[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-youth-care-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":14,"decisions":28,"total":15,"page":24,"limit":94},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":5,"slug":10,"name":11,"country":12,"createdAt":13},"youth-care-nl","Youth Care","NL","2026-07-08T16:54:05.600Z",{"totalDecisions":15,"dateRange":16,"topProvisions":19},8,{"min":17,"max":18},"2026-05-18T00:00:00.000Z","2026-05-21T00:00:00.000Z",[20,25],{"provisionId":21,"code":22,"article":23,"count":24},"121805","Burgerlijk Wetboek","art. 1:255",1,{"provisionId":26,"code":22,"article":27,"count":24},"122246","art. 1:326 lid 2",[29,40,49,58,65,73,80,87],{"id":30,"ecli":31,"slug":32,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":34,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":36,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":38,"updatedAt":39},"611","ECLI:NL:RBZWB:2026:5454","ecli-nl-rbzwb-2026-5454","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446434 \u002F JE RK 26-515\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de pleegmoeder],\n\nhierna te noemen: de pleegmoeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest,\n\n [de pleegvader],\n\nhierna te noemen: de pleegvader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2026;\n\nhet bericht van mr. Dorhout-Tielken met bijlage, ontvangen op 20 mei 2026;\n\nde pleitaantekeningen van mr. Dorhout-Tielken, overlegd tijdens de zitting.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde pleegvader;\n\neen tweetal vertegenwoordigsters van de GI.1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De kinderrechter heeft met [minderjarige 1] afgesproken dat de inhoud van het gesprek geheim moet blijven. De aanwezigen hebben kunnen reageren op hetgeen [minderjarige 2] heeft verteld.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van 1 augustus 2016 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder voogdij gesteld van de pleegouders.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen, sinds de beëindiging van de relatie van de pleegouders, bij de pleegmoeder.\n\n2.3.. Bij beschikking van deze rechtbank van 23 mei 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 mei 2024 en tot 23 mei 2025. Deze maatregel is daarna verlengd tot 23 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige 2] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat het erg goed met haar gaat bij de pleegmoeder thuis. Het gaat ook goed op school. Daarnaast vertelt [minderjarige 2] dat ze de reisafstand naar de pleegvader te ver vindt. Ook vindt [minderjarige 2] het vervelend dat ze bij de pleegvader geen vriendinnen in haar omgeving heeft. Ze heeft geen goede band met de pleegvader. Ze verwacht ook niet dat dit binnen de ondertoezichtstelling beter zal worden. [minderjarige 2] staat er niet meer voor open en wil op dit moment liever geen contact met de pleegvader. [minderjarige 2] heeft er last van als zij steeds van omgeving moet wisselen, omdat ze tijd nodig heeft om zich aan te passen. Dit maakt dat zij zich bij de pleegvader ook niet goed kan concentreren voor schoolwerk. Verder licht [minderjarige 2] toe dat ze in de vakanties ook niet meer naar de pleegvader wil, omdat ze dan twee weken niemand heeft om mee af te spreken. [minderjarige 2] heeft een tijd geleden een e-mail gestuurd naar de jeugdbeschermer en de pleegvader waarin ze dit heeft aangegeven. Ook vertelt [minderjarige 2] dat ze geen gesprekken meer wil met de hulpverleners, omdat het niet werkt. Tot slot geeft [minderjarige 2] aan dat ze klaar is met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de meerwaarde daarvan niet ziet.\n\n4.2.. De (zittingsvertegenwoordigster van de) GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat zij inmiddels als vaste jeugdbeschermer betrokken is. Het klopt dat [minderjarige 2] een e-mail heeft gestuurd naar de jeugdbeschermer en de pleegvader. De jeugdbeschermer heeft toen contact opgenomen met de pleegvader en besloten dat [minderjarige 2] in de meivakantie niet naar de pleegvader hoefde te gaan. Op deze manier kon zij [minderjarige 2] het gevoel geven dat ze gehoord en gezien werd. Volgende week zal de jeugdbeschermer een gesprek voeren met [minderjarige 2] om te kijken wat zij wil en wat nog mogelijk is. Haar mening moet immers serieus worden genomen, zeker met het oog op de diagnose separatieangst. De GI gunt [minderjarige 2] een onbelast contact met de pleegvader, maar er moeten hiervoor nog veel stappen worden gezet. Er zal worden gekeken naar de inzet van hulpverlening. Ook is het belangrijk dat [minderjarige 1] niet wordt vergeten. Verder licht de GI toe dat [psychotherapeut] betrokken is voor de oudercommunicatie en het opstellen van een ouderschapsplan. Er zijn nog wat (juridische) patstellingen tussen de (pleeg)ouders waar een klap op moeten worden gegeven. Het ouderschapsplan is wel bijna klaar. Daarnaast verklaart de GI dat zij volgende week een huisbezoek zal inplannen, samen met de betrokken pleegzorgmedewerker, zodat kan worden bezien wat nodig is om de (gezamenlijke) pleegoudervoogdij te verbeteren. Het is momenteel niet de intentie van de GI om een machtiging uithuisplaatsing of een onderzoek door de Raad te verzoeken. Een constructieve oudercommunicatie is wel een van de voorwaarden voor gezamenlijke pleegoudervoogdij. Tot slot is de GI voornemens om te onderzoeken of de biologische ouders van de kinderen een rol in het leven van de kinderen willen en kunnen krijgen.\n\n4.3.. Door en namens de pleegmoeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. Het gaat heel goed met de kinderen. Ze hebben een flinke groei doorgemaakt. De pleegmoeder probeert [minderjarige 2] uit te leggen dat het de bedoeling is dat ze naar de pleegvader gaat, maar [minderjarige 2] wil niet. De (pleeg)ouders zoeken elkaar daarnaast op bij belangrijke zaken over de kinderen. Ook ziet de pleegmoeder dat het beter gaat met [minderjarige 2] op het gebied van haar separatieangst en dwanggedachten. Dit staat niet meer op de voorgrond, hetgeen maakt dat hulp nu niet nodig is. Het verzoek moet worden afgewezen, aangezien er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. De communicatie tussen de (pleeg)ouders is verbeterd, de overdrachtsmomenten verlopen ontspannen en de kinderen ontwikkelen zich goed en durven hun gevoelens en wensen te uiten. Het verzoek is vooral gebaseerd op hypothetische scenario’s. Alle geschilpunten tussen de (pleeg)ouders met betrekking tot het ouderschapsplan zijn feitelijk afgehandeld. Er worden echter steeds nieuwe punten aangedragen die geen betrekking hebben op de ontwikkeling van de kinderen. Zo waren er voorheen geen zorgen over de rol van de biologische ouders in het leven van de kinderen. De biologische moeder heeft ook aangegeven geen contact met de kinderen te willen hebben. De biologische vader(s) van de kinderen is\u002Fzijn nooit bekend gemaakt. De (pleeg)ouders zijn in voldoende mate in staat om op constructieve wijze met elkaar te communiceren en de opvoedsituatie van de kinderen is goed genoeg. Het ouderschapsplan kan tot slot ook in een vrijwillig kader worden afgerond.\n\n4.4.. De pleegvader staat achter het verzoek en verklaart dat hij schrikt van hetgeen [minderjarige 2] vertelt over hun band. Het is lastig dat [minderjarige 2] geen contact meer wil. De deur staat wel altijd voor haar open. De pleegvader heeft het gevoel dat de kinderen al langer kampen met loyaliteitsproblematiek. Daarnaast licht de pleegvader toe dat de omgangsmomenten met [minderjarige 1] fijn verlopen. Verder geeft de pleegvader aan dat er geen sprake is van communicatie met de pleegmoeder, behalve door tussenkomst van een derde partij, zoals [psychotherapeut] . Algemene zaken zijn bespreekbaar, maar het is lastig als de (pleeg)ouders moeten praten over patstellingen. [psychotherapeut] is nodig om er samen uit te komen en ervoor te zorgen dat afspraken worden nagekomen. Het zou goed zijn als er een klap kan worden gegeven op bepaalde patstellingen, zodat het ouderschapsplan afgerond kan worden. De overdrachtsmomenten verlopen ook niet ontspannen en er is geen sprake onbelast contact met [minderjarige 2] . Tot slot vraagt de pleegvader zich af of er echt een e-mail is verstuurd door de biologische moeder dat zij de kinderen niet meer wil zien, aangezien deze e-mail nooit door iemand is gezien.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Allereerst stelt de kinderrechter vast dat de pleegouders, hoewel dat zowel voor de pleegouders als voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wel zo voelt, formeel niet de juridische ouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn. Zij zijn de pleegouders met voogdij. Ingevolge artikel 1:326 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen kinderen die onder voogdij staan van natuurlijke personen onder toezicht worden gesteld. Artikel 1:326 lid 2 BW verklaart afdeling 4 van titel 14 van overeenkomstige toepassing, van welke titel artikel 1:255 BW onderdeel uitmaakt.\n\n5.2.. Voorts is de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat nog wordt voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:260 juncto 1:255 BW. De kinderrechter licht dit als volgt toe.\n\n5.3.. De kinderrechter stelt allereerst op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling vast dat zichtbaar is dat de pleegouders (hierna: de ouders) betrokken zijn en het beste voor de kinderen willen. Ook hebben de ouders de afgelopen periode stappen gezet, zoals het voeren van gezamenlijke gesprekken, het begroeten van elkaar bij overdrachtsmomenten en het onderhouden van e-mail contact met elkaar over belangrijke zaken, een en ander onder begeleiding van [psychotherapeut] . Voorts hebben de kinderen een flinke ontwikkeling laten zien, bijvoorbeeld op school en in contact met anderen. Dit stemt de kinderrechter positief. De kinderrechter stelt daarentegen ook vast – anders dan de pleegmoeder – dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het is de kinderrechter gebleken dat de kinderen al veel hebben meegemaakt. Na het uiteengaan van de ouders zijn grote spanningen en onrust ontstaan in het leven van de kinderen. De kinderen kampen daardoor al langdurig met loyaliteitsproblematiek en kunnen geen onbelast contact hebben met beide ouders. Zo heeft [minderjarige 2] aangegeven het liefst op dit moment geen contact meer te willen met de pleegvader. Ook heeft de kinderrechter de indruk dat [minderjarige 1] last heeft van het langdurig klem zitten tussen de ouders, gelet op het kindgesprek. Het loyaliteitsconflict maakt dat de kinderen niet voldoende kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkelingstaken. Daarnaast is gebleken dat het de ouders, ondanks de betrokkenheid van intensieve hulpverlening, niet lukt om (zelfstandig) constructief met elkaar te communiceren en met elkaar het pleegoudervoogdijschap vorm te geven. Zo is gebleken dat de ouders nog altijd de intensieve begeleiding van [psychotherapeut] nodig hebben om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van de kinderen. Ook verschillen de ouders van visie met betrekking tot de voortgang omtrent het behalen van de doelen, zoals het verloop van de onderlinge communicatie en overdrachtsmomenten, alsmede over de noodzaak van een ondertoezichtstelling. Ook is het de kinderrechter gebleken dat er op een aantal punten bij het opstellen van een ouderschapsplan nog patstellingen zijn. De betrokken pleegzorgorganisatie (Vigere) heeft ook aangegeven dat de ouders momenteel niet voldoen aan de voorwaarden voor pleegoudervoogdij. De kinderen behoeven een voorspelbare, stabiele en conflictarme samenwerking tussen de ouders, hetgeen momenteel (nog) niet het geval is.