[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-lelystad-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":46,"limit":47},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},71,"Lelystad","nl","lelystad",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[],[22,32,39],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"467","ECLI:NL:RBMNE:2026:4048","ecli-nl-rbmne-2026-4048","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nParketnummers: 16\u002F164779-25; 09\u002F203218-25 (t.t.z. gevoegd);\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [2006] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. N. Schipper;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. S.J. Jansen (hierna: de advocaat);\n\nde advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] : mr. A.J.W.F. Segeren, waarnemend voor mr. J.L. L’Homme;\n\nde gemachtigde van de benadeelde partij Univé Dichtbij Brandverzekering N.V..2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\n16\u002F164779-25\n\nfeit 1\n\nop 16 januari 2025 te Almere in vereniging, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een bedrijfspand, gelegen aan de [adres] , door met een steen een ruit van dat pand in te gooien en een explosief aan te steken, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nfeit 2\n\nop 16 januari 2025 te Almere in vereniging een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een IED (Improviced Explosieve Device) voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 3\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Btr, een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten, 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B), 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en 1 scherp patroon 6.35Br (Geco), voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 4\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 332,6 gram MDMA en een hoeveelheid van ongeveer 2.000 zegels bevattende LSD;\n\nfeit 5\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\n09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\nop 1 februari 2025 te Stolwijk in vereniging [slachtoffer] heeft geprobeerd op te lichten door haar te bewegen een tas met waardevolle spullen aan verdachte af te geven.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 3, 4 en 5 onder de zaak met parketnummer 16\u002F164779-25. Ten aanzien van de overige feiten refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\n16\u002F164779-25\n\nTen aanzien van feit 1 en 2\n\nDe verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. De bewijsmiddelen staan in bijlage II van dit vonnis.\n\nTen aanzien van feit 3, 4 en 5\n\nDe rechtbank oordeelt dat ook feiten 3, 4, en 5 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n09\u002F203218-25\n\nDe rechtbank oordeelt dat het ook onder dit parketnummer ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverwegingen\n\n16\u002F164779-25\n\nInleiding\n\nOp 16 januari 2025 heeft er in Almere bij de sportschool [benadeelde] een ontploffing plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze ontploffing heeft de politie een onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek kwam de verdachte naar voren. Op 8 juli 2025 is de verdachte in zijn woning aangehouden door de politie. Op dezelfde dag is zijn woning ook doorzocht. Tijdens deze doorzoeking is in de slaapkamer van de verdachte een Basic Fit rugtas aangetroffen, waarin o.a. (onderdelen van) wapens, munitie, LSD-vellen, MDMA-pillen en ketamine is aangetroffen.\n\nWetenschap aanwezigheid drugs en wapens\n\nDe advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte niet de eigenaar was van de rugtas en ook niet heeft geweten wat er in de tas zat. De verdachte zou de rugtas voor een vriend van een vriend in bewaring hebben genomen. Wie dat (precies) is, weet hij niet. Hij zou niet hebben gevraagd wat er in de tas heeft gezeten en hij zou ook niet in de tas hebben gekeken.\n\nVoor “opzettelijk aanwezig hebben” (van harddrugs), voor “opzettelijk voorhanden hebben” (van (onderdelen van) wapens) en voor “opzettelijk in voorraad hebben” (van ketamine) is steeds vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van die spullen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die goederen aanwezig zijn onder deze wetenschap kan worden geschaard. De verdachte heeft verklaard dat hij de tas voor een ander moest bewaren, maar dat hij ook niet wist wie dat was, slechts dat het om een vriend van een vriend ging. Die onbekende derde zou de tas ongeveer twee weken eerder bij de verdachte hebben gebracht en hij zou nog aan de verdachte laten weten wanneer hij de tas weer zou komen ophalen. Onder deze omstandigheden had de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een onderzoeksplicht. Hij zegt dat hij geen vragen heeft gesteld over de inhoud van de tas en dat hij niet heeft gevraagd waarom het nodig was dat die tas nou juist op de slaapkamer van de verdachte werd ondergebracht. De tas is vervolgens twee weken bij hem gebleven, tot de politie deze heeft gevonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat er ten minste sprake is van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat in de tas illegale waren zaten. De rechtbank oordeelt dat in dit geval sprake is geweest van het opzettelijk aanwezig (respectievelijk voorhanden hebben en in voorraad hebben) hebben van drugs, wapens en munitie en ketamine.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 onder parketnummer 16\u002F164779-25 van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.\n\n16\u002F164779-25\n\nDe verdachte stelt dat hij op 1 februari 2025 wel iets wilde ophalen, maar dat hij niet wist dat het een oplichting betrof. De verdachte heeft verklaard dat hij via snapchat benaderd is om met een aantal personen ergens wat op te halen en dat hij hiervoor ook een geldbedrag zou krijgen. De verdachte geeft aan dat hij deze personen niet kende en dat hij de persoon die hem benaderd had ook niet kende. De verdachte zou enkel een code moeten doorgeven en een tas op moeten halen.\n\nDe rechtbank oordeelt het op basis van deze omstandigheden niet geloofwaardig dat de verdachte niet zou hebben geweten dat het een oplichting betrof. Het is ongeloofwaardig dat hij een dergelijke cruciale rol bij de oplichting zou vervullen, zonder precies te weten hoe hij zich moest gedragen en wat hij moest zeggen en doen, waaruit volgt dat hij wist dat het om oplichting ging.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot het feit onder parketnummer 09\u002F203218-25 van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nTen aanzien van 16\u002F164779-25\n\nfeit 1\n\nop 16 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht in een bedrijfspand (sportschool [benadeelde] ), gelegen aan de [adres] , door- met een steen een ruit van het pand in te gooien en- (vervolgens) een explosief tot ontbranding te brengen\n\nten gevolge waarvan dat pand gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor- dat pand en de inboedel van dat pand en- ( nabijgelegen bedrijfspanden en inboedel van die nabijgelegen bedrijfspanden,in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nfeit 2\n\nop 16 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (improvised explosive device (IED)), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 3\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Br, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen en- een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten• 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B) en• 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en• 1 scherp patroon 6.35Br (Geco),voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 4\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad- ongeveer 880,5 pillen \u002F 332,6 gram, zijnde een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en- ongeveer 4 vellen \u002F 2.000 zegels, zijnde een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD,zijnde MDMA en LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 5\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten (ongeveer) 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\nTen aanzien van 09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\nop 1 februari 2025 te Stolwijk, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] , te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een tas met (waardevolle) spullen, - naar de vaste telefoonlijn van die [slachtoffer] heeft gebeld en zich telefonisch (tegenover [valse naam 1] ) heeft voorgedaan als politiemedewerker en- telefonisch heeft verteld dat er sprake is van een verdachte situatie in de omgeving van de woning van die [slachtoffer] en dat die [slachtoffer] en [valse naam 1] hun waardevolle spullen en sieraden en geld en creditcard en pinpassen in een tas moesten doen en dat politiemedewerker [valse naam 2] , die tas vervolgens zou komen ophalen en- die [slachtoffer] en [valse naam 1] een zogenaamde code heeft gegeven ter verificatie van de persoon die voornoemde goederen op zou komen halen en- (vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en- zich aldaar als politiemedewerker [valse naam 2] , heeft voorgedaan en voornoemde code met die [slachtoffer] heeft geverifieerd en heeft gezegd dat hij voor de tas kwam en- heeft geprobeerd een tas van die [slachtoffer] aan te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n16\u002F164779-25\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1\n\nin vereniging opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en\n\nfeit 2\n\nin vereniging handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nfeit 3\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nfeit 4\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 5\n\novertreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;\n\n09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\npoging oplichting in vereniging.