[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":90},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2025-09-10T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123916","Burgerlijk Wetboek","art. 7:400",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123919","art. 6:76",[30,41,49,57,65,73,82],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"655","ECLI:NL:RBNHO:2026:7520","ecli-nl-rbnho-2026-7520","","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12012968 \\ CV EXPL 25-8446\n\nVonnis van 1 juli 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Claassen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap,\n\nMOBILITY CAR LEASE B.V.,\n\nte Nieuw-Vennep,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: MCL,\n\ngemachtigde: mr. S. Aartsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties;\n\n- de conclusie van antwoord met tegenvordering en producties;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie met een productie;\n\n- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van MCL.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Op 13 september 2022 hebben partijen een leaseovereenkomst gesloten met betrekking tot een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Volkswagen). Achter contractvorm is daarin vermeld “Netto operationeel”.\n\n2.2.. In diezelfde periode heeft MCL ook een auto (Citroën C3) aan mevrouw [betrokkene 1] (de toenmalige vriendin van [eiser] ) in lease gegeven.\n\n2.3.. MCL stond op dat moment onder leiding van statutair bestuurder en aandeelhouder [betrokkene 2] .\n\n2.4.. In 2024 is [betrokkene 3] (mede)aandeelhouder en statutair bestuurder van MCL geworden. [betrokkene 2] is in het laatste kwartaal van 2024 ontslagen als statutair bestuurder van MCL.\n\n2.5.. \n [eiser] is van september 2024 tot februari 2025 gedetineerd geweest.\n\n2.6.. Op 26 november 2024 heeft MCL aangifte gedaan van verduistering van de Volkswagen om deze te kunnen traceren.\n\n2.7.. Op 12 december 2024 heeft [betrokkene 4] (de neef van [eiser] ) namens [eiser] contact opgenomen met [betrokkene 2] en gevraagd of hij de afspraken die hij met [eiser] had gemaakt over de afkoop van de Golf aan zijn compagnon [betrokkene 3] had doorgegeven. [betrokkene 2] heeft hier als volgt op gereageerd: “Hi [betrokkene 4] , hij weet dat ik dat heb besproken in augustus. Maar zal hem dit nogmaals doorgeven. Of hij het er mee eens is is een tweede maar dat kun je het best met hem bespreken. Hij is niet onredelijk. Ik werk voorlopig helemaal niet dus kan het zelf niet meer afwikkelen.”\n\n2.8.. \n [betrokkene 3] heeft vervolgens dezelfde dag aan [betrokkene 4] laten weten dat hij het niet met de gemaakte afspraken eens is:\n\n“(…) ik zie niet in waarom ik een auto voor 10k zou verkopen die 25-30k waard is en waarbij er ook nog een opstaande vordering staat van bijna 20k. in mijn ogen loop ik dan bijna 40k mis?”“ik sta voor veel open maar ben niet de Sinterklaas van MCL! Ik eis dan ook bij deze op voorhand de auto met kenteken [kenteken 1] op zodat deze bij ons in het bezit komt!”2.9.. \n [betrokkene 4] heeft daarop aan [betrokkene 3] onder meer het volgende bericht:\n\n“Volgens mij heb je genoeg autos rijden, waarin sander dubieuze zaakjes heeft gedaa. (…) Wil je het opgelost hebben of niet? Je kan mij een auto “eisen” maar ik heb je auto niet (…) In mijn ogen kan je 10k krijgen, of een rare houding naar mij hebben en dsn heb je niks.Kan je een auto gestolen gana opgeven (…) Ook zit [eiser] nog wel een aantal jaartjes vast dus denk niet dat die wakker ligt van je aangifte over een gestolen auto. (…) Dus even een toontje lager zingen makker met je sinterklaas en eisen. (…) Ik ben geen straatschooier (…) Heb jou golfje niet nodig.(…) Misschien even 3 keer nadenken voor dat je degene die iedereen helpt een houdingkje geeft”\n\n2.10.. Eind januari 2025 heeft de politie de Volkswagen in [plaats 2] (voor de deur van het huis van de vader van [eiser] ) aangetroffen. De Volkswagen is vervolgens overgebracht van de politie Rotterdam naar Arnhem.\n\n2.11.. \n [betrokkene 4] heeft op 26 januari 2025 aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Hi [betrokkene 3] Ik heb van [eiser] begrepen dat jullie er uit zijn gekomen omtrent de auto Ik ben tm donderdag in nederland , dus ik kan morgrn of woensdag even langs je rijden Kan je een contract voorbereiden?”\n\n2.12.. \n [betrokkene 3] heeft hier op 27 januari 2025 als volgt op gereageerd: “Dag [betrokkene 4]Min of meer klopt dat inderdaad. De bank is donderdag middag akkoord gegaan met een verkoop van 12500 in in. Ik heb [eiser] daar nog niet over gesproken overigens. Wel is ook afgesproken dat de auto zal worden geëxporteerd en wij de documenten krijgen om de rest bpm terug te vorderen. Kan de auto op naam van [eiser] worden uitgevoerd of een andere naam en waar kan die factuur naar toe worden gestuurd?Betaling moet op onze DFM bank (…) worden bijgeschreven en dan geeft DFM mij de voorbehoud codes en kan ik tenaamstelling maken voor jullie. Gezien vakanties is er op dit moment niemand op kantoor. Ikzelf ben er donderdag weer. Hoor graag wat mogelijk is. Daarna vervallen alle vorderingen van MCL op [eiser] . Die van zijn vriendin blijft doorgaan.”\n\n2.13.. \n [betrokkene 4] heeft daarop dezelfde dag gereageerd:\n\n“Hi [betrokkene 3]Volgens mij is dat niet wat is besproken. Maargoed succes daarmee. Bel eerst maar met [eiser] en dan hoor ik het wel. (…)Maargoed dit is nu de 2e keer dat je me ontloopt als ik in nederland ben. Ik geef het door aan [eiser] . Zo belangrijk is hij niet voor je merk ik. Overigens zie ik eerst een contract tegemoet voordat je een faktuur stuurt. Maar wacht dasr maar mee Lijkt me goed dat je eerst met [eiser] belt. Want ik weet zeker dat hij van wat je nu zegt niet vrolijk word.”\n\n2.14.. \n [betrokkene 3] heeft nog diezelfde dag aan [betrokkene 4] uitgelegd dat de bank niet akkoord ging met een bedrag lager dan € 12.500,00 en dat hij [eiser] daarover had gesproken.\n\n2.15.. \n [betrokkene 4] reageert daarop met:\n\n“Ja dan zal ik je aan advies geven; dan kan je zelf ook de rest bijleggen.Je weet hoe [eiser] is :) Dat excuusje van de bank gaat er bij niemand in ha ha..”\n\n2.16.. Op 11 februari 2025 heeft [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] bericht dat de auto terecht is en dat de volgende stap was om de status van de auto als gestolen voertuig eraf te krijgen. Hij bericht verder: “Kun jij laten regelen dat wij de sleutels van de auto Krijgen en dan naar de politie kunnen?? Hoor graag. Volgens mij waren die bij de pa van [eiser] ”En op 12 februari 2025 in antwoord op de vraag van [betrokkene 4] of hij met [eiser] een akkoord heeft omtrent de auto:“Ja 12500 vast bedrag. Maar moet de auto nu eerst vrij krijgen”.\n\n2.17.. Op 14 februari 2025 heeft de RDW de kentekenregistratie van de Volkswagen weer actief gemaakt.\n\n2.18.. Op 19 februari 2025 bericht [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] : “Ik wacht nog op de sleutels en accu via zijn pa om alles vrij te krijgen. Politie Arnhem is reeds akkoord (…)”\n\n2.19.. Op 21 februari 2025 heeft [betrokkene 3] een verklaring opgesteld en ondertekend:\n\n“Hierbij verklaart ondergetekende het volgende wat wij gezamenlijk zijn overeengekomen. Mobility Car Lease BV (MCL) verkoopt aan u de Volkswagen Golf (5-d) 2.0tsi r 221kW 4-motion dsg met kenteken [kenteken 2] voor een bedrag van € 12.500 in de BTW in de BPM. Deze verkoop wordt beoogd rond 1 maart 2025 plaats te vinden. Tevens zal door het verkopen van deze auto uw openstaande debiteuren vordering komen te vervallen conform afspraak.De vordering op debiteur mevrouw [betrokkene 1] voor het kenteken [kenteken 3] vallen buiten deze regeling en zult u zoals besproken voldoen.Indien de auto verkocht gaat worden via een onderneming in Spanje, zoals dit is besproken, zal de verkoopprijs exclusief BTW plaatsvinden. Per 1 maart 2025 gaan we uit van een rest BPM bedrag van € 2.698. hierdoor zal de verkoopprijs aan een BTW plichtig ondernemer in Spanje afgerond € 10.800 Ex BTW in BPM bedragen. Wij ontvangen nog wel graag de autosleutels en accu zoals met elkaar besproken, zodat we de auto gezamenlijk met de politie weer bij RDW kunnen vrij krijgen. Deze laatste is inmiddels op de hoogte en zal hier ook aan meewerken.”\n\n2.20.. Op 22 februari 2025 heeft [betrokkene 3] deze verklaring via WhatsApp aan [betrokkene 4] toegezonden.2.21.. Op 22 en 23 februari 2025 heeft [betrokkene 4] namens [eiser] aan [betrokkene 3] gevraagd om de verklaring op meerdere punten te verduidelijken. Daarbij heeft [betrokkene 4] aangegeven “Verhaal th Verhulp hoeft niet in onze overeenkomst want heeft er niks mee te maken”.\n\n2.22.. Op 1 maart 2025 heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“ [betrokkene 3] , zullen we deze zaak eens afronden? Je bent erg moeilijk te bereiken , en elke dag dat de auto daar staat komen er opsagkosten bij. En ik ga deze zeker niet betalen, omdat jij niet bereikbaar bent en de auto daar onnodig lang staat. Dus ik denk dat het in beide ons belang is dat we dit afronden”\n\n2.23.. Op 6 maart 2025 heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Me geduld is een beetje op aan t raken”\n\n“Ga je het nog regelen of heb je wat motivatie nodig?”