[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-asylum-and-migration-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":127,"limit":128},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},89,"asylum-and-migration-nl","Asylum and Migration","NL","2026-07-08T16:55:59.400Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},14,{"min":18,"max":19},"2025-10-03T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32,40,48,56,63,70,77,84,91,98,105,113,120],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"683","ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","ecli-nl-rbdha-2026-18681","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.35381\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. D. Schaap)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwen de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\nDeze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.\n\nToetsingskader\n\n2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo)van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-Vo.In de AMB-Vo staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.\n\n2. Op grond van het Vbkan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-Vo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\n3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMB-Vo en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nk. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.\n\nPrematuur opgelegde vreemdelingenbewaring\u002Flichter middel\n\n6. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring prematuur is opgelegd, omdat verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling eerst de overdracht aan Zwitserland had kunnen regelen en dan pas kort voorafgaand aan de overdracht tot inbewaringstelling had kunnen overgaan. Hij wijst daarbij op een andere zaak waarin eerst een concrete overdrachtsdatum met de betreffende lidstaat (Duitsland) was afgesproken en de vreemdeling daarna pas in vreemdelingenbewaring is gesteld. Niet is gebleken waarom een dergelijke handelwijze in eisers geval niet mogelijk was. Verder is onvoldoende rekening gehouden met eisers medische omstandigheden. Hij had in verband met letsel aan zijn oogkas een medische afspraak staan, die door zijn staandehouding niet kon doorgaan.\n\n7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, bestaat er een risico op onderduiken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser meermalen heeft verklaard niet mee te werken aan zijn overdracht aan Zwitserland. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026 verklaard dat hij niet van plan is om mee te werken aan de door DT&Vgeregelde overdracht en dat hij niet wil terugkeren naar Zwitserland, omdat hij daar zal worden opgepakt en in de gevangenis zal belanden.Verder volgt uit het proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026 dat eiser deze verklaringen heeft bevestigd en opnieuw heeft aangegeven niet terug te willen en kunnen keren naar Zwitserland.Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de inbewaringstelling noodzakelijk was om eisers overdracht aan Zwitserland veilig te stellen en dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarnaast blijkt uit de maatregel dat verweerder eisers medische situatie heeft betrokken bij de afweging of een lichter middel kon worden toegepast. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nAmbtshalve toets\n\n8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1351.\n\n Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-Vo.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dienst Terugkeer en Vertrek.\n\n Aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026, p. 7 van 7.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026, p. 4 van 6.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:43.078Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"1725","ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","ecli-nl-rbdha-2026-18570","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35733\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. K. Bruin).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 28 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw (Vreemdelingenwet 2000) van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Ophouding\n\nEiser voert ter zitting aan dat hij op de onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat zijn identiteit niet direct kon worden vastgesteld. Na eisers aanhouding is zijn identiteit op het bureau onmiddellijk vastgesteld. Eisers identiteit was daarmee wel bekend bij verweerder. Te meer omdat hij eerder in bewaring is gesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat eisers ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 27 juni 2026 volgt dat eiser ten tijde van zijn staandehouding niet beschikte over identificerende documenten en zich niet onmiddellijk kon legitimeren. In zoverre kon eisers identiteit niet onmiddellijk worden vastgesteld. Dat de verbalisanten na aankomst op het bureau in het kader van het strafrechtelijk voortraject hebben vastgesteld wie eiser is, maakt niet dat zijn identiteit daarmee onmiddellijk kon worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nMaatregel van bewaring\n\n4. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op de grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb zich voordoen.\n\n5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als gronden vermeld dat eiser:\n\na. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h) heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n6. Eiser voert aan dat de gronden van de maatregel in algemene zin onvoldoende zijn gemotiveerd. In de gronden wordt steeds verwezen naar omstandigheden uit 2024 en 2025, terwijl eiser op basis van die omstandigheden in het verleden al in bewaring is gesteld.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarmee kan worden aangenomen dat er een risico bestaat op onderduiken en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Lichter middel\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen bij het opleggen van de maatregel van bewaring en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder niet heeft kunnen volstaan met een lichter middel. De eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring is opgeheven na een belangenafweging en verweerder heeft niet heeft beoordeeld of deze belangen nog actueel zijn.