[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-child-custody-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":53},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},52,"child-custody-nl","Child Custody","NL","2026-07-08T16:53:53.220Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-12-04T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122588","Burgerlijk Wetboek","art. 1:401",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122590","art. 3:59",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122591","art. 1:400 lid 2",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122592","art. 1:401 lid 5",[36,46],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":44,"updatedAt":45},"369","ECLI:NL:GHARL:2026:4258","ecli-nl-gharl-2026-4258","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.780\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190548)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker](de vader),\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep,\n\nverweerder in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder),\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Robben te Leeuwarden.\n\nIn zijn toetsende en\u002Fof adviserende taak is gekend:\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad),\n\nregio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 november 2023, 26 november 2024 en 23 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 22 oktober 2025;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 17 november 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 3 december 2025 met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- een brief van de raad van 6 maart 2026, waarin de raad laat weten aanwezig te zullen zijn bij de zitting;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 18 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 25 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 28 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 29 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 1 juni 2026 met bijlage(n).\n\n2.2. De minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 24 april 2026 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en een vertegenwoordiger namens de raad.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen, afgewezen en, voor zover hier van belang, een (definitieve) zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school. De rechtbank heeft tevens een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld.\n\n3.3. \n\nBlijkens het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [de minderjarige] :\n\n• in de ene week -de oneven weken- van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft en\n\n• in de andere week -de even weken- van woensdagmiddag na school tot donderdagmorgen naar school bij de vader verblijft;\n\n• op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per overtreding met een\n\nmaximum van € 2.500,-.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] .\n\n4.2. \n\nDe vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 juli 2025. Deze grief ziet op de vastgestelde (reguliere) zorgregeling.\n\nDe vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te wijzigen, in die zin dat als structurele zorgregeling heeft te gelden dat [de minderjarige] om de week van maandag uit school tot maandag naar school en op de vrije dagen tot 14.00 uur bij de moeder en de vader verblijft, althans een zodanig beslissing te nemen als door het hof in goede orde te bepalen.\n\n4.3. De moeder is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof om, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek in hoger beroep van de vader af te wijzen en haar verzoek in hoger beroep toe te wijzen door de bestreden beschikking waar het gaat om de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader in de andere week van woensdag na school tot donderdag voor school te vernietigen en de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader van eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school te bekrachtigen.\n\n4.4. De vader verzoekt het hof om de moeder in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken ongegrond te verklaren.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.\n\n5.2. Het hof stelt voorop dat het hoger beroep van de ouders zich richt tegen de door de rechtbank vastgestelde reguliere zorgregeling. De vakantie- en feestdagenregeling is niet in geschil. De ouders zijn het erover eens dat de huidige reguliere zorgregeling onrustig is voor [de minderjarige] . De vader stelt zich op het standpunt dat er, overeenkomstig het advies van de raad aan de rechtbank, een co-ouderschapsregeling moet worden vastgesteld. Dit betekent volgens de vader dat er minder wisselmomenten zullen zijn en er meer rust voor [de minderjarige] zal ontstaan. De moeder heeft aangevoerd dat het verblijf van [de minderjarige] bij de vader in de andere week, van woensdag uit school tot donderdag naar school, te onrustig is en verstorend werkt in de schoolweek. Gelet op de slechte verstandhouding en communicatie tussen de ouders, is volgens de moeder een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] . De moeder kan zich vinden in een zorgregeling waarbij [de minderjarige] eens per twee weken (in de oneven weken) van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft.\n\n5.3. \n\nDe raad heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, anders dan bij de rechtbank, op het standpunt gesteld dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang is\n\nvan [de minderjarige] . De raad heeft hierbij gewezen op de verstoorde verstandhouding en het ontbreken van overleg tussen de ouders. De raad adviseert om een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] om de week bij de vader verblijft van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school. De omgang in de andere week van woensdag op donderdag is volgens de raad te veel voor [de minderjarige] .\n\n5.4. \n\nNet als de raad vindt het hof dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] is. Voor een co-ouderschapsregeling is vereist dat ouders met elkaar kunnen communiceren en samenwerken om te voorkomen dat het kind door een dergelijke regeling onnodig (extra) wordt belast. De ouders zijn in de afgelopen jaren niet in staat gebleken om op een constructieve wijze en in goed overleg invulling te geven aan het ouderschap.\n\nDe raad had de ouders bij de rechtbank geadviseerd om het traject solo parallel ouderschap in te zetten, zodat zij ieder op hun eigen manier het ouderschap kunnen invullen.\n\nDit traject is niet van de grond gekomen. De verstandhouding tussen de ouders is inmiddels langdurig verstoord en er bestaan grote zorgen over het effect daarvan op [de minderjarige] .\n\nEen co-ouderschapsregeling is onder deze omstandigheden niet reëel. Het hof zal het verzoek van de vader daartoe afwijzen.5.5. \n\nGelet op het voorgaande, ziet het hof, conform het door de raad ter zitting gegeven advies en het verzoek van de moeder, aanleiding om te bepalen dat [de minderjarige] om de week bij de vader zal verblijven van woensdag uit school tot maandag naar school.\n\nDeze zorgregeling bevat minder wisselmomenten dan de door de rechtbank vastgestelde regeling en is daardoor rustiger voor [de minderjarige] . Het hof acht dit, gelet op de ernstig verstoorde verstandverhouding tussen de ouders en de gevolgen daarvan voor [de minderjarige] ,\n\nhet meest in haar belang. Het hof zal, in navolging van de beslissing van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2025, bepalen dat de omgang bij de vader in de oneven weken zal plaatsvinden, zodat de zorgregeling aansluit bij de regeling van de jongste dochter van de vader.\n\n6. De slotsom\n\nOp grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de in de bestreden beschikking vastgestelde reguliere zorgregeling om doelmatigheidsredenen in zijn geheel vernietigen en in zoverre beslissen als volgt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 juli 2025, wat betreft de vastgestelde reguliere zorgregeling, en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nverdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder aldus dat [de minderjarige] eens per twee weken -in de oneven weken- van woensdag uit school tot maandag naar school\n\nbij de vader verblijft;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en E. Leentjes, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4258","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.417Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":44,"updatedAt":52},"820","ECLI:NL:GHARL:2025:7718","ecli-nl-gharl-2025-7718","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.351.665\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 195082)\n\nbeschikking van 4 december 2025\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de moeder),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nverzoekster in het principaal hoger beroep,\n\nverweerster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. I. Bergsma te Sneek,\n\nen\n\n [verweerder](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nverweerder in het principaal hoger beroep,\n\nverzoeker in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Oosterhof te Heerenveen.\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 25 februari 2025;\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 17 april 2025 met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 23 oktober 2025 met bijlage(n).\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft op 5 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de partijen met hun advocaten. De advocaat van de moeder heeft ter zitting het woord gevoerd mede aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.\n\n2.3.. Na de mondelinge behandeling heeft het hof nog een journaalbericht met bijlage namens de moeder ontvangen van 9 november 2025. Op 11 november 2025 heeft het hof een journaalbericht namens de vader ontvangen alsmede, in reactie hierop, op diezelfde datum een journaalbericht namens de moeder.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze is in 2016 beëindigd.\n\n3.2.. De vader en de moeder zijn de ouders van:\n\n [naam1] ([naam1]), geboren [in] 2005, die meerderjarig is; en\n\n [naam2] ([naam2]), geboren [in] 2011.\n\nDe vader heeft de kinderen erkend. Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over [naam2] .\n\n3.3.. Partijen hebben afspraken gemaakt over de kinderen in een ouderschapsplan, ondertekend [in] 2016. Daarin zijn partijen, voor zover in deze procedure van belang, het volgende overeengekomen.