\n\n2.24.. Op 7 maart 2025 heeft [eiser] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Gaan we die golf regelen of ga je fratsen hebben”\n\n2.25.. \n [betrokkene 3] heeft vervolgens op 7 maart 2025 [eiser] bericht:\n\n“Ik heb intern alles geregeld. Heb alle openstaande vorderingen van [eiser] en Verhulp afgeboekt, totaal 30k. Er zijn geen openstaande schulden en of vorderingen meer over en weer. De Golf heb ik ook als verlies geboekt voor 28k, totaal dus 58k. Hiermee is voor mij het boek gesloten en zoekt de politie maar uit wat ze verder doen. Graag zou ik wel de C3 terug willen. Graag een adres doorsturen waar Autoinspectie deze kan gaan ophalen”\n\n(…)\n\n“Ik zou sleutels krijgen vd golf ik zou betalingen ontvangen etc. Allemaal niet gebeurd. Voor mij is nu het boek gesloten, en ga verder met de business. Alle contracten, als die er al waren, zijn hierbij klaar, en jij hebt geen openstaande facturen meer bij MCL.”\n\n2.26.. \n [eiser] bericht [betrokkene 3] daarna: “Dus je zegt nu dat de deal met de Golf niet doorgaat”, waarop [betrokkene 3] antwoordt:“Ja dat klopt, heb alles nu afgeboekt. boek gesloten.”\n\n2.27.. De Volkswagen is inmiddels in eigendom overgedragen aan een derde.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n [eiser] vordert na vermindering van eis - samengevat - veroordeling van MCL tot betaling van € 24.563,00, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat MCL tekort is geschoten in haar verplichting tot levering van de Volkswagen, zoals deze uit de koopovereenkomst van 21 februari 2025 voortvloeit. Omdat nakoming van de koopovereenkomst niet langer mogelijk is, is MCL schadeplichtig.\n\n3.3.. MCL voert verweer en MCL concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .\n\n3.4.. MCL voert aan dat het afgeven van de accu en de sleutels van de Volkswagen aan MCL, alsmede het door [eiser] voldoen van de vordering(en) van MCL op Verhulp, ontbindende voorwaarden waren voor de overdracht van de Volkswagen. [eiser] heeft daaraan niet voldaan en dus heeft MCL de koopovereenkomst op 7 maart 2025 rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.6.. MCL vordert (na verduidelijking van de eis ter zitting) - samengevat - een verklaring voor recht dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van 21 februari 2025 en een veroordeling van [eiser] tot betaling van de openstaande schuld van Verhulp van € 6.220,97.\n\n3.7.. \n [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van MCL.\n\n3.8.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie\n\n4.1.. De kern van dit geschil gaat om de vraag of MCL gerechtigd was om de overeenkomst te ontbinden vanwege een tekortkoming van [eiser] , dan wel of MCL zelf tekort is geschoten door de overeenkomst niet na te komen. Daarvoor is allereerst van belang om vast te stellen wat partijen precies hebben afgesproken.\n\n4.2.. Het antwoord op de vraag wat partijen met elkaar hebben afgesproken, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg. Dit wordt ook wel de Haviltex-maatstaf genoemd.\n\n4.3.. De kantonrechter stelt voorop dat de overeenkomst niet los kan worden gezien van de voorgeschiedenis tussen partijen. [eiser] stelt dat hij met [betrokkene 2] (de voormalig statutair bestuurder van MCL en de ex-compagnon van [betrokkene 3] ) in afwijking van gesloten leaseovereenkomst nadere afspraken had gemaakt over de (af)koop van de Volkswagen. [betrokkene 3] kende deze afspraken niet en wilde daar na het vertrek van [betrokkene 2] bij MCL aanvankelijk niets van weten. Dit heeft geleid tot een lange, moeizame, onprettige en op momenten zelfs dreigende discussie tussen partijen. Tegen die achtergrond heeft [betrokkene 3] uiteindelijk ingestemd met verkoop van de Volkswagen aan [eiser] voor een bedrag van € 12.500,00 en het vervallen van alle openstaande schulden van [eiser] bij MCL, kennelijk om een einde te maken aan de ontstane situatie en verdere confrontaties te voorkomen. Vast staat dat de Volkswagen op dat moment een aanzienlijk hogere waarde had. De kantonrechter leidt uit de omstandigheid dat de bank er desondanks mee instemde om de financiering van de auto te beëindigen door verkoop aan [eiser] voor € 12.500,00 af dat (ook) de bank de noodzaak tot snelle sluiting van dit dossier inzag.\n\n4.4.. \n [betrokkene 3] heeft de gemaakte afspraken vervolgens op papier gezet en in de schriftelijke verklaring van 21 februari 2025 (2.19) aangegeven dat MCL zoals besproken de autosleutels en de accu van de Volkswagen wenste te ontvangen, zodat partijen de Volkswagen (samen met de politie) bij de RDW vrij konden krijgen. Hoewel [betrokkene 4] (namens [eiser] ) meerdere opmerkingen over de inhoud van de verklaring heeft gemaakt en verschillende wijzigingen heeft voorgesteld, heeft hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de genoemde afgifte van de sleutels en de accu, zodat MCL ervan mocht uitgaan dat hierover overeenstemming tussen partijen bestond.\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat de afspraak tot afgifte van de sleutels en de accu onlosmakelijk verbonden is met de verkoop van de Volkswagen en moest worden nagekomen voordat de auto aan [eiser] geleverd kon worden. Deze zaken waren immers noodzakelijk om de auto vrij te kunnen krijgen en vervolgens aan [eiser] te leveren. MCL heeft [eiser] daar (via [betrokkene 4] ) op 11, 12 en 19 februari 2025 ook op gewezen. Hoewel geen fatale termijn is overeengekomen, volgt uit de verklaringen van partijen dat zij de verkoop en overdracht van de Volkswagen snel, uiterlijk rond 1 maart 2025 wensten af te ronden.4.6.. Vaststaat dat [eiser] de sleutels en accu van de Volkswagen niet aan MCL heeft afgegeven. Dit levert een tekortkoming aan de zijde van [eiser] op. MCL heeft geen ingebrekestelling aan [eiser] gestuurd. In beginsel is een ingebrekestelling voor het intreden van verzuim wel vereist. De kantonrechter is echter van oordeel het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van MCL kon worden gevergd om [eiser] in gebreke te stellen. Daartoe is redengevend dat [eiser] zélf de nakoming van de koopovereenkomst heeft gefrustreerd door MCL de noodzakelijke medewerking te onthouden. MCL hoefde er, gezien de voorgeschiedenis en de toon van de herhaalde berichten van (en namens) [eiser] waarin werd aangedrongen op afronding en uitvoering van de overeenkomst, geen vertrouwen meer in te hebben dat [eiser] na ingebrekestelling alsnog tot afgifte van de sleutels en de accu van de Volkswagen zou overgaan. Ook de (dreigende) toon van de berichten van (en namens) [eiser] aan [betrokkene 3] (‘Ga je het nog regelen of heb je wat motivatie nodig?’ en‘of ga je fratsen hebben’) maakt dat van MCL naar redelijkheid en billijkheid geen ingebrekestelling kon worden verlangd. Het verzuim van [eiser] is daarom ingetreden zonder ingebrekestelling.\n\n4.7.. \n [betrokkene 3] stelt dat hij de overeenkomst op 7 maart 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden. [eiser] betwist dit weliswaar, maar de kantonrechter gaat daaraan voorbij. Het bericht van [betrokkene 3] aan [eiser] van 7 maart 2025 (2.25) moet gezien de inhoud daarvan en tegen de achtergrond van de verdere communicatie tussen partijen als een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring worden beschouwd en [eiser] had dit redelijkerwijs ook zo moeten begrijpen. Dat heeft hij ook gedaan gezien zijn reactie ‘Dus je zegt nu dat de deal met de Golf niet doorgaat’(2.26).\n\n4.8.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de tekortkoming van [eiser] ontbinding door MCL van de overeenkomst rechtvaardigde en dat MCL de overeenkomst daarmee op goede gronden buitengerechtelijk heeft ontbonden. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] in conventie dan ook af. De stelling van MCL dat [eiser] (ook) de afspraak dat hij de schuld van Verhulp aan MCL zou betalen moest nakomen voordat MCL de Volkswagen aan [eiser] zou leveren, behoeft in conventie daarom geen bespreking.\n\nin reconventie\n\n4.9.. MCL legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag dat [eiser] zich bij de overeenkomst van 21 februari 2025 heeft verplicht de openstaande schuld van Verhulp aan MCL voorafgaand aan de levering van de Volkswagen te betalen. Die verplichting is [eiser] niet nagekomen, op grond waarvan MCL de overeenkomst terecht heeft ontbonden. [eiser] is gehouden de schade die MCL daardoor heeft geleden aan haar te vergoeden. De schade van MCL bedraagt € 6.220,97, het bedrag van de nog altijd openstaande schuld van Verhulp aan MCL.