[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-maastricht-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":53},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},74,"Maastricht","nl","maastricht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-06-11T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124119","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 237 lid 4",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"124121","Burgerlijk Wetboek","art. 4:64 lid 1",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"124139","art. 143 lid 2",[34,45],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"1679","ECLI:NL:RBLIM:2026:5578","ecli-nl-rblim-2026-5578","","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F352304 \u002F KG ZA 26-178\n\nVonnis in kort geding van 11 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\neiser\u002Foppossant,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. B. Coomans,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\ngedaagde\u002Fgeopposseerde,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. R.P.H.W. Haas.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de onderhavige verzetprocedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, met de producties 1 tot en met 4,\n\n- de brief met de producties 19 tot en met 24 van [gedaagde] , - de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 met de spreekaantekeningen van mr. Haas.\n\n1.2.. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is bij kop-staartvonnis van 4 juni 2026 op het door [eiser] gevorderde beslist. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, volgen hieronder.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen zijn op 10 januari 2024 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk hebben zij gedurende 37 jaar een affectieve relatie gehad.\n\n2.2.. \n [eiser] en [gedaagde] hebben de woning aan [adres 1] , in gezamenlijk eigendom (hierna: de woning).\n\n2.3.. Op 11 maart 2025 heeft [gedaagde] een verzoekschrift tot echtscheiding (met zaaknummer C\u002F03\u002F339833) bij de rechtbank Limburg ingediend (zaaknummer C\u002F03\u002F339833). De mondelinge behandeling staat gepland voor 21 oktober 2026.\n\n2.4.. \n [gedaagde] heeft de rechtbank Limburg verzocht om voorlopige voorzieningen voor de duur van de echtscheidingsprocedure te treffen. Bij proces-verbaal van 9 mei 2025 zijn partijen (onder andere) het volgende overeengekomen:\n\n“(…) 3. De man zal de woning gelegen aan [adres 1] niet zonder\n\nvoorafgaand overleg met de vrouw betreden. (…)”\n\n2.5.. \n [gedaagde] heeft op 27 november 2025 tegen [eiser] aangifte gedaan voor diefstal van de bestelauto.\n\n2.6.. Op 1 januari 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van stalking.\n\n2.7.. Op 27 februari 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van het middels braak of inklimming betreden van de woning, het vernielen van de meterkast en het zonder haar toestemming wegnemen van haar laptop, internetmodem, camera en papieren van haar advocaat. Achter het raam van de woning trof zij een bordje ‘'Drugspand gesloten” aan en de gaskraan in de berging was opengedraaid.\n\n2.8.. \n [gedaagde] heeft op 28 februari 2026 en 13 maart 2026 opnieuw aangifte tegen [eiser] gedaan voor vernieling van de sloten van de woning.\n\n2.9.. De politie heeft [eiser] op 13 maart 2026 aangehouden, omdat hij probeerde de woning binnen te komen.\n\n2.10.. Op 16 maart 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van stalking en bedreiging.\n\n2.11.. \n [gedaagde] en de politie hebben de sloten van de woning meermaals vervangen.\n\n2.12.. Bij kort geding vonnis van 15 april 2026, waarbij de voorzieningenrechter tegen [eiser] verstek heeft verleend, is (onder andere) het volgende beslist:\n\n“(…) 5.1. verbiedt [eiser] zich onmiddellijk na betekening van dit vonnis voor de duur van één jaar te bevinden dan wel op te houden binnen een straal van 400 meter rondom de\n\nwoning, staande en gelegen te [adres 1] , zulks op\n\nverbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke overtreding hiervan, tot een maximum\n\nvan € 25.000,00 en - indien [eiser] geen gehoor geeft aan het verbod - met machtiging aan\n\n [gedaagde] tot handhaving van het gegeven verbod om de hulp in te roepen van de sterke arm\n\nvan politie en justitie, (…)”\n\n2.13.. De