[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-roermond-child-protection-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":40,"limit":41},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},66,"Roermond","nl","roermond",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},34,"child-protection-nl","Child Protection","NL","2026-07-08T16:53:25.882Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[],[22,32],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"534","ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","ecli-nl-rblim-2026-6673","","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.227940.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1997,\n\nthans verblijvende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. L.M.J. de Ruiter, advocaat kantoorhoudende te Venlo.1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 april 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Vervolgens is op 8 juli 2026 het onderzoek ter terechtzitting gesloten.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 25 augustus 2025 een kussen tegen het gezicht van haar baby heeft gedrukt en zodoende heeft geprobeerd om haar baby te doden (primair). Deze handelswijze is subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling dan wel een mishandeling\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft hierbij verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte, de aangifte van haar partner en de berichten die zijn gestuurd in de groepsapp van de familie op Whatsapp.\n\nVoorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een volledig verstoorde wil bij de verdachte, nu uit onderzoek is gebleken dat zij slechts verminderd en niet volledig ontoerekeningsvatbaar was.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat er bij de verdachte sprake was van een verstoorde wil, waardoor de wilscomponent ontbreekt, hetgeen reeds om die reden tot vrijspraak moet leiden. Daarnaast heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel niet bewust aanvaard. Haar handelen was immers een uiting van onmacht, waardoor vrijspraak moet volgen voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe bewijsmiddelen\n\n [naam 1] , de vader van [naam 2]heeft namens hem aangifte gedaan en heeft – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nIk doe aangifte van poging doodslag.\n\nOns gezin bestaat uit mijn partner [verdachte] , mijn dochter [naam 3] (2 jaar) en mijn zoontje [naam 2] die geboren is op [geboortedatum 2] 2025. Wij wonen met zijn vieren op de [adres 2] , binnen de gemeente Venlo.\n\nOp 25 augustus 2025, om 17:45 uur, kwam [verdachte] naar beneden. Ik zat op de bank. [naam 2] lag in de box. Ik zag dat [verdachte] om de box liep naar de bank. Ik zag dat [verdachte] van de rechterhoek van de bank een kussen vastpakte. Ik zag dat [verdachte] het kussen vasthad met beide handen. Ik zag dat [verdachte] terugliep naar de box. Ik zag dat [verdachte] voor de box stond. Ik zag dat [naam 2] in het midden van de box lag. Ik zag dat [verdachte] voorovergebogen bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen in een snelle beweging liet zakken. Ik zag dat [verdachte] met beide handen, het kussen tegen het gezicht van [naam 2] drukte. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard drukte op het gezicht van [naam 2] . Dit zag ik doordat [verdachte] hard kneep in het kussen. Ze had witte knokkels en ik zag dat het matras\u002Fmatje werd ingedrukt. Ik hoorde dat ze niets zei. Ik zei: “Niet doen!” Ik zag dat [naam 2] met zijn beentjes begon te spartelen. Ik hoorde dat [naam 2] geen geluid maakte. Ik ben erop gevlogen om het te stoppen. Ik denk dat ik binnen ongeveer 4 seconden bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard op het gezicht van [naam 2] bleef duwen en dat [naam 2] nog steeds spartelde met zijn benen. Ik heb [verdachte] vervolgens geslagen op haar rug, om het te stoppen. Ik zag dat [verdachte] niet stopte. Ik heb [verdachte] toen nogmaals geslagen. Ik sloeg haar tegen haar arm en of zij. Ik zag dat [verdachte] toen nog niet stopte. Ik heb toen nogmaals geslagen tegen haar arm en of zij. Daarna heb ik haar weggeduwd van de box. Ik denk dat dit ongeveer 8 tot 10 seconden heeft geduurd. Ik heb toen zelf het kussen van het gezicht van [naam 2] gehaald. Ik heb [naam 2] opgetild, want ik hoorde dat hij hard aan het huilen was. Dit klonk anders dan normaal. Ik heb dit ervaren als een paniek huil. Ik zag dat de tranen over zijn wangen rolden. Ik zag dat [naam 2] harder dan normaal ademde. Ik hoorde dat [naam 2] aan een stuk bleef huilen.\n\nIk was heel angstig dat [naam 2] iets zou overkomen. Ik kan niet inschatten of ze ermee was gestopt of dat ze het had doorgezet.