[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-traffic-fines-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":55,"limit":56},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},100,"traffic-fines-nl","Traffic Fines","NL","2026-07-08T16:56:40.723Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-08-12T00:00:00.000Z","2026-06-19T00:00:00.000Z",[],[22,32,41,48],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"994","ECLI:NL:GHARL:2026:4078","ecli-nl-gharl-2026-4078","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nzittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer\n\n: Wahv 200.362.575\u002F01\n\nCJIB-nummer\n\n: 259413423\n\nUitspraak d.d.\n\n: 19 juni 2026\n\nArrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 13 oktober 2025, betreffende\n\n [betrokkene] (hierna: de betrokkene),\n\nwonende te [woonplaats] .\n\nDe beslissing van de kantonrechter\n\nDe kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 165,-.\n\nHet verloop van de procedure\n\nDe officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.\n\nDe betrokkene heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.\n\nDe beoordeling\n\n1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 440,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 juni 2023 om 9:26 uur op de Sint-Elisabethstraat in Vught met het voertuig met het kenteken [kenteken] .\n\n2. De kantonrechter heeft de sanctie gematigd tot een bedrag van € 165,- om twee redenen. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag met 50 procent gematigd omdat de hoogte van de opgelegde sanctie voor de onderhavige gedraging onevenredig hoog is. Vervolgens heeft de kantonrechter het sanctiebedrag verder gematigd met 25 procent in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.\n\n3. De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de kantonrechter buiten de omvang van het geschil is getreden. De gronden van de betrokkene zijn niet beoordeeld conform het daarvoor toepasselijke kader, zijnde artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv. Het door de kantonrechter in acht genomen evenredigheidsbeginsel is niet ambtshalve aan de orde.\n\nSubsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de aard van het Besluit van 26 januari 2023 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven (hierna: Besluit 2023)zich, gelet op de samenhang met de Wahv, verzet tegen de toepassing van afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), of in ieder geval tegen toepassing van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb opgenomen evenredigheidsbeginsel. Dat brengt met zich dat de kantonrechter zich niet uit had mogen laten over de algemene evenredigheid van het sanctietarief voor de onderhavige gedraging. Het Besluit 2023 behoort bij artikel 2, vijfde lid, van de Wahv en dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv, namelijk een efficiënte, snellere en effectievere afdoening van veelvoorkomende lichte verkeersovertredingen. Daarnaast is in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv expliciet een bepaling opgenomen waaruit volgt dat bij het sanctietarief in de Wahv rekening gehouden moet worden met zowel de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden als de omstandigheden waarin een betrokkene verkeert. Hiermee is het evenredigheidsbeginsel al in de wet zelf verankerd. Dat afdeling 3.2 van de Awb, dan wel artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, niet uitdrukkelijk is uitgesloten van de Wahv doet hieraan niet af. Daarbij merkt de officier van justitie op dat in artikel 2a van de Wahv de toepassing van onder meer titel 5.4 van de Awb, met daarin een specifiekere bepaling over de hoogte van bestuurlijke boetes, wel nadrukkelijk is uitgesloten. Nu de Wahv al een specifiekere bepaling bevat en de wetgever hiermee zowel de officier van justitie als de rechter een volledige toetsingsbevoegdheid heeft gegeven is een bredere toets op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb niet wenselijk. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming is dit ook niet nodig. De doelstellingen van de Wahv verzetten zich tegen een bredere toets, want dit leidt tot verzwaring van de werklast van het openbaar ministerie en de rechtspraak. Opgemerkt wordt nog dat de Wahv als regeling sui generis moet worden gezien.