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:\n\n- een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd:\n\no meewerken aan reclasseringstoezicht;\n\no ambulante begeleiding;\n\no het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding;\n\no het meewerken aan het aflossen van schulden;\n\no een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat het jeugdsanctierecht toegepast moet worden. De verdachte was op het moment van het plegen van de feiten nog een jonge verdachte. De verdachte woonde op dat moment nog bij zijn moeder thuis. Hij ging niet meer naar school, maar zijn opleiding had hij nog niet afgerond. Hij was een zoekende jongvolwassene. Zijn jeugdigheid en beïnvloedbaarheid hebben een grote rol gespeeld bij het betrokken raken bij het ten laste gelegde. De advocaat verzoekt om in ieder geval geen langere vrijheidsstraf op te leggen dan de dagen die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De advocaat verzoekt om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen onder voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De advocaat verzoekt om rekening te houden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten en neemt daar nauwelijks verantwoordelijkheid voor. De verdachte heeft een ontploffing teweeg gebracht bij een sportschool, waardoor grote schade is ontstaan, maar waarmee de verdachte ook heeft bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid. In de eerste plaats bij de sportschoolhouder en zijn naasten, maar ook breder in de maatschappij. De verdachte\n\nzegt dat hij onder druk is gezet om dit feit te plegen. Daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit het dossier blijkt niet van enige dreiging. Sterker nog, de verdachte meldt zich bij de opdrachtgever en vraagt hoeveel pap (de rechtbank begrijpt: geld) hij ervoor krijgt. De verdachte heeft – een kleine twee weken later – geprobeerd een vrouw op leeftijd op te lichten door zich met een valse naam en een verificatiecode, die even daarvoor telefonisch door zijn handlangers aan het slachtoffer waren doorgegeven, bij haar te melden. De enige reden dat het bij een poging is gebleven is dat het slachtoffer en haar kleinzoon zo alert waren om direct de politie in te schakelen, zodat de verdachte op heterdaad kon worden aangehouden toen hij de tas van het slachtoffer wilde aannemen. De verdachte zegt dat hij enkel mee zou gaan om iets op te halen, maar dat hij niet wist dat het om een oplichting ging. Ook daar gaat de rechtbank niet in mee. Het is algemeen bekend dat deze werkwijze gebruikt wordt om mensen geld en spullen afhandig te maken. Dat moet ook de verdachte hebben geweten, al was het maar omdat hij in september 2024, slechts enkele maanden eerder, door de politie is aangehouden en verhoord in een soortgelijke oplichtingszaak. Ook ten aanzien van de aangetroffen drugs, wapens en munitie ontloopt de verdachte zijn verantwoordelijkheid. Hij zegt dat hij niet wist wat er in de tas zat en dat hij het gewoon voor iemand bewaarde zonder daarbij zelf verkeerde bedoelingen te hebben gehad. De verdachte noemt dit zelf achteraf dom, maar de rechtbank is van oordeel dat er meer aan de hand is en dat de verdachte zijn eigen rol in al deze feiten kleiner maakt dan deze in werkelijkheid is. De feiten zijn kort achter elkaar gepleegd en de verdachte lijkt zijn les niet geleerd te hebben. De houding van de verdachte baart de rechtbank dan ook zorgen.\n\nEendaadse samenloop\n\nDe rechtbank betrekt in de strafmaat verder dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop voor wat betreft het voorhanden hebben van het explosief.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennis genomen van:\n\n- het strafblad van 3 maart 2026;\n\n- een rapport van Reclassering Nederland van 20 mei 2026;\n\n- een rapport van Reclassering Nederland van 9 september 2025;\n\n- een Pro Justitia-rapport van 19 september 2025.\n\nDe advocaat heeft verzocht om toepassing van het jeugdsanctierecht. De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat er geen aanwijzingen in het dossier zijn voor toepassing van het jeugdsanctierecht. De ondersteuning van de reclassering lijkt van praktische aard en niet van pedagogische aard. De rechtbank volgt daarom ook het advies van de reclassering en de psycholoog om het volwassenstrafrecht toe te passen.\n\nUit het strafblad van de verdachte blijkt dat de verdachte voor soortgelijke feiten is veroordeeld na de pleegdata van onderhavige zaak. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan artikel 63 van het Wetboek van strafrecht.\n\nDe op te leggen straf\n\nGezien de aard en ernst van de strafbare feiten, zoals hiervoor uitvoerig is toelicht, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank oordeelt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur passend en geboden is. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.\n\nDe rechtbank wijkt af van de strafeis van de officier van justitie, omdat de rechtbank in strafverminderende zin rekening houdt met de jeugdige leeftijd van de verdachte. De rechtbank houdt ook rekening met wat er in vergelijkbare zaken is opgelegd.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend6. In beslag genomen voorwerpen\n\n6.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen telefoon, simkaart, koffer en rugzak verbeurd te verklaren. Verder vordert de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen drugs, wapens en munitie.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat refereert zich ten aanzien van het beslag aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBeslag met betrekking tot 16\u002F164779-25\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:\n\n- een telefoontoestel;\n\n- een simkaart\n\n- een koffer en\n\n- een rugzak,\n\nverbeurd verklaren.\n\nMet behulp van deze voorwerpen zijn de bewezen verklaarde feiten voorbereid dan wel begaan.\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:\n\n4 stuks LSD;\n\neen wapen;\n\n50 stuks munitie;\n\npoeder;\n\n880 pillen;\n\n2 stuks munitie;\n\n1 stuk munitie en\n\neen patroonhouder;\n\nonttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.7. Vordering benadeelde partij\n\n7.1.. Vordering van de benadeelde partijen\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 45.453,14 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 42.953,14 voor vergoeding van materiële schade en € 2.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nwerkzaamheden tot het ontruimen van het pand en reinigen: € 3.938,90;\n\nde aanschaf van nieuwe bokszakken en matten: € 29.887,-;\n\ngederfde winst: € 9.127,24.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nDe benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 500,- voor gemaakte proceskosten.\n\nVordering benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V.\n\nUnivé Dichtbij brandverzekering N.V. heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 79.807,03 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van materiële schade.\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nbedrijfsschade door bedrijfsstilstand: € 25.000,-;\n\nhuurdersbelang: € 10,760,-\n\nroerende zaken: €44.047,03.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie verzoekt op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig toe te wijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De officier van justitie verzoekt op deze vordering hoofdelijk toe te wijzen.\n\nDe officier van justitie verzoekt om de benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V. niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\n7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt om de post ten aanzien van de BTW af te wijzen, nu deze betaald is door de onderneming en er de mogelijkheid bestaat om deze BTW terug te vragen aan de belastingdienst dan wel te verrekenen in de kwartaalaangifte. De advocaat verzoekt om ook de post met betrekking tot de bokszakken en matten primair af te wijzen, omdat niet uit de stukken blijkt dat de schadepost het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de verdachte. Subsidiair verzoek de advocaat deze post te matigen en in ieder geval toe te wijzen exclusief BTW. Ten aanzien van de gederfde winst verzoekt de advocaat om deze post niet-ontvankelijk te verklaren, nu niet blijkt hoe deze post zich verhoudt tot de al door de verzekering vergoede gederfde winst. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de advocaat geen opmerkingen.