\n\nVerbalisant [naam 4], die op 25 augustus 2025 aanwezig was bij de aanhouding van de verdachte, relateerde in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte:\n\nIk vroeg aan [verdachte] : \"Ik heb gehoord dat jij een kussen op het gezicht van [naam 2] had gedrukt. Klopt dat?\" Ik hoorde dat [verdachte] zei: \"Ja dat klopt.\" Ik zag dat ze dit zei zonder emotie. Ik zei: \"Wilde je hem dood maken?” Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Ja, dat kan best.”\n\nDe verdachteheeft tijdens haar eerste verhoor bij de politie onder meer het volgende verklaard:\n\nOp 25 augustus 2025 knapte er iets in mij en toen heb ik het kussen op het hoofd van mijn jongste kind, [naam 2] , geduwd. [naam 1] duwde mij weg en ik begon te schreeuwen. Ik heb het kussen een paar seconden op zijn hoofd geduwd.\n\nTijdens haar tweede verhoor bij de politie heeft de verdachtehet volgende verklaard:\n\nV: Je dochtertje zat bij je he?\n\nA: Ze zat bij mij op de schoot.\n\nV: Waarom richtte je je niet tot haar in plaats van op je zoontje?\n\nA: Omdat hij zich nog niet kan verweren, dus dan is het makkelijker.\n\nV: Wat was dan makkelijker?\n\nA: Om me daar op af te reageren omdat hij zich toch niet kan verweren.\n\nV: Wat ging er door je heen toen je naar de box liep?\n\nA: Ik weet niet meer precies, het was alsof ik dat moest doen om overal vanaf te zijn.\n\n(…)\n\nV: Gisteren kwam het ‘achter het behang plakken’ ter sprake. Dat we dit gevoel allemaal wel kennen. Wanneer heb je voor het eerst gedacht je zoontje echt wat aan te willen doen? We bedoelen dus het gevoel dat verder gaat dan 'achter het behang plakken’.\n\nA: Ik heb het wel eens gedacht, maar niet tot actie om gezet.\n\nV: Wanneer heb je dit voor het eerst gedacht?\n\nA: Een paar weken terug.\n\nV: Hoe zagen die gedachtes eruit?\n\nA: Als dit zo door blijft gaan, dan doe ik hem dadelijk iets aan.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 25 augustus 2025 in haar woning een kussen op het gezicht van haar baby heeft gedrukt en gedrukt heeft gehouden. De partner van de verdachte heeft haar moeten wegduwen en slaan om haar te laten stoppen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan deze gedraging, gelet op haar uiterlijke verschijningsvorm, worden aangemerkt als een gedraging die is gericht op het beëindigen van het leven van het slachtoffer. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het drukken van een kussen op het hoofd de ademhaling belemmert en tot verstikking kan leiden. Dit geldt in het bijzonder voor een baby van zes maanden oud, die vanwege diens fysieke kwetsbaarheid en afhankelijkheid in het geheel niet in staat is zich aan een dergelijke situatie te onttrekken.\n\nDe rechtbank leidt uit deze uiterlijke verschijningsvorm af dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de dood van haar baby. De rechtbank slaat daarbij ook acht op de uitlatingen die de verdachte tegenover de politie heeft gedaan dat het best zou kunnen dat zij haar zoontje op dat moment wilde dood maken, dat zij sinds een paar weken gedachtes had dat zij haar zoontje iets aan kon doen en dat zij zich bewust tot haar zoontje richtte, omdat hij zich nog niet kan verweren.\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte handelde vanuit een geestelijke stoornis, waardoor sprake zou zijn geweest van een verstoorde wilsvorming. De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit de onder 5 nader te noemen triple rapportage naar de persoon van de verdachte weliswaar volgt dat zij leed aan een psychische stoornis, maar dat niet is gebleken dat deze stoornis haar wilsvrijheid zodanig heeft aangetast dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of overeenkomstig die wil te handelen. Dat de verdachte nog in staat was om bewuste keuzes te maken, blijkt bovendien reeds uit de omstandigheid dat zij zich tot haar zoontje richtte omdat hij zich nog niet kan verweren. Dat de verdachte mogelijk vanuit haar stoornis heeft gehandeld, maakt niet dat haar wil volledig was uitgeschakeld.\n\nDe rechtbank verwerpt daarom het verweer en acht de poging tot doodslag zoals primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nPrimair\n\nop 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) van het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt en gedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:\n\nPrimair\n\nPoging tot doodslag.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nGZ-psycholoog dhr. T. ’t Hoen, psychiater mw. C.M.A. Matton en forensisch milieuonderzoeker dhr. D.A. de Ruiter hebben op 18 december 2025 een triple rapportage uitgebracht over de persoon van de verdachte. In genoemd rapport is vermeld dat de verdachte een zeer kwetsbare, gesloten en getraumatiseerde vrouw is, bij wie een forse scheefgroei in haar persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling wordt gezien waarvoor de basis al is gelegd in haar problematische en belaste jeugd. Er is sprake van een op de voorgrond staande borderline-persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is bij de verdachte terugkerend sprake van een mengbeeld van stemmingsklachten en trauma-gerelateerde klachten, die ook in aanloop naar het feit op de voorgrond kwamen. Tevens kan er volgens de deskundigen worden gesproken van een stoornis in het gebruik van speed (amfetamine), licht van aard en thans in remissie in de gereguleerde omgeving van detentie.