\n\nMeer subsidiair neemt de officier van justitie het standpunt in dat de kantonrechter het Besluit 2023 niet ten volle had mogen toetsen aan het evenredigheidsbeginsel en uit had moeten gaan van het door de regelgever vastgestelde sanctietarief. De officier van justitie dient daarvan ook uit te gaan. De kantonrechter is het rechterlijke beoordelingskader te buiten gegaan. Het tarievenhuis, dat het beoordelingskader vormt voor alle tarieven van feiten die zijn opgenomen in de bijlage bij de Wahv en bijlage I bij het Besluit OM-afdoening, laat geen ruimte voor een individuele straftoemeting. Het is in beginsel aan de regelgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen bij de vaststelling van het sanctietarief en de rechter moet het resultaat daarvan in beginsel respecteren. In individuele zaken kan de rechter het Besluit 2023 exceptief toetsen aan geschreven of ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. In 2012 heeft de regelgever ervoor gekozen om het sanctietarief voor onder meer de onderhavige feitcode te verhogen van € 180,- naar € 360,- omdat de onderhavige gedraging door de regelgever is gekwalificeerd als ‘hufterigheid’ in het verkeer. Deze verhoging had mede tot gevolg dat het sanctietarief voor deze gedraging ten opzichte van het sanctietarief voor een reguliere parkeerboete werd verviervoudigd. In de jaren daarna zijn de sanctietarieven meegegroeid met de inflatiecorrectie. De kantonrechter heeft het bij het Besluit vastgestelde sanctietarief in volle omvang getoetst. De kantonrechter heeft hiermee miskend dat de regelgever een ruime beslissingsruimte heeft ten aanzien van het vaststellen van de hoogte van de sanctietarieven en dat de sanctiebedragen in Wahv-zaken in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van betrokkenen. Voor zover de kantonrechter de sanctietarieven heeft vergeleken met boetebedragen voor eenvoudige misdrijven zoals mishandeling of winkeldiefstal is het aan de wet- en regelgever voorbehouden om hierover te beslissen. De officier van justitie merkt tot slot op dat indien iedere rechter afzonderlijk zijn oordeel gaat vormen over de hoogte van het sanctietarief in de zaak die aan hem is voorgelegd dit kan leiden tot een veelvoud aan verschillende sanctietarieven voor eenzelfde gedraging. Dit terwijl het doel van de Wahv is om deze lichte verkeersovertredingen efficiënt, uniform en effectief af te doen. Het komt zowel de rechtszekerheid als de rechtseenheid niet ten goede als iedere rechter afzonderlijk gaat oordelen over de algemene hoogte van sanctietarieven. De officier van justitie concludeert daarom tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.\n\n4. Het hof dient eerst te beoordelen wat als de omvang van het geschil in beroep bij de kantonrechter moet worden aangemerkt. De omvang van het geschil wordt in bestuursrechtelijke procedures bepaald door de gronden die de indiener van het beroepschrift aanvoert in relatie tot het bestreden besluit.\n\n5. Door de betrokkene is in beroep bij de kantonrechter het volgende aangevoerd. De betrokkene is medewerkster van het nabijgelegen verzorgingshuis en was een mindervalide bewoner uit de auto aan het begeleiden. De bebording was niet duidelijk zichtbaar en hiervoor is er abusievelijk op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats geparkeerd. De bebording stond na de parkeerplaats en is kort na de gedraging verplaatst. Het voertuig van de betrokkene stond niet langer dan een uur ter plaatse. De betrokkene heeft de kantonrechter verzocht de sanctie te vernietigen.\n\n6. Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter, door te toetsen of de hoogte van het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie niet onevenredig is, niet buiten de omvang van het geschil getreden. In de door de betrokkene aangevoerde gronden ligt besloten, zo heeft de officier van justitie in het hoger beroepschrift ook gesteld, dat, als oplegging van de sanctie niet achterwege kan blijven, het bedrag van de sanctie moet worden gematigd. Dit brengt mee dat de kantonrechter, die tot het oordeel was gekomen dat er geen grond was om de sanctie achterwege te laten, de hoogte van de opgelegde sanctie diende te beoordelen. Daarbij dient de kantonrechter ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen (vgl. artikel 8:69, tweede lid, van de Awb).