\n\nDe advocaat verzoekt om de benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V. niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\n7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\nDe rechtbank kan de vordering van de benadeelde partij niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Niet alleen betreft dit een complexe vordering, maar er zijn ook een aantal vragen die onbeantwoord zijn gebleven met betrekking tot de btw en de aanschaf van (zoveel) bokszakken en matten. In de vordering is ook geen onderbouwing ten aanzien van het geestelijke letsel opgenomen en slechts in algemene termen iets opgemerkt over de gevolgen voor het slachtoffer, terwijl de jurisprudentie een meer substantiële onderbouwing vraagt. Ten aanzien van de proceskosten is onduidelijk of de juridische bijstand is verleend in onderhavige zaak of een andere zaak. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nVordering benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V.\n\nAlleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. In dit geval is geen sprake van rechtstreekste schade. De rechtbank volgt hierbij het oordeel van de Hoge Raad dat een verzekeraar in beginsel geen rechtstreekse schade lijdt door het misdrijf. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.8. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\nArtikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 55, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;\n\nartikel 26 van de Wet wapens en munitie;\n\nartikelen 2 en 10 van de Opiumwet;\n\nartikel 38 van de Geneesmiddelenwet.9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder 16\u002F164779-25 1, 2, 3, 4 en 5 en het feit onder 09\u002F203218-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;\n\n- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jarenvast;\n\n- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd:\n\no meldplicht\n\nzich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.\n\no ambulante behandeling\n\nzich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er plek is. De zorgverlener bepaalt de wijze van de behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve en sociale vaardigheden.\n\no dagbesteding\n\nZich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\no aflossing schulden\n\nmeewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering\n\nNatuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\no contactverbod\n\nop geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen, zal zoeken of hebben met de volgende personen:\n\n [A] (geboren [1981] );\n\n [B] (geboren [2003] );\n\n [C] (geboren [2007] )\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:\n\n1 STK telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555787, Zwart,\n\nmerk: Apple);\n\n1 STK Simkaart van zaktelefoon (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555755,\n\nvodafone);\n\n1 STK koffer (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555725);\n\n1 STK rugzak (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555732));\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK LSD (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555718);\n\n1 STK wapen (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555721);\n\n50 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555724, S&B);\n\n1 STK poeder (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555729, Wit);\n\n880 STK pillen (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555740, Roze);\n\n2 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555742);\n\n1 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555825, FN);\n\n1 STK patroonhouder (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555737);\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde]\n\n- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekeraar N.V.\n\n- verklaart Univé Dichtbij brandverzekeraar N.V. niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Koorevaar, voorzitter, mr. V.A. Groeneveld en mr. A.J. Reitsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Brenker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nMr. V.A. Groeneveld en mr. A.J. Reitsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:\n\nin de zaak met parketnummer 16\u002F164779-25\n\nFeit 1hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Almere,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht en\u002Fof brand heeft gesticht bij\u002Fin een bedrijfspand (sportschool [benadeelde] ), gelegen aan de [adres] , door- met een steen een ruit van het pand in te gooien en\u002Fof- (vervolgens) een explosief\u002Fvuurwerkbom, althans brandbaar en\u002Fof explosief voorwerp\u002Fmateriaal aan te steken en\u002Fof tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen,ten gevolge waarvan dat pand geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand en\u002Fof een ontploffing is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor- dat pand en\u002Fof de inboedel\u002Fhuisraad van dat pand en\u002Fof- (een) nabijgelegen bedrijfspand(en) en\u002Fof inboedel\u002Fhuisraad van die\u002Fdat nabijgelegen bedrijfspand(en),in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Almere,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (improvised explosive device (IED)), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,voorhanden heeft gehad;\n\nFeit 3hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Br, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen en\u002Fof- een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en\u002Fof- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten• 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B en\u002Fof• 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en\u002Fof• 1 scherp patroon 6.35Br (Geco),voorhanden heeft gehad;\n\nFeit 4hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,opzettelijkaanwezig heeft gehad- ongeveer 880,5 pillen \u002F 332,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en\u002Fof- ongeveer 4 vellen \u002F 2.000 zegels, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD,zijnde MDMA en\u002Fof LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nFeit 5hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten (ongeveer) 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 09\u002F203218-25\n\nFeit 1\n\nhij, op of omstreeks 1 februari 2025 te Stolwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededaders voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fof door listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] , althans een ander, te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een tas met (waardevolle) spullen, - naar de vaste telefoonlijn van die [slachtoffer] heeft gebeld en\u002Fof zich telefonisch (tegenover [valse naam 1] ) heeft voorgedaan als politiemedewerker en\u002Fof- telefonisch heeft verteld dat er sprake is van een verdachte situatie in de omgeving van de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof dat die [slachtoffer] en\u002Fof [valse naam 1] zijn\u002Fhaar\u002Fhun waardevolle spullen en\u002Fof sieraden en\u002Fof geld en\u002Fof creditcard en\u002Fof pinpassen in een tas moest\u002Fmoesten doen en\u002Fof dat politiemedewerker [valse naam 2] ,althans een persoon, die tas vervolgens zou komen ophalen en\u002Fof- die [slachtoffer] en\u002Fof [valse naam 1] een zogenaamde code heeft gegeven ter verificatie van de persoon die voornoemde goederen op zou komen halen en\u002Fof- (vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en\u002Fof- zich aldaar als politiemedewerker [valse naam 2] , althans als een ander, heeftvoorgedaan en\u002Fof voornoemde code met die [slachtoffer] heeft geverifieerd en\u002Fof heeftgezegd dat hij voor de tas kwam en\u002Fof- heeft geprobeerd een tas van die [slachtoffer] aan te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n16\u002F164779-25\n\nFeit 1 en 2\n\nde bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2026;\n\nhet in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf, inclusief bijlagen, van verbalisant [verbalisant 1] van 4 februari 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;\n\n- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingenvan verbalisant [verbalisant 2] van 13 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;\n\nFeit 3, 4 en 5\n\nDe verklaring van de verdachte ter terechtzittingvan 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:\n\nIk had de basic fit tas in bewaring voor een vriend van een vriend en het lag er ongeveer twee weken.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] heeft in een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 8 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nTijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:1x basic fit rugtas, gevonden op de slaapkamer van verdachte naast het bed;1x patroon houder, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte2x losse patroon, scherp, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x doos met 50 STKs scherpe patronen .44 REMMINGTON, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x zwarte koffer, handformaat, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x plastic houder voor patronen, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x simkaart van Vodafone, aangetroffen in de zwarte koffer op de slaapkamer van de verdachte1x zwarte iPhone, aangetroffen op de slaapkamer van de verdachte, op het bureau\n\nIn de woning, in de slaapkamer van verdachte [verdachte] , werden tevens ook vermoedelijk drugs aangetroffen. Dit betrof:880,5 roze pillen, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte4 vellen, grijs van kleur, met daar in 2000 zegels, vermoedelijk een bepaald soort drug wat op deze vellen wordt gemaakt, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte.\n\nVerbalisant [verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 31 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nDeze schietpen is een voorwerp bestemd om projectielen of stoffen door een loop af te schieten. De werking van deze schietpen berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Dit vuurwapen gelijkt qua uiterlijk op een ander voorwerp dan een wapen, namelijk een pen. Derhalve is dit wapen een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie.\n\nBovenvermeld voorwerp is een patroonmagazijn, merk FN, kaliber .40 S&W - .357 SIG, zijnde een wezenlijk en specifiek onderdeel van een wapen als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie worden onderdelen van en hulpSTKken voor wapens beschouwd als complete wapens in die zin dat daarop dezelfde regels van toepassing zijn. Dit voorkomt onder andere dat de wettelijke verboden kunnen worden ontdoken door wapens te demonteren, (toelichting Wet wapens en munitie) . Derhalve is een patroonmagazijn een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de wet wapens en munitie, mede gelet op het gestelde in artikel 1 onder 3e en artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Gelet op bovenstaande worden onderdelen, een patroonmagazijn, in de Wet wapens en munitie, gelijk gesteld met een vuurwapen. Het voorhanden hebben is strafbaar gesteldin artikel 26 lid 1 en 55 lid 3 onder a van het Wet wapens en munitie. Dit patroonmagazijn behoort tot een vuurwapen, pistool, merk FN, model FNP, beschikbaar in zowel kaliber .40 S&W als .357 SIG.\n\n(a) 50 scherpe kogelpatronen , kaliber .44 magnum (foto's 7 t\u002Fm 10)Bovengenoemde 50 scherpe kogelpatronen kaliber .44 magnum, merk Sellier & Bellot, zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een scherpschietend vuurwapen kaliber .44 magnum af te schieten.(b) 2 scherpe kogelpatronen, kaliber 9xl9mm (foto's 11 & 12)Bovengenoemde 2 scherpe kogelpatronen, kaliber 9xl9mm, merk norma, zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een scherpschietend vuurwapen kaliber 9xl9mm af te schieten.(c) 1 scherp kogelpatroon , kaliber 6.35mm Br (foto's 13 & 14)Bovengenoemd scherp kogelpatroon, kaliber 6.35Br, merk Geco, is munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van het onder 1 genoemde vuurwapen en elk ander scherpschietend vuurwapen kaliber 6.35Br af te schieten.Derhalve zijn deze patronen munitie in de zin van artikel 1 aanhef onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.\n\nVerbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben in een proces-verbaal van bevindingenvan 10 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nOnderzoek aan '4x blottervellen met elk 500 zegels' (AARM3363NL)\n\nNettogewicht: 32,6 gram,Uniek voorwerp nummer: AASU7098NL\n\nResultaat: indicatie LSD\n\nOnderzoek aan 'sealbag met roze tabletten \"Punisher\"' (AARM3362NL)\n\nNetto gewicht 332,6 gramUniek voorwerp nummer: AASU7097NLResultaat: identificatie MDMA\n\nOnderzoek aan 'lx plastic zak (gevacuumeerd) met wit kristalachtig poeder (AARM3364NL)Nettogewicht: 2,34 gram,\n\nUniek voorwerp nummer: AASU7099NL\n\nResultaat: indicatie Ketamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555718\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Verdovende mid (LSD)\n\nAantal : 4 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 4 x een vel met daarop 500 kleine lsd zegels, dus 2000\n\nzegeltjes in totaal.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555721\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Vuurwapen (Loop)\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : Losse loop, mogelijk een zelfstandig wapen\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555724\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Munitie (Kogelpatroon)\n\nAantal : 50 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 50x .44 patronen in doos.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555729\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Poeders\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : Zak met wit poeder \u002F kristal.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555740\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Pillen\n\nAantal : 880 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 880 roze, driehoekige pillen.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PLO0900-2025015788-3555742\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Munitie (Kogelpatroon)\n\nAantal : 2 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 2 x los patroon.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555825\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Vuurwapen (Patroonhouder)\n\nSealbagnummer : 72308791\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 10 juli 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AARM3362NL\n\nOmschrijving FO: tablet, roze, uit 332,6 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: een\n\nConclusie: bevat MDMA\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 7 augustus 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AASU7099NL\n\nOmschrijving: monster witte kristallen\n\nConclusie: vrijwel zuivere ketamine HCI\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 5 augustus 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AASU7098NL\n\nOmschrijving: monster, een STKje meerkleurig papier, door middel van perforatie te verdelen in 24 eenheden\n\nConclusie: bevat LSD\n\n09\u002F203218-25\n\nUit het proces-verbaal van aangiftevan 1 februari 2025 blijkt dat [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:\n\nIk moest waardevolle spullen en sieraden in een tas doen. Er zou een donkere jongen aan de deur komen om de tas op te halen. Ik moest aan de deur een code geven.\n\nDe man aan de telefoon zei dat er nu iemand aan de deur stond. Ik liep naar de deur en zag een jongen staan. Het was 20.15 uur. De jongen had een getinte huidskleur.\n\nHij zei ik kom voor de tas. Ik verifieerde de code met de jongen en strekte mijn hand met de tas uit.Ik zag dat de jongen de tas wilde pakken. Op dat moment kwam de politieagent uit de woning en heeft de jongen aangehouden.\n\nVerbalisant [verbalisant 6] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 1 februari 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nIk hoorde een jongens- mannenstem aan de telefoon. Ik hoorde dat deze vloeiend ABN sprak. Ik hoorde dat hij zich voorstelde als medewerker van de recherche uit Gouda.\n\n(…)\n\nIk hoorde dat de man aan de telefoon zei dat er inbrekers actief waren en dat de kans groot was dat deze ook aan de [adres] zouden langskomen. Hierom moest melder waardevolle spullen in een tas stoppen en dichtknopen. Dit moest vooral geld en sieraden zijn.\n\n (…)\n\n Ik hoorde vervolgens dat de \"nep rechercheur\" aan de telefoon de lijn zou overgeven\n\naan iemand van het \"internetoplichtingteam\". Hierbij werden de namen [valse naam 2] en [valse naam 3] genoemd als de collega's die straks de sieraden zouden komen afhalen. Hierbij moest melder de volgende code aan de deur verifiëren: [code] .\n\n(…)\n\nIk hoorde dat melder de code op het briefje oplas. Ik hoorde de jongen voor de deur zeggen dat hij voor de tas kwam. Ik zag dat melder de tas pakte en uitstrekte naar de jongen. Ik zag dat de jongen zijn arm uitstak om de tas te pakken.\n\n(…)\n\nDe verdachte bleek later te zijn: [verdachte] geboren [2006] te [geboorteplaats] .\n\nVerbalisant [verbalisant 7] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 15 februari 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nVerdachte [verdachte] verklaarde de gebruiker te zijn van zijn iPhone 16. In de Iphone is de accountnaam van Snapchat van de gebruiker ' [Snapchat accountnaam verdachte] '. Ten tijde van de oplichting van slachtoffer [slachtoffer] had ‘ [Snapchat accountnaam verdachte] ’ contact met ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’ en met ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’.\n\nOp 1 februari 2025:\n\nOm 19.07 uur was er een inkomende oproep van ' [Snapchat accountnaam 1] '.\n\nDaarna nog een aantal uitgaande oproepen naar ' [Snapchat accountnaam 1] ', tot en met 19.10 uur.\n\nOm 19.12 uur waren er een aantal uitgaande berichten aan ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’: \"Kom snel”, “Snle”, “Snel”.\n\nOm 19.13 uur was er daarna een uitgaande oproep naar ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’.\n\nOm 19.13 uur stuurde ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’ een bericht: “ […] ”, waarop ‘ [Snapchat accountnaam verdachte] ’ reageerde met: “Kom nu”, en reactie van ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’: “Oke”\n\nOm 19.15 uur was er een uitgaande oproep naar ' [Snapchat accountnaam 1] ’ van 14 seconden.