\n\n4.10.. De kantonrechter stelt vast dat de aflossing van de schuld van Verhulp aan MCL door partijen buiten de ‘deal’ over de Volkswagen (waarbij [eiser] de Volkswagen mocht overnemen voor € 12.500,00 en MCL de openstaande vorderingen van MCL op [eiser] zou kwijtschelden) is gehouden. In de verklaring van 21 februari 2025 staat ook expliciet dat de vorderingen van MCL op Verhulp ‘buiten deze regeling vallen’. Dit blijkt verder uit de WhatsApp-correspondentie tussen [betrokkene 3] (17 januari 2025 (2.12): ‘Die [vordering] van zijn vriendin blijft doorgaan.’) en [betrokkene 4] (23 februari 2025 (2.21): ‘Verhaal th Verhulp (…) heeft er niks mee te maken’). De stelling van MCL dat [eiser] gehouden was eerst de schuld van Verhulp in te lossen voordat MCL de Volkswagen aan [eiser] zou (hoeven) leveren, kan de kantonrechter daarom niet volgen. De ontbinding van eerdergenoemde deal heeft dan ook voor deze afspraak geen gevolg gehad en de overeenkomst bestaat in zoverre nog. MCL vordert echter geen nakoming van de gestelde afspraak, maar schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming door [eiser] . Zonder nadere onderbouwing kan de vordering op deze grondslag niet slagen.\n\n4.11.. De vordering kan ook om andere reden niet worden toegewezen. MCL heeft bij monde van [betrokkene 3] op 7 maart 2025 immers aan [eiser] laten weten dat hij (ook) de schuld van Verhulp heeft afgeboekt en dat hij de zaak daarmee als afgesloten beschouwt. Daarmee is juridisch gezien sprake van een kwijtschelding zoals bedoeld in artikel 6:160 van het Burgerlijk Wetboek. Het vorderingsrecht van MCL op [eiser] ter zake van de schuld van Verhulp is daarmee teniet gegaan. De vordering van MCL tot betaling van € 6.220,97 wordt daarom afgewezen.\n\nde proceskosten in conventie en in reconventie\n\n4.12.. De kantonrechter ziet gelet op de omstandigheden van het geval en het feit dat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, aanleiding om de proceskosten in conventie en reconventie te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin reconventie\n\n5.4.. wijst de vorderingen van MCL af,\n\n5.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Hoge Raad 3 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7520","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.478Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":38,"fullText":45,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":48},"1479","ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","ecli-nl-rbnho-2026-7457","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 12055610 \\ CV EXPL 26-209\n\nUitspraakdatum: 24 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\nde stichting\n\nStichting voor Educatie en Beroepsonderwijs (ook genoemd ROC Nova College)\n\ngevestigd te Haarlem\n\neiseres\n\nverder te noemen: Nova College\n\ngemachtigde: [gemachtigde] B.V.\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1], wonende te [plaats 1], 2. [gedaagde 2], wonende te [plaats 2],\n\ngedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden]\n\ngedaagde sub 1 procederend in persoon, mede namens gedaagde sub 2.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - het mondelinge antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [gedaagden] zijn vennoten in de vennootschap onder firma “[bedrijf]” (hierna: de vof).2.2.. Gedaagde sub 1 heeft zich via de website van het Nova College aangemeld voor de VAVO voor het studiejaar 2024-2025 (hierna: de opleiding).2.3.. Op 15 oktober 2024 heeft gedaagde sub 1 verzocht om de factuur met betrekking tot de studiekosten op naam van de vof te laten stellen. In dat verband heeft hij namens de vof een ‘machtiging voor de betaling van cursusgeld door werkgever of instantie’ ondertekend.2.4.. De vof heeft de factuur onbetaald gelaten.2.5.. De vof is per 21 mei 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.3. Het geschil\n\n3.1.. Nova College vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt tot betaling van € 833,92, vermeerderd met de (verdere) rente en de proceskosten.3.2.. Nova College legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de vof tekort is geschoten in haar betalingsverplichting.3.3.. Gedaagde sub 1 erkent de hoofdsom, maar betwist dat zijn broer (gedaagde sub 2) de vordering moet betalen. Ook betwist hij de verschuldigdheid van de bijkomende kosten.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.4. De beoordeling\n\nDe ambtshalve toetsing van het consumentenrecht\n\n4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat de onderwijsovereenkomst tussen Nova College en gedaagde sub 1 in beginsel onder het toepassingsbereik van de Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) en Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU (betreffende consumentenrechten) valt. Met de beslissing tot inschrijving ontstaat tussen instelling en student een overeenkomst waarbij voor beide partijen rechten en plichten ontstaan, zoals die in onder andere de onderwijs- en examenregeling (OER) van de opleiding en het studentenstatuut zijn vermeld. Dit betekent dat de bepalingen van het overeenkomstenrecht van toepassing zijn. Dat de overeenkomst op grond van de Les- en cursusgeldwet verplicht tot inschrijving maakt dit niet anders. Nova College is een handelaar in de zin van artikel 6:230g sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voornoemde richtlijnen zijn van toepassing op alle handelaren, ongeacht of zij publiek of privaat zijn.\n\n4.2.. Op de onderhavige overeenkomst zijn dus consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of die zijn nageleefd. Zo niet, dan moet de kantonrechter daar, ook ambtshalve, consequenties aan verbinden.\n\nAmbtshalve toetsing van informatieplichten\n\n4.3.. De kantonrechter moet allereerst ambtshalve beoordelen of Nova College de nodige informatie aan [gedaagde 1] heeft verstrekt. In dit geval, waarin de overeenkomst online is gesloten, zijn de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW van toepassing.\n\n4.4.. Uit de aard van de overeenkomst vloeit voort dat Nova College heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.\n\nAmbtshalve toetsing van algemene voorwaarden:Algemene verkoopvoorwaarden Nova\n\n4.5.. De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of in de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen, die onredelijk bezwarend zijn voor consumenten als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW. In artikel 3.2 van de algemene voorwaarden staat een rente- en incassobeding opgenomen:\n\n“3.2. Indien een Opdrachtgever in verzuim is, is deze de wettelijke rente (ex art. 6:119 BW) over het openstaande bedrag verschuldigd. Daarnaast is Nova bij verzuim van de Opdrachtgever gerechtigd buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen volgens het “Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten”.\n\n4.6.. Uit de formulering van dit beding volgt dat dit beding suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Hiervan mag niet worden afgeweken. De conclusie is dat sprake is van een oneerlijk beding en daarom wordt dit beding vernietigd.\n\nDe verdere beoordeling\n\n4.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde sub 1 op 11 november 2024 namens de vof een derdenmachtiging heeft ondertekend. Daarmee heeft hij rechtsgeldig verklaard dat de vof het cursusgeld voor de opleiding van gedaagde sub 1 zal betalen. Bij een vof zijn alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor alle bedrijfsschulden. Dat blijft ook zo na opheffing van de vof.\n\n4.8.. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2 volledig bevoegde vennoten van de vof zijn. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagden] dat gedaagde sub 2 slechts als ‘stille vennoot’ aan de onderneming zou zijn verbonden. Dat betekent dat niet alleen gedaagde sub 1, maar ook zijn broer (gedaagde sub 2) kan worden aangesproken voor de volledige schuld van de vof aan Nova College. De conclusie is dan ook dat de vordering tot betaling van de hoofdsom (en de wettelijke rente daarover) toewijsbaar is.\n\n4.9.. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden (gelet op hetgeen hiervoor is overwogen) afgewezen.4.10.. De veroordelingen uit dit vonnis worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan Nova College van € 711,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 672,00 vanaf 17 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;5.2.. \n\nveroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Nova College tot en met vandaag vaststelt op:\n\ndagvaarding € 146,14\n\ngriffierecht € 350,00\n\nsalaris gemachtigde € 288,00 ;\n\n5.3.. \n\nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Zie artikel 2 sub c van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG overweging 16 van Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU\n\n Artikel 17 Wetboek van Koophandel.\n\n Artikel 18 Wetboek van Koophandel.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:23.013Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":54,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":39,"updatedAt":56},"990","ECLI:NL:RBNHO:2026:7233","ecli-nl-rbnho-2026-7233","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11210520 \\ CV EXPL 24-4951\n\nUitspraakdatum: 17 juni 2026\n\nTussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\n[eiser 1][eiser 2]\n\n[eiser 3]allen wonende te [plaats]\n\neisers\n\ngemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)\n\ntegen\n\nde vennootschap naar buitenlands recht\n\nSingapore Airlines Ltd.