[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-maastricht-tenancy-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":39,"total":16,"page":25,"limit":76},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},74,"Maastricht","nl","maastricht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},30,"tenancy-law-nl","Tenancy Law","NL","2026-07-08T16:53:14.176Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2024-01-17T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122526","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 557",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"123556","Burgerlijk Wetboek","art. 7:204 lid 2",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"123794","art. 444",{"provisionId":34,"code":28,"article":35,"count":25},"122529","art. 6:265",{"provisionId":37,"code":28,"article":38,"count":25},"122530","art. 7:231",[40,51,59,68],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":49,"updatedAt":50},"782","ECLI:NL:RBLIM:2026:5790","ecli-nl-rblim-2026-5790","","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12238701 CV EXPL 26-2803\n\nVonnis in kort geding van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING SERVATIUS,\n\nte Maastricht,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Servatius,\n\ngemachtigde: mr. G. Vansant,\n\ntegen\n\n1. [huurder],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij sub 1,\n\nhierna te noemen: [huurder],\n\nniet verschenen,2. 2. [bewindvoerder], h.o.d.n. [bewindvoerderskantoor],\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [huurder],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij sub 2,\n\nhierna te noemen: de bewindvoerder q.q.,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen - de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2. De feiten en het geschil\n\n2.1.. Tussen Servatius en [huurder] is in maart 2022 een huurovereenkomst tot stand gekomen, waarbij Servatius de woning aan [adres] (hierna: het gehuurde) verhuurt aan [huurder].\n\n2.2.. Bij beschikking van de kantonrechter zijn alle goederen die behoren of zullen toebehoren aan [huurder] onder bewind gesteld.\n\n2.3.. Bij brief van 29 september 2025 heeft Servatius de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2026, met als reden dat [huurder] het gehuurde niet als hoofdverblijf heeft.\n\n2.4.. Tussen Servatius en [huurder] is vervolgens een afspraak tot stand gekomen inhoudende dat [huurder] het gehuurde zou ontruimen en opleveren aan Servatius.\n\n2.5.. Omdat [huurder] telkens niet is verschenen bij de opleveringsafspraken, heeft Servatius [huurder] gesommeerd het gehuurde uiterlijk 20 april 2026 te ontruimen. Een kopie van dit schrijven is aan de bewindvoerder q.q. gestuurd.\n\n3. Het geschil en de beoordeling\n\n3.1.. Servatius vordert - samengevat - ontruiming van het gehuurde.\n\n3.2.. De bewindvoerder q.q. heeft tijdens de mondelinge behandeling geen verweer gevoerd en de feiten, zoals ten grondslag gelegd aan de vordering, niet betwist.\n\n3.3.. Tegen de niet verschenen [huurder] wordt verstek verleend, nu de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen.\n\n3.4.. De vorderingen tegen de [huurder] komen niet onrechtmatig of ongegrond voor (tenzij hierna anders wordt overwogen), en zullen conform het bepaalde in art. 140 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering als een vonnis op tegenspraak in dezelfde zin worden toegewezen als tegen de wel verschenen gedaagde.\n\n3.5.. \n\nIn het petitum is, gelet op het lichaam van de dagvaarding, een duidelijke omissie geslopen in de zin dat onder 1. voor “[huurder]” moet worden gelezen:\n\n“de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd -”. [huurder] wordt hierdoor niet benadeeld.\n\n3.6.. \n [huurder] staat onder bewind. In 2014 heeft de Hoge Raad beslist dat in een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed, de bewindvoerder en niet de rechthebbende in rechte betrokken dient te worden (ECLI:NL:HR:2014:525). De eisende partij wordt normaliter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering jegens de rechthebbende. Servatius heeft hier zowel de bewindvoerder als de rechthebbende in rechte betrokken, omdat een voorwaardelijkevordering is ingesteld tegen [huurder] voor het geval het bewind zou eindigen tussen de datum vonnis en de datum van de aangezegde ontruiming. Aangezien een einde van het bewind niet is uit te sluiten, is Servatius ontvankelijk in haar voorwaardelijke vordering jegens [huurder].\n\n3.7.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n3.8.. Het spoedeisend belang is niet weersproken en vloeit voort uit de stelling dat het gehuurde reeds geruime tijd niet wordt bewoond, dat de leegstand heeft geleid tot verwaarlozing en overlast en dat Servatius de woning thans niet kan toewijzen aan een woningzoekende. Gewezen is op de schaarste op de sociale woningmarkt.\n\n3.9.. De bewindvoerder q.q. erkent dat [huurder] met Servatius de afspraak heeft gemaakt dat [huurder] het gehuurde zou ontruimen en opleveren. [huurder] heeft op enig moment zelf de huur opgezegd. De bewindvoerder q.q. kan zich vinden in het einde van de huur. [huurder] woont namelijk bij haar vriend en wil niet meer terug naar het gehuurde, aldus de bewindvoerder q.q. Deze was zelfs al in de veronderstelling dat het gehuurde reeds was opgeleverd – reden waarom de huur over de laatste maand (nog) niet is betaald. De kantonrechter begrijpt uit dit laatste dat de datum, waarop de huurovereenkomst (ook volgens bewindvoerder q.q.) is geëindigd, inmiddels is gepasseerd. Daarmee wordt aangenomen dat de huurovereenkomst inmiddels formeel tot een einde is gekomen.