\n\nOm 20.07 uur kwam een bericht binnen van ' [Snapchat accountnaam 1] ’ met de tekst:\n\n“ [valse naam 2] [code] ”\n\nOm 20.18 uur komt een bericht binnen van ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’: “Yo kan je het vinden”\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met onderzoeksnaam Beagle, doorgenummerd pagina 1 tot en met 442. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\nPagina 65.\n\nPagina 143.\n\nPagina 187.\n\n Pagina 187.\n\n Pagina 188.\n\n Pagina 305.\n\n Pagina 305.\n\n Pagina 307.\n\n Pagina 193.\n\n Pagina 194.\n\n Pagina 195.\n\n Pagina 196.\n\n Pagina 427.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 429.\n\n Pagina 429.\n\n Pagina 432.\n\n Pagina 432.\n\n Pagina 437.\n\n Pagina 437.\n\n Pagina 438.\n\n Pagina 438.\n\n Pagina 442.\n\n Pagina 442.\n\n Pagina 197.\n\n Pagina 197.\n\n Pagina 232.\n\n Pagina 233.\n\n Pagina 234.\n\n Pagina 235.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Den Haag met proces-verbaal nummer DH7R025007, doorgenummerd pagina 1 tot en met 131. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 34.\n\n Pagina 34.\n\nPagina 35.\n\n Pagina 40.\n\nPagina 40.\n\nPagina 41.\n\n Pagina 58.\n\nPagina 59.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4048","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:31.892Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"1273","ECLI:NL:RBMNE:2026:4022","ecli-nl-rbmne-2026-4022","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nParketnummer: 16\u002F327745-23 (P)\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1984] in [geboorteplaats] ,\n\ndomicilie kiezende te [adres] te [plaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 17 september 2025 en 23 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 17 september 2025, maar bij tussenvonnis van 24 september 2025 heropend. Het onderzoek is vervolgens opnieuw gesloten op 23 juni 2026.\n\nOp de zitting van 23 juni 2026 waren aanwezig:\n\nde officier van justitie: mr. A. Dam;\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M.J. Schimmel (hierna: de advocaat);\n\nde tolk: de heer D. Hosseini Abdolabadi\n\nde vader van de benadeelde partij [aangeefster] (hierna: [aangeefster] ): de heer [A] ;\n\nde advocaat van [aangeefster] : mr. W.S.W. van der Donk;\n\ntwee deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nop 23 september 2023 te Lelystad ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [aangeefster] , die toen jonger was dan zestien jaar.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.\n\n3. Vrijspraak\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, met uitzondering van het likken of kussen van de billen en vagina.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\nDe officier van justitie eist dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren wordt opgelegd.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit.\n\n3.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit niet wettig en overtuigend is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.\n\n3.3.1.. \n\nJuridisch kader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken (zoals deze zaak) bij de beoordeling van het bewijs zich veelal de situatie voordoet dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen. Als de verdachte ontkent, staat het woord van de één (het vermeende slachtoffer) tegenover het woord van de ander (de verdachte). Dat is ook in deze zaak het geval. De verdachte heeft zowel bij de politie als op de zittingen ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van de ontuchtige handelingen waarvan hij wordt beschuldigd.\n\nOp grond van artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat een verdachte de feiten waarvan hij wordt beschuldigd heeft begaan niet uitsluitend op basis van de verklaring van één getuige worden aangenomen. De vraag of aan dat bewijsminimum is voldaan, kan, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In zedenzaken is niet vereist dat de ontuchtige handelingen zelf steun vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het afdoende wanneer de gebezigde verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Deze bewijsmiddelen moeten voldoende steun geven aan de verklaringen van [aangeefster] , in die zin dat het steunbewijs op een relevante manier in verband moet staan met de inhoud van die verklaringen. In ieder geval mag tussen die verklaringen en het andere bewijsmateriaal geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband. Naast de verklaring van [aangeefster] is er dus steunbewijs nodig.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] en de vraag in hoeverre hetgeen zij heeft verklaard steun vindt in andere bewijsmiddelen.\n\n3.3.2.. \n\nBetrouwbaarheid verklaringen [aangeefster]\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaringen van [aangeefster] betrouwbaar zijn. Ze heeft volgens de officier van justitie in de kern consistent verklaard, haar verklaring is authentiek en spontaan tot stand gekomen en er is door haar moeder een gedragsverandering bij [aangeefster] waargenomen na het incident.\n\nDe rechtbank overweegt dat de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster] moet worden beoordeeld aan de hand van criteria als consistentie (geen innerlijke tegenstrijdigheden) en authenticiteit (echtheid; oorspronkelijkheid). Voor het criterium authenticiteit acht de rechtbank van belang hoe de verklaringen tot stand zijn gekomen.\n\nStudioverhoor\n\n [aangeefster] is op 26 september 2023 gehoord bij de politie in een kindvriendelijke studio. De omstandigheden waaronder dit verhoor met [aangeefster] – op dat moment een meisje van vier jaar oud – heeft plaatsgevonden maken dat de rechtbank haar verklaring met terughoudendheid leest. Voordat het verhoor bij de politie plaatsvond is er al enige tijd verstreken en heeft [aangeefster] al met tenminste vier volwassenen gesproken over het incident met de verdachte en er is in de tussentijd al veel gebeurd. Daar komt bij dat de rechtbank niet kan controleren hoe dit studioverhoor heeft plaatsgevonden omdat het verhoor niet is opgenomen, terwijl de rechtbank daar wel vragen over heeft. De verbalisant startte het verhoor met de uitnodiging aan [aangeefster] om alles te zeggen ‘over die meneer, de broek en de poenie (vagina).’ Dit terwijl in de aangifte en het informatief gesprek zeden alleen werd gesproken over dat de verdachte aan haar billen zou hebben gezeten. Deze vraag lijkt het gesprek te sturen en de antwoorden van [aangeefster] die daarop volgen zijn onduidelijk. Ook zegt [aangeefster] regelmatig dat zij het niet weet en gebruikt zij woorden waarvan zij de betekenis bij doorvragen niet blijkt te weten, zoals ‘tollie’. Op pagina 48 van het procesdossier zegt [aangeefster] : “(…) Hij heeft mij op mijn mond gekust en dat mag niet van mijn moeder. Ik was in een huis gegaan. En hij zei is het lekker? Ik zei nee. En mama had een mes in haar hand om mij pijn te doen. Om die meneer pijn te doen. Ze is niet boos op mij. Dat is het einde.” Vervolgens staat in het proces-verbaal opgemerkt dat verbalisant ( [verbalisant] ) instructie geeft over ‘verkeerd vertellen.’ Het proces-verbaal beschrijft niet waarom een dergelijke instructie op dat moment is gegeven. Al deze omstandigheden maken dat de rechtbank twijfels heeft over de authenticiteit van de verklaring van [aangeefster] . De rechtbank merkt daarbij op dat in het algemeen met name heel jeugdige getuigen vatbaar zijn voor suggestie.\n\nDe rechtbank oordeelt dat gelet op het voorgaande de verklaring van [aangeefster] die zij bij de politie heeft afgelegd niet kan worden gebruikt als bewijs.\n\nGetuigenverklaringen\n\nMeerdere getuigen hebben een verklaring afgelegd over wat [aangeefster] hun heeft verteld over het incident. De rechtbank overweegt over de bruikbaarheid van die verklaringen als volgt.\n\nUit het procesdossier leidt de rechtbank af dat [aangeefster] nadat zij thuiskwam met haar moeder heeft gesproken. Tegen haar moeder vertelt zij eerst: “mama ik moet zeggen, maar je mag niet boos worden. Ze moest mij iets vertellen over de meneer. (…) de meneer [had] haar broek naar beneden getrokken.”Na deze opmerking is moeder naar de verdachte toe gegaan.\n\nTerwijl moeder weg was, vertelde [aangeefster] haar stiefvader dat de verdachte haar broek naar beneden heeft gedaan, (iets) aan haar billen heeft gewreven, haar heeft opgetild en een kusje heeft gegeven. Weer later vertelt [aangeefster] dat de verdachte iets tussen haar vagina en billen heeft gesmeerd.\n\nTegen haar grootmoeder vertelde [aangeefster] dat de verdachte haar broek naar beneden heeft getrokken en heeft gekeken. Later vertelde ze haar grootmoeder dat de verdachte ook iets over haar billen smeerde en weer later vertelde ze dat de verdachte daarbij vroeg of ze het lekker vond.\n\nDe rechtbank overweegt dat de eerste verklaring van [aangeefster] tegen haar moeder betrouwbaar is. Zij heeft dit spontaan verteld aan haar moeder en er zijn geen aanwijzingen van beïnvloeding van deze opmerking. Dat ligt anders voor alles wat [aangeefster] daarna aan anderen heeft verteld. Daarvan is niet uit te sluiten dat dit is gekleurd door de heftige emoties die op haar eerste opmerking volgden. De eerste opmerking van [aangeefster] bracht dusdanig heftige emoties bij haar moeder teweeg, dat moeder met een mes dreigend in de richting van de verdachte is gegaan. Dat heeft [aangeefster] zien gebeuren. Op dat moment had [aangeefster] nog niets gezegd over andere handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd.\n\nGelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de allereerste uiting van [aangeefster] tegen haar moeder. Namelijk dat de buurman haar broek naar beneden heeft getrokken.\n\n3.3.3.. \n\nSteunbewijs\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaringen van [aangeefster] worden ondersteund door het aantreffen van DNA van de verdachte op het lichaam en de onderbroek van [aangeefster] .\n\nDe rechtbank overweegt ten aanzien van de bruikbaarheid van de onderzoeken van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) als steunbewijs als volgt.\n\nOnderzoeken NFI naar DNA-materiaal\n\nDe onderbroek die [aangeefster] aanhad op 23 september 2023 is onderzocht op mogelijke DNA-sporen van de verdachte. In het rapport van 14 november 2023 is gerapporteerd dat er in een aantal bemonsteringen van de onderbroek van [aangeefster] DNA-sporen zijn aangetroffen. In twee bemonsteringen is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren aangetroffen. De resultaten zijn meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer verdachte één van de donoren is dan wanneer dat niet zo is. In een derde bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal vier donoren aangetroffen. Deze resultaten zijn ongeveer 700 miljoen keer waarschijnlijker wanneer verdachte één van de donoren is dan wanneer dat niet zo is.\n\nIn de rapporten van 3 oktober 2023 en 12 november 2024 is onderzoek gedaan naar de aard van de sporen – of er wel of geen sprake is van spermasporen. Geconcludeerd is dat er een indicatie is voor mogelijke sporen van spermavloeistof. De deskundige die dit laatste rapport heeft opgesteld heeft op de zitting toegelicht dat uit de onderzoeksresultaten niet kan worden afgeleid hoeveel spermavloeistof er in de onderbroek zat. Ook heeft zij bevestigd dat de resultaten die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen ook kunnen zijn ontstaan door andere lichaamsvloeistoffen dan spermavloeistof.\n\nIn het rapport van 27 oktober 2025 is Y-chromosomaal DNA-onderzoek uitgevoerd op bemonsteringen van het onderlichaam van [aangeefster] . De Y-chromosomale DNA-profielen zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte of van een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man, dan wanneer dat niet zo is.\n\nDe rechtbank overweegt op basis van voorgaande rapporten, met inachtneming van de rest van het dossier, dat er DNA van verdachte op het lichaam en de onderbroek van [aangeefster] is aangetroffen. In beginsel kan het onderzoeksrapport daarom als steunbewijs dienen. Hoe het DNA van de verdachte op die plekken terecht is gekomen blijft onduidelijk. De rechtbank acht relevant dat het onderzoek naar spermavloeistof indicatief is geweest, wat maakt dat niet zeker is of het werkelijk om spermavloeistof gaat. Bovendien is de aard en hoeveelheid van de mogelijke spermavloeistof die is aangetroffen op de onderbroek niet bekend, waardoor op basis daarvan geen conclusie kan worden getrokken over de wijze waarop het DNA van de verdachte op de onderbroek terecht is gekomen.\n\nOnderzoek NFI op activiteitenniveau\n\nIn het rapport van 25 februari 2025 is op basis van de onderzoeksresultaten naar DNA-sporen onderzocht wat de kans is dat verschillende activiteiten de onderzoeksresultaten hebben veroorzaakt. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat er DNA van de verdachte op de onderbroek van [aangeefster] is aangetroffen. Niet is meegenomen op welke delen van de onderbroek DNA-sporen zijn aangetroffen en ook niet wat de aard van de sporen is.\n\nDe deskundige heeft op zitting verklaard dat de vondst van DNA-sporen op het lichaam van [aangeefster] , mogelijk van de verdachte afkomstig, geen invloed hebben op zijn conclusies.\n\nDe conclusie van het onderzoek is dat de resultaten van het DNA-onderzoek twee keer waarschijnlijker zijn wanneer het verhaal van waar is, dan wanneer het verhaal van de verdachte waar is. De deskundige die dit rapport heeft opgemaakt heeft op de zitting toegelicht dat door andere handelingen van [aangeefster] zelf, door haar verzorgers, maar ook door het verpakken van de onderbroek het ook mogelijk is dat er DNA en biologisch materiaal is overgedragen van de ene naar de andere locatie. Dat [aangeefster] de onderbroek nog vijf uren na het incident heeft aangehad maakt ook dat er in die tijd contact is geweest tussen de onderbroek en de huid. Hierdoor kunnen DNA-sporen zijn overgedragen van de onderbroek naar de huid en andersom. Het sporenbeeld dat in de rapporten naar voren is gekomen, hoeft niet het sporenbeeld te zijn geweest van na het incident. Bovendien kan de deskundige niet uitsluiten dat door vochtige handen DNA van de verdachte door de pyjama van [aangeefster] en de onderbroek op de huid terecht is gekomen.\n\nDe rechtbank overweegt daarom dat het onderzoek op activiteitenniveau geen uitsluitsel geeft over wat er precies heeft plaatsgevonden tussen [aangeefster] en de verdachte. Op basis van de verklaring van [aangeefster] , de verklaring van de verdachte en de onderzoeksresultaten concludeert de rechtbank dat er contact is geweest. Maar juist over hoe dit contact eruit heeft gezien, lopen de verklaringen [aangeefster] en de verdachte uiteen. Het onderzoeksrapport heeft daarover onvoldoende duidelijkheid kunnen geven. De rechtbank oordeelt daarom dat dit onderzoeksrapport niet kan dienen als steunbewijs.\n\nGedragsverandering\n\nDe officier van justitie heeft als mogelijk steunbewijs ook de gedragsverandering van [aangeefster] na het incident aangedragen.\n\nDe rechtbank oordeelt dat de gedragsverandering die door moeder is waargenomen bij [aangeefster] na het incident niet rechtstreeks is terug te voeren op het handelen van de verdachte. Immers, zoals overwogen, heeft er na de ontmoeting met de verdachte nog meer plaatsgevonden wat mogelijk indruk op [aangeefster] heeft gemaakt. De rechtbank kan niet uitsluiten dat de gedragsverandering (mede) daardoor is ontstaan. De waargenomen gedragsverandering bij [aangeefster] kan daarom niet als steunbewijs dienen.\n\n3.3.4.. \n\nAlternatief scenario\n\nDe verdachte heeft een alternatief scenario naar voren gebracht. Volgens de verdachte heeft hij [aangeefster] opgetild en heeft hij haar een kusje op haar voorhoofd gegeven. Ter terechtzitting heeft de verdachte bij zijn vrouw voorgedaan hoe hij [aangeefster] zou hebben opgetild. Namelijk, met zijn hand onder haar billen. De verdachte heeft verklaard dat hij op het toilet zat toen [aangeefster] voor de deur stond. In de haast om de deur open te doen, heeft de verdachte zijn handen na de toiletgang niet gewassen. Volgens de verdachte kan het zijn dat zijn handen nog vochtig waren van de toiletgang, omdat hij zijn penis aan het schoonmaken was met zijn handen en hij last heeft van overmatig spermavocht en zweet. Verdachte heeft een brief overgelegd van een uroloog waarin als verslag van het urineonderzoek wordt vermeld: veel onbeweeglijke zaadcellen.\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd en om die reden zijn verklaring als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verklaringen van de verdachte niet dermate wisselend zijn geweest dat deze als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt. Tijdens de verhoren is er gebruik gemaakt van een tolk. De tolk die op 17 september 2025 op de zitting aanwezig was, heeft een voorbeeld van een vertaal ’fout’ bevestigd. Er zou door de vertaling verwarring kunnen zijn ontstaan over de vraag of de verdachte heeft gezegd dat hij een kind niet zou kunnen ‘optillen’ of zou kunnen ‘omarmen’, zonder dat het kind zou gaan gillen. De rechtbank acht het daarom mogelijk dat in de vertaalslag die gemaakt is door de tolk, er onderdelen in de verklaring verloren zijn gegaan, waardoor deze wisselend zijn overgekomen. Dat maakt niet dat de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig zijn.\n\nBovendien wordt het alternatieve scenario van de verdachte niet weerlegd door de inhoud van het procesdossier. De door de rechtbank als betrouwbaar aangemerkte verklaring van [aangeefster] dat de verdachte haar broek naar beneden heeft getrokken en de resultaten van de onderzoeken van het NFI kunnen ook passen in het door de verdachte aangedragen scenario. Door haar met een hand onder haar billen op te tillen kan de pyjamabroek die [aangeefster] droeg zijn verschoven. De betreffende pyjamabroek is niet onderzocht. De rechtbank oordeelt dat dit overigens ook geldt voor wat [aangeefster] tegen haar stiefvader heeft gezegd, namelijk dat de verdachte haar broek naar beneden heeft gedaan, (iets) aan haar billen heeft gewreven, haar heeft opgetild en een kusje heeft gegeven. Dit kan passen bij het scenario waarbij de verdachte haar met vochtige handen onder de billen heeft opgetild. De rechtbank heeft daarom niet de overtuiging dat de ontuchtige handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd, hebben plaatsgevonden.\n\n3.3.5.. \n\nConclusie\n\nDe rechtbank oordeelt op basis van al het voorgaande dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [aangeefster] . De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.