\n\n7. Bij de beoordeling van de hoogte van de opgelegde sanctie is van belang dat de rechter de door de regelgever voor de verrichte gedraging bepaalde hoogte van de sanctie exceptief kan toetsen aan geschreven of ongeschreven hoger recht.Tot het hoger recht waaraan kan worden getoetst behoort onder andere het evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel is opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en houdt in dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In artikel 3:1 van de Awb is bepaald dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 slechts van toepassing is, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet. Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb valt onder deze afdeling.\n\n8. De aard van het Besluit 2023 verzet zich niet tegen toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dat het Besluit 2023 dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv ontslaat de regelgever niet van de verplichting om bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een gedraging het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Dit beginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de gedraging waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt. Indien de regelgever deze verplichting in acht neemt, is van verzwaring van de werklast van openbaar ministerie en rechterlijke macht geen sprake en kunnen de officier van justitie en de rechter uitgaan van de door de regelgever vastgestelde tarieven.\n\n9. Voor zover de officier van justitie van opvatting is dat de rechter de hoogte van de sanctie slechts mag toetsen aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv en daarbij dient uit te gaan van het door de regelgever bepaalde sanctietarief, vindt deze opvatting derhalve geen steun in het recht. De rechter kan, ook bij de toetsing aan deze bepaling, beoordelen of de door de regelgever bepaalde hoogte van de sanctie evenredig is.\n\n10. Gelet hierop treffen de primair en subsidiair aangevoerde gronden van de officier van justitie geen doel.\n\n11. Met betrekking tot de meer subsidiair aangevoerde grond overweegt het hof dat de rechter bij de toetsing of de regelgever bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een verrichte gedraging voldoende in acht heeft genomen, terughoudend dient te zijn.\n\n12. Het hof heeft in dit verband bij zijn arrest van 31 juli 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:4719 het volgende overwogen:\"9. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen niet tot taak heeft om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn bij feitelijke of technische complexiteit van de materie of als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van belangen betreft, geldt dat de beoordeling intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.10. In de onderhavige zaak beschikt de regelgever, gelet op de in overweging 5. genoemde artikelen van de Wahv, over een ruime beslissingsruimte. Er geldt een maximum voor de hoogte van het vast te stellen sanctiebedrag, maar voor het overige zijn in de tekst van de wet geen beperkingen vastgelegd.11. Bij de vaststelling van de hoogte van het sanctiebedrag kunnen, zoals hier ook daadwerkelijk het geval is geweest, politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen. Het gaat voorts om sanctiebedragen die in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van de betrokkenen. Dit brengt mee dat de intensiteit waarmee het hof dient te toetsen gering is.\"\n\n13. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit 2023 blijkt dat de sanctietarieven zijn verhoogd met 8,6 procent en dat dit percentage is gebaseerd op de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Zoals in de Nota van Toelichting bij dit besluit wordt opgemerkt, bewerkstelligt indexering dat de strafmaat in relatieve zin ongewijzigd blijft. Ook de voorgaande jaren (2013 tot 2022) zijn de sanctietarieven slechts geïndexeerd. Bij Besluit van 15 december 2011 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften alsmede de bijlage bij het Besluit OM-afdoening onderscheidenlijk het Transactiebesluit 1994 in verband met onder meer een verhoging van de tarieven (hierna: Besluit 2012)is het sanctietarief voor de onderhavige gedraging verhoogd van\n\n€ 180,- naar € 340,-. De onderhavige gedraging wordt genoemd in bijlage A bij dit besluit. Deze bijlage bevat een lijst met - volgens de regelgever - asociale en gevaarlijke gedragingen waarvoor de tarieven aanzienlijk zijn verhoogd. Over deze verhoging is in de Nota van Toelichting bij het Besluit 2012 het volgende opgemerkt:\n\n“Alle tarieven zijn met vijftien procent verhoogd. In de behandeling van de begroting van het jaar 2011 was aangekondigd dat de verkeersboetes per 2012 met twintig procent zouden worden verhoogd (Kamerstukken II 2010\u002F11 32 500 VI, nr. 2, blz. 9). Dit percentage is gematigd tot vijftien procent vanwege de hierna beschreven uitvoering die wordt gegeven aan de motie Van der Staaij c.s.