[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-maastricht-violent-crime-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":40,"limit":41},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},74,"Maastricht","nl","maastricht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},115,"violent-crime-nl","Violent Crime","NL","2026-07-08T16:56:56.704Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[],[22,32],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1629","ECLI:NL:RBLIM:2026:6519","ecli-nl-rblim-2026-6519","","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.340006.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,\n\nwonende te [adres] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. S.L.B. Duijf, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 22 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:op 23 december 2023 heeft geprobeerd om zijn echtgenote [slachtoffer] van het leven te beroven door haar met een mes in de hand en\u002Fof het lichaam te steken (primair), dan wel zijn echtgenote [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld door haar in de hand en\u002Fof het lichaam te snijden en\u002Fof te steken (subsidiair), dan wel een poging daartoe heeft gedaan (meer subsidiair);\n\nFeit 2:op 23 december 2023 [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd door haar enkels, armen en\u002Fof handen aan elkaar vast te binden met tape.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primairtenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat er op grond van het dossier niet vastgesteld kan worden dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer.\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiairtenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte boos was, dat hij het slachtoffer met ducttape heeft vastgebonden teneinde haar weerloos te maken en dat hij vervolgens met een uitbeenmes in de richting van het slachtoffer heeft gestoken, gezwaaid of gesneden. Het steken of snijden met een scherp uitbeenmes op een weerloos vastgebonden slachtoffer, roept de aanmerkelijke kans in het leven dat bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zal worden toegebracht. Door dat op deze manier te doen heeft verdachte die kans ook bewust aanvaard. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte snijverwondingen aan vier van haar rechtervingers opgelopen. Het slachtoffer is aan het letsel geopereerd, heeft na de operatie een gipsspalk gedragen en heeft drie maanden handtherapie gevolgd. Het slachtoffer kan de handpalm tot op heden nog steeds niet volledig plat leggen en er is sprake van een verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat het slachtoffer met ducttape was vastgebonden, dat de woonkamerdeur was afgesloten en – zoals blijkt uit de geluidsopnames – dat de verdachte het slachtoffer met zijn uitlatingen meermalen heeft belet de woning te verlaten. Voor een bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving is niet vereist dat sprake is van een absolute onmogelijkheid van het slachtoffer om zich fysiek te verplaatsen, maar daarvan is in dit geval wel sprake geweest.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten bepleit.\n\nTen aanzien van feit 1 primairheeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Er is sprake van twee verhalen, welke beide niet voldoende ondersteund worden door de inhoud van het dossier, mede doordat er geen sporenonderzoek in de woning is gedaan. Daarnaast blijkt nergens uit het dossier dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiairen feit 1 meer subsidiairheeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier niet volledig is en zowel de verklaring van het slachtoffer als de verklaring van verdachte niet meer geverifieerd kunnen worden, vooral over op welke wijze het mes is gebruikt en door wie. Uit niets blijkt verder dat de verdachte de opzet had het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nTen aanzien van feit 2heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de beperking te kortdurend, te gering en niet absoluut genoeg was om te kunnen kwalificeren als vrijheidsberoving. De verdachte had geen opzet op de vrijheidsberoving en het is onduidelijk gebleven hoe de tape was aangebracht. Deze lijkt bovendien maar kortdurend op de mond van aangeefster te hebben gezeten. Er is daarom geen sprake van een (voltooid) delict.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nFeit 1 primair\n\nVrijspraak\n\nDe rechtbank is, samen met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte opzet had – ook niet in voorwaardelijke zin – op de dood van aangeefster. De primair tenlastegelegde poging tot doodslag kan daarom niet bewezenverklaard worden. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\nFeit 1 subsidiair\n\nBewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, voor zover inhoudende:\n\nOp 23 december 2023 werd ik omstreeks 01.30 uur plotseling wakker gemaakt door mijn man [verdachte] . Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat hij de woonkamerdeur afsloot. Ik moest op mijn knieën op de grond in de woonkamer gaan zitten. Mijn man begon ducttape om mijn hoofd en mond te wikkelen. Mijn man wikkelde mijn enkels in ducttape. Hierna wikkelde hij mijn armen en handen in ducttape. Mijn armen waren op dat moment achter mijn rug. Ik zag dat mijn man een schaar had. Ik zag en voelde dat hij mijn haren aan het afknippen was. Ik wist mijn handen los te krijgen. Ik dacht op dat moment nog steeds dat hij een schaar in zijn hand had. Ik dacht dat hij me wilde neersteken. Ik deed mijn rechterarm omhoog. Ik hield deze hand op, om hem af te weren. Ik voelde opeens een erge pijnscheut in mijn rechterhand. Ik zag dat er bloed uit mijn hand liep. Toen zag ik dat het een mes was dat mijn man in zijn hand hield.\n\nDe verklaring van getuige [slachtoffer] , afgelegd ter terechtzitting van 22 juni 2026, voor zover inhoudende:\n\nIk zat met mijn knieën op de grond met mijn handen vastgebonden naar achter. Hij was mijn haren aan het knippen. Ik probeerde mijn handen los te krijgen en toen dat gelukt was heb ik mijn rechterarm\u002Fhand omhoog en naar voren gebracht. Ik zag op dat moment niet wat hij in zijn handen had. Ik kwam met mijn hand ergens tegenaan en voelde pijn. Toen ik keek zag ik dat hij een mes in zijn hand had. Ik dacht dat hij een schaar vast had, omdat hij mijn haren aan het knippen was, maar het was een mes.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming:\n\nOp 23 december 2023 te 02:15 uur werd in de woning op het adres [adres] te Heerlen een mes (geel) met bloedsporen aangetroffen en inbeslaggenomen.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, medisch dossier Zuyderland, voor zover inhoudende:\n\nConclusie letsel slachtoffer [slachtoffer]\n\n- Hand rechts: handpalm zijde van de vingers snijverwondingen van alle vingers, behalve dig II (wijsvinger) - Dig V (pink) relatief oppervlakkige wond van 1 cm midphalanx (vingerkootje) - Dig IV (ringvinger) en III (middelvinger) diepe wonden basisphalanx (vingerkootje) - Dig I (duim) diepe wond, lopende tot ulnaire zijde van de vinger, geschat over de helft van de totale omtrek van de duim\n\n- Sensibiliteit van alle vingers intact. Vasculair (bloedvaten) intact - Functieverlies FDS (Flexor Digitorum Superficialis; buig- of- flexpezen) van dig IV (ringvinger) en III (middelvinger), verder motoriek intact - Slachtoffer heeft na de operatie 5 dagen een gipsspalk gedragen, aansluitend is zij begonnen met EAM (Early Active Motion- handtherapie) - Twee weken na de operatie zijn de hechtingen verwijderd - 28 december 2023: Slachtoffer krijgt gedurendedrie maanden handentherapie - 14 februari 2023: Slachtoffer heeft moeite met buigen en strekken van de vingers, onder andere door de littekens.\n\nHet aanvullend proces-verbaal Forensisch onderzoek [slachtoffer] , met in de bijlage Forensisch medische letselrapportage d.d. 15 mei 2024, voor zover inhoudende:\n\nMw. [slachtoffer] heeft een operatie gehad van de buigpezen van de middelvinger, de ringvinger en de pink. Binnen een week na de operatie is mw. begonnen met oefenen met de handtherapeut. Drie maanden na de operatie kan mw. de eindgewrichten van de vingers nog matig bewegen. Er is nog sprake van verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten.\n\nDe letsels zijn snijwonden die met bindweefselvorming zijn genezen. Nu zijn littekens zichtbaar. De beschreven verminderde hand- en vingerfunctie hangt samen met het door het incident veroorzaakte peesletsel.\n\nMw. kan de vingers van haar rechterhand niet volledig buigen en strekken.\n\nDe verwachte genezingsduur betreft bijna een half jaar na het incident alsnog minimaal 3 maanden. Het is onzeker of de rechterhandfunctie volledig terugkeert.\n\nBewijsoverweging\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de verklaring van aangeefster over de toedracht van het letsel aan haar hand telkens consistent en gedetailleerd is geweest. Daartegenover staat de telkens wisselende verklaring over de toedracht van het letsel bij aangeefster door de verdachte. De verdachte heeft inmiddels drie verschillende versies naar voren gebracht, die op wezenlijke onderdelen van elkaar verschillen. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig en zal deze tot uitgangspunt nemen voor de verdere beoordeling van de tenlastelegging.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of er in casu daadwerkelijk sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van die vraag, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.Aangeefster heeft aan de handpalmzijde van haar rechterhand snijverwondingen opgelopen in de pink, ringvinger, middelvinger en duim. Aangeefster heeft daardoor een operatie van de buigpezen van de middelvinger, ringvinger en pink ondergaan en heeft vervolgens drie maanden handtherapie gevolgd. Er is sprake van een verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten; ze kan de eindgewrichten van de vingers nog matig bewegen en ze kan de vingers niet volledig strekken en buigen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze beperkingen van zodanige aard en ernst dat, mede in aanmerking genomen de belangrijke functie van de hand in het dagelijks leven, sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).