[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-direct-taxation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":67},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},47,"direct-taxation-nl","Direct Taxation","NL","2026-07-08T16:53:53.141Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-03-07T00:00:00.000Z","2026-04-23T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122254","Burgerlijk Wetboek","art. 7:201",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122255","art. 6:215",[30,41,50,59],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1743","ECLI:NL:RBNHO:2026:4672","ecli-nl-rbnho-2026-4672","","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 25\u002F6127\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 23 mei 2025 aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.301.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.\n\nBelanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door [naam 1] (vader van belanghebbende). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] .\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. In 2021 startte belanghebbende met een studie [studie] bij [opleidingsinstituut] . De duur van de studie betrof ongeveer drie jaar en de totale studiekosten bedroegen € 21.786,77. Door belanghebbende zijn die kosten in drie jaarlijkse termijnen betaald, namelijk op 17 november 2021 (€ 7.406,49), 28 november 2022 (€ 7.190,14) en op 1 december 2023 (€ 7.190,14). Belanghebbende heeft met succes de studie afgerond en is tegenwoordig werkzaam als persoonlijk begeleider.\n\n2. In haar aangifte IB\u002FPVV 2022 zijn de in 2022 betaalde studiekosten als een restant persoonsgebonden aftrek opgevoerd.\n\n3. Bij het vaststellen van de aanslag is door verweerder het restant persoonsgebonden aftrek van € 7.190 niet in aftrek toegelaten.\n\n4. Op 6 november 2025 stuurt verweerder de ‘Voorgenomen beslissing op bezwaar 2022’. Daarin maakt hij kenbaar voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen. Daarnaast schrijft hij dat, voordat hij een definitieve beslissing zal nemen, belanghebbende de mogelijkheid heeft het bezwaar in een gesprek toe te lichten. Door belanghebbende is op dit voornemen niet gereageerd.\n\n5. Op 19 december 2025 ontvangt verweerder bericht van belanghebbende, waarin zij onder meer schrijft:\n\n“In uw schrijven van 1 december wijst u mij op de mogelijkheid om in beroep te gaan. Dank daarvoor; inmiddels heb ik daadwerkelijk beroep aangetekend.\n\nIn uw brief (…) geeft u aan dat u mij op 6 november een uitnodiging heeft verstuurd om mijn bezwaar mondeling toe te lichten. Helaas heb ik deze uitnodiging nimmer ontvangen. Indien dit wel het geval was geweest, zou ik hier zeker op zijn ingegaan, temeer daar het mij verbaast aangezien ik mijn standpunt meerdere malen telefonisch heb toegelicht.”\n\n6. Belanghebbende is op 12 januari 2026 alsnog door verweerder gehoord. Van het hoorgesprek is een verslag opgesteld.\n\nGeschil\n\n7. In geschil is of bij belanghebbende het vertrouwen was gewekt dat zij de studiekosten als restant persoonsgebonden aftrek kon aftrekken en of verweerder belanghebbende in bezwaar had moeten horen.\n\n8. Belanghebbende voert aan dat zij de studiekosten in 2022 kon aftrekken, omdat een medewerker van de Belastingtelefoon haar heeft toegezegd dat de studiekosten als restant persoonsgebonden aftrek opgevoerd konden worden. Verder stelt zij dat verweerder haar in bezwaar had moeten horen.\n\nBelanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een verzamelinkomen van € 23.111.\n\n9. Volgens verweerder is door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat een medewerker van de Belastingtelefoon bij haar in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt. Ten aanzien van het horen stelt hij primair dat geen sprake is van een schending van het hoorrecht en subsidiair dat als het hoorrecht wel geschonden is, niet moet worden teruggewezen. Belanghebbende is alsnog gehoord en voor verweerder bestaat er na het horen geen aanleiding om anders te oordelen dan gedaan bij uitspraak op bezwaar.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nVertrouwensbeginsel en evenredigheidsbeginsel\n\n10. Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij is gestart met de studie in 2021 met de verwachting dat alle studiekosten aftrekbaar zouden zijn. Toen belanghebbende in 2022 bekend werd met de afschaffing van de aftrek studiekosten heeft zij contact opgenomen met de Belastingtelefoon. Tijdens dit gesprek zou door een medewerker van de Belastingtelefoon zijn toegezegd dat de studiekosten (ook) in 2022 in aftrek gebracht konden worden als restant persoonsgebonden aftrek.\n\n11. De rechtbank stelt voorop dat informatie van de Belastingtelefoon een inlichting van de Belastingdienst betreft. Verweerder is in de regel niet gebonden aan onjuistheden of onvolledigheden in die voorlichting (zie HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918). Voor een uitzondering daarop bestaat aanleiding indien een medewerker van de Belastingtelefoon beschikt over de juiste en volledige informatie op basis waarvan hij een toezegging doet die niet zodanig in strijd in met een juiste wetstoepassing dat een belastingplichtige op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen. Daarnaast moet een belastingplichtige op grond van die onjuiste informatie een handeling hebben verricht of nagelaten, met als gevolg dat van hem een hoger bedrag wordt geheven dat hij meende te moeten betalen als het gevolg van die handeling of dat nalaten. (zie HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654). De bewijslast dat daarvan sprake is rust op belanghebbende.\n\n12. In dit geval volgt op basis van de uiteenzetting door belanghebbende niet welke vragen belanghebbende heeft gesteld en welke feiten en omstandigheden zij daarbij aan de Belastingtelefoon heeft voorgelegd. Ook is niet volledig duidelijk wat de Belastingtelefoon precies heeft gezegd. De rechtbank kan daarom niet concluderen dat door een medewerker van de Belastingtelefoon de toezegging is gedaan dat, ondanks dat de aftrek studiekosten was afgeschaft, de door belanghebbende gemaakte studiekosten in 2022 toch nog als restant persoonsgebonden aftrek in aftrek konden worden gebracht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.\n\n13. De rechtbank volgt het beroep van belanghebbende op de schending van het evenredigheidsbeginsel evenmin. De wet- en regelgeving over de persoonsgebonden aftrek betreffen politieke keuzes. Het zou de taak van de rechter te buiten gaan om daarover in deze procedure een oordeel te geven. Daarbij is het de rechtbank op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de wetswijziging voor belanghebbende nadelig heeft uitgepakt, zijn die nadelige gevolgen volgens de rechtbank niet zozeer onevenredig dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nHoorrecht en zorgvuldigheidsbeginsel\n\n14. Voordat verweerder op een bezwaar beslist, stelt hij belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord (artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; Awb). Paragraaf 9, eerste lid, van het Besluit fiscaal bestuursrecht (Bfb) legt in afwijking van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het initiatief voor het horen bij verweerder. Van het horen van belanghebbende kan, onder meer, worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord (artikel 7:3, onderdeel d, van de Awb en onderdeel 9, onder 2, van het Bfb).