\n\nVoor een aantal asociale en gevaarlijke gedragingen zijn de tarieven verhoogd naar € 340,- per feit, een verhoging na indexering met ongeveer 55 procent. (…)\n\nMet deze wijzigingen van de tarieven in de nieuwe bijlage bij de Wahv wordt uitvoering gegeven aan de motie Van der Staaij c.s., waarin de regering is verzocht om binnen het beschikbare budget niet te kiezen voor een algehele procentuele verhoging voor alle verkeersboetes, maar voor gerichte boeteverhogingen voor in het bijzonder grote verkeersovertredingen, waaronder snelheidsovertredingen in woonwijken, hufterigheid in het verkeer en recidive. Dit betekent dat de opgave onder andere was het zoeken naar een gerichte verhoging van de in de motie genoemde overtredingen, die leidt tot een opbrengst die overeenkomt met het in de begroting voor 2012 opgenomen bedrag voor de aanvankelijk voorgenomen tariefsverhoging met 20 procent. Een bijkomende voorwaarde was dat de gerichte verhoging voor de asociale gedragingen niet tot gevolg heeft dat de boetes voor deze gedragingen niet meer in verhouding staat tot de overige overtredingen. Dit voerde tot de conclusie dat naast forse, gerichte verhogingen voor specifieke gedragingen ook een algehele verhoging met 15 procent noodzakelijk is om binnen hetzelfde budgettaire kader te blijven. (…)\n\nDe wenselijkheid van de tariefsverhoging wordt ingegeven door de verwachting dat de verkeersdeelnemers zich hierdoor beter aan de regels zullen houden. Overtreders worden door zwaardere sanctionering immers geconfronteerd met hogere boetes, terwijl men deze kosten ook kan vermijden door de wet niet te overtreden. Het effect op de naleving wordt versterkt doordat het bij de Wahv gaat om overtredingen waarvoor de (gepercipieerde) pakkans relatief hoog is. Met deze verhoging wordt beoogd het niveau van de naleving van verkeersvoorschriften over de gehele linie te verbeteren. De verhoging van de tarieven in dit besluit wordt daarnaast ingegeven door het feit dat de financiële opbrengsten substantieel achterblijven bij de daarover opgestelde ramingen, terwijl het aantal verkeersovertredingen hoog blijft. Kennelijk zijn die sancties niet hoog genoeg om voldoende afschrikwekkend te zijn. Naast het nastreven van een strikte handhaving is dit een bijkomende reden om de sancties op te hogen. (…)\n\nBij deze verhoging van de Wahv-boetes wordt – net als bij de voorgaande verhogingen – rekening gehouden met het zogenoemde tarievenhuis. Het tarievenhuis vormt een uniform beoordelingskader voor de tarieven bij gedragingen uit de bijlage bij de Wahv en de tarieven die zijn vastgelegd in de beleidsregels van het openbaar ministerie, waaronder de tarieven voor de feiten in de bijlage bij het Besluit OM-afdoening en het Transactiebesluit 1994. Dit beoordelingskader zorgt ervoor dat er vaste verhoudingen bestaat tussen de sancties voor de verschillende strafbare gedragingen. Op basis van het afgewogen systeem van het tarievenhuis worden daarom per 1 januari 2012 alle tarieven gelijkelijk verhoogd. Naast de Wahv-boetes gaat dit om de tarieven die in de beleidsregels van het openbaar ministerie zijn vastgelegd voor de strafrechtelijke handhaving. Met de verhogingen in voorgaande jaren en deze verhoging wordt over de volle breedte van de rechtshandhaving strikter gehandhaafd. Zolang er nog sprake is van een aanzienlijk tekort wat betreft de naleving van de verkeersvoorschriften, mag verondersteld worden dat de hoogte van de boetes, ook na deze verhoging, in een redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de overtredingen.”\n\n14. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n15. Uit de toelichting bij het Besluit 2012 blijkt dat de regelgever heeft beoordeeld of het nieuw vastgestelde sanctiebedrag nog evenredig is. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat het door de regelgever vastgestelde sanctietarief, gelet op de in die toelichting genoemde redenen om dit (fors) te verhogen, niet in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging. De gerechtigde op de parkeerplaats moet erop kunnen vertrouwen dat hij ter plaatse kan parkeren. Het door de regelgever voor de onderhavige gedraging vastgestelde tarief mag daarom door de ambtenaar worden toegepast.