\n\n3.10.. De bewindvoerder q.q. erkent eveneens dat in de woning nog altijd (veel) spullen van [huurder] aanwezig zijn en dat het gehuurde ook anderszins niet is opgeleverd. Zo is niet betwist dat de sleutels ook niet zijn ingeleverd. De bewindvoerder q.q. verzet zich niet tegen de gevorderde ontruiming. Zo heeft hij [huurder] geadviseerd de woning op tijd leeg te maken. Concluderend is de kantonrechter voorshands van oordeel het zeer waarschijnlijk is dat een ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De gevorderde ontruiming is daarmee toewijsbaar. De vordering zal voorwaardelijk worden toegewezen jegens [huurder].\n\n3.11.. Een ontruimingstermijn van twee weken is gebruikelijk. Servatius stelt dat een kortere termijn van zeven dagen hier is gerechtvaardigd omdat [huurder] al niet meer in het gehuurde woont. De bewindvoerder q.q. heeft zich niet met zoveel woorden tegen die verkorte termijn verzet. Wel heeft hij erop gewezen dat [huurder], die een Wajong-uitkering ontvangt, begeleiding krijgt en hulp nodig heeft om het gehuurde leeg te krijgen. De bewindvoerder q.q. heeft twee weken geleden geld overgemaakt naar [huurder] om het gehuurde met hulp te doen ontruimen. Het bewind loopt goed. [huurder] heeft het schuldsaneringstraject doorlopen. Een gedwongen ontruiming zal evenwel tot kosten, en daarmee nieuwe schulden, leiden. De bewindvoerder q.q. wil daarom proberen om middels Opruimservice Limburg het gehuurde nog tijdig leeg te krijgen. Voorkomen moet worden dat [huurder] opnieuw in de schulden geraakt. Aangegeven is dat sowieso nog (een vergoeding gelijk aan) de huurprijs zal worden doorbetaald.\n\n3.12.. Hoewel een kortere termijn hier in beginsel is gerechtvaardigd, is de kantonrechter al met al van oordeel dat in dit geval een ontruimingstermijn van veertien dagen (óók in het voorwaardelijke geval) het meest redelijk is. Daarmee wordt aan [huurder] alsnog een reële(re) kans geboden om een gedwongen ontruiming, met alle financiële gevolgen van dien, te voorkomen.\n\n3.13.. De (ook voorwaardelijk) gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.3.14.. \n\nDe bewindvoerder q.q. en [huurder] (als voorwaardelijke partij) zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het tarief voor verstek is hier overigens niet van toepassing op [huurder].\n\nDe proceskosten van Servatius worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n156,75\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.304,75\n\n3.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Servatius zijn, en de sleutels af te geven aan Servatius,\n\n4.2.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - in de proceskosten van € 1.304,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder q.q. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5790","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:47.792Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":55,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":49,"updatedAt":58},"783","ECLI:NL:RBLIM:2026:5843","ecli-nl-rblim-2026-5843","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12245721 \\ CV EXPL 26-2921\n\nVonnis in kort geding van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verhuurder] h.o.d.n. [bedrijf],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [verhuurder] ,\n\ngemachtigde: mr. D.L. Hendrikx,\n\ntegen\n\n [huurder],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [huurder] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Raaijmakers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7\n\n- de aanvullende producties 8 en 9 van [verhuurder]\n\n- het verplaatsingsverzoek van [huurder]\n\n- de reactie van [verhuurder]\n\n- het bericht namens de kantonrechter aan partijen\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- de pleitnota van [verhuurder] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verhuurder] verhuurt aan [huurder] de woonruimte aan [adres] (hierna: de woning) met ingang van 19 januari 2026. De kale huurprijs bedraagt € 725,00 per maand en het maandelijkse voorschot energie bedraagt € 150,00. Het totale maandelijkse bedrag van € 875,00 dient bij vooruitbetaling aan [verhuurder] voldaan te worden.\n\n2.2.. Partijen zijn een borgsom overeengekomen van € 820,00.\n\n2.3.. \n [huurder] is twee jaar geleden vanuit Georgië naar Nederland gekomen in het kader van gezinshereniging met haar vrouwelijke partner. [huurder] woont in de woning met haar minderjarig kind. Haar partner woont in een studio in [plaats 3].\n\n2.4.. Ondanks meerdere aanmaningen heeft [huurder] de huurpenningen vanaf aanvang van de huurovereenkomst en de borgsom niet betaald aan [verhuurder] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [verhuurder] vordert – samengevat - om [huurder] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot:\n\nI. ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis,\n\nII. betaling van € 4.375,00 aan achterstallige huurpenningen berekend tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de huurpenningen vanaf juni 2026 tot aan de dag van ontruiming,\n\nIII. betaling van € 820,00 aan overeengekomen borgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nIV. betaling van de proceskosten, alsmede de nakosten.