\n\n5.4.. De ouders zijn niet in staat gebleken om de voornoemde ontwikkelingsbedreiging zelfstandig en gezamenlijk in het vrijwillige kader te doen wegnemen. De ouders behoeven immers nog altijd een derde partij om te komen tot overeenstemming, samenwerking en communicatie over de kinderen. Zo is het meermaals voorgekomen dat de GI moest interveniëren of knopen moest doorhakken. De kinderrechter stelt voorts vast dat de betrokkenheid van de GI de komende periode nog noodzakelijk is. Het is van belang dat de ouders zich, door middel van begeleiding van [psychotherapeut] en onder monitoring van de GI, blijven inzetten voor het afronden van een ouderschapsplan en het werken aan een constructieve oudercommunicatie. Hiervoor is het maken en nakomen van afspraken onder regie van de GI essentieel. Daarnaast is het van belang dat de GI met [minderjarige 2] het gesprek aangaat, haar mening aanhoort en onderzoekt of en op welke wijze het contactherstel met de pleegvader kan worden vormgegeven, waarbij als uitgangspunt moet gelden dat kinderen in principe baat hebben bij omgang met allebei de ouders en er vooralsnog onvoldoende redenen lijken te zijn om geen omgang te hebben met de pleegvader, een en ander op geleide van de minderjarige. Ook is het noodzakelijk dat de GI de wensen en behoeften van [minderjarige 1] in het oog houdt. Voorts dient de GI de komende periode de noodzakelijke hulpverleningstrajecten in te zetten, waaronder, indien nodig, een behandeltraject voor de separatiestoornis en dwanggedachten van [minderjarige 2] , en toe te zien op de continuering daarvan. Tot slot is het van belang dat de GI duidelijkheid verkrijgt over de eventuele rol van de biologische ouders van de kinderen in de levens van de kinderen, waarbij de draagkracht en behoeften van de kinderen leidend dienen te zijn.\n\n5.5.. De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de verzochte duur van negen maanden. Het is van belang dat de ouders de komende periode aan de slag gaan met het afronden van het ouderschapsplan en het maken van goede afspraken, zodat de casus op een zorgvuldige wijze met een duidelijk borgingsplan kan worden overgedragen naar het vrijwillige kader. Het is niet wenselijk om tussentijds een nieuwe zitting te plannen, omdat er nog veel moet gebeuren en rust belangrijk is. De volle periode van negen maanden is nodig.\n\n5.6.. Tot slot merkt de kinderrechter het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het momenteel niet de bedoeling is van de GI om juridische maatregelen te nemen ten aanzien van de voogdij van de ouders. De kinderrechter acht het in het belang van de kinderen dat de ouders belast blijven met de voogdij en geeft de ouders op deze wijze de kans om te laten zien dat zij de komende periode voortvarend aan de slag gaan met het behalen van de doelen, zoals het verbeteren van de onderlinge communicatie, nu dit een voorwaarde is voor pleegoudervoogdij.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 23 mei 2026 en tot 23 februari 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5454","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:39.219Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":38,"updatedAt":48},"423","ECLI:NL:RBZWB:2026:5424","ecli-nl-rbzwb-2026-5424","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441960 \u002F JE RK 25-2031\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nDE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,\n\nlocatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad.\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. N.P.M. Planthof uit Goes.\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nWILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de GI.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde beschikking van 25 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet rapport van de Raad van 12 maart 2026, ontvangen op 25 maart 2026;\n\nde briefrapportage met bijlagen van de GI van 3 april 2026, ontvangen op 9 april 2026;\n\nhet psychodiagnostisch onderzoeksverslag, ontvangen op 13 april 2026;\n\nhet bericht van mr. Planthof van 20 april 2026;\n\nhet bericht van de Raad van 20 april 2026;\n\nhet bericht van de GI van 22 april 2026, ontvangen op 24 april 2026;\n\nhet e-mailbericht van de vader van 7 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader heeft [minderjarige] op 21 november 2025 erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .2.2.. Bij beschikking van 25 november 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 november 2025 en tot 25 november 2026. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 november 2025 en tot 25 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.2.3.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek voor de periode van 25 mei 2026 tot 25 november 2026.\n\n4. De nadere beoordeling\n\nHet wettelijk kader\n\n4.1.. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\nDe pleegouders als belanghebbenden\n\n4.2.. Door de GI is in de briefrapportage van 3 april 2026 aangegeven dat zij de pleegouders willen aandragen als belanghebbenden omdat [minderjarige] daar al geruime tijd verblijft. De kinderrechter overweegt dat ingevolge artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt wordt aangemerkt als belanghebbende. Omdat [minderjarige] nog geen jaar in het huidige pleeggezin verblijft en doordat gelet op de instemming van alle betrokkenen schriftelijk op dit verzoek wordt beslist, zal de kinderrechter de pleegouders op dit moment niet aanmerken als belanghebbenden.\n\nDe machtiging tot uithuisplaatsing\n\n4.3.. Uit het rapport van de Raad van 12 maart 2026 volgt dat [minderjarige] op dit moment nog niet bij de ouders kan wonen. Het is op dit moment namelijk nog onvoldoende duidelijk wat de ouders [minderjarige] kunnen bieden in haar verzorging en opvoeding, hoewel al wel duidelijk is dat zij op dit moment zonder ondersteuning de benodigde zorg niet kunnen bieden. Er zijn blijvende zorgen over de opvoedvaardigheden in relatie tot het cognitief functioneren en de leerbaarheid van beide ouders. Doordat bij beide ouders sprake is van een verstandelijke beperking, bestaat er onzekerheid over hun vermogen om opvoedvaardigheden aan te leren en deze zelfstandig en consequent toe te passen in de dagelijkse zorg voor [minderjarige] . De huidige zorgen over het cognitief functioneren en de leerbaarheid van de ouders maken dat het onzeker is of de ouders, ook met hulpverlening, voldoende kunnen groeien binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. De onderzoeken en opvolging van de hulpverlening moeten hier meer duidelijkheid over gaan geven. Daarbij betrekkende dat het goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin, acht de Raad het noodzakelijk dat de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin wordt voortgezet.4.4.. Uit de briefrapportage van de GI van 3 april 2026 blijkt dat het begeleide contact tussen [minderjarige] en de ouders goed verloopt. Ook wordt gezien dat de ouders open staan voor hulpverlening, goed meewerken en positief contact hebben met de pleegouders en de betrokken hulpverlening. Er zijn nog wel zorgen waaruit volgt dat het voor de ouders nog niet mogelijk is om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] in de eigen woonsituatie te realiseren. Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de opvoedvaardigheden van de ouders. Hierin hebben zij namelijk nog voortdurend begeleiding en ondersteuning nodig. Op dit moment lijkt het niet realistisch dat de ouders zelfstandig voor [minderjarige] kunnen gaan zorgen. In de komende periode zal aan de hand van het diagnostisch onderzoek van de moeder worden onderzocht of de inzet van opvoedondersteuning helpend kan zijn voor de moeder. Daarnaast wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn voor begeleid contact tussen de ouders en [minderjarige] in de thuissituatie van de ouders.4.5.. Op 20 april 2026 heeft mr. Planthof bericht dat de moeder akkoord is met schriftelijke afdoening van het resterende deel van het verzoek. Diezelfde dag heeft ook de Raad aangegeven akkoord te zijn met schriftelijke afdoening van het resterende deel van verzoek. Op 22 april 2026 heeft de GI ingestemd met het verzoek van mr. Planthof om het resterende deel van het verzoek schriftelijk af te doen. Uit het e-mailbericht van de vader van 7 mei 2026 blijkt dat hij ook akkoord is met schriftelijke afdoening van het resterende deel van het verzoek.4.6.. Op grond van de overgelegde stukken en de instemmingen van de Raad, de GI, mr. Planthof en de vader acht de kinderrechter een nadere zitting niet nodig.4.7.. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg in het belang van haar opvoeding en verzorging is en dat daarmee is voldaan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b, tweede lid, BW. Om die reden zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 25 november 2026 (artikel 1:265c, tweede lid, BW).\n\n4.8.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 mei 2026 en tot 25 november 2026;5.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5424","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.125Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":54,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":38,"updatedAt":57},"322","ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","ecli-nl-rbzwb-2026-5374","2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F439595\u002F FA RK 25-4588\n\nbeschikking betreffende voorziening voogdij d.d. 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde Gecertificeerde Instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\ngevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen: de GI of de jeugdbescherming,\n\nbetreffende de minderjarigen\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\nverblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nhierna te noemen de minderjarigen respectievelijk [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n- [de pleegmoeder], de pleegmoeder\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. M. Kramer te Haarlem.