\n\n16. Beoordeeld dient vervolgens te worden of er aanleiding bestaat om in de onderhavige situatie, op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, over te gaan tot matiging van het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie. Daarbij gaat het om de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert.\n\n17. De betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat zij medewerkster is van het nabijgelegen verzorgingshuis en dat zij op dat moment bezig was een mindervalide bewoner uit de auto te begeleiden. Ook acht het hof aannemelijk dat het voertuig van de betrokkene daar niet langer dan een uur geparkeerd heeft gestaan. Onder deze omstandigheden kan de gedraging die door de betrokkene is verricht niet op één lijn worden gesteld met het hufterig gedrag waarop de regelgever het oog heeft gehad bij het vaststellen van het tarief voor deze gedraging. Het hof ziet in deze door de betrokkene aangevoerde redenen aanleiding het sanctiebedrag te matigen tot € 330,-.\n\n18. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Het hof zal, net als de kantonrechter, het gematigde sanctiebedrag vervolgens matigen met 25 procent in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof:\n\nvernietigt de beslissing van de kantonrechter;\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;\n\nwijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 247,50.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Wijma en Orriëns-Schipper in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.\n\n Staatsblad 2023, 53\n\n ov. 6 van het arrest van het hof van 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719.\n\n Staatsblad 2011, 630.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4078","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.007Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":40},"1609","ECLI:NL:RBNNE:2025:5930","ecli-nl-rbnne-2025-5930","2025-11-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 264635342\n\nzaaknummer: 11682592 BU VERZ 25-954\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van26 november 2025\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 5 maart 2024, om 11:44 uur, op de Groningerstraat in Surhuisterveen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 429,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 26 november 2025 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie\n\nmr. P. Veenstra.\n\n1.3.. Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechterBeslissing\n\n2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nStandpunten\n\n3. Betrokkene voert aan dat hij geen mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden, maar zijn Justitiebadge. Hij heeft geblindeerde ramen en hij was aan het rommelen in zijn zakken, op zoek naar zijn badge. Deze badge heeft wel de vorm van een mobiele telefoon. De verbalisant vroeg aan hem wat voor telefoon hij had. Hij heeft zijn telefoon toen uit het opbergvakje gehaald, waar die lag op te laden. Gemachtigde voert aan dat betrokkene de verkeersovertreding consistent heeft ontkend. Betrokkene heeft dat ook direct bij de staandehouding gedaan. De verklaring van de verbalisant is niet compleet, omdat hij niet heeft verklaard hoe hij de verkeersovertreding heeft waargenomen. Het aanvullend proces-verbaal voegt ook niets toe aan de verklaring in het zaakoverzicht.\n\n4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. De verbalisant heeft verklaard dat hij alleen een boete oplegt als hij zeker is dat hij een verkeersovertreding heeft gezien. Daarnaast heeft betrokkene tijdens de staandehouding niet verklaard dat hij een badge uit zijn zak aan het halen was.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de verbalisant te twijfelen. Die verklaart dat hij zag dat betrokkene een mobiel elektronisch apparaat vasthad. Een badge is normaal niet zo groot dat die makkelijk verward kan worden met een mobiele telefoon. Daarnaast heeft betrokkene juist niet consistent aangevoerd dat hij een badge vasthad. Hij heeft dit namelijk in administratief beroep en bij de staandehouding niet aangevoerd, terwijl dat wel van hem verwacht mag worden als hij inderdaad een badge vasthad. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de boete te matigen.