voorzieningenrechter heeft daartoe (onder meer) het volgende overwogen:\n\n“(…) Achter de woning liggen voetbalvelden en groen. Zij[ [gedaagde] , toevoeging de voorzieningenrechter]vordert daarom een straatverbod met een straal van 400 meter rondom de woning en niet alleen een verbod om specifieke straten te betreden. [eiser] staat vaak in de [straat 1] en [straat 2] te posten. [gedaagde] moet via de [straat 3] naar haar werk gaan. Deze voornoemde straten vallen allemaal in de gevorderde 400-meter-straal. [eiser] wordt niet in de uitoefening van zijn werk belemmerd door het straatverbod in een straal van 400 meter rondom de woning. (…)”\n\n2.14.. \n [gedaagde] heeft op 8 april 2026 aangifte gedaan bij de politie van vernieling, omdat een voor [gedaagde] onbekende man het slot van haar voordeur met een boormachine heeft vernield. Op 5 mei 2026 heeft zij opnieuw aangifte gedaan van (poging) vernieling, omdat een andere voor [gedaagde] onbekende man een klinker naar\u002Ftegen de woning heeft gegooid.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. bepaalt dat het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, op 15 april 2026 gewezen verstekvonnis onder zaaknummer C\u002F03\u002F350724 \u002F KG ZA 26-103, wordt vernietigd en dat daarbij het straatverbod wordt beperkt tot uitsluitend de [straat 4] te [plaats 3] , althans tot de directe omgeving van de woning aan [adres 1] , zulks ter beoordeling van de voorzieningenrechter;\n\nII. de aan het straatverbod gekoppelde dwangsom van € 500,00 per overtreding,\n\nmet een maximum van € 25.000,00, wordt gematigd tot een bedrag van € 100,00\n\nper overtreding met een maximum van € 5.000,00;\n\nIII. [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVerzet tijdig\n\n4.1.. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld (artikel 143 lid 2 Rv), zodat [eiser] in zijn verzet kan worden ontvangen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er gelet op de aard van de zaak en de ernstig verstoorde verhouding tussen partijen sprake van een spoedeisend belang.\n\nBeperking straatverbod en matiging dwangsom?\n\n4.3.. \n\n [eiser] stelt dat het bij verstekvonnis van 15 april 2026 opgelegde straatverbod dat hem verbiedt zich binnen een straal van 400 meter rondom de woning te bevinden, disproportioneel is. [eiser] betoogt dat hij door het opgelegde verbod wordt belemmerd om zich vrijelijk naar het kantoorpand van zijn onderneming (gelegen aan de [adres 2] ) te begeven. Daarnaast voert [eiser] aan dat hij, voorafgaand aan het opgelegde straatverbod, een verbouwingsopdracht had aangenomen voor een woning die binnen de straal van 400 meter van de woning gelegen is, waardoor hij inkomsten zal mislopen als het verbod gehandhaafd zal blijven. Voorts stelt [eiser] dat hij door het verbod ook in zijn dagelijkse leven ernstig wordt belemmerd, omdat hij niet in de gelegenheid is om naar de woning van hun dochter en naar zijn huisarts te gaan. [eiser] voert derhalve aan dat het straatverbod dient te worden beperkt tot de straat waar de woning gelegen is (de [straat 4] te [plaats 3] ).\n\n [gedaagde] betwist dat het opgelegde straatverbod disproportioneel is.\n\n4.4.. \n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter dient voorop te worden gesteld dat een straatverbod inbreuk maakt op het aan ieder toekomende fundamenteel recht zich vrijelijk te bewegen en te gedragen. Voor het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel moet –\n\nzoals de voorzieningenrechter onder rechtsoverweging 4.2. van het verstekvonnis van 15 april 2026 reeds heeft opgemerkt – sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een zodanige inbreuk kunnen rechtvaardigen.\n\n4.5.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in de onderhavige procedure opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter rondom de woning – ondanks het ingrijpende karakter ervan – op zijn plaats is. Daarvoor is van belang dat de voorzieningenrechter het betoog van [eiser] dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan gedragingen waardoor [gedaagde] zich, kort gezegd, voortdurend bedreigd voelt in haar veiligheid en woonrust onvoldoende aannemelijk acht. Uit de door [gedaagde] gedane aangiftes kan immers genoegzaam worden afgeleid dat [eiser] , nadat partijen waren overeengekomen dat hij de woning niet zou betreden, zich desondanks bij herhaling rondom de woning heeft begeven dan wel de woning wilde betreden. In het licht hiervan is [eiser] door het openbaar ministerie dan ook als verdachte aangemerkt dat op termijn hierover een vervolgingsbeslissing zal nemen. Dat het “slechts om aangiftes” zou gaan, waarmee niet vaststaat dat hetgeen daarin staat ook waar is, zoals [eiser] stelt, maakt dat niet anders, mede in aanmerking genomen dat voor ‘aannemelijkheid’, de toets die de voorzieningenrechter in civilibusdient te hanteren, geen strafrechtelijk bewijs vereist is.