\n\nAls informant wordt aangemerkt: - [de biologische moeder], de biologische moeder,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. C.M.M. Mikkers te Heeze.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, (hierna: de Raad), de rechtbank over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het verloop van het geding\n\n1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 29 augustus 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan de Raad van 7 oktober 2025;\n\n- de brief van de Raad van 9 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer van 17 oktober 2025;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan mr. Kramer d.d. 23 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer d.d. 4 mei 2026 met bijlagen;\n\n- het op 11 mei 2026 ingediend F9-formulier van mr. Kramer met bijlagen;\n\n- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.\n\n1.2. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig een vertegenwoordigster van de GI, de pleegmoeder bijgestaan door mr. Kramer, de biologische moeder en een vertegenwoordigster van de Raad. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening aan de rechter kenbaar te maken. Mr. Kramer heeft namens de pleegmoeder het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota die op 11 mei 2026 al aan de rechtbank en andere belanghebbenden was toegezonden.2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 augustus 2017 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogd over hen benoemd.\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 november 2022 is de GI benoemd tot (opvolgend) voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de rechtbank haar op grond van artikel 1:322, lid 1, sub c, van het Burgerlijk Wetboek te ontslaan van de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten gunste van de pleegmoeder.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De beslissing die de rechtbank moet nemen raakt in het bijzonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf. Het gaat er namelijk om wie er in de toekomst belangrijke beslissingen over hen mag nemen. De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk in begrijpelijke taal uitleggen welke beslissing zij heeft genomen en waarom.\n\nWat moet de rechtbank beslissen?\n\n4.2.. De jeugdbescherming heeft de rechtbank gevraagd om ervoor te zorgen dat niet zij, maar de pleegmoeder belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dat noemen we “voogdij” en dat is in de wet geregeld in artikel 322 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:322 BW). In de wet staan twee voorwaarden. Voorwaarde een is dat de pleegmoeder schriftelijk moet hebben verklaard dat zij bereid is om de voogdij over te nemen. Voorwaarde twee is dat de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nDe beslissing in het kort\n\n4.3.. De rechtbank zal de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overdragen van de jeugdbescherming naar de pleegmoeder.\n\nWat is er aan de rechtbank verteld?\n\n4.4.. De rechtbank heeft tijdens een apart gesprek gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de zitting heeft de rechtbank gesproken met de pleegmoeder en haar advocaat, met de jeugdbescherming, met de Raad en met de biologische moeder. Hierna zal de rechtbank in het kort opschrijven wat zij aan de rechtbank hebben verteld.\n\n4.5.. De jeugdbescherming heeft verteld dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al sinds zij 3 maanden oud waren bij de pleegouders wonen. Zij zijn daar samen opgegroeid. Sinds de scheiding van pleegouders wonen zij bij pleegmoeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegvader ook regelmatig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegouders als hun ouders. Zij hebben de jeugdbescherming meerdere keren verteld dat zij willen dat de pleegmoeder de voogdij over hen krijgt. Zij kan dan beslissingen over hen nemen zoals in een normaal gezin. Er is veel tijd en aandacht besteed om te onderzoeken wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben om fijn contact te hebben met hun biologische moeder. De jeugdbescherming heeft gezien dat zij geen hechte band hebben met hun biologische moeder. Uiteindelijk is er voor gekozen om het contact met de biologische moeder stop te zetten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich verder heel goed, ze hebben fijne sociale contacten en ze doen het zeer goed op school. In de thuissituatie bij pleegmoeder is de biologische moeder en de Indonesische afkomst van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd bespreekbaar. De pleegmoeder heeft het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de biologische moeder ook altijd ondersteund. Er is prettig contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De jeugdbescherming twijfelt er niet aan dat dat in de toekomst zo blijft.\n\n4.6.. De pleegmoeder en haar advocaat hebben de rechtbank verteld dat het overnemen van de voogdij een logische stap is. De pleegmoeder zorgt al jaren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook heeft de pleegmoeder altijd haar best gedaan om het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun biologische moeder te ondersteunen. Zij zal dit in de toekomst ook blijven doen.\n\n4.7.. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om de voogdij aan de pleegmoeder over te dragen. Zij zijn het eens met de jeugdbescherming.\n\n4.8.. De biologische moeder heeft de rechtbank verteld dat het voor haar niet zoveel uitmaakt wie de voogdij heeft. Het is voor haar vooral belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact met haar kunnen hebben. Dat er nu geen contact is tussen haar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt zij niet in hun belang.\n\n4.9.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld dat het goed met hun gaat. Zij geven hun leven op dit moment een hoog cijfer. Op school doen zij het heel goed. Ze hebben ook al een idee wat zij in de toekomst zouden willen gaan doen. Ze willen graag dat de pleegmoeder de voogdij overneemt. Zij denken dat zij dat heel goed kan, zij luistert goed naar hen. Dat maakt het dan vervolgens veel makkelijker om dingen te regelen.\n\nWat vindt de rechtbank\n\n4.10.. De rechtbank stelt vast dat de pleegmoeder schriftelijk heeft verklaard dat zij bereid is de voogdij over te nemen. Er is dus voldaan aan de eerste voorwaarde in de wet.\n\n4.11.. Dan moet de rechtbank nog vaststellen of het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt van de jeugdbescherming (de tweede voorwaarde). De rechtbank vindt dat er ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. De rechtbank zal dat hierna toelichten.\n\n4.12.. De pleegmoeder zorgt al voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds zij drie maanden oud zijn. Door haar goede zorgen (en die van de pleegvader) ontwikkelen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich goed. Zij doen het zeer goed op school, hebben fijne sociale contacten, hebben hobby’s en interesses en een toekomstbeeld. Ook tijdens het gesprek dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gehad op de rechtbank heeft de rechter gezien dat zij goed in hun vel zitten. Zij konden ook open vertellen over het contact met hun biologische moeder. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de pleegmoeder de biologische moeder in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een plek zal blijven geven. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat de pleegmoeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd zal helpen om het contact te herstellen met hun biologische moeder als zij dat willen. Er is ook (goed) contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De pleegmoeder informeert de biologische moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ongeveer vier keer per jaar. Er is door de jeugdbescherming een plan gemaakt waarin afspraken zijn vastgelegd. Dat kan de pleegmoeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] helpen als zij in de toekomst misschien tegen problemen aan lopen. Zij weten dan bij wie zij hulp kunnen vragen. Ook de Raad vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nConclusie\n\n4.13.. De rechtbank zal onder punt 5 nog in juridische woorden de beslissing opschrijven, zodat iedereen precies weet wat de beslissing is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. ontslaat de GI van de voogdij over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012;\n\n5.2.. benoemt [de pleegmoeder] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1961, wonende te [woonplaats 1] , tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van ‘t Westeinde, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nTegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeslissing betreft hoger beroep worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nHet beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te\n\n's-Hertogenbosch.\n\nIngevolge artikel 1:322, lid 1, sub c, van het BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.340Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":62,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":38,"updatedAt":64},"347","ECLI:NL:RBZWB:2026:5379","ecli-nl-rbzwb-2026-5379","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448271 \u002F JE RK 26-857 (spoedmachtiging gesloten jeugdhulp)\n\n C\u002F02\u002F448304 JE RK 26-862 (reguliere machtiging gesloten jeugdhulp)\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling DE JEUGD & GEZINSBESCHERMERS, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. M.A.J. Timmermans-Roelands te Bergen op Zoom.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nhet schriftelijke (gewijzigde) verzoek van de GI (met bijlagen), ontvangen op 19 mei 2026;\n\nde instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 18 mei 2026;\n\nde inhoud van het telefoongesprek van de kinderrechter met mevrouw [persoon 1] op 19 mei 2026;\n\nhet e-mailbericht van de GI van 19 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. Bij beschikking van 22 februari 2023, hersteld bij beschikking van 23 februari 2023, heeft de kinderrechter [minderjarige] met ingang van 21 februari 2023 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. De ondertoezichtstelling is vervolgens bij beschikking van 17 mei 2023 definitief uitgesproken en liep tot 17 mei 2024. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 mei 2026 voor de duur van een jaar, te weten tot 17 mei 2027. In deze beschikking werd tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 17 mei 2026 en tot 17 juni 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij [behandelgroep 1] van [jeugdhulp] te [plaats 2] , maar verblijft nu feitelijk op de [behandelgroep 2] van [jeugdhulp] te [plaats 2] .