\n\n9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. Eiser heeft ter zitting niet geconcretiseerd welke belangen verweerder anders had moeten betrekken bij deze beoordeling. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.\n\nAmbtshalve toets\n\n10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.Conclusie\n\n11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 6 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","2026-07-13T00:29:35.958Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":47},"685","ECLI:NL:RBDHA:2026:18456","ecli-nl-rbdha-2026-18456","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.55758\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18456","2026-07-13T00:28:43.177Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":55},"690","ECLI:NL:RBDHA:2026:18462","ecli-nl-rbdha-2026-18462","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.56603\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18462","2026-07-13T00:28:43.401Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":60,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":62},"695","ECLI:NL:RBDHA:2026:18468","ecli-nl-rbdha-2026-18468","Uitspraak buiten zitting\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32656\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden), en\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.2\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1988 en de Turkse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 24 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.\n\nDe Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.3 Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.4 Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 november 2021 in België een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Verweerder heeft op 4 april 2026 de Belgische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Op 13 mei 2026 heeft België, na een verzoek om een second opinion, het verzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening Hiermee staat de verantwoordelijkheid van België vast.\n\n1. Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n2 Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n3 Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n4 Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n3. Eiser voert aan dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State5 van 23 juli 2025.6 Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in België systeemfouten bevatten, welke leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM7 en artikel 4 van het Handvest.8 Eiser heeft gedurende zijn verblijf in België een zwervend bestaan geleid en is verstoken gebleven van opvang. Eisers psychische problemen zijn hierdoor ernstig verslechterd en hij is opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Hiervan heeft eiser geen stukken kunnen overleggen. Eiser is kwetsbaar vanwege zijn psychische problemen. Zonder garanties voorafgaand aan eisers overdracht aan België, is het voorzienbaar dat hij in dezelfde omstandigheden terecht zal komen. Verder heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Een overdracht aan België getuigt in zijn geval van onevenredige hardheid gelet op zijn psychische toestand en zijn bijzondere kwetsbaarheid. Daarnaast vreest eiser te worden uitgezet naar Turkije na te zijn overgedragen aan België, zonder dat daar een inhoudelijke asielprocedure aan vooraf zal gaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n4. Vaststaat dat België in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uitgangspunt is verder dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit wordt gegaan dat de EU-lidstaten hun unierechtelijke en internationale verplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. Hoewel de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 over Dublinoverdrachten aan België heeft geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan, omdat zij geen toegang hadden tot opvangvoorzieningen, heeft verweerder met zijn verwijzing in het bestreden besluit naar de brief van 5 februari 2026 van de Belgische autoriteiten voldoende gemotiveerd dat alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten feitelijk weer toegang hebben tot een (nood)opvangplaats in België. Eiser heeft geen andersluidende informatie ingebracht. Gelet hierop is voor bedoelde uitzondering op het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het geval van België geen aanleiding meer.\n\n5. Ten aanzien van eisers gestelde ervaringen in België heeft verweerder terecht geconcludeerd dat deze geen reden zijn om niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt immers aangenomen dat eiser in België kan klagen indien de Belgische autoriteiten tekortschieten in de naleving van hun verplichtingen tegenover eiser. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Aldus is niet aannemelijk geworden dat overdracht van eiser naar België zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.\n\n6. Voor zover eiser in dit kader nog heeft aangevoerd dat hij vreest voor indirect refoulement omdat België hem zal terugsturen naar Turkije overweegt de rechtbank als\n\n5 Afdeling.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2025:3305.\n\n7 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\nvolgt. Uit de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 9en de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 12 juni 202410 volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan ten aanzien van België nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7. Uit het arrest Tarakhel volgt dat verweerder, in het geval van bijzondere kwetsbaarheid van een vreemdeling, om individuele garanties kan vragen voordat verweerder de vreemdeling overdraagt. 11 Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet met concrete en objectieve stukken aannemelijk gemaakt dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties geen toegang zal krijgen tot adequate zorg- en opvangvoorzieningen in België. Voor zover eiser zich beroept op de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, waar nodig en met toestemming van eiser, de relevante medische gegevens aan de Belgische autoriteiten worden overgedragen alvorens de overdracht van eiser zal plaatsvinden. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties had moeten verkrijgen.\n\n8. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd overwogen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening door de asielaanvraag van eiser onverplicht inhoudelijke te beoordelen. Door eiser is ook in dit verband gewezen op zijn gestelde slechte ervaringen in België. Eisers verklaringen hierover zijn beoordeeld bij de vraag of er aanwijzingen zijn dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 201412 is er geen aanleiding voor een beoordeling van dezelfde omstandigheden bij de vraag of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eisers van een onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser zich beroept op zijn psychische toestand, overweegt de rechtbank dat eiser dit niet met objectieve stukken heeft onderbouwd.\n\n9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n9 ECLI:EU:C:2023:934.\n\n10 ECLI:NL:RVS:2024:2359.\n\n11 ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 r.o. 100-105.\n\n12 ECLI:NL:RVS:2014:3164. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M. L. Weerkamp rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nDocumentcode: 024-573-028-293","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18468","2026-07-13T00:28:43.635Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":67,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":69},"688","ECLI:NL:RBDHA:2026:18460","ecli-nl-rbdha-2026-18460","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.53938\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18460","2026-07-13T00:28:43.289Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":74,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":76},"687","ECLI:NL:RBDHA:2026:18459","ecli-nl-rbdha-2026-18459","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.56763\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18459","2026-07-13T00:28:43.256Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":81,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":83},"692","ECLI:NL:RBDHA:2026:18463","ecli-nl-rbdha-2026-18463","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.60693\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. N. Wouters),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden. Er zijn achterstanden in de behandeling van asielaanvragen. De rechtbank acht een nadere beslistermijn van maximaal twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak redelijk. Hierbij wordt zowel recht gedaan aan het belang van verweerder om een zorgvuldige beslissing te nemen, als aan het belang van eiser om op korte termijn een beslissing te krijgen op de aanvraag.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18463","2026-07-13T00:28:43.495Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":88,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":90},"696","ECLI:NL:RBDHA:2026:18475","ecli-nl-rbdha-2026-18475","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.56714\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [verzoeker] , verzoeker,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. K. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerzoeker heeft op 19 november 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 25 maart 2024.\n\nOp 20 juni 2026 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.\n\nVerzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.\n\nDe rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb.3 Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.\n\n2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.\n\n3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op\n\n € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin\n\nu uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit\n\nverzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet\n\ndeze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten,\n\nkunt u dit in uw verzetschrift vermelden\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Algemen wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18475","2026-07-13T00:28:43.692Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":95,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":97},"691","ECLI:NL:RBDHA:2026:18465","ecli-nl-rbdha-2026-18465","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.19668\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nHet onderzoek ter zitting is geopend op 28 mei 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.H.P.M. Kelderman. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat partijen weliswaar tijdig en correct waren uitgenodigd, maar verweerder feitelijk niet op de hoogte bleek te zijn van de planning en de inhoud van de zaak.\n\nHet onderzoek ter zitting is hervat op 18 juni 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Hartog.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser is volgens zijn eigen opgave geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Iraakse nationaliteit.\n\n2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw.In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordeningis vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 1 juni 2022 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 12 februari 2026 een verzoek om terugname gezonden aan Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 17 februari 2026 aanvaard.\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen toepassing gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft overwogen dat de gezinsband van eiser met zijn ouders en broers en zussen niet voldoende is onderbouwd. Dit standpunt heeft verweerder pas bij het bestreden besluit ingenomen zodat eiser hierop in de bestuursrechtelijke fase niet heeft kunnen reageren. Eiser overlegt in beroep alsnog kopieën van paspoorten van zijn gezinsleden, en kopieën van de aanmeldgehoren van zijn vader en zijn moeder, waaruit blijkt dat zij eiser noemen als hun zoon, die met het gezin is meegereisd naar Nederland. Er is daarom geen reden om te twijfelen aan de gezinsband tussen eiser en zijn overige in Nederland verblijvende gezinsleden. Het is in het belang van eiser en van zijn gezinsleden dat zij niet gescheiden worden. Ook overlegt eiser documenten ter onderbouwing van de medische situatie van zijn moeder; zij heeft psychische problemen als gevolg van het verlies van de oudste dochter van het gezin in Griekenland, en kan niet van eiser gescheiden worden. Door in deze omstandigheden geen toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening is het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd.\n\nEiser voert daarnaast aan dat het bestreden besluit een risico op refoulement inhoudt, nu eiser in Duitsland al eerder een negatieve beschikking heeft gekregen. Hij vreest daarom dat hij bij overdracht aan Duitsland zonder verdere inhoudelijke behandeling zal worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst, waar hij te vrezen heeft voor zijn leven. Ook om deze reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.\n\n5. In Eurodac staat alleen van eiser een eerdere asielaanvraag geregistreerd in Duitsland. Daarom is alleen voor eiser een terugnameverzoek aan Duitsland gezonden en worden de aanvragen van de andere gezinsleden in de nationale procedure in Nederland behandeld. Verweerder betwist niet dat eiser als onderdeel van een gezin is ingereisd, maar hecht daar geen doorslaggevende betekenis aan. Het gegeven dat een vreemdeling familie heeft in Nederland is voor verweerder niet genoeg om toepassing te geven aan zijn discretionaire bevoegdheid. Dat eiser in de beroepsfase kopieën van identiteitsbewijzen van de verschillende gezinsleden heeft overgelegd maakt het besluit daarom niet anders.\n\n6. Ter zitting is de vraag besproken in hoeverre de Dublinverordening verweerder verplicht om rekening te houden met de gezinsband, nu eiser meerderjarig is, en of dit een element is dat moet worden meegewogen bij toepassing van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, van de Dublinverordening. Op grond van overweging 14, van de preambule bij de Dublinverordening dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening immers de eerbiediging van het familie- en gezinsleven voorop te staan. Deze, en andere uit de preambule van de Dublinverordening voortvloeiende waarborgen met betrekking tot het familie- en gezinsleven hebben, waar deze bepalend zijn voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat, hun weerslag gevonden in de artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening. De Afdeling heeft eerder bepaald dat de genoemde waarborgen in de preambule verweerder niet verplichten om in gezinsbanden die de Dublinverordening in voormelde artikelen niet beoogt te beschermen, aanleiding te zien om de behandeling van een aanvraag onverplicht aan zich te trekken.Nu vaststaat dat eiser meerderjarig was op het moment van de indiening van de asielaanvraag in Nederland en hij daarom geen beroep kan doen op de genoemde artikelen in de Dublinverordening die de gezinsband beschermen, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder op grond van de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid.\n\n7. Verweerder maakt terughoudend gebruik van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken.Hij beoordeelt of in het voorliggende geval sprake is van zodanige humanitaire gronden dat het in de rede ligt om het asielverzoek van de vreemdeling over te nemen. De rechter mag die beoordeling slechts terughoudend toetsen.Dit betekent dat de rechter het bestreden besluit op dit punt moet toetsen aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, maar staat eraan in de weg dat de rechter bij die toetsing zijn eigen oordeel in de plaats stelt van dat van verweerder.\n\n8. De rechtbank heeft begrip voor de wens van eiser om bij het gezin te verblijven, maar is gezien het bestreden besluit en de behandeling ter zitting van oordeel dat verweerder het besluit zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft bij de beoordeling of toepassing moest worden gegeven aan zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kunnen betrekken dat het verblijf van familie in Nederland geen doorslaggevende betekenis toekomt en dat ook als eisers betoog over de medische problemen van de moeder en de verdwijning van zijn oudste zus in Griekenland gevolgd wordt, dit niet tot een situatie van onevenredige hardheid leidt. De moeder krijgt in Nederland immers de behandeling die zij nodig heeft en eiser kan vanuit Duitsland contact onderhouden met het gezin.\n\n9. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024.Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land. Eiser heeft voor dit laatste geen aanknopingspunten gegeven. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien op dit punt tot een ander oordeel te komen en nu eiser ook in beroep zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hier in het bestreden besluit onvoldoende op is ingegaan of dat de motivering van verweerder het standpunt niet kan dragen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2385, punt 5.\n\n Dit is vastgelegd in onderdeel C2\u002F5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die gold ten tijde van het beroep.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666, recent bevestigd in de uitspraak van 11 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3293.\n\n ECLI:EU:C:2023:934.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2359.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18465","2026-07-13T00:28:43.446Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":102,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":104},"686","ECLI:NL:RBDHA:2026:18458","ecli-nl-rbdha-2026-18458","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62654\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18458","2026-07-13T00:28:43.221Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":109,"fullText":110,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":30,"updatedAt":112},"1858","ECLI:NL:RBDHA:2026:17915","ecli-nl-rbdha-2026-17915","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.40043\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Yap),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).\n\nInleiding\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.\n\nIn het besluit van 12 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag alsnog in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep mede betrekking op dit besluit.\n\nEiser heeft aanvullingen op de beroepsgronden ingediend.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 31 januari 2024 asiel aangevraagd in Nederland. Op 6 januari 2026 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij in 2016 Syrië heeft verlaten vanwege de oorlog. Tot eind 2023 heeft hij in Turkije gewoond. Eiser heeft ook verklaard dat zijn vader ontvoerd is geweest door de terroristische groepering Jabhat al Nusra. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser gedwongen te worden gerekruteerd door één van de strijdende groeperingen.\n\n2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Syrië te vrezen heeft voor vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag 1951. Hij heeft namelijk geen persoonlijke aanknopingspunten aangeleverd waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering. Ook loopt eiser volgens verweerder bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel er na het einde van het regime van voormalig president Assad in december 2024 incidentele geweldsuitbarstingen zijn, neemt verweerder voor Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan (zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011\u002F95\u002FEU). Dit brengt mee dat eiser persoonlijk aannemelijk moet maken waarom hij het risico zou lopen om daarvan slachtoffer te worden. Hierin is hij niet geslaagd. Dat hij een jongvolwassene is zonder netwerk en dat zijn vader in het verleden problemen heeft gehad, is hiervoor niet voldoende. Daarnaast komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning. Het gevolg van het bestreden besluit is dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Syrië.\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat in de provincie Aleppo, waar hij vandaan komt, volgens recente informatienog steeds sprake is van een chaotische gewapende strijd. Hij loopt daardoor persoonlijk het risico om gerekruteerd te worden. Ook heeft verweerder zich daardoor ten onrechte op het standpunt gesteld dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarbij heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de erbarmelijke humanitaire omstandigheden. Daarnaast voert eiser aan dat hij inmiddels zijn leven heeft opgebouwd in Nederland en dat hij bijdraagt aan het economisch belang door hier te werken, zodat verweerder ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning heeft verleend.\n\n4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Daarbij verwijst hij naar een tweetal eerdere verweerschriften en naar diverse rechtbankuitspraken. Uit de door eiser aangehaalde bronnen kan niet worden afgeleid dat in eisers voormalige [woonplaats] in de provincie Aleppo geen sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat eiser al een tijdje in Nederland woont en dat hij in Nederland werkt, is onvoldoende aanleiding voor het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning.\n\n5. In de reactie op het verweerschrift verwijst eiser naar diverse rechtbankuitspraken die niet in het voordeel van verweerder zijn. In die uitspraken komt naar voren dat sprake is van een volatiele situatie en dat de overheidsregering niet in staat is gebleken om grove mensenrechtenschendingen te voorkomen en de veiligheid voor de eigen bevolking te garanderen.\n\n6. Aan het begin van de zitting is namens eiser verzocht om aanhouding omdat eiser per abuis naar het kantoor van zijn gemachtigde was gereisd in plaats van naar de rechtbank. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen vanwege het belang van voortgang van de zaak en omdat het voor rekening van eiser komt dat hij naar het verkeerde adres is gegaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n7. Voor zover het beroep nog ziet op het niet tijdig nemen van een besluit op eisers asielaanvraag moet worden vastgesteld dat daarbij inmiddels geen procesbelang meer bestaat omdat er alsnog een besluit op die aanvraag is genomen. Het beroep zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n8. In de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22984, is geoordeeld dat verweerder na de machtsovername in Syrië in december 2024 terecht is uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In latere uitspraken heeft deze rechtbank en zittingsplaats deze lijn aangehouden. Bekend is dat diverse andere zittingsplaatsen tot een ander oordeel zijn gekomen en dat er een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwacht wordt naar aanleiding van een zitting op 11 mei 2026. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank beoordeeld of de door eiser overgelegde informatie aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder ten onrechte uitgaat van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.\n\n9. Volgens het door eiser overgelegde stuk van Anadolu Ajansı vinden er aanhoudende gevechten plaats rondom de Tishrin-dam, die op ongeveer dertig kilometer van [woonplaats] ligt, vanwege de strategische ligging ervan. Het stuk van het European Institute of Peace beschrijft de geschiedenis van [woonplaats] en de verrichtingen van de terroristische groep IS tijdens de burgeroorlog. Het stuk van de NOS gaat over aanvallen op gevangenissen voor IS-strijders. Naar het stuk van het Institute for the Study of War heeft eiser alleen in algemene zin verwezen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het gewapende conflict in [woonplaats] zodanig in intensiteit is toegenomen dat niet langer kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.\n\n10. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende individuele elementen naar voren heeft gebracht om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk slachtoffer zal worden van het willekeurige geweld. Uit de door eiser overgelegde informatie kan niet worden opgemaakt dat elke jongvolwassene zonder netwerk in [woonplaats] het risico loopt om gedwongen gerekruteerd te worden. Dat eisers vader in het verleden ontvoerd is geweest, is daarvoor ook onvoldoende.\n\n11. Bij het afwijzen van een eerste asielaanvraag beoordeelt verweerder op grond van artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 of er een verblijfsvergunning regulier kan worden verleend, onder meer op grond van het recht op privé- of familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De enkele stelling van eiser dat hij inmiddels een aantal jaar in Nederland is en dat hij in Nederland werkt, is onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat verweerder daartoe ten onrechte niet is overgegaan.\n\n12. De conclusie is dat het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit, ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n13. Omdat ten tijde van de indiening van het beroepschrift sprake was van overschrijding van de beslistermijn van zes maanden op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor het indienen van het beroepschrift. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,-, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een waarde per punt van € 934,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). Omdat de proceskostenveroordeling alleen gelegen is in het niet tijdig beslissen, is de rechtbank van oordeel dat de wegingsfactor licht van toepassing is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart het beroep, voor zover dit betrekking heeft op het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;\n\n verklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\n veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- (vierhonderdzevenenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 1 juli 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Eiser verwijst naar:\n\n Anadolu Ajansı, ‘Clashes intensify between Syrian Army, YPG\u002FSDF terrorists around Tishrin Dam’, 18 januari 2026,\n\n European Institute of Peace, ‘Tyranny of evil. The Legacy of ISIS in northeast Syria. [woonplaats] .’, datum onbekend,\n\n NOS, ‘Syrische SDF meldt aanvallen op gevangenissen voor IS-strijders, dag na ondertekening bestand’, 19 januari 2026,\n\n Institute for the Study of War, ‘Iran Update’, 20 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17915","2026-07-13T00:29:42.375Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":109,"fullText":117,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":30,"updatedAt":119},"1857","ECLI:NL:RBDHA:2026:17925","ecli-nl-rbdha-2026-17925","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.28927\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep deels gegrond is.Eiser krijgt dus in zoverre gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om afgifte van een mvv aan eiser afgewezen.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder is met het besluit van 4 juni 2025 (het bestreden besluit) bij de afwijzing gebleven en heeft het bezwaar ongegrond verklaard.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder, [de moeder van referent] (de moeder van [referent] ), en [tolk] als tolk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVoorgeschiedenis\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1980 en heeft de Eritrese nationaliteit. Hij woont in Zuid-Soedan. Hij wil in Nederland bij zijn vrouw en zijn kinderen verblijven. Referent, de zoon van eiser, heeft op 5 mei 2022 daarom een aanvraag ingediend om eiser toegang te verlenen tot Nederland, maar deze aanvraag is in het primaire besluit afgewezen.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder weliswaar aanneemt dat er tussen eiser en referent familie- of gezinsleven is, maar dat de belangenafweging in het nadeel\n\nvan eiser en referent uitvalt. Volgens verweerder weegt het economische belang van de Nederlandse staat en het belang om een restrictief toelatingsbeleid te kunnen voeren zwaarder dan het belang van eiser om naar Nederland te komen. Hierbij is van belang dat ook een aanvraag kon worden ingediend door de moeder van referent en dat zij niet over financiële middelen beschikken om eiser te kunnen onderhouden. Verder is er geen objectieve belemmering om gezinsleven in Eritrea te kunnen uitoefenen. Ook kunnen eiser en referent gezinsleven uitoefenen in Zuid-Soedan, omdat ze een band hebben met dat land. Eiser woont al ongeveer 14 jaar in Zuid-Soedan en hij werkt daar. Daarnaast hebben referent, zijn moeder en zusje ook meerdere jaren in Zuid-Soedan gewoond. Eiser en referent hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege de veiligheidssituatie in Zuid-Soedan daar geen gezinsleven kunnen uitoefenen. Ook is niet gebleken dat het belang van het kind eraan in de weg staat om gezinsleven uit te oefenen in Zuid-Soedan. Tot slot weegt verweerder mee dat het mogelijk is om gezinsleven telefonisch voort te blijven zetten en dat de scheiding een keuze is geweest van de ouders. Verweerder heeft vervolgens getoetst of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van het arrest [naam] .Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan het vereiste dat hij daadwerkelijke zorgtaken verricht en dat referent zodanig van hem afhankelijk is dat hij gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als eiser geen verblijfsrecht krijgt in Nederland.\n\nRestrictief toelatingsbeleid en economisch belang\n\n3. Eiser voert aan dat ten onrechte in het nadeel is meegewogen dat er geen aanvraag is\n\ningediend door de moeder van referent. Zij dacht namelijk dat eiser op het moment van het indienen van de aanvraag een andere partner had. Het kan ook niet aan referent worden tegengeworpen dat de ouders voor hem een aanvraag hebben ingediend. Daarnaast is het economisch belang onterecht in het nadeel meegewogen. Referent is namelijk te jong om te werken. Ook de moeder van referent kan niet werken, omdat de kinderen inmiddels de leerplichtige leeftijd hebben. Verweerder had haar hierover moeten horen. In de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU wordt benadrukt dat gezinshereniging niet onmogelijk kan worden gemaakt door de voorwaarde dat iemand financieel zelfstandig moet zijn. Bovendien wil eiser in Nederland werken.\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het restrictief toelatingsbeleid niet ten onrechte in het nadeel van eiser is meegewogen. Dat de moeder van referent dacht dat eiser een andere partner had, maakt het belang van verweerder niet anders.\n\n5. Verweerder heeft verder het economisch belang niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Hierbij is van belang dat de moeder van referent niet werkt. Dat zij niet werkt vanwege de leerplichtige leeftijd van haar kinderen heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om tot een andere conclusie te komen. Zij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij moeite heeft gedaan om werk te vinden of dat dit onmogelijk was vanwege de leeftijd van de kinderen. Het is allereerst aan haar om dit te onderbouwen. Verweerder heeft haar daarom niet hoeven horen. De stelling van eiser dat hij hier wil werken maakt dit ook niet anders, nu verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser mogelijk wel gebruik zal maken van publieke voorzieningen. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.