\n\n4.6.. \n\nHet bezwaar van [eiser] dat hij zich door het straatverbod met een straal van 400 meter niet vrijelijk naar zijn kantoorpand kan begeven, kan hem niet baten. [eiser] heeft naar eigen zeggen immers verklaard dat zijn kantoorpand op 500 meter van de woning gelegen is en derhalve buiten de straal van 400 meter ligt. De voorzieningenrechter stelt daarnaast vast dat zijn kantoorpand via andere wegen (zoals de [straat 5] , de [straat 6] en de [straat 7] te [plaats 3] ) voldoende bereikbaar is. Voorts passeert de voorzieningenrechter het bezwaar van [eiser] dat hij door het opgelegde straatverbod inkomsten uit een verbouwingsopdracht zou mislopen, nu niet gebleken is dat de onderhandelingen tot een overeenkomst hebben geleid. Voorts heeft [gedaagde] in reactie op de stelling van [eiser] onweersproken gesteld dat de woning van de dochter van partijen ruim buiten de straal van 400 meter van de woning gelegen is, omdat zij woonachtig is in Geleen aan de andere kant van de snelweg. [gedaagde] heeft ook betwist dat de huisarts van [eiser] gelegen is binnen de straal van 400 meter van de woning.\n\nDe voorzieningenrechter concludeert op basis van de aangevoerde feiten en omstandigheden dat het opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter gerechtvaardigd is.\n\n4.7.. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de opgelegde dwangsom te matigen. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat gelet op de stelselmatige eerdere gedragingen en bejegeningen en de invloed hiervan op haar woonrust en haar veiligheidsgevoel – en de ernst hiervan – maken dat de opgelegde (hoogte van de) dwangsom een voldoende prikkel tot nakoming dient te vormen. Van een disproportionele omvang is daarom geen sprake. Dit spreekt temeer, nu [eiser] het verbeuren van dwangsommen niet hoeft te vrezen, als hij zich aan het opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter houdt en zal houden.\n\n4.8.. Gelet op het voorgaande, zal het verzet van [eiser] ongegrond worden verklaard en het gewezen verstekvonnis zal integraal in stand worden gelaten.\n\nProceskosten\n\n4.9.. De voorzieningenrechter ziet gelet op de aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding om de proceskosten te compenseren. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.707,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verklaart het verzet ongegrond,\n\n5.2.. laat het gewezen verstekvonnis van 15 april 2026 onder zaaknummer C\u002F03\u002F350724 \u002F KG ZA 26-103 integraal in stand,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Provaas, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\nProductie 1 bij de originele dagvaarding van [gedaagde] .","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5578","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:33.154Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":43,"updatedAt":52},"1669","ECLI:NL:RBLIM:2026:5540","ecli-nl-rblim-2026-5540","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F335483 \u002F HA ZA 24-474\n\nVonnis van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [zus],\n\nte op een geheim adres,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [zus] ,\n\nadvocaat: mr. B. Coomans,\n\ntegen\n\n [broer],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [broer] ,\n\nadvocaat: mr. E. Sars.\n\nPartijen worden hierna [zus] en [broer] genoemd.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het incidenteel vonnis van 12 februari 2025\n\n- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie\n\n- de oproepingsbrief van 9 april 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de op 16 september 2025 nader ingezonden productie aan de zijde van [zus]\n\n- de akte wijziging van eis d.d. 17 september aan de zijde van [zus]\n\n- de op 18 september 2025 nader ingezonden producties aan de zijde van [broer]\n\n- de mondelinge behandeling d.d. 25 september 2025\n\n- de op 4 februari 2026 nader ingezonden productie aan de zijde van [zus] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [zus] en [broer] zijn broer en zus van elkaar. [moeder] was hun moeder.