\n\n3. De verzoeken\n\nJE RK 26-857 (spoedverzoek);\n\nDe GI verzoekt (bij gewijzigd verzoek) een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.\n\nJE RK 26-862 (regulier verzoek);\n\n3.1.. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 19 mei 2026. Vervolgens heeft de kinderrechter op 19 mei 2026 telefonisch gesproken met mevrouw [persoon 1] , jeugdbeschermer. Daarna is kennisgenomen van het gewijzigde verzoek van de GI en is gebleken dat de gekwalificeerde gedragswetenschapper instemt met de termijn in het gewijzigde verzoek, te weten vier weken.\n\n4.2.. Uit het dossier komt naar voren dat de kinderrechter bij beschikking van 15 mei 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd met ingang van 17 mei 2026 en tot 17 juni 2026. Uit de overweging van de kinderrechter in die beschikking volgt dat de kinderrechter het nodig achtte om vinger aan de pols te houden gelet op de ernstige zorgen en de directe actie die daarop moest worden ondernomen door de GI. De kinderrechter stelt thans vast dat de in die beschikking omschreven zorgen nog steeds onverminderd aanwezig zijn en er inmiddels ook meer zicht is gekomen op de zorgen. Daar bovenop zijn nieuwe zorgen gekomen. Ondanks de machtiging tot uithuisplaatsing, verblijft [minderjarige] meer bij de moeder en buitenshuis, dan op de groep. Over de thuissituatie en opvoedingsomgeving van de moeder bestaan grote zorgen, waarin sprake is van een instabiele situatie met zorgen over middelengebruik door de moeder, overlastsituaties, politiecontacten en onveilige situaties voor [minderjarige] , waarbij door de moeder ook fysiek geweld zou worden gebruikt tegen [minderjarige] . [minderjarige] heeft eerder bij de hulpverlening (onder meer) aangegeven dat haar moeder haar in de buik heeft geschopt. Ook op de [behandelgroep 1] , waar [minderjarige] tot voor kort verbleef, en op de [behandelgroep 2] gaat het niet goed. [minderjarige] houdt zich niet aan de regels, accepteert onvoldoende begeleiding en is moeilijk te begrenzen. Daarnaast bestaan er ernstige zorgen over het gedrag en de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] loopt gedurende de dag en de nacht regelmatig weg van de groep, waarbij zij bij de hulpverlening heeft aangegeven dat zij dan ook wegloopt naar twee broers en met één van hen zes tot zevenmaal per dag seksueel contact heeft op plekken zoals in het bos of in een tunneltje. [minderjarige] zou graag moeder willen worden en is inmiddels over tijd. Een zwangerschapstest moet hierover duidelijkheid gaan geven. Haar gedrag heeft tevens een negatieve invloed op de andere jongeren van de groep. [minderjarige] is zo bezig met de twee broers dat zij continue luid met hen aan het videobellen is, zowel op de groep als in de nacht. Hier hebben de andere jongeren op de groep last van en worden zij door het nachtelijk bellen van [minderjarige] uit hun slaap gehouden. [minderjarige] laat zich hierin niet sturen door de begeleiding en reageert verbaal agressief als zij hierop wordt aangesproken en dreigt met fysiek geweld. Inmiddels reageert [minderjarige] standaard op die manier. In het verleden heeft dit geleid tot fysieke escalaties waar de politie bij moest komen, dit wordt nu geprobeerd te voorkomen. Dit heeft echter tot gevolg dat de groep haar onvoldoende nabijheid, structuur, veiligheid en grenzen kan aanbieden. [minderjarige] verbleef eerder op de [behandelgroep 2] (waar ook veel en vergelijkbare zorgen waren over [minderjarige] ) en inmiddels verblijft zij hier wederom, na bedreigingen door jongeren op de [behandelgroep 1] . De GI heeft aangegeven dat de situatie onhoudbaar is geworden. De kinderrechter stelt vast dat de emotionele- en fysieke veiligheid van [minderjarige] op dit moment niet kan worden gewaarborgd binnen de thuissituatie of op een open groep.\n\n4.3.. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen..\n\n4.4.. Uit de verklaring van de onafhankelijk gedragswetenschapper, de heer [persoon 2] , volgt dat [minderjarige] het beste persoonlijk kan worden gesproken nadat zij gesloten is geplaatst, nu de GI het risico dat [minderjarige] zich anders zal onttrekken of door anderen wordt onttrokken, als groot inschat. De heer [persoon 2] heeft derhalve op basis van de informatie in het dossier schriftelijk ingestemd met het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp.\n\n4.5.. De kinderrechter heeft vervolgens telefonisch contact gehad met de hiervoor genoemde jeugdbeschermer. Hierop is het verzoek aangepast in die zin dat thans wordt verzocht een spoedmachtiging te verlenen voor de duur van vier weken, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Uit het e-mailbericht van de GI van 19 mei 2025 volgt dat de gedragswetenschapper ook met de gewijzigde termijn in het spoedverzoek kan instemmen.\n\n4.6.. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, met ingang van 19 mei 2025 en tot 2 juni 2026. Het resterende deel van het verzoek, alsmede de beslissing op het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden, zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. Verdere beslissingen op het (spoed)verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hierover te worden gehoord.\n\n4.7.. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij zo snel mogelijk, maar in elk geval vóór de hierna te noemen zitting, een nieuwe schriftelijke instemmingsverklaring van een gekwalificeerd gedragswetenschapper overlegt, waaruit blijkt dat de gedragswetenschapper met [minderjarige] heeft gesproken en waarin de gedragswetenschapper zich uitlaat over het (resterende deel van het) spoedverzoek en het verzoek van de GI strekkende tot het verlenen van een machtiging tot gesloten plaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden (regulier verzoek).\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nJE RK 26-857 (spoedverzoek);\n\n5.1.. verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 19 mei 2026 en tot 2 juni 2026;\n\nbeide zaaknummers;\n\n5.2.. bepaalt dat de GI, [minderjarige] en haar advocaat, de moeder en de vader zullen worden gehoord tijdens de zitting van [datum] 2026 om [uur], ten overstaan van mr. Van de Merbel, kinderrechter, en houdt ook de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek en het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot gesloten jeugdhulp aan tot de hiervoor genoemde zitting, waarvoor 45 minuten wordt uitgetrokken;\n\n5.3.. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de GI, [minderjarige] en haar advocaat, en de moeder.\n\n5.4.. bepaalt dat de vader bij aparte brief zal worden opgeroepen voor de zitting;\n\n5.5.. behoudt zich iedere verdere beslissing voor.\n\nDeze beschikking is gegeven door Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5379","2026-07-13T00:28:25.461Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":17,"fullText":69,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":38,"updatedAt":72},"1839","ECLI:NL:RBZWB:2026:5334","ecli-nl-rbzwb-2026-5334","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F444379 \u002F JE RK 26-139\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nRAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,locatie Middelburg,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag 1] 2009, hierna te\n\nnoemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag 2] 2012, hierna te\n\nnoemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt ten aanzien van [persoon] als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R. Wouters uit Middelburg.\n\nDe gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,hierna te noemen de GI, gevestigd te Eindhoven.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde beschikking van 28 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet bericht van de Raad met bijlagen van 16 februari 2026;\n\nde brief van de GI van 10 april 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de GI van 15 mei 2026 met bijlagen.\n\n1.2.. \n\nOp 18 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet.\n\nDaarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat;\n\nde moeder;\n\neen vertegenwoordiger van de Raad;\n\neen vertegenwoordiger van de GI;\n\n1.3.. De ouders zijn tijdens de zitting bijgestaan door een tolk Tigrinya, te weten de heer [tolk] .\n\n2. De feiten\n\nDe ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.1.. \n\nDe kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.\n\nTevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van\n\neen jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.\n\n2.2.. Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Tevens is de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek werd aangehouden tot de zitting van heden.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nDe Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van\n\neen jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een\n\naccommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\nThans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode van de ondertoezichtstelling van beide minderjarigen met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027, alsmede de resterende periode van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat het goed met haar gaat. Ze woont bij haar moeder. [minderjarige 1] heeft haar therapie afgerond. Er wordt gezegd dat het thuis onderling niet goed gaat, maar niet alles daarvan is juist. Over haar broertjes klopt het wel dat het niet zo goed gaat. [persoon] woont tijdelijk bij hen. [minderjarige 2] woont zowel thuis als op de groep. [persoon] vindt het wel fijn als iedereen bij elkaar is. Er is niet per se sprake van ruzie thuis. [minderjarige 1] maakt zich juist meer zorgen als haar broertjes niet thuis wonen. [minderjarige 1] heeft haar vader al een tijd niet meer gezien. Zodra het weer goed gaat met de vader, verwacht [minderjarige 1] dat zij weer aan hun relatie kunnen werken. [minderjarige 2] heeft het verkeerde voorbeeld gehad. De vader zou meer contact met hem moeten zoeken en de moeder zou haar en haar broertjes niet altijd meer moeten zien als vrienden. [minderjarige 2] luistert nu goed thuis en houdt zich aan de regels. Voorheen was er voornamelijk ruzie omdat hij over grenzen heenging. [minderjarige 1] kan met haar moeder praten.\n\n4.2.. \n [minderjarige 2] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat het thuis gewoon normaal gaat. [minderjarige 2] zou het liefst bij zijn moeder blijven wonen. Hij wil niet met iemand praten. Wat hij heeft meegemaakt doet hem niets en weerhoudt hem er ook niet van om verder te leven. Hij belt elke dag met de vader. Hij begrijpt niet waarom mensen zeggen dat het niet goed gaat bij de moeder thuis. [minderjarige 2] is geopereerd geweest aan zijn arm, nadat hij met een gestolen bestelbus een auto-ongeluk heeft gehad. [minderjarige 2] reed overigens zelf niet. [minderjarige 2] vindt de hele situatie overdreven. Het gaat goed thuis. Voordat hij bij [woongroep] werd geplaatst had hij wel vier vechtpartijen gehad, maar dat was uit zelfverdediging. [woongroep] heeft hem zelf laten gaan.