\n\n3.2.. \n [verhuurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] heeft sinds aanvang van de huurovereenkomst geen enkele huurtermijn betaald. Ten aanzien van de borgsom zijn partijen overeengekomen dat [huurder] het verschuldigde bedrag in drie gelijke delen van € 273,33 per maand zou voldoen vanaf januari 2026. Enige betaling is uitgebleven. [huurder] is dan ook structureel tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Op grond van artikel 6:265 BW in samenhang met artikel 7:231 BW is ontbinding van de huurovereenkomst, indien het geschil zou worden voorgelegd aan de bodemrechter, gerechtvaardigd.\n\n3.3.. \n [huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot ongegrondverklaring van de verzoeken van [verhuurder] , althans deze aan hem te ontzeggen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. \n\n [huurder] voert het volgende aan. Er is geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. [huurder] had onvoldoende inkomen – slechts € 250,00 per maand uit verhuur van een appartement in Georgië – om de huurpenningen te kunnen voldoen. [huurder] had geen verblijfsstatus en kon daarom niet werken. De verblijfsstatus is sinds\n\n1 juni 2026 toegewezen en [huurder] zal fulltime gaan werken. Met het te ontvangen loon kan zij de lopende huur betalen. [huurder] stelt zich op het standpunt dat de tekortkoming de ontruiming met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij een ontruiming zullen [huurder] en haar minderjarig kind dakloos worden en zeer waarschijnlijk uitgezet worden naar het land van herkomst. Er is dan ook sprake van een noodtoestand. [huurder] doet een beroep op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). Ten slotte verzoekt [huurder] om een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Uit de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat [verhuurder] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.\n\nBetalingsachterstand en ontruiming\n\n4.2.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een – diepgaand – onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n4.3.. \n [huurder] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Daarmee staat de bij dagvaarding gestelde huurachterstand van vijf maanden vast. Het gevorderde bedrag van € 4.375,00 aan achterstallige huurpenningen berekend tot en met mei 2026 wordt toegewezen.\n\n4.4.. De vraag is of deze huurachterstand kan leiden tot ontruiming van de woning. De maatstaf is of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst wegens deze tekortkoming op grond van artikel 6:265 BW zal ontbinden. Op grond van voornoemd artikel geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.\n\n4.5.. Op het moment van de mondelinge behandeling was sprake van zes maanden huurachterstand. Een bestaande betalingsonmacht komt voor rekening en risico van [huurder] . [huurder] wist bij het sluiten van de huurovereenkomst dat zij over onvoldoende inkomsten beschikte om de maandelijkse huurpenningen te kunnen voldoen. [huurder] voert aan dat zij dacht dat zij de huurpenningen in termijnen kon betalen en dat zij daarmee meende juist te handelen. Zoals de gemachtigde van [huurder] ook zelf ter mondelinge behandeling heeft erkend, ligt het logischerwijs niet voor de hand om maandelijkse huurpenningen in termijnen te betalen. Op die manier zou de huurachterstand alsmaar blijven oplopen.\n\n4.6.. De kantonrechter stelt voorop dat een huurachterstand van drie maanden of meer in de regel van voldoende gewicht wordt gevonden om tot ontbinding van de huurovereenkomst, en vooruitlopend daarop in kort geding, de ontruiming van het gehuurde uit te spreken. Het beroep van [huurder] op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW slaagt niet. [huurder] heeft naar het oordeel van de kantonrechter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat de ontbinding (en dus de ontruiming in kort geding) niet gerechtvaardigd is. De gevolgen van een ontruiming zijn altijd ingrijpend voor een huurder, maar zijn ook inherent eraan. Dat [huurder] bij een ontruiming zeer waarschijnlijk zal worden uitgezet naar het land van herkomst is geheel niet onderbouwd en ligt in de risicosfeer van [huurder] . De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [huurder] om in de woning te blijven wonen – gezien de substantiële huurachterstand – niet prevaleert boven het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van de woning.