\n\n2.2.. Moeder heeft bij testament van 23 november 2016, verleden voor mr. J.M.A. Pas, kandidaat-notaris te Beek, over haar nalatenschap beschikt. In haar testament heeft zij [broer] tot enig erfgenaam benoemd en [zus] (alsmede haar afstammelingen) uitdrukkelijk uitgesloten als erfgenaam.\n\n2.3.. Tot het overlijden van moeder had zij een eenmanszaak en verrichte zij diensten aan mensen die in medisch opzicht hulpbehoevend zijn.\n\n2.4.. Moeder en [broer] zijn sinds 4 mei 2021 samen eigenaar van de woning, staande en gelegen aan [adres] . Hierop was een hypotheek gevestigd op beider naam.\n\n2.5.. Moeder is op [datum] 2023 overleden.\n\n2.6.. Op verzoek van [zus] heeft [notaris] bij brief van 27 december 2023 laten weten dat [zus] aanspraak maakt op haar legitieme deel van de nalatenschap van moeder.\n\n2.7.. Op 11 januari 2024 is [broer] door de notaris verzocht om diverse documenten over te leggen, die ertoe dienen te strekken inzage te geven in de omvang van de legitimaire massa.\n\n2.8.. \n\n [zus] heeft ter verzekering van de door haar gepretendeerde vordering op\n\n20 augustus 2024 conservatoir beslag gelegd ten laste van [broer] op de onverdeelde helft van de onroerende zaak staande en gelegen aan [adres] .\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [zus] vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. Aan de hand van de door [broer] in het incident te verstrekken bescheiden bij wijze van verklaring voor recht de omvang van de legitimaire massa en de legitieme portie van eiseres vast zal stellen;\n\nII. De vordering van [zus] op [broer] als enig erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster bij wijze van verklaring voor recht vast zal stellen op het onder I. vastgestelde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;\n\nIII. [broer] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [zus] te betalen het onder II. vastgestelde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding; IV. Bij wijze van verklaring voor recht de omvang van de legitieme portie van [zus] vast te stellen op € 300.000,00 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; en\n\nV. [broer] zal veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van de buitengerechtelijke kosten en de nakosten zoals bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv alsmede de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat [broer] in verzuim is deze kosten te voldoen.\n\n3.2.. \n [broer] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [zus] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [zus] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n\n [broer] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat [broer] een vordering op de nalatenschap heeft van € 167.740,72, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nII. [zus] veroordeelt in de proceskosten.\n\n3.5.. \n [zus] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met compensatie van de proceskosten.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\n4.1.. Met de vordering in conventie wenst [zus] dat haar legitieme portie wordt vastgesteld. Met de vordering in reconventie wenst [broer] een aanspraak te maken ten laste van de legitieme portie. Daarmee lenen de twee vorderingen zich voor een gezamenlijke beoordeling.\n\n4.2.. De legitieme portie wordt op grond van artikel 4:65 BW berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap die wordt vermeerderd met de giften en verminderd met de schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Onder de schulden vallen de schulden die niet door de dood teniet gaan, de uitvaartkosten en de kosten van vereffening van de nalatenschap. De uitkomst hiervan wordt de legitimaire massa genoemd. De hoogte van de vordering van [zus] wordt berekend door de helft van de legitimaire massa te delen door het aantal afstammelingen. In dit geval zijn dat [zus] en [broer] . De concrete berekening van de legitieme portie van [zus] is de helft van de helft legitimaire massa (artikel 4:64 lid 1 BW). Derhalve bedraagt de legitieme portie van [zus] uiteindelijk 25% van de legitimaire massa.