\n\n15. Vast staat dat belanghebbende niet om een hoorgesprek heeft verzocht. In de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar heeft verweerder belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij gehoord wenste te worden. Die brief is naar het juiste adres van belanghebbende gestuurd. Het is dan aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij die brief niet heeft ontvangen. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende daar niet in is geslaagd. De enkele stelling dat zij de brief niet heeft ontvangen is daartoe onvoldoende. Ook zijn er door belanghebbende geen andere omstandigheden aangedragen die deze stelling aannemelijk zouden kunnen maken, zoals aantoonbare tekortkomingen in de postbezorging. Naar het oordeel van de rechtbank is het hoorrecht daarom niet geschonden en is ook geen sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n16. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van\n\nH. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\nbij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\nhet hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde datum van verzending;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\ne redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4672","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:36.642Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":39,"updatedAt":49},"390","ECLI:NL:RBNHO:2026:5134","ecli-nl-rbnho-2026-5134","2026-04-21T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 24\u002F7638 en HAA 25\u002F2299\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaken tussen\n\nmr. [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. L.C.A. Wijsman),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nHAA 24\u002F7638\n\nMet dagtekening 8 maart 2024 heeft verweerder aan belanghebbende een aanslag schenkbelasting opgelegd, berekend naar een belaste schenking van € 10.997.792 (hierna: de aanslag schenkbelasting).\n\nBij uitspraak op bezwaar met dagtekening 7 oktober 2024 heeft verweerder de aanslag schenkbelasting vernietigd.\n\nHAA 25\u002F2299\n\nMet dagtekening 14 december 2023 heeft verweerder aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd, berekend naar een belaste verkrijging van € 11.126.984 (hierna: de aanslag erfbelasting).\n\nBij uitspraak op bezwaar met dagtekening 27 maart 2025 heeft verweerder de aanslag erfbelasting verminderd naar een belaste verkrijging van € 126.984.\n\nBeide zaken\n\nBelanghebbende heeft beroepen ingesteld.\n\nVerweerder heeft verweerschriften ingediend.\n\nBelanghebbende heeft nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026 te Haarlem.\n\nBelanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] MSc en mr. [naam 4] .\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\nAlgemeen\n\n1. Belanghebbende is op 13 september 1985 gehuwd met mevrouw [naam 5] (hierna: erflaatster) buiten elke gemeenschap van goederen.\n\n2. Belanghebbende en erflaatster hebben op 8 september 2010 hun huwelijkse voorwaarden gewijzigd. In de voorwaarden is opgenomen dat, indien het huwelijk eindigt door overlijden, wordt afgerekend tussen hen alsof een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan (hierna: het finaal wederkerig verrekenbeding).\n\n3. Op 30 juni 2020 hebben belanghebbende en erflaatster hun huwelijkse voorwaarden gewijzigd. Het finaal wederkerig verrekenbeding bij overlijden is ingetrokken.\n\n4. Erflaatster is op 22 juli 2020 overleden. Erfgenamen van erflaatster zijn belanghebbende en hun drie kinderen.\n\nDe aanslag erfbelasting\n\n5. Belanghebbende vraagt bij schrijven met dagtekening 25 maart 2021 uitstel voor het indienen van een aangifte erfbelasting tot 22 augustus 2021.\n\n6. Tot de gedingstukken behoort een brief van verweerder met dagtekening 20 april 2021, gericht aan belanghebbende. In deze brief is het volgende vermeld:\n\n‘(…)\n\nOp 31 maart 2021 hebt u uitstel aangevraagd voor het doen van uw aangifte erfbelasting van de erfenis van de overledene [rechtbank: erflaatster] (…).\n\nIk verleen u hiervoor uitstel tot 22 augustus 2021.\n\n(…)’\n\n7. Tot de gedingstukken behoort een door verweerder overgelegd document genaamd ‘Rapport Datum Verzending’ ten aanzien van de hiervoor onder 6 genoemde brief. In dit stuk is onder meer vermeld dat de brief ‘(…) met dagtekening 20 april 2021 (…) t.n.v. [belanghebbende] is gearchiveerd en verzonden is aan het adres [adres] ’, dat de brief ‘is opgenomen in een samengestelde partij documenten’, dat is ‘waargenomen dat de partij documenten (…) is aangeboden aan POSTNL, ter verzending’ en dat ‘de partij documenten (…) tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending’.\n\n8. Op 7 september 2021 doet belanghebbende aangifte erfbelasting.\n\n9. Met dagtekening 27 september 2021 stuurt verweerder aan belanghebbende een herinnering tot het doen van aangifte erfbelasting. In die herinnering is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘U hebt uitstel gekregen om deze aangifte vóór 22 augustus 2021 in te leveren.’\n\n10. Tussen partijen heeft in de periode juni tot en met december 2023 divers overleg plaatsgevonden over de nalatenschap van erflaatster.\n\n11. Zo heeft verweerder bij e-mailbericht van 23 oktober 2023 het volgende aan belanghebbende gevraagd:\n\n‘(…)\n\nWijziging huwelijkse voorwaarden\n\n[Erflaatster] was met [belanghebbende] gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In de huwelijksvoorwaarden was sprake van koude uitsluiting met finale verrekening bij einde huwelijk door overlijden. Drie weken voor overlijden, op 30 juni 2020, zijn de huwelijksvoorwaarden gewijzigd en is het finale verrekenbeding bij overlijden geschrapt. Dit kan een belastbaar feit voor de schenkbelasting inhouden. Ik ontvang graag nadere informatie hieromtrent.\n\nIk verneem graag van u wat de reden\u002Faanleiding is geweest voor de wijziging van de huwelijksvoorwaarden en wie de initiatiefnemer tot de wijziging is geweest?\n\n(…)’\n\n12. In een e-mailbericht van 14 november 2023 van verweerder aan de notaris van belanghebbende schrijft verweerder:\n\n‘(…)\n\nIk ben voornemens de aanslagen erfbelasting vast te stellen. U dient er rekening mee te houden dat ter behoud van rechten afgeweken wordt van de gedane aangifte.\n\nDenkbaar is een bijtelling op basis van art. 12 Sw in verband met een schenking binnen 180 dagen, danwel, onder verwijzing naar de conclusie van de AG in de cassatiezaak, bekend onder nummer: ECLI:NL:PHR:2023:188, dat het standpunt van fraus legis wordt ingenomen.\n\n(…)’\n\n13. In een e-mailbericht van 4 december 2023 van verweerder aan belanghebbende is het volgende vermeld:\n\n‘(…)\n\n Ik heb u zojuist gebeld inzake de aanslagen erfbelasting (…)\n\n Ik deel u hierbij mede dat ik van de aangifte ben afgeweken.\n\n In dit bericht zal ik toelichten waarom ik van de aangifte ben afgeweken.\n\nFictieve verkrijging ex art. 12 SW\n\nIn de mail van 23 oktober 2023 en 14 november 2023 aan notaris (…) heb ik om informatie gevraagd verband houdend met de wijziging van de huwelijkse voorwaarden (het schrappen van het finale verrekenbeding).