de verzekeraar van GP Groot, Howden Nederland, [bedrijf] bericht dat zij namens GP Groot de aansprakelijkheid voor de gestelde schade aan de remmentestbank afwijst.\n\n2.10.. \n [bedrijf] heeft de onder 2.3 genoemde facturen van GP Groot, ondanks sommaties, niet betaald.\n\n3. Het geschil\n\nDe vordering\n\n3.1.. \n\nGP Groot vordert dat de kantonrechter [gedaagden] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt tot betaling van:\n\na. € 3.818,28 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 11 oktober 2025 tot aan de voldoening; b. € 506,83 aan buitengerechtelijke incassokosten; c. € 182,82 aan wettelijke handelsrente, berekend tot en met 10 oktober 2025; d. de proceskosten.\n\n3.2.. GP Groot stelt hiertoe – kort gezegd – dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel (WvK) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor verbintenissen van [bedrijf], dat [bedrijf] ondanks verschillende aanmaningen niet aan haar betalingsverplichting heeft voldaan waarna zij in verzuim is geraakt en dat [gedaagden] schade in de vorm van buitengerechtelijke kosten en wettelijke handelsrente verschuldigd zijn.\n\n3.3.. \n [gedaagden] voeren verweer. Op de standpunten van partijen gaat de kantonrechter, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader in.\n\nDe tegenvordering\n\n3.4.. \n [bedrijf] vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter GP Groot veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 4.845,00. Zij legt aan de vordering ten grondslag dat GP Groot aansprakelijk is voor de door haar geleden schade uit hoofde van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad.\n\n3.5.. GP Groot voert verweer. Voor zover relevant gaat de kantonrechter op de standpunten van partijen bij de beoordeling van het geschil nader in.\n\n4. De beoordeling\n\nde vordering\n\n4.1.. \n [bedrijf] erkent de facturen van GP Groot niet te hebben betaald en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betwisten niet dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. [gedaagden] voeren aan niet tot betaling gehouden te zijn, omdat GP Groot tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Volgens de overeenkomst diende GP Groot ieder kwartaal de container bij [bedrijf] op te halen en te legen. [bedrijf] beroept zich op haar opschortingsrecht omdat GP Groot in 2025 heeft verzuimd een volle container bij haar op te halen. Ter onderbouwing hiervan heeft [bedrijf] een foto van een (volle) container overgelegd. [bedrijf] beroept zich op opschorting.\n\n4.2.. Het beroep op opschorting van [bedrijf] faalt, omdat de betalingsachterstand aan haar zijde is voorafgegaan aan de staking van de werkzaamheden door GP Groot. De kantonrechter licht dit toe. De door [gedaagden] ingebracht foto is ongedateerd, zodat niet kan worden vastgesteld wanneer de foto is genomen en dus ook niet of deze situatie betrekking heeft op de periode van vóór de onbetaalde facturen. GP Groot heeft daarnaast onbetwist gesteld dat zij haar dienstverlening pas heeft opgeschort nadat de facturen voor het eerste en tweede kwartaal 2025 onbetaald waren gelaten. Zij was hiertoe gerechtigd op grond van artikel 17.7 van haar algemene voorwaarden. Omdat GP Groot bevoegd was haar verplichtingen uit de overeenkomst op te schorten, is er geen sprake van een toerekenbare tekortkoming aan haar kant. Dat [bedrijf] de facturen voor het derde en vierde kwartaal 2025 wel heeft betaald doet niet af aan de opschortingsbevoegdheid van GP Groot. De kantonrechter zal vordering tot betaling van de facturen dan ook toewijzen.\n\n4.3.. \n\nDe door GP Groot gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke handelsrente over de hoofdsom zal de kantonrechter als onweersproken eveneens toewijzen.\n\nde tegenvordering\n\n4.4.. Kern van dit deel van het geschil is de vraag of GP Groot is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst en\u002Fof onrechtmatig heeft gehandeld door de container op de remmentestbank van [bedrijf] te plaatsen, en vervolgens of GP Groot gehouden is de schade te vergoeden.De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is en licht dit hierna toe.\n\n4.5.. Tussen partijen is sprake van een overeenkomst van opdracht.Op GP Groot rust de verplichting om deze uit te voeren met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.Wanneer GP Groot in deze zorgplicht tekortschiet, is zij verplicht de daardoor ontstane schade te vergoeden.GP Groot is hierbij op gelijke wijze aansprakelijk voor het handelen van haar chauffeur (als hulppersoon of ondergeschikte) als voor haar eigen gedrag.\n\n4.6.. GP Groot betwist aansprakelijk te zijn voor de schade aan de remmentestbank van [bedrijf]. Zij voert aan dat de container op uitdrukkelijk aanwijzen van (een medewerker van) [bedrijf] op die specifieke plek is geplaatst. De situatie ter plaatse was volgens GP Groot onoverzichtelijk en krap door geparkeerde auto’s en er lag een grote hoop zand over de remmentestbank. Hierdoor zou de remmentestbank voor de chauffeur niet zichtbaar zijn geweest en bovendien was er geen andere plek beschikbaar om de container te plaatsen. De chauffeur heeft voorgesteld de container buiten te plaatsen, maar [bedrijf] wilde de container uitsluitend in de loods geplaatst hebben.