\n\n4.3.. De Raad handhaaft het verzoek. [woongroep] was niet de meest passende plek voor [minderjarige 2] . In het rapport heeft de Raad ook geadviseerd om eerst diagnostiek in te zetten, zodat duidelijk zou worden wat het meest passend is voor [minderjarige 2] . De Raad denkt niet dat de thuissituatie van de vader het meest passend is. Er zijn zorgen over het gedrag. Er is veel aan de hand, maar de Raad krijgt onvoldoende helder wát er precies speelt. Daarom vindt de Raad diagnostiek noodzakelijk. De Raad heeft gelezen dat gezinsopname wordt overwogen.\n\n4.4.. De GI heeft tijdens de zitting verklaard dat is geprobeerd om een buddy in te zetten voor [minderjarige 2] , maar daar is hij mee gestopt. De GI vindt het noodzakelijk dat [minderjarige 2] hulp krijgt, maar hij wil nergens aan meewerken. Ook aan diagnostiek zal hij niet gaan meewerken, evenals aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] . Het is een uitdaging om een passende plek te vinden. Van belang is dat er voor [minderjarige 2] een plek komt waar hem veel kaders en duidelijkheid wordt geboden. Er is sprake van een goede band en liefde tussen de moeder en [minderjarige 2] . Daarom heeft de GI een gezinsopname overwogen. Dat wordt echter bemoeilijkt doordat [minderjarige 2] weigert mee te werken. De GI heeft ook een gesloten plaatsing overwogen. Het gedrag van [minderjarige 2] is daarvoor echter niet helemaal passend en er worden ook geen aanmeldingen meer gedaan omdat er geen bedden beschikbaar zijn. De moeder ontvangt wekelijks bezoek vanuit de hulpverlening en zij krijgt daarnaast ondersteuning vanuit [hulpverlening 2] . De moeder verblijft momenteel bij de veilige opvang van [hulpverlening 2] . [hulpverlening 1] komt twee maal per week langs. [hulpverlening 2] kan het standpunt van de GI volgen dat voor [minderjarige 2] een passende setting nodig is. Er zijn ook veiligheidsafspraken gemaakt. Ten aanzien van de vader vraagt de GI zich af of er passende hulpverlening ingezet kan worden, bijvoorbeeld in de vorm van MST, maar zij denkt eigenlijk dat dit niet passend is voor de huidige situatie. Nu de thuissituatie bij de moeder onhoudbaar is geworden, vindt de GI het wel noodzakelijk dat [minderjarige 2] uit huis wordt geplaatst. De GI heeft hiervoor al aanmeldingen gedaan, maar er is geen plek voor hem. Ook de gesloten instelling heeft geen plek. Als [minderjarige 2] niet thuis verblijft heeft de GI geen concrete zorgen over [minderjarige 1] .. Zij wil dit gedurende de ondertoezichtstelling wel goed blijven monitoren. Gelet op de onhoudbare situatie vindt de GI een uithuisplaatsing toch noodzakelijk voor [minderjarige 2] . Als de machtiging is toegewezen kan hij worden aangemeld, hoewel er al eerder – tevergeefs – aanmeldingen zijn gedaan. Er is nu geen plek en ook geen zicht op een plek. Een gezinsopname lijkt ook niet te kunnen, maar de GI wil de huidige situatie ook niet laten voortduren.\n\n4.5.. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zorgen heeft gehad over [minderjarige 2] . Hij is betrokken geweest bij een auto-ongeluk en drugsdeals. Toen [minderjarige 2] nog bij hem woonde gedroeg hij zich anders. Eigenlijk was het toen een prima kind. Op dit moment gaat het wel goed met [minderjarige 2] .\n\n4.6.. Namens de vader is tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij geen verweer voert tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op basis van de huidige zorgen zou een machtiging verleend kunnen worden. Echter is er geen duidelijkheid over een geschikte plek voor [minderjarige 2] en er ligt geen concreet behandelingsplan. Hij verblijft nu bij de moeder. Op het moment dat duidelijk wordt waar [minderjarige 2] geplaatst kan worden, dan kan alsnog een spoedverzoek worden ingediend. Het verzoek ziet nog op een periode van drie maanden. Niet wordt verwacht dat een plaatsing binnen deze periode gerealiseerd kan worden, temeer omdat er nog geen nieuwe aanmeldingen zijn gedaan en er sprake is van wachtlijsten. Het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] zou derhalve afgewezen moeten worden.\n\n4.7.. De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat de mening van de GI niet klopt. Het gezin leeft vredig. Alles is verbeterd met de minderjarigen. De moeder zegt niet dat zij perfect is, maar ze heeft veel geleerd en is veranderd. Ze geeft [minderjarige 2] advies en probeert hem elke zaterdag en zondag mee te nemen naar de kerk. Na het auto ongeluk is hij ook veranderd. Hij ging toen wel het verkeerde pad op. Ze zijn nu elke avond samen. Sinds november is de situatie ten positieve veranderd. [minderjarige 2] erkent zelf ook dat het voorheen niet goed ging.\n\n4.8.. Namens de moeder wordt ten aan zien van het verzoek tot ondertoezichtstelling gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder heeft wel bezwaar tegen de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Het verzoek is weinig concreet. Waar kan hij geplaatst worden? Wat houdt de plaatsing in? Waarom moet hij (daar) geplaatst worden? Welke diagnose heeft [minderjarige 2] ? Wat wordt aangepakt? Wat zijn de doelen? Het verzoek is summier en weinig onderbouwd. Het is aan de GI om het verzoek, indien zij een uithuisplaatsing toch nodig vindt, nader te onderbouwen. Het is niet de bedoeling dat de GI een blanco machtiging wordt gegeven. Binnen de ondertoezichtstelling komt steeds meer zicht op de situatie. Op basis van hetgeen er nu ligt, is de moeder van mening dat het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen moet worden. Daar komt bij dat er nu meer rust is in de situatie.\n\n5. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toegepast recht;\n\n5.1.. De kinderrechter constateert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de beide ouders de Eritrese nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.\n\n5.2.. \n\nOp grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn\n\nter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het\n\ngrondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de\n\nzaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.\n\n5.3.. \n\nNu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond\n\nvan het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands\n\nrecht op het verzoek worden toegepast.\n\nInhoudelijke beoordeling;\n\n5.4.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.Belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Gelet daarop, alsmede gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling toewijzen.\n\n5.5.. Ten aanzien van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter merkt allereerst op dat zij zich voor een dilemma voelt staan. De afgelopen periode heeft het gedrag van [minderjarige 2] ervoor gezorgd dat er geen mogelijkheid meer is voor deeltijdplaatsing bij [woongroep] en om die reden woont hij nu weer thuis bij de moeder. De GI, maar ook [hulpverlener] (de betrokken hulpverlener) benadrukken dat het verblijf van [minderjarige 2] bij de moeder geen wenselijke situatie is, gelet op de zorgen die [hulpverlener] , de school en [hulpverlening 2] aangeven. De hulpverlening ervaart dat er dreiging uitgaat vanuit [minderjarige 2] . Uit de gesprekken met [hulpverlener] komt verder naar voren dat [minderjarige 2] erop uit is om te intimideren en afwijzing opzoekt om te voorkomen dat hij iets anders aan moet gaan. [school] , de betrokken school van [minderjarige 2] , geeft aan dat [minderjarige 2] op dit moment geen passend onderwijs geniet. [minderjarige 2] is eerder getest op lager cognitief niveau, maar wil zich nu niet meer laten testen. Hij komt op dit moment niet aan leren toe, omdat het hem ontbreekt aan een intrinsieke motivatie om een vak te leren. [school] weet zich inmiddels geen raad meer met [minderjarige 2] . [hulpverlener] schat het risico op verder criminaliseren van [minderjarige 2] en het ontwikkelen van verdere gedragsproblemen in als groot. Hulpverlening heeft aanleiding om te denken dat bij [minderjarige 2] sprake is van psychische problematiek en er zijn vragen over zijn gewetensontwikkeling. De moeder heeft geen grip op hem. Ook [minderjarige 1] zou lijden onder de situatie, maar durft zich hier volgens de hulpverlening niet goed over uit te laten. Zowel de moeder, als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeggen dat het wel goed gaat. De vader maakt zich zorgen, maar vond dat het wel goed met [minderjarige 2] ging toe hij nog bij hem woonde. De kinderrechter stelt aldus vast dat er grote zorgen zijn over [minderjarige 2] , maar ook nog veel onduidelijkheden. Dat [minderjarige 2] weigert zijn medewerking te verlenen aan onderzoek of testen bemoeilijkt het verkrijgen van een beeld over [minderjarige 2] . Het is opmerkelijk dat beide ouders aangeven dat het goed gaat met [minderjarige 2] in de thuissituatie bij de moeder of de vader, terwijl de rondom [minderjarige 2] betrokken hulpverlening een heel ander beeld heeft. Complicerend is dat er op dit moment geen plek is voor [minderjarige 2] en ook nog onduidelijk is welke plek dan het meest tegemoet komt aan de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige 2] . Hoewel de situatie van [minderjarige 2] dus zeer zorgelijk is, ligt er voor hem op dit moment geen concreet plan. Daarbij komt dat het resterende deel van het verzoek ziet op een periode van drie maanden. Volstrekt onduidelijk is gebleven of [minderjarige 2] binnen die termijn kan worden geplaatst en of deze plek dan ook geschikt is voor [minderjarige 2] . Wel staat voor de kinderrechter vast dat er snel meer nodig is. Echter nu er geen passende plek beschikbaar is en de verwachting bestaat dat deze ook niet op korte termijn kan worden gerealiseerd, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing afwijzen. Dit betekent niet dat de kinderrechter een uithuisplaatsing niet nodig vindt, maar zij voelt zich in verband met het ontbreken van een passend plan voor de plaatsing van [minderjarige 2] genoodzaakt om het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] af te wijzen. De kinderrechter vindt het in dit kader wel noodzakelijk dat zicht blijft op de thuissituatie van [minderjarige 2] , de moeder en [minderjarige 1] en dat de komende periode wordt gebruikt om zicht te verkrijgen en onderzoek te doen naar de vraag welke plek het meest tegemoet komt aan de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige 2] . Dit kan binnen de ondertoezichtstelling gebeuren. De kinderrechter wijst de GI erop dat zij de mogelijkheid heeft om een nieuwe (spoed)verzoek in te dienen op het moment dat zij daarvoor aanleiding ziet. De kinderrechter verwacht dan ook van de GI dat zij de situatie rondom [minderjarige 2] nauwlettend volgt en zo nodig ook ingrijpt.