\n\n4.7.. Bij de beoordeling van de ontruimingsvordering wordt ook het belang van het minderjarig kind van [huurder] in overweging genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van het IVRK vormen de belangen van het kind de eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Aangenomen moet worden dat een ontruiming van de woning (ook) voor het minderjarige kind van [huurder] nadelige gevolgen meebrengt. Bij de beoordeling van een op zichzelf gerechtvaardigde vordering tot ontruiming zullen de belangen van de daarbij betrokken kinderen onder ogen gezien dienen te worden. Dit gaat evenwel niet zover dat de betrokkenheid van kinderen automatisch leidt tot een blokkade voor de toewijzing van een vordering tot ontruiming. Het is voor alles de taak van [huurder] om de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van al te nadelige gevolgen. Zowel de verantwoordelijkheid voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) als de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de kinderen ligt bij haar. Om die reden dient niet te snel te worden aangenomen dat de betrokkenheid van minderjarige kinderen aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg staat. Dit zal in bepaalde omstandigheden wel het geval kunnen zijn als de ontruiming tot een acute noodsituatie voor een kind zou leiden. Volgens [huurder] is haar inmiddels een verblijfsstatus toegewezen. Dit betekent dat [huurder] zich kan wenden tot hulpinstanties. Dat sprake is van een acute noodtoestand is dan ook niet aannemelijk geworden zodat de enkele aanwezigheid van het minderjarig kind in dit concrete geval niet tot afwijzing van de ontruimingsvordering zal leiden. Wel ziet de kantonrechter hierin aanleiding om de gevorderde ontruimingstermijn van veertien dagen te verlengen naar drie weken. De kantonrechter vindt deze termijn redelijk nu ter mondelinge behandeling al aan partijen is medegedeeld dat de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen en [huurder] dus vanaf dat moment kon beginnen met het treffen van maatregelen.\n\nBorgsom\n\n4.8.. \n [huurder] dient de borgsom op grond van de huurovereenkomst te betalen aan [verhuurder] . Vast staat dat [huurder] dat niet gedaan heeft. [huurder] heeft geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van deze borgsom. Het gevorderde bedrag van € 820,00 aan borgsom wordt daarom toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n4.9.. De wettelijke rente over de achterstallige huurpenningen en de waarborgsom wordt toegewezen zoals gevorderd nu [huurder] daartegen geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en [huurder] in verzuim verkeert.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n4.10.. Hoewel [huurder] hier bezwaar tegen heeft gemaakt, zal de kantonrechter dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De kantonrechter is van oordeel dat – zoals hiervoor is vastgesteld – de substantiële mate waarin [huurder] is tekortgeschoten in haar betalingsverplichtingen als huurder, maken dat [verhuurder] er belang bij heeft om op zo kort mogelijke termijn de woning aan een huurder te verhuren die wel zijn verplichtingen nakomt. Hoewel [huurder] een evident belang heeft bij het kunnen blijven wonen in de woning totdat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft of op een eventueel rechtsmiddel is beslist, weegt dat belang in de gegeven omstandigheden niet op tegen het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van de woning.\n\nProceskosten\n\n4.11.. \n [huurder] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n265,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.427,02\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [huurder] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] met al het hare en de haren te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, onder afgifte van alle sleutels aan [verhuurder] ,\n\n5.2.. veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] :\n\na. a) € 4.375,00 aan achterstallige huur tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,\n\nb) € 875,00 per maand vanaf juni 2026 tot aan de dag waarop de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,\n\n5.3.. veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] € 820,00 aan borgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum waarop deze opeisbaar is geworden, tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.427,02, te vermeerderen met de kosten van betekening,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5843","2026-06-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.827Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":49,"updatedAt":67},"1295","ECLI:NL:RBLIM:2026:5461","ecli-nl-rblim-2026-5461","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12231600 \\ CV EXPL 26-2730\n\nVonnis in kort geding van 11 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [huurder 1] , 2. [huurder 2] ,\n\nbeiden te [plaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\ngemachtigde: mr. B.H.A. Augustin,\n\ntegen\n\n [verhuurder],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4\n\n- het aanhoudingsverzoek van [verhuurder]\n\n- de aanvullende producties 5 tot en met 7 van [huurders]\n\n- productie 1 van [verhuurder]\n\n- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verhuurder] verhuurt aan [huurders] de woonruimte aan [adres] (hierna: de woning). De huurovereenkomst is gesloten voor de duur van twaalf maanden, ingaande 1 mei 2025 en lopende tot en met 30 april 2026. Op grond van artikel 3.4. van de huurovereenkomst is inmiddels sprake van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De huurprijs bedraagt € 900,00 per maand.\n\n2.2.. In de huurovereenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n“6.2 Gas en water wordt gedeeld met de bovenwoning. Woning heeft een eigen gasmeter, maandelijks wordt gekeken wat er verbruikt is en verrekend met de bovenwoning. Water zal maandelijks berekend worden en door 2 woningen worden verdeeld.”