\n\n“Artikel 2- Hoofdverblijfplaats \u002F verhuizing \u002F paspoort\n\nDe kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] hebben hun hoofdverblijfplaats op [adres1] , aldaar staan zij ingeschreven. Dit zal zo blijven behoudens het feit dat het financieel beter uitkomt voor de moeder [verzoekster] om de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] op haar nieuwe nog te bepalen adres in [woonplaats1] in te schrijven.\n\nDe kinderbijslag wordt op dit moment geïnd door de vader [verweerder] , dit zal zo blijven zolang de beide kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] recht hebben op kinderbijslag. Er is in onderling goed overleg afgesproken dat de vader [verweerder] de kinderbijslag int. De vader spaart deze kinderbijslag structureel op een speciaal op naam gestelde spaarrekening van [naam1] en [naam2] [achternaam] . De vader [verweerder] spaart deze bedragen zolang zij kinderbijslag genieten om ervoor te zorgen dat er op later leeftijd van de kinderen er een spaarbedrag ligt ten behoeve van een eventuele studie of ander doel ten behoeve van de ontwikkeling en toekomstbestendigheid van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] . (…)\n\nArtikel 7- kosten levensonderhoud \u002F kinderalimentatie\n\nDe kosten van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] betreffende het levensonderhoud zijnde, schoolkosten, sport, schoolreisjes, kleding, uiterlijke verzorging en zorgverzekering komen in zijn geheel ten laste van de vader [verweerder] behoudens het feit dat de vader ontslag zou krijgen of zijn baan kwijtraakt en daardoor financieel dusdanig zou worden geraakt dat deze kosten zullen moeten worden heroverwogen. Indien deze omstandigheid zich zou voordoen, gaan ouders opnieuw om tafel om te kijken hoe bovenstaande kosten op dat moment over beide zouden kunnen worden verdeeld.\n\nAangezien de vader [verweerder] van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] alle bovenstaande kosten van levensonderhoud voor zijn rekening neemt behoeft er geen en\u002Fof rekening te worden geopend en beheerd en behoeven de ouders daarmee ook niet maandelijks of periodiek overleg te voeren omtrent de verdeling van de kosten. Een verdeling in de kosten van levensonderhoud naar rato van inkomen is dan ook niet aan de orde, hiermee vervalt dan ook een maandelijks betaling in de kosten van levensonderhoud van zowel de vader als de moeder ieders aan elkaar. De kinderalimentatie zal dus worden gedragen door de vader in zijn geheel zonder hiervoor maandelijks verplichtingen over en weer aan te gaan en daarbij te kijken naar ieders inkomen en rato verdeling van deze kosten.\n\nPartijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] wanneer zij bij hen zijn. Vaste lasten van de kinderen worden zoals gezegd gedragen en betaald door de vader.”\n\n3.4.. De partijen zijn in het ouderschapsplan een zorgregeling overeengekomen waarbij de kinderen in een periode van twee weken ongeveer evenveel tijd bij iedere ouder doorbrachten. Deze regeling hebben zij gewijzigd in een verdeling waarbij de kinderen de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader verbleven.\n\n3.5.. \n\nIn 2018 zijn partijen overeengekomen dat de vader een bijdrage zou betalen van\n\n€ 200,- in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] en [naam1] . In februari 2023 is dit bedrag verhoogd naar € 250,-. [in] 2023 is [naam1] meerderjarig is geworden. Vanaf oktober 2023 betaalt de vader € 125,- aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] .\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Bij de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, bepaald dat [naam2] in de BRP wordt ingeschreven op het adres van de moeder en zijn de partijen over en weer niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot het wijzigen van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] . De uitspraak is onmiddellijk uitvoerbaar verklaard en het anders of meer verzochte is afgewezen.\n\n4.2.. \n\nDe moeder is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank.\n\nDe moeder verzoekt de beschikking te vernietigen en, zo begrijpt het hof, primair:\n\n- de aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam1] en [naam2] per 3 juli 2016 vast te stellen op € 445,- per maand;\n\n- te bepalen dat dit bedrag wordt geïndexeerd tot 1 januari 2025;\n\n- te bepalen dat de vader de achterstand binnen 30 dagen na de beschikking moet voldoen;\n\n- de bijdrage voor [naam2] vanaf 15 september 2023 vast te stellen op € 261,63 per maand.\n\nSubsidiair verzoekt de moeder de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] met ingang van 28 november 2023 vast te stellen op € 298,- per maand.\n\nUit het beroepschrift komt naar voren - en namens de moeder is ter zitting bevestigd - dat het hoger beroep uitsluitend bedoeld is ter vaststelling van een gewijzigde bijdrage in de kosten van levensonderhoud en opvoeding van [naam2] .\n\n4.3.. \n\nDe vader voert verweer en is op zijn beurt met één grief zelfstandig in beroep gekomen (incidenteel hoger beroep). De grief ziet op inschrijving van [naam2] in de BRP bij de moeder.\n\nDe vader verzoekt in het hoger beroep van de moeder:\n\n- primair de verzoeken af te wijzen;\n\n- subsidiair de verzoeken van de moeder af te wijzen voor zover zij betrekking hebben op het verleden en te bepalen dat de bedragen die over en weer voldaan zijn, zijn voldaan zonder dat er nog een verrekening tussen partijen dient plaats te vinden;\n\n- voorwaardelijk, voor het geval de alimentatie met terugwerkende kracht wordt gewijzigd, meer subsidiair te bepalen dat de vader een vordering heeft op de moeder vanwege de door hem betaalde verblijfsoverstijgende kosten ten behoeve van de kinderen en deze vordering gelijk te stellen aan de verschuldigde achterstallige alimentatie.