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5930","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.474Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":47},"1612","ECLI:NL:RBNNE:2025:5931","ecli-nl-rbnne-2025-5931","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 263456310\n\nzaaknummer: 11682532 BU VERZ 25-945\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van26 november 2025\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngemachtigde: G. Debije, Meesterboete.nl.\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘11 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)’, verricht op 5 januari 2024, om 13:56 uur, op de N351 Bovenweg HMP 8.0 in Nijeberkoop, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 113,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 26 november 2025 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie\n\nmr. P. Veenstra.\n\n1.3.. Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechterBeslissing\n\n2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nStandpunten\n\n3. Gemachtigde voert aan dat er ter plaatse geen bebording is waarop een afwijkende snelheid staat. De verbalisant heeft de bebording niet geschouwd, terwijl dat wel had gemoeten. Daarnaast is hij niet beëdigd, omdat het nummer van de akte van beëdiging niet is opgenomen in het zaakoverzicht. Verder moet het bewijs bij een bestuurlijke boete rond zijn, dit is in dit geval niet zo.De inleidende beschikking moet daarom vernietigd worden. Ten slotte verzoekt hij om proceskostenvergoeding. Daar voert hij bij aan dat de proceskostenvergoeding niet dubbel gematigd mag worden. Deze dermate lage vergoeding is ook in strijd met artikel 6 van het EVRM.\n\n4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. De bebording was aanwezig. De verbalisant was ook fysiek aanwezig. Daarnaast is de enkele stelling dat de verbalisant niet bevoegd is niet genoeg om te twijfelen aan de bevoegdheid. Verder moet het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen worden. Ten slotte is het in een Wahv-procedure toegestaan om aanvullende stukken over te leggen op de zitting.\n\nOverwegingen\n\nDe verkeersovertreding\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De verkeersovertreding kan worden vastgesteld, omdat de bebording aanwezig was ten tijde van de verkeersovertreding. De verbalisant was fysiek aanwezig en uit eerdere rechtspraak blijkt dat betrokkene er dan vanuit mag gaan dat de verbalisant de bebording heeft gecontroleerd, tenzij uit het dossier blijkt dat de bebording niet is gecontroleerd.Op Google Maps is te zien dat bebording aan beide kanten van de pleeglocatie is geplaatst. Die staat zo dicht op de pleeglocatie dat de kantonrechter ervanuit mag gaan dat de verbalisant deze heeft gecontroleerd.\n\nDe bevoegdheid van de verbalisant\n\n6. Het nummer van de akte van beëindiging staat niet in het zaakoverzicht. Dit betekent niet dat ervan uitgegaan moet worden dat de boete is opgelegd door een ambtenaar die daar niet toe bevoegd is.Het alleen betwisten van de bevoegdheid van de verbalisant geeft de kantonrechter geen aanleiding om daar onderzoek naar te doen.\n\nHet overleggen van aanvullende stukken\n\n7. Verder is de boete in deze zaak geen bestuurlijke boete, maar een boete op basis van de Wahv. De officier van justitie mag daarom wel aanvullende stukken overleggen in een later stadium. Er is geen rechtsregel in de Wahv die dat verbiedt.\n\nDe proceskostenvergoeding\n\n8. Ten slotte wijst de kantonrechter het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat het beroep ongegrond wordt verklaard. Hij komt daarom ook niet toe aan de verweren met betrekking tot de proceskostenvergoeding.Conclusie\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.\n\n CBb 29 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:41.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 5 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4796.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6169.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 19 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5319.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7790.