\n\n5.6.. Dit betekent dat het verzoek tot uithuisplaatsing zal worden afgewezen.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing tot ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5.8.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nOndertoezichtstelling;\n\n6.1.. \n\nverlengt de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van\n\n19 mei 2026 en tot 28 januari 2027;\n\n6.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nUithuisplaatsing van [minderjarige 2] ;\n\n6.3.. wijst het verzoek af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5334","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.322Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":17,"fullText":77,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":38,"updatedAt":79},"293","ECLI:NL:RBZWB:2026:5335","ecli-nl-rbzwb-2026-5335","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448098 \u002F JE RK 26-822\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nWILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonend op een voor de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M. Kalle uit Middelburg.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .2.2.. Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 januari 2027.\n\n2.3.. \n\nBij beschikking van 25 november 2025 is een spoedmachtiging verleend om\n\n [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 25 november 2025 en tot 23 december 2025. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 juli 2026.\n\n2.4.. Bij beschikking van 12 mei 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.2.5.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. Er is sprake van een dreigende situatie door de onvoorspelbaarheid van de ex-partner van de moeder. De ex-partner van de moeder weet namelijk waar de vader woont en de GI kan niet inschatten wat er zal gebeuren als hij naar de woning van de vader gaat. Wel weet de GI dat in het verleden sprake is geweest van fysieke agressie tussen de vader en de ex-partner van de moeder. De dreigende situatie vanuit de ex-partner van de moeder vormde aanleiding voor het spoedverzoek, maar dit neemt niet weg dat de GI al langere tijd zorgen heeft over de opvoedsituatie bij de vader. De GI wil daarom de mogelijkheden voor een gezinsopname bezien om te onderzoeken wat [minderjarige] op langere termijn nodig heeft en of de vader daarbij kan aansluiten. [minderjarige] heeft namelijk al veel meegemaakt en er is sprake van een licht verstandelijke beperking. Zij heeft dringend behandeling nodig, maar is op dit moment niet behandelbaar door de instabiliteit in haar omgeving. Het is belangrijk dat [minderjarige] rust krijgt. Deze rust kan worden geboden in het pleeggezin, waar [minderjarige] samen met haar halfzusje moederszijde (mz) verblijft.4.2.. De moeder stelt dat een voortzetting van de plaatsing in het pleeggezin op dit moment het beste is voor [minderjarige] . De moeder maakt zich namelijk zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie van de vader. [minderjarige] heeft meer nodig dan de vader kan bieden en de moeder heeft niet het gevoel dat [minderjarige] veilig is bij de vader. De vader is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten en de moeder heeft zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] , onder meer doordat [minderjarige] langere tijd moeite heeft gehad met plassen. Daarnaast leidt de moeder uit uitspraken van [minderjarige] af dat zij door de vader wordt belast met volwassen zaken. De moeder vraagt al langere tijd aandacht voor deze zorgen, maar voelt zich daarin onvoldoende gehoord. Verder vindt de moeder het belangrijk dat [minderjarige] samen blijft met haar halfzusje mz en dat zij niet uit elkaar worden gehaald. Ook vindt de moeder het belangrijk dat zij in de komende periode contact kan hebben met [minderjarige] en dat er een informatie- en consultatieregeling wordt opgesteld.4.3.. De vader verzoekt het resterende deel van het verzoek af te wijzen. Hij wil graag dat [minderjarige] weer naar terug naar huis komt. Het gaat namelijk goed met [minderjarige] in de thuissituatie van de vader en er was een positieve ontwikkeling zichtbaar, ook op school. De vader wil deze positieve ontwikkeling voortzetten en staat daarbij open voor hulpverlening. Daar heeft hij al meermaals om gevraagd bij de GI. Uit de stukken volgt dat de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nodig acht vanwege de zorgen over de ex-partner van de moeder en de angst dat hij bij de vader zal langskomen. Uit de stukken volgt niet dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader dermate ernstig zijn dat [minderjarige] daar niet langer kan verblijven. De situatie bij de vader thuis is veilig. De voordeur zit op slot en de vader zal de ex-partner van de moeder niet in zijn woning laten als hij onverhoopt voor de deur staat. Ook kunnen afspraken worden gemaakt met school. Als de GI andere veiligheidsafspraken nodig acht, zal de vader daar aan meewerken.5. De nadere beoordeling\n\n5.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026, schriftelijk uitgewerkt op 13 mei 2026, is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling van 18 mei 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 12 mei 2026 moet worden herroepen. De dreiging vanuit de ex-partner van de moeder was ten tijde van de spoedbeschikking namelijk dermate groot dat er geen andere manier was om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.5.2.. De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment niet noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat er al langere tijd veel zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbaar meisje en zij heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven. [minderjarige] woonde bij de moeder, maar sinds 25 november 2025 verblijft zij op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. Hieruit leidt de kinderrechter af dat een plaatsing bij de vader op dat moment in het belang van [minderjarige] werd geacht en voldoende veilig werd bevonden. Dit blijkt ook uit de beschikking van 22 januari 2026 waarin is overwogen dat de plaatsing bij de vader voldoende veilig is en dat het in de thuissituatie goed gaat met [minderjarige] . Uit hetgeen de moeder en de GI naar voren hebben gebracht volgt dat er in de afgelopen periode zorgen naar voren zijn gekomen over de ontwikkeling van [minderjarige] en de opvoedsituatie bij de vader, maar deze zorgen hebben er kennelijk niet toe geleid dat [minderjarige] volgens de GI niet langer bij de vader kon verblijven. Dit volgt naar het oordeel van de kinderrechter ook niet uit de overgelegde stukken. Hoewel uit het verzoek volgt dat de plaatsing bij de vader gelet op de zorgvraag van [minderjarige] niet ideaal is op langere termijn, is ook door de GI toegelicht dat een gezinsopname mogelijk passend kan zijn in deze situatie. Door de vader is verklaard dat hij bereid is de benodigde hulpverlening te aanvaarden en zelf al langere tijd vraagt om hulp bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Ook neemt de kinderrechter in overweging dat weliswaar sprake is van een dreigende situatie door het onvoorspelbare gedrag van de ex-partner van de moeder, maar deze dreiging heeft zich in de afgelopen week niet geuit richting [minderjarige] of de vader. De vader heeft verklaard dat hij de ex-partner van de moeder niet in de woning zal toelaten als hij voor de deur staat en dat hij afspraken zal maken met de school van [minderjarige] voor als de ex-partner van de moeder daar ineens onverhoopt verschijnt. Daarnaast heeft de vader toegezegd zijn medewerking te verlenen aan door de GI noodzakelijk geachte veiligheidsafspraken. Het voorgaande maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie van de vader op dit moment voldoende kan worden gewaarborgd. Gelet daarop wordt niet voldaan aan de vereisten die de wet stelt aan een (wijziging van de) uithuisplaatsing. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom afwijzen. Dit betekent dat [minderjarige] op basis van de op 12 mei 2026 verleende spoedmachtiging tot 26 mei 2026 in het pleeggezin kan verblijven en dat voor afloop van deze machtiging moet worden toegewerkt naar een plaatsing bij de vader.5.3.. De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. Ook verwacht de kinderrechter dat de GI samen met de moeder in gesprek gaat over de mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd dient te zijn.6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. wijst het resterende deel van het verzoek af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5335","2026-07-13T00:28:23.031Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":17,"fullText":84,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":38,"updatedAt":86},"1825","ECLI:NL:RBZWB:2026:5330","ecli-nl-rbzwb-2026-5330","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448110 \u002F JE RK 26-826\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nWILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende te [woonplaats 2] .\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\n1.3.. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.1.4.. De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend aan de heer [de opa (mz)] , de opa moederszijde (hierna: mz), om bij de zitting aanwezig te zijn.2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 januari 2027.\n\n2.3.. Bij beschikking van 25 november 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend met ingang van 25 november 2025 en tot 23 december 2025.\n\n2.4.. Bij beschikking van 4 december 2025 is de beschikking van 25 november 2025 herroepen, waarbij een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin is verleend met ingang van 25 november 2025 en het resterende deel van het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin is afgewezen.\n\n2.5.. Bij beschikking van 12 mei 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.\n\n2.6.