\n\n4.7.. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer dat de container wegens ruimtegebrek niet elders geplaatst kon worden. Uit de door de (ophalende) chauffeur zelf gemaakte situatietekening blijkt immers niet dat er geen alternatieve locaties voor de container waren. Daarnaast staat vast dat de remmentestbank niet volledig aan het zicht was onttrokken. Uit de verklaring van de chauffeur die de container plaatste, blijkt immers dat de remmentestbank voor het grootste gedeelteonder een hoop zand lag, wat betekent dat deze deels wel zichtbaar was. Dit wordt ondersteund door de situatietekening van de andere chauffeur, waaruit blijkt dat de remmentestbank vóór de berg zand lag en dat de container deels op de remmentestbank was geplaatst. Bovendien heeft de chauffeur die de container later ophaalde ook verklaard dat de remmentestbank deels zichtbaar was en dat men kan verwachten dat het plaatsen van een zware container op een dergelijke installatie schade veroorzaakt. Daarmee staat vast dat de remmentestbank deels zichtbaar was toen de container werd geplaatst en dat het plaatsen van de container op die specifieke plek een voorzienbaar risico op schade met zich meebracht.\n\n4.8.. GP Groot heeft niet gemotiveerd betwist dat [bedrijf] schade heeft geleden, zodat de kantonrechter aan die (kale) betwisting voorbijgaat. In dit verband merkt de kantonrechter (nogmaals) op dat de chauffeur die de container ophaalde heeft verklaard dat men kan verwachten dat het plaatsen van een zware container op een remmentestbank schade veroorzaakt. Voor zover GP Groot heeft willen betogen dat de schade niet tijdig is gemeld, faalt dit argument. Uit de stukken, waaronder de verklaring van de chauffeur die op 7 mei 2025 is opgesteld, blijkt genoegzaam dat de schade op dat moment al bij GP Groot bekend was. Er is dan ook tijdig melding gemaakt van de schade.\n\n4.9.. Zelfs wanneer de chauffeur de container op aanwijzing van (een medewerker van) [bedrijf] zou hebben geplaatst – wat [bedrijf] heeft betwist – ontslaat dit GP Groot niet van haar zorgplicht. Van een professionele opdrachtnemer mag namelijk worden verwacht dat zij niet blindelings instructies opvolgt die voorzienbaar kunnen leiden tot schade aan eigendommen van de opdrachtgever. Indien de vermeende instructie werkelijk zo risicovol was als GP Groot stelt, had het op de weg van de chauffeur gelegen om de plaatsing van de container op die specifieke plek te weigeren, dan wel vooraf een uitdrukkelijke, schriftelijke kwijting of akkoordverklaring (voor eigen risico van [bedrijf]) te verlangen. Nu een dergelijk bewijs ontbreekt, is de stelling van GP Groot dat [bedrijf] dit uitdrukkelijk zo heeft gewild onvoldoende onderbouwd. Omdat GP Groot daarnaast in deze procedure geen beroep heeft gedaan op eventuele van toepassing zijnde algemene voorwaarden, ontbreekt iedere grond voor uitsluiting of beperking van de aansprakelijkheid.\n\n4.10.. De conclusie is dat GP Groot, via haar chauffeur, niet heeft gehandeld zoals van een zorgvuldige opdrachtnemer verwacht mag worden. GP Groot is daarom toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, wat tot schade bij [bedrijf] heeft geleid. GP Groot is dan ook gehouden deze schade aan [bedrijf] te vergoeden. [bedrijf] heeft ter onderbouwing van de schade een offerte overgelegd, waarin de schade wordt begroot op € 4.845,-. GP Groot heeft de hoogte van dit offertebedrag niet betwist, zodat de omvang van de schade tussen partijen vaststaat. De kantonrechter zal de tegenvordering van [bedrijf] tot vergoeding van de schade van € 4.845,- toewijzen.\n\n4.11.. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen zoals gevorderd. De wettelijke rente over het schadebedrag is op grond van artikel 6:119 BW in samenhang met artikel 6:83 sub b BW toewijsbaar vanaf 5 oktober 2025. Bij een verbintenis tot schadevergoeding treedt het verzuim immers direct in op het moment dat de schade ontstaat, waardoor GP Groot vanaf dat moment in verzuim verkeert.\n\nde vordering en de tegenvordering\n\n4.12.. Nu beide partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nde vordering\n\n5.1.. \n\nveroordeelt [bedrijf] tot betaling aan GP Groot van € 4.507,93, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.818,28 vanaf 11 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nde tegenvordering\n\n5.2.. \n\nveroordeelt GP Groot tot betaling aan [bedrijf] van € 4.845,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nde vordering en tegenvordering\n\n5.1.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n als bedoeld in artikel 7:400 BW.\n\n op grond van artikel 7:401 BW.\n\n op grond van artikel 6:74 BW.\n\n op grond van artikel 6:76 BW en artikelen 6:170 of 6:171 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7521","2026-07-13T00:29:25.564Z",20]