\n\n4. Vordering benadeelde partij\n\n4.3.. \n\nVordering van de benadeelde partij\n\n [aangeefster] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.108,60, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.108,60 voor vergoeding van materiële schade en € 3.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nreiskosten: € 102,10;\n\nkosten onderbroek: € 6,50;\n\ntoekomstige schade: € 1.000,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n4.4.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen. Namelijk de materiële kosten van de onderbroek (€ 6,50) en de reiskosten voor vervoer naar het politiebureau, het ziekenhuis en het studioverhoor (€ 52,60) en de immateriële schade (€ 3.000,-). Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.\n\n4.5.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak.\n\n4.6.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster]\n\n- verklaart [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mr. S.C. Hagedoorn en mr. H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nDe oudste en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Lelystad, met [aangeefster] , geboren op [2019] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten\n\n- het betasten en\u002Fof wrijven en\u002Fof insmeren van de billen en\u002Fof de vagina, althans de schaamstreek, van die [aangeefster] en\u002Fof\n\n- het op de mond kussen van die [aangeefster] en\u002Fof\n\n- het likken aan\u002Fover en\u002Fof het kussen van de billen en\u002Fof vagina, althans de schaamstreek, van die [aangeefster] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4022","2026-07-13T00:29:13.258Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":43,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":45},"681","ECLI:NL:RBMNE:2026:4024","ecli-nl-rbmne-2026-4024","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nParketnummer: 16.054442.26\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [2009] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\n(hierna: [verdachte] ).1. Zitting\n\nDe strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\n [verdachte] ;\n\nde officier van justitie: mr. F. Koolhof;\n\nde advocaat van [verdachte] : mr. D.G. Nagel (hierna: de advocaat);\n\nde ouders van [verdachte] ;\n\nmevrouw [A] , jeugdreclasseringswerker van Samen Veilig.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1 primair:\n\nop 21 februari 2026 in Zeewolde [slachtoffer 1] heeft afgeperst;\n\ndit is subsidiair tenlastegelegd als een poging tot afpersing.\n\nfeit 2\n\nop 21 februari 2026 in Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert geen verweer over het bewijs.\n\n3.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\n [verdachte] bekent dat hij de feiten 1 primair en 2, namelijk afpersing en mishandeling, heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:\n\nde bekennende verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 21 februari 2026 met in de bijlage de letselfoto;\n\n- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 21 februari 2026.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen zijn.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :\n\nfeit 1 primairop 21 februari 2026 te Zeewolde met het oogmerk om zich te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen, die aan [winkel] toebehoorden, door:- een wapen op die [slachtoffer 1] te richten, en- te zeggen: \"Maak dat ding open\" en daarbij naar de cashbox te wijzen, en- te zeggen: \"Snel, schiet op, doe het geld erin!\" en een tas op de balie te leggen, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en- daarna te zeggen: \"hij hoeft niet op slot, maak die kassa open\" en \"alleen de briefjes van 50, 20 en 10\", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en- met de tas in de richting van de uitgang van de winkel te lopen;\n\nfeit 2op 21 februari 2026 te Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een wapen, in elk geval met zijn hand, in het gezicht te slaan.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1 primair: afpersing;\n\nfeit 2: mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:\n\n- een jeugddetentie van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 93 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden, kort gezegd:\n\no een ambulante behandeling bij de Waag;\n\no meewerken aan hulpverlening;\n\no een locatiegebod en -verbod, te controleren met elektronische monitoring;\n\no een contactverbod met [slachtoffer 2] ;\n\no meewerken aan een zinvolle dagbesteding;\n\no meewerken aan een positieve vrijetijdsinvulling;\n\no deelnemen aan onderwijs;\n\n- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat rekening gehouden moet worden met de stoornis van [verdachte] en dat het feit in verminderde mate aan hem is toe te rekenen. Zijn school was het enige positieve dat hij had en dat is hij verloren door de voorlopige hechtenis. Ook hier moet rekening mee gehouden worden. [verdachte] heeft al 4 maanden elektronische monitoring, waardoor hij als het ware nog steeds in een soort gevangenis leeft, omdat zijn bewegingsvrijheid is beperkt.\n\nDe advocaat heeft bepleit dat de jeugddetentie beperkt moet worden tot 27 dagen onvoorwaardelijk met aftrek en dat er geen voorwaardelijke jeugddetentie maar een voorwaardelijke werkstraf moet worden opgelegd. De behandeling is nog niet gestart en [verdachte] heeft nog veel te leren. Als een voorwaardelijke jeugddetentie ten uitvoer wordt gelegd, zal zijn schoolgang opnieuw onderbroken worden. Verder heeft de advocaat bepleit om de werkstraf te matigen.\n\nTen aanzien van de elektronische monitoring als bijzondere voorwaarde heeft de advocaat primair bepleit om dit af te wijzen en subsidiair om het te beperken in tijd tot 1 september 2026.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank legt aan [verdachte] op een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 2 jaren met algemene en bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf op voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.\n\nBij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\n [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing en mishandeling. Hij is met een wapen naar de [winkel] gegaan omdat hij geld wilde hebben. Voor die tijd heeft hij zich omgekleed en de kleding in de omgeving verstopt om zich na de afpersing\u002Foverval weer om te kleden. De merkjes die zichtbaar waren op de kleding heeft hij afgeplakt met tape zodat hij minder goed herkenbaar zou zijn. [verdachte] is dus geraffineerd te werk gegaan. [verdachte] heeft voordat hij de overval pleegde een plan van aanpak op papier gezet; ook hieruit blijkt dat hij van tevoren heeft nagedacht over wat hij ging doen.\n\nAangekomen bij de [winkel] heeft hij zijn wapen gericht op [slachtoffer 1] en gezegd dat hij geld in de tas moest doen. Toen [verdachte] met de tas met geld weg wilde lopen werd hij tegengehouden door [slachtoffer 2] . Om weg te komen heeft hij [slachtoffer 2] met het wapen in zijn hand in het gezicht geslagen. Hier heeft [slachtoffer 2] littekens in zijn gezicht aan overgehouden.\n\nDe rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat hij niet heeft nagedacht over de gevolgen die dit voor de slachtoffers heeft gehad, maar alleen aan zichzelf heeft gedacht omdat hij geld wilde hebben.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nBij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:\n\n- een uittreksel justitiële documentatie betreffende [verdachte] van 19 mei 2026;\n\n- een jeugdreclasseringsadvies van 16 juni 2026, uitgebracht door SAVE Jeugdreclassering;\n\n- een advies van 17 juni 2026, uitgebracht door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);\n\n- een psychologisch rapport van 1 mei 2026.\n\nUit het rapport van de psycholoog volgt dat bij [verdachte] sprake is van een autismespectrumstoornis en ouder-kindproblematiek. Hij kon de wederrechtelijkheid van zijn gedrag begrijpen en gedragsalternatieven overwegen. Zijn autismespectrumstoornis heeft het keuzeproces wel beïnvloed, maar niet zodanig dat de gedragsvrijheid wezenlijk is opgeheven. Daarom acht de psycholoog [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar.\n\nDe rechtbank is gelet op de conclusie van de psycholoog van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde in verminderde mate aan [verdachte] kan worden toegerekend.\n\nUit het rapport van de Raad blijkt dat [verdachte] een goede band heeft met de coaches die betrokken zijn vanuit JAM Harderwijk. Er is nog wel sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden, waaronder beperkte schoolgang, dagbesteding en toekomstperspectief. Daarom is intensieve monitoring en regie noodzakelijk. [verdachte] vindt het lastig om intrinsiek gemotiveerd te blijven. Externe motivatie lijkt helpend te zijn voor hem. Daar kan elektronische monitoring bij helpen.\n\nOm het recidiverisico te beperken hebben de verschillende rapporteurs geadviseerd om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met bijzondere voorwaarden, waarbij [verdachte] ambulante behandeling krijgt, er een locatiegebod- en verbod geldt, er een contactverbod is en waarbij hij een positieve dagbesteding en vrijetijdsbesteding moet hebben.\n\nDaarnaast is geadviseerd om een taakstraf, in de vorm van een werkstraf op te leggen. Enerzijds omdat de ernst van de verdenking vraagt om passende consequenties en anderzijds omdat dit voor [verdachte] mogelijk kan bijdragen aan motivatie om een bijbaan te kunnen vinden.