\n\nAard en intensiteit gezinsleven\n\n6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de scheiding niet vrijwillig was, maar dat sprake was van een vluchtsituatie. In de periode dat ze bij elkaar leefden was hij, vader, soms afwezig, omdat hij moest werken om het gezin te onderhouden. Verweerder had ook meer waarde moeten hechten aan de verklaring van de leerkrachten, omdat het een observatie is van de leerkrachten die referent dagelijks spreekt en ziet.\n\n7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aard en intensiteit van het gezinsleven onvoldoende is om aan eiser een verblijfsvergunning te moeten verlenen. Hierbij is van belang dat eiser een toestemmingsverklaring heeft ondertekend. Daardoor heeft verweerder kunnen stellen dat de scheiding een keuze is geweest van de ouders. De verklaring van de leerkrachten heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht, omdat de leerkrachten geen gedragsdeskundigen zijn. De stelling dat het niet goed gaat met referent vanwege het feit dat zijn vader niet bij hem is, is dus onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het mogelijk is om gezinsleven telefonisch te blijven uitoefenen. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit niet mogelijk zou zijn. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nObjectieve belemmering Eritrea\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een objectieve belemmering om gezinsleven uit te oefenen in Eritrea. Hij is namelijk illegaal Eritrea uitgereisd. Ook kan referent in een razzia terecht komen en geldt voor zowel eiser als referent een dienstplicht. Daarbij komt dat uit het landenbeleid van verweerder blijkt dat asielaanvragen van Eritreeërs vanwege een illegale uitreis of vanwege de dienstplicht worden ingewilligd.Dat eiser een paspoort heeft kunnen krijgen wordt ten onrechte tegengeworpen, nu uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 2015 blijkt dat het makkelijker is om vanuit het buitenland een paspoort te verkrijgen.\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in een asielprocedure dient te worden beoordeeld of eiser bij terugkeer naar Eritrea gevaar loopt vanwege de dienstplicht. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij daadwerkelijk illegaal Eritrea is uitgereisd. Verweerder heeft daarbij terecht meegewogen dat eiser een geldig paspoort heeft kunnen krijgen, waarvan de geldigheidsduur nadien ook nog is verlengd. De stelling van eiser dat het vanuit het buitenland makkelijker is om een paspoort te verkrijgen heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht om de illegale uitreis aannemelijk te achten. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geen objectieve belemmering aangenomen voor uitoefening van gezinsleven in Eritrea. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nBinding met Zuid-Soedan en het belang van het kind.\n\n10. Eiser voert aan dat er in Zuid-Soedan sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.Verweerder heeft ook geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser geen geschikte woonruimte heeft en dat referent geen verblijfsrecht heeft in Zuid-Soedan.\n\n11. Uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17022, volgt dat eiser in deze stelling gevolgd moet worden. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat in Zuid-Soedan sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarom is onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een belemmering om gezinsleven uit te oefenen in Zuid-Soedan en dat dit niet in strijd is met het belang van het kind. Deze beroepsgrond slaagt en het beroep is in zoverre gegrond.\n\nGelet op het voorgaande is echter niet gebleken dat gezinsleven niet in Eritrea kan worden uitgeoefend en dat onvoldoende gemotiveerd is dat de belangenafweging voor het overige in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand laten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Het beroep is gegrond voor zover dit ziet op de overweging dat gezinsleven kan worden uitgeoefend in Zuid-Soedan, omdat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het motiveringsbeginsel.De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de motivering dat gezinsleven kan worden uitgeoefend in Zuid-Soedan. Het beroep is voor het overige ongegrond. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand blijven.\n\n13. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 aan eiser vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 4 juni 2025 voor zover daarbij is overwogen dat gezinsleven kan\n\n worden uitgeoefend in Zuid-Soedan;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868\n\n (eenduizendachthonderdachtenzestig).\n\nDeze uitspraak is gedaan op 1 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:EU:C:2017:354.\n\n Eiser verwijst naar paragraaf C7\u002F13.4.1.1 tot en met paragraaf C7\u002F13.5.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Eiser verwijst hierbij naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 3 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1200 en ECLI:NL:RBDHA:2025:1201; een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 15 april 2025, ECLI:NLRBDHA:2025:6210; en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 28 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9411.\n\n Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 3:46 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17925","2026-07-13T00:29:42.338Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":124,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":126},"1864","ECLI:NL:RBDHA:2025:18289","ecli-nl-rbdha-2025-18289","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.46466\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer],\n\n(gemachtigde: mr. D. Matadien),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. K. Kanters).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft met ingang van 29 september 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet naar Marokko.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.Staandehouding en ophouding\n\n3. Voor zover eiser in zijn beroepschrift aanvoert dat de staandehouding en ophouding van 26 augustus 2025 onrechtmatig zijn geweest, oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n4. De staandehouding en ophouding zien op de aanvang van de eerder opgelegde maatregel van 26 augustus 2025. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat bij uitspraak van 9 september 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, ongegrond is verklaard.In deze procedure beoordeelt de rechtbank thans de maatregel van 14 september 2025 tot aan de opheffing op 29 september 2025.