\n\nDe vraag rijst of sprake is van (voorwaardelijk) opzetop het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de zijde van verdachte. De rechtbank ziet in de bewijsmiddelen onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van vol opzet op zwaar lichamelijk letsel te komen. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben. De verdachte heeft aangeefster met een mes in haar hand gesneden, terwijl zij op haar knieën, met ducttape om haar enkels en armen, op de grond zat. De kans op zwaar lichamelijk letsel is aanmerkelijk te noemen wanneer iemand met een vlijmscherp mes steekt of snijdt in de richting van een (weerloos) slachtoffer. De verdachte moet zich hiervan ten tijde van zijn handelen bewust zijn geweest. Door met een mes in de richting van aangeefster te bewegen heeft de verdachte deze aanmerkelijke kans dan ook bewust aanvaard. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan zijn echtgenote.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, voor zover inhoudende:\n\nOp 23 december 2023 werd ik omstreeks 01.30 uur plotseling wakker gemaakt door mijn man [verdachte] . Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat hij de woonkamerdeur afsloot. Ik moest op mijn knieën op de grond in de woonkamer gaan zitten. Mijn man begon ducttape om mijn hoofd en mond te wikkelen. Mijn man wikkelde mijn enkels in ducttape. Hierna wikkelde hij mijn armen en handen in ducttape. Mijn armen waren op dat moment achter mijn rug.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [naam] ), voor zover inhoudende:\n\nTer plaatse trof ik het slachtoffer [slachtoffer] aan. Ik zag dat de vrouw een grijs stuk ducttape om haar nek had zitten. Ik zag dat de vrouw een stuk ducttape om haar rechterarm had zitten. Ik zag dat de vrouw een stuk grijze ducttape om haar rechterenkel had zitten.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, uitwerking geluidsfragment, voor zover inhoudende:\n\nNNV: Ga weg hier\n\nNNM: Nee\n\nNNV: Ga weg hier, ga opzij, ga weg hier, ik zeg dat je mij moet laten gaan\n\nNNM: Nee, nee, nee\n\nNNV: Ik wil weg van hier\n\nNNM: Nee, jij blijft hier\n\nNNV: Ik wil weg … [ntv] … praten\n\nNNM: Nee, nee je gaat daar zitten\n\nNNV: Ik ga niet praten\n\nNNM: Ga daar zitten, want anders bind ik je vast, ga daar zitten en beken zoals het een normaal mes betaamt en dan is het klaar, dan ga ik weg, is geen probleem\n\nNNM: Je gaat nergens naar toe, je gaat daar zitten in de hoek, je gaat niet bewegen, anders bind ik je vast en knip ik je haar helemaal af\n\nNNV: Nee, ik moet hier weg\u002Fuit\n\nNNM: Je gaat nergens naar toe\n\nNNV: Wat ga je dan doen?\n\nNNM: Je gaat daar zitten\n\nBewijsoverweging\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte aangeefster op haar knieën heeft laten zitten, dat hij haar heeft vastgebonden met ducttape bij haar enkels, armen en handen, dat hij de woonkamerdeur heeft afgesloten en dat hij haar meermalen heeft verboden om de ruimte te verlaten. Aangeefster kon zich daardoor niet op ieder gewenst ogenblik van de plaats waar zij zich bevond verwijderen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nFeit 1 subsidiair:\n\nop 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe sneden en peesletsel in meerdere vingers heeft toegebracht door in de hand van die [slachtoffer] met een mes te snijden;\n\nFeit 2:\n\nop 23 december 2023 in de gemeente Heerlen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door de enkels, armen en handen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast te binden.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1 subsidiair\n\nzware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenote;\n\nFeit 2\n\nopzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe psychiater drs. R. Thomassen heeft een onderzoek ingesteld omtrent de persoon van de verdachte en heeft op 10 april 2024 een rapport uitgebracht. Uit dat rapport is gebleken dat bij de verdachte sprake is van een post-traumatische stresstoornis (PTSS) na een overval op zijn werk in 2014 en dat hij daar nog steeds klachten van ondervindt. De PTSS beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde echter niet. De rechtbank komt op basis van de in het rapport vervatte bevindingen niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de complexe PTSS dan wel andere psychosociale problemen van de verdachte en daarom aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, dan wel geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest gelet op het tijdsverloop en de aan detentie verbonden negatieve consequenties voor de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn echtgenote, inmiddels ex-vrouw, en moeder van zijn kinderen. De verdachte heeft het slachtoffer vastgebonden met ducttape, een groot deel van haar haren afgeknipt met een schaar en vervolgens met een mes in de handpalm van het slachtoffer gesneden. Uitermate vernederend en respectloos gedrag, dat de rechtbank de verdachte zeer kwalijk neemt. Het slachtoffer heeft bovendien ter terechtzitting toegelicht dat ze haar vingers door het opgelopen letsel tot op heden niet volledig kan strekken en buigen en dus niet volledig meer kan gebruiken. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit en persoonlijke waardigheid van zijn echtgenote gemaakt en de rechtbank rekent hem dit zwaar aan. Bovendien heeft verdachte een geluidsopname van de feiten gemaakt en deze begaan terwijl zijn kinderen aanwezig waren in de woning. Zelfs hun aanwezigheid heeft de verdachte niet van het plegen van de feiten weerhouden.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 8 mei 2024, 5 december 2024 en 2 juni 2026. Daaruit blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van problemen op diverse leefgebieden. Naast de relatieproblematiek hebben mogelijk ook het gebrek aan dagbesteding, financiële problemen, overmatig gokken en zijn psychosociaal functioneren een rol gespeeld in het delictgedrag. De verdachte is gediagnosticeerd met PTSS. De verdachte is op 16 mei 2024 geschorst en onder toezicht gesteld van de reclassering en heeft zich tot op heden goed aan de afspraken en voorwaarden gehouden. De verdachte volgt een behandeling bij de Rooyse Wissel gericht op emotieregulatie en traumabehandeling. De scheiding is inmiddels geregeld en er is co-ouderschap ten aanzien van de twee jongste kinderen. Volgens de toezichthouder zijn alle doelen binnen het toezicht bereikt en hebben verdere bijzondere voorwaarden geen toegevoegde waarde meer. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. De verdere behandeling van de PTSS kan doorlopen in een vrijwillig kader, aldus de reclassering.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet kan worden volstaan met een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf. Een taakstraf of een geldboete doet onvoldoende recht aan de ernst van het gewelddadige handelen van verdachte en de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank heeft acht geslagen op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, gelet op het vastgestelde letsel, de gevolgen en de revalidatieperiode. Dit oriëntatiepunt gaat uit van een gevangenisstraf van 1 jaar. De rechtbank weegt de volgende omstandigheden strafverzwarend mee: het slachtoffer was de echtgenote van verdachte, er is sprake van huiselijk geweld, de verdachte heeft het slachtoffer uitermate vernederd door haar haren af te knippen, de verdachte heeft van zijn handelen een geluidsopname gemaakt en de verdachte heeft geen volledige openheid van zaken gegeven.\n\nGelet op al het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend. De rechtbank zal echter in strafmatigende zin rekening houden met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De rechtbank overweegt dat die termijn op 23 december 2023 is aangevangen, de dag dat de verdachte door de politie is verhoord. Gelet hierop zou uiterlijk op 23 december 2025 een einduitspraak gewezen moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op de dag van deze uitspraak is overschreden met ruim 6 maanden. De rechtbank zal de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, daarom matigen van 26 maanden naar 24 maanden. De rechtbank ziet verder geen strafmatigende omstandigheden.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden – met aftrek van voorarrest – en waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Het voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur, om de verdachte ervan te weerhouden in te toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\n7. Het beslag\n\nDe rechtbank zal de inbeslaggenomen schaar verbeurdverklaren, nu dit een voorwerp betreft met behulp van welke het feit is begaan. De rechtbank zal teruggave aan de verdachte (beslagene) gelasten van de inbeslaggenomen GSM’s, de computer en de geluidsapparatuur, nadat hiervan de opnames verwijderd zijn. Het inbeslaggenomen vleesmes is reeds retour naar de eigenaar.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 282, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor feit 1 subsidiairenfeit 2toteen gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;\n\nBeslag\n\n- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:\n\n1 STK Schaar (goednummer: 1665325);\n\n- gelast de teruggave van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte:\n\n1 STK GSM (goednummer: 1665364);\n\n1 STK GSM (goednummer: 1665366);\n\n1 STK Computer (goednummer: 1665367);\n\n1 STK Geluidsapparatuur (nadat de opnames zijn verwijderd) (goednummer: 1665368).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na de wijziging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat\n\nFeit 1 primair:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe sneden en\u002Fof peesletsel in een of meerdere vingers, heeft toegebracht door in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] met een mes te snijden en\u002Fof steken;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en\u002Fof gesneden,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nFeit 2:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door de enkels, armen en\u002Fof handen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast te binden.