\n\n4.3.. \n\nVoor het bepalen van de legitimaire massa (en de hoogte daarvan) moet dus worden bepaald welke goederen tot de nalatenschap behoren (omvangspeildatum), welke waarde deze hadden ten tijde van overlijden van erflaatster (waardepeildatum), welke giften zijn gedaan, en wat de schulden van de nalatenschap zijn.\n\nWaarde van de goederen inclusief vorderingen\n\nDe woning4.4.. De woning aan [adres] is eigendom van moeder en [broer] . Dit betekent dat de helft van de waarde van de woning in de legitimaire massa valt. De vraag die in dit verband moet worden beantwoord is wat de waarde van de woning op het moment van overlijden was.\n\n4.5.. \n [zus] stelt dat de aankoopwaarde van de woning door moeder en [broer] – zijnde € 350.000,00, als uitgangspunt moet worden genomen. Moeder heeft 1,5 jaar in het huis gewoond voordat ze overleed. Door tijdsverloop is de waarde van de woning gestegen. [zus] laat echter na te onderbouwen hoeveel die waardevermeerdering zou zijn. Wel is namens [zus] een taxatierapport overgelegd, gedateerd op 12 december 2025, waaruit blijkt dat de woning op 20 november 2025 een marktwaarde had van € 450.000,00. Hiermee is echter nog niet duidelijk wat de waarde van de woning was op het moment dat moeder is overleden. Om die reden kan aan dit taxatierapport niet de waarde worden toegekend die [zus] (mogelijk) voor ogen staat.\n\n4.6.. Aan de zijde van [broer] is niets gesteld ten aanzien van de waarde van de woning, behalve dat hij de woning na aankoop voor een bedrag van € 128.000,00 zou hebben verbouwd. Welke consequentie dit mogelijk zou hebben voor de waarde van de woning, heeft [broer] niet naar voren gebracht.\n\n4.7.. Nu geen van partijen onderbouwd hebben gesteld wat de waarde was van de woning op het moment dat moeder overleed, zal de rechtbank die waarde zelf schattenderwijs vast stellen. Daarbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de waarde van de woning op [datum] 2023 moet liggen tussen de aankoopwaarde en de getaxeerde waarde op 20 november 2025. De rechtbank schat die waarde dan op € 400.000,00. Als controle van die waarde heeft de rechtbank voorts de vrij toegankelijke gegevens van waardestijgingen zoals te vinden op de [website] in haar overweging betrokken. Uit deze controle volgt dat een waarde van € 400.000,00 een redelijke schatting is.\n\nAuto4.8.. \n [zus] heeft gesteld dat tot de legitimaire massa ook moet worden gerekend de auto die moeder in haar bezit had. Van deze auto is komen vast te staan dat dit een lease auto betrof. Tijdens de mondelinge behandeling is door [broer] onbetwist gebleven gesteld dat de lease-auto ten tijde van overlijden van moeder een waarde had van € 6.000,00. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de juistheid hiervan te twijfelen, zal de rechtbank van dit bedrag uitgaan bij de vaststelling van de legitimaire massa.\n\n4.9.. \n [broer] heeft nog betoogd dat hij de auto moest afkopen, waarmee hij beoogt dat de afkoopsom een vordering is die ten laste van de legitimaire massa moet strekken. De rechtbank volgt [broer] hier echter niet in. Hij heeft er namelijk zelf voor gekozen om de leaseovereenkomst af te kopen en de auto voor eigen gebruik te houden. Het afkoopbedrag komt daarmee niet ten laste van de nalatenschap, maar voor zijn eigen rekening.\n\nHorloge\n\n4.10.. \n [zus] heeft bij dagvaarding gesteld dat moeder beschikte over een Rolex. Die stelling is door [broer] betwist. Nu [zus] geen enkel begin van bewijs heeft geleverd of aangeboden die haar stelling kan onderbouwen, zal dit gestelde vermogensbestanddeel buiten de vaststelling van de legitimaire massa worden gelaten.\n\nBankrekeningen4.11.. In deze procedure heeft [zus] meermaals geprobeerd inzage te krijgen in de financiële situatie van moeder zoals die was ten tijde van haar overlijden. Zo is in de eerste plaats op haar verzoek door de notaris bij [broer] gevraagd om inzage te verschaffen in – onder andere – de bankrekeningen van moeder. Aan dit verzoek heeft hij op dat moment geen gehoor gegeven. Bij vonnis in incident van 12 februari 2025 is [broer] veroordeeld om, voor zover bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering van belang, afschriften te verstrekken van:\n\nDe saldi per [datum] 2023 van de bank- en girorekeningen en de nummers van deze rekeningen;\n\nDe belastingaanslagen, met name de Inkomstenbelasting;\n\nBankafschriften te verstrekken die zijn op de periode van vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van moeder op [datum] 2023.