\n\nNaar onze mening wordt door deze wijziging afstand gedaan van het recht tot verrekening, zijnde een belastbaar feit voor de schenkbelasting. (…)\n\nOmdat de schenking binnen 180 dagen voor het overlijden heeft plaatsgevonden is art. 12 Successiewet toepasselijk. Er vindt derhalve ook een belastbaar feit voor de erfbelasting plaats.\n\nDe waarde van de fictieve verkrijging is ambtshalve vastgesteld op € 11 miljoen.\n\nTelefonisch contact\n\nIk heb u zojuist geprobeerd te bellen. Indien u dit nog telefonisch wil bespreken, dan is dat mogelijk op onderstaand telefoonnummer.\n\n(…)’\n\n14. Met dagtekening 14 december 2023 legt verweerder aan belanghebbende de aanslag erfbelasting op. De aanslag erfbelasting wijkt – conform hetgeen opgenomen onder 13 – af van de door belanghebbende ingediende aangifte.\n\n15. Op 22 januari 2024 maakt belanghebbende (pro forma) bezwaar tegen de aanslag erfbelasting. Bij schrijven met dagtekening 8 maart 2024 wordt het bezwaar gemotiveerd.\n\n16. Met dagtekening 24 juli 2024 stuurt belanghebbende aan verweerder een nader stuk aangaande de aanslag erfbelasting (en de aanslag schenkbelasting).\n\n17. Vervolgens vindt tussen partijen telefonisch contact en (e-mail)correspondentie plaats, onder meer over de verzending van de brief genoemd onder 6, de voortgang van de bezwaarbehandeling en het plannen van een hoorgesprek.\n\n18. In een (vooraankondigings)brief met dagtekening 7 november 2024 van verweerder aan belanghebbende is het volgende vermeld:\n\n‘(…) Vooraankondiging uitspraak op bezwaar\n\n (…)\n\n2. Fictieve bijtelling artikel 12\n\nWat uw bezwaar onderdeel 2 bent u inmiddels op de hoogte gesteld dat de aanslag schenkbelasting ten aanzien van [belanghebbende] is herzien tot nihil per verminderingsaanslag dagtekening 17 oktober 2024. Hierdoor is toepassing van artikel 12 Successiewet voor een bedrag van € 11.000.000 niet meer mogelijk. Ik zal uw bezwaar wat dat betreft toe wijzen.\n\n(…)\n\nKostenvergoeding\n\nIk ben voornemens u een kostenvergoeding toe te kennen in verband met het herzien van de aanslag erfbelasting in verband met het laten vallen van de fictieve verkrijging ex artikel 12 Successiewet 1956. Ik ontvang graag van u de naam en rekeningnummer waarop de kostenvergoeding ad € 624 kan worden gestort.\n\n(…)\n\nVerzoek kostenvergoeding\n\nIk wijs u een kostenvergoeding toe.\n\n(…)’\n\n19. Bij schrijven met dagtekening 4 december 2024 reageert belanghebbende op de vooraankondiging. Belanghebbende vermeldt in zijn bericht onder meer:\n\n‘(…)\n\nIn uw voornemen schrijft u dat u voornemens bent een kostenvergoeding toe te kennen van EUR 624, d.w.z. forfaitair. De werkelijke gemaakte kosten zijn vele malen groter (ook voor de schenkbelasting). Gelet op het vorenstaande wil ik daarover ook met u het gesprek aangaan. (…)\n\nDe kosten die o.g.v. facturen van mij en de [naam 2] (financieel adviseur) alsook notaris [notaris] zijn toe te rekenen aan de bestreden aanslagen schenk- en erfbelasting bedragen bij benadering in totaal circa EUR 135.000 (incl. BTW).\n\n(…)’\n\n20. Op 16 december 2024 vindt een hoorgesprek plaats. Op 14 januari 2025 reageert belanghebbende op het hoorverslag.\n\n21. Bij uitspraak op bezwaar van 27 maart 2025 vermindert verweerder de aanslag erfbelasting met de (fictieve) verkrijging van € 11.000.000.\n\nDe aanslag schenkbelasting\n\n22. Tussen partijen heeft in de periode juni tot en met december 2023 divers overleg plaatsgevonden over de nalatenschap van erflaatster (waarbij zij verwezen naar hetgeen hiervoor opgenomen onder 11, 12 en 13).\n\n23. Met dagtekening 8 maart 2024 legt verweerder de aanslag schenkbelasting op, uitgaande van een schenking van erflaatster aan belanghebbende ten bedrage van € 11.000.000.\n\n24. Met dagtekening 12 april 2024 maakt belanghebbende bezwaar tegen de aanslag schenkbelasting waarbij hij het bezwaar gelijktijdig motiveert.\n\n25. Met dagtekening 24 juli 2024 stuurt eiser aan verweerder een nader stuk aangaande (de aanslag erfbelasting en) de aanslag schenkbelasting.\n\n26. Vervolgens vindt tussen partijen telefonisch contact en (e-mail)correspondentie plaats, onder meer over de voortgang van de bezwaarbehandeling en het plannen van een hoorgesprek.\n\n27. Bij e-mailbericht van 1 oktober 2024 stuurt verweerder naar belanghebbende het volgende:\n\n‘(…)\n\nIn navolging van ons telefonisch onderhoud kreeg ik zoals verwacht een positieve terugkoppeling van de vaktechnische deskundige na het intern overleg. Het ging in deze zaak om de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een schenking vanwege het schrappen van een wederkerig finaal verrekenbeding alleen werkend bij overlijden. Het standpunt dat ten aanzien van deze vraag is ingenomen luidt dan ook als volgt:\n\nHet schrappen van een wederkerig finaal verrekenbeding alleen werkend bij overlijden in het zicht van overlijden wordt op dit moment niet gezien als een schenking.\n\nDerhalve, zal ik uw bezwaar gericht tegen de aanslag schenkbelasting volledig toewijzen en de aanslag schenkbelasting conform uw bezwaar verminderen naar nihil. U ontvangt van mij binnenkort een definitieve uitspraak op uw bezwaar gericht tegen de aanslag schenkbelasting met de toekenning van de kostenvergoeding.\n\n(…)’\n\n28. Bij uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2024 vernietigt verweerder de aanslag schenkbelasting. Daarbij kent hij een kostenvergoeding toe van € 624 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 624).\n\nGeschil 29. In geschil is of de aanslag erfbelasting terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de aanslag erfbelasting binnen de wettelijke aanslagtermijn is opgelegd.\n\n30. Verder is voor beide zaken in geschil of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van de bezwaren.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nTijdigheid aanslag erfbelasting\n\n31. Belanghebbende betoogt dat de aanslag erfbelasting buiten de aanslagtermijn is opgelegd en zodoende dient te worden vernietigd. Volgens belanghebbende heeft hij weliswaar verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte, maar de toekenning van dit verzoek heeft hem nooit bereikt. De termijn om de aanslag op te leggen is daarom niet verlengd met de termijn van het verzochte uitstel.\n\n32. Volgens verweerder is (op verzoek van belanghebbende) vijf maanden uitstel voor het doen van aangifte erfbelasting verleend, zodat de termijn voor het opleggen van de aanslag verloopt op 22 december 2023. Verweerder weerspreekt dat de brief van 20 april 2021 niet (juist) zou zijn verzonden en heeft daartoe verzendadministratie overgelegd (zie hetgeen is opgenomen onder 7).\n\n33. De rechtbank stelt vast dat de (reguliere) wettelijke termijn voor het opleggen van de aanslag erfbelasting (als bedoeld in artikel 11, derde lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 1, van de Successiewet 1956) eindigde op 22 juli 2023. Verder staat vast dat belanghebbende bij schrijven met dagtekening 25 maart 2021 heeft verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte erfbelasting tot 22 augustus 2021 (zie 5) en dat belanghebbende het schrijven met dagtekening 27 september 2021 (zie 9) heeft ontvangen. De aanslag erfbelasting is met dagtekening 14 december 2023 opgelegd.