\n\nVolgens de deskundigen was van bovenstaande stoornissen ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde feit en werden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde feit ook door de psychische stoornissen beïnvloed.\n\nIn aanloop naar het tenlastegelegde feit liepen de spanningen en psychische problemen bij de verdachte steeds meer op. Haar draagkracht schoot steeds meer tekort om de toenemende draaglast het hoofd te bieden, wat leidde tot een sterke toename van psychische klachten in de vorm van forse spannings- en stemmingsklachten (waaronder prikkelbaarheid). Doordat de spanningen en problemen bleven aanhouden en zelfs toenamen, lukte het haar niet langer om de afgesplitste woede en agressie te controleren. Dit kwam al tot uiting in de toenemende woede en agressie jegens zichzelf in de vorm van automutilatie en suïcidaliteit. Daarnaast lijkt de afgesplitste woede ook naar buiten te zijn geslagen in de vorm van de agressieve impulsdoorbraak jegens haar paar maanden oude zoontje. De verdachte was al met al als gevolg van haar ernstige persoonlijkheidspathologie op dat moment onvoldoende in staat om haar gedrag op een gezondere wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. De deskundigen adviseren daarom het feit in verminderde mate toe te rekenen.\n\nOp grond van dit rapport is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, omdat zij het feit heeft begaan onder invloed van een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens.\n\nGelet op het voorgaande is er géén sprake van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte voor het bewezenverklaarde in het geheel uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie gaat ervan uit dat het feit in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen. Daarnaast heeft zij in acht genomen dat het een zeer ernstig feit betreft, waar normaliter lange gevangenisstraffen tegenover staan. Zij heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Overeenkomstig het reclasseringsadvies heeft zij gevorderd om de aan de tbs te verbinden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de voorlopige hechtenis te schorsen onder dezelfde voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte gebaat is bij hulp en behandeling en acht tbs met voorwaarden een passende sanctie. Wel heeft zij verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe ernst van het feit\n\nDe verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd door een kussen op het gezicht van haar zes maanden oude baby te drukken en gedrukt te houden. Daarmee heeft zij de gezondheid en het leven van haar baby ernstig in gevaar gebracht. [naam 2] was als jonge baby compleet weerloos en volledig afhankelijk van de zorg en bescherming van zijn ouders. Door zo te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op haar ouderlijke plicht om haar baby te verzorgen en te beschermen en zich te onthouden van elk handelen dat het kind schade kan berokkenen. Dat het handelen van de verdachte geen blijvend letsel of het overlijden van de baby heeft veroorzaakt, is alleen te danken aan het ingrijpen van haar partner.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat de verdachte heeft gehandeld vanuit frustraties en onmacht die een oorzaak vinden in haar trauma’s en stoornis. Dat kan helpen verklaren hoe het tot dit handelen is gekomen, maar rechtvaardigt het gedrag niet. Juist in zulke situaties mag van een moeder worden verwacht dat zij hulp zoekt of afstand neemt, in plaats van haar kind in gevaar te brengen.\n\nZoals reeds onder 5 is uiteengezet, komt de rechtbank op basis van de daar genoemde triple rapportage wel tot de conclusie dat het bewezenverklaarde verminderd aan de verdachte moet worden toegerekend, omdat de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde feit door de psychische stoornissen van de verdachte werden beïnvloed. De rechtbank zal daar rekening mee houden bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregelen.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee, dat zij van het begin af aan openheid van zaken heeft gegeven en ook ten volle heeft meegewerkt aan het triple onderzoek. Omdat de rechtbank van oordeel is dat in deze zaak de focus op de behandeling van de verdachte dient te liggen, zal zij de gevangenisstraf beperken tot een straf gelijk aan de duur van het voorarrest en aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 268 dagen. Omdat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels al is geschorst onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd in het kader van de tbs met voorwaarden, betekent dat dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft.\n\nDe maatregel van terbeschikkingstelling\n\nIndien het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld.\n\nHet bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld en hiervoor heeft de rechtbank al geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Ten aanzien van het risico voor de algemene veiligheid van personen of goederen (het recidiverisico) en de behandelmogelijkheden, komt in de triple rapportage naar voren dat bij de verdachte een matig risico aanwezig is op herhaling van een soortgelijk feit. De deskundigen achten een langdurige, intensieve behandeling binnen een forensische kliniek noodzakelijk om dat risico terug te dringen. Deze behandeling dient zich te richten op de borderlinepersoonlijkheidsstoornis van de verdachte en de bijkomende psychische klachten en symptomen. Middels behandeling dient het inzicht van de verdachte in haar emotionele binnenwereld te worden vergroot, moet er aandacht zijn voor haar emotieregulatie en het versterken van haar copingvaardigheden. De deskundigen adviseren om aan de verdachte een tbs-maatregel op te leggen. Zij zien enkele aanknopingspunten voor het opleggen van tbs met voorwaarden, maar zien hier ook de beperkingen van. Zij hebben namelijk zorgen of de verdachte een dergelijk intensief en langdurig behandeltraject aankan. De deskundigen hebben uiteindelijk geadviseerd om de reclassering onderzoek te laten doen naar de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden.\n\nDe reclassering heeft op 12 maart 2026 advies uitgebracht. De reclassering schat het risico dat de verdachte zich zal onttrekken aan de voorwaarden in als laag, maar spreekt wel haar twijfels uit over het antwoord op de vraag in hoeverre de verdachte zich vanuit haar ernstige persoonlijkheidspathologie langdurig weet te conformeren aan een ingrijpende en intensieve behandeling. Desalniettemin acht zij een tbs met voorwaarden wel uitvoerbaar. De reclassering heeft daarom geadviseerd om in dat kader aan de verdachte onder meer de volgende voorwaarden op te leggen: meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in beschermd\u002Fbegeleid wonen, meewerken aan ambulante gezinsbegeleiding en een alcohol- en verdovende middelen verbod.\n\nDe rechtbank is op basis van de triple rapportage en het advies van de reclassering van oordeel dat adequate zorg rondom de verdachte opgezet zal moeten worden om te voorkomen dat zij niet of onvoldoende behandeld terugkeert in de maatschappij en om ervoor te zorgen dat zij langere tijd behandeld en gemonitord wordt.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de genoemde wettelijke vereisten om de maatregel van tbs met voorwaarden te kunnen opleggen en zal ter bescherming van de veiligheid van anderen de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte opleggen, zoals benoemd in het advies van de reclassering. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden. Uit de rapporten en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zij het liefst zo snel mogelijk dient te beginnen met de klinische behandeling bij de Rooyse Wissel. Daarom heeft de rechtbank op de zitting van 29 april 2026 de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van het moment dat deze behandeling is aangevangen onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd door de reclassering in het kader van de tbs met voorwaarden.\n\nDe rechtbank stelt voorts vast dat deze maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank zal bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zonder directe intensieve behandeling en begeleiding zal terugvallen in gedrag dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe gedrag beïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nMede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte, ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden, langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt daarom de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr op aan de verdachte.\n\n7. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvan268 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrestis doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\na. De veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n De veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n De veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen.\n\n De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n De veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n De veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.