\n\nAan het verstrekken van deze gegevens is een dwangsom verbonden, van € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,00.\n\n4.12.. Op 26 juni 2025 heeft [broer] aan de gemachtigde van [zus] rekeningafschriften verstrekt van een rekening van de Rabobank met nummer [rekeningnummer]. Omdat de tenaamstelling is weggelakt, kan de rechtbank niet vaststellen dat het daadwerkelijk de betaalrekening van moeder betrof. Echter is dit door [zus] niet ter discussie gesteld, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stelling van [broer] . Het saldo van die rekening bedroeg op [datum] 2023 € 145,51. Dit bedrag zal dan ook bij de vaststelling van de legitimaire massa worden meegenomen. Alle bedragen die na overlijden van moeder nog zijn bij- of afgeschreven, vallen buiten het bestek van de legitimaire massa en laat de rechtbank derhalve buiten beschouwing.\n\n4.13.. De belastingaanslagen heeft [broer] niet overgelegd, omdat die er volgens zijn verklaring niet zijn. Hoewel daar op zitting wel naar is gevraagd door de rechtbank, heeft [broer] geen toelichting kunnen geven waarom die aanslagen er niet zijn. Nu echter aan de zijde van [zus] niet is betwist dat de aanslagen er niet zijn, zal de rechtbank ervanuit gaan dat [broer] niet kan beschikken over deze aanslagen omdat deze aanslagen er niet zijn.\n\n4.14.. De vraag deed zich nog voor of er nog andere rekeningen waren, mede omdat moeder tot aan haar overlijden als ZZP’er werkte. [broer] heeft onweersproken toegelicht dat moeder haar zakelijke rekening ook privé mocht gebruiken en dat er om die reden geen andere rekeningen waren op naam van moeder. Dat die informatie onjuist, is door [zus] niet gesteld, zodat hier van wordt uitgegaan.\n\n4.15.. Wel geldt ten aanzien van de bankrekeningen nog het volgende. [broer] is veroordeeld tot het verstrekken van bescheiden, op straffe van een dwangsom. Die dwangsommen zijn verbeurd en [zus] is ook tot incasseren overgegaan.4.16.. Vast staat dat [broer] niet direct overgegaan is tot het overleggen van de bescheiden die waren gevraagd door [zus] . Ook na het vonnis in incident heeft het nog een aantal maanden geduurd voordat [broer] alle gevraagde informatie had verstrekt. Naar zijn eigen zeggen is er per e-mail van 16 oktober 2024 informatie aan de gemachtigde van [zus] verstrekt. Hoewel de gemachtigde van [zus] ter zitting heeft gezegd dat hij zich die e-mail niet kan herinneren, is een afschrift van die e-mail mét onderliggende stukken niet aan het procesdossier gevoegd. De rechtbank kan dan ook niet verifiëren of en welke bescheiden op 16 oktober 2024 zouden zijn overgelegd. Wel kan de rechtbank vaststellen dat [broer] pas op 26 juni 2026 de bankafschriften heeft overgelegd. Naar zijn eigen zeggen kon hij pas op 27 mei 2025 bij de notaris terecht voor een verklaring van erfrecht en die was nodig omdat de Rabobank anders geen inzage in de rekening wilde geven. [zus] heeft niettemin dwangsommen geïncasseerd en dat is volgens [broer] misbruik van recht. De rechtbank volgt [broer] niet in dit standpunt. [broer] was immers al eerder verzocht door [notaris] in januari 2024, om inzage te geven in alle bescheiden die relevant waren voor de vaststelling van de legitimaire massa. Weliswaar is [broer] bij vonnis in incident pas veroordeeld tot het overleggen van die afschriften, maar na het vonnis heeft het ook nog zo’n drie maanden geduurd voordat [broer] een verklaring van erfrecht heeft verkregen. Niet blijkt dat [broer] met voortvarendheid een afspraak bij de notaris heeft gemaakt, zodat het gegeven dat de notaris pas op 27 mei 2025 tijd zou hebben gehad voor het opmaken van een verklaring van erfrecht voor rekening en risico komt van [broer] . Nu niet blijkt dat door een omstandigheid buiten toedoen van [broer] er pas na 27 mei 2025 een verklaring voor erfrecht kon worden verkregen, heeft [zus] terecht de dwangsommen verbeurd en is er geen sprake van misbruik van recht.\n\nSchulden4.17.. De schulden van moeder moeten van het positieve saldo worden afgetrokken, zoals dit ook onder rechtsoverweging 4.2 is uitgelegd.