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5931","2026-07-13T00:29:29.599Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":54},"1234","ECLI:NL:GHARL:2025:4980","ecli-nl-gharl-2025-4980","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nLocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.346\u002F01\n\nbeslissing van 12 augustus 2025\n\nop het verzoek van:\n\n [wraker] ,\n\nwonende te [woonplaats]\n\nverzoeker in het wrakingsincident\n\nhierna: de verzoeker,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 17 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) juncto artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\nmr. L. Willems-Keekstra,\n\nraadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling strafrecht (Mulderzaken) van het hof is onder zaaknummer Wahv 200.350.121\u002F01 een procedure aanhangig van de verzoeker, waarin hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Gravenhage, van 2 december 2024.\n\n1.2. Op 20 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de enkelvoudige strafkamer (Mulderzaken) van dit hof. Op de strafzitting was de verzoeker aanwezig. Namens de advocaat-generaal was mr. P.A. Veenstra aanwezig. Nadat het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten, heeft de verzoeker mr. Willems-Keekstra gewraakt. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.1.3. Mr. Willems-Keekstra heeft niet in de wraking berust. Mr. Willems-Keekstra heeft bij verweerschrift van 17 juli 2025 op het wrakingsverzoek gereageerd.1.4. Het wrakingsverzoek is ter zitting van 1 augustus 2025 behandeld door de wrakingskamer. De verzoeker is bij deze behandeling verschenen en heeft zijn wrakingsverzoek mondeling toegelicht. Mr. Willems-Keekstra is niet verschenen.\n\n2. 2 De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek\n\n2.1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht de verzoeker ook overigens ontvankelijk. De gronden van het wrakingsverzoek2.2. \n\nDe verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat mr. Willems-Keekstra voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM op te roepen om ter zitting als getuige te worden gehoord. Volgens de verzoeker had de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM gehoord moeten worden over de vraag of sprake is van gebrek aan juridische kennis bij de medewerkers van het parket CVOM over de Algemene termijnenwet dan wel of de Algemene termijnenwet opzettelijk onjuist wordt toegepast.\n\nDe inhoudelijke beoordeling van het verzoek2.3. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 17 Wahv in samenhang met artikel 512 Sv de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.2.4. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor het bevooroordeeld zijn van de rechter, is het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.\n\n2.5. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 juni 2025 blijkt dat de verzoeker ter zitting heeft verklaard van mening te zijn dat de officier van justitie zijn beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de verzoeker is namelijk geen rekening gehouden met de Algemene termijnenwet. De verzoeker heeft daarom tijdens de mondelinge behandeling van de zaak bij het hof dit punt aan de orde willen stellen en verzocht om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM te horen over de juridische kennis van de medewerkers van het parket CVOM over de Algemene termijnenwet. Na schorsing van de mondelinge behandeling voor beraad heeft mr. Willems-Keekstra meegedeeld dat op het verzoek om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM te horen zal worden beslist in de uitspraak en dat het verzoek zal worden ‘meegenomen in raadkamer’. Indien het verzoek wordt toegewezen, zal het onderzoek worden heropend voor het oproepen van de getuige en volgt eerst nog geen uitspraak. Daarop heeft de verzoeker mr. Willems-Keekstra gewraakt.\n\n2.6. De wrakingskamer overweegt ten aanzien van het voorgaande als volgt. Het is voor de wrakingskamer duidelijk dat de verzoeker veel zorgen heeft over de werkwijze bij het CVOM en dat hij van mening is dat hij deze zorgen bij de mondelinge behandeling ten overstaan van mr. Willems-Keekstra onvoldoende heeft kunnen uiten. De enkele omstandigheid dat, anders dan verzoeker wenste, toen niet direct door laatstgenoemde is beslist op het hiervoor in rov. 2.5 genoemde verzoek, maakt naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet dat sprake is van (een objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid van mr. Willems-Keekstra. Ook de overige gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling geeft daar geen blijk van. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nwijst het verzoek tot wraking van mr. Willems-Keekstra af.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. P.S. Bakker, R.F.C. Spek en L. Pieters, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:4980","2026-07-13T00:29:11.388Z",1,20]