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. [minderjarige] verblijft met haar halfzusje mz in een pleeggezin en er is op dit moment geen andere manier om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen dan continuering van de plaatsing in het pleeggezin. Er is in de afgelopen maanden geprobeerd de opvoedsituatie van [minderjarige] te verbeteren, waaronder een verblijf in een moederkindhuis. Het leek daarna beter te gaan in de thuissituatie en de moeder pakte alles goed op, totdat zij de vader tegen de veiligheidsafspraken in op 3 mei 2026 heeft binnengelaten in haar woning en zwaar is mishandeld. Hierdoor is [minderjarige] opnieuw getuige geweest van huiselijk geweld. Daarbij is het ook zorgelijk dat de moeder van 7 uur ’s ochtends tot half 4 ’s middags buiten bewustzijn is geweest en onduidelijk is wat er die dag met [minderjarige] is gebeurd, maar zij naakt is aangetroffen door de politie. De GI maakt zich forse zorgen over de onvoorspelbaarheid en de dreiging vanuit de vader. De GI begrijpt dat de moeder graag wil dat [minderjarige] bij haar verblijft, maar is van mening dat de veiligheid van [minderjarige] dan onvoldoende wordt gewaarborgd. De moeder is op 3 mei 2026 namelijk naar de opa mz gegaan, maar heeft op 8 mei 2026 aangegeven dat zij graag terug wilde naar haar woning. Zij was van mening dat een videodeurbel haar veiligheid zou kunnen waarborgen. De GI ervaarde op dat moment druk vanuit de moeder dat zij terug naar huis wilde en zag hierin een wisselende houding bij de moeder. Het lukt de moeder niet om de keuzes te maken die zorgen voor een veilige leefomgeving voor [minderjarige] . Het is belangrijk dat de moeder gaat zorgen voor een veilige opvoedsituatie voor [minderjarige] en alle hulp gaat aanpakken om met de vader te breken.4.2.. Door en namens de moeder is verzocht de spoedbeslissing van 12 mei 2026 te herroepen en het resterende deel van het verzoek af te wijzen. De moeder kan namelijk samen met [minderjarige] bij de opa mz verblijven. Dat is een veilige plek voor de moeder en [minderjarige] . Vanuit daar heeft de moeder ondersteuning van de opa mz en wil zij een andere woning zoeken. Daarbij verklaart de moeder dat zij voorafgaand aan de uithuisplaatsing niet heeft gezegd dat zij per direct terug naar huis wilde, maar heeft aangegeven dat zij terug naar huis zou gaan als dat veilig genoeg zou zijn. Zij kan immers niet tot [minderjarige] 18 jaar is bij de opa mz blijven wonen. Daar komt bij dat een terugkeer naar de thuissituatie ook voor de stabiliteit van [minderjarige] ten aanzien van de opvang en de zorgregeling met het halfzusje mz van belang is. Daarnaast heeft de moeder EMDR-therapie in Zeeland en vindt zij het belangrijk dat ze hier naartoe kan blijven gaan, zeker gelet op hetgeen er is gebeurd. Dit maakt dat de moeder enerzijds in Zeeland moet zijn, maar tegelijkertijd wordt de situatie in Zeeland onvoldoende veilig geacht. Hierdoor zit de moeder klem en zij heeft het gevoel dat zij steeds verder verstrikt raakt in deze situatie. Desgevraagd verklaart de moeder dat zij erg bang is geweest voor de vader. Zij kan niet inschatten waar hij toe in staat is. Hij heeft haar op 3 mei 2026 mishandeld en heeft aangegeven dat hij zichzelf aan het voorbereiden is om haar te vermoorden.5. De nadere beoordeling\n\n5.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026, schriftelijk uitgewerkt op 13 mei 2026, is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 18 mei 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 12 mei 2026 moet worden herroepen. De dreiging vanuit de vader was ten tijde van de spoedbeschikking namelijk dermate groot dat er geen andere manier was om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.5.2.. De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] op dit moment nog niet kan terugkeren naar de thuissituatie. Gebleken is dat [minderjarige] al veel heeft meegemaakt en meermaals oor- en ooggetuige is geweest van huiselijk geweld. Op 3 mei 2026 is de moeder in haar woning mishandeld door de vader en [minderjarige] is hier getuige van geweest. Door de mishandeling is de moeder langere tijd buiten bewustzijn geweest. Op dat moment was de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd en het is onbekend wat er in de tussentijd met haar is gebeurd. Ook is gebleken dat de vader de moeder heeft gewurgd en heeft aangegeven dat hij de moord op de moeder aan het voorbereiden is. De moeder is op 3 mei 2026 met [minderjarige] naar de opa mz gegaan, maar heeft enkele dagen later aangegeven dat zij wilde terugkeren naar haar woning. Gelet op de onvoorspelbaarheid en de dreiging vanuit de vader is de kinderrechter van oordeel dat het voor [minderjarige] onvoldoende veilig om terug te keren naar de thuissituatie. Als de moeder met [minderjarige] terugkeert naar de thuissituatie, is immers sprake van een acuut gevaar voor [minderjarige] dat zij (opnieuw) getuige of slachtoffer wordt van ernstig geweld. Ook als de moeder met [minderjarige] bij de opa mz zou verblijven, is de kinderrechter van oordeel dat de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende is gewaarborgd. Het lukt de moeder namelijk niet altijd om keuzes te maken die zorgen voor een veilige situatie voor [minderjarige] en zij is niet betrouwbaar als het gaat om de vader, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit de omstandigheid dat zij hem tegen de veiligheidsafspraken in heeft toegelaten tot haar woning en hem vervolgens tegenover de politie in bescherming nam door te zeggen dat hij niet in haar woning was. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor de duur van drie maanden, te weten tot 26 augustus 2026.5.3.. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek aanhouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 26 augustus 2026, zodat op dat moment opnieuw kan worden bezien wat de situatie is en welke stappen er zijn gezet om de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie te waarborgen. De kinderrechter verwacht dat de GIuiterlijk één week voorafgaand aan de nadere zittingschriftelijk zal informeren over het verloop van de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de situatie van zowel de moeder als de vader.5.4.. De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat in de komende periode wordt gewerkt aan een veilige woonplek voor de moeder en [minderjarige] . Ook verwacht de kinderrechter dat de GI samen met de moeder in gesprek gaat over de mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd dient te zijn.5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 26 mei 2026 en tot 26 augustus 2026;6.2.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 26 augustus 2026, tegen welke zitting de GI, de (advocaat van de) moeder en de vader dienen te worden opgeroepen;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5330","2026-07-13T00:29:40.633Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":17,"fullText":91,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":38,"updatedAt":93},"290","ECLI:NL:RBZWB:2026:5340","ecli-nl-rbzwb-2026-5340","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F443639 \u002F JE RK 26-8\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nRAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,locatie Middelburg,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] (Eritrea), hierna te\n\nnoemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een onbekend adres in [plaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,\n\n [de stiefmoeder],\n\nhierna te noemen de stiefmoeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Wouters uit Middelburg.\n\nDe gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,hierna te noemen de GI, gevestigd te Eindhoven.\n\nHet verdere verloop van de procedure\n\n1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde beschikking van 28 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet bericht van de Raad met bijlagen van 16 februari 2026;\n\nde brief van de GI van 10 april 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de GI van 15 mei 2026 met bijlagen.\n\n1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat;\n\nde moeder;\n\nde stiefmoeder;\n\neen vertegenwoordiger van de Raad;\n\neen vertegenwoordiger van de GI.\n\n1.3. De ouders en de stiefmoeder zijn tijdens de zitting bijgestaan door een tolk Tigrinya , te weten de heer [persoon] .2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] verblijft bij de vader.\n\n2.3.. \n\nDe kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026\n\n [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026. Tevens\n\nis een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een\n\njeugdhulpaanbieder en in aansluiting hierop in een gezinsgerichte opvang of voorziening\n\nvoor pleegzorg met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.\n\n2.4.. Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Tevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de stiefmoeder, te weten bij mevrouw [de stiefmoeder] , en aansluitend hierop in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel gezinsgerichte opvang of voorziening voor pleegzorg met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de zitting van heden.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen dan wel (mogelijk opvolgend) in een netwerkpleeggezin voor de duur van zes maanden. De Raad heeft het verzoek tijdens de zitting van 14 april 2026 gewijzigd in die zin dat thans wordt verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen bij de stiefmoeder ter overbrugging naar een plaatsing binnen een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder\u002Fnetwerkpleeggezin. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Thans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode van de ondertoezichtstelling met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027, alsmede de resterende periode van het verzoek tot uithuisplaatsing met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek op 28 april 2026 verteld dat hij graag naar huis wil, waarmee hij bedoelt: bij de vader gaan wonen. Het is niet dat hij een hekel heeft aan zijn stiefmoeder, maar hij mist zijn vader. Hij begrijpt hem als een vriend. [minderjarige] heeft zijn vader drie dagen gezien en de vader heeft zijn haar toen geknipt en voor hem gekookt en [minderjarige] durft nu echt te zeggen dat hij is veranderd. De vader heeft wel stress over bepaalde dingen, zoals over problemen die hij met de gemeente heeft. [minderjarige] vond het niet leuk op de [woongroep] . Er zijn nu geen ruzie of problemen in de thuissituatie. [de zus] en [de broer] zijn altijd thuis. Hij mag zijn zus wel. [de broer] zit regelmatig in de garage scooters te repareren. [minderjarige] wil benadrukken dat het incident met het mes zag op een situatie waarbij hij zichzelf tijdens het snijden van groenten had gesneden. Hij heeft niet gevochten.\n\n4.2.. De Raad verzoekt het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toe te wijzen. Gelet op de signalen en zorgen is de Raad van mening dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader niet in zijn belang is. Er is veel aan de hand, maar het blijft onvoldoende duidelijk wat precies.