\n\n34. De rechtbank stelt voorop dat voor verlenging van de aanslagtermijn met de duur van het uitstel (als bedoeld in artikel 11, derde lid, tweede volzin, van de AWR) nodig is dat door of namens de belastingplichtige is verzocht om uitstel en dat dit uitstel hem duidelijk kenbaar is verleend (zie HR 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2484). De bekendmaking van het verleende uitstel moet plaatsvinden voor het verstrijken van de reguliere driejaarstermijn (zie HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9336).\n\n35. Nu ervan kan worden uitgegaan dat belanghebbende om uitstel voor het indienen van de aangifte heeft verzocht en verweerder bij brief van 27 september 2021 belanghebbende heeft medegedeeld dat ‘[U] (…) uitstel [hebt] gekregen om deze aangifte vóór 22 augustus 2021 in te leveren’, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bekendmaking (als bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht) van het besluit tot het verlenen van het gevraagde uitstel. Nu voorts die mededeling bij brief van 27 september 2021 is gedaan voor het verstrijken van de termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 11, derde lid, eerste volzin, van de AWR, is de termijn voor het vaststellen van de aanslag verlengd met de duur van het (door belanghebbende verzochte) uitstel. Dit betekent dat de aanslag erfbelasting binnen de wettelijke termijn is opgelegd en dat het betoog van belanghebbende niet slaagt.\n\n36. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een oordeel of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 20 april 2021 is verzonden.\n\nIntegrale vergoeding van kosten voor de bezwaarfase?\n\n37. Belanghebbende betoogt dat hij recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten van de bezwaarfase omdat beide aanslagen zonder (wettelijke) grondslag zijn opgelegd en verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Wat betreft het betoogde ontbreken van een wettelijke grondslag verwijst belanghebbende onder meer naar een arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:239). Wat betreft het betoogde onzorgvuldig handelen van verweerder voert belanghebbende (onder meer) aan dat (i) hij door verweerder onbehoorlijk is bejegend in de aanslagfase en de bezwaarfase – waarbij belanghebbende onder meer verwijst naar een e-mailbericht van 1 oktober 2024 en een e-mailbericht van 7 november 2024, (ii) Bureau Vaktechniek van de Belastingdienst heeft aangespoord de onderhavige aanslagen op te leggen zodat een en ander (rechterlijk) getoetst kon worden en (iii) in de aanslagen is uitgegaan van een veel te groot vermogen, terwijl dit verweerder bekend moet zijn geweest.\n\n38. Belanghebbende heeft de kosten beraamd op € 118.197,29, waarbij belanghebbende 60% (€ 70.918,37) toerekent aan de aanslag erfbelasting en 40% (€ 47.278,92) toerekent aan de aanslag schenkbelasting. Deze kosten hebben betrekking op werkzaamheden van de gemachtigde, de financieel adviseur en de notaris.\n\n39. Volgens verweerder volstaat een forfaitaire vergoeding van de kosten in de bezwaarfase (als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit)).\n\n40. Vooraf merkt de rechtbank op dat, alhoewel in de uitspraak op bezwaar aangaande de aanslag schenkbelasting geen kostenvergoeding is vastgesteld, de rechtbank van de situatie uitgaat – en zoals door partijen bevestigd ter zitting – dat (ook) bij de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag schenkbelasting een forfaitaire kostenvergoeding (als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit) is toegekend.\n\n41. De rechtbank overweegt dat in beginsel het beloop van een vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt bepaald met toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem. In artikel 2, derde lid, van het Besluit is echter bepaald dat in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de op grond van in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, op forfaitaire wijze, berekende bedragen. Voor een dergelijke afwijking is grond indien het bestuursorgaan een verwijt treft dat het een beschikking geeft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Ook is grond voor een afwijkende vergoeding als verweerder bij het opleggen van de aanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (zie HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).\n\n42. De rechtbank vat het betoog van belanghebbende (zoals opgenomen onder 37) aldus op dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat (i) verweerder de aanslagen heeft vastgesteld terwijl hij op dat moment wist dat de aanslagen in een daartegen ingestelde procedure geen stand zouden houden (tegen beter weten in) en (ii) verweerder bij het opleggen van de aanslagen in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\n43. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat verweerder tegen beter weten in de aanslagen heeft opgelegd. De rechtbank acht hierbij relevant dat verweerder de aanslagen heeft opgelegd omdat hij ten tijde van het opleggen van de aanslagen van mening was dat bij het opheffen van een finaal verrekenbeding een voltooide vermogensverschuiving plaatsvindt en daarom een schenking. Dat de aanslag schenkbelasting na het arrest van 16 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:239) is vastgesteld, is volgens verweerder niet relevant omdat de onderhavige situatie (opheffen van een finaal verrekenbeding) anders is dan de situatie in het laatstgenoemde arrest (aangaan van huwelijkse voorwaarden). Nergens uit de stukken valt op te maken dat verweerder de aanslagen heeft vastgesteld en dat het hem op dat moment duidelijk was dat de aanslagen in een daartegen ingestelde procedure geen stand zouden houden.\n\n44. Ook het feit dat de aanslagen in de desbetreffende uitspraken op bezwaar zijn verminderd\u002Fvernietigd, leidt op zichzelf bezien evenmin tot het oordeel dat verweerder tegen beter weten in de aanslagen heeft vastgesteld. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat, ondanks dat de onderhavige situatie verschilt van de situatie in het voornoemde arrest van de Hoge Raad, hij zijn standpunt destijds heeft herzien omdat hij op enig moment na het opleggen van de aanslagen heeft gesignaleerd dat de notariële praktijk zich niet bewust was van het feit dat het opheffen van een finaal verrekenbeding een voltooide vermogensverschuiving en derhalve een schenking kan inhouden. Dit zou betekenen dat veel mensen zouden worden geconfronteerd met een aanslag schenkbelasting, zonder dat zij zich van een schenking bewust waren en het tegenovergestelde destijds aan hen was geadviseerd. Dit was onwenselijk en de reden waarom de uitspraak op bezwaar vermeldt dat het feit ‘op dit moment’ niet als een schenking wordt gezien, aldus nog steeds verweerder. Dat verweerder vanwege beleidsmatige redenen zijn beslissing(en) heeft herzien, betekent niet dat hij reeds daarom tegen beter weten in heeft gehandeld.\n\n45. Ter aanvulling heeft verweerder betoogd dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslagen het vermoeden had dat sprake kon zijn van wetsontduiking (fraus legis). Dit vermoeden volgt, anders dan belanghebbende stelt, uit de gedingstukken (zie onder meer onder 12).