[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-asylum-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":168,"limit":169},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},123,"asylum-procedure-nl","Asylum Procedure","NL","2026-07-08T16:57:28.077Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},23,{"min":18,"max":19},"2024-09-17T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,47,55,62,69,76,83,90,97,104,111,118,125,132,139,146,153,160],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"685","ECLI:NL:RBDHA:2026:18456","ecli-nl-rbdha-2026-18456","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.55758\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18456","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:43.177Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1756","ECLI:NL:RBDHA:2026:18229","ecli-nl-rbdha-2026-18229","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.34707\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 22 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vween vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nNa afloop van de zitting hebben partijen desgevraagd een aanvullende schriftelijke reactie ingediend. De rechtbank heeft na ontvangst hiervan het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n2. Eiser is op 21 juni 2026 om 13.51 uur aangekomen op Schiphol, waar hij vervolgens om 20.30 uur op grond van artikel 4.6 van het Vbeen aanwijzing heeft gekregen om zich gedurende één nacht op te houden in de internationale lounge. Hij heeft op dezelfde dag zijn asielwens kenbaar gemaakt, waarvan op 22 juni 2026 een M35-H formulier is opgemaakt. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.\n\nToetsingskader\n\n3. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vbwordt deze vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\nGeschiktheid van de screeningslocatie\n\n4. Eiser voert aan dat de screening niet heeft plaatsgevonden op een toereikende en geschikte locatie als bedoeld in de Screeningsverordening, gelezen in samenhang met de (nieuwe) Opvangrichtlijn.De procedure is feitelijk aangevangen bij zijn aankomst op Schiphol, waar hij door de Koninklijke Marechaussee is ondervraagd en vervolgens in een ruimte en later, op grond van de loungemaatregel, in de internationale lounge heeft verbleven onder sobere omstandigheden, waaronder een overnachting op een stoel en beperkte verstrekking van voedsel. Schiphol kan onder deze omstandigheden niet als een toereikende en geschikte locatie worden aangemerkt. Daarbij wordt erop gewezen dat de screening onder het Asiel- en Migratiepact meerdere dagen kan duren en dat een dergelijke locatie daarom moet voorzien in mogelijkheden tot overnachting, waaraan de internationale lounge niet voldoet.\n\n5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact tot een ander oordeel leidt. Verder volgt uit de stukken dat eisers vlucht op 21 juni 2026 om 13:51 uur op Schiphol is geland en dat hij op 22 juni 2026 om 14:00 uur is overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol.De rechtbank acht het, gelet op deze tijdstippen en de gebruikelijke gang van zaken na aankomst van een vlucht waardoor het eerste contact met de KMar pas na enige tijd zal plaatsvinden, aannemelijk dat eisers verblijf op Schiphol minder dan 24 uur heeft geduurd.\n\nOok hetgeen eiser heeft aangevoerd over de omstandigheden waaronder hij gedurende zijn verblijf in de internationale lounge heeft verbleven, maakt het voorgaande niet anders. Mede gelet op de duur van het verblijf ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat Schiphol in dit geval niet als een toereikende en geschikte screeningslocatie kon worden aangemerkt.\n\nZorgvuldigheid van de processen-verbaal\n\nAlgemeen\n\n6. Eiser voert aan dat diverse processen-verbaal in het dossier onzorgvuldigheden\u002F slordigheden bevatten.\n\n7. De rechtbank stelt voorop dat aan eiser zonder meer kan worden toegegeven dat diverse processen-verbaal in het dossier op onderdelen onvolledig en\u002Fof slordig zijn ingevuld. Evenwel komt uit de stukken, gelezen in onderlinge samenhang, voldoende duidelijk en overtuigend naar voren wat de feitelijke gang van zaken is geweest.\n\nOndertekening van de processen-verbaal\n\n8. Eiser voert aan dat zowel het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 als het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 niet zijn ondertekend. Daardoor is onduidelijk welke waarde aan deze stukken kan worden gehecht en kan niet worden gecontroleerd of de daarin beschreven gang van zaken zich daadwerkelijk op die wijze heeft voorgedaan.\n\n9. De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, heeft zij verweerder verzocht om nadere informatie betreffende de (al dan niet) ondertekening. Verweerder heeft vervolgens een reactie ingediend. Daarbij is een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2026 overgelegd, waarin wordt toegelicht dat het ontbreken van een zichtbare digitale handtekening onder het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 het gevolg is van een technische storing bij de omzetting van de systemen in verband met het Asiel- en Migratiepact.\n\n10. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op de in rechtsoverweging 9 bedoelde vraag aan en reactie van verweerder. Voor zover de reactie van de gemachtigde van eiser betrekking heeft op de toelichting omtrent de ondertekening van het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 heeft de rechtbank deze bij haar beoordeling betrokken.\n\nVoor het overige gaat de reactie de omvang van de door de rechtbank gegeven gelegenheid te buiten. De rechtbank laat deze, alsmede de daarbij overgelegde bijlage, daarom buiten beschouwing.\n\n11. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de op ambtseed gegeven toelichting in het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2026 te twijfelen. Evenzeer acht zij aannemelijk dat hetzelfde geldt voor de (niet-zichtbare) ondertekening van het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel.\n\nVoor zover zou gelden dat genoemde processen-verbaal niet zijn ondertekend, overweegt de rechtbank dat dit op zichzelf onvoldoende is om aan de inhoud van deze op ambtseed opgemaakte processen-verbaal te twijfelen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat eiser geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat de daarin beschreven gang van zaken onjuist is, noch een aannemelijk alternatief scenario heeft geschetst.\n\nTegenstrijdigheden in het tijdstip van het uiten van eisers asielwens\n\n12. Eiser voert aan dat het “proces-verbaal van gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, derde lid, van de Vw” van 22 juni 2026 innerlijk tegenstrijdig is wat betreft het tijdstip van het uiten van zijn asielwens. Hierin is immers op dezelfde pagina vermeld dat eiser op 21 juni 2026 om 18:40 uur zijn asielwens heeft geuit, maar anderzijds ook dat hij dit pas om 20:30 uur heeft gedaan.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat de geconstateerde tegenstrijdigheid onvoldoende is om te concluderen dat onduidelijk is wanneer eiser zijn asielwens heeft geuit. Uit zowel de vrijheidsontnemende maatregelals het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 volgt dat eiser dit op 21 juni 2026 om 18:40 uur heeft gedaan. Weliswaar is in het proces-verbaal van gehoor tevens het tijdstip 20:30 uur vermeld, maar dit is ook het tijdstip waarop aan eiser op grond van artikel 4.6 van het Vb de aanwijzing is gegeven zich op te houden in de internationale lounge. Gelet hierop, in samenhang bezien met het tijdstip waarop eisers vlucht is aangekomen, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser reeds om 18:40 uur zijn asielwens heeft geuit en dient het genoemde tijdstip van 20.30 uur in dit opzicht als een kennelijke verschrijving te worden aangemerkt.\n\nInname paspoort en juistheid proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel\n\n14. Eiser voert voorts aan dat het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 ook inhoudelijk onjuist is, omdat daarin niet is vermeld dat zijn paspoort reeds op 21 juni 2026 is ingenomen. Pas op 22 juni 2026 is een ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en\u002Fof identiteitspapieren opgemaakt, terwijl het paspoort toen al in bewaring was genomen.\n\n15. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat eisers paspoort is ingenomen. Dit blijkt ook onweersproken uit het ontvangstbewijs van 22 juni 2026. Dat in het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 niet is vermeld op welk moment eisers paspoort is ingenomen, maakt niet dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad.\n\nInformatieplicht bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel\n\n16. Eiser voert aan dat niet is voldaan aan de informatieplicht bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Uit zijn antwoord op de mededeling dat de toegang tot Nederland wordt uitgesteld, zijn asielaanvraag wordt behandeld in de asielgrensprocedure en hij in een gesloten detentiecentrum zal verblijven, blijkt niet dat hij de rechtsgevolgen daadwerkelijk heeft begrepen. Hij heeft slechts verklaard dat hij het “snapt”, terwijl de enkele mededeling dat hij de inhoud heeft begrepen daartoe onvoldoende is.\n\n17. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Weliswaar blijkt uit de op p. 4 in het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 opgenomen reactie van eiser niet zonder meer dat hij de rechtsgevolgen van de mededelingen volledig heeft begrepen, maar uit datzelfde proces-verbaal volgt dat hem om 08:00 uur voorafgaand aan de oplegging van de maatregel onder meer is medegedeeld dat zijn asielaanvraag in de asielgrensprocedure zou worden behandeld, dat hem een vrijheidsontnemende maatregel zou worden opgelegd, dat hij gedurende de behandeling van zijn aanvraag in een vreemdelingendetentiecentrum zou worden ingesloten en dat hij gedurende de screeningsprocedure geen toegang tot Nederland zou krijgen.Daarbij komt dat eiser om 08:25 uur de Engelstalige M19B-informatiefolder met betrekking tot artikel 6, derde lid, van de Vw voor ontvangst heeft ondertekend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voor eiser voldoende duidelijk was dat hij zou worden ingesloten.\n\nWijze van registratie van de voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling\n\n18. Eiser voert ten slotte aan dat in het screeningsformulier bij de vraag of de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening, is uitgevoerd, standaard het antwoord “Ja” wordt aangekruist, blijkens de vermelding “Altijd JA” tussen haakjes achter de antwoordmogelijkheden. Dit roept de vraag op of daadwerkelijk een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden, nu deze vermelding suggereert dat de uitkomst reeds vaststaat.\n\n19. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op het screeningsformulier is bij de vraag of de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening, is uitgevoerd, het antwoord “Ja” aangekruist.Eiser heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat deze registratie onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAmbtshalve toets\n\n20. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.\n\nConclusie\n\n21. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1356.\n\n Richtlijn (EU) 2024\u002F1346.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:4201.\n\n Proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026, p. 5 van 5.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 9 van 10.\n\n Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6 derde lid, of eerste en tweede lid juncto het zesde lid van de Vw voor vreemdelingen die vallen onder de werking van de Procedureverordening (Model M19B) d.d. 22 juni 2026, p. 1 van 3.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 4 van 10.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 2 van 10 onder ‘Algemeen’.\n\n Screeningsformulier, p. 2 van 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18229","2026-07-13T00:29:37.309Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"1761","ECLI:NL:RBDHA:2026:18236","ecli-nl-rbdha-2026-18236","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35072\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H. Toonders).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft eiser op 23 juni 2026 om 14:21 uur opgehouden. Op 23 juni 2026 omstreeks 19:45 uur is de vrijheidsbeneming van eiser beëindigd omdat aan hem een bevel om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Spanje is opgelegd.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.\n\nEiser heeft zich akkoord verklaard met een schriftelijke behandeling van het beroep. Op 26 juni 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 1 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 2 juli 2026 het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Turkse nationaliteit te hebben.\n\n2. Eiser voert aan dat hij niet kan toetsen of sprake is geweest van een verkapt vreemdelingrechtelijke staandehouding, omdat het dossier te beperkt is.\n\n3. Verweerder heeft bij brief van 1 juli 2026 meegedeeld dat de vreemdelingrechtelijke ophouding volgde op een strafrechtelijke aanhouding op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Verweerder heeft hierbij een proces-verbaal van bevindingen en een proces-verbaal van aanhouding verdachte geüpload in het digitale dossier. Hierin staat dat twee verbalisanten het voertuig waarin eiser zich bevond hebben gestopt vanwege een ANPR-melding. De toelichting daarbij was dat het een voertuig van een malafide verhuurbedrijf betrof. Bij controle van het voertuig is hennep aangetroffen in het dashboardkastje. Eiser is vervolgens aangehouden vanwege het rijden onder invloed en het niet voldoen aan de vordering om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van aanhouding aanhouding afdoende dat sprake was van een strafrechtelijke aanleiding om eiser naar zijn identiteitsdocumenten te vragen en ook dat de verbalisanten in het kader van hun algemene politietaak hebben gehandeld. Het is niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Het beroep is ongegrond.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is op 3 juli 2026 gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18236","2026-07-13T00:29:37.546Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":54},"699","ECLI:NL:RBDHA:2026:18477","ecli-nl-rbdha-2026-18477","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.54004\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18477","2026-07-13T00:28:43.800Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":59,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":61},"700","ECLI:NL:RBDHA:2026:18478","ecli-nl-rbdha-2026-18478","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62302\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. A. Hanna),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18478","2026-07-13T00:28:43.834Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":66,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":68},"703","ECLI:NL:RBDHA:2026:18481","ecli-nl-rbdha-2026-18481","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62642\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18481","2026-07-13T00:28:43.935Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":73,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":75},"704","ECLI:NL:RBDHA:2026:18485","ecli-nl-rbdha-2026-18485","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F1570uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. C.W.M. van Breda, mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot).\n\nInleiding\n\nIn het besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft de op 29 oktober 2025 geagendeerde zitting van de enkelvoudige kamer geannuleerd en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot.\n\nDe rechtbank heeft de uitspraaktermijn tweemaal verlengd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij is op 11 november 2022 Nederland ingereisd. Op 29 juni 2023 heeft hij kenbaar gemaakt dat hij asiel wil aanvragen. Op 5 juli 2023 is hij in de gelegenheid gesteld om een asielaanvraag te ondertekenen.\n\n2. Op 8 mei 2025 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij is geboren in Riyad, Saoedi-Arabië, en dat hij daar tot aan zijn vertrek op 9 november 2022 heeft gewoond. Ook heeft hij verklaard dat een reisbureau voor hem het Schengenvisum heeft geregeld waarmee hij Nederland is ingereisd, en de verblijfplaats bij een onbekende in Nederland waar hij heeft verbleven in de periode totdat hij zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Verder heeft eiser verklaard dat hij Saoedi-Arabië heeft verlaten omdat hij zijn baan is kwijtgeraakt, geen nieuwe baan kon vinden en zijn verblijfsvergunning ging verlopen. Ten slotte heeft eiser verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Jemen omdat hij daar niemand kent, omdat er een gewapende strijd gaande is en omdat hij gedwongen gerekruteerd zou kunnen worden door de Houthi’s. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij niet behoort tot een stam en dat hij de stroming Al-Wahabi binnen de Islam aanhangt, en dat dit grote obstakels zijn voor een leven in het huidige Jemen. Ook heeft eiser verklaard dat er zich in Jemen een wraakconflict afspeelt waarbij veertien leden van zijn familie zijn gedood.\n\nDe standpunten\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026 (Vw), omdat eiser niet zo snel mogelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wil aanvragen. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Volgens verweerder worden mensen die niet bij een stam horen en die de stroming Al-Wahabi aanhangen in Jemen niet vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag 1951 (Vlv). Ook loopt eiser bij terugkeer naar Jemen volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder neemt aan dat er in Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld is zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011\u002F95\u002FEU (Krl). Eiser heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hiervan persoonlijk slachtoffer zal worden. Eiser heeft namelijk niet concreet gemaakt waarom hij denkt te zullen worden gerekruteerd en hij heeft ook nooit eerder een oproep ontvangen. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het wraakconflict en niet concreet gemaakt waarom hij daarvoor te vrezen heeft, aldus verweerder. De slechte humanitaire omstandigheden in Jemen spelen hierbij volgens verweerder geen rol, omdat niet gebleken is dat deze door de strijdende partijen als oorlogsmethode worden ingezet. Het bestreden besluit geldt niet als terugkeerbesluit. Aan eiser is namelijk in afwachting van de definitieve beoordeling voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen verleend zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, en dat de humanitaire situatie niet voornamelijk te wijten is aan de strijdende partijen. Op 14 juni 2025 heeft eiser een arrestatiebevel overgelegd van het Jemenitische Openbaar Ministerie van 14 januari 2019, waarin staat dat hij wordt gezocht wegens godsdienstschendingen.\n\n5. In de aanvulling op de beroepsgronden van 16 oktober 2025 heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, waarin is geoordeeld dat verweerder de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw moet beoordelen. Ook heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920, waarin is geoordeeld dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Het nieuwe landgebonden beleid dat verweerder op 8 oktober 2025 heeft bekendgemaakt, voldoet volgens eiser niet aan de opdracht van de Afdeling. Verweerder heeft daarbij volgens eiser namelijk ten onrechte alleen gekeken naar het aantal dodelijke slachtoffers in relatie tot de totale bevolking, en ten onrechte niet onderkend dat er oorlogsmethoden worden gebruikt die de toegang tot humanitaire hulp bemoeilijken. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd naar welke regio binnen Jemen hij zou moeten terugkeren.\n\n6. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025\u002F20 van 15 oktober 2025 is het nieuwe landgebonden beleid voor Jemen gepubliceerd. Dit is gebaseerd op de kamerbrief van 8 oktober 2025 met kenmerk 6339169 en de daarbij gevoegde beslisnota en bijlage over artikel 15c van de Krl. Deze zijn opgesteld aan de hand van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen van 18 april 2025 (AAB). Uit dit nieuwe beleid volgt dat volgens verweerder in een aantal delen van Jemen sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, in een aantal delen een relatief lager niveau van willekeurig geweld en in een aantal delen geen van beiden. Hierbij is niet alleen gekeken naar de aantallen dodelijke slachtoffers en zijn de humanitaire omstandigheden in voldoende mate betrokken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat van eiser kan worden verwacht dat hij zelf zijn vertrek naar Jemen voorbereidt, en dat het voor de hand ligt dat hij terugkeert naar een gedeelte van het land waar geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Krl.\n\n7. Eiser voert in zijn reactie op het verweerschrift aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de ernst van de algemene veiligheidssituatie in Jemen lager inschat dan vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462. Uit beide uitspraken volgt dat verweerder zich had moeten uitlaten over de vraag waarom niet de hoogste gradatie van artikel 15c van de Krl zich voordoet in Jemen, mede gelet op de humanitaire omstandigheden. Ook verwijst eiser naar landeninformatie waarop hierna verder zal worden ingegaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nHet beoordelingskader\n\n8. Het verlenen van een asielvergunning kan, naast de aanwezigheid van vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vlv, gelegen zijn in een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. In deze zaak is niet in geschil dat er geen sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank ziet zich wel voor de vraag gesteld of de veiligheidssituatie in Jemen leidt tot een risico op ernstige schade voor eiser.\n\n9. Op grond van artikel 15c van de Krl kan ernstige schade bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In deze zaak is niet in geschil dat er in Jemen sprake is van een dergelijk conflict. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843, in de zaak X. en Y. uiteengezet dat willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Krl verschillende gradaties kent, en dat daarbij sprake is van een glijdende schaal. Bij een lager niveau van willekeurig geweld kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als een asielzoeker met individuele elementen aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico loopt om daarvan slachtoffer te worden. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld zijn er minder individuele elementen nodig om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Alleen in de meest uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld is de aanwezigheid in een bepaald gebied op zichzelf al voldoende voor een reëel risico op ernstige schade.\n\n10. Verweerder heeft in onderdeel C2\u002F3.3.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 vastgelegd welke aspecten hij betrekt bij het beoordelen van het niveau van willekeurig geweld:\n\nde vraag of de partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen,\n\nde vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\nde vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\nde vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\nde intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\nde aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n11. In het arrest van het HvJEU van 10 juni 2021 in de zaak CF en DN, ECLI:EU:C:2021:472, is uiteengezet welke omstandigheden moeten worden meegewogen bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een ‘ernstige en individuele bedreiging’ zoals bedoeld in artikel 15c van de Krl. Het HvJEU heeft daarbij onder meer overwogen dat de daadwerkelijke bestemming van de verzoeker daarbij moet worden betrokken (punt 43).\n\n12. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 15c van de Krl ook rekening moet worden gehouden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld binnen een binnenlands gewapend conflict.\n\nDe toepassing\n\n13. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit dateert van vóór het huidige landgebonden beleid van verweerder ten aanzien van Jemen zoals dat op 15 oktober 2025 is gepubliceerd onder WBV 2025\u002F20. Al hierom is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vervolgvraag is of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit zou het geval kunnen zijn als de motivering met het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op een deugdelijke wijze is aangevuld. De rechtbank beantwoordt deze vraag echter ontkennend gelet op het volgende.\n\n14. Verweerder heeft ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat van eiser mag worden verwacht dat hij zelf bepaalt naar welk gebied binnen Jemen hij terugkeert. Dit is immers in strijd met punt 43 van het arrest CF en DN zoals hiervoor onder 11 aangehaald. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n15. Uit de ‘15c beoordeling Jemen’ die als bijlage bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 is gevoegd, volgt dat verweerder slechts de humanitaire omstandigheden in Jemen in zijn beoordeling heeft betrokken voor zover die worden ingezet als instrument van oorlogsvoering. In de beslisnota bij deze kamerbrief is opgenomen dat verweerder niet heeft gekeken naar de cumulatieve gevolgen van de langdurige oorlog voor de humanitaire situatie. In de hiervoor onder 12 aangehaalde Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 is echter geoordeeld dat niet alleen het bewust inzetten van de humanitaire situatie als oorlogstactiek relevant is in het kader van artikel 15c van de Krl, maar dat alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het gewapende conflict daarbij een rol spelen. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderkend.\n\n16. Daarnaast is het WBV 2025\u002F20 gebaseerd op het AAB van 18 april 2025, dat volgens pagina 6 de verslagperiode beslaat tot en met 28 februari 2025. Dit is ruimschoots vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Ook de ‘15c beoordeling Jemen’ bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 dateert van vóór die Afdelingsuitspraak. Dit roept de vraag op in hoeverre verweerder rekening heeft kunnen houden met de opdracht die de Afdeling hem heeft gegeven. De rechtbank is niet overtuigd van het standpunt van verweerder tijdens de zitting dat dit is gebeurd. Zoals hiervoor al is overwogen, is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de humanitaire situatie ondanks de opdracht daartoe van de Afdeling. Verder geeft de ‘15c beoordeling Jemen’ naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weer hoe verweerder aan de hand van het samenstel van alle relevante aspecten uiteindelijk de afweging heeft gemaakt welk niveau van willekeurig geweld volgens hem van toepassing is. Weliswaar worden de vragen die in dat kader volgens het beleid van belang zijn beantwoord, maar onvoldoende blijkt waarom daaruit volgens verweerder volgt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daar komt nog bij dat eiser heeft gewezen op diverse recentere landenrapportages en nieuwsberichten waaruit een zeer verontrustend beeld ontstaat.Het beeld dat naar voren komt, is namelijk dat de strijd in Jemen sinds december 2025 weer is opgelaaid. Er is blijkens deze informatie een significante toename van willekeurig geweld met meer burgerslachtoffers tot gevolg, en ook van conflictgerelateerde humanitaire obstructie en ontheemding. De inschatting door verweerder van de mate van willekeurig geweld in Jemen heeft met deze recente informatie geen rekening gehouden.\n\n17. Dit brengt mee dat verweerder niet met de gegeven motivering mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daarmee kon er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat eiser individuele elementen naar voren moet brengen die aannemelijk maken dat hij van het willekeurig geweld slachtoffer zal worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan beoordeling van de door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden over deze individuele elementen.\n\nDe conclusie en de gevolgen\n\n18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij alsnog een inschatting moeten maken van het niveau van willekeurig geweld in Jemen die voldoet aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025, en die rekening houdt met de recentste landeninformatie. Ook zal verweerder deze nieuwe beoordeling moeten relateren aan het gedeelte van Jemen waarnaar eiser volgens hem moet terugkeren. Voor zover verweerder niet het standpunt zal innemen dat in dit gedeelte van Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, zal verweerder daarbij opnieuw moeten beoordelen hoe het niveau van willekeurig geweld zich verhoudt tot de door eiser naar voren gebrachte en niet ongeloofwaardig geachte individuele elementen: het niet behoren tot een stam, het ontbreken van een netwerk in Jemen, het aanhangen van de geloofsstroming Al-Wahabi, het familiaire wraakconflict, het profiel dat kan leiden tot gedwongen rekrutering en het overgelegde arrestatiebevel.\n\n19. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart het beroep gegrond;\n\n vernietigt het bestreden besluit van 15 mei 2025;\n\n draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;\n\n veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter en voorzitter, en mr. B.F.Th. de Roos en mr. M.J. Schouw, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Het betreft met name:\n\n ACLED, ‘Middle East Overview: January 2026’, 12 januari 2026.\n\n Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis Hit Yemen’, 8 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘The Yemeni crisis: More complexity and many repercussions’, 5 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘Saudi-backed government forces retake multiple cities in southern Yemen’, 4 januari 2026.\n\n UNHCR - UN High Commissioner for Refugees, ‘Annual report on humanitarian needs, the security situation and protection’, 30 december 2025.\n\n NOS, ‘Saudi-Arabië valt haven in Jemen aan vanwege wapenleverantie’, 30 december 2025.\n\n Global Protection Cluster, ‘Yemen Protection Impact Report: Civilian Harm and Urgent Protection Response Needs’, 21 juli 2025.\n\n CGRS-CEDOCA, ‘Jemen: Veiligheidssituatie’, 19 mei 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18485","2026-07-13T00:28:43.985Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":80,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":82},"706","ECLI:NL:RBDHA:2026:18495","ecli-nl-rbdha-2026-18495","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F1706uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. C.W.M. van Breda, mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot).\n\nInleiding\n\nIn het besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft de op 29 oktober 2025 geagendeerde zitting van de enkelvoudige kamer geannuleerd en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot.\n\nDe rechtbank heeft de uitspraaktermijn tweemaal verlengd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2006 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij heeft op 12 april 2023 asiel aangevraagd in Nederland.\n\n2. Op 13 augustus 2024 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft onder meer verklaard dat hij in [plaats] Jemen, en dat er veel veranderde door de komst van de Houthi’s, die een machtsstrijd voeren tegen de regering. Omdat eiser niet mee wilde doen met hun activiteiten over de jihad kreeg het hoofd van de wijk een hekel aan hem en werd zijn familie slechter behandeld dan anderen. Op een avond in juli 2022 is eiser aangerand door [persoon] , de buurman van het hoofd van de wijk. Eiser heeft aangifte gedaan maar werd niet geholpen omdat hij geen bewijzen kon overleggen. Daarna is eiser door [persoon] telefonisch bedreigd en werden er op straat roddels over hem verspreid. Eiser heeft vervolgens tegen de jongens op straat verteld over de aanranding. Ook heeft hij gezegd dat het hoofd van de wijk, een Houthi, slecht is omdat hij aan de kant van [persoon] staat. Eind 2022 werd eiser door de Houthi’s gezocht, kwamen zij met een brief bij zijn moeder aan de deur en is hij ongeveer zeven dagen daarna gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer naar Jemen te worden vermoord door het hoofd van de wijk en de Houthi’s.\n\nDe standpunten\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft gekregen met [persoon] en dat er een klacht\u002Farrestatiebevel van het hoofd van de wijk tegen hem is uitgevaardigd. Volgens verweerder heeft eiser dit namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten en heeft hij hierover geen samenhangende en aannemelijke verklaringen afgelegd. Volgens verweerder heeft eiser geen geloofwaardige asielmotieven naar voren gebracht die raakvlak hebben met het Vluchtelingenverdrag 1951 (Vlv). Ook loopt eiser bij terugkeer naar [plaats] volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder neemt aan dat er vanwege de algemene veiligheidssituatie sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011\u002F95\u002FEU (Krl). Eiser heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hiervan persoonlijk slachtoffer zal worden. Het gevolg van het bestreden besluit is dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Jemen.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat hij zijn asielmotieven niet naar voren heeft gebracht in het aanmeldgehoor. Dit is daarvoor immers niet bedoeld. Ook voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij niet samenhangend heeft verklaard. Daarbij heeft verweerder te weinig rekening gehouden met zijn minderjarigheid. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, en dat de humanitaire situatie niet voornamelijk te wijten is aan de strijdende partijen.\n\n5. In de aanvulling op de beroepsgronden van 16 oktober 2025 heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, waarin is geoordeeld dat verweerder de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw moet beoordelen. Ook heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920, waarin is geoordeeld dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Het nieuwe landgebonden beleid dat verweerder op 8 oktober 2025 heeft bekendgemaakt, voldoet volgens eiser niet aan de opdracht van de Afdeling. Verweerder heeft daarbij volgens eiser namelijk ten onrechte alleen gekeken naar het aantal dodelijke slachtoffers in relatie tot de totale bevolking, en ten onrechte niet onderkend dat er oorlogsmethoden worden gebruikt die de toegang tot humanitaire hulp bemoeilijken.\n\n6. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Ten aanzien van de geloofwaardigheid ziet verweerder geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat eiser tijdens het aanmeldgehoor wel in de gelegenheid is gesteld om zijn asielmotieven naar voren te brengen en omdat bij de beoordeling niet teveel is verwacht van het vermogen om te herinneren. Met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2025\u002F20 van 15 oktober 2025 is het nieuwe landgebonden beleid voor Jemen gepubliceerd. Dit is gebaseerd op de kamerbrief van 8 oktober 2025 met kenmerk 6339169 en de daarbij gevoegde beslisnota en bijlage over artikel 15c van de Krl. Deze zijn opgesteld aan de hand van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen van 18 april 2025. Uit dit nieuwe beleid volgt dat volgens verweerder in [plaats] sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.\n\n7. Eiser voert in zijn reactie op het verweerschrift aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de ernst van de algemene veiligheidssituatie in sommige delen van Jemen lager inschat dan vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462. Uit beide uitspraken volgt dat verweerder zich had moeten uitlaten over de vraag waarom niet de hoogste gradatie van artikel 15c van de Krl zich voordoet in Jemen, mede gelet op de humanitaire omstandigheden. Ook verwijst eiser naar landeninformatie waarop hierna verder door de rechtbank zal worden ingegaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nDe geloofwaardigheid\n\n8. Op grond van artikel 4 van de Krl, overgenomen in artikel 31 van de Vw, wordt van een asielzoeker verlangd dat hij relevante documentatie overlegt. Als deze ontbreekt, moet worden beoordeeld of daarvoor een plausibele verklaring bestaat en of de asielzoeker samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn asielrelaas.\n\n9. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat wat tijdens het aanmeldgehoor is verklaard over het asielrelaas geen gevolg mag hebben voor de inwilligbaarheid van de asielaanvraag. Dit is namelijk duidelijk neergelegd in artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de bijbehorende Nota van toelichting (Staatsblad 2021\u002F250, pagina’s 27 en 28). Daarmee verhoudt zich niet dat verweerder eiser tijdens het aanmeldgehoor wel heeft bevraagd over zijn asielrelaas. Deze omstandigheid kan verweerder dan ook niet baten. Door aan eiser tegen te werpen dat hij tijdens zijn aanmeldgehoor niet heeft verklaard over al zijn asielmotieven heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.\n\n10. Uit verweerders werkinstructie 2024\u002F6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken, die inmiddels is opgevolgd door de werkinstructie 2026\u002F16, volgt dat verweerder het referentiekader in kaart moet brengen. Daarmee wordt het geheel van persoonlijke factoren bedoeld dat van invloed is op de wijze waarop een individuele asielzoeker in staat is om te verklaren over zijn asielrelaas. Hoewel er geen verplichting bestaat om in de beslissing op de asielaanvraag afzonderlijk uiteen te zetten wat volgens verweerder het referentiekader is, moet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas wel altijd kenbaar rekening worden gehouden met wat gelet op het referentiekader van de betreffende asielzoeker mag worden verwacht. In deze zaak heeft verweerder van eiser verwacht dat hij gedetailleerder kan verklaren dan hij heeft gedaan. Verweerder heeft echter nagelaten uiteen te zetten waarom dit van eiser kan worden verwacht gelet op zijn referentiekader, waarbij onder meer zijn relatief jonge leeftijd van belang is. Dat eisers verklaringen in samenhang zijn bekeken en dat hij op sommige onderdelen van zijn asielrelaas wel gedetailleerd verklaart, is daarvoor onvoldoende. Ook in zoverre heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.\n\n11. Tegen deze achtergrond heeft verweerder ten onrechte overwogen dat de door eiser gestelde problemen met [persoon] ongeloofwaardig zijn. Verweerder is daarbij uitgegaan van de aanname dat het voor eiser fysiek onmogelijk moet zijn geweest om uit de auto van [persoon] te ontsnappen. Dit is echter niet terug te voeren op de verklaringen van eiser, die heeft gezegd dat hij daartoe enkel het slot van de deur omhoog hoefde te duwen en vervolgens met de hendel de deur open kon maken. Ook is verweerder uitgegaan van de aanname dat [persoon] daarna niet zou willen roepen naar eiser omdat hij niet zou willen dat de aanranding breed bekend zou worden. Uit eisers verklaringen is echter niet op te maken dat [persoon] bij het roepen de aanranding heeft benoemd. Mede gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder verder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet op de minuut nauwkeurig heeft kunnen benoemen hoe lang zijn moeder, broer en neef weg waren om verhaal te gaan halen bij [persoon] . Hierbij heeft verweerder geen onderbouwing gegeven van zijn stelling dat het na het meemaken van een zeer ingrijpende gebeurtenis mogelijk moet zijn om dergelijke details te onthouden. Ten aanzien van de telefonische bedreiging werpt verweerder aan eiser tegen dat hij niet kan uitleggen hoe [persoon] “makkelijk en snel” aan zijn huistelefoonnummer is gekomen. Het is echter niet terug te voeren op eisers verklaringen dat [persoon] makkelijk en snel aan het nummer is gekomen. Daarbij heeft verweerder niet toegelicht waarom hij ervan uitgaat dat het alleen mogelijk is om gebeld te worden door mensen van wie men van tevoren weet dat diegenen over het juiste telefoonnummer beschikken. Als verweerder meent dat het niet geloofwaardig is dat [persoon] als wijkgenoot van eiser niet al bij voorbaat bekend was met het telefoonnummer, dan wel dit betrekkelijk eenvoudig kon achterhalen, had hij dat nader moeten motiveren. Verweerder heeft ook niet toegelicht waarom hij ervan uitgaat dat [persoon] of het hoofd van de wijk heeft rondverteld in de wijk over de aanranding. Hierbij is verweerder bovendien niet ingegaan op eisers verklaringen dat hij het voorval heeft gemeld bij de wijkagent. Evenmin licht verweerder toe waarom het volgens hem voor [persoon] en het hoofd van de wijk nadelig is om dit te doen. Hierbij is verweerder niet ingegaan op eisers verklaringen dat zij erop uit waren om eiser in een kwaad daglicht te stellen. Ten aanzien van de aangifte had eiser volgens verweerder moeten weten of er daarvan documenten zijn opgesteld omdat er sprake was van een heftig voorval. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie met elkaar in verband.\n\n12. Gelet hierop komt verweerders beoordeling van de geloofwaardigheid van de aanwezigheid van een klacht\u002Farrestatiebevel van het hoofd van de wijk in een ander daglicht te staan. In de besluitvorming is verweerder er namelijk van uitgegaan dat er hiervoor geen aanleiding was, terwijl dat gelet op het voorgaande ontoereikend gemotiveerd is. Verweerder heeft onderkend dat eiser in de aanvulling op zijn zienswijze alsnog diverse documenten heeft overgelegd, te weten kopieën van de aangifte tegen [persoon] , bevelen tot aanhouding en oproepen om te verschijnen. Hoewel verweerder heeft opgemerkt dat kopieën niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht, en dat eiser niet heeft toegelicht waar de originelen zijn en waarom hij de kopieën niet eerder heeft overgelegd, heeft verweerder terecht ook de inhoud van deze documenten in de beoordeling betrokken. Daartoe is hij namelijk verplicht op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478, in de zaak [naam 1] . Verweerder heeft echter ten onrechte overwogen dat deze documenten afbreuk doen aan eisers asielrelaas. De omstandigheid dat de aangifte in de ochtend is opgemaakt, betekent niet dat het document onlogisch is vanwege eisers verklaring dat hij in de avond naar de politie is gegaan. Naar algemene bekendheid is het namelijk mogelijk dat de politie op een later moment een verslag opmaakt van een aangifte. Eiser heeft verklaard dat de aanranding in juli 2022 heeft plaatsgevonden. De aangifte is gedagtekend op 29 juli 2022. Dit komt met elkaar overeen. Ook de beschrijving van de gebeurtenissen komt overeen met eisers verklaringen. De enkele omstandigheid dat niet letterlijk wordt benoemd dat het ging om een seksuele aanranding, maakt niet dat het document onlogisch is. Verder komt het overeen met eisers verklaringen dat blijkens het eerste bevel tot aanhouding en voorgeleiding sprake is geweest van belediging van een wijkhoofd. De enkele omstandigheid dat dit document spreekt over andere bevelen tot aanhouding die eiser niet heeft overgelegd, maakt niet dat dit document onlogisch is.\n\n13. Dit breng mee dat verweerder eisers asielrelaas met de gegeven motivering ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Omdat uit het navolgende zal blijken dat verweerder ook op het punt van de zwaarwegendheid een nieuw besluit moet nemen, acht de rechtbank het niet opportuun om een bindend oordeel te geven over de geloofwaardigheid zoals bedoeld in het arrest van het HvJEU van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, in de zaak Ebilum. In plaats daarvan zal de rechtbank verweerder opdragen om een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten.\n\nHet beoordelingskader bij de zwaarwegendheid\n\n14. Het verlenen van een asielvergunning kan, naast de aanwezigheid van vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vlv, gelegen zijn in een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. In deze zaak is niet in geschil dat er geen sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank ziet zich wel voor de vraag gesteld of de veiligheidssituatie in Jemen, meer in het bijzonder [plaats] , leidt tot een risico op ernstige schade voor eiser.\n\n15. Op grond van artikel 15c van de Krl kan ernstige schade bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In deze zaak is niet in geschil dat er in Jemen sprake is van een dergelijk conflict. Het HvJEU heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843, in de zaak [naam 2] . en [naam 3] . uiteengezet dat willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Krl verschillende gradaties kent, en dat daarbij sprake is van een glijdende schaal. Bij een lager niveau van willekeurig geweld kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als een asielzoeker met individuele elementen aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico loopt om daarvan slachtoffer te worden. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld zijn er minder individuele elementen nodig om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Alleen in de meest uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld is de aanwezigheid in een bepaald gebied op zichzelf al voldoende voor een reëel risico op ernstige schade.\n\n16. Verweerder heeft in onderdeel C2\u002F3.3.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 vastgelegd welke aspecten hij betrekt bij het beoordelen van het niveau van willekeurig geweld:\n\nde vraag of de partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen,\n\nde vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\nde vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\nde vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\nde intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\nde aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n17. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 15c van de Krl ook rekening moet worden gehouden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld binnen een binnenlands gewapend conflict.\n\nDe toepassing\n\n18. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit dateert van vóór het huidige landgebonden beleid van verweerder ten aanzien van Jemen zoals dat op 15 oktober 2025 is gepubliceerd onder WBV 2025\u002F20. Al hierom is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vervolgvraag is of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit zou het geval kunnen zijn als de motivering met het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op een deugdelijke wijze is aangevuld. De rechtbank beantwoordt deze vraag echter ontkennend gelet op het volgende.\n\n19. Uit de ‘15c beoordeling Jemen’ die als bijlage bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 is gevoegd, volgt dat verweerder slechts de humanitaire omstandigheden in Jemen in zijn beoordeling heeft betrokken voor zover die worden ingezet als instrument van oorlogsvoering. In de beslisnota bij deze kamerbrief is opgenomen dat verweerder niet heeft gekeken naar de cumulatieve gevolgen van de langdurige oorlog voor de humanitaire situatie. In de hiervoor onder 17 aangehaalde Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 is echter geoordeeld dat niet alleen het bewust inzetten van de humanitaire situatie als oorlogstactiek relevant is in het kader van artikel 15c van de Krl, maar dat alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het gewapende conflict daarbij een rol spelen. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderkend.\n\n20. Daarnaast is het WBV 2025\u002F20 gebaseerd op het AAB van 18 april 2025, dat volgens pagina 6 de verslagperiode beslaat tot en met 28 februari 2025. Dit is ruimschoots vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Ook de ‘15c beoordeling Jemen’ bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 dateert van vóór die Afdelingsuitspraak. Dit roept de vraag op in hoeverre verweerder rekening heeft kunnen houden met de opdracht die de Afdeling hem heeft gegeven. De rechtbank is niet overtuigd van het standpunt van verweerder tijdens de zitting dat dit is gebeurd. Zoals hiervoor al is overwogen, is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de humanitaire situatie ondanks de opdracht daartoe van de Afdeling. Verder geeft de ‘15c beoordeling Jemen’ naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weer hoe verweerder aan de hand van het samenstel van alle relevante aspecten uiteindelijk de afweging heeft gemaakt welk niveau van willekeurig geweld volgens hem van toepassing is. Weliswaar worden de vragen die in dat kader volgens het beleid van belang zijn beantwoord, maar onvoldoende blijkt waarom daaruit volgens verweerder volgt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daar komt nog bij dat eiser heeft gewezen op diverse recentere landenrapportages en nieuwsberichten waaruit een zeer verontrustend beeld ontstaat.Het beeld dat naar voren komt, is namelijk dat de strijd in Jemen sinds december 2025 weer is opgelaaid. Er is blijkens deze informatie een significante toename van willekeurig geweld met meer burgerslachtoffers tot gevolg, en ook van conflictgerelateerde humanitaire obstructie en ontheemding. De inschatting door verweerder van de mate van willekeurig geweld in Jemen heeft met deze recente informatie geen rekening gehouden.\n\n21. Dit brengt mee dat verweerder niet met de gegeven motivering mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in [plaats] . Daarmee kon er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat eiser individuele elementen naar voren moet brengen die aannemelijk maken dat hij van het willekeurig geweld slachtoffer zal worden.\n\nDe conclusie en de gevolgen\n\n22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij allereerst alsnog een zorgvuldige en deugdelijk gemotiveerde geloofwaardigheidsbeoordeling moeten verrichten. Vervolgens zal verweerder alsnog een inschatting moeten maken van het niveau van willekeurig geweld in Jemen, in het bijzonder [plaats] , die voldoet aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en die rekening houdt met de recentste landeninformatie. Voor zover verweerder niet het standpunt zal innemen dat in [plaats] sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, zal verweerder moeten beoordelen hoe het niveau van willekeurig geweld zich verhoudt tot de door eiser naar voren gebrachte en geloofwaardig geachte individuele elementen.\n\n23. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart het beroep gegrond;\n\n vernietigt het bestreden besluit van 27 januari 2025;\n\n draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;\n\n veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter en voorzitter, en mr. B.F.Th. de Roos en mr. M.J. Schouw, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nHet betreft met name:\n\n ACLED, ‘Middle East Overview: January 2026’, 12 januari 2026.\n\n Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis Hit Yemen’, 8 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘The Yemeni crisis: More complexity and many repercussions’, 5 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘Saudi-backed government forces retake multiple cities in southern Yemen’, 4 januari 2026.\n\n UNHCR - UN High Commissioner for Refugees, ‘Annual report on humanitarian needs, the security situation and protection’, 30 december 2025.\n\n NOS, ‘Saudi-Arabië valt haven in Jemen aan vanwege wapenleverantie’, 30 december 2025.\n\n Global Protection Cluster, ‘Yemen Protection Impact Report: Civilian Harm and Urgent Protection Response Needs’, 21 juli 2025.\n\n CGRS-CEDOCA, ‘Jemen: Veiligheidssituatie’, 19 mei 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18495","2026-07-13T00:28:44.072Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":87,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":89},"709","ECLI:NL:RBDHA:2026:18500","ecli-nl-rbdha-2026-18500","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F10343\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak van\n [verzoeker] , verzoeker\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\nhangende het verzet tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2026 in het geschil tussen\n\nverzoeker\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nInleiding\n\nIn de uitspraak van 21 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13742, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard.\n\nVerzoeker heeft verzet (AWB 26\u002F4023 V) gedaan tegen deze uitspraak. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.