\n\nUitvaartkosten en notariskosten\n\n4.18.. Vast staat dat [broer] kosten heeft gemaakt voor de uitvaart van moeder. Tijdens de mondelinge behandeling is gesteld dat de gemachtigde van [zus] bij e-mail van 16 oktober 2024 een overzicht van die kosten heeft ontvangen. De gemachtigde van [zus] herinnert zich die e-mail niet. Wat daar ook van zij, namens [broer] is verzuimd om de kosten van de uitvaart in deze procedure te stellen en onderbouwen. Zodoende kan de rechtbank geen rekening houden met de kosten van de uitvaart bij de bepaling van de legitimaire massa. Wel is door [broer] gesteld dat hij € 85,00 aan notariskosten heeft moeten maken voor het opvragen van het testament en € 906,83 voor het opstellen van een verklaring van erfrecht. De kosten komen de rechtbank aannemelijk voor.\n\nHypotheek4.19.. Vast staat verder dat op de woning van moeder en [broer] een hypotheek rust die bij aanvang € 190.000 bedroeg en die volgens een annuïteitenregeling afgelost moet worden. Verder bestaat er ook geen discussie tussen partijen dat er op de hypotheek, tot aan het moment dat moeder overleed, maandelijks aflossingen zijn gedaan. [broer] heeft echter nagelaten een overzicht te verstrekken van de hypotheekstand ten tijde van het overlijden van moeder. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft [broer] een poging ondernomen om inzage te verschaffen, maar vervolgens is nagelaten die schriftelijk te verstrekken. Gelet op de overlegde stukken zal de rechtbank daarom zelf de waarde van de hypotheek vast stellen. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspuntdat het maandbedrag € 684,37 bedroeg. De eerste betaling was verschuldigd op 30 juni 2021. De rechtbank stelt dan ook vast dat tot het overlijden van moeder in totaal € 19.162,36 (28 maanden x € 684,37) aan hypotheek is betaald. Dit bedrag dient in mindering te worden gebracht op de oorspronkelijke hypoheeksom. Derhalve bedroeg de hypotheekschuld ten tijde van het overlijden van moeder (€ 190.000,00 minus € 19.162,36) € 170.837,64.\n\n4.20.. Voor zover er nog hypotheeklasten zijn betaald ná overlijden van moeder, blijven die kosten buiten beschouwing nu dit voor de omvang van de legitimaire massa niet van belang is. Voor zover [broer] heeft willen betogen dat [zus] mede gehouden was om na het overlijden van moeder mee te betalen in de hypotheeklasten, miskent hij dat [zus] geen erfgenaam is en om die reden ook niet kan meedelen in schulden die zijn ontstaan ná het overlijden van moeder.\n\nOverige kosten\n\n4.21.. \n [broer] heeft gesteld dat hij als enige de hypotheeklasten betaalde, evenals de aanslagen van de BSGW en de kosten voor levensonderhoud. Moeder zou namelijk zelf geen inkomen hebben gehad, volgens [broer] . [zus] heeft dit betwist en tijdens de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van [zus] erop gewezen dat moeder volgens de bankafschriften een AOW-uitkering ontving alsmede een (klein) pensioen uit Duitsland. Dit is op zichzelf niet weersproken door [broer] . De gemachtigde van [zus] heeft hiermee willen betogen dat niet blijkt of er tussen moeder en [broer] afspraken waren gemaakt over voormelde kosten, laat staat wat die afspraken zouden zijn. De rechtbank is met de gemachtigde van [zus] van oordeel dat van afspraken op dit punt niet is gebleken. [broer] draagt hier wel de bewijslast van. Door hem is echter op geen enkele wijze een begin van bewijs geleverd dat hij alle kosten heeft gedragen, of dat moeder nog gehouden was de kosten aan hem te vergoeden. Daarmee zal deze opgevoerde post geen rol spelen bij de vaststelling van de legitimaire massa.\n\nVerklaring voor recht ten aanzien van verbouwingskosten4.22.. \n [broer] vordert een verklaring voor recht dat hij voor een bedrag van € 128.000,00 een vordering op de nalatenschap heeft. Dit zou het bedrag zijn dat hij heeft betaald aan verbouwingskosten. Ter onderbouwing van die kosten heeft [broer] een groot aantal foto’s overgelegd waarop verbouwingswerkzaamheden zijn te zien, alsmede facturen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering om meerdere redenen moet worden afgewezen.