\n\nStrafkader\n\nOm in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor minderjarigen voor een overval op een winkel is een onvoorwaardelijke jeugddetentie van minstens 4 maanden. Strafverzwarend in dit geval is het feit dat [verdachte] hierbij heeft gedreigd met een wapen.\n\nHet oriëntatiepunt voor minderjarigen voor mishandeling door een enkele klap is een taakstraf van 20 uur. Strafverzwarend daarbij is dat [verdachte] op dat moment het wapen in zijn hand had en dat er letsel is ontstaan.\n\nDoor de advocaat is verzocht om geen voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, omdat dit mogelijk de toekomst van zijn schoolgang in gevaar kan brengen. De rechtbank is van oordeel dat juist een jeugddetentie een goede stok achter de deur is om niet opnieuw tot een strafbaar feit te komen. [verdachte] weet dat hij iets te verliezen heeft, namelijk zijn school, als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. Bovendien heeft [verdachte] ervaren hoe het is om vast te zitten en heeft hij ook ervaren dat hij dat niet nog een keer wil.\n\nVerder is door de advocaat verzocht om de elektronische monitoring niet op te leggen, dan wel voor een beperkte tijd op te leggen. De rechtbank vindt de elektronische monitoring nog wel van belang omdat school en dagbesteding nog moeten starten en voor beide nog niet zeker is dat dit kan worden vormgegeven zoals nu wordt gehoopt. Wel zal de rechtbank een einddatum voor de elektronische monitoring opleggen, te weten tot uiterlijk 1 oktober 2026 of zoveel eerder als de jeugdreclassering noodzakelijk acht. Hierdoor heeft de jeugdreclassering enige tijd om te beoordelen of de schoolgang goed op gang is gekomen.\n\nMediation\n\nGebleken is dat [verdachte] en [slachtoffer 1] met zijn ouders bereid waren zich open te stellen voor bemiddeling. Zij hebben een mediation-traject doorlopen en met elkaar gesproken. [verdachte] heeft aan [slachtoffer 1] uitgelegd hoe hij tot deze daad is gekomen en hoe hij er nu zelf op terugkijkt. [verdachte] en dit slachtoffer waren klasgenoten en kwamen en komen elkaar af en toe tegen in hun woonplaats. Zij hebben afspraken gemaakt over hoe ze dan met elkaar omgaan.\n\nGelet op het bepaalde in artikel 51h, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt de rechtbank rekening met de uitkomst van de geslaagde mediation. De uitkomst van de mediation heeft meegewogen bij de beslissing om aan [verdachte] een lagere taakstraf dan door de officier van justitie was gevorderd op te leggen.\n\nGelet op dit alles legt de rechtbank op aan [verdachte] : een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden kort gezegd:\n\n- ambulante behandeling;\n\n- meewerken aan hulpverlening;\n\n- een locatiegebod en -verbod met elektronische monitoring;\n\n- een contactverbod met [slachtoffer 2] ;\n\n- meewerken aan een zinvolle dagbesteding;\n\n- meewerken aan een positieve invulling van vrije tijd;\n\n- meewerken aan onderwijs.\n\nDaarnaast legt de rechtbank aan [verdachte] op een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.\n\nDe rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie voor wat betreft de hoogte van de werkstraf, vanwege de positieve uitkomst van de mediation en omdat [verdachte] met de op te leggen straf al een vol programma heeft en hij niet overvraagd moet worden. Daarom heeft de rechtbank de werkstraf enigszins gematigd.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank zal de geschorste voorlopige hechtenis opheffen, zodat de in dit vonnis genoemde bijzondere voorwaarden de schorsingsvoorwaarden zullen vervangen.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij\n\n [slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.600,- voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld).\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij passend is en geheel kan worden toegewezen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel waarbij het aantal dagen gijzeling op nihil wordt gezet.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft verzocht om niet alleen te kijken naar de ‘Rotterdamse schaal’, maar ook rekening te houden met de smartengeldgids. De advocaat heeft verzocht de schadevergoeding te matigen tot maximaal € 500,- en geen wettelijke rente op te leggen, omdat dit niet te verenigen is met het lik-op-stukbeleid.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, waarbij de rechtbank ook aansluiting heeft gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 21 februari 2026 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 1.000,- aan de Staat moet betalen.\n\nDit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 (datum ontstaan schade) tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.\n\nAls een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op nul dagen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straffen en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 120 dagen;\n\n- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;\n\n- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 93 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en\u002Fof bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;\n\n- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :\n\n* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:\n\n* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] (geboren op [1984] ), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* zich niet zal bevinden op binnen een straal van 50 meter van de [winkel] te [woonplaats] , [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [adres] , [woonplaats] . Dit locatiegebod geldt om te beginnen voor de tijdsblokken waarop het huisarrest voor [verdachte] van kracht is en geldt zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* zich ter controle van het locatiegebod en -verbod onder elektronische monitoring zal stellen van de gecertificeerde instelling Samen Veilig te Almere. De elektronische monitoring duurt tot uiterlijk 1 oktober 2026 of zoveel korter als Samen Veilig te Almere nodig vindt;\n\n* zich onder behandeling zal stellen van de Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* zal meewerken aan hulpverlening als dit door jeugdreclassering passend bevonden wordt;\n\n* zal meewerken aan een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk, stage of vrijwilligerswerk voor de duur van tenminste 24 uur per week zolang het onderwijs nog niet gestart is;\n\n* zal meewerken aan een positieve invulling van zijn vrije tijd naast werk, stage of vrijwilligerswerk;\n\n* bij de start van onderwijs zal meewerken aan het positief vormgeven en deelnemen aan onderwijs;\n\n- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig te Almere opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 60 uren;\n\n- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen jeugddetentie;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade;\n\nveroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde af;\n\nlegt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 0 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. H. den Haan en J.S. Spijkerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nDe voorzitter, jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan [verdachte] is ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1 hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [winkel] en\u002Fof een derde toebehoorde(n), door: - een (vuur)wapen op die [slachtoffer 1] te richten, en\u002Fof - te zeggen: \"Maak dat ding open\" en (daarbij) naar de cashbox te wijzen, en\u002Fof - te zeggen: \"Snel, schiet op, doe het geld erin!\" en\u002Fof een tas op de balie te leggen, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - (daarna) te zeggen: \"hij hoeft niet op slot, maak die kassa open\" en\u002Fof \"alleen de briefjes van 50, 20 en 10\", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en\u002Fof geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - met de tas in de richting van de uitgang van de winkel te lopen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een derde toebehoorde(n) - een (vuur)wapen op die [slachtoffer 1] heeft gericht, en\u002Fof - heeft gezegd: \"Maak dat ding open\" en (daarbij) naar de cashbox heeft gewezen, en\u002Fof - heeft gezegd: \"Snel, schiet op, doe het geld erin!\" en\u002Fof een tas op de balie heeft gelegd, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - (daarna) heeft gezegd: hij hoeft niet op slot, maak die kassa open\" en \"alleen de briefjes van 50, 20 en 10\", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en\u002Fof geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - met de tas in de richting van de uitgang van de winkel is gelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 2 hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een wapen, in elk geval met zijn hand, in het gezicht te slaan.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer MD2R026032 JARRAH, doorgenummerd pagina 1 tot en met 110. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina’s 34, 35 en 38.\n\n Pagina’s 92 en 93.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4024","2026-07-13T00:28:42.996Z",1,20]