\n\n2.3.. Op donderdag 14 mei 2026 (Hemelvaartsdag) kwamen [huurders] erachter dat het water en gas waren afgesloten in de woning. [huurders] hebben [verhuurder] een WhatsAppbericht gestuurd met de volgende inhoud:\n\n“Hey [verhuurder] , we hebben geen water meer.\n\nWe hebben wml gesproken en door administratieve redenen hebben ze het water afgesloten. Wml gaf aan jou dit door te geven om z.s.m. een oplossing te bieden.”\n\n2.4.. \n [huurders] hebben twee jonge kinderen en zijn op zoek gegaan naar een andere verblijfsruimte. [huurder 1] heeft kunnen verblijven bij vrienden en [huurder 2] heeft met de kinderen kunnen verblijven bij haar ouders. [huurders] zijn op 15 mei 2026 bij [begeleider] (de begeleider van het gezin) geweest om de situatie toe te lichten. Op maandag 18 mei 2026 zijn [huurders] teruggegaan naar de woning en bij controle bleek het gas en water weer aangesloten.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [huurders] vorderen – samengevat en na eisvermindering – om [verhuurder] te verbieden gedurende de looptijd van de huurovereenkomst, althans totdat in een bodemprocedure anders is beslist, de gas- en\u002Fof watervoorziening van de woning opnieuw af te sluiten, te onderbreken of anderszins te beperken, waarbij [verhuurder] een dwangsom van € 2.500,00 verbeurt bij overtreding van voornoemd verbod. [huurders] vorderen tevens veroordeling van [verhuurder] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [huurders] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Vanaf aanvang van de huurovereenkomst zijn er gebreken in de woning. [verhuurder] heeft nagelaten om de gebreken te verhelpen, terwijl hij daartoe wel gehouden is op grond van artikel 7:206 lid 1 BW. Vanwege deze gebreken hebben [huurders] , op advies van de Huurcommissie, betaling van de huurpenningen voor de helft opgeschort. [verhuurder] heeft gedreigd dat hij het water en gas zou afsluiten indien [huurders] betaling van de huurpenningen bleven opschorten. [verhuurder] heeft op 14 mei 2026 daadwerkelijk het water en gas afgesloten en de woning daarmee praktisch onbewoonbaar gemaakt. [huurders] hebben contact opgenomen met WML en Enexis en zij gaven beiden te kennen dat het afsluiten niet bij hen lag. [huurders] hebben op 15 mei 2026 een sommatiebrief gestuurd aan [verhuurder] . Het afsluiten van gas en water aan een woonruimte levert evident een ernstig gebrek op in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW, althans een ernstige aantasting van het huurgenot die volledig in de risicosfeer van de verhuurder ligt. [verhuurder] is verplicht de voorzieningen beschikbaar te houden en, indien door of vanwege hem onderbroken, onmiddellijk te herstellen. Door het gas en water af te sluiten schiet [verhuurder] ernstig tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en handelt hij tevens onrechtmatig jegens [huurders] De voorzieningen zijn inmiddels weer hersteld (en in verband daarmee is de aanvankelijk eerste vordering vervallen). [huurders] willen zekerheid dat dit in de toekomst ook zo blijft.\n\n3.3.. \n [verhuurder] voert verweer. [verhuurder] betwist dat hij gedreigd heeft om het gas en water af te sluiten en dat hij dat daadwerkelijk heeft gedaan op 14 mei 2026. [verhuurder] voert aan dat hij de sommatiebrief niet ontvangen heeft. Deze brief is naar zijn oude adres gestuurd, terwijl [huurders] wisten dat [verhuurder] daar niet meer woonde. [verhuurder] heeft enkel van [huurders] via WhatsApp vernomen dat WML het water vanwege administratieve redenen had afgesloten en dat WML contact met [verhuurder] zou opnemen. Vanwege deze mededeling heeft [verhuurder] toen geen actie ondernomen. De dagvaarding is op 20 mei 2026 betekend aan [verhuurder] . [verhuurder] is daarop meteen vanuit [plaats 2] naar de woning gereden. Bij aankomst bleek het gas en water gewoon aangesloten. Indien er gebreken zijn en [huurders] deze gebreken ook melden, dan lost [verhuurder] deze gebreken op, zoals ook met de defecte cv-ketel in het verleden. Volgens [verhuurder] heeft hij sinds juli 2025 geen enkele huurbetaling meer ontvangen van [huurders]\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. [huurders] dienen allereerst een spoedeisend belang te hebben bij hun vordering. Het ter beschikking hebben van gas en water in een woonruimte is van groot belang en [huurders] hebben daarom een spoedeisend belang bij hun vordering.\n\n4.2.. Voor toewijzing van een voorlopige voorziening is slechts plaats indien in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter, zo het geschil aan hem wordt voorgelegd, zal overgaan tot toewijzing van de vordering. [huurders] hebben aangevoerd dat het gas en water in de woning vanaf 14 mei 2026 enige tijd niet beschikbaar is geweest. Hoelang dat het geval is geweest, is niet vast te stellen. [huurders] hebben namelijk pas op 18 mei 2026 getest of het gas en water het weer deed en dat was toen ook het geval. Het kan dus zijn dat het gas en water al eerder dan 18 mei 2026 weer beschikbaar waren. [huurders] hebben zich tot hulpinstanties gewend, hetgeen ook begrijpelijk is in hun situatie met twee jonge kinderen. [verhuurder] voert aan dat de overgelegde verklaring van de hulpinstantie alleen van horen zeggen is en dat van alles verteld kan worden tegen een instantie. [huurders] hebben daarnaast een verklaring van hun overbuurman in het geding gebracht en uit die verklaring volgt dat deze overbuurman samen