\n\n4.23.. De rechtbank begrijpt dat [broer] met zijn vordering beoogt te bewerkstelligen dat het totale bedrag aan verbouwing van de legitimaire massa moet worden afgetrokken. De verklaring voor recht is echter zodanig geformuleerd dat de rechtbank alleen zou kunnen vaststellen dat [broer] een vordering heeft ten laste van de nalatenschap. Nu hij echter enig erfgenaam is van die nalatenschap – [zus] is namelijk onterfd en kan slechts aanspraak maken op haar legitieme deel en is daarmee geen erfgenaam – ziet de rechtbank niet in welk belang [broer] bij die verklaring zou hebben. Ook al zou dit belang er wel zijn, dan geldt dat [zus] de verbouwing en de kosten die daarmee volgens [broer] gepaard gingen, heeft betwist. Met [zus] stelt de rechtbank vast dat op de foto’s niet blijkt dat de verbouwing daadwerkelijk heeft plaatsgevonden aan het huis dat moeder met [broer] had gekocht. Ook de overgelegde facturen kunnen de stelling van [broer] niet staven. Enerzijds is slechts voor een deel van het gevorderde bedrag facturen overgelegd en verder blijkt niet van enige betaling. En ook ten aanzien van deze vordering geldt dat niet blijkt van afspraken tussen moeder en [broer] , waaruit zou voortvloeien dat moeder het eens is met de verbouwing, de kosten en het gegeven dat zij daar voor de helft aan zou moeten meebetalen. Daarmee wordt de gevorderder verklaring voor recht afgewezen.\n\nSlotsom\n\n4.24.. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt de legitimaire massa – en vervolgens de legitieme portie die bestaat uit 25% van de legitimaire massa – op het volgende uit:\n\n4.25.. De vordering van [zus] wordt dan ook tot een bedrag van € 58.579,01 toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt, conform de vordering, toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.26.. \n\n [zus] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. .\n\nVoor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten kan (in de onderhavige zaak) een grondslag worden gevonden in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW. De in deze bepaling genoemde kosten komen voor vergoeding in aanmerking indien deze de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan en het liquidatietarief daarop geen betrekking heeft. De partij die dergelijke kosten vordert moet stellen en specificeren dat deze kosten zijn gemaakt voor andere verrichtingen dan de verrichtingen waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. Het zal daarbij moeten gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (herhaalde) sommatie of het enkel doen van een – niet aanvaard – schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Namens [zus] is geprobeerd om informatie te verkrijgen ter vaststelling van de legitimaire massa. Van andere werkzaamheden blijkt niet voldoende. De vordering tot vergoeding van de proceskosten wordt dan ook afgewezen.\n\nProceskosten4.27.. In de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder betreft, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. Aan een veroordeling tot betaling van nakosten wordt daarom niet toegekomen. Slechts de procespartij die een volledige veroordeling van zijn wederpartij in de proceskosten verkreeg, heeft recht op nakosten.\n\nDe beslagkosten4.28.. Op 20 augustus 2024 is op verzoek van [zus] ten laste van [broer] conservatoir beslag gelegd op de woning van [broer] , om zekerheid te krijgen voor (de betaling van) een vordering die zij op [broer] stelde te hebben. [zus] vordert veroordeling van [broer] tot betaling van de beslagkosten, vermeerderd met rente. Deze vordering is op grond van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op:\n\nDeurwaarderskosten € 320,37\n\nGriffierecht € 320,00\n\nKosten advocaat € 1214,00 (1 punt, waarde tarief anno 2024)\n\nTotaal € 1.854,37.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. verklaart voor recht dat de legitimaire massa € 234.316,04 bedraagt,\n\n5.2.. verklaart voor recht dat de legitieme portie € 58.579,01 bedraagt,\n\n5.3.. veroordeelt [broer] om aan [zus] te betalen een bedrag van € 57.712,63, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,\n\n5.4.. veroordeelt [broer] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.864,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,\n\nIn reconventie\n\n5.5.. wijst de vorderingen van [broer] af,\n\nIn conventie en reconventie\n\n5.6.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af;\n\n5.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.\n\n Gebaseerd op productie 7 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5540","2026-06-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.586Z",20]