\n\n46. Wat betreft de vraag of verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de door belanghebbende aangehaalde e-mailberichten van 7 november 2024 (zie onder 18) en 1 oktober 2024 (zie onder 27) maakt de rechtbank niet op dat sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen van verweerder. Anders dan belanghebbende stelt, bevestigt verweerder in zijn e-mailbericht van 1 oktober 2024 niet dat hij de aanslag(en) heeft opgelegd zonder wettelijke grondslag. In het laatstgenoemde bericht is enkel vermeld dat het schrappen van een wederkerig finaal verrekenbeding alleen werkend bij overlijden in het zicht van overlijden op dit moment door verweerder niet wordt gezien als een schenking. De daaraan ten grondslag liggende reden is niet in het e-mailbericht vermeld.\n\n47. Ook anderszins zijn in het procesdossier geen aanknopingspunten te vinden waaruit volgt dat verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Het door belanghebbende gestelde ‘zwalkende gedrag’ en ontwijkende gedrag van verweerder volgt niet uit het procesdossier.\n\n48. Dat Bureau Vaktechniek van de Belastingdienst verweerder heeft aangespoord de onderhavige situatie te laten toetsen (door een rechter), wat daar verder ook van zij, is niet onwettig. De rechtbank ziet daarin eveneens geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft voor een integrale kostenvergoeding.\n\n49. Dat de aanslag schenkbelasting is opgelegd na publicatie van het arrest van 16 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:239) is op zichzelf bezien evenmin dermate onzorgvuldig dat dit een bijzondere omstandigheid vormt. De rechtbank verwijst daarbij ook naar hetgeen is overwogen onder 43.\n\n50. De rechtbank is voorts van oordeel dat het enkele feit dat verweerder in de uitspraken op bezwaar niet meer uitgaat van een (fictieve) verkrijging ter hoogte van € 11.000.000, niet maakt dat reeds daarom sprake is van een bijzondere omstandigheid. De rechtbank verwijst daarbij ook naar hetgeen is overwogen onder 44.\n\n51. Belanghebbende heeft zijn stelling dat verweerder bij het vaststellen van de aanslagen is uitgegaan van een (veel) te groot vermogen en dat dit kenbaar moet zijn geweest, tegenover de betwisting van verweerder onvoldoende gemotiveerd. Belanghebbende heeft niet nader onderbouwd waarom verweerder in dezen in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld, mede gelet op het feit dat verweerder de aanslagen heeft gebaseerd op onder meer WOZ-gegevens en gegevens uit de aangifte inkomstenbelasting van belanghebbende.\n\n52. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, anders dan belanghebbende betoogt, de situatie dat de aanslagen hoge bedragen betreffen en drie adviseurs (een advocaat, een notaris en een financieel adviseur) hoge kosten hebben gemaakt, niet zonder meer meebrengt dat sprake is van dermate onzorgvuldig handelen door verweerder (vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929).\n\n53. Gelet op hetgeen hierboven vermeld en overwogen bestaat geen aanleiding voor een hogere vergoeding van kosten dan de reeds toegekende forfaitaire vergoedingen voor de bezwaarfase(s). Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de door belanghebbende (gestelde) gemaakte kosten in bezwaar.\n\nSlotsom\n\n54. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n55. Omdat de beroepen ongegrond worden verklaard, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de beroepsfase. De rechtbank komt daarom niet toe aan een behandeling van de door belanghebbende gewenste integrale proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. M.C. van As en\n\nmr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5134","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.354Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":55,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":39,"updatedAt":58},"329","ECLI:NL:RBNHO:2025:12725","ecli-nl-rbnho-2025-12725","2025-10-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 24\u002F464\n uitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2025 in de zaak tussen\n [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: I. Steert MB),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft met dagtekening 17 februari 2023 aan eiseres een aanslag in de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) voor het jaar 2019 opgelegd (hierna: de aanslag). Daarbij is € 3.498 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking).\n\nBij uitspraak op bezwaar van 30 november 2023 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2025 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en [naam 3] .\n\nHet beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met zaaknummers HAA 24\u002F462, HAA 24\u002F463 en HAA 24\u002F465.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\nTer zake van erflater en aanslagregeling IB\u002FPVV 2018\n\n1. Op 13 januari 2018 is [naam 4] (hierna: erflater) overleden, de vader van eiseres. Erflater had een 100% aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] B.V.).\n\n2. In de namens erflater ingediende aangifte IB\u002FPVV 2018 is ter zake van het aanmerkelijk belang in [bedrijf 1] B.V. een vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen van (overdrachtsprijs € 577.174 -\u002F- verkrijgingsprijs € 18.153 =) € 559.021.\n\n3. In de aan de erven van erflater opgelegde aanslag IB\u002FPVV 2018 is met betrekking tot het aanmerkelijk belang in [bedrijf 1] B.V. een vervreemdingsvoordeel van (overdrachtsprijs € 691.058 -\u002F- verkrijgingsprijs € 18.153 =) € 673.005 in aanmerking genomen. Dit betrof een afrekening over de waarde van de aandelen die toerekenbaar was aan het beleggingsvermogen van [bedrijf 1] B.V. waarop de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001 niet van toepassing was.\n\nLegaat en herstructurering\n\n4. Erflater heeft het aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. gelegateerd aan zijn echtgenote en drie kinderen (hierna gezamenlijk: de legatarissen). Eiseres verkreeg daardoor een aandelenbelang van 25% in [bedrijf 1] B.V.\n\n5. Op 28 juni 2019 hebben de legatarissen [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] B.V.) opgericht. Het aandelenkapitaal in [bedrijf 2] B.V. is verdeeld naar de verhouding van het legaat met betrekking tot [bedrijf 1] B.V. Ter volstorting van de aandelen hebben de legatarissen ieder hun belang in [bedrijf 1] B.V. ingebracht in [bedrijf 2] B.V. Op grond van artikel 4.41, eerste lid, van de Wet IB 2001 is ter zake van deze aandelenfusie door eiseres geen vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen. Op grond van artikel 4.42, eerste lid, van de Wet IB 2001 is de verkrijgingsprijs van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. doorgeschoven naar de aandelen van [bedrijf 2] B.V.