met [huurders] heeft gezien dat [verhuurder] handmatig de leidingen heeft afgesloten door middel van een ketting en een hangslot. Volgens [verhuurder] zou dit, mocht dit hebben plaatsgevonden, helemaal niet kunnen worden waargenomen. De hoofdmeter van het gas en water bevindt zich namelijk in een andere woonruimte in het desbetreffende pand ( [nummer] ). Die andere woonruimte werd tot januari 2026 ook verhuurd door [verhuurder] . [huurders] hebben een foto in het geding gebracht waarop een deur te zien is die is afgesloten met een hangslot. [verhuurder] heeft ter mondelinge behandeling toegelicht dat dit niets te maken had met het incident betreffende het gas en water. [verhuurder] erkent dat hij op 14 mei 2026 in de andere woonruimte ( [nummer] ) is geweest. De bewoner van [nummer] heeft de woonruimte in januari 2026 verlaten en [verhuurder] heeft die woonruimte vanwege lichamelijke klachten niet eerder kunnen bezoeken. Toen hij op 14 mei 2026 bij die woonruimte aankwam, bleek de sleutel niet te werken. [verhuurder] heeft het slot daarom opengebroken en hij moest de deur bij vertrek kunnen afsluiten. Daarom heeft [verhuurder] de deur afgesloten met een hangslot. De kantonrechter merkt op dat op de overgelegde foto’s geen ketting te zien is zoals de overbuurman verklaart. Op de foto is te zien dat het oorspronkelijke slot op de deur verwijderd is.\n\n4.3.. De kantonrechter is gelet op het verweer van [verhuurder] , dat in dit stadium niet op voorhand als onaannemelijk van de hand kan worden gewezen, van oordeel dat de vraag of [verhuurder] op 14 mei 2026 gas en water van de woning van [huurders] heeft afgesloten, nader onderzoek naar feiten en omstandigheden behoeft, waarvoor in kort geding geen plaats is. De vordering moet reeds om die reden worden afgewezen.\n\n4.4.. \n [huurders] worden in het ongelijk gesteld en worden daarom veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op € 50,00 aan verletkosten.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt [huurders] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5461","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:14.425Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":72,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":49,"updatedAt":75},"1438","ECLI:NL:RBLIM:2024:251","ecli-nl-rblim-2024-251","RECHTBANK LIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 10578555 \\ CV EXPL 23-2699\n\nVonnis van 17 januari 2024\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: UME B.V.,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. P. Winkens.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 14 juni 2023 - de conclusie van antwoord\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 november 2023.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] huurt sinds 1 september 2015 van [eiseres] de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna ook: het gehuurde), tegen een huurprijs van thans € 930,00 per maand. Volgens de bepalingen van de huurovereenkomst moet de huur per vooruitbetaling worden voldaan.\n\n2.2.. \n [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Bovendien betaalt zij de huur veelal te laat.\n\n2.3.. In 2019 is een schuldhulpverleningstraject gestart, waarna de Gemeentelijke Kredietbank gedurende dertig maanden de huur voor [gedaagde] heeft voldaan. Het kredietbeheer is rond oktober 2022 geëindigd. [gedaagde] heeft toen de huur voor oktober 2022 niet betaald.\n\n2.4.. Op 5 december 2022 heeft [bedrijfsnaam] aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd voor de huur van oktober 2022 à € 890,00, een deel van de huur van november 2022 à € 40,00 en de huur van december 2022 à € 40,00. In deze brief is vermeld dat als niet binnen veertien dagen na ontvangst van de brief is betaald, aanspraak zal worden gemaakt op incassokosten conform de wet, met BTW.\n\n2.5.. \n [gedaagde] heeft ook de huur voor februari 2023 niet betaald.\n\n2.6.. Partijen zijn verschillende keren een betalingsregeling overeengekomen.\n\n2.7.. Op 7 april 2023 heeft de gemachtigde van [eiseres] bij aangetekend schrijven de huurovereenkomst met [gedaagde] opgezegd. In deze brief staat onder meer:\n\nDeze huurovereenkomst wordt hierbij door mij aan U opgezegd, voor zoveel vereist, tegen 30 mei 2023.\n\nDeze opzegging vindt plaats op de volgende grond(en):\n\nEinde overeenkomst inzake huurachterstand van meer dan 3 maanden, en opkomende kosten van buiten gerechtelijke aard en wettelijke rente;\n\nU reeds 96 maanden huurt van verhuurder en 41 maanden niet tijdig, te weinig, of niet betaald uw huurpenningen;\n\nU het gehuurde niet goed onderhoud, ondanks meerdere aanzeggingen;\n\nU de service medewerkers niet binnen laat ter onderhoud van het gehuurde, ondanks de vele afspraken daartoe;\n\nU reeds ten zoveelste maal een betalingsregeling niet bent nagekomen;\n\nU reeds meerdere malen te hebben aangegeven dat U een forse achterstand heeft in de huur penningen, zie brieven van [bedrijfsnaam] , en apps\u002Fmails van verhuurder;\n\nU thans verschuldigd bent het bedrag van € 2830 zijnde de huur maanden oktober 2022, februari 2023, maart 2023, te termijnen in november en december 2022 te weinig overgemaakt;\n\n(…)\n\nIndien U het bedrag van de huurpenningen en achterstallige betalingen niet voldoet binnen 7 werkdagen na heden een gerechtelijke procedure zal worden geëntameerd ten einde U bij vonnis uit het gehuurde te laten zetten (…)\n\nTe betalen achterstallig € 2830,00\n\nHuur april 2023 930,00\n\nTotaal € 3760,00\n\nIncasso kosten 501,00\n\nBTW over incassokosten 21% 105,21\n\nTotaal te betalen € 4366,21\n\n2.8.. \n [gedaagde] is niet akkoord gegaan met de huuropzegging.