\n\nIn incidenteel hoger beroep verzoekt de vader, zo begrijpt het hof, te bepalen dat de beschikking van de rechtbank van 27 november 2024 wordt vernietigd en het verzoek van de moeder dat [naam2] bij haar ingeschreven wordt in de BRP, wordt afgewezen.\n\nEen en ander met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure van het zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep.\n\n4.4.. De moeder voert verweer. Zij vraagt het verzoek in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.\n\n4.5.. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.\n\n5. De overwegingen voor de beslissing\n\nIn principaal hoger beroep\n\n5.1.. Het hof is van oordeel dat de grieven van de moeder ongegrond zijn. Het hof zal daarom de verzoeken van de moeder afwijzen en de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigen. Het hof legt deze beslissing hieronder uit.\n\nWettelijk kader\n\n5.2.. Op grond van artikel 1:404 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Artikel 1:247a BW bepaalt dat ouders die samen het gezag uitoefenen over hun kinderen bij het einde van de samenleving een ouderschapsplan moeten maken waarin onder meer afspraken tussen de ouders zijn opgenomen over de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. De contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. De rechter oordeelt over de afspraken tussen de ouders zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over kinderalimentatie zijn overeengekomen.\n\n5.3.. Wijziging of intrekking van die overeenkomst is op grond van artikel 1:401 BW mogelijk als zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1), of als de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). Met grove miskenning van de wettelijke maatstaven wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven, of omdat partijen uitgingen van onjuiste en onvolledige gegevens, tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid. Nadat de rechter bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek heeft vastgesteld dat een van de hiervoor vermelde wijzigings- of intrekkingsgronden zich voordoet, geldt dat hij zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.\n\nDe beoordeling\n\nNietigheid op grond van artikel 3:40 jo. 3:59 BW\n\n5.4.. In de eerste plaats is aan de orde of de overeenkomst tussen partijen nietig is in de zin van artikel 3:40 BW, zoals door de moeder is bepleit. Op grond van deze bepaling is een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of openbare orde nietig. Op grond van lid 2 van artikel 3:40 BW is een rechtshandeling nietig indien deze in strijd is met een dwingende rechtsbepaling. Via artikel 3:59 BW is deze bepaling ook van toepassing buiten het vermogensrecht. Uit de toelichting op dit wetsartikel blijkt dat de wetgever met name het oog heeft op het personen- en familierecht.\n\n5.5.. De moeder stelt dat de afspraken tussen partijen over de kinderalimentatie nietig zijn omdat de behoefte van de kinderen niet is vastgesteld en de draagkracht van partijen niet is berekend. De afspraken tussen partijen voldoen daarom niet aan de wettelijke maatstaven, aldus de moeder. De moeder miskent daarmee naar het oordeel van het hof dat het partijen vrij staat om af te wijken van de wettelijke maatstaven zolang dit niet in het nadeel van de kinderen is. Het staat partijen vrij een verdeling van de kosten van de kinderen te maken zonder dat daaraan een behoefte- of draagkrachtberekening ten grondslag ligt. De enige beperking die partijen hebben bij het maken van hun afspraken is dat deze niet in het nadeel van de kinderen mogen zijn. De afspraken moeten ten minsteaan de wettelijke maatstaven voldoen. Er mag dus wel ten gunste van de kinderen worden afgeweken van de wettelijke maatstaven.\n\n5.6.. De moeder heeft niet aangetoond dat partijen ten nadele van de kinderen zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De moeder onderbouwt haar standpunt door te verwijzen naar een draagkrachtberekening op basis van de situatie van partijen in 2016, toen zij uit elkaar gingen. Uit haar berekening zou blijken dat de behoefte van de kinderen tezamen € 954,- bedroeg en de vader aan de moeder een bijdrage in de kosten van de kinderen zou moeten betalen van € 445,-. Het hof begrijpt het standpunt van de moeder aldus dat, omdat deze bijdrage niet is vastgesteld of overeengekomen, de in het ouderschapsplan gemaakte afspraak nietig is. De moeder gaat er in deze gedachtegang echter aan voorbij dat zij van deze bijdrage dan echter alle kosten van de kinderen had moeten voldoen, terwijl partijen hebben afgesproken dat de vader alle verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening zou nemen en de moeder alleen de verblijfskosten hoefde te betalen voor de dagen dat de kinderen bij haar waren. De vader heeft door middel van bankafschriften aangetoond dat hij de verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening heeft genomen. De moeder heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze deze afspraak in het nadeel van de kinderen was en dat met deze verdeling van de kosten niet ten minste in de behoefte van de kinderen werd voorzien. De moeder ontving de helft van de kinderbijslag en het volledige kindgebonden budget als aanvulling op haar inkomen om de verblijfskosten van de kinderen te voldoen. De moeder heeft niet aangetoond dat dit onvoldoende was om in de kosten van de kinderen te voorzien, terwijl dit wel op haar weg lag.