\n\n6. Bij akte van zuivere splitsing is [bedrijf 2] B.V. per 22 augustus 2019 gesplitst in vier verkrijgende vennootschappen. Daarbij is [bedrijf 2] B.V. opgehouden te bestaan. De verkrijgende vennootschappen zijn de persoonlijke houdstervennootschappen van de legatarissen. De persoonlijke houdstervennootschappen hebben door de splitsing onder algemene titel naar rato van de verdeling in het legaat van erflater een aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. verkregen. Op grond van artikel 4.41, tweede lid, van de Wet IB 2001 is ter zake van deze splitsing door eiseres geen vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen. Op grond van artikel 4.42, tweede lid, van de Wet IB 2001 is de verkrijgingsprijs van de aandelen in [bedrijf 2] B.V. (naar rato) doorgeschoven naar de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschappen.\n\nDividenduitkeringen en belastingheffing\n\n7. Bij brief van 11 oktober 2019 hebben de legatarissen verzocht om op grond van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 dividenduitkeringen van de persoonlijke houdstervennootschappen aan de legatarissen van in totaal € 559.021 niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang (hierna: ab-inkomen) te rekenen.\n\n8. Op 1 november 2019 heeft [bedrijf 1] B.V. een dividend ter beschikking gesteld van in totaal € 2.628.846. Daarvan is 25%, ofwel € 657.212, ter beschikking gesteld aan de persoonlijke houdstervennootschap van eiseres.\n\n9. Bij besluit van 31 december 2019 heeft de persoonlijke houdstervennootschap aan eiseres een dividend ter beschikking gesteld van € 139.755 (hierna: de dividenduitkering).\n\n10. Bij brief van 28 februari 2020 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat niet aan de voorwaarden van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 wordt voldaan waardoor de dividenduitkering tot het ab-inkomen van eiseres moet worden gerekend.\n\n11. Eiseres heeft aangifte IB\u002FPVV 2019 gedaan naar een verzamelinkomen van € 27.412, bestaande uit een box 1-inkomen.\n\n12. Bij het opleggen van de aanslag is verweerder afgeweken van de aangifte in die zin dat ook een ab-inkomen van € 139.755 in aanmerking is genomen.\n\nGeschil en standpunten van partijen\n\n13. In geschil is of artikel 4.12a van de Wet IB 2001 van toepassing is op de dividenduitkering. Meer specifiek is in geschil of met de dividenduitkering sprake is van reguliere voordelen uit de aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen als bedoeld in voornoemde bepaling. Niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 is voldaan.\n\n14. Eiseres stelt dat op grond van doel en strekking van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 de dividenduitkering niet tot het ab-inkomen moet worden gerekend. Zonder toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 zou door het in aanmerking nemen van het vervreemdingsvoordeel ter zake van het overlijden van haar vader en het in aanmerking nemen van een regulier voordeel ter zake van de dividenduitkering sprake zijn van materieel dubbele heffing over feitelijk dezelfde grondslag. Dat is nu juist wat artikel 4.12a van de Wet IB 2001 blijkens de parlementaire geschiedenis beoogt te voorkomen. Artikel 4.12a van de Wet IB 2001 maakt een koppeling tussen de dividenduitkering en de verkrijgingsprijs van de krachtens erfrecht verkregen aandelen. Door de fiscaal gefacilieerde aandelenfusie en splitsing zijn de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap in de plaats getreden van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. waardoor ook in dit geval een ondubbelzinnige koppeling gemaakt kan worden tussen het bij erflater in aanmerking genomen vervreemdingsvoordeel en de dividenduitkering, aldus nog steeds eiseres. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag en rentebeschikking.\n\n15. Verweerder betoogt dat artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op basis van de letterlijke tekst van die bepaling enkel van toepassing is op de aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen. De aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap kwalificeren niet als zodanig, want de krachtens erfrecht verkregen aandelen zijn de aandelen in [bedrijf 1] B.V. Dit betekent dat de dividenduitkering tot het ab-inkomen moet worden gerekend. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n16. Artikel 4.12a van de Wet IB 2001 luidt, voor zover relevant:\n\n“Ingeval de belastingplichtige aandelen (…) krachtens erfrecht heeft verkregen en ter zake van die overgang bij de erflater inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, worden binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater door die belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen (…) op verzoek, in afwijking van artikel 4.12, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend voor zover deze voordelen niet uitgaan boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de aandelen (…) in die vennootschap. (…)”\n\n17. In de parlementaire geschiedenis bij de invoering van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 39 en 40 (MvT))is vermeld:\n\n“Dit artikel houdt verband met het voorstel de doorschuifregeling bij overlijden van een aanmerkelijk belang voortaan niet meer toe te passen ter zake van het in de waarde van de aandelen tot uitdrukking komende beleggingsvermogen. Dit leidt er toe dat bij vererving van een aanmerkelijk belang over de waarde van dat belang voor zover toerekenbaar aan het beleggingsvermogen, voortaan de inkomstenbelastingclaim moet worden afgerekend. Als vervolgens (een deel van) dat beleggingsvermogen kort na het overlijden in de vorm van dividend wordt uitgekeerd (bijv. om de inkomstenbelastingschuld van erflater te voldoen), zou zonder nadere regelgeving over dat dividend inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Het zou er derhalve op neer komen dat er dubbel zou worden geheven over materieel dezelfde grondslag. Het nieuwe artikel 4.12a van de Wet IB 2001 voorkomt deze dubbele heffing. Op verzoek wordt het dividend namelijk niet belast, mits het dividend wordt afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de krachtens erfrecht verkregen aandelen. Toepassing van dit artikel is alleen mogelijk voor zover het dividend niet uitgaat boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen.”\n\nEn (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 8, p.64):\n\n“De leden (…) vragen in hoeverre is overwogen om de in het voorgestelde artikel 4.12a van de Wet IB 2001 neergelegde systematiek van het meegekochte dividend ook van toepassing te verklaren voor andere gevallen dan overlijdensgevallen. Ook het RB en de redactie Vakstudienieuws vragen om een toelichting waarom dit artikel niet van toepassing is op reguliere voordelen binnen 24 maanden na schenken van de ab-aandelen. Dat deze maatregel is beperkt tot situaties van vererven, is gelegen in het onvoorziene karakter van het moment van overlijden. Schenken is daartegen een rechtshandeling die welbewust en planmatig plaatsvindt. Zoals ook de Raad van State in zijn advies heeft opgemerkt kunnen in dat geval de beleggingen voorafgaand aan de overdracht krachtens schenking door middel van een dividenduitdeling aan de vennootschap worden onttrokken. Eenzelfde maatregel voor andere gevallen dan overlijdensgevallen is dan ook niet nodig.”\n\n18. In de Fiscale Verzamelwet 2015 is een wijziging opgenomen waardoor de toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 werd uitgebreid naar reguliere voordelen uit aandelen of winstbewijzen die de erfgenaam reeds in bezit had. Dit betreft de wettelijke codificatie van bestaand beleid (Besluit van 17 september 2014, nr. BLKB2014\u002F1321M).