\n\nOmzetting vorige maatregel van bewaring\n\n5. Eiser voert aan dat de maatregel van 26 augustus 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw niet tijdig is omgezet naar de huidige maatregel van bewaring. Op 12 september 2025 heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken en op 14 september 2025 is de huidige maatregel opgelegd.\n\n6. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Vooropgesteld wordt dat in het kader van het huidige beroep niet ter toetsing staat of de maatregel van 26 augustus 2025 tijdig is opgeheven. De rechtbank toetst uitsluitend de huidige maatregel van 14 september 2025. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn, volledigheidshalve ingenomen, standpunt dat de maatregel tijdig is omgezet. Eiser heeft op 12 september 2025 zijn asielaanvraag ingetrokken en de huidige maatregel is binnen twee dagen, namelijk op 14 september 2025, opgelegd.\n\nGrondslag\n\n7. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag is gebaseerd. Niet is gebleken dat eiser de voorbereiding van zijn uitzetting ontwijkt of belemmert. Eiser verwijst daarbij naar zijn verklaringen tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, waarin hij nadrukkelijk heeft aangegeven mee te werken aan zijn terugkeer.\n\n8. De beroepsgrond slaagt niet. Verweerder was bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het staat namelijk vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag op 12 september 2025 ingetrokken.\n\nMaatregel van bewaring\n\n9. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\nVerweerder heeft als zware grondenvermeld dat eiser:\n\n- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;\n\nen als lichte grondenvermeld dat eiser:\n\n- 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n10. Ter zitting heeft verweerder de lichte grond 4b laten vallen.\n\n11. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a wijst hij erop dat zijn inreis een gecontroleerde overdracht op grond van de Dublinverordening betrof. Daarnaast is de zware grond 3b niet van toepassing op hem, omdat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken en in een asielzoekerscentrum verbleef. De eerdere meldingen dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken zijn niet meer actueel en toepasbaar op zijn huidige situatie. Ook de zware grond 3c wordt betwist, omdat hij volgens eigen zeggen wel gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht om Nederland te verlaten en vervolgens ook uit Nederland is vertrokken. Ten aanzien van de zware grond 3d brengt eiser naar voren dat hij juiste gegevens heeft verstrekt waarop ook de laissez-passer aanvraag is gebaseerd. De grond 3e is ook niet van toepassing, nu dit ziet op gegevens die zijn verstrekt in het verleden. Eiser heeft verklaard waarom hij tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt en heeft nu wel de juiste gegevens verstrekt. Ten aanzien van de lichte grond 4a verwijst eiser naar hetgeen hij heeft aangevoerd over de zware grond 3a. Verder zijn de lichte gronden 4c en 4d inherent aan de omstandigheid dat hij is overgedragen en kan hem dat in redelijkheid niet worden tegengeworpen. Op grond hiervan stelt eiser dat geen sprake is van een risico op onttrekking of onderduiken en dat de gronden niet op hem van toepassing zijn.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.De zware grond 3a is feitelijk juist, omdat hij bij zijn eerste binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een reis- of identiteitsdocument was noch van een geldig visum. Uit het dossier blijkt verder dat eiser op 15 juni 2023 en 22 juli 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Dit heeft eiser ook bevestigd in zijn gehoor van 26 augustus 2025. De feitelijke juistheid van de zware grond 3b staat daarmee vast. De zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om risico op onttrekken aan het toezicht aan te nemen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware gronden 3c, 3d, 3e en de lichte gronden behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.\n\nLichter middel\n\n13. Eiser voert verder aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Hij heeft verklaard mee te werken aan zijn terugkeer en dat met alternatieven zoals een meldplicht of verblijf in een asielzoekerscentrum had kunnen worden volstaan. Het regime in het detentiecentrum is streng en voldoet niet aan artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft eerder de mogelijkheid gehad om zelfstandig naar zijn land van herkomst terug te keren en heeft dit niet gedaan. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken en heeft dit ook bevestigd. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2022dat het Detentiecentrum Rotterdam voldoet aan de vereisten van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Bovendien kan de bewaringsrechter volgens de Afdeling niet oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld.Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nVoortvarend handelen\n\n15. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Hij wijst erop dat hij op 12 september 2025 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en dat de maatregel vanaf dat moment was gericht op zijn uitzetting, terwijl de feitelijke uitzetting pas op 29 september 2025 heeft plaatsgevonden. Volgens eiser was al eerder een laissez-passer beschikbaar en had verweerder de benodigde stappen voor vertrek eerder kunnen afronden.\n\n16. Anders dan eiser stelt heeft verweerder echter voldoende voortvarend gehandeld. Verweerder heeft in de brief aan de rechtbank van 26 september 2025 uiteengezet welke handelingen zijn verricht ten aanzien van eisers terugkeer.\n\nAmbtshalve toets\n\n17. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Er is ook niet gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers terugkeer.\n\nConclusie\n\n18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 oktober 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:NL:RBROT:2025:10706.\n\n Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.\n\n Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:2100.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:4002.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie van 4 september 2025, C-313\u002F25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18289","2026-07-13T00:29:42.685Z",1,20]