\n\n De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n De veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n De veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n De veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijk wonen gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\n De veroordeelde laat zich – na afloop van een klinische behandeling – behandelendoor een nader te bepalenforensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n De veroordeelde verblijft na afloop van een klinische behandeling, indien nodig, gedurende de proefperiode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een nader te bepalen begeleid of beschermd woneninstelling of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-outworden opgenomen in een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n De veroordeelde gaat niet naar het buitenlandof het Caribisch gebied van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;\n\n De veroordeelde gebruikt geen verdovende middelengenoemd in lijst I (harddrugs), en\u002Fof lijst II (softdrugs) en\u002Fof geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde werkt, zolang de reclassering dit nodig acht, mee aan ambulante gezinsbegeleiding en\u002Fof jeugdbeschermingen houdt zich aan de afspraken met de betrokken hulpverlening. In het belang van de veiligheid van de veroordeelde zelf, de partner en de kinderen van de veroordeelde, is de veroordeelde open over haar psychische gesteldheid richting hulpverlening en de reclassering. De reclassering en de hulpverlening hebben overleg met elkaar;\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\n- legt aan de veroordeelde op de maatregelstrekkende totgedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking(artikel 38z Sr).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. R.M.M. Menting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Menting is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nPrimair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk een ander, te weten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025)\n\nvan het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft\n\ngedrukt en\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf\n\nniet is voltooid;\n\nSubsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te\n\nweten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) opzettelijk zwaar lichamelijk\n\nletsel toe te brengen een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt\n\nen\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is\n\nvoltooid,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nMeer subsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\n [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) heeft mishandeld, door een kussen\n\ntegen het gezicht van die [naam 2] te drukken en\u002Fof gedrukt te houden, terwijl\n\nverdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025143771, gesloten d.d. 30 oktober 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 182.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] mede namens [naam 2] van 25 augustus 2025, pg. 15 en 16.\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 26 augustus 2025, pg. 144 en 145.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 26 augustus 2025, pg. 162 en 163.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 27 augustus 2025, pg. 166-168.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.466Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"616","ECLI:NL:RBLIM:2026:5981","ecli-nl-rblim-2026-5981","RECHTBANK LIMBURG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F352443 \u002F JE RK 26-890\n\nDatum uitspraak: 9 juni 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over vervangende toestemming medische behandeling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, kantoorhoudend in Venlo,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [de minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonend op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonend in [plaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2026.\n\n1.2.. \n\nDe zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij was aanwezig:\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\nBeide ouders hebben zich via de GI afgemeld voor de zitting.\n\n1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld.Deze beschikking is de schriftelijke uitwerking van die uitspraak.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .\n\n2.2.. \n [de minderjarige] woont bij de moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 12 juni 2026.