\n\n20. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op basis van doel en strekking van die bepaling van toepassing op de dividenduitkering. Uit voornoemde wetsgeschiedenis volgt immers dat in het onvoorziene geval van overlijden van een aanmerkelijkbelanghouder voorkomen moet worden dat dubbele belastingheffing plaatsvindt over materieel dezelfde grondslag, namelijk over het beleggingsvermogen bij de erflater en (wanneer na het overlijden dat beleggingsvermogen in de vorm van dividend wordt uitgekeerd) het reguliere voordeel bij uitkeringen aan de erfgenaam binnen 24 maanden na het overlijden van erflater. Uit de parlementaire geschiedenis volgt niet dat de wetgever bewust niet heeft willen voorzien in een geval als het onderhavige, terwijl de materieel dubbele heffing zich in onderhavig geval ook zou voordoen. Bij erflater is immers afgerekend over het beleggingsvermogen, de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap zijn door de fiscaal gefacilieerde aandelenfusie en splitsing in de plaats zijn getreden van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. en niet weersproken is dat de dividenduitkering haar oorsprong vindt in het beleggingsvermogen van [bedrijf 1] B.V. Verweerder heeft ook niet weersproken dat toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op de dividenduitkering in lijn zou zijn met doel en strekking van die bepaling, maar bepleit een strikte toepassing op grond van wettekst gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en legaliteitsbeginsel. De rechtbank kan dit betoog niet volgen omdat de door eiseres voorgestane toepassing ten gunste van belastingplichtige komt omdat daarmee belastingheffing wordt uitgesteld tot het moment van vervreemding van de aandelen. Verweerder heeft ook desgevraagd ter zitting niet kunnen uitleggen in hoeverre toepassing van de regeling op onderhavige situatie zou kunnen leiden tot ongewenste gevolgen en enkel gewezen op mogelijke precedentwerking. Dat de wetgever de noodzaak heeft gezien om het beleidsbesluit uit 2014 met betrekking tot reeds in bezit zijnde aandelen te codificeren, maakt niet dat enkel de letterlijke tekst van de wet doorslaggevend is. Dit betekent ook dat verweerder zich niet met vrucht op het kennisgroepstandpunt van 1 oktober 2016 kan beroepen.\n\nRentebeschikking\n\n21. Tegen het in rekening brengen van belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. De rentebeschikking dient verminderd te worden overeenkomstig de vermindering van de aanslag.\n\nSlotsom\n\n22. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het ab-inkomen wordt verminderd naar nihil. De rentebeschikking dient dienovereenkomstig te worden verminderd.\n\nProceskosten\n\n23. De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt de proceskosten voor de vier zaken van de legatarissen gezamenlijk vast op € 2.721, waarbij aan eiseres een kwart wordt toegekend, ofwel € 680,25. De rechtbank heeft op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand twee punten toegekend voor de beroepsfase, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De waarde per punt is € 907. Daarbij is een wegingsfactor 1,5 toegepast wegens samenhang van vier of meer zaken. Voor de bezwaarfase wordt geen kostenvergoeding toegekend omdat daartoe niet overeenkomstig artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verzocht alvorens op het bezwaar is beslist.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n₋ verklaart het beroep gegrond;\n\n₋ vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n₋ vermindert de aanslag in die zin dat het ab-inkomen wordt verminderd naar nihil;\n\n₋ vermindert de rentebeschikking overeenkomstig de vermindering van de aanslag;\n\n₋ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 680,25; en\n\n₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, voorzitter, en mr. J. Snitker en mr. C.M.J.C. Snoek-Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:12725","2025-11-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.682Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":63,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":39,"updatedAt":66},"621","ECLI:NL:RBNHO:2025:2276","ecli-nl-rbnho-2025-2276","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 23\u002F3259\n uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [plaats] , eiseres\n\ngemachtigde: R.J.C. Segers AA RB,\n\nen\n\nde minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, (voorheen de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening), de minister\n\ngemachtigde: mr. C.J.M. Daniels, in dienst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.\n\nInleiding\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de aanvraag van eiseres om een definitieve investeringsverklaring voor haar investering in 30 woningen in een (zorg)complex in Heemstede als bedoeld in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (Wmw) en de Regeling Vermindering Verhuurderheffing 2014 (de Regeling) terecht is afgewezen.\n\n1.2.. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 8 september 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 30 maart 2023 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres vergezeld door [naam 1] (beiden werkzaam voor BDO) en [naam 2] en [naam 3] (beiden in dienst bij eiseres) en de gemachtigde van de minister.\n\n3. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten4.1. \n\nEiseres heeft in Heemstede een complex zelfstandige woonruimten gerealiseerd.\n\nZij heeft op 24 maart 2022 de minister voor de in totaal 48 woningen in dat complex aan het [adres 1] en de [adres 2] te Heemstede gevraagd om ‘afdrachtvermindering verhuurderheffing gerealiseerde investeringen’ in het kader van de Wmw. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat het gaat om investeringscategorie Nieuwbouw onder de 1e aftoppingsgrens.\n\n4.2. In de daarop volgende mailwisseling heeft de minister eiseres op 28 april 2022 laten weten dat 18 van de 48 woningen niet voldoen aan de voorwaarden, omdat de huur van die woningen hoger is dan de eerste aftoppingsgrens. Daarnaast heeft de minister eiseres in genoemde mail gevraagd om te verklaren dat de bewoners van de overige woningen zelf voorzien in de bekostiging van de wooncomponenten.\n\n4.3. Eiseres heeft hierop gereageerd per mail van 12 mei 2022. Daarin heeft eiseres aangegeven akkoord te zijn met de afwijzing van de aanvraag voor 18 van de 48 woningen. In genoemde mail heeft eiseres voorts verklaard dat de aanvangshuur van de resterende 30 woningen per woning ligt onder de aftoppingsgrens. De woningen bevinden zich in het appartementencomplex aan het [adres 1] en worden door eiseres verhuurd aan de Stichting Zorgbalans. Die stichting maakt de huur aan eiseres over.\n\n4.4. Zorgbalans gebruikt de 30 woningen in het kader van door haar verleende zorg voor de huisvesting van haar cliënten.