\n\n2.9.. Op 1 maart, 2 april en 21 juli 2023 heeft [gedaagde] steeds € 100,00 aan [eiseres] overgemaakt als deelbetaling voor de huur van oktober 2022.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiseres] vordert [ nummering kantonrechter ]:\n\nde lopende achterstand te vermeerderen met rente vanaf 1 februari 2023 P.M., buitengerechtelijke kosten de BTW hierover totaal ad. € 3.438,21 PM rente en\n\nde huurovereenkomst tussen partijen van 01-09-2015, opgezegd bij aangetekende en kerende post brief aan gedaagde .d. 07-04-2023 tegen de datum 31 mei 2023, tussen partijen te ontbinden, en\n\nde huur c.q. gebruikersvergoeding een bedrag van € 930,00 per maand voor iedere maand die na mei 2023 mocht verstrijken te betalen;\n\nde overeenkomst te ontbinden\n\nmet veroordeling van gedaagde om onmiddellijk, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, over te gaan tot het gehuurde en bijbehorende erf te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, met al het zijne en de zijnen en met overgave der sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen\n\nmet machtiging op [eiseres] om, indien [gedaagde] daarmee in gebreke mocht blijven, de ontruiming zelf op kosten van [gedaagde] te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de sterke arm.\n\nvoorts met veroordeling van [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen.\n\nvoor iedere maand die na 31 mei 2023 mocht verstrijken of zijn ingegaan tot het tijdstip der ontruiming, een ingegane maand daarbij gerekend voor een hele maand en\n\nmet veroordeling van [gedaagde] in de kosten voortvloeiende uit deze procedure.\n\nin de eventuele afwikkelingskosten welke door de deurwaarder aan [eiseres] worden berekend, indien deze met de executie van het vonnis wordt belast, nu deze kosten noch onder de proceskosten, noch onder de kosten van executie vallen (…), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat deze kosten verschuldigd zijn, tot aan de dag der algehele voldoening, een gedeelte van de dag als gehele dag begrepen.\n\n3.2.. De kantonrechter begrijpt de vordering aldus dat [eiseres] de ontbinding van de huurovereenkomst wenst (nummers 2 en 4) en de ontruiming van het gehuurde (nummers 5 en 6), met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de huurachterstand (nummers 1 en 7) en de huur dan wel een gebruikersvergoeding van € 930,00 per maand (nummers 3, 7 en 8) alsmede de rente en incasso- en proceskosten (nummers 1, 7, 9 en 10).\n\n3.3.. \n [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekortgekomen is in de nakoming van de huurovereenkomst door de huur niet, niet volledig en\u002Fof te laat te betalen, het gehuurde niet goed te onderhouden, servicemedewerkers niet binnen te laten en betalingsregelingen niet na te komen. De huurachterstand bedroeg ten tijde van de mondelinge behandeling nog € 2.580,00. Bij de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiseres] betoogd dat het vonnis niet ten uitvoer zal worden gelegd als [gedaagde] haar huurverplichtingen nakomt, maar [eiseres] zelf heeft gesteld dat [gedaagde] uit de woning moet.\n\n3.4.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] erkent dat er een huurachterstand is, maar zij betwist de hoogte daarvan. Volgens haar was de achterstand ten tijde van de mondelinge behandeling € 2.340,00 inclusief de maand juli 2023. De maand februari 2023, die zij niet had voldaan omdat sprake is van gebreken en omdat zij in het verleden een maand dubbel heeft betaald, is inmiddels betaald. De achterstand wordt gevormd door twee maanden huur, € 400,00 van oktober 2022 en tweemaal € 40,00 te weinig betaald. [gedaagde] betwist voorts dat zij het gehuurde niet goed onderhoudt en dat zij servicemedewerkers niet binnenlaat. De betalingsregeling is zij nagekomen.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter destilleert uit de dagvaarding dat volgens [eiseres] de huurschuld op het moment van dagvaarden € 2.830,00 bedroeg (€ 4.690,00 - € 1.860,00). Dat is iets meer dan drie maanden huur. Op het moment van de mondelinge behandeling was de huur over september en oktober betaald, was er nog extra betaald en was de huurschuld volgens [eiseres] teruggelopen naar € 2.580,00. Dat is iets minder dan drie maanden huur. Strikt genomen, moet de huur voor de maand november daar nog bij opgeteld worden, aangezien de huur bij vooruitbetaling verschuldigd is. Volgens de gemachtigde van [eiseres] was de huur voor de maand november ten tijde van de mondelinge behandeling evenwel nog niet vervallen. [gedaagde] betoogt dat de huurachterstand nog € 2.340,00 bedraagt, maar zij heeft daarvan geen bewijs overgelegd. Uit de bankafschriften die zij heeft overgelegd blijken de volgende betalingen:\n\nVermeld kenmerk\n\ndatum betaling\n\nbedrag betaling\n\nhuur nov 2022\n\n26 november 2022\n\n850\n\nhuur dec 2022\n\n20 december 2022\n\n850\n\nhuur jan 2023\n\n23 januari 2023\n\n920\n\nrestant huur jan 2023\n\n24 januari 2023\n\n10\n\nhuur maart 2023\n\n23 maart 2023\n\n930\n\nhuur april\n\n20 april 2023\n\n930\n\nhuur 2023\n\n23 mei 2023\n\n930\n\nhuur\n\n23 juni 2023\n\n930\n\nhuur Aug\n\n21 juli 2023\n\n930\n\nhuur september (correctie in uitleg). huur altijd vooruit betaald.