\n\n4.3.. De GI heeft naar voren gebracht dat het vermoeden bestaat dat [minderjarige] heel veel structuur nodig heeft. Hij heeft wat absentie-uren en zou opgeroepen worden door Halt. Er zijn daarnaast zorgen dat hij zich in criminele kringen bevindt. Daar is nog onduidelijkheid over. Maar de mensen om [minderjarige] heen, zowel school als hulpverlening, hebben best veel zorgen. Het is belangrijk dat [minderjarige] stabiliteit en veiligheid mag ervaren. Hoewel de GI het [minderjarige] zou gunnen dat hij bij de vader kan blijven, is de GI van mening dat dit nu niet het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarbij komt dat onduidelijk is of [minderjarige] vanuit die situatie wel voldoende in de gelegenheid zal zijn om aan zijn toekomst te werken. Op een groep is er meer toezicht en sturing. Er moet eerst nog verder met de vader worden gewerkt. Daarnaast moet meer zicht komen op [minderjarige] en zijn netwerk. Het is wat de GI betreft niet uitgesloten dat [minderjarige] ooit weer terug kan keren naar de vader, maar de mogelijkheden daarvoor moeten dan eerst goed zijn onderzocht. Er moet zo snel mogelijk stabiliteit komen voor [minderjarige] .\n\n4.4.. De moeder herkent het verhaal van [minderjarige] over het mes. De moeder is eergisteren aangekomen in Nederland. Zij had [minderjarige] niet meer gezien sinds dat hij één jaar oud was. Er zijn in het verleden andere problemen geweest in Sudan. Het was niet gemakkelijk om [minderjarige] daar op te voeden. Daarom heeft de moeder [minderjarige] aan de vader meegegeven. [minderjarige] heeft tegen de moeder gezegd dat hij graag bij haar wil komen wonen. De moeder realiseert zich dat [minderjarige] is opgevoed door de vader. De moeder wil [minderjarige] graag leren kennen en hem Engeland laten zien.\n\n4.5.. De stiefmoeder herkent het verhaal van [minderjarige] over het mes, ook. Hij is altijd aan het knutselen. Zij is tevreden over het gedrag van [minderjarige] . Zij hebben een sterke verbinding. De stiefmoeder is blij dat [minderjarige] zijn moeder weer heeft gezien. Het is nu rustig thuis.\n\n4.6.. De advocaat van de stiefmoeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] een van de slechtste opties is, wat de stiefmoeder betreft. Door de inzet van hulpverlening kan ook bezien worden hoe de situatie bij de vader kan verbeteren. Niemand zit te wachten op de uithuisplaatsing van [minderjarige] en het feit dat [minderjarige] dan een ontevreden jongen is. Het geeft ook veel onzekerheid. [minderjarige] verblijft al sinds 4 mei jl. bij de vader. Vanuit die situatie kan ook aan verbetering worden gewerkt. Niet vanuit wéér een wisseling in verblijfplaats. De stiefmoeder vindt de ondertoezichtstelling wel passend.\n\n4.7.. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat het goed gaat met hem. Hij heeft geen stress. Alles is goed. [minderjarige] verblijft weer bij hem. Er zijn op dit moment twee contactpersonen bezig met zijn situatie en ook nog iemand anders. De vader wil niet dat [minderjarige] ergens anders naartoe gaat. Hij wil hem graag thuis hebben.\n\n4.8.. Door de advocaat van de vader wordt tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader geen verweer voert tegen de ondertoezichtstelling. De vader kan echter niet instemmen met de uithuisplaatsing. De vader ontvangt hulpverlening en ook is een gezinscoach bij hem betrokken. Door middel van de inzet van de GI kan verder worden onderzocht welke hulpverlening ingeschakeld moet worden. De vader is bereid om mee te werken aan alles wat nodig is voor [minderjarige] . De vader is van mening dat [minderjarige] bij hem thuis op zijn plek zit.\n\n5. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toegepast recht;\n\n5.1.. \n\nDe kinderrechter constateert dat [minderjarige] en de vader de\n\nEritrese nationaliteit hebben en de moeder de Britse. Dit brengt mee dat deze\n\nzaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te\n\nbeoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de\n\nkinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.\n\n5.2.. \n\nOp grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn\n\nter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het\n\ngrondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de\n\nzaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.\n\n5.3.. \n\nNu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond\n\nvan het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands\n\nrecht op het verzoek worden toegepast.\n\nInhoudelijke beoordeling;\n\n5.4.. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.. Belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Het resterende deel van het verzoek daartoe zal dan ook worden toegewezen voor de duur zoals verzocht. Ten aanzien van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] overweegt de kinderrechter als volgt. Gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat de zorgen, zoals omschreven in de beschikking van 28 januari 2026 nog steeds aanwezig zijn. [minderjarige] heeft het grootste gedeelte van zijn leven bij en met de stiefmoeder gewoond, maar is op 4 mei 2026 bij zijn vader ingetrokken. Daar verblijft hij nog steeds, ondanks dat ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend tot 19 mei 2026. Zowel de Raad als de GI hebben de opvatting dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader en de stiefmoeder niet het meest in zijn belang is. De kinderrechter kan de GI en de Raad hierin volgen. Gebleken is namelijk dat de stiefmoeder niks herkent van de aangegeven zorgen over [minderjarige] en blijft al twee jaar bij het standpunt dat alles goed gaat. Daarnaast heeft de betrokken hulpverlening ( [hulpverlening] ) sterk de indruk dat de stiefmoeder onder druk wordt gezet, wat er mede toe zou hebben geleid dat [minderjarige] nu bij de vader is ingetrokken. De vader lijkt zijn eigen onmacht te erkennen en ook het patroon van boosheid, slaan, richting de gezinsleden en zichzelf, maar vertaalt dit ook naar betrokkenheid op de minderjarige en zijn broer en zusje en daarnaast verwachtte de vader gehoorzaamheid van hen. De hulpverlening ziet tevens dat vader kwetsbaar is. Hij is herstellende van ziekte, heeft zijn gezin verloren en verbleef tot voor kort alleen in de echtelijke woning. Daarnaast wordt gezien dat de vader moeilijkheden heeft om te functioneren binnen het Nederlandse systeem. De extra controles die de vader ontvangt vanuit de gemeente geeft hem veel stress en deze stress wordt ook opgemerkt door [minderjarige] . Vanuit school wordt een jarenlang patroon gezien waarbij [minderjarige] veel angst vertoont richting de vader. Zowel school als de gemeente en andere betrokkenen maken zich veel zorgen over [minderjarige] . Op school geeft [minderjarige] aan dat hij liever op een neutrale plek verblijft. [hulpverlening] merkt op dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt, doorgegeven vanuit trauma. Betrokken hulpverlening signaleert dat [minderjarige] zich onttrekt aan het gezag van de ouders. Daarnaast signaleert school dat [minderjarige] op straat te vinden is, ook ’s nachts en er zijn inmiddels grote zorgen over het (criminele)netwerk waar [minderjarige] zich in bevindt. Daarbij komt dat het incident met het mes tegenstrijdige verhalen kent en [minderjarige] ook verschillende signalen afgeeft bij wie hij het liefst zou willen wonen.\n\n5.5.. De kinderrechter stelt aldus vast dat er grote zorgen zijn over [minderjarige] , hetgeen wordt bemoeilijkt doordat de ouders – maar ook [minderjarige] – blijven volhouden dat het goed gaat, terwijl er vanuit verschillende hoeken signalen komen dat daarvan geen sprake is. De kinderrechter is derhalve van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij uit de huidige situatie wordt gehaald en mag verblijven op een plek waar hem veiligheid, stabiliteit en rust kan worden geboden. Vanuit die situatie zal mogelijk meer zicht kunnen komen op de gebeurtenissen en zorgen rondom [minderjarige] en hetgeen hij daarvoor nodig heeft. Vanuit een situatie van rust, stabiliteit en veiligheid kan [minderjarige] zich weer gaan richten op zijn ontwikkelingstaken en stappen gaan zetten voor zijn toekomst. Dit betekent dat de kinderrechter het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal toewijzen. Zij geeft hierbij opdracht aan de GI om deze plaatsing op korte termijn te realiseren, waarbij het belang van [minderjarige] en zijn ontwikkelingsbehoeften voorop staan. De aankomende periode dient verder te worden gebruikt om zicht te krijgen op de (on)mogelijkheden van de ouders en de stiefmoeder in hun rol als opvoeder en verzorger van [minderjarige] . Vervolgens moet blijken of zij in staat zijn om [minderjarige] een blijvend veilig en stabiele opvoedingsomgeving te kunnen bieden, waarbij ook oog moet zijn voor de inzet van hulpverlening om dit dan wel te kunnen realiseren. Nu [minderjarige] uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij graag bij de vader wil wonen en hij daar nu ook feitelijk verblijft, dient in het bijzonder te worden gekeken of het mogelijk is dat [minderjarige] op -korte- termijn weer bij de vader kan wonen en wat daarvoor nodig is. De kinderrechter zal gelet op het voorgaande het resterende deel van het (onweersproken) verzoek tot ondertoezichtstelling toewijzen tot 28 januari 2027. Daarnaast zal de kinderrechter ook het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toewijzen met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026. In dit verband merkt de kinderrechter nog op dat op de zitting van heden niet is verzocht om een wijziging van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , ondanks het feitelijk verblijf van [minderjarige] bij de vader en de zorgen over de (opvoedingsomgeving van de) stiefmoeder. Dit betekent dat [minderjarige] – ter overbrugging naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel gezinsgerichte voorziening – bij de stiefmoeder zal verblijven. Gelet op de zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie bij zowel de vader als de stiefmoeder, benadrukt de kinderrechter dat een overbruggingsperiode aldaar niet wenselijk is en deze plaatsing derhalve, indien de GI zich toch genoodzaakt voelt om deze overbruggingsperiode te gebruiken om een andere plaatsing te kunnen realiseren, niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk is. De kinderrechter verwacht in deze situatie nauwgezette opvolging en – indien de situatie daartoe aanleiding geeft – tijdig ingrijpen door de GI.\n\n5.6.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister .\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027;\n\n6.2.. verlengt de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de stiefmoeder, te weten bij mevrouw [de stiefmoeder] ,en aansluitend hierop in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel gezinsgerichte opvang of voorziening voor pleegzorg met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026;\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.\n\n Artikel 1:265b, eerste lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5340","2026-07-13T00:28:22.902Z",20]