\n\nHet primaire besluit en het bestreden besluit\n\n5. Bij besluiten van 7 en 8 september 2022 (één afwijzend besluit per woning) heeft de minister beslist dat de door eiseres gerealiseerde investering in de 30 hiervoor bedoelde woningen niet in aanmerking komt voor een definitieve investeringsverklaring als bedoeld in de Regeling, omdat de gerealiseerde zorgwoningen volgens de minister niet voldoen aan de omschrijving van een voor verhuur bestemde woning als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, Wmw.\n\n6. De minister heeft dit standpunt in bezwaar gehandhaafd en het bezwaar van eiser daarom met het bestreden besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n7. De rechtbank overweegt over het geschil als volgt.\n\nJuridisch beoordelingskader8.1. Op grond van de Wmw wordt (sedert 2014) jaarlijks aan grotere (sociale) verhuurders een heffing opgelegd, de zogenaamde verhuurdersheffing.\n\n8.2 (. Sociale) verhuurders kunnen ter stimulering van investeringen in maatschappelijk urgente woningbouwopgaven een vermindering van de verhuurderheffing krijgen. In de verminderingsregeling worden verschillende investeringscategorieën onderscheiden, waaronder de (nieuw)bouw van huurwoningen, waarvoor de vermindering op verhuurdersheffing kan worden verleend. Dat is geregeld in artikel 1.10 Wmw.\n\n8.3. Een verhuurder kan een voorgenomen investering die mogelijk in aanmerking komt voor de heffingsvermindering aanmelden bij verweerder. Verweerder bekijkt dan of aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan en, indien dit het geval is, verstrekt hij een voorlopige investeringsverklaring. Zodra de investering is gerealiseerd en gefactureerd, kan de verhuurder de investering binnen de daarvoor geldende termijn aanmelden bij verweerder. Verweerder controleert dan of is voldaan aan de voorwaarden van de regeling. Wanneer dit het geval is, ontvangt de verhuurder een definitieve investeringsverklaring. Wanneer een definitieve investeringsverklaring is ontvangen, kan de verhuurder het bedrag van de verhuurdersheffing verminderen met het in de definitieve investeringsverklaring opgenomen bedrag van de heffingsvermindering.\n\n8.4. In artikel 1.2, eerste lid, onder e, Wmw is bepaald dat onder huurwoning in de zin van de Wmw wordt verstaan: een in Nederland gelegen voor verhuur bestemde woning die ingevolge artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt aangemerkt en waarvan de huurprijs niet hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, met uitzondering van een woning die wordt verhuurd in het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die in die woning voor een korte periode verblijf houden en van een woning die krachtens artikel 3.1 van de Erfgoedwet als rijksmonument is aangewezen.\n\n8.5. Investeringen in de nieuwbouw van huurwoningen kan daarom alleen leiden tot vermindering van de verhuurdersheffing als is geïnvesteerd in nieuwbouw van huurwoningen in de hiervoor bedoelde zin.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n9. Tussen partijen is in geschil of de minister terecht heeft besloten dat de door eiseres gerealiseerde investeringen in de 30 (zorg-)woningen geen recht geven op een definitieve investeringsverklaring in de zin van de Regeling, omdat geen sprake is van “voor verhuur bestemde woningen”.\n\n10.1. De minister heeft de stelling van eiseres dat sprake zou zijn van woningen bestemd voor (ver-)huur in de zin van de Wmw gemotiveerd weersproken. Volgens verweerder zijn de woningen van meet af aan bestemd om in gebruik te geven aan zorgbehoevenden die daarvoor geïndiceerd zijn in het kader van de uitvoering van de Wet langdurige zorg (Wlz). Er worden geen huurovereenkomsten gesloten tussen bewoners en Zorgbalans maar (uitsluitend) zorgovereenkomsten. Zorgbalans levert zorg aan de bewoners en stelt de woningen in het kader daarvan aan de bewoners ter beschikking. Het gaat dus om intramurale zorg. Zorgbalans ontvangt daarvoor een vergoeding die in het kader van de uitvoering van de Wlz aan haar wordt betaald door CAK. De bewoners betalen niet zelf een vergoeding voor wonen aan Zorgbalans. De bewoners betalen alleen een eigen bijdrage aan CAK voor de intramuraal verleende zorg.\n\n10.2. Eiseres stelt - kort samengevat - dat de dertig woningen waar het hier om gaat wel voor de verhuur zijn bestemd in de zin van de Wmw. In eerste instantie zijn de woningen bestemd voor verhuur omdat eiseres de woningen verhuurt aan de stichting Zorgbalans. Zorgbalans verhuurt de woningen door aan de bewoners. Er is daarom volgens eiseres wel sprake van voor huur bestemde woningen in de zin van de Wmw. De definitieve investeringsverklaringen zijn daarom volgens eiseres ten onrechte geweigerd.\n\n10.3.1. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt.\n\nIn artikel 201 van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek is bepaald wat onder huur en verhuur wordt verstaan:\n\nHuur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.\n\n10.3.2. Indien de woningen daadwerkelijk zouden worden verhuurd op basis van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:201 BW zou wel sprake zijn van voor de verhuur bestemde woningen in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onder e, Wmw, zoals de Hoge Raad in bijvoorbeeld het arrest van 17 augustus 2018 (DCLI:NL:HR:2018:1313) ook heeft uitgemaakt. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat de 30 woningen niet bestemd zijn om te worden verhuurd in de hiervoor bedoelde zin, maar bestemd zijn om Wlz-geïndiceerden intramurale zorg te bieden op basis van een zorgovereenkomst. De bewoners zijn immers niet gehouden om voor het gebruik van de woningen voor bewoning een tegenprestatie te leveren. Van huur in de zin van artikel 7:201 BW, of van een gemengde overeenkomst als bedoeld in artikel 6:215 BW, waaronder verhuur van woonruimte, is dan geen sprake.\n\n10.3.3. De eigen bijdrage die de bewoners van de 30 woningen moeten betalen is, anders dan eiseres meent, geen tegenprestatie in de zin van artikel 7:201 BW voor het gebruik van de woningen. Het is een bijdrage die de bewoners als Wlz-geïndiceerden betalen voor ontvangen (intramurale) zorg. Zij betalen dat bedrag ook niet aan Zorgbalans, maar aan CAK. Het enkele feit dat zij in het kader van de zorg in de woningen verblijven, is niet voldoende om de woningen als “voor verhuur bestemde woningen” aan te merken .\n\n10.3.4. Dat Zorgbalans het complex van eiseres huurt, maakt het voorgaande niet anders. De huurovereenkomst tussen eiseres en Zorgbalans ziet immers niet op de huur van woningen, maar op de huur van het complex als bedrijfsruimte, zo blijkt uit de tussen eiseres en Zorgbalans gesloten huurovereenkomst.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Omdat geen sprake is van voor de verhuur bestemde woonruimten heeft verweerder de investeringsverklaring terecht geweigerd en heeft eiseres geen aanspraak op vermindering verhuurdersheffing op grond van de investering in het wooncomplex. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat de weigering van verweerder om een definitieve investeringsverklaring voor de 30 in deze uitspraak aan de orde zijnde woningen in stand blijft.\n\n12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op de uitkomst van het beroep geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. H.E. Noordhoek, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:2276","2025-03-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.653Z",20]