\n\n5.7.. Daar komt bij dat partijen in 2018 nieuwe afspraken hebben gemaakt en dat de moeder vanaf dat moment € 200,- per maand ontving als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De overige afspraken bleven in stand. Dat wil zeggen dat de vader de verblijfsoverstijgende kosten bleef betalen en de moeder het kindgebonden budget en de helft van de kinderbijslag ontving waarvan zij uitsluitend de verblijfskosten voor de dagen dat de kinderen bij haar waren hoefde te voldoen. Vanaf februari 2023 werd die bijdrage € 250,- voor beide kinderen. Als de afspraken in 2016 niet zouden voldoen aan de wettelijke maatstaven, zijn deze achterhaald door de gewijzigde afspraken. Ook voor deze afspraken geldt dat de moeder niet heeft aangetoond dat deze niet ten minste aan de wettelijke maatstaven voldeden. Zij heeft daar geen berekening aan ten grondslag gelegd.\n\n5.8.. Uit het dossier leidt het hof overigens af dat wel ten minste is voldaan aan de wettelijke maatstaven. De vader heeft gesteld dat de behoefte van [naam2] € 594,- is. De moeder heeft niet betwist dat zij € 498,- kindgebonden budget, € 75,- kinderbijslag en € 125,- kinderalimentatie ontvangt voor [naam2] . Dat is volgens de vader ruim voldoende om de verblijfskosten te voldoen die voor rekening van de moeder komen. De moeder heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vader onvoldoende gesteld en niet aangetoond dat niet ten minste is voldaan aan de wettelijke maatstaven.\n\nNietigheid op grond van artikel 1:400 lid 2 BW\n\n5.9.. Voor zover de moeder heeft betoogd dat de afspraken over de kinderalimentatie nietig zijn omdat in strijd met artikel 1:400 lid 2 BW is afgezien van het verschuldigde levensonderhoud, faalt deze grief. Dat partijen geen kinderalimentatie zijn overeengekomen, betekent niet dat is afgezien van het verschuldigde levensonderhoud. Partijen hebben afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van de kinderen en over de verdeling van de beschikbare middelen daarvoor. Zij hebben geen afstand gedaan van de wettelijke verplichting tot betaling van levensonderhoud.\n\nWijziging op grond van artikel 1:401 lid 5 BW\n\n5.10.. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de overeenkomst tussen partijen is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven in de zin van artikel 1:401 lid 5 BW. Waar de moeder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de afspraken tussen partijen niet ten minste voldoen aan de wettelijke maatstaven, heeft zij ook niet aangetoond dat de afspraken zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De moeder heeft tegenover de gemotiveerde stellingen en berekeningen van de vader geen berekeningen overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken.\n\n5.11.. Omdat niet is komen vast te staan dat de afspraken tussen partijen niet ten minste voldoen aan de wettelijke maatstaven en evenmin sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven, komt het hof niet toe aan een zelfstandige berekening van de kinderalimentatie met in achtneming van die wettelijke maatstaven. De moeder heeft ook geen recente financiële gegevens in het geding gebracht waarop een berekening zou kunnen worden gebaseerd.\n\nIn incidenteel hoger beroep\n\n5.12.. Na de mondelinge behandeling heeft de moeder met toestemming van het hof een specificatie van haar WIA-uitkering in het geding gebracht. Naar aanleiding daarvan heeft de vader zijn incidenteel hoger beroep ingetrokken, met uitzondering van zijn verzoek om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het hof zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn incidenteel hoger beroep voor zover dit ziet op de inschrijving van [naam2] in de BRP en een beslissing nemen over de proceskosten.\n\n6. De slotsom\n\nIn het principaal hoger beroep\n\n6.1.. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.\n\nIn het incidenteel hoger beroep\n\n6.2.. Omdat de vader het incidenteel hoger beroep heeft ingetrokken, zal het hof hem niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep over de inschrijving van [naam2] in de BRP.\n\nProceskosten\n\n6.3.. Met betrekking tot het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de proceskosten overweegt het hof dat er onvoldoende gronden zijn om af te wijken van het uitgangspunt in familiezaken dat iedere partij de eigen kosten draagt (compensatie van proceskosten). Het hof bepaalt dan ook dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen een relatie hebben gehad en de procedure het kind van partijen betreft.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nverklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2024, voor zover het betreft de beslissing dat [naam2] wordt ingeschreven in de BRP bij de moeder;\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;\n\ncompenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Leentjes, mr. J.G. Knot en mr. L. van Dijk, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 4 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689 en HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:422.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7718","2026-07-13T00:28:49.685Z",20]