\n\ngevestigd te Singapore\n\ngedaagde\n\nhierna te noemen: de vervoerder\n\ngemachtigde: mr. J.J. Croon (Croon Aviation Lawyers)\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 27 augustus 2025;\n\n- de akte uitlating prejudiciële vragen van de vervoerder;\n\n- de akte uitlating prejudiciële vragen van eisers.1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.2. Inleiding2.1.. In het tussenvonnis van 27 augustus 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat er aanleiding bestaat om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en dat alle beslissingen in deze procedure worden aangehouden in afwachting van het oordeel van het Hof.\n\n2.2.. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de formulering van de prejudiciële vragen die de kantonrechter in het tussenvonnis heeft voorgesteld. Eisers en de vervoerder hebben daarop bij akte gereageerd. In dit vonnis zal de kantonrechter de definitieve vragen formuleren en het Hof verzoeken om een prejudiciële beslissing te nemen .3. De feiten3.1.. Eisers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 11 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport (hierna: de luchthaven), via Singapore, naar Cebu City, Filipijnen, met vluchtcombinatie SQ323 en SQ8556.3.2.. In de periode april 2022 tot eind 2022 had de luchthaven te kampen met een personeelstekort bij de beveiligingsbalies. Hierdoor ontstonden lange wachtrijen op de luchthaven, die tot buiten de terminal reikten.3.3.. De luchthaven heeft daarom vanaf juni 2022 haar capaciteit voor het aantal vertrekkende passagiers beperkt. Van deze capaciteitsbeperking heeft zij via Airport Coordination Netherlands (hierna: ACNL) mededeling gedaan aan de betrokken luchtvaartmaatschappijen.3.4.. ACNL heeft in opdracht van de luchthaven een maximumaantal vertrekkende passagiers per dag per luchtvaartmaatschappij opgelegd. Ook de vervoerder moest als gevolg hiervan op 11 juli 2022 het aantal vertrekkende passagiers beperken.3.5.. Het aantal boekingen voor vlucht SQ323 van Amsterdam naar Singapore van 11 juli 2022 (hierna: de vlucht) overschreed het maximumaantal passagiers dat door ACNL was opgelegd. De vervoerder heeft aan de reductieverplichting van ACNL voldaan door het aantal boekingen voor de vlucht in kwestie te verminderen. De vlucht is niet geannuleerd.3.6.. Op 30 juni 2022 zijn de bevestigde boekingen van eisers voor de vlucht geannuleerd en zijn zij geïnformeerd dat zij niet mee mochten vliegen met de vlucht.3.7.. Eisers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.3.8.. De vervoerder heeft niet uitbetaald.4. Het geschil\n\n4.1.. Eisers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vertraagde aankomst van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening; - € 270,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de nakosten.4.2.. Eisers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261\u002F2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof. Eisers stellen dat de vervoerder hen vanwege een instapweigering op de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.4.3.. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de instapweigering was gebaseerd op redelijke gronden.Hij stelt zich op het standpunt dat de verplichting van de luchthaven om het aantal passagiers op de vlucht te beperken, geldt als een redelijke grond voor de instapweigering.5. De beoordeling\n\n5.1.. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.5.2.. Zowel de vordering van eisers als het verweer van de vervoerder zijn direct en uitsluitend gebaseerd op de Verordening. Er zijn geen nationale bepalingen op de zaak van toepassing.5.3.. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een instapweigering die recht geeft op compensatie in de zin van de Verordening, moet in dit geval uitsluitend worden beoordeeld of de vervoerder redelijke gronden had om eisers de instap te weigeren.Deze redelijke gronden kunnen onder meer redenen zijn die te maken hebben met gezondheid, veiligheid of beveiliging of ontoereikende reisdocumenten.Het Hof heeft geoordeeld dat het hierbij gaat om een niet-limitatieve lijst.5.4.. Een relevante nationale uitspraak betreft het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2024.Daarin oordeelde deze dat een door de luchthaven opgelegde doelstelling om het aantal passagiers te verminderen, een grond voor instapweigering betrof die te maken had met de veiligheid op de luchthaven en daarmee een redelijke grond voor een instapweigering was.5.5.. Eisers stellen dat geen sprake was van redelijke gronden voor de instapweigering. Zij voeren aan dat het bij redelijke gronden moet gaan om redenen die toerekenbaar zijn aan de passagier die niet mocht instappen. In dit geval was het niet aan eisers toerekenbaar dat zij niet in mochten stappen. De vervoerder stelt dat wel sprake was van redelijke gronden voor de instapweigering. Hij voert aan dat de door ACNL doorgevoerde capaciteitsbeperking in het belang van de veiligheid op de luchthaven was en hem niet kan worden verweten.5.6.. De kantonrechter ziet zowel aanknopingspunten voor de conclusie dat de uitleg die eisers voorstaan juist is, als voor de conclusie dat de uitleg die de vervoerder voorstaat juist is. Het Hof heeft over de context en doelstellingen van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening geoordeeld dat de bedoeling van de Uniewetgever was om het aantal passagiers dat tegen hun wil niet aan boord mocht gaan te verminderen, en dat deze daarom elke verwijzing heeft weggelaten naar de reden waarom een luchtvaartmaatschappij een passagier niet aan boord laat gaan.Tegen die achtergrond heeft het Hof de zienswijze dat enkel de gevallen van overboeking onder het begrip instapweigering vallen afgewezen, omdat die tot gevolg heeft dat passagiers die zich in een niet aan hen toerekenbare situatie zoals overboeking om economische redenen bevinden, elke vorm van bescherming verliezen.5.7.. Eveneens heeft het Hof geoordeeld dat een reorganisatie in vluchten vanwege buitengewone omstandigheden niet vergelijkbaar is met die welke uitdrukkelijk in artikel 2, sub j, van verordening nr. 261\u002F2004 zijn vermeld, aangezien deze niet toerekenbaar is aan de passagier die niet mocht instappen.In het licht hiervan heeft het Hof, onder verwijzing naar haar vaste rechtspraak dat uitzonderingen op bepalingen die rechten verlenen aan passagiers strikt moeten worden uitgelegd,geoordeeld dat niet kan worden aanvaard dat een luchtvaartmaatschappij zich kan bevrijden van haar verplichting tot compensatie bij instapweigering op de grond dat deze weigering voortvloeit uit de reorganisatie van haar vluchten wegens buitengewone omstandigheden.Dit pleit er naar het oordeel van de kantonrechter voor om het begrip ‘redelijke gronden’ strikt uit te leggen, in die zin dat daarvan alleen sprake is in het geval van redenen die toerekenbaar zijn aan de passagier die niet mocht instappen.5.8.. De hiervoor weergegeven context en doelstellingen van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening laten echter de mogelijkheid open van een uitleg waarbij een reden die niet toerekenbaar is aan de passagier die niet mocht instappen, maar ook niet verwijtbaar is aan de vervoerder, geldt als een redelijke grond als bedoeld in artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening. Een instapweigering die voortvloeit uit een aan de vervoerder door de leiding van een luchthaven opgelegde verplichting om het aantal passagiers in verband met de veiligheid te beperken, is naar het oordeel van de kantonrechter niet verwijtbaar aan de vervoerder. Van een instapweigering in de zin van voormelde bepaling zou in gevallen als deze alleen sprake zijn indien geoordeeld moet worden dat de instapweigering niettemin aan de vervoerder moet worden toegerekend.5.9.. Gelet op het bovenstaande rijst de vraag hoe de begrippen ‘instapweigering’ en ‘redelijke gronden’ in de zin van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening moeten worden uitgelegd, meer specifiek of daarvan sprake kan zijn als een luchtvaartmaatschappij een passagier de instap weigert op een vlucht omdat de luchthaven hem in verband met de veiligheid op de luchthaven heeft verplicht om het aantal passagiers op die dag te verminderen.5.10.. Zoals hierboven is toegelicht volgt het antwoord niet uit de bestaande rechtspraak van het Hof en is de juiste uitleg van de Verordening niet evident. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof over de uitleg van de artikelen 2 en 4 van de Verordening.\n\n5.11.. In afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof wordt iedere verdere beslissing aangehouden.\n\n6. De beslissing De kantonrechter:6.1.. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om bij wege van een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen:\n\n1. Verzet artikel 2 aanhef en onder j, gelezen in samenhang met artikel 4 van de Verordening zich tegen een uitleg waarbij van ‘instapweigering’ die recht geeft op compensatie sprake is in alle gevallen waarin de redenen van instapweigering niet toerekenbaar zijn aan de passagiers die tegen hun wil de toegang tot een vlucht is geweigerd?