\n\n2.4.. De vader heeft toestemming geweigerd voor de medische behandeling van [de minderjarige] bij [zorgverlener] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt vervangende toestemming te verlenen voor de medische behande-ling van [de minderjarige] . Deze medische behandeling betreft de plaatsing binnen de vroegbehandelgroep van [zorgverlener] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De GI onderbouwt het verzoek als volgt. [de minderjarige] heeft een ernstige taal- en spraak-achterstand in combinatie met een gehoorbeperking. [de minderjarige] is pas op een latere leeftijd gestart met het dragen van gehoorapparatuur, wat een negatieve invloed heeft gehad op zijn taalontwikkeling. [de minderjarige] verblijft op dit moment binnen de reguliere [kinderopvang] . Deze opvang heeft meerdere keren aangegeven dat zij niet de specialistische ondersteuning kunnen bieden die passend is bij zijn ontwikkelingsbehoeften, waardoor zijn taalontwikkeling fors achter blijft. Ondanks dat er enige vooruitgang zichtbaar is in de concentratie en deelname aan activiteiten, blijft er sprake van beperkte communicatie, imitatiegedrag en onvoldoende taalverwerking. Het is noodzakelijk dat [de minderjarige] geplaatst wordt binnen een gespecialiseerde vroegbehandelgroep. Deze behandelgroep is specifiek gericht op kinderen met ernstige taal- en spraakproblematiek en biedt intensieve specialistische begeleiding die [de minderjarige] op dit moment nodig heeft. Uitstel van passende behandeling vergroot de kans op ontwikkelingsschade, terwijl juist op een jonge leeftijd specialistische stimule-ring van taal en communicatie essentieel is. De moeder stemt in met de voorgenomen plaatsing, de vader weigert echter toestemming te verlenen. De vader heeft herhaaldelijk aangegeven niet akkoord te gaan met een plaatsing binnen een gespecialiseerde setting, zonder een duidelijk argument te geven waarom hij niet akkoord gaat. Dit past binnen een breder patroon, waarbij de vader vaker noodzakelijke beslissingen rondom de kinderen belemmerd heeft. De vader is beperkt betrokken bij de dagelijkse opvoeding van de kinderen. De kinderen wonen volledig bij de moeder en de vader heeft sporadisch en onregelmatig contact met de kinderen. De vader is formeel gezaghebbende ouder, maar levert in de praktijk nauwelijks een bijdrage aan de dagelijkse verzorging en opvoeding. De weigering van de vader leidt tot stagnatie van de noodzakelijke hulpverlening en brengt risico’s mee voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . De GI is van mening dat noodzakelijke behandeling niet kan worden uitgesteld totdat de ouders mogelijk alsnog een overeenstem-ming bereiken, nu eerdere ervaringen hebben laten zien dat dit een langdurige vertraging oplevert. Het belang van [de minderjarige] dient hierbij voorop te staan.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De moeder is niet naar de zitting gekomen en heeft geen verweer gevoerd.\n\n4.2.. De vader is niet naar de zitting gekomen en heeft geen verweer gevoerd.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit. Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De kinderrechter is van oordeel, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland ligt. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op de verzoeken van toepassing.\n\n5.2.. De kinderrechter kan, gelet op artikel 265h van het Burgerlijk Wetboek, vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert.\n\n5.3.. De kinderrechter is van oordeel dat een plaatsing op de gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] , zoals de GI heeft verzocht, in het belang van [de minderjarige] is. [de minderjarige] heeft een gehoorbeperking en hij kan niet goed mee bij de huidige kinderopvang, omdat hij de juf niet begrijpt of verstaat. Ook anderen verstaat en begrijpt hij niet goed. De huidige kinderopvang kan [de minderjarige] niet bieden wat hij nodig heeft. Daardoor blijft hij achter in zijn ontwikkeling en komt hij niet toe aan zijn ontwikkeltaken. De gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] is specifiek ingesteld op kinderen van [de minderjarige] leeftijd met een ontwikkelingsachterstand en ernstige gehoorbeperking. Het gaat om een medische behandeling. Gelet op [de minderjarige] beperkingen en om hem in zijn ontwikkeling te kunnen ondersteunen, is het noodzakelijk dat [de minderjarige] gaat deelnemen aan deze behandelgroep. De vader weigert – ten nadele van [de minderjarige] – hier toestemming voor te geven. Daarom zal de kinderrechter de vervangende toestemming verlenen die in plaats treedt van de toestemming van de vader.\n\n5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verleent vervangende toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, voor de medische behandeling van [de minderjarige] , inhoudende: een plaatsing binnen de gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] ;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. dr. Van Binnebeke, kinderrechter, in aanwezigheid van Kock als griffier, en op schrift gesteld op 23 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5981","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.449Z",1,20]