\n\n29 augustus 2023\n\n930\n\nDaarnaast heeft zij de extra betalingen als vermeld onder 2.9 gedaan. Dat de huur voor februari 2023 betaald is, blijkt dus niet. De kantonrechter zal daarom het door [eiseres] genoemde nog openstaande bedrag als uitgangspunt nemen.\n\n4.2.. Dit alles betekent dat [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter is tekortgekomen in de nakoming van de huurovereenkomst. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Deze rechtsregel brengt tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst (HR ECLI:NL:HR:2018:1810).\n\n4.3.. Het is vaste rechtspraak dat een huurachterstand van drie maanden of meer een ontbinding van de huurovereenkomst kan rechtvaardigen. Dat de huurachterstand thans iets minder dan drie maanden bedraagt, brengt niet automatisch mee dat in dat geval de ontbinding en ontruiming zouden moeten worden afgewezen. Immers, [eiseres] legt ook nog andere tekortkomingen ten grondslag aan haar vordering.\n\n4.4.. Dat [gedaagde] het gehuurde niet goed zou onderhouden en dat zij geen servicemedewerkers zou toelaten, heeft zij betwist, waarna [eiseres] daar niet meer op ingegaan is. Er zijn ook verder geen stukken in het geding gebracht die deze verwijten onderbouwen, zodat zij geen grondslag kunnen vormen voor ontbinding van de huurovereenkomst.\n\n4.5.. Dat [gedaagde] betalingsregelingen niet zou nakomen, is evenmin gebleken. [eiseres] heeft niet concreet gemaakt welke betalingsregelingen wanneer zijn afgesproken en hoe het betalingsverloop daarop is geweest. [eiseres] benoemt één betalingsregeling, te weten in die zin dat [gedaagde] € 100,00 per maand zou betalen, terwijl zij twee keer € 50,00 heeft betaald. [gedaagde] erkent wel dat er een betalingsregeling is geweest, maar volgens haar was de afspraak anders dan [eiseres] stelt en was afgesproken dat zij € 50,00 per maand zou betalen. Bij deze stand van zaken kan ook dit verwijt geen grondslag vormen voor de ontbinding van de huurovereenkomst.\n\n4.6.. Dat [gedaagde] veelal, stelselmatig, de huur niet, onvoldoende of te laat betaalt, is wel gebleken. Uit de hiervoor onder 4.1 weergegeven tabel blijkt al dat [gedaagde] in elk geval in de maanden november 2022 tot en met juli 2023 de huur niet bij vooruitbetaling heeft voldaan en dat zij in januari 2023 niet direct het volledige bedrag heeft voldaan. De huur voor de maand november 2023 heeft zij evenmin bij vooruitbetaling voldaan.\n\n4.7.. De kantonrechter is van oordeel dat de beide tekortkomingen (een huurachterstand van bijna drie maanden en het voortdurend te laat betalen van de huurpenningen) voldoende grondslag zijn om de huurovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter zal de huurovereenkomst dan ook ontbinden en [gedaagde] veroordelen het gehuurde te ontruimen, met dien verstande dat een redelijke ontruimingstermijn van twee weken gehanteerd zal moeten worden. [eiseres] behoeft geen machtiging van de kantonrechter om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat [eiseres] bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.\n\n4.8.. De kantonrechter zal [gedaagde] tevens veroordelen tot betaling van de huurachterstand zoals hiervoor onder 4.1 vermeld, de wettelijke rente daarover en de huurtermijnen vanaf 1 november 2023 dan wel een gebruiksvergoeding tot het bedrag van de maandelijkse huur. Nu [eiseres] niet heeft gesteld vanaf welke datum [gedaagde] in verzuim is, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, 14 juni 2023.\n\n4.9.. \n [eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In die aanmaning is immers niet het tarief van de te betalen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten vermeld. Deze vordering wordt daarom afgewezen.\n\n4.10.. \n [gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] als volgt vastgesteld:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n129,85\n\n- griffierecht\n\n€\n\n244,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n464,00\n\n(2,00 punten × € 232,00)\n\nTotaal\n\n€\n\n837,85\n\n4.11.. Afwikkelingskosten worden niet afzonderlijk toegewezen, omdat de proceskostenveroordeling deze kosten mede omvat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaats] ,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde met personen en zaken te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] voorts om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen € 2.580,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 juni 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagde] voorts om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen € 930,00 per maand zijnde huur c.q. gebruikersvergoeding voor iedere maand die vanaf 1 november 2023 tot het tijdstip van de ontruiming mocht verstrijken of zijn ingegaan, een ingegane maand daarbij gerekend voor een hele maand,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot dit vonnis vastgesteld op € 837,85,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\n5.7.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2024.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:251","2024-01-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:21.199Z",20]