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer PL2431-2023202228 (onderzoek: Banner), gesloten d.d. 30 maart 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 190.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, p. 44 en 45.\n\n De kennisgeving van inbeslagneming (mes met bloedsporen), p. 168.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, medisch dossier Zuyderland van 28 maart 2024, p. 72.\n\n Het aanvullend proces-verbaal Forensisch onderzoek [slachtoffer] , met in de bijlage Forensisch medische letselrapportage d.d. 15 mei 2024, p. 11 en 12.\n\n Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, r.o. 2.4.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, p. 44 en 45.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [naam] ), p. 22.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, uitwerking geluidsfragment, p. 99, 100, 101 en 105.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6519","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:30.469Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"661","ECLI:NL:GHSHE:2026:1741","ecli-nl-ghshe-2026-1741","Parketnummer : 20-000659-25\n\nUitspraak : 29 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-326567-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 949,19, bestaande uit € 249,19 aan vergoeding van materiële schade en € 700,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en heeft subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Afferden (L), gemeente Bergen (L), althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot te geven en\u002Fof te slaan.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 12 augustus 2023 te Afferden (L), gemeente Bergen (L), [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot te geven.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nTenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023128211, gesloten d.d. 20 november 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 42). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 augustus (p. 9-12), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :\n\nOp 12 augustus 2023 was ik op camping [camping] . Deze camping is gelegen op [adres 2] .\n\nDe jongen (het hof begrijpt: de zoon van de verdachte) rende naar boven weg en zei dat hij zijn vader ging halen. Op een gegeven moment hoor ik een jongensstem roepen: \"Daar is hij.\" Ik zie dat die jongen, die zijn vader ging halen, naar mij wijst. Op dat moment komt er een man naar mij toe en pakt mij vast. De man zei: \"Jij gaat mijn zoon niet aanraken of bedreigen\" en geeft mij vervolgens een kopstoot. Wat hierna gebeurde, weet ik niet meer. Ik werd op de grond gewerkt. Daarna werd de man door iemand anders van mij afgehaald.\n\nIk ben hierna naar de huisartsenpost gegaan. Ik heb 4 hechtingen bij mijn rechterwenkbrauw gekregen. Tevens zijn mijn bril en kleding kapotgegaan door de mishandeling. Mijn bril was verbogen en het brilmontuur is gescheurd. In mijn kleding zit bloed en dat krijg ik er niet meer uit.\n\nIk hoorde op de camping dat de man die mij mishandeld had [verdachte] betrof.\n\n2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 november 2023 (p. 19-22), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :\n\nOp 12 augustus 2023 was ik op camping [camping] te Afferden. De jongen (het hof begrijpt: de zoon van de verdachte) liep weg en zei nog dat hij zijn vader ging halen. In een keer hoorde ik een geschreeuw van de jongen die riep “Daar is hij papa.” Ik zag dat de vader van deze jongen met een versnelde pas op ons af kwam lopen en ik zag dat hij boos keek. Ik kon aan zijn houding zien dat hij boos was.\n\nIk zag dat deze man mijn man bij zijn schouder pakte en iets tegen hem zei in de zin van “Je bedreigt mijn zoon”. Ik zag dat deze man mijn man meteen een kopstoot gaf. Ik zag dat mijn man op zijn gezicht, op zijn shirt en op zijn handen onder het bloed zat. Ik zag dat mijn man's rechterwenkbrauw open was gesprongen.\n\nIk kreeg via de eigenaar van Camping [camping] te horen dat de man die mijn man aanviel [verdachte] heet.\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 november 2023 (p. 13-15), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :\n\nIk ben werkzaam op camping [camping] in Afferden. Op 12 augustus 2023 stond ik achter de bar. Ik zag dat de zoon van [verdachte] huilend uit de speeltuin kwam en naar zijn vader liep. Daarop zag ik dat [verdachte] helemaal overstuur richting de speeltuin liep. Ik liep er meteen achteraan omdat ik dacht dat dit fout zou gaan. Ik ken [verdachte] al wat langer dus ik zag dat hij boos was.\n\nIk hoorde de zoon van [verdachte] ineens tegen zijn vader roepen 'Daar loopt hij'. Daarop hoorde ik dat [verdachte] de man aanriep. Toen ik de hoek omkwam zag ik dat [verdachte] de man op de grond gooide. Ik zag dat de man zich probeerde te verdedigen. Ik zag ook dat de man die op de grond lag bloed op zijn voorhoofd had.\n\n4. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] voornoemd:\n\n [verdachte] liep naar beneden toe. Ik zei tegen mijn vrouw dat ik er beter achteraan kon gaan omdat ik dacht dat het uit de hand kon lopen, want je zag aan [verdachte] dat hij boos was. Er zat denk ik 15 tot 20 seconden tussen het moment dat [verdachte] was vertrokken en ik erachteraan ging. Toen ik de hoek om kwam zag ik een meneer op de grond liggen met een bebloed voorhoofd en [verdachte] erbovenop. Die meneer lag op de grond op zijn rug, [verdachte] zat op de borst van die meneer met zijn knie.\n\n5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 november 2023 (p. 16-18), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] :\n\nV: Kunt u zo gedetailleerd mogelijk verklaren wat u zag?\n\nA: Op 12 augustus 2023 bevond ik mij op het terras tegenover het zwembad op camping [camping] . De vader van het kindje dat geduwd werd (het hof begrijpt: de benadeelde partij [slachtoffer]) vroeg aan de andere vader (het hof begrijpt: de verdachte) of het normaal was dat er geduwd werd op de trampoline. De andere vader reageerde hier al meteen heel erg fel op. Ik hoorde dat de vader van het duwende kind begon te schreeuwen. Ik zag dat de man van het duwende kind daarna ook nog een harde kopstoot gaf tegen de andere vader. Hierop viel deze vader op de grond. Ik zag dat deze vader meteen bloed had bij de neus en mond en dat dit bloed naar de kin liep. Ik zag ook dat de bril van de man was afgevallen. Ik zag dat man die de mishandeling pleegde daarna ook boven op de andere man sprong.\n\nV: Weet u wie deze man is?\n\nA: Dit betreft een vaste gast van de camping. Volgens mij heeft hij [verdachte] .\n\n6. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 3] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] voornoemd:\n\nRaadsman: Kunt u nog eens omschrijven wat er volgens uw herinnering gebeurde?\n\nGetuige: In eerste instantie werd er zoals het op het oog leek een beetje gepraat. Toen deelde de verdachte een kopstoot uit waardoor het slachtoffer op de grond viel. De verdachte sprong er toen echt bovenop.\n\nRaadsheer-commissaris: U zegt de verdachte sprong er bovenop.\n\nGetuige: Ik weet niet hoe ik dat moet uitleggen. De verdachte gaf die kopstoot, die andere man viel en de verdachte ging er bovenop. De getuige maakt een beweging waarbij ze haar lichaam van achteren naar voren beweegt en haar armen gebogen naar voren houdt.Na die kopstoot viel de andere man op zijn rug en hij probeerde een beetje naar de zijkant te draaien, meer een beschermende houding.\n\nRaadsheer-commissaris: Heeft u gezien of het slachtoffer ook fysieke handelingen heeft gedaan in de richting van de verdachte?\n\nGetuige: Alleen afweren.\n\nRaadsman: Heeft u op enig moment gezien dat zij met de hoofden tegen elkaar aan stonden?\n\nGetuige: Dat was secondewerk voordat de kopstoot werd uitgedeeld, na de duw. Het slachtoffer was terug op zijn voeten, toen stonden zij best dicht op elkaar door het terug stappen, dat was toen secondewerk waarop zij heel dicht bij elkaar hebben gestaan.\n\nRaadsman: Als ik u goed begrijp dan heeft u qua geweldshandelingen gezien dat er in eerste instantie werd geduwd door verdachte, daarop de andere meneer struikelde, wankelde en terugkwam. U heeft dat weren of afweren genoemd. Nadat zij dichtbij elkaar waren is er een kopstoot uitgedeeld, de andere meneer is op de grond gevallen…\n\nGetuige: Ja en toen is de verdachte er letterlijk meteen bovenop gesprongen. De verdachte zat op hem.\n\n7. Een overig geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, betreffende het slachtoffer [slachtoffer] d.d. 17 november 2023 (p. 41), voor zover inhoudende als verklaring van [arts] , huisarts:\n\nMedische informatie betreffende:\n\nAchternaam: [slachtoffer]\n\nVoornamen: [slachtoffer]\n\nGeboren: [geboortedag 2] 1992\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats 2]\n\nOmschrijving van het letsel:\n\nUitwendig waargenomen letsel: Scheurwond rechterwenkbrauw aan de kant van de neus. Is gehecht.\n\nDatum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 12 augustus 2023.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsvrouw van de verdachte heeft in dat kader naar voren gebracht dat de verklaringen van getuige [getuige 3] onvoldoende betrouwbaar zouden zijn om als steunbewijs gebruikt te worden, omdat hierin discrepanties zouden zitten ten opzichte van de aangifte en overige getuigenverklaringen. Voorts kan volgens de raadsvrouw van de verdachte niet met zekerheid gesteld worden dat het letsel dat bij de benadeelde partij [slachtoffer] is ontstaan het gevolg is van de tenlastegelegde handelingen. Hieromtrent wijst zij op het door de verdachte aangebrachte alternatieve scenario, waarbij het letsel zou zijn ontstaan doordat de verdachte en [slachtoffer] elkaar vasthielden en samen op de grond vielen, waarbij de verdachte met zijn elleboog op het gezicht van [slachtoffer] zou zijn gevallen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nTen aanzien van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen stelt het hof voorop dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan het hof. Ook de vraag of bepaalde verklaringen gelet op hun betrouwbaarheid voor het bewijs kunnen worden gebruikt is een kwestie van waardering van het bewijs en daarmee voorbehouden aan het hof. In deze zaak zijn verschillende getuigen gehoord, zowel door de politie als door de raadsheer-commissaris. Het hof is van oordeel dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] onafhankelijke getuigen zijn; zij hebben geen directe (familiaire) connectie met de verdachte, dan wel met de benadeelde partij [slachtoffer] en hebben het incident van dichtbij meegemaakt. De discrepanties in de getuigenverklaring van getuige [getuige 3] ten opzichte van de aangifte en overige getuigenverklaringen die door de raadsvrouw van de verdachte worden omschreven, herkent het hof niet. De getuigenverklaring is consistent en sluit aan bij het verhaal van de aangever en haar verklaring bij de raadsheer-commissaris bevestigt dit verhaal. Ook vindt deze verklaring op onderdelen bevestiging in de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 2] en in de verklaring van de partner van de aangever. Het hof acht daarmee de getuigenverklaring van [getuige 3] betrouwbaar om als bewijsmiddel in deze zaak gebezigd te worden.\n\nTen aanzien van het door de raadsvrouw van de verdachte geschetste alternatieve scenario overweegt het hof dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. Zoals hiervoor overwogen gaat het hof uit van de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] , omdat deze getuigen de meest onafhankelijke getuigen zijn. Hun verklaringen weerspreken het scenario zoals door verdachte geschetst op verschillende onderdelen. Zo weerspreken de getuigenverklaringen de verklaring van de verdachte dat het letsel van aangever [slachtoffer] zou zijn ontstaan doordat de verdachte op zijn gezicht zou zijn gevallen. Getuige [getuige 2] omschrijft hoe de verdachte [slachtoffer] op de grond gooide, terwijl [slachtoffer] zich probeerde te verdedigen en waarbij hij op dat moment reeds bloedde in het gezicht. Getuige [getuige 3] omschrijft hoe de verdachte [slachtoffer] , na de kopstoot (waarbij zij direct bloed zag in het gezicht van [slachtoffer] ) hem eerst op de grond duwde en daarna boven op hem sprong. Door verschillende getuigen is verklaard dat de verdachte vervolgens bovenop [slachtoffer] zat. Ook door de partner van de aangever is verklaard dat zij na de kopstoot zag hoe [slachtoffer] in het gezicht bloedde. Het hof stelt op grond hiervan vast dat het letsel reeds is ontstaan voordat de verdachte en [slachtoffer] samen op de grond belandden. Het hof schuift het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario dan ook als ongeloofwaardig terzijde.\n\nHet tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.\n\nOp grond van de gebezigde en door het hof betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmishandeling.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte primair bepleit dat het hof zal volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke taakstraf zoals zou volgen uit de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en daarbij rekening houdt met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof in ieder geval niet een straf zal opleggen die hoger uitkomt dan deze oriëntatiepunten voorschrijven.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Hij heeft aan de benadeelde partij een kopstoot gegeven, waardoor letsel is ontstaan. Dit alles gebeurde op een camping, voor de ogen van hele jonge kinderen, waaronder zijn eigen kind en het kind van de aangever. Dit heeft logischerwijs een diepe indruk achtergelaten bij het slachtoffer en de mensen die eromheen stonden. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. De verdachte heeft met zijn handelswijze zich daar geen enkele rekenschap van gegeven, hetgeen hem door het hof wordt aangerekend.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder, maar niet in de afgelopen vijf jaren, onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaarfeit te begaan.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 15 februari 2024. Hieruit komt naar voren dat de leefgebieden op orde lijken te zijn. Er kunnen geen (in)directe verbanden worden gelegd tussen de verdenking en mogelijke criminogene- of beschermende factoren. Een plan van aanpak met toezicht en\u002Fof interventies wordt niet geadviseerd. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft de verdediging gewezen op het feit dat de verdachte zzp’er is, maar door lichamelijke klachten beperkt wordt in zijn mogelijkheden. Ook toont de verdachte tekenen van een burn-out. De verdachte gebruikt pijn- en slaapmedicatie voor zijn klachten. De verdediging heeft voorts gewezen op de grote gevolgen die het campingverbod voor de verdachte heeft. Hij is niet meer welkom op de camping waar hij jarenlang met zijn familie stond en heeft zijn caravan met verlies moeten verkopen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf tevens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in aanmerking genomen. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten kan bij een mishandeling door een kopstoot, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren als oriëntatiepunt aangehouden worden.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 949,19, bestaande uit € 249,19 aan materiële schade en € 700,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schadevordering valt uiteen in de volgende onderdelen:\n\nBril € 199,20\n\nKorte broek € 29,99\n\nT-shirt € 20,00.\n\nBij het vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een totaalbedrag van\n\n€ 949,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.\n\nDe verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist en heeft daarbij mede gewezen op de verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, welke derhalve als herhaald en opnieuw ingelast zullen worden beschouwd. In dat kader is primair door de verdediging naar voren gebracht dat onvoldoende duidelijk is geworden dat het letsel het gevolg is van het bewezenverklaarde, wat ertoe zou moeten leiden dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Subsidiair is bepleit dat het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te verklaren, omdat deze schade niet goed onderbouwd zou zijn en het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat bloedvlekken op koude temperatuur gewassen moeten worden. Meer subsidiair is bepleit dat de immateriële schadevergoeding gematigd zou moeten worden, omdat er een mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij zou bestaan doordat deze een vorm van confrontatie heeft gezocht bij het kind van de verdachte.\n\nHet hof overweegt als volgt\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is, anders dan de verdediging, gebleken dat het door de verdediging gevoerde scenario dat het letsel bij de benadeelde partij is ontstaan nadat de verdachte op het gezicht van de benadeelde partij zou zijn gevallen, onaannemelijk is. Uit de gebezigde en door het hof als betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat het niet is gegaan zoals de verdachte heeft verklaard. Dit weerspreekt de verklaring van de verdachte en daarmee ook de verklaring dat het letsel is ontstaan door een val. Wat resteert is de conclusie dat het letsel is ontstaan als gevolg van de kopstoot. Het hof verwerpt daarmee dit verweer.\n\nGelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nAnders dan de verdediging, acht het hof het aannemelijk dat als gevolg van deze geweldshandeling schade is ontstaan aan de bril en kleding van de benadeelde partij. Hierover is ook door meerdere getuigen verklaard. Deze schade is voldoende onderbouwd middels het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht. Het hof erkent niet dat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat bloedvlekken op koude temperatuur gewassen moeten worden. In ieder geval heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof, conform het oordeel van de politierechter, zijn schadebeperkingsplicht niet geschonden.\n\nOp grond van het voorgaande zal het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toewijzen.\n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij vordert een bedrag van € 700,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten een scheurwond bij de rechterwenkbrauw aan de kant van de neus, een litteken ten gevolge hebbende.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nHet hof ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om het bedrag te matigen op grond van eigen schuld. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij doordat deze het kind van de verdachte had aangesproken op zijn speelgedrag. Het door een volwassene aanspreken van een kind over gedrag tijdens een speelactiviteit is geenszins reden om door een andere volwassene mishandeld te worden. De reactie daarop door de verdachte was buitensporig.\n\nGelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.\n\nWettelijke rente\n\nHet toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nProceskosten\n\nHet hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 949,19. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 949,19, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 9 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door60 (zestig) dagen hechtenis.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 949,19 (negenhonderdnegenenveertig euro en negentien cent) bestaande uit € 249,19 (tweehonderdnegenenveertig euro en negentien cent) als vergoeding van materiële schade en € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 949,19 (negenhonderdnegenenveertig euro en negentien cent) bestaande uit € 249,19 (tweehonderdnegenenveertig euro en negentien cent) aan materiële schadevergoeding en € 700,00 (zevenhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogte 9 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. G.M. Goes, voorzitter,\n\nmr. C.A. van Roosmalen en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zaalen, griffier,\n\nen op 29 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1741","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.730Z",1,20]