\n\n2. Volgens het besluit van 11 maart 2026 op de asielaanvraag van verzoeker moet hij worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland op grond van de Verordening (EU) Nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening). Artikel 29, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat overdracht moet plaatsvinden binnen zes maanden na aanvaarding van het terugnameverzoek. De autoriteiten van Duitsland hebben op 22 januari 2026 het verzoek van verweerder om verzoeker terug te nemen aanvaard. Gelet daarop komt de uiterste overdrachtsdatum (UOD) in zicht. Daarmee is de vereiste onverwijlde spoed gegeven, zodat op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak kan worden gedaan.\n\n3. Verzoeker heeft aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag gelegd dat hij een mondelinge behandeling van het verzetschrift wenst en dat hij daarbij in persoon aanwezig wenst te zijn. Daarom verzoekt hij de voorzieningenrechter om de overdracht op te schorten totdat op het verzetschrift is beslist.\n\n4. Gelet op artikel 8:55, vierde lid, van de Awb moet het verzetschrift op een zitting worden behandeld. Verzoeker heeft een belang om daarbij aanwezig te zijn. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat hij niet wordt bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzetschrift aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. Daarnaast betekent opschorting van de overdracht dat de UOD wordt gestuit, zodat dit in zoverre niet nadelig is voor de mogelijkheden om verzoeker over te dragen.\n\n5. Er is niet gebleken van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen voordat op zijn verzetschrift in de zaak met nummer AWB 26\u002F4023 V is beslist.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18500","2026-07-13T00:28:44.192Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":94,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":96},"687","ECLI:NL:RBDHA:2026:18459","ecli-nl-rbdha-2026-18459","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.56763\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18459","2026-07-13T00:28:43.256Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":101,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":103},"690","ECLI:NL:RBDHA:2026:18462","ecli-nl-rbdha-2026-18462","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.56603\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18462","2026-07-13T00:28:43.401Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":108,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":110},"692","ECLI:NL:RBDHA:2026:18463","ecli-nl-rbdha-2026-18463","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.60693\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. N. Wouters),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden. Er zijn achterstanden in de behandeling van asielaanvragen. De rechtbank acht een nadere beslistermijn van maximaal twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak redelijk. Hierbij wordt zowel recht gedaan aan het belang van verweerder om een zorgvuldige beslissing te nemen, als aan het belang van eiser om op korte termijn een beslissing te krijgen op de aanvraag.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18463","2026-07-13T00:28:43.495Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":115,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":117},"688","ECLI:NL:RBDHA:2026:18460","ecli-nl-rbdha-2026-18460","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.53938\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18460","2026-07-13T00:28:43.289Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":122,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":124},"697","ECLI:NL:RBDHA:2026:18474","ecli-nl-rbdha-2026-18474","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\n Bestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.19669\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nOverwegingen\n\n1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\n2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.19668, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18474","2026-07-13T00:28:43.725Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":129,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":131},"698","ECLI:NL:RBDHA:2026:18472","ecli-nl-rbdha-2026-18472","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.32657\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [verzoeker] , verzoeker,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\nVerzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.Overwegingen\n\n1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.32656, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18472","2026-07-13T00:28:43.756Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":136,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":138},"705","ECLI:NL:RBDHA:2026:18492","ecli-nl-rbdha-2026-18492","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F10623\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [verzoeker] , verzoeker\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.\n\nInleiding\n\nIn het besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nVerzoeker heeft op 22 mei 2025 beroep (AWB 26\u002F1570) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder op 15 oktober 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. In de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer AWB 26\u002F1570 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Er is daarom geen voorlopige voorziening meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.\n\n2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18492","2026-07-13T00:28:44.037Z",{"id":140,"ecli":141,"slug":142,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":143,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":145},"696","ECLI:NL:RBDHA:2026:18475","ecli-nl-rbdha-2026-18475","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.56714\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [verzoeker] , verzoeker,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. K. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerzoeker heeft op 19 november 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 25 maart 2024.\n\nOp 20 juni 2026 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.\n\nVerzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.\n\nDe rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb.3 Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.\n\n2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.\n\n3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op\n\n € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin\n\nu uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit\n\nverzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet\n\ndeze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten,\n\nkunt u dit in uw verzetschrift vermelden\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Algemen wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18475","2026-07-13T00:28:43.692Z",{"id":147,"ecli":148,"slug":149,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":150,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":151,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":152},"701","ECLI:NL:RBDHA:2026:18480","ecli-nl-rbdha-2026-18480","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62101\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [verzoeker] , verzoeker,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. R. Deniz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerzoeker heeft op 18 december 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 3 juli 2023.\n\nOp 12 januari 2026 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.\n\nVerzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.\n\nDe rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb.3 Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.\n\n2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.\n\n3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op\n\n € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin\n\nu uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit\n\nverzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet\n\ndeze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18480","2026-07-13T00:28:43.866Z",{"id":154,"ecli":155,"slug":156,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":157,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":158,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":159},"686","ECLI:NL:RBDHA:2026:18458","ecli-nl-rbdha-2026-18458","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62654\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18458","2026-07-13T00:28:43.221Z",{"id":161,"ecli":162,"slug":163,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":164,"fullText":165,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":166,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":31,"updatedAt":167},"1858","ECLI:NL:RBDHA:2026:17915","ecli-nl-rbdha-2026-17915","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.40043\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Yap),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).