\n\nIndien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt:\n\n2. Verzet artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening zich in die gevallen tegen een uitleg waarbij voor het ontbreken van ‘redelijke gronden’ van ‘instapweigering’ in ieder geval is vereist dat die gronden verwijtbaar zijn aan de luchtvaartmaatschappij?\n\nIndien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt:\n\n3. Verzet artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening zich in die gevallen tegen een uitleg waarbij voor het ontbreken van ‘redelijke gronden’ van ‘instapweigering’ in ieder geval is vereist dat die gronden aan de luchtvaartmaatschappij moeten kunnen worden toegerekend?6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 2 aanhef en onder j, artikel 4 lid 3 en artikel 7 lid 1 aanhef en onder c van de Verordening.\n\n Artikel 2, aanhef en onder j van de Verordening.\n\n HvJEU 26 oktober 2023, C-238\u002F22, ECLI:EU:C:2023:815, punt 39.\n\n Artikel 2, aanhef en onder j van de Verordening.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 30.\n\n Rb. Noord-Holland 27 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12628.\n\n Rb. Noord-Holland 27 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12628, ro. 4.10.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 20 en 21.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 24.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 33.\n\n HvJEU 22 december 2008, C-549\u002F07, ECLI:EU:C:2008:771, punt 17.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 38.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7233","2026-07-13T00:28:57.807Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":61,"fullText":62,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":64},"1530","ECLI:NL:RBNHO:2026:7521","ecli-nl-rbnho-2026-7521","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 11936734 \\ CV EXPL 25-7178\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap GP GROOT INZAMELING EN RECYCLING B.V.,\n\nte Alkmaar,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: GP Groot,\n\ngemachtigde: mr. A. Bartlema,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap onder firma [gedaagde 1], M.H.O.D.N. [bedrijf],\n\nte [plaats], 2. [gedaagde 2],\n\nte [plaats], 3. [gedaagde 3],\n\nte [plaats],\n\ngedaagde partijen in conventie,\n\neisende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden],\n\nverschenen bij [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 6 producties van 20 oktober 2025,\n\n- het mondeling antwoord van 31 december 2025,\n\n- de (aanvullende) conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 28 januari 2026,\n\n- het tussenvonnis van 11 februari 2026,\n\n- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026, waar namens GP Groot de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie is voorgedragen en als pleitnotitie in het geding is gebracht en van welke mondelinge behandeling door de griffier verder aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Tussen partijen bestond een serviceovereenkomst op grond waarvan GP Groot voor [bedrijf] werkzaamheden heeft verricht bestaande uit het plaatsen, wisselen en afvoeren van (afval)containers (hierna ook: de overeenkomst). De overeenkomst is per 31 januari 2026 geëindigd.\n\n2.2.. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van GP Groot van toepassing verklaard. In de algemene voorwaarden staat onder meer:\n\n“17.2 Betaling dient te geschieden binnen 30 dagen na factuurdatum, zonder recht op korting, verrekening of opschorting, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of anders op de factuur is aangegeven.\n\n(…)17.7. GP Groot is gerechtigd om, indien Opdrachtgever in gebreke is met de nakoming van zijn betalingsverplichtingen, de werkzaamheden op te schorten.”\n\n2.3.. Bij facturen van 22 januari, 10 april en 11 april 2025 heeft GP Groot in totaal € 3.818,28 bij [bedrijf] in rekening gebracht. Deze facturen zullen hierna ook ‘de facturen’ worden genoemd.\n\n2.4.. Op 5 maart 2025 heeft GP Groot een container in de hal van [bedrijf] geplaatst. [bedrijf] heeft van de geplaatste container de volgende afbeelding overgelegd.\n\n2.5.. \n [bedrijf] heeft GP Groot gemeld dat er schade aan (de platen van) de remmentestbank is veroorzaakt bij de plaatsing van de container.\n\n2.6.. \n [bedrijf] heeft bij Arex Test Systems B.V. een offerte laten opmaken voor het vervangen van de platen van de remmentestbank. Dit bedraagt volgens de offerte € 4.845,00 exclusief btw.\n\n2.7.. \n\nOver de plaatsing van de container heeft [betrokkene 1], de chauffeur van GP Groot die de container heeft gebracht, in een schriftelijke verklaring van 22 juli 2025 het volgende verklaard:\n\n“De hal\u002Fgarage waar de bak binnen geplaatst moest worden werd toen gebruikt door 2 personen. De bewuste persoon die nu moeilijk doet waar ik de container voor moest plaatsen en een ander persoon die de hal aan de voorzijde gebruikte. Die laatste had eigenlijk al weg moeten zijn maar dat was een heel gevecht en discussie door de 2 heren. Hij wilde mij er ook niet door laten om mijn bak binnen te kunnen afzetten. (…)\n\nNa vele #$###!!! woorden gewisseld te hebben tussen beide heren is er een soort mediator gekomen om het te sussen tussen de beide heren en mocht\u002Fkon ik achteruit naar binnen. Toen waren we intussen al wel een uur verder. Dat ging overigens ook niet makkelijk omdat er ook links en rechts auto’s stonden geparkeerd waarvan ook paar die niet konden rijden. Enige manier voor mij was dan ook recht naar achter en bak afzetten. Beide kanten kon er 1 hand tussen zo krap was het daar.\n\nEr was ook al een heel groot gat gegraven en die grond\u002Fzand lag al op een grote hoop waar dus die beruchte remmentestbank al voor grootste gedeelte onderlag. De container is DUIDELIJK OP AANWIJZING VAN DE HEER zelf daar afgezet door mij. Dat was de enige optie en zo kort mogelijk bij de hoop grond\u002Fzand.”\n\n2.8.. \n\nIn een schriftelijke verklaring van 7 mei 2025 heeft [betrokkene 2], de chauffeur van GP Groot die de container heeft opgehaald, verklaard:\n\n“Bij aankomst samen met een collega troffen wij de 12m3 aan binnen in een loods. Deze container stond bij aankomst helemaal achterin en bovenop oprijplaten van een autolift of testbank achtig iets. Ik wist niet of mijn collega deze zo geplaatst had of dat de klant deze zo had neergezet. Ik vroeg vriendelijk of er dingen aan de kant konden maar dit was allemaal niet mogelijk en te lastig. Aangezien de container gevuld was met grond\u002Fzand was deze erg aan het gewicht! Wij hebben toen samen(collega en ik) met aanwijzingen van elkaar de auto onder de container laten lopen zonder ergens schade te maken! Dit viel niet mee! Maar was ons toch gelukt met geduld en aanwijzingen, dachten wij. Ik begreep later van mijn planner dat er schade was ontstaan aan de vloer cq lift. Als je ergens een container van 14á15 ton op gaat zetten kan je verwachten dat er schade ontstaat! Wij hebben bij ons weten geen extra schade gemaakt die er al niet al was bij aankomst!\n\nIk heb een tekening gemaakt hoe wij het aantroffen bij aankomst om eeen beetje duidelijk te maken hoe de container stond.\n\n”2.9.. In een e-mail van 14 augustus 2025 heeft de verzekeraar van GP Groot, Howden Nederland, [bedrijf] bericht dat zij namens GP Groot de aansprakelijkheid voor de gestelde schade aan de remmentestbank afwijst.\n\n2.10.. \n [bedrijf] heeft de onder 2.3 genoemde facturen van GP Groot, ondanks sommaties, niet betaald.\n\n3. Het geschil\n\nDe vordering\n\n3.1.. \n\nGP Groot vordert dat de kantonrechter [gedaagden] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt tot betaling van:\n\na. € 3.818,28 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 11 oktober 2025 tot aan de voldoening; b. € 506,83 aan buitengerechtelijke incassokosten; c. € 182,82 aan wettelijke handelsrente, berekend tot en met 10 oktober 2025; d. de proceskosten.\n\n3.2.. GP Groot stelt hiertoe – kort gezegd – dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel (WvK) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor verbintenissen van [bedrijf], dat [bedrijf] ondanks verschillende aanmaningen niet aan haar betalingsverplichting heeft voldaan waarna zij in verzuim is geraakt en dat [gedaagden] schade in de vorm van buitengerechtelijke kosten en wettelijke handelsrente verschuldigd zijn.\n\n3.3.. \n [gedaagden] voeren verweer. Op de standpunten van partijen gaat de kantonrechter, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader in.\n\nDe tegenvordering\n\n3.4.. \n [bedrijf] vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter GP Groot veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 4.845,00. Zij legt aan de vordering ten grondslag dat GP Groot aansprakelijk is voor de door haar geleden schade uit hoofde van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad.\n\n3.5.. GP Groot voert verweer. Voor zover relevant gaat de kantonrechter op de standpunten van partijen bij de beoordeling van het geschil nader in.\n\n4. De beoordeling\n\nde vordering\n\n4.1.. \n [bedrijf] erkent de facturen van GP Groot niet te hebben betaald en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betwisten niet dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. [gedaagden] voeren aan niet tot betaling gehouden te zijn, omdat GP Groot tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Volgens de overeenkomst diende GP Groot ieder kwartaal de container bij [bedrijf] op te halen en te legen. [bedrijf] beroept zich op haar opschortingsrecht omdat GP Groot in 2025 heeft verzuimd een volle container bij haar op te halen. Ter onderbouwing hiervan heeft [bedrijf] een foto van een (volle) container overgelegd. [bedrijf] beroept zich op opschorting.\n\n4.2.. Het beroep op opschorting van [bedrijf] faalt, omdat de betalingsachterstand aan haar zijde is voorafgegaan aan de staking van de werkzaamheden door GP Groot. De kantonrechter licht dit toe. De door [gedaagden] ingebracht foto is ongedateerd, zodat niet kan worden vastgesteld wanneer de foto is genomen en dus ook niet of deze situatie betrekking heeft op de periode van vóór de onbetaalde facturen. GP Groot heeft daarnaast onbetwist gesteld dat zij haar dienstverlening pas heeft opgeschort nadat de facturen voor het eerste en tweede kwartaal 2025 onbetaald waren gelaten. Zij was hiertoe gerechtigd op grond van artikel 17.7 van haar algemene voorwaarden. Omdat GP Groot bevoegd was haar verplichtingen uit de overeenkomst op te schorten, is er geen sprake van een toerekenbare tekortkoming aan haar kant. Dat [bedrijf] de facturen voor het derde en vierde kwartaal 2025 wel heeft betaald doet niet af aan de opschortingsbevoegdheid van GP Groot. De kantonrechter zal vordering tot betaling van de facturen dan ook toewijzen.\n\n4.3.. \n\nDe door GP Groot gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke handelsrente over de hoofdsom zal de kantonrechter als onweersproken eveneens toewijzen.\n\nde tegenvordering\n\n4.4.. Kern van dit deel van het geschil is de vraag of GP Groot is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst en\u002Fof onrechtmatig heeft gehandeld door de container op de remmentestbank van [bedrijf] te plaatsen, en vervolgens of GP Groot gehouden is de schade te vergoeden.De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is en licht dit hierna toe.\n\n4.5.. Tussen partijen is sprake van een overeenkomst van opdracht.Op GP Groot rust de verplichting om deze uit te voeren met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.Wanneer GP Groot in deze zorgplicht tekortschiet, is zij verplicht de daardoor ontstane schade te vergoeden.GP Groot is hierbij op gelijke wijze aansprakelijk voor het handelen van haar chauffeur (als hulppersoon of ondergeschikte) als voor haar eigen gedrag.\n\n4.6.. GP Groot betwist aansprakelijk te zijn voor de schade aan de remmentestbank van [bedrijf]. Zij voert aan dat de container op uitdrukkelijk aanwijzen van (een medewerker van) [bedrijf] op die specifieke plek is geplaatst. De situatie ter plaatse was volgens GP Groot onoverzichtelijk en krap door geparkeerde auto’s en er lag een grote hoop zand over de remmentestbank. Hierdoor zou de remmentestbank voor de chauffeur niet zichtbaar zijn geweest en bovendien was er geen andere plek beschikbaar om de container te plaatsen. De chauffeur heeft voorgesteld de container buiten te plaatsen, maar [bedrijf] wilde de container uitsluitend in de loods geplaatst hebben.\n\n4.7.. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer dat de container wegens ruimtegebrek niet elders geplaatst kon worden. Uit de door de (ophalende) chauffeur zelf gemaakte situatietekening blijkt immers niet dat er geen alternatieve locaties voor de container waren. Daarnaast staat vast dat de remmentestbank niet volledig aan het zicht was onttrokken. Uit de verklaring van de chauffeur die de container plaatste, blijkt immers dat de remmentestbank voor het grootste gedeelteonder een hoop zand lag, wat betekent dat deze deels wel zichtbaar was. Dit wordt ondersteund door de situatietekening van de andere chauffeur, waaruit blijkt dat de remmentestbank vóór de berg zand lag en dat de container deels op de remmentestbank was geplaatst. Bovendien heeft de chauffeur die de container later ophaalde ook verklaard dat de remmentestbank deels zichtbaar was en dat men kan verwachten dat het plaatsen van een zware container op een dergelijke installatie schade veroorzaakt. Daarmee staat vast dat de remmentestbank deels zichtbaar was toen de container werd geplaatst en dat het plaatsen van de container op die specifieke plek een voorzienbaar risico op schade met zich meebracht.\n\n4.8.. GP Groot heeft niet gemotiveerd betwist dat [bedrijf] schade heeft geleden, zodat de kantonrechter aan die (kale) betwisting voorbijgaat. In dit verband merkt de kantonrechter (nogmaals) op dat de chauffeur die de container ophaalde heeft verklaard dat men kan verwachten dat het plaatsen van een zware container op een remmentestbank schade veroorzaakt. Voor zover GP Groot heeft willen betogen dat de schade niet tijdig is gemeld, faalt dit argument. Uit de stukken, waaronder de verklaring van de chauffeur die op 7 mei 2025 is opgesteld, blijkt genoegzaam dat de schade op dat moment al bij GP Groot bekend was. Er is dan ook tijdig melding gemaakt van de schade.\n\n4.9.. Zelfs wanneer de chauffeur de container op aanwijzing van (een medewerker van) [bedrijf] zou hebben geplaatst – wat [bedrijf] heeft betwist – ontslaat dit GP Groot niet van haar zorgplicht. Van een professionele opdrachtnemer mag namelijk worden verwacht dat zij niet blindelings instructies opvolgt die voorzienbaar kunnen leiden tot schade aan eigendommen van de opdrachtgever. Indien de vermeende instructie werkelijk zo risicovol was als GP Groot stelt, had het op de weg van de chauffeur gelegen om de plaatsing van de container op die specifieke plek te weigeren, dan wel vooraf een uitdrukkelijke, schriftelijke kwijting of akkoordverklaring (voor eigen risico van [bedrijf]) te verlangen. Nu een dergelijk bewijs ontbreekt, is de stelling van GP Groot dat [bedrijf] dit uitdrukkelijk zo heeft gewild onvoldoende onderbouwd. Omdat GP Groot daarnaast in deze procedure geen beroep heeft gedaan op eventuele van toepassing zijnde algemene voorwaarden, ontbreekt iedere grond voor uitsluiting of beperking van de aansprakelijkheid.\n\n4.10.. De conclusie is dat GP Groot, via haar chauffeur, niet heeft gehandeld zoals van een zorgvuldige opdrachtnemer verwacht mag worden. GP Groot is daarom toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, wat tot schade bij [bedrijf] heeft geleid. GP Groot is dan ook gehouden deze schade aan [bedrijf] te vergoeden. [bedrijf] heeft ter onderbouwing van de schade een offerte overgelegd, waarin de schade wordt begroot op € 4.845,-. GP Groot heeft de hoogte van dit offertebedrag niet betwist, zodat de omvang van de schade tussen partijen vaststaat. De kantonrechter zal de tegenvordering van [bedrijf] tot vergoeding van de schade van € 4.845,- toewijzen.\n\n4.11.. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen zoals gevorderd. De wettelijke rente over het schadebedrag is op grond van artikel 6:119 BW in samenhang met artikel 6:83 sub b BW toewijsbaar vanaf 5 oktober 2025. Bij een verbintenis tot schadevergoeding treedt het verzuim immers direct in op het moment dat de schade ontstaat, waardoor GP Groot vanaf dat moment in verzuim verkeert.\n\nde vordering en de tegenvordering\n\n4.12.. Nu beide partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nde vordering\n\n5.1.. \n\nveroordeelt [bedrijf] tot betaling aan GP Groot van € 4.507,93, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.818,28 vanaf 11 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nde tegenvordering\n\n5.2.. \n\nveroordeelt GP Groot tot betaling aan [bedrijf] van € 4.845,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nde vordering en tegenvordering\n\n5.1.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n als bedoeld in artikel 7:400 BW.\n\n op grond van artikel 7:401 BW.\n\n op grond van artikel 6:74 BW.\n\n op grond van artikel 6:76 BW en artikelen 6:170 of 6:171 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7521","2026-07-13T00:29:25.564Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":61,"fullText":69,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":39,"updatedAt":72},"1382","ECLI:NL:RBNHO:2026:7433","ecli-nl-rbnho-2026-7433","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12107095 \\ CV EXPL 26-1044\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: IP Nederland Incasso & Juristen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap, NINA CARE B.V.,\n\ngevestigd te Haarlem,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Nina Care,\n\nverschenen bij haar directeur, [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Nina Care tot betaling van € 2.245,00 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten.\n\n2.2.. \n [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Nina Care tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, op grond waarvan Nina Care een au pair zou leveren aan [eiser]. Er is sprake van een blijvende onmogelijkheid aan de zijde van Nina Care, aangezien de IND de vergunning van het au-pair-bureau heeft ingetrokken. [eiser] vordert daarom terugbetaling van de Self Match Fee (€ 1.705,00) en de verzekering (€ 540,00).2.3.. Nina Care heeft de vordering erkend, maar beroept zich op haar slechte financiële situatie en acute liquiditeitsdruk. Er maken meerdere schuldeisers aanspraak op betaling. Nina Care heeft daarom bewust gekozen voor een uniforme refundregeling met als uitgangspunt gelijke behandeling van schuldeisers. Nina Care verzoekt dan ook om de zaak aan te houden teneinde ruimte te bieden voor een collectieve oplossing, de toewijzing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel een betalingsregeling of nadere termijn te bepalen die aansluit bij de bestaande refundregeling.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Nina Care heeft de vordering tot betaling van de hoofdsom erkend, zodat deze in beginsel voor toewijzing gereed ligt.\n\n3.2.. De kantonrechter stelt vast dat Nina Care op dit moment niet in staat van faillissement verkeert. Dat betekent dat het [eiser] vrijstaat om zijn individuele vordering direct op te eisen. Hij hoeft dus niet te wachten op een collectieve oplossing en is ook niet gebonden aan de door Nina Care eenzijdig opgestelde rangregeling (refundregeling).\n\n3.3.. Nina Care heeft om een betalingsregeling verzocht. [eiser] heeft aangegeven dat hij geen betalingsregeling wil treffen. De wet biedt de kantonrechter niet de mogelijkheid om Nina Care toch een betalingsregeling op te leggen. Dat betekent dat zij het gehele bedrag aan [eiser] moet betalen. De vordering van [eiser] wordt dan ook integraal toegewezen.\n\n3.4.. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 407,47 worden toegewezen.\n\n3.5.. Nina Care is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n265,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.053,17\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1.. veroordeelt Nina Care om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.317,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.245,00, met ingang van 3 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,4.2.. veroordeelt Nina Care om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 407,47 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n4.3.. veroordeelt Nina Care in de proceskosten van € 1.053,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Nina Care niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7433","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:19.003Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":39,"updatedAt":81},"1902","ECLI:NL:RBNHO:2026:4154","ecli-nl-rbnho-2026-4154","2026-04-01T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 11829306 \\ CV EXPL 25-5145\n\nVonnis van 1 april 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap DHB BOUW B.V.,\n\ngevestigd en kantoorhoudende te Zandvoort,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: DHB,\n\ngemachtigde: mr. K.R. Stephan (Tanger Advocaten),\n\ntegen\n\nde vereniging van eigenaren [gedaagde],\n\ngevestigd te [plaats 1] , kantoorhoudende te [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de VvE,\n\ngemachtigde: mr. M.H.M. Muyrers (Stichting Achmea Rechtsbijstand).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties;\n\n- de conclusie van antwoord met producties;\n\n- de e-mail van DHB met aanvullende producties;\n\n- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de zittingsaantekeningen van DHB.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. In de periode 2023-2024 heeft een grootschalige renovatie van het appartementencomplex ‘ [naam 1] ’ plaatsgevonden (‘project Kolommenherstel’).\n\n2.2.. \n [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), vertegenwoordigd door [betrokkene] , was ten tijde van de renovatie (tot 22 maart 2024) de (zelfstandig bevoegde) bestuurder van de VvE.\n\n2.3.. De VvE heeft op 6 december 2023 met DHB een overeenkomst van aanneming van werk gesloten tot het uitvoeren van een deel van het werk. Partijen zijn een aanneemsom van € 38.192,93 inclusief btw overeengekomen. De overeenkomst is namens de VvE ondertekend door [bedrijf 1] . Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van DHB van toepassing.\n\n2.4.. Op 29 april 2024 heeft DHB het werk opgeleverd.\n\n2.5.. De VvE heeft de factuur van 15 april 2024 met kenmerk 2024041009 van € 3.089,03 inclusief btw (grotendeels) onbetaald gelaten.\n\n2.6.. Op 28 maart 2025 heeft [bedrijf 1] per e-mail verklaard:\n\n“Voor alle door DHB Bouw B.V, uitgevoerde werkzaamheden van het project Kolommenherstel en specifiek in en aan het appartement [naam 1] te [plaats 1] , geldt dat wij ([bedrijf 2] en [bedrijf 1] B.V.) aan DHB Bouw BV opdracht hebben verstrekt tot het uitvoeren van de geoffreerde werkzaamheden en het meerwerk en dat er ook overeenstemming was over het minderwerk en de verrekend daarvan.”\n\n2.7.. Op 8 mei 2025 heeft de VvE een deelbetaling van € 990,70 gedaan.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. DHB vordert - samengevat - veroordeling van de VvE tot betaling van € 2.492,24, vermeerderd met wettelijke (handels)rente en kosten.\n\n3.2.. DHB legt aan haar vordering ten grondslag dat de VvE met de tijdige en volledige betaling van het op 15 april 2024 in rekening gebrachte bedrag van € 3.089,03 in verzuim is gebleven. De deelbetaling van 8 mei 2025 komt eerst in mindering op de kosten, zodat na aftrek daarvan een vordering van € 2.492,24 resteert.\n\nin reconventie\n\n3.3.. De VvE vordert - samengevat - veroordeling van DHB tot betaling van primair € 990,70, subsidiair € 143,37 en zowel primair als subsidiair € 242,10 en € 1.635,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.3.4.. \n\nDe VvE legt primair aan haar vordering ten grondslag dat de meerwerkovereenkomst waarop de factuur van 15 april 2024 is gebaseerd op grond van het consumentenrecht vernietigbaar is. Dat betekent dat de deelbetaling van 8 mei 2025 onverschuldigd is gedaan. Subsidiair stelt de VvE dat DHB ten onrechte dubbele (meerwerk)posten in rekening heeft gebracht. Daarnaast stelt de VvE (primair en subsidiair) dat DHB op verschillende facturen een te hoog bedrag aan btw in rekening heeft gebracht. Ook heeft DHB kosten in rekening gebracht voor schilderwerk dat helemaal niet is uitgevoerd.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\n4.1.. De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich vanwege de samenhang voor gezamenlijke behandeling.\n\n4.2.. De kantonrechter stelt voorop dat partijen in beginsel een vaste prijs voor het werk zijn overeengekomen. Een nadere urenspecificatie en een overzicht van de gebruikte materialen is daarom niet nodig en doet niet ter zake. De factuur waarvan door DHB betaling wordt gevorderd heeft in de kern betrekking op 10% van deze aanneemsom. Aangezien het werk is opgeleverd, moet de VvE deze (slot)termijn in beginsel betalen. Op de factuur is daarnaast een btw-correctie toegepast en meer- en minderwerk verrekend.\n\nReflexwerking consumentenrecht?\n\n4.3.. De VvE stelt dat zij in de onderhavige kwestie als consument moet worden beschouwd. Volgens de VvE heeft DHB nagelaten om de VvE (volledig) te informeren over de extra kosten die voor het meerwerk in rekening zouden worden gebracht. Dit maakt de meerwerkovereenkomst vernietigbaar, aldus de VvE.\n\n4.4.. De kantonrechter volgt het standpunt van de VvE niet. De VvE is een rechtspersoon die voor zichzelf procedeert. Door deze rechtspersoonlijkheid kan de VvE geen consumentenbescherming onder de richtlijn oneerlijke handelspraktijken en afdeling 6.5.2b van het Burgerlijk Wetboek genieten omdat die bescherming is voorbehouden aan natuurlijke personen. Dit sluit echter niet uit dat een rechtspersoon, als deze een met consumenten vergelijkbare positie inneemt, mogelijk een beroep kan doen op de ‘reflexwerking’ van het consumentenrecht. De VvE heeft haar standpunt dat zij kan worden gelijkgesteld met een consument niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Het enkele feit dat het in feite de appartementseigenaren zijn die DHB betalen, is onvoldoende om aan te nemen dat de VvE de overeenkomsten als consument heeft gesloten en\u002Fof de overeenkomsten nauwelijks zijn te onderscheiden van een consumententransactie. In tegendeel, het gaat in deze zaak om een grote VvE met een professionele beheersmaatschappij als bestuurder. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding voor toepassing van de reflexwerking van bedoelde artikelen.\n\nGoedkeuring meer- en minderwerk\n\n4.5.. \n\nDHB heeft een ondubbelzinnige verklaring van [bedrijf 1] overgelegd waaruit blijkt dat tussen partijen overeenstemming bestond over het meerwerk, het minderwerk en de verrekening daarvan. Deze goedkeuring van de (destijds) zelfstandig bevoegde bestuurder van de VvE maakt dat de gehele factuur, inclusief de verrekening van het meer- en minderwerk, toewijsbaar is. Dat [bedrijf 1] geen bestuurder meer was op het moment dat de factuur werd uitgebracht, doet daar niet aan af. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om in te gaan om de stelling van de VvE dat DHB bepaalde meerwerkposten ten onrechte dubbel in rekening heeft gebracht. Voor zover de VvE van mening is dat [bedrijf 1] (een deel van) de kosten ten onrechte heeft geaccordeerd, ligt het op de weg van de VvE om haar oud-bestuurder in rechte te betrekken. Dat verandert echter niets aan haar betalingsverplichting jegens DHB.\n\nSchilderwerk\n\n4.6.. De VvE stelt verder dat DHB het geoffreerde schilderwerk (onderdeel van de initiële opdracht) niet naar behoren heeft uitgevoerd. Ook hier geldt echter dat het werkzaamheden betreft waarvoor [bedrijf 1] de opdracht heeft verstrekt, waarop hij als beheerder en bestuurder toezicht heeft gehouden bij de uitvoering en waarvoor hij betaling heeft geaccordeerd. Voor zover de VvE van mening is dat de betaling van deze werkzaamheden ten onrechte heeft plaatsgevonden, dient zij zich tot [bedrijf 1] te wenden.\n\nBtw-correctie\n\n4.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat op stucwerk het verlaagde btw-tarief van 9% van toepassing is. DHB heeft op 16 september 2024 een creditnota (2024090023) uitgebracht ten bedrage van € 242,10. Deze creditnota heeft betrekking op de btw-correctie van 21% naar 9% met betrekking tot het (extra) stucwerk zoals vermeld op factuur 2024010012 d.d. 26 januari 2024. In de e-mailcorrespondentie van september 2024 heeft DHB aangegeven dat dit bedrag door de VvE in mindering kan worden gebracht op het nog aan DHB te betalen bedrag.\n\n4.8.. De creditnota en de e-mailcorrespondentie daarover dateren van ná 15 april 2024, zijnde de datum van de factuur waarvan in conventie betaling wordt gevorderd. Het ligt daarom niet voor de hand dat deze latere creditering reeds in die factuur of in de daarop toegepaste btw-correctie is verwerkt. Gesteld noch gebleken is dat de VvE de creditering inmiddels op een andere factuur in mindering heeft gebracht. Dat betekent dat de VvE het bedrag van € 242,10 nog afzonderlijk in mindering mag brengen op het door DHB gevorderde bedrag.\n\nConclusie\n\n4.9.. De conclusie is dat de VvE de factuur van € 3.089,03 aan DHB moet betalen. DHB moet op haar beurt een bedrag van € 242,10 aan de VvE (terug)betalen. Na verrekening resteert een bedrag van € 2.846,93 dat de VvE aan DHB moet betalen.\n\n4.10.. De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 409,69.\n\n4.11.. De wettelijke (handels)rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf 30 april 2024, zijnde de vervaldatum van de factuur waarvan betaling wordt gevorderd.\n\n4.12.. De VvE heeft een deelbetaling van € 990,70 gedaan. Deze deelbetaling strekt, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW en wat hiervoor is overwogen, eerst in mindering op de buitengerechtelijke kosten. Dat maakt dat die kosten kunnen worden geacht volledig te zijn voldaan. Na aftrek van de buitengerechtelijke incassokosten resteert van de deelbetaling nog € 584,01. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de hoofdsom, zodat van de hoofdsom nog € 2.262,92 resteert. Dit bedrag wordt toegewezen.\n\n4.13.. De VvE is zowel in conventie als in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gezien de samenhang tussen de vorderingen zullen de proceskosten in reconventie worden begroot op nihil. De proceskosten van DHB in conventie worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n122,35\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n434,00\n\n(2 punten × € 217,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n108,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.178,85\n\n4.14.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.1.. veroordeelt de VvE om aan DHB te betalen een bedrag van € 2.262,92, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 april 2024, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt de VvE in de proceskosten, die aan de kant van DHB in conventie worden begroot op van € 1.178,85, en in reconventie worden begroot op nihil, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de VvE niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt de VvE tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4154","2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.628Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":86,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":39,"updatedAt":89},"1899","ECLI:NL:RBNHO:2025:15617","ecli-nl-rbnho-2025-15617","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11334484 \\ CV EXPL 24-6944\n\nUitspraakdatum: 10 september 2025\n\nVonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\n1. [eiser 1],\n\n2. [eiser 2], beiden wonende te [plaats]\n\neisers\n\nhierna gezamenlijk te noemen: de passagiers\n\ngemachtigde: [gemachtigde] L.L.B.\n\ntegen\n\nde vennootschap naar buitenlands recht\n\nTuristik Hava Tasimacilik Anonim Sirketihandelend onder de naamCorendon Airlines,\n\ngevestigd te Antalya (Turkije)\n\ngedaagde\n\nhierna te noemen: de vervoerder\n\ngemachtigde: mr. B.S. Friedberg\n\nDe zaak in het kort\n\nDe vervoerder voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard. Dit verweer slaagt niet. De passagiers waren er niet van op de hoogte dat de vervoerder hen voor het uitbrengen van de dagvaarding had gecompenseerd. Zij hebben de vervoerder daarom ook nadat hij hen had gecompenseerd meermaals aangeschreven met het verzoek tot compensatie. De vervoerder heeft de passagiers pas na het uitbrengen van de dagvaarding geïnformeerd over de verrichte betaling. De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding:\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de conclusie van repliek;\n\n- de conclusie van dupliek; - de akte eisers.1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 7 september 2022 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Antalya (Turkije), met vlucht XC1922 (hierna: de vlucht).2.2.. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.2.3.. De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De passagiers vorderen – na wijziging van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - de wettelijke rente over € 800,00 vanaf de dag van vertraging van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en de nakosten.3.2.. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261\u002F2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). Nu de vervoerder reeds heeft gecompenseerd, vordert de passagier betaling van de wettelijke rente over de compensatie, rente en kosten.3.3.. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard, zodat hij niet kan worden gehouden tot betaling van de proceskosten.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.4. De beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.4.2.. De wettelijke rente over de bij dagvaarding gevorderde compensatie is toewijsbaar zoals gevorderd.4.3.. De vervoerder voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard, zodat de passagiers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de gevorderde proceskosten. De vervoerder heeft de passagiers op 21 maart 2024 gecompenseerd, waarna zij op 5 september 2024 deze procedure zijn gestart.4.4.. Met de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van rauwelijks dagvaarden. Uit de door de passagiers overgelegde stukken volgt dat zij de vervoerder ná 21 maart 2024 meermaals hebben aangeschreven met het verzoek tot betaling van compensatie over te gaan, waaruit naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval volgt dat de passagiers niet op de hoogte waren van de uitbetaling door de vervoerder. Ontvangst van deze aanschrijvingen is door de vervoerder niet betwist. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om na ontvangst van een van deze aanschrijvingen contact op te nemen met (de gemachtigde van) de passagiers, om zo deze gerechtelijke procedure te voorkomen. Omdat hij dit heeft nagelaten, komen de proceskosten in beginsel voor zijn rekening. Hetgeen partijen hebben aangevoerd omtrent het opgegeven referentienummer behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.4.5.. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.4.6.. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.4.7.. De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 120,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 800,00 vanaf 7 september 2022 en over € 120,00 vanaf 5 september 2024 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;5.2.. \n\nveroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:\n\ndagvaarding € 135,97; griffierecht € 218,00; salaris gemachtigde € 270,00;\n\nvermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;\n\n5.3.. veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;5.1.. \n\nwijst het meer of anders gevorderde af.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15617","2026-01-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.453Z",20]