\n\nInleiding\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.\n\nIn het besluit van 12 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag alsnog in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep mede betrekking op dit besluit.\n\nEiser heeft aanvullingen op de beroepsgronden ingediend.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 31 januari 2024 asiel aangevraagd in Nederland. Op 6 januari 2026 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij in 2016 Syrië heeft verlaten vanwege de oorlog. Tot eind 2023 heeft hij in Turkije gewoond. Eiser heeft ook verklaard dat zijn vader ontvoerd is geweest door de terroristische groepering Jabhat al Nusra. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser gedwongen te worden gerekruteerd door één van de strijdende groeperingen.\n\n2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Syrië te vrezen heeft voor vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag 1951. Hij heeft namelijk geen persoonlijke aanknopingspunten aangeleverd waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering. Ook loopt eiser volgens verweerder bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel er na het einde van het regime van voormalig president Assad in december 2024 incidentele geweldsuitbarstingen zijn, neemt verweerder voor Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan (zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011\u002F95\u002FEU). Dit brengt mee dat eiser persoonlijk aannemelijk moet maken waarom hij het risico zou lopen om daarvan slachtoffer te worden. Hierin is hij niet geslaagd. Dat hij een jongvolwassene is zonder netwerk en dat zijn vader in het verleden problemen heeft gehad, is hiervoor niet voldoende. Daarnaast komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning. Het gevolg van het bestreden besluit is dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Syrië.\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat in de provincie Aleppo, waar hij vandaan komt, volgens recente informatienog steeds sprake is van een chaotische gewapende strijd. Hij loopt daardoor persoonlijk het risico om gerekruteerd te worden. Ook heeft verweerder zich daardoor ten onrechte op het standpunt gesteld dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarbij heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de erbarmelijke humanitaire omstandigheden. Daarnaast voert eiser aan dat hij inmiddels zijn leven heeft opgebouwd in Nederland en dat hij bijdraagt aan het economisch belang door hier te werken, zodat verweerder ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning heeft verleend.\n\n4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Daarbij verwijst hij naar een tweetal eerdere verweerschriften en naar diverse rechtbankuitspraken. Uit de door eiser aangehaalde bronnen kan niet worden afgeleid dat in eisers voormalige [woonplaats] in de provincie Aleppo geen sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat eiser al een tijdje in Nederland woont en dat hij in Nederland werkt, is onvoldoende aanleiding voor het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning.\n\n5. In de reactie op het verweerschrift verwijst eiser naar diverse rechtbankuitspraken die niet in het voordeel van verweerder zijn. In die uitspraken komt naar voren dat sprake is van een volatiele situatie en dat de overheidsregering niet in staat is gebleken om grove mensenrechtenschendingen te voorkomen en de veiligheid voor de eigen bevolking te garanderen.\n\n6. Aan het begin van de zitting is namens eiser verzocht om aanhouding omdat eiser per abuis naar het kantoor van zijn gemachtigde was gereisd in plaats van naar de rechtbank. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen vanwege het belang van voortgang van de zaak en omdat het voor rekening van eiser komt dat hij naar het verkeerde adres is gegaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n7. Voor zover het beroep nog ziet op het niet tijdig nemen van een besluit op eisers asielaanvraag moet worden vastgesteld dat daarbij inmiddels geen procesbelang meer bestaat omdat er alsnog een besluit op die aanvraag is genomen. Het beroep zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n8. In de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22984, is geoordeeld dat verweerder na de machtsovername in Syrië in december 2024 terecht is uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In latere uitspraken heeft deze rechtbank en zittingsplaats deze lijn aangehouden. Bekend is dat diverse andere zittingsplaatsen tot een ander oordeel zijn gekomen en dat er een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwacht wordt naar aanleiding van een zitting op 11 mei 2026. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank beoordeeld of de door eiser overgelegde informatie aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder ten onrechte uitgaat van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.\n\n9. Volgens het door eiser overgelegde stuk van Anadolu Ajansı vinden er aanhoudende gevechten plaats rondom de Tishrin-dam, die op ongeveer dertig kilometer van [woonplaats] ligt, vanwege de strategische ligging ervan. Het stuk van het European Institute of Peace beschrijft de geschiedenis van [woonplaats] en de verrichtingen van de terroristische groep IS tijdens de burgeroorlog. Het stuk van de NOS gaat over aanvallen op gevangenissen voor IS-strijders. Naar het stuk van het Institute for the Study of War heeft eiser alleen in algemene zin verwezen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het gewapende conflict in [woonplaats] zodanig in intensiteit is toegenomen dat niet langer kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.\n\n10. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende individuele elementen naar voren heeft gebracht om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk slachtoffer zal worden van het willekeurige geweld. Uit de door eiser overgelegde informatie kan niet worden opgemaakt dat elke jongvolwassene zonder netwerk in [woonplaats] het risico loopt om gedwongen gerekruteerd te worden. Dat eisers vader in het verleden ontvoerd is geweest, is daarvoor ook onvoldoende.\n\n11. Bij het afwijzen van een eerste asielaanvraag beoordeelt verweerder op grond van artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 of er een verblijfsvergunning regulier kan worden verleend, onder meer op grond van het recht op privé- of familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De enkele stelling van eiser dat hij inmiddels een aantal jaar in Nederland is en dat hij in Nederland werkt, is onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat verweerder daartoe ten onrechte niet is overgegaan.\n\n12. De conclusie is dat het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit, ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n13. Omdat ten tijde van de indiening van het beroepschrift sprake was van overschrijding van de beslistermijn van zes maanden op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor het indienen van het beroepschrift. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,-, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een waarde per punt van € 934,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). Omdat de proceskostenveroordeling alleen gelegen is in het niet tijdig beslissen, is de rechtbank van oordeel dat de wegingsfactor licht van toepassing is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart het beroep, voor zover dit betrekking heeft op het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;\n\n verklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\n veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- (vierhonderdzevenenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 1 juli 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Eiser verwijst naar:\n\n Anadolu Ajansı, ‘Clashes intensify between Syrian Army, YPG\u002FSDF terrorists around Tishrin Dam’, 18 januari 2026,\n\n European Institute of Peace, ‘Tyranny of evil. The Legacy of ISIS in northeast Syria. [woonplaats] .’, datum onbekend,\n\n NOS, ‘Syrische SDF meldt aanvallen op gevangenissen voor IS-strijders, dag na ondertekening bestand’, 19 